Welgelukzalig

Ds. W. Bijleveld

"Welgelukzalig is het volk, dat het geklank kent." Psalm 89: 16a

Er wordt verhaald [in een Griekse legende], dat de rijke koning Croesus eens aan de wijze Solon, de vraag deed, wie of wel de gelukkigste mens was. Ongetwijfeld verwachte hij tot antwoord, dat niemand anders dan Croesus dit kon zijn, daar hij onnoemlijk rijk was. Velen menen immers evenals deze koning, dat geld het geluk met zich brengt. Hoevelen toch spannen zich in, om tot lotsverbetering te geraken? En toch brengt goud nog geen geluk. Immers hoeveel is er in dit leven, dat voor geen geld te verkrijgen is. Denk maar aan ware vriendschap. Ook kunnen wij met goud nog geen minuut leven kopen. En wat de eeuwigheid betreft, dan zullen wij er ook geen "eeuwig wel" door kunnen verkrijgen. Brengt dan geld geluk aan? Ach nee, want ook kan hij, die rijk is, over korte tijd verarmd wezen, daar de rijkdom onbestendig is. De wijze Solon antwoordde zijn vorst met het woord: "Niemand is gelukkig voor zijn dood". Dit is het antwoord van een heiden. En hoewel in dit woord een grote levenswijsheid schuilt, wij zouden het niet graag overnemen.

Want in de eerste plaats, is het maar voor weinigen waar, dat zij na de dood gelukkig zullen wezen en tevens is er ook nog een volk, dat reeds hier het geluk mag smaken.

Eigenlijk is dit één en hetzelfde volk. Zij, die hier wel eens geluk hebben genoten, zullen na de dood eeuwig gelukzalig zijn. Nademaal, zo belijdt de gelovige, ik nu het beginsel der eeuwige vreugde in mijn hart gevoel, zal ik na dit leven, volkomen zaligheid bezitten, die geen oog gezien en geen oor gehoord heeft, en in geen 's mensen hart opgeklommen is, en dat, om God daarin eeuwiglijk te prijzen. Het volk, dat deze belijdenis doet, is het volk van de Heere, van wie Ethan, de Ezrahiet getuigt: Welgelukzalig is het volk hetwelk het geklank kent. Niet, dat dit volk altijd in dat geluk deelt, o nee, want er zijn tijden, dat zij liever de acht en tachtigste psalm zingen, dan dat zij de eerste helft van psalm negen en tachtig aanheffen. In de vorige psalm klaagt Heman, ook een Ezrahiet, zijn droefheid uit, en dat moeten de reizigers op weg naar het hemels Sion zo dikwijls. Zij hebben te klagen over hun zondig hart en over de afstand, die er tussen God en hun ziel is. Zij moeten dikwijls klagen over het omzwerven buiten de Heere en het gevoelloze daaronder. Maar er komen ook tijden, dat zij mogen verheugd zijn en hartelijk zingen kunnen. De ware blijdschap wordt genoten, als zij het geklank mogen horen!

Wat wordt nu met het geklank bedoeld? Reeds in onze kinderjaren leerden wij deze psalm zingen. Er is geen lied, dat zo vaak wordt aangeheven dan het: "Hoe zalig is het volk dat naar uw klanken hoort". En hoe dikwijls wordt ook deze tekst niet in de gesprekken aangehaald. Ja, zo zegt men dan, 't is zo als de dichter zegt: Welgelukzalig is het volk, dat het geklank kent". Nu wordt wel verstaan, dat er mee bedoeld wordt, dat het volk gelukzalig is, dat Gods woord verstaan mag met het hart, wat dan óók wel mede de betekenis van dit woord is, maar de werkelijke betekenis van deze tekst staat ieder nog niet helder voor ogen.

Om deze tekst goed te verstaan, moeten wij lezen, wat in de eerste tien verzen van Numeri 10 beschreven staat. Wij lezen daar, dat aan Mozes bevolen wordt, dat er twee zilveren trompetten moeten worden gemaakt, en dat de Priesters, Aarons zonen, er op moeten blazen bij bijzondere gelegenheden. Als op beiden geblazen werd met volle klank, dan moesten de Israëlieten zich opmaken naar de tent der samenkomst, terwijl als er op één trompet geblazen werd alleen de hoofden van Israël tot de Heere moesten komen. In bijzonder werden die trompetten geblazen, wanneer Israël zijn grote feesten vieren zou. Denk u het even in. Als het Pascha zou worden gevierd, dan bliezen de Priesters de trompetten en het volk van de Heere maakte zich op, om het Paaslam te slachten en het Pascha te eten.

Nu, zegt Ethan, welgelukzalig is het volk, dat dit geklank kent. In zijn dagen was het treurig met het volk des verbonds. Hij klaagt in het tweede deel van deze heerlijke psalm het uit, dat het droevig met Israëls troon en kroon er bijstond. En dat met recht. Hij leefde in de dagen van Rehabeam, toen Jerobeam tien stammen van het huis van David had afgescheurd. Deze stammen luisterden niet meer naar het geluid van de zilveren trompetten. Zij gingen niet meer op naar 's Heeren huis, als in vroegere jaren, maar kwamen samen bij een gouden kalf te Bethel of te Dan. Hoe smartelijk is dit voor de oprechte zanger. Zie, zij, die God niet dienen, 't zij dan in Rehabeams dagen of wanneer dan ook, zij zijn niet gelukzalig te prijzen, maar zij zijn met al hun eigenwillige godsdienst ongelukkig.

Al is het, dat zij zich inbeelden gelukkig te zijn, waar zij in 's Heeren wegen niet wandelen, daar zal het op Gods tijd aan hen vervuld worden: "Gij roeit hen uit, die afhoereren, en U de trotse nek toekeren."

Ook waren er in Ethans tijd, die wel het geluid van de bazuin hoorden, maar het niet kenden, d. i. het niet ter harte namen. Zij leefden niet naar Gods inzettingen en als ze al opgingen naar de tempel, het was slechts vorm en geen hartewerk. Begrijpelijk dat zulken niet zalig gesproken mogen worden, want zij zijn het niet. Maar diegenen, die hun zonden recht gevoelden en uitzagen naar de genade Gods, zij waren verblijd wanneer zij door het geklank van de trompet werden opgeroepen tot het Pascha. Op dat feest werden ze gewezen op zonde, gerechtigheid en oordeel. Dat lam, dat stierf, sprak van het loon van de zonde, d.i. de dood, die zij verdiend hadden. Maar ook werden zij gewezen op 'Het Lam Gods', dat de zonden der wereld wegdraagt. Zij moesten de dood in, maar nu gaat er een lam voor hen sterven, zo ook zal straks "Gods Lam" voor hen sterven en zij zullen leven, leven tot in eeuwigheid. Zij, die zo het geklank opvolgden en beleefden werden gelukzalig geprezen. En dat met recht, want immers zij krijgen een vrede op het Paasfeest te genieten, die alle verstand te boven gaat. 

Maar dat geldt niet alleen voor hen, die onder het Oude Testament leefden, maar evenzeer onder de nieuwe dag van Gods ware kinderen. Wel hebben wij nu geen zilveren trompetten meer, maar wij hebben Gods dierbaar Woord. En nu zendt de Heere zijn dienaren uit, om dat Woord te verkondigen. Zij blazen, figuurlijk gesproken, nog de trompet. Zij roepen op tot de godsdienst van het hart.

Nu zijn er velen, die zich van dat geklank afkeren en zeggen, dat het geluk pas echt op aarde zal komen, wanneer dat Woord Gods gesloten werd en de dienaren des Woords tot zwijgen werden gebracht. Maar deze weten niet, wat zij zeggen noch wat zij begeren. Immers, als het woord Gods er niet meer zou wezen, dan taste de mensheid in een stikdonkere nacht rond, en als er geen predikers meer u opriepen tot de ware dienst van God, dan zou het pessimisme de overhand nemen. Anderen horen wel de prediking van het Woord, maar zij beleven de waarheid niet in een godzalige wandel. Zolang dat niet veranderd, zal hun toekomst straks niet zijn het "eeuwig wel" maar een "eeuwig wee". Bidt de Heere, of de waarheid nog eens, waarlijk aan uw hart wordt gelegd, opdat u behouden mag worden van den toekomende toorn. Nog weer anderen zijn het, die deze waarheid volmondig toestemmen en juichen: "ja zalig is het volk, dat het Evangeliegeklank kent", en die toch zich nauw hebben te onderzoeken, omdat zij zich bedriegen voor een grote eeuwigheid. Het zijn degenen, van wie Jezus zegt, dat zij het woord terstond met vreugde aannamen, maar als verdrukking en benauwdheid komt, dan worden zij terstond geërgerd. Hun begin is verkeerd. Deze tijdgelovigen kennen niet de drie stukken, die ons in Gods woord worden voorgehouden, om die te beleven: Zij spreken van verlossing, maar verstaan niet de bange klacht van Heman. Zij verstaan niet de taal van het Paaslam: "gij zijt des doods schuldig"* En ziet, geliefden, dat moet een mens eerst recht kennen. Alleenlijk dit spreekt de Heere, ken uwe ongerechtigheid, dat gij tegen de Heere uwe God gezondigd hebt. Die kennis krijgt een mens, doordat het geblaas van de bazuin van het Woord door de Heilige Geest aan zijn hart geheiligd wordt. Dan wordt hij een verloren mens, die in de ontdekkingsweg, hoe langer hoe beter leert, dat de zaligheid buiten hem in een ander moet worden gezocht.

Dus het begint niet met gelukzaligheid, maar met ellende. En toch is er iets in het hart van dat ontdekte volk, dat ze onder geen woorden kunnen brengen, maar waarvan ze toch moeten getuigen: "Ik wil het niet kwijt". - Er is n.l. een betrekking in het hart op de Heere. 

Er is een liefdes band, die gevoeld wordt. Maar de Heere doet zulken te Zijner tijd het geklank van het Evangelie beluisteren met zoveel toepassing door de Heilige Geest, dat zij bij tijden en ogenblikken de zaligheid genieten. Het is als het ware Pascha hun verkondigd wordt en zij met hun zonden en schulden tot Hem mogen vluchten, om bij Hem te ervaren, dat Zijn bloed reinigt van alle zonden. Dan wordt het Hallel van het Pascha gezongen: Gij zijt verlost. God heeft u wel gedaan. Welgelukzalig is het volk, dat het geklank kent. - Dan is het voor hen niet de aardse priester, die de bazuin blaast, maar de [enige] Hogepriester  en zijn woord komt met kracht in de ziel. Dat woord is geest en leven. Dat woord geeft ruimte en blijdschap. Dat woord brengt de zaligheid in de ziel. Met dat volk is het "wel" bij aanvang. Is het mijn lezer ook "wel" met u? Dat volk geniet, een geluk, daar de wereld geen kennis van heeft: Bezit u het reeds in beginsel? Dat volk is zalig, d. i. vol van God. Geliefden, hebt u dat wel eens doorleefd? Dat volk is hier reeds zalig, want zijn zonde is verzoend; het heeft een gegronde troost in leven en in sterven en een zalige verwachting der toekomst, daar zij eens ongestoord het geklank zullen genieten aan de bruiloft des Lams. Mijn lezer, hebt u daar hoop op? Onderzoek u nauw, ja, zeer nauw aan de hand van Gods woord en bid daarbij om het licht van de Heilige Geest, opdat u uzelf niet voor die grote eeuwigheid bedriegt. En is het dan, dat het nog niet "wel" met u is en dat u het ware geluk nog mist, en dat dat "zalige" nog niet uw deel is, wel, weet dan, dat het nog te verkrijgen is bij de Heere. Begeef u gedurig onder de klanken van het heiligdom en God heilige de beluisterde waarheid aan uw hart.

Maar mag u  zeggen, dat u bij aanvang kennis aan die zaligmakende klanken hebt; wel, lees dan nog eens met aandacht Numeri 10. Daar leest u, dat Israël door de trompetten ook werd opgeroepen tot de heilige krijg. Dan gaven die trompetten een gebroken geluid. Welnu, zo wordt u ook door dat woord opgeroepen tot de heilige oorlog, om te strijden de goede strijd des geloofs, tegen wereld, satan en zonde. Zolang wij in deze bedeling zijn zullen wij hebben te strijden, maar straks komt de eindstreep des levens en dan wordt de wettige strijder wettig gekroond. En zoals Israël eens na de strijd mocht wonen in Kanaan, om daar met blijdschap het Pascha te vieren, zo zal het geestelijk Israël na de strijd rusten mogen in het Kanaan hier boven, om de waarheid van het Godswoord te ondervinden: "Zalig zijn ze, die geroepen zijn tot het avondmaal van de bruiloft des Lams".


Ds. W. Bijleveld

in leven Christelijk-Gereformeerd predikant in Haarlem-Centrum



"Welgelukzalig is het volk, wiens God de HEERE is", Psalm 144: 15b

Blijdschap en geluk zijn dingen die alle mensen willen hebben: het verlangen daarnaar is de mens in het hart gegeven. Alle mensen hebben van nature en afkeer van pijn, verdriet en moeite. Alle mensen houden van nature van gemak, behaaglijkheid en blijdschap. Alle mensen streven van nature naar geluk.

Maar helaas, hoe weinigen weten werkelijk wat zij bedoelen als ze over geluk en blijdschap spreken. Wat hebben de meeste mensen hierover vage, onduidelijke en onbepaalde ideeën. Zij denken dat sommigen gelukkig zijn die in werkelijkheid zeer ongelukkig zijn: de denken dat sommigen somber en droevig gestemd zijn die in werkelijkheid echt gelukkig zijn.

Ware blijdschap is niet de totale afwezigheid van verdriet en ongemak. Als dat waar zou zijn, zou er in deze wereld nooit sprake van geluk kunnen zijn. Ware blijdschap bestaat niet uit lachen en glimlachen. Het gezicht brengt slechts zelden tot uitdrukking hoe iemand zich innerlijk voelt. Er zijn duizenden mensen die hard lachen en in gezelschap erg vrolijk doen, maar die als ze alleen zijn erg neerslachtig zijn en bang zijn om alleen te zijn.

Om werkelijk gelukkig te zijn, moet er aan de diepse verlangens van de menselijke aard voldaan worden. Alle eisen van zijn wonderlijk geschapen gestel moeten vervuld worden. Er mag niets in hem zijn dat 'geef, geef!' roept, zonder antwoord te krijgen.

Wat zijn de voornaamste verlangens van een mens? Heeft hij alleen een lichaam? Nee, hij heeft nog iets meer. Hij heeft een ziel. Heeft hij alleen zintuigelijke vermogens? Kan hij niets meer dan horen, zien, ruiken, proeven en voelen? Nee, hij kan ook denken en heeft een geweten!

Het is onzin om net te doen of alleen voedsel en kleding en aardse goede dingen een mens gelukkig kunnen maken. Er bestaan ook behoeften van de ziel. Er zijn behoeften van het geweten. Er kan geen sprake van ware blijdschap zijn, zolang niet ook aan deze verlangens wordt voldaan. Om werkelijk gelukkig te kunnen zijn, moet een mens zijn blijdschap kunnen putten uit bronnen die op geen enkele wijze afhankelijk zijn van deze wereld.

E is niets op deze wereld wat niet het merkteken draagt van onzekerheid. Alle goede dingen die voor geld te koop zijn, zijn slechts van tijdelijke aard. Aan de dierbaarste relaties in het leven komt een einde: de dood kan iedere dag toeslaan en ze van ons wegnemen. Een mens wiens geluk uitsluitend afhankelijk is van dingen hier beneden, is als iemand die zijn huis bouwt op het zand, of die op een rietstok leunt.

Status, rijkdom en geleerdheid brengen geen geluk

Het is een grote vergissing dat rang en stand en grootheid op zichzelf geluk kunnen brengen. Het is een grote vergissing te denken dat alleen rijkdom geluk kan brengen. Het is ene grote vergissing dat alleen geleerdheid en wetenschap geluk kunnen brengen. Het is een grote vergissing dat alleen vrije tijd geluk kan brengen. Het is een grote vergissing te denken dat alleen het najagen van plezier en amusement blijdschap met zich meebrengt.

Ik waarschuw u ernstig tegen deze vermeende korte wegen naar geluk, door hoevelen ze ook bewandeld mogen worden. Ik zeg u dat, als u denkt op één van deze manieren ware vrede denkt te kunnen vinden u volkomen misleidt bent. Uw geweten zal zich nooit voldaan voelen. U onsterfelijke ziel zal nooit vrede vinden. U innerlijke mens zal zich niet op zijn gemak en ziek voelen.

Twijfelt u aan de waarheid van alles wat ik zeg? Ik waag het te veronderstellen dat u dit inderdaad doet. Laten we ons keren tot het grote Boek van de menselijke ervaring en daar een paar regels uit lezen.

Salomo

Een koning is onze eerste getuige: ik bedoel Salomo, de koning van Israël. Wij weten uit zijn eigen getuigenis dat hij probeerde na te gaan in hoeverre de goede dingen van het leven in staat zouden zijn een mens gelukkig te maken. Wat is Salomo's getuigenis? "En ziet, het was al ijdelheid en kwelling des geestes" (Prediker 1: 14).

Madam de Pompadour

Een beroemde Franse dame is onze volgende getuige, ik bedoel Madam de Pompadour. Ze was de vriendin van Lodewijk XV. Wat zegt ze over zichzelf? "Er gaat geen enkele vrede van eerzucht uit. Ik ben altijd somber gestemd zonder dat daar een aanwijsbare reden voor is. De vriendelijkheid van de koning en de aandacht van de hovelingen en de trouw van een groot aantal vrienden, zijn allemaal redenen waarom ik mij gelukkig zou moeten voelen. Ik heb mijn huis in Parijs schitterend laten inrichten: twee dagen heb ik er plezier in gehad! Mensen vertellen mij allerhande nieuwtjes en avontuurtjes; ze denken dat ik luister, maar als ze uitverteld zijn, vraag ik wat ze eigenlijk verteld hebben. Ik leef niet; ik ben gestorven voor mijn tijd. Ik heb geen enkele belangstelling meer voor de wereld."

Goethe

De beroemde Duitse schrijver Goethe zal onze volgende getuige zijn. Het is algemeen bekend dat hij tijdens zijn leven door velen verafgood werd. Zijn werken werden door duizenden gelezen en bewonderd. En toch was de lof van mensen, niet in staat Goethe gelukkig te maken. Toen hij bijna tachtig was, beleed hij dat hij zich niet kon herinneren dat hij zelfs maar een paar weken lang ooit gelukkig geweest was.

Lord Chesterfield

Een man die van grappen hield en plezier nastreefde zal onze volgende getuige zijn: ik bedoel Lord Chesterfield. Ik zal hem voor zichzelf laten spreken; zijn eigen woorden in een brief vormen zijn getuigenis: 'Ik heb de dwaasheid van zaken doen en van allerlei plezier gezien en ik heb er allemaal mee afgerekend. Ik heb alle plezier van de wereld genoten en bij gevolg ken ik de waardeloosheid daarvan en het spijt mij niet dat ik dat alles achter mij heb. Ik waardeer ze nu naar hun werkelijke waarde en die waarde stelt eigenlijk niets voor, hoewel mensen die dat allemaal niet meegemaakt hebben, er heel wat van denken. Ze zien alleen maar de vrolijke buitenkant en staren zich blind op de schittering. Maar ik heb achter de schermen gekeken. Ik zie op dat alles in het verleden terug als op een sprookjesachtige droom door een opiumroes veroorzaakt en ik moet er niet aan denken nog eens zo'n misselijkmakende dosis te nemen'.

Ware blijdschap

De ware christen is de enige gelukkige mens, omdat hij vrede in zijn geweten heeft. Die geheimzinnige getuige voor God, die zo genadig in ons geplaatst is, is volkomen voldaan en tevreden gesteld. Hij ziet in het bloed van Christus een volkomen afwassing van alle schuld. Hij ziet in het priesterschap en het middelaarschap van Christus een volkomen antwoord op al zijn angsten. Hij ziet dat door het offer en de dood van Christus God nu rechtvaardig kan zijn en toch de goddeloze kan rechtvaardigen. Hij kan achterom zien en vooruit kijken. Hij heeft een schat die niet door de mot of roest verdorven kan worden; hij heeft een huis dat nooit kan worden afgebroken. Genade zet alles in zo'n hart op de juiste plaats. Christus regeert over de hele mens en daarom functioneert hij weer zoals hij moet functioneren. Het nieuwe hart is het enige werkelijke vrolijke hart, want het is het enige hart dat op orde is. De ware christen heeft zijn plaats gevonden. Hij heeft zijn trots en eigenwilligheid afgelegd: hij zit aan de voeten van Jezus en denkt op de juiste manier: hij heeft God lief en hij heeft zijn naaste lief en daarom is hij gelukkig. De eenvoudige waarheid is dat er zonder Christus geen blijdschap in deze wereld kan bestaan.

J.C. Ryle, Blijdschap