Welbehagen

Ds. B. van den Berg

"En het welbehagen des Heeren zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan." Jesaja 53 : 10b


Onze tekst, lezers, spreekt van het welbehagen des Heeren, een woord, dat en bij Gods Kerk en bij Gods kinderen de diepste snaren van de ziel doet trillen. Het leidt ons met onze gedachten naar Efratha's velden, naar Golgotha's kruis, maar ook naar de sferen der aanvangloze eeuwigheid.

Het woord welbehagen heeft in de Schrift verschillende betekenissen. Allereerst wordt er mee aangeduid de vrije en souvereine gunst, waarmede God zondaren heeft liefgehad. Of ook wel de innerlijke barmhartigheid, waarmede God zondaren bemint en hen maakt tot voorwerpen van zijn ontferming. Zo komt het voor in de lofzang, die de Engelen in de Kerstnacht hebben aangeheven: "Ere zij God in de hoge, vrede op aarde in de mensen een welbehagen." Ook in Jesaja 6a : 10: "In Mijn welbehagen heb Ik Mij over U ontfermd." Maar ook moeten wij er in de Schrift soms onder verstaan: het totale raadsplan van God  tot zaliging van verloren zondaren.

Zo b.v. in Jesaja 46 : 10, waar de Heere zegt: "Mijn raad zal bestaan en Ik zal al Mijn welbehagen doen." Eveneens Lukas 10 : 21. "Ik dank U, Vader! Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt ze de kinderkens geopenbaard; Ja Vader! want alzo is geweest het welbehagen voor U!" En om nog een te noemen: Efeze 7: 5 waar de Apostel van de Efeziers zegt, "dat zij te voren verordineerd zijn naar het welbehagen van Zijn wil!" In die betekenis wordt het ook in onze tekst gebruikt! Als wij dus lezen, dat het welbehagen des Heeren gelukkiglijk zal voortgaan, hebben wij dat zo te verstaan, dat het raadsplan Gods tot verlossing van zondaren gelukkig volvoerd zal worden.

Dat welbehagen Gods is vol van rijkdom. Daarin heeft God alles van te voren reeds vastgesteld, wat tot zaliging van zondaren nodig is. Daarin heeft God bepaald, door Wien zondaren zouden verlost worden. Want allen, die de zaligheid zullen beërven, zijn van voor de grondlegging der wereld reeds opgeschreven in het Boek des levens van het Lam. Welk een troostrijke gedachte voor allen, die op de weg des levens gebracht mogen zijn. De Heere kende hen reeds van eeuwigheid.

En wat meer zegt : daarin is ook opgenomen wanneer ze gezaligd zullen worden. Het moment dat zij toegebracht worden is van eeuwigheid voor ieder verkorene reeds in Gods raad bepaald! Dat leren Gods kinderen verstaan! Dat doet hen met eerbied en verwondering bij ogenblikken getuigen: "Eer iets van mij begon te leven was alles in Uw Boek geschreven." Maar dat geeft ook troost en blijdschap onder alles, wat hen in dit tranendal overkomt. Want nu weten zij het, dat hun levensweg niet gaat volgens een blind noodlot, maar naar het bestek van Gods eeuwig welbehagen. En dat welbehagen rust niet in iets, wat in de mens is. Nee! het heeft geen enkele beweeggrond buiten God, maar het rust in de Souvereine God Zelf. Daarom spreken wij ook van Zijn vrijmachtig welbehagen! O! gelukkig de zondaar, die in dat welbehagen, in die raad Gods tot zaligheid mag opgenomen zijn! Die zal ook in zijn eigen leven dat welbehagen in zich werkelijkheid zien worden en Hem leren kennen, door Wien het uitgevoerd wordt!

Onze tekst wijst er op met de woorden: "Het welbehagen des Heeren zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan!" Onwillekeurig vragen wij: van Wie spreekt de tekst hier? En dan blijkt uit ons tekstverband, dat hier sprake is van de Knecht des Heeren, van de Ebed-Jehovah! Het is dus de Heere Jezus Christus, de Gezondene des Vaders! Door hem wordt het welbehagen Gods tot zaliging van zondaren uitgevoerd. De Vader heeft al het werk tot zaliging van zondaren aan Zijn Geliefde Zoon opgedragen. Hij is het, die het welbehagen Gods tot verwerving van de zaligheid tot stand brengt. Vrijwillig gaf Hij Zich in de Eeuwige Vrederaad daartoe over. Toen leefde het reeds in Zijn Middelaarshart: "Zie! Ik kom, in de rol des boeks is van Mij geschreven: Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw Wet is in het midden mijns ingewands!" Ja zeer gewillig was Hij, om dat welbehagen Gods uit te voeren. Daarom daalde Hij in de volheid des tijds op deze aarde neer om de straf te dragen, de schuld van de zijnen te voldoen en de eis van Gods Wet volkomen te vervullen. Zo heeft Hij door zijn lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid het welbehagen des Heren gelukkiglijk doen voortgaan. Welk een Evangelie der genade voor schuldigen, die bij Geesteslicht hebben leren verstaan, dat zij zelf niet in staat zijn om aan de Wet des Heeren te voldoen, noch om enige, voor God geldende gerechtigheid aan te brengen!

Maar tot de uitvoering van het welbehagen des Heeren behoort niet slechts de verwerving, maar ook de toepassing der zaligheid. Ook in dezen kan het welbehagen door Zijn hand alleen gelukkiglijk voortgaan. Moet u dat niet bij eigen ervaring beamen u, aan U zelf ontdekte?


Moet u voor de verwerving van de zaligheid belijden, dat u zelf geen zucht tot uw zaligheid kunt toebrengen; niet minder staat u hulpeloos bij de toepassing van de zaligheid. Daarom ervaart en belijdt u het dagelijks steeds meer, dat Christus niet slechts de zaligheid voor u moest verwerven, maar ook die verworven zaligheid aan u moet toepassen.


Hij moet u ook nog het geloof schenken om Dien Christus met al zijn verdiensten tot uw zaligheid te kunnen aannemen. Indien dat niet gebeurde, u belijdt het van harte; . . . .nooit zou u de zaligheid deelachtig worden. Immers! u leert u steeds meer kennen als onmachtig en onbekwaam om de zaligheid u toe te eigenen! Maar wat voorrecht nu dat de Christus als de Knecht des Heeren ook in deze het welbehagen des Heeren gelukkiglijk doet voortgaan. Hij verbreekt, in al de Hem van de Vader gegevenen den onwil en de onmacht en schenkt hun de hand des geloofs om de zaligheid te aanvaarden. Welgelukzalig als u dat reeds leerde beamen! Maar ach! van nature wil de mens zich zelf zaligen!

Bent ook u daarmede nog bezig lezer? Ach! dat bent u nog, als u het nog van u zelf verwacht en nog niet als een geheel verlorene tot Christus de toevlucht leerde nemen met de bede, of Hij ook in u het welbehagen des Heeren gelukkiglijk wil doen voortgaan, door u oprecht zondaar te maken, maar u ook met afzien van u zelf, tot Hem de toevlucht te doen nemen. In die weg is er hoop zelfs voor de meest schuldige zondaar. Gelukkig als u dat geleerd hebt, dat het welbehagen des Heeren alleen door Christus in u gelukkiglijk kan voortgaan!

En dan zult u het dagelijks meer moeten leren. Ach! ook zij, die, door Gods Geest onderwezen, dat met hun belijdenis toestemmen moeten zullen toch in de praktijk ervaren, dat zij er zelf soms ook nog wat aan willen toebrengen! De Remonstrant, die nog wel spreekt van de verwerving der zaligheid door Christus, maar predikt, dat wij het zelf moeten toepassen, is ook in hun hart nog verscholen. Maar als zij dan steeds weer met zich zelf worden teleurgesteld, wordt het hun bede, dat de Heere steeds! meer in hen moge uitwerken, de grond van hun hoop, dat het welbehagen des Heeren door Zijn hand ook in hen gelukkig zal voortgaan.