Bekeert u en gelooft


Gods Woord en de belijdenisgeschriften leren de eis tot waarachtige bekering en wedergeboorte (Johannes 3: 3).  In zijn prediking laat Johannes de doper de eis tot bekering vooraf gaan aan de oproep tot het geloof in Jezus Christus als het Lam Gods. (Mattheus 3: 2). De Heidelbergse Catechismus  zegt in zondag 31: "Alzo, als, volgens het bevel van Christus, aan de gelovigen, allen en een iegelijk, verkondigd en openlijk betuigd wordt, dat hun, zo dikwijls als zij de beloftenis des Evangelies met een waar geloof aannemen, waarachtiglijk al hun zonden van God, om der verdiensten van Christus' wil, vergeven zijn; daarentegen allen ongelovigen, en die zich niet van harte bekeren, verkondigd en betuigd wordt, dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zolang als zij zich niet bekeren; naar welk getuigenis des Evangelies God zal oordelen, beide in dit en in het toekomende leven." Ds. P.J.M. de Bruin schreef ooit in De Wekker een artikel tegen het zogenaamde 'verbondsmethodisme' dat - vanwege de invloed van dr. A. Kuyper aan het begin van de twintigste eeuw - de toenmalige Gereformeerde Kerken beheersten.  In onze tijd horen we praktisch niet meer van de 'veronderstelde wedergeboorte', het gevaar van de 'veronderstelde bekering'  is echter nog wel steeds aanwezig.


Onder verbondsmethodisme moet verstaan worden een bepaalde weg, welke door de kinderen van het verbond moet bewandeld worden, om de eeuwige zaligheid te verkrijgen. Die weg wordt in het Fries Kerkblad door ds.... aldus beschreven, (...) "De gemeente bestaat uit bondelingen, die gebracht zijn onder de band van het verbond. De Apostelen spraken de leden van de gemeente daarom ook aan als "geliefden Gods en geroepen heiligen" en niet als "medezondaars en medezondaressen". Zij zijn allen in het verbond Gods begrepen. De vergeving van zonden en het eeuwige leven is hun betekend en verzegeld. Maar nu moet de prediking opwekken tot geloof en bekering. Zij moet waarschuwen tegen ongeloof of ongehoorzaamheid. Geloven is beamen, ongeloof is verwerpen. Geloof en ongeloof komen hierin met elkaar overeen, dat zij beide een antwoord geven op de prediking. In de prediking horen wij de stem des Heeren. Het geloof zegt: "Amen, Halleluja, amen". Het ongeloof zegt: "Wijk van ons, aan de kennis uwer wegen hebben wij geen lust". Aan de gelovigen wordt, (zie Zondag 31), vergeving van zonden, aan de ongelovigen de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis verkondigd."

Mocht iemand tegenwerpen, dat hij of zij niet durft zeggen een [ware] gelovige te zijn, wordt hem of haar toegevoegd: "Denk dan aan de band van het verbond, je moet indenken dat je een bondeling bent. Durf je zeggen, dat je tot de Heere zegt: "Wijk van mij, aan de kennis Uwer wegen, heb ik geen lust?" En als hij of zij dan zegt: "O nee, dat niet, ik heb er wel lust aan", dan wordt hem of haar verzekerd: "Welnu, dan ben je niet ongelovig, maar gelovig. Alleen je geloof is klein en zwak. Je doet als Petrus, toen hij op de sterken wind lette in plaats van op Christus' woord. Je leeft nog te veel onderwerpelijk. Je moet horen naar de stem van de Heere alleen". En wat is dan dat horen naar de stem van de Heere, zonder onderwerpelijk geloof? Luister, wat betreffende ds... schrijft: "De God der waarheid heeft je in het uur van je Doop verzekerd en verzekert het nog, dat Hij je in Christus' bloed rein wil wassen van al je zonden. Geloof je dat ook, zonder je hart, zonder je gemoed te raadplegen, alleen omdat Hij, Die niet liegen kan, het gezegd heeft? Nu moet je ook zeggen: "Ik geloof, Heere, kom mijn ongeloof te hulp". Dan is de vergeving der zonden voorwerp van geloof. Wij nemen haar aan, grijpen haar en houden ze vast. Maar nu worden wij vermaand onze roeping en verkiezing vast te maken. Opdat wij vast zouden geloven dat de Heilige Geest ons hoe langer hoe meer inleidt in de Waarheid, is het Avondmaal ingesteld. (...) Uit deze [bovenstaande] beschouwing, die veel overeenstemt met de neocalvinistische en ook in de werken van dr. A. Kuyper sr. wordt gevonden, blijkt dat het Verbondsmethodisme aldus redeneert: De kinderen van de gemeente zijn bondelingen. Aan die bondelingen wordt in de Doop de belofte van vergeving van zonden beloofd en verzegeld.


Nu moet iedere bondeling, die onder de Waarheid leeft en dus de band van het verbond niet openlijk verbreekt, geloven dat die verzegelde belofte ook daadwerkelijk aan hem is toegepast, (hier wordt de schenking en toepassing van de belofte, de eerste is voorwerpelijk in Gods Woord, de laatste gebeurt onderwerpelijk door de Heilige Geest, met elkander helaas verward!).


De prediking moet de bondelingen opwekken dat te geloven en zich te bekeren. En zich bekeerd hebbende moet de bondeling vast geloven, dat hij nu is in het bezit van de vergeving van zonde en opdat dit geloof al vaster worde steeds aan het Avondmaal gaan. En komt er dan nog eens twijfel op, dat het huis van het geloof op een zandgrond gebouwd is, dan moet zonder hart of gemoed te raadplegen gezegd worden: "Heere ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp." De grote fout in deze beschouwing is, allereerst de verwarring tussen toezegging en toepassing van de verbondsbelofte. De gehele gemeente bestaat uit bondelingen en daarom moeten deze als "geroepen heiligen" beschouwd en aangesproken worden. Dat zij het niet allen zijn en niet allen zalig worden, ontkent bewuste ds.... niet, maar hij onderstelt toch, dat zij gelovigen zijn. De tweede grote fout is de weg, die voorgesteld wordt tot toe-eigening des heils. De bondeling moet beginnen met geloven, dat hij een bondeling, dus een gelovige, dus een bezitter van de vergeving der zonde is en dat hij dus in daadwerkelijk bezit heeft, wat in de Doop als belofte verzegeld wordt.

De prediking moet opwekken tot geloof en bekering, want die gelooft vergeving van zonde te bezitten, moet zich nu ook bekeren.


Hier wordt de orde des heils geheel omgekeerd. De Schrift leert: "Bekeert u en gelooft het Evangelie. Ds... zegt: Gelooft Gods belofte m. a. w. het Evangelie en bekeert u. Dit verbondsmethodisme wijst een weg aan, die niet overeenkomt met de oude Gereformeerde leer, zo min als met de Schrift.


Wij lazen juist heden J. C. Appelius "Verklaring en verdediging van de Hervormde leer", verschenen in 1769. Deze zegt: "De uitwendige roeping verricht God door de uitwendige verkondiging van het Evangelie. In die uitwendige roeping lokt Hij de zondaar om die voorgestelde weg tot zaligheid te kennen, te geloven, te kiezen en te bewandelen. God verklaart hier niet wat Hij zelf doen wil, maar wat de zondaar doen moet. De uitwendige roeping verklaart aan niemand, dat Christus voor hem gestorven is of dat Christus gewillig is en het voornemen heeft om hem in 't bijzonder zalig te maken. Dat wordt eerst aan hen, die geloven door de belofte van 't Evangelie betuigt. Zij belooft aan niemand de zaligheid, dan onder voorwaarde van geloof, hetwelk geen verklaring is van Gods voornemen, wat Hij doen wil, maar alleen van de samenhang tussen geloof en zaligheid en van onze plicht om door de weg des geloofs de zaligheid te zoeken." De plicht, de eis van de bekering moet dus eerst gepredikt, zegt Appelius, en waar deze eis door Gods Geest op het hart des zondaars gebonden wordt, daar is er plaats voor geloven van het Evangelie, d. w. z. geloven van de belofte van zondevergeving.


De Schrift leert dan ook, dat de Profeten tot het Bondsvolk kwamen met de prediking van de eis der bekering voorop: "Bekeert u, o Israël, want waarom zoudt gij sterven" en waar dan met een verslagen hart gevraagd werd: Wat moet ik doen om zalig te worden? daar werd in de tweede plaats opgewekt tot geloof in de Heere Jezus, zoals Paulus bij de stokbewaarder doet.


...Die nu de opwekking tot geloof, dat hij de vergeving der zonde als bondskind bezit, aanvaardt, vastgrijpt en vasthoudt, volgens  ds...  moet dit nu ook vasthouden en zich bekeren...

Een gezond Geref. ouderling, br. ...,  oud-ouderling van de Geref. Kerk zei hiervan: "En dit valt hem zeer gemakkelijk, nu bijna niemand hem tegenwoordig, gelijk eertijds wèl geschiedde, naar Gods heilig Woord het onderscheid tussen het waar en het schijn geloof duidelijk aantoont, gelijk vroeger algemeen plaats had, juist omdat de ouden er rekening mee hielden, dat de tijdgelovige zich zo graag vleit met de zoete gedachte van zijn zaligheid, maar daarbij zijn hart overslaat, niets wetende (zoals Comrie zegt) van dat kermen, staan voor God als hun Richter, "van dat verfoeien en gevoelig wegsmelten voor God, waartegen zij dikwerf de aller bitterste vijanden zijn". De tijdgelovige, die zijn hart overslaat! Maar betreffende ds.... wil juist zulk een geloof, dat buiten het hart omgaat. Het Verbondsmethodisme kweekt een kunstmatig en oppervlakkig christendom.

Heidelbergse Catechismus zondag 33

De waarachtige bekering

Vraag 88

In hoeveel stukken bestaat de waarachtige bekering des mensen? In twee stukken: de afsterving van de oude mens, en in de opstanding van de nieuwe mens.

Vraag 89

Wat is de afsterving van de oude mens?
Het is een hartelijk leedwezen, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben, en die hoe langer hoe meer haten en vlieden.


Vraag 90

Wat is de opstanding van de nieuwe mens?
Het is een hartelijke vreugde in God door Christus, en lust en liefde om naar de wil Gods in alle goede werken te leven.


Vraag 91

Maar wat zijn goede werken?
Alleen die uit waar geloof, naar de wet Gods , alleen Hem ter ere geschieden, en niet die op ons goeddunken of op mensen inzettingen gegrond zijn.


Ds. P.J.M. de Bruin

In leven christelijk-gereformeerd predikant in Apeldoorn. Docent Theologische School Apeldoorn.

Pieter Johannes Marie de Bruin werd op 1 februari 1868 geboren in Voorschoten. Hij overleed op 12 juli 1946. Hij was predikant van de Christelijke Gereformeerde Kerk en docent aan de Theologische School.