Bekeert u en gelooft


Gods Woord en de belijdenisgeschriften leren de eis tot waarachtige bekering en wedergeboorte (Johannes 3: 3).  In zijn prediking laat Johannes de doper de eis tot bekering vooraf gaan aan de oproep tot het geloof in Jezus Christus als het Lam Gods. (Mattheus 3: 2). De Heidelbergse Catechismus  zegt in zondag 31: "Alzo, als, volgens het bevel van Christus, aan de gelovigen, allen en een iegelijk, verkondigd en openlijk betuigd wordt, dat hun, zo dikwijls als zij de beloftenis des Evangelies met een waar geloof aannemen, waarachtiglijk al hun zonden van God, om der verdiensten van Christus' wil, vergeven zijn; daarentegen allen ongelovigen, en die zich niet van harte bekeren, verkondigd en betuigd wordt, dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zolang als zij zich niet bekeren; naar welk getuigenis des Evangelies God zal oordelen, beide in dit en in het toekomende leven."

Ds. P.J.M. de Bruin schreef ooit in De Wekker een artikel tegen het zogenaamde 'verbondsmethodisme' dat - vanwege de invloed van dr. A. Kuyper aan het begin van de twintigste eeuw - de toenmalige Gereformeerde Kerken beheersten.  In onze tijd horen we praktisch niet meer van de 'veronderstelde wedergeboorte', het gevaar van de 'veronderstelde bekering'  is echter nog wel steeds aanwezig.

Onder verbondsmethodisme moet verstaan worden een bepaalde weg, welke door de kinderen van het verbond moet bewandeld worden, om de eeuwige zaligheid te verkrijgen. Die weg wordt in het Fries Kerkblad door ds.... aldus beschreven, (...) "De gemeente bestaat uit bondelingen, die gebracht zijn onder de band van het verbond. De Apostelen spraken de leden van de gemeente daarom ook aan als "geliefden Gods en geroepen heiligen" en niet als "medezondaars en medezondaressen". Zij zijn allen in het verbond Gods begrepen. De vergeving van zonden en het eeuwige leven is hun betekend en verzegeld. Maar nu moet de prediking opwekken tot geloof en bekering. Zij moet waarschuwen tegen ongeloof of ongehoorzaamheid. Geloven is beamen, ongeloof is verwerpen. Geloof en ongeloof komen hierin met elkaar overeen, dat zij beide een antwoord geven op de prediking. In de prediking horen wij de stem des Heeren. Het geloof zegt: "Amen, Halleluja, amen". Het ongeloof zegt: "Wijk van ons, aan de kennis uwer wegen hebben wij geen lust". Aan de gelovigen wordt, (zie Zondag 31), vergeving van zonden, aan de ongelovigen de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis verkondigd."

Mocht iemand tegenwerpen, dat hij of zij niet durft zeggen een [ware] gelovige te zijn, wordt hem of haar toegevoegd: "Denk dan aan de band van het verbond, je moet indenken dat je een bondeling bent. Durf je zeggen, dat je tot de Heere zegt: "Wijk van mij, aan de kennis Uwer wegen, heb ik geen lust?" En als hij of zij dan zegt: "O nee, dat niet, ik heb er wel lust aan", dan wordt hem of haar verzekerd: "Welnu, dan ben je niet ongelovig, maar gelovig. Alleen je geloof is klein en zwak. Je doet als Petrus, toen hij op de sterken wind lette in plaats van op Christus' woord. Je leeft nog te veel onderwerpelijk. Je moet horen naar de stem van de Heere alleen". En wat is dan dat horen naar de stem van de Heere, zonder onderwerpelijk geloof? Luister, wat betreffende ds... schrijft: "De God der waarheid heeft je in het uur van je Doop verzekerd en verzekert het nog, dat Hij je in Christus' bloed rein wil wassen van al je zonden. Geloof je dat ook, zonder je hart, zonder je gemoed te raadplegen, alleen omdat Hij, Die niet liegen kan, het gezegd heeft? Nu moet je ook zeggen: "Ik geloof, Heere, kom mijn ongeloof te hulp". Dan is de vergeving der zonden voorwerp van geloof. Wij nemen haar aan, grijpen haar en houden ze vast. Maar nu worden wij vermaand onze roeping en verkiezing vast te maken. Opdat wij vast zouden geloven dat de Heilige Geest ons hoe langer hoe meer inleidt in de Waarheid, is het Avondmaal ingesteld. (...)

Uit deze [bovenstaande] beschouwing, die veel overeenstemt met de neocalvinistische en ook in de werken van dr. A. Kuyper sr. wordt gevonden, blijkt dat het Verbondsmethodisme aldus redeneert: De kinderen van de gemeente zijn bondelingen. Aan die bondelingen wordt in de Doop de belofte van vergeving van zonden beloofd en verzegeld. Nu moet iedere bondeling, die onder de Waarheid leeft en dus de band van het verbond niet openlijk verbreekt, geloven dat die verzegelde belofte ook daadwerkelijk aan hem is toegepast, (hier wordt de schenking en toepassing van de belofte, de eerste is voorwerpelijk in Gods Woord, de laatste gebeurt onderwerpelijk door de Heilige Geest, met elkander helaas verward!).

De prediking moet de bondelingen opwekken dat te geloven en zich te bekeren. En zich bekeerd hebbende moet de bondeling vast geloven, dat hij nu is in het bezit van de vergeving van zonde en opdat dit geloof al vaster worde steeds aan het Avondmaal gaan. En komt er dan nog eens twijfel op, dat het huis van het geloof op een zandgrond gebouwd is, dan moet zonder hart of gemoed te raadplegen gezegd worden: "Heere ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp."

De grote fout in deze beschouwing is, allereerst de verwarring tussen toezegging en toepassing van de verbondsbelofte. De gehele gemeente bestaat uit bondelingen en daarom moeten deze als "geroepen heiligen" beschouwd en aangesproken worden. Dat zij het niet allen zijn en niet allen zalig worden, ontkent bewuste ds.... niet, maar hij onderstelt toch, dat zij gelovigen zijn.

De tweede grote fout is de weg, die voorgesteld wordt tot toe-eigening des heils. De bondeling moet beginnen met geloven, dat hij een bondeling, dus een gelovige, dus een bezitter van de vergeving der zonde is en dat hij dus in daadwerkelijk bezit heeft, wat in de Doop als belofte verzegeld wordt. De prediking moet opwekken tot geloof en bekering, want die gelooft vergeving van zonde te bezitten, moet zich nu ook bekeren. Hier wordt de orde des heils geheel omgekeerd. De Schrift leert: "Bekeert u en gelooft het Evangelie. Ds... zegt: Gelooft Gods belofte m. a. w. het Evangelie en bekeert u. Dit verbondsmethodisme wijst een weg aan, die niet overeenkomt met de oude Gereformeerde leer, zo min als met de Schrift.

Wij lazen juist heden J. C. Appelius "Verklaring en verdediging van de Hervormde leer", verschenen in 1769. Deze zegt: "De uitwendige roeping verricht God door de uitwendige verkondiging van het Evangelie. In die uitwendige roeping lokt Hij de zondaar om die voorgestelde weg tot zaligheid te kennen, te geloven, te kiezen en te bewandelen. God verklaart hier niet wat Hij zelf doen wil, maar wat de zondaar doen moet. De uitwendige roeping verklaart aan niemand, dat Christus voor hem gestorven is of dat Christus gewillig is en het voornemen heeft om hem in 't bijzonder zalig te maken. Dat wordt eerst aan hen, die geloven door de belofte van 't Evangelie betuigt. Zij belooft aan niemand de zaligheid, dan onder voorwaarde van geloof, hetwelk geen verklaring is van Gods voornemen, wat Hij doen wil, maar alleen van de samenhang tussen geloof en zaligheid en van onze plicht om door de weg des geloofs de zaligheid te zoeken."

De plicht, de eis van de bekering moet dus eerst gepredikt, zegt Appelius, en waar deze eis door Gods Geest op het hart des zondaars gebonden wordt, daar is er plaats voor geloven van het Evangelie, d. w. z. geloven van de belofte van zondevergeving. De Schrift leert dan ook, dat de Profeten tot het Bondsvolk kwamen met de prediking van den eis der bekering voorop: "Bekeert u, o Israël, want waarom zoudt gij sterven" en waar dan met een verslagen hart gevraagd werd: Wat moet ik doen om zalig te worden? daar werd in de tweede plaats opgewekt tot geloof in de Heere Jezus, zoals Paulus bij de stokbewaarder doet.

...Die nu de opwekking tot geloof, dat hij de vergeving der zonde als bondskind bezit, aanvaardt, vastgrijpt en vasthoudt, volgens  ds...  moet dit nu ook vasthouden en zich bekeren...

Een gezond Geref. ouderling, br. ...,  oud-ouderling van de Geref. Kerk zei hiervan: "En dit valt hem zeer gemakkelijk, nu bijna niemand hem tegenwoordig, gelijk eertijds wèl geschiedde, naar Gods heilig Woord het onderscheid tussen het waar en het schijn geloof duidelijk aantoont, gelijk vroeger algemeen plaats had, juist omdat de ouden er rekening mee hielden, dat de tijdgelovige zich zo graag vleit met de zoete gedachte van zijn zaligheid, maar daarbij zijn hart overslaat, niets wetende (zoals Comrie zegt) van dat kermen, staan voor God als hun Richter, "van dat verfoeien en gevoelig wegsmelten voor God, waartegen zij dikwerf de aller bitterste vijanden zijn". De tijdgelovige, die zijn hart overslaat! Maar betreffende ds.... wil juist zulk een geloof, dat buiten het hart omgaat. Het Verbondsmethodisme kweekt een kunstmatig en oppervlakkig christendom.

Heidelbergse Catechismus zondag 33

De waarachtige bekering

Vraag 88

In hoeveel stukken bestaat de waarachtige bekering des mensen? In twee stukken: de afsterving van de oude mens, en in de opstanding van de nieuwe mens.

Vraag 89

Wat is de afsterving van de oude mens?
Het is een hartelijk leedwezen, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben, en die hoe langer hoe meer haten en vlieden.


Vraag 90

Wat is de opstanding van de nieuwe mens?
Het is een hartelijke vreugde in God door Christus, en lust en liefde om naar de wil Gods in alle goede werken te leven.


Vraag 91

Maar wat zijn goede werken?
Alleen die uit waar geloof, naar de wet Gods , alleen Hem ter ere geschieden, en niet die op ons goeddunken of op mensen inzettingen gegrond zijn.


Ds. P.J.M. de Bruin

In leven christelijk-gereformeerd predikant in Apeldoorn. Docent Theologische School Apeldoorn.

Pieter Johannes Marie de Bruin werd op 1 februari 1868 geboren in Voorschoten. Hij overleed op 12 juli 1946. Hij was predikant van de Christelijke Gereformeerde Kerk en docent aan de Theologische School.


Docent De Bruin en de Christelijke Gereformeerde Kerk

''Ik blijf bij ''34- dat neemt mij niemand af.''

Prof. dr. A. Baars

Als er één ding kenmerkend was voor docent De Bruin, is dat wel dat hij zich uit overtuiging heeft aangesloten bij de Christelijke Gereformeerde Kerk en het beginsel van die kerk altijd krachtig heeft verdedigd. Van hem is zelfs gezegd dat dit beginsel in hem verpersoonlijkt was! De geschiedenis van zijn leven laat dat ook zien.

Afkomst en jeugd

Pieter Johannes Marie de Bruin werd op I februari 1868 te Voorschoten geboren, hij was de oudste zoon van Pieter de Bruin en Jannetje Kranenburg, die samen een drukke kruidenierszaak in deze plaats dreven. Kerkelijk behoorden vader en moeder De Bruin tot de Nederlandse Hervormde Kerk.

Hun zoon werd dan ook in maart 1868 in deze kerk gedoopt door de plaatselijke predikant ds. J.J. Sluyter, iemand die duidelijk verwant was aan de moderne richting''. Het echtpaar De Bruin kreeg nog drie andere kinderen. Zij stierven echter alle op jonge leeftijd, zodat Pieter in feite als enige zoon opgroeide. Nadat hij de openbare lagere school te Voorschoten doorlopen had, volgde hij het onderwijs aan de H.B.S. te Leiden. Dat hing samen met de plannen van zijn ouders dat Pieter hen mettertijd in de kruidenierszaak zou opvolgen. Een driejarige H.B.S.-opleiding gold in die tijd namelijk als een uitstekende voorbereiding voor de handel. Over deze middelbare schooljaren valt niet veel meer te vermelden dan dat

Pieter uitblonk in wiskunde en dat vooral het vak geschiedenis de liefde van zijn hart had. Na het voltooien van deze opleiding begon hij in de zaak van zijn ouders te werken.

Kerkelijke verwikkelingen

De opvolgers van ds. Sluyter in Voorschoten waren iets behoudender dan hij en behoorden tot de Groninger richting''. Toen er echter in deze periode in deze plaats een geestelijke opleving ontstond, konden velen het niet langer onder de prediking van deze predikanten vinden. Jaren later schreef prof. De Bruin dit proces toe aan de volgende twee factoren. Van belang was in de eerste plaats dat de heer J.M. van Kempen in deze periode zijn goud-en zilverfabriek naar Voorschoten verplaatste. Deze zakenman was afkomstig uit Utrecht en behoorde tot de kring van het Reveil. Hij bracht meer dan 100 arbeiders en kantoorpersoneel mee die alle tot de orthodoxe richting behoorden en daarom geen aansluiting vonden bij de prediking in de Nederlands Hervormde kerk in Voorschoten. Het gevolg hiervan was dat een rechtzinnige evangelisatie werd opgericht waarin zowel rechts-ethische als confessionele predikanten voorgingen, terwijl de orthodoxe ds. Bartstra van Wassenaar er catechisatie gaf. Deze evangelisatie kreeg door de jaren heen een steeds behoudender karakter. Dit kwam onder meer hierin uit dat er ook Christelijke Gereformeerde predikanten werden uitgenodigd om in de diensten voor te gaan, onder andere de bekende ds. J.H. Donner''. Na 1886 kreeg de gereformeerde richting de overhand en kwamen ook dolerende predikanten preken, omdat men hoopte een dolerende gemeente te kunnen stichten. Een tweede factor die de geestelijke opleving in Voorschoten beïnvloedde, werd gevormd door de prediking en de spiritualiteit binnen de kerken die hun wortels hadden in de Afscheiding van 1834. Er ontstond een gezelschap van vromen dat zich zeer met deze stroming verbonden wist. Zij begonnen kerkdiensten te beleggen in de koestal van een zekere Brak tussen Voorschoten en Wassenaar. Hier liet men Christelijke Gereformeerde predikanten uit de omgeving voorgaan. Zondags kerkte een deel van deze mensen in de Christelijke Gereformeerde Kerk van Den Haag bij ds. W.W. Smitt en later bij ds. J. Wisse Czn. Een ander deel sloot zich aan bij de Christelijke Gereformeerde Kerk van Leiden, waar ds. Donner en ds. J. Holster predikant waren. Deze meer op de Afscheiding georiënteerde gereformeerden werden in de volksmond ''de ouderwetse fijnen'' genoemd. Zij die bij de rechtzinnige evangelisatie kerkten wer­den aangeduid als ''de fijnen van de evangelisatie''.

Bekering en roeping tot het ambt

De jonge De Bruin woonde in deze tijd vaak een gezelschap van ''de ouderwetse fijnen'' bij. Zij kwamen samen ten huize van zijn oom Johannes die op een boerderij in de buurt van ''Rouwkoop'' woonde, vlak in de buurt van Voorschoten. Vaak zat hij dan stil in een hoek te luisteren naar wat anderen vertelden over het werk van God in hun leven. Onder die gesprekken werd hij onrustig en kon nergens meer vrede vinden. Welke uitwerking dat had, heeft De Bruin zelf beschreven in een herdenkingspreek die hij vele jaren later hield:

''Nog levendig staat het ons voor den geest hoe de Heere tussen ons achttiende en negentiende levensjaar ons kwam overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel en nog trachtten wij het tegen dien God uit te houden, want van onze geliefkoosde zonden afstand doen, onze wereldse vrienden te verlaten en den smallen weg te betreden, wij konden en wilden het niet. God echter werd ons te sterk op dien voor ons onvergetelijke zondagavond, toen het, "tot hiertoe en niet verder, " in ons hart en in onze oren klonk. Ook toen is mij barmhartigheid geschied. Ach, wat al tranen werden toen in 't verborgen voor God geschreid. Wat rees het aanhoudend op in de ziel, Gena, o God, gena, hoor mijn gebed; Verschoon mij toch naar Uw barmhartigheden. Maar niet minder, wat zaligheid werd toen geproefd en gesmaakt, toen bij dat roepen om genade het licht des Heeren in de ziel straalde en iets gesmaakt werd van dien vrede, die alle verstand te boven gaat. Vijandschap hebben wij toen ondervonden van vroegere vrienden, men riep ons toe, dat wij op zulk een weg voortgaande, nog eenmaal van het verstand zouden beroofd worden, maar het ging ons in zekeren zin als de apostel Paulus, terstond predikten wij Christus. Wij moesten ze vermanen en waarschuwen toch den Heere Jezus te zoeken en bij allen tegenstand mochten wij zalig ervaren liever met het volk Gods kwalijk gehandeld te worden, dan nog langer de genietingen der zonde te hebben. Voor God te leven, o, het werd toen de keus van ons hart en al hadden wij duizend harten gehad, wij zouden er niet één aan de wereld, maar alle aan Jezus gegeven hebben. Die eerste tijden, het waren zalige tijden en al kenden wij den Heere Jezus toen nog niet als onzen schuldovernemenden Borg, Zijn hand ondersteunde ons, Zijn licht bestraalde ons en Zijn gemeenschap was onze dagelijkse spijze''.

Toen deze verandering plaatsvond, kerkte hij al niet meer in de Nederlandse Hervormde Kerk in Voorschoten. Zondag aan zondag reisde hij met zijn oom en diens gezin met paard en wagen naar Leiden. Daar woonde hij de diensten bij in de Christelijke Gereformeerde Kerk aan de Herengracht. In deze periode ging ook het kerkelijk vraagstuk hem diepgaand beziggehouden. Inmiddels was de Doleantie onder leiding van Abraham Kuyper een feit geworden. Welk kerkelijk standpunt was het juiste: dat van de Hervormde Kerk - de kerk waarin hij gedoopt was - ; dat van de dolerenden, dat van de ledeboerianen of dat van de afgescheidenen? In het licht van de Schrift, de belijdenis en de geschiedenis van de kerk raakte hij ervan overtuigd dat het werk van de Heere in de Afscheiding het meest zuiver tot openbaring kwam. Daarom sloot hij zich uit overtuiging als lid aan bij de afgescheiden gemeente van Leiden. In deze zelfde tijd werd hij ook geestelijk werkzaam met de roeping tot het ambt van predikant. In de zojuist genoemde herdenkingspreek schreef hij hierover het volgende :

''Een half jaar later (d.w.z. na zijn bekering- AB) maakte de Heere ons werkzaam met de roeping tot den dienst des Woords Inwendig gevoelden wij ons tot dat werk gedrongen, maar neen, dat scheen onmogelijk, daartoe waren wij veel te onbekwaam, dat toch zou nooit gebeuren, en hoe soms de begeerlijkheid van dien dienst op het hart werd gebonden, telkens trachtten wij het van ons te zetten, met het oog op het zware van het werk en de grote verantwoording, welke daaraan verbonden was. Soms waren er tijden, dat wij het als onmogelijk beschouwden, dan daalde het lieflijk ruisend in ''t hart: Maar de Heer zal uitkomst geven, Hij, die 's daags Zijn gunst gebiedt. Dan weder werden wij bestreden geen roeping tot dat werk te hebben en kwam de Heere ons bepalen bij Samuel, die verscheidene malen de roepstem des Heeren niet opmerkte, totdat wij ons eindelijk onbedongen aan den Heere overgaven. Toen moesten wij het geloven: God riep ons tot de bediening des evangelies Nog was de weg daartoe gesloten en scheen ons bij ogenblikken toegemuurd, totdat God ons op Zijn tijd ook den weg kwam te banen en de harten onzer geliefde ouders, geheel buiten ons om, kwam te neigen, om toestemming te geven onzen werkkring te verlaten, om opgeleid te worden tot het werk in den wijngaard des Heeren''".

De laatste opmerking spreekt des te meer, als we ons realiseren dat de ouders van Pieter hun zoon hadden bestemd om hen op te volgen in een zaak die al 89 jaar van ouder op kind was overgegaan. Bovendien was er een aanmerkelijk liggingsverschil ontstaan tussen de ouders die Hervormd bleven en hun zoon die lid geworden was van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Leiden. Desondanks bewilligden vader en moeder De Bruin erin dat hun zoon voor predikant ging studeren en verkochten hun zaak. Omdat Pieter de H.B.S. met goed gevolg had afgerond, had hij voor zijn vooropleiding alleen nog onderricht in de klassieke talen nodig. Met behulp van privéonderwijs maakte hij zich de nodige kennis van deze talen eigen, zodat hij in 1889 slaagde voor het toelatingsexamen aan de Theologische School van de Christelijke Gereformeerde Kerk te Kampen.

Studie in Kampen

Toen Pieter in Kampen begon te studeren, waren van de ''vaders van de Afscheiding'' alleen A. Brummelkamp en S. van Velzen nog actief als docent aan de Theologische School. Behalve van hen kreeg hij onderwijs van de hoogleraren M. Noordtzij, H. Bavinck, L. Lindeboom en D.K. Wielenga . Pieter had hoge verwachtingen van de studie in Kampen. Hij deed echter al spoedig teleurstellende ervaringen op. De excessen van de groentijd en de losse levensstijl van sommige van zijn medestudenten stootten hem af. In zijn brieven aan familie klaagde hij erover dat hij zich in Kampen een vreemdeling voelde. Daartoe zal ook bijgedragen hebben dat enkele vrienden die hij had zich na enige tijd van hem afkeerden. Zij vonden hem wel wat bekrompen. Ook tijdens de zondagse erediensten in Kampen voelde hij zich bepaald niet altijd aangesproken. Zeker, met veel zegen kerkte hij onder de ''de oude Bavinck'', bij diens zoon, professor Herman Bavinck, en bij prof. D.K. Wielenga. Maar doorgaans was de prediking hem te weinig bevindelijk. Daarom woonde hij regelmatig de diensten bij in de dolerende gemeente, waar ds. Spoel preekte, een zeer gemoedelijk man.

Al deze dingen hadden wel tot gevolg dat Pieter steeds meer worstelde met de toestand waarin de kerk verkeerde. Dat is beslist ook beïnvloed door de op handen zijnde vereniging tussen te dolerenden en de kerken die voortkwamen uit de Afscheiding. Uiteraard werd daarover in Kampen door hoogleraren en studenten veel gesproken. Toen duidelijk werd dat belangrijke leiders in de kerk niet langer wilden spreken over de beginselen, maar aankoersten op een vereniging op grond van de eenheid in belijdenis, was Pieter daarover zeer teleurgesteld. Hij schreef in maart 1892 dat ''in antwoord op zijn gebed om licht, wat in deze treurige toestand der kerk redding zou kunnen geven, de Heere tot hem gezegd had: "Wie achter Mij wil komen, die verloochene zichzelve en neme zijn kruis op en volge Mij". Dit krenkt mij het leven'' zo vervolgde hij, ''en ik zie, dat ik alleen staande kan blijven, als de Heere Jezus mij roept tot volgen en mijzelven te verloochenen''.

Maar wat betekende dat in de concrete verwikkelingen die destijds in kerkelijk Nederland plaatsvonden?

Christelijk Gereformeerd gebleven

Op vrijdag 17 juni 1892 werd door de synode van Amsterdam besloten tot de vereniging van de dolerende kerken en de uit de Afscheiding voortgekomen Christelijke Gereformeerde Kerk. Als naam kreeg het nieuwe kerkverband ''de Gereformeerde Kerken in Nederland''. Een kleine minderheid van leden van de Christelijke Gereformeerde Kerk had bezwaren tegen deze vereniging. Voormannen van deze bewegingwaren ds. F.P.L.C. van Lingen te Zetten en ds. J. Wisse Czn. te 's-Gravenhage. Bij de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerk hadden zij een bezwaarschrift ingediend waarin zij hun bedenkingen tegen de toen nog voorgenomen vereniging onder woorden hadden gebracht.

De meeste bedenkingen hadden te maken met kerkrechtelijke aspecten van de vereniging, maar ''een overwegend bezwaar'' waren de uitlatingen van Kuyper over wedergeboorte en doop die door andere dolerende predikanten en studenten werden overgenomen". Hoewel de synode op deze bedenkingen een antwoord formuleerde, waren de bezwaarde broeders van mening dat hun bezwaarschrift eigenlijk door de synode terzijde was gelegd'". Zij besloten op 20 juli 1892 niet met de vereniging mee te gaan en christelijk gereformeerd te blijven. Zodoende bleef vanaf dat moment naast de Gereformeerde Kerken in Nederland de - aanvankelijk zeer kleine - Christelijke Gereformeerde Kerk voortbestaan.

In de zomer van 1892 nam De Bruin kennis van de bezwaren die Wisse, Van Lingen en anderen tegen de vereniging hadden ingebracht. Vermoedelijk gebeurde dat via ''Het (Stichtse) Wekkertje'', een blad waarvan ds. Wisse hoofdredacteur was'' en dat De Bruin sinds het voorjaar van 1892 las. Deze bezwaren waren ook de zijne. Zodoende begon de vraag te dringen: ''Moet ik met de vereniging meegaan of mij aansluiten bij de bezwaarde broeders en christelijk gereformeerd blijven? '' Na een periode van worsteling, werd het voor hem duide­lijk dat hij de laatste weg moest gaan. De dag daarna reisde hij naar Den Haag om dit aan ds. Wisse mee te delen. Daarbij legde hij hem meteen de vraag voor hoe het nu verder moest met zijn theologische studie. Ds. Wisse stelde hem voor om bij hem in huis te komen wonen en daar zijn opleiding voort te zetten. Aan de hoogleraren te Kampen stuurde Pieter het volgende briefje:

Voorschoten, l7 aug. l892. Na rijp beraad ben ik tot de overtuiging gekomen, dat ik mij niet mag neerleggen bij het besluit tot vereniging door de Synode in Juni genomen. Daar dit thans onherroepehjk bij mij vaststaat, dat ik niet mede mag gaan met de verenigde "Geref. Kerken", bedank ik als student der Theol. School te Kampen. (...)

In dezelfde maand dat student De Bruin zijn beslissing om Christelijk Gereformeerd te blijven aan ds. Wisse bekend maakte, werd hij al gevraagd om in de gemeenten voor te gaan. Vanaf dat moment diende hij de kerken regelmatig in de diensten. Dat gebeurde nog vaker toen hij in 1893 door de synode was geëxamineerd. Diezelfde synode verzocht hem namelijk om voorlopig geen beroep in overweging te nemen, maar de gemeenten als reizend predikant te dienen. De vergadering was van oordeel dat daaraan grote behoefte bestond, gezien het grote aantal vacante gemeenten. De Bruin bewilligde in dit verzoek en werd op 30 augustus 1893 door ds. J. Wisse als predikant in algemene dienst bevestigd in de kerk van ''s-Gravenhage". (...)

Afronding studie en reizend predikant

Aan dit rondtrekken van gemeente naar gemeente kwam echter betrekkelijk snel een einde. In het hart van De Bruin ontstonden bijzondere banden met de gemeente van Apeldoorn die in deze tijd werd geïnstitueerd. Tijdens de jaarwisseling van 1894  was hij op het eiland Urk. Daar beloofde de Heere hem dat gedurende het nieuwe jaar zijn werk als reizend predikant beëindigd zou worden en hij aan de gemeente van Apeldoorn zou worden verbonden .

Predikant van Apeldoorn

Zo gebeurde het ook: op de Hemelvaartsdag, 23 mei 1895 werd hij door ds. Wisse als predikant van Apeldoorn bevestigd met de woorden uit Hand. 1: 8 "En gij zult Mijn getuigen zijn''. De intreetekst was Openb. 2 :1 Dit zegt Hij, Die de zeven sterren in Zijn rechterhand houdt. Die in het midden der zeven gouden kandelaren wandelt''. In de periode dat De Bruin de kerk van Apeldoorn diende, is hij voor velen tot zegen geweest. In de levensbeschrijving van de hand van zijn zoon lezen we hierover het volgende:

''In dat eerste jaar te Apeldoorn kwam inzonderheid onder jonge mensen een opwekking, die getuigenis gaf van het werk des Heeren. Vele jonge mensen werden in het hart gegrepen, gingen roepen om genade en vonden vrede in het bloed des kruises. De dagen der Afscheiding schenen teruggekeerd. Er ging bijna geen week voorbij, dat de Heere niet deze of gene deed klagen over Gods gemis of roemen in Gods genade. Als er eens een week voorbijging, zonder dat iets van die Geestesbedeling vernomen werd, dan vroeg men zich in de kerkeraad af de Heere van ons geweken zijn? " Veel wijsheid was er nodig in het besturen en vertroosten. Wel is later gebleken, zoals menigmaal bij een opwekking, dat niet alle bloesem vrucht zette, maar er is veel overgebleven, dat een werk van God was".

Ook voor zijn persoonlijke geestelijke leven was deze tijd in Apeldoorn onvergetelijk. De directe aanleiding daartoe was de wekelijkse prediking van de Heidelbergse Catechismus, waartoe de jonge dominee in deze jaren uiteraard geroepen was.

Hij schrijft daarover: ''De Catechismusprediking werd mij een aangenaam, maar ook een leerzaam werk. De diepe ellende, waarin de mens van nature ligt en de diepe verdorvenheid door de kennis de wet, ontdekte mij almeer aan mijzelf. Toen ik aan zondag 5 was gekomen, kreeg ik een levendig inzicht in de noodzakelijkheid der voldoening. Op de vraag naar het middel ter verlossing, zag ik bij geestelijk licht, dat aan Gods gerechtigheid genoeg gedaan moest worden en die gerechtigheid alleen kon voldoen aan het recht Gods. Bij bevinding zag ik toen het ongenoegzame van al het eigen werk, van onze gedachten en tranen en de onmisbaarheid van een volkomen gerechtigheid. Die zag in een Middelaar, Die waarachtig God en mens is en nu werd mij de weg der verlossing ontsloten in de dierbare Borg, zodat ik de Koning zag in Zijn schoonheid, genoegzaamheid en dierbaarheid''.

Vanaf dit moment zag hij dat de grond van het heil niet in zijn bekering lag, maar in het volkomen borgwerk van Christus. Daarom weigerde hij voortaan ook Gods kinderen op te bouwen in hun geestelijke gestalten, maar hij wees hen op de enige grond van het heil ­ die buiten de mens ligt, namelijk in de Heere Jezus Christus. (...)

Hoewel De Bruin talrijke beroepen ontving, bleef hij aan de gemeente van Apeldoorn verbonden. Dat veranderde toen hij door de synode benoemd werd tot docent van de Theologische School (...)

Op de synode van 1925 werd rapport uitgebracht over de verdeling van de vakken die aan de TTieologische School gegeven werden. Daaruit blijkt dat docent De Bruin colleges verzorgde in de (theologische) encyclopedie, dogmengeschiedenis, archeologie, bijbelse geschiedenis, kerkgeschiedenis en kerkrecht. In de propaedeuse gaf hij Hebreeuws, Frans, wijsbegeerte en vaderlandse geschiedenis. (...)

Welke betekenis heeft De Bruin gehad als docent van de Theologische School? Zijn biograaf heeft het oordeel van Van der Schuit over diens leermeester en latere collega weergegeven. Volgens Van der Schuit heeft De Bruin vooral funderend gewerkt. Door de breedte aan vakken die hij geven moest, was het hem onmogelijk om zich te concentreren op bepaalde thema's en die echt uit te diepen. Zodoende is het aantal van zijn publicaties ook betrekkelijk gering gebleven. In die publicaties vallen vooral de volgende twee speerpunten op. In de eerste plaats heeft hij bij verschillende gelegenheden het goed recht van het voortbestaan van de Christelijke Gereformeerde Kerken in 1892 verdedigd. Hij was er volstrekt van overtuigd dat deze kerken de wettige voortzetting waren van de Afscheiding van l834. Bij zijn bezwaren tegen de vereniging van 1892 - en tegen de Gereformeerde Kerken die toen ontstonden - speelde vooral de kwestie van de veronderstelde wedergeboorte een centrale rol. Met kracht heeft De Bruin zich daartegen gekeerd, zoals bijvoorbeeld duidelijk blijkt uit zijn boekje over Het formulier van den kinderdoop. Er is nog een tweede speerpunt. De Bruin was een specialist op het gebied van het kerkrecht. Verschillende uitgaven van de Kerkorde van Dordrecht met de synodale bepalingen van de Christelijke Gereformeerde Kerk zijn door hem (mede) bezorgd". Zijn parate kennis van kerkrechtelijke bepalingen moet fabelachtig geweest zijn. Het lag dan ook enigszins voor de hand dat zijn afscheidscollege in 1938 aan dit onderdeel van de theologie gewijd zou zijn. De titel was: Het oude kerkrecht der Christelijke Gereformeerde Kerk historisch toegelicht*. (...)

Laatste jaren

Zo-even werd al aangeduid dat de synode De Bruin in 1938 emeritaat verleende. Dat gebeurde op de meest eervolle wijze. Na zijn emeritering gaf De Bruin nog enkele maanden college voor prof. Geels die toen ziek was. Hij preekte ook nog regelmatig, al was er tijdens de oorlog ook een periode dat hij niet in de diensten voorging. Langzaam werd duidelijk dat zijn krachten minder werden. In het begin van 1946 vierde hij zijn 78 verjaardag in redelijke gezondheid, maar korte tijd later brak hij zijn dijbeen en was vanaf die tijd aan bed gebonden. Na een periode in het ziekenhuis te zijn geweest, kon hij thuis worden verpleegd. In die periode nam hij afscheid van allen die hem lief waren. Onvergetelijk was de laatste schooldag die hij beleefde in de zomer van 1946. Op verzoek van ds. W. Kremer - de toenmalige predikant van Apeldoorn - liepen bijna alle bezoekers in de middagpauze langs de woning waar De Bruin verpleegd werd, terwijl zij hem Ps. 134 : 3 toezongen. Door het opgeschoven raam lispelde zijn zwakke stem nog de Aaronitische zegen over de schare''. In de vroege morgen van 13 juli I946 overleed hij, nog vrij onverwacht, in de leeftijd van ruim 78 jaar.

Bron: Oude Paden, 1 december 2006