Supra-Infra

IS HET SUPRA IN ONZE BELIJDENISSCHRIFTEN VEROORDEELD?

AMSTERDAM, 9 Maart 1937.

De  Weleerwaarde heer Ds. G H. Kersten.

Hooggeachte Collega en Redacteur,

Uw vraag in de Saambinder aan het eind van uw beschouwing over Efeze 1 : 4 zou ik liefst wat uitvoeriger willen beantwoorden, dan met een simpel , ja". Daarom ben ik zo vrij mijn beschouwing over de bekende kwestie in het kort u mee te delen. 

De oorsprong van het geschil, infra, supra, ligt naar ik meen in de beschouwing van de verhouding tussen God en de zonde.

Sommige infralapsariërs uit de 16e eeuw meenden, dat Gods raad wel over de zaligheid des mensen ging, maar eigenlijk niet over de zondeval des mensen.

Bij de val sprak men dan ook het liefst over Gods voorwetenschap en men hing de m.i. zeer matte gedachte van z.g. toelating aan. Ik voor mij zou mij in zulk een beschouwing geheel niet kunnen vinden. M.i. leert de Heilige Schrift duidelijk, dat èn verkiezing èn verwerping een daad is louter van Gods souverein welbehagen. Later is, zoals u weet, een uitgewerkt systeem gekomen omtrent infra en supra, waarin op den voorgrond trad de orde der verschillende besluiten Gods.

De dingen, zoals ze in God zijn gedacht, laten echter niet toe te spreken van eerste, tweede en derde besluit, omdat er in Hem geen opeenvolging van ogenblikken is.

Maar als het supra niet mag spreken van eerste en tweede en derde, dan mag toch ook het infra dit niet doen. En dan geloof ik, dat de gedachte van het supra toch de meest Schriftuurlijke is, omrede zij verkiezing en verwerping uit het souverein welbehagen ziet opkomen, werken en doel bereiken ter verheerlijking Gods.

Wel zult u het ongetwijfeld met mij eens zijn, dat de verkiezing in de Heilige Schrift niet slechts in abstracto, maar veeleer in concreto ons geopenbaard is (ook de verwerping), n.l. in verband gebracht wordt met onze mensheidsgeschiedenis en de geschiedenis des heils.

De Heilige Schrift spreekt nu eens over Gods eeuwig welbehagen meer a priori, d.i. de lijn van boven naar beneden, laat ik het even supra noemen en dan meer a posteriori, d.i. de lijn van - beneden naar boven, zeg infra, doch ze scheidt deze lijnen niet.

Nooit zou het spreken over verkiezing a posteriori, dus van achteren naar voren, vanuit de geschiedenis des heils, zin hebben, als er niet eerst is de lijn van boven naar beneden, dus a priori gedacht, van God uit.

Nu staat het supra met beide voeten op de lijn van het a priori, terwijl het infra meent meer oog te moeten hebben voor de andere lijn. Ik zeg niet, dat ze de eerste lijn, loslaat, want dan bracht ze zichzelf om hals, verloor den vasten bodem onder de voeten. Zo willen het trouwens in onze kerk de infralapsariërs ook niet.

Bogerman, een volbloed supra-man heeft men wel eens verweten, dat hij voor die tweede lijn geen oog had, maar dat is niet waar, want in zijn sententiae zegt hij o.m.: als zodanig kan gezegd, dat wij als ellendige, verdoemelijke zondaren in Gods Zoon zijn uitverkoren. Mij dunkt u aanvaardt met mij opgemelde uitspraak en toch meen ik, evenmin als Bogerman, daarmee het supra-standpunt te hebben verlaten. Wat Efeze 1 : 4 aangaat, ja daarover zou heel wat te zeggen zijn.

Ik ben tot deze conclusie gekomen: en we zien, ook in Efeze 1 : 4 eerst de lijn van boven naar beneden, dus louter welbehagen in Christus, maar als we verder lezen over het middel, dat God gebruikt om de verkiezing te realiseeren, lees vers 6: begenadiging in den Geliefde, dan vinden we hier de andere lijn, of nog beter gezegd, dan zien we die eerste en allesbeheersende lijn, die neerdalende lijn ombuigen naar boven, lees vers 6 en 9: welbehagen naar Zijn wil..hetwelk Hij voorgenomen had in Zichzelve". Moge deze tekst al niet bij uitstek bewijsgrond voor het supra zijn, of het infra nu zoveel doen kan hiermee begin ik sterk te betwijfelen. De verkiezing is een verkiezing in Christus als het Hoofd der gemeente of nieuwe mensheid. Deze verkiezing beheerst volkomen het genade-verbond, zowel naar constitutio als conventie, d.i. wezen, inhoud en beleving.

En wat onze belijdenisschriften betreft? Op de Dordtse Synode werd terwille van de eenvoudigen in de canones niet systematisch wetenschappelijk geredeneerd; de canones zeggen de dingen omtrent verkiezing en verwerping meer redeneerend a posteriori dan a priori, maar sluiten daarom de supralapsarische voorstelling toch geenszins uit. Als onze belijdenis voor de volle honderd procent infra was, zou ze hebben moeten zeggen: God heeft van eeuwigheid verkoren, degenen, die Hij voorzag, dat ze zich in het verderf zouden storten. Maar 't object der praedestinatie wordt in de belijdenis niet nader gedefinieerd. Misschien illustreert zich in de redactie van de canones ook iets van de vrees onzer vaderen voor de carricatuur-voorstelling, welke de Arminianen vóór en óp de Dordtsche Synode gaven van het supra gevoelen.

Infra en supra behoren m.i. in de kerk niet tegenover elkander te staan, ze staan naast elkander, vullen elkander aan, kunnen elkander in het evenwicht houden.

Daarom moet het infra ook nooit zeggen tot het supra: "Nu ja,  u  wordt nog geduld, maar....? " Want dan heeft het supra het volste recht om te zeggen: u, infra moet toch omtrent motief van verkiezing en verwerping bij mij weer terecht komen, n.l. om Gods eeuwig welbehagen te erkennen, wilt u niet de weg op gaan, die u zou voeren in de armen van "Armijn". Inmiddels u dankend voor de verleende plaatsruimte, verblijf ik met br. gr. en heilb.

Ds. G. Salomons, 1937