Het beginsel des geloofs (en dit is aanwezig in een ontdekte ziel), redeneert niet en zegt: God is een verterend vuur, maar het vlucht tot Christus, door de nood gedreven. De bloedvloeiende vrouw redeneerde niet, of Christus ook te heilig was om door zulk een onreine vrouw aangeraakt te worden, zij ging eenvoudig tot Hem, drong door de schare heen en raakte zijn kleed aan, omdat de nood haar dreef. Het geloof zegt: Al is God voor de zondaar een verterend vuur, ik zal toch tot Hem gaan, op genade pleiten en Hem niet loslaten, totdat Hij mij zegent.

P.J.M. de Bruin


Geboorte en afkomst

Pieter Johannes Marie De Bruin werd op 1 februari 1868 in Voorschoten geboren als zoon van Pieter de Bruin (1831-1912) (kruidenier) en Jannetje Kranenburg (1833-1912). In de Nederlandse Hervormde Kerk van Voorschoten, alwaar hij werd gedoopt, stond destijds ds. J.J. Sluyter, een vriendelijk en goedhartig man, maar die in de leer zo ver ging, dat hij zijn catechisanten voorhield, dat er geen hel was en zo die er al geweest mocht zijn, nu al lang was uitgebrand. Het evangelie werd volgens hem voorgesteld in de gelijkenis van de verloren zoon, waarin een berouwvol zondaar tot het vaderhuis wederkeert en de lieve en goede Vader hem dan weder aanneemt zonder een middelaar te eisen. Hoewel zijn ouders zich schikten onder deze liberaal-evangelische boodschap, in het voorgeslacht was dit anders geweest. Dit bracht De Bruin tot de waarschuwende uitspraak tegen zijn kinderen: "Genade is geen erfgoed. De Heere slaat weleens een geslacht over om in een volgend geslacht zijn genade te verheerlijken."

Pieter bleef enig kind, een broertje en twee zusjes zijn vroegtijdig overleden. Later kon hij zich nog goed herinneren, hoe hij aan de hand van zijn vader aan het graf van zijn jongste zusje stond. Dat was op 5 juni 1873. Zijn eerste godsdienstige indrukken deed hij op in zijn vroege jeugd, op de bewaarschool in zijn geboorteplaats Voorschoten. Een vriendin van de juffrouw die af en toe de school bezocht, wees de kinderen op de Heere Jezus 'als de enige zaligmaker van zondaren.' Een tijdlang waren deze indrukken echter van hem geweken en leefde hij zorgeloos verder. Na het doorlopen van de lagere school bezocht hij, ter voorbereiding op het overnemen van de zaak van zijn ouders, de Hogere Burger School (HBS) in Leiden. De Bruin behaalde goede resultaten en was bedreven zowel in alfavakken (geschiedenis, letterkunde e.d.) als bètavakken (wiskunde en natuurwetenschappen). Toch bracht dit leven hem geen ware vrede. Waar hij wel toe aangetrokken werd waren een tweetal ooms, Johannes (1837-1911) en Willem (1841-1912) de Bruin, die tot een geestelijke verandering waren gekomen. Beiden konden het onder de prediking van ds. Sluyter niet meer konden uithouden, en in een koestal tussen Voorschoten en Wassenaar lieten zij christelijke gereformeerde predikanten spreken. Daar kon men "het aloude evangelie beluisteren, zoals dat in de dagen van de Afscheiding ook gehoord werd." Op de boerderij van zijn oom Johannes, in de nabijheid van Voorschoten, werden gezelschappen gehouden waarbij Pieter vaak als stille toehoorder aanwezig was. De vraag: hoe zal ik rechtvaardig verschijnen voor God? begon hem bezet te houden.


De docenten van Kampen L. Lindeboom, M. Noordtzij,  D.K. Wielinga en H. Bavinck,
De docenten van Kampen L. Lindeboom, M. Noordtzij, D.K. Wielinga en H. Bavinck,

Worsteling om de toestand van de kerk

Hoewel een ernstige zaak was dit voor hem geen reden om de Christelijke Gereformeerde Kerk te verlaten of aansluiting te zoeken bij andere meer bevindelijke groeperingen zoals de Ledeboerianen, waar hij met open armen zou zijn ontvangen. De Bruin onderkende het verval wel, maar was ook een door en door kerkelijk man. Onder de gereformeerde belijders is altijd een stroming geweest die vervielen tot uitwassen. Vervolging of vormendienst bracht zelfs de meest trouwe belijders tot het independentisme. Alle classicale en synodale verbanden werden door hen over boord geworpen. Zij zagen het kerkelijk verband als oorzaak van alle ellende. De Bruin wees dit af "wars van alle Independentisme, waarvoor Art. 36 D. K. O. ons behoedt, maar met erkenning van de autonomie der plaatselijke gemeenten, volgens Art. 84 D. K. O." Later zou hij ook het recht van de meerdere vergaderingen verdedigen als op plaatselijk niveau de kerkenraad zich niet wil houden aan genomen besluiten die op classicaal of synodaal niveau zijn genomen. In zijn worsteling met de toestand van de kerk oriënteerde hij zich op de geschriften van de Nadere Reformatoren, waaronder Jacobus Koelman. De Bruin kwam tot de overtuiging dat de christelijke gereformeerde kerk de wettige voortzetting was van de gereformeerde kerk in Nederland sinds de reformatie. Zijn kerkelijk standpunt hing sterk samen met het beginsel van de Afscheiding van 1834. Een gebezigde uitspraak van hem werd: "Ik ben van '34'. Velen zijn bij voorbaat tegen alle afscheiding maar De Bruin zegt dan dat we dan consequent terug moeten gaan naar de Rooms Katholieke Kerk. "Evenmin als Ds. de Cock dacht Luther [aanvankelijk] aan afscheiding van de Roomse Kerk. Maar de Roomse Kerk wierp hem uit en met het verbranden van de pauselijke bul scheidde Luther zich finaal van Rome af. Hij brak geheel met een Kerk, die de gelovigen vervolgt en de zuivere prediking van het Evangelie haat, en al roept Rome luidt dat men zich niet van de kerk mag afscheiden, Luther scheidt zich af van de Kerk, welke hem gebleken is de ware Kerk niet meer te zijn. Wie zal durven beweren dat dit werk niet uit God is? Ieder erkent dat als een werk Gods, waar zovelen de dwalende Roomse Kerk verlieten en haar vaarwel zeiden. De vaderen van de reformatie deden niet anders dan wat artikel 28 van onze geloofsbelijdenis eist, namelijk zich afscheiden van de valse Kerk."


In augustus 1892 kon de Bruin zijn studie voortzetten bij ds. J. Wisse Czn. in Den Haag. De notulen van de eerste synode van de (voortgezette)Christelijke Gereformeerde Kerk, gehouden op 3 en 4 Januari 1893 vermelden het volgende: "Ds. Wisse [deelt] mede, langs welken weg hij met den heer De Bruin, Theologisch student in aanraking gekomen is en hoe die kennis making er toe heeft geleid, dat de heer De Bruin, die met de vereniging der kerken van Juni 1892 niet heeft kunnen medegaan en mitsdien ook niet te Kampen kon blijven studeren, voorlopig onder zijne leiding de studiën voortzet. De vergadering spreekt hierover hare hartelijke goedkeuring uit en nodigt Ds. Wisse uit met dien arbeid voort te gaan. Z. Eerw. neemt dit bereidwillig op zich."

P.J.M. de Bruin
P.J.M. de Bruin

In augustus 1893 werd De Bruin geëxamineerd en officieel als predikant toegelaten. Hem werd verzocht geen beroep in overweging te nemen. Op 30 augustus 1893 vond een bevestiging plaats door ds. Wisse in Den Haag. Vandaar zou hij alle gemeenten als reizend predikant gaan dienen. De Bruin bereisde het hele land en heeft veel bijgedragen aan de totstandkoming van het kerkverband. Dat deze bepaling kerkordelijk ook niet helemaal in orde was neemt niet weg dat deze constructie heel goed te begrijpen was. De Bruin had geen traktement maar preekte feitelijk op de zak. Ook groepen buiten de Christelijke Gereformeerde Kerk deden wel een beroep op hem. Hier ging hij echter niet op in. De Bruin kreeg binnen het kerkverband al snel een vooraanstaande rol. Zelfs werd hij reeds op de synode van 1897 gekozen als voorzitter. "Het zal wellicht een unicum blijven een synode voorzitter van slechts negen en twintig jaren. Toen dan ook in 1898 de dertig jarige leeftijd bereikt was trad ik aan den avond van 18 Juli te Utrecht op om het Woord te bedienen uit 2 Kron. 20 vers 15 slot "Want de strijd is niet uwe, maar Gods"

Op 23 mei 1895 kreeg De Bruin een vaste standplaats in Apeldoorn. Hier werd hij bevestigd door ds. J. Wisse. 's-Middags deed hij intrede met een preek uit Openbaringen 2: 1. Op 9 april 1896 huwde hij met Hendrika Johanna Beekamp wat door ds. J. Schotel werd bevestigd.


Meditaties in de Wekker

Herhaaldelijk verzocht Wisse hem in De Wekker te schrijven. Uiteindelijk stemde hij toe en De Bruin is meer dan veertig jaar actief geweest voor De Wekker. Nog vanaf zijn laatste ziekbed heeft hij twee 'herinneringen' gedicteerd en nog telkens waren zijn gedachten vervuld met stof voor nog nieuwe artikelen. Vele stukken heeft hij geschreven over kerkordelijke zaken, kerkhistorische, dogmatische onderwerpen. In het bijzonder over het voortbestaan van de Christelijke Gereformeerde Kerk. Deze artikelen zijn later gebundeld en in een aparte brochure verschenen. Hij hield zich ook op de hoogte wat er in het buitenland gebeurde. Op 31 januari 1902 debuteerde De Bruin met een meditatie over: 'Het komen tot Jezus.' Deze meditatie verscheen in drie delen in De Wekker. In zijn meditatie benadrukte De Bruin dat het komen tot Jezus geheel Gods werk is: "Het is een vrucht van een hartsverandering door de Heilige Geest, gevolg vaneen trekking door de almachtige genadekracht des Vaders." Het werk van de Heilige Geest is onwederstandelijk. Hoe onkundig, hoe onwillig, hoe verhard en vijandig iemand ook mag wezen, als God trekt komt de zondaar zeker tot Jezus. Dan kan hij niet anders, dan moet hij. Echter, de Heere werkt met de mens overeenkomstig zijn aard als redelijk wezen. "Zij komen niet onwillig, maar als een gewillig gemaakte wiens lust en keuze het geworden is voor de Heere te leven." De wijze waarop de Heere in het hart werkt, is dat God door de Heilige Geest een licht opsteekt in het verduisterd verstand. Licht was het eerste werk van de schepping, zo ook in de herschepping. Hij ontdekt de zondaar aan zichzelf, en zulk een getrokkene ziet nu hoe blind en ongelukkig hij is in vergelijking met degenen die de Heere vrezen. Deze laatsten worden door hem als gelukkig beschouwd. Gods Geest doet treuren met een droefheid naar God en het gevoel van armoede aan geestelijk goed doet hem verlangen naar hetgeen hij mist en als noodzakelijk voor de eeuwigheid hebben moet. Wedergeboorte en bekering zijn onafscheidelijk aan elkaar verbonden. Bij het komen tot Jezus keert men zich af van de zonde. Niet slechts de gevolgen van de zonden, maar de zonde zelf wordt betreurd en met een hartelijk leedwezen en innig berouw gepaard met een ernstig voornemen om van nu aan God te zoeken, tegen de zonde te strijden en voor het aangezicht van de Heere in zijn vreze te wandelen. Gods leidingen in het trekken uit de duisternis en brengen tot Zijn wonderbaar licht zijn zo rijk, zo verschillend, zo wonderbaar, dat geen mens die alle kan beschrijven. Zoals er aan dezelfde boom geen twee bladeren gevonden worden, die in alles volkomen hetzelfde zijn, maar altijd weer verschil gezien wordt in vezels en draden, zo worden er ook geen twee kinderen van God gevonden, die op dezelfde wijze en onder dezelfde omstandigheden op de weg des levens worden gebracht. Maar de hoofdzaak, hoe de mens getrokken door de Vader tot Jezus komt, is bij al Gods kinderen één."

Vrijwillige armoede?

De Bruin liet een onvervalst geluid horen en onderscheidde het christelijke gereformeerde beginsel van de neo-gereformeerde richting. Hij heeft de Christelijke Gereformeerde Kerk in de toenaderingspogingen van de Gereformeerde Kerken altijd gewaarschuwd voor de fuik. Naast het gevaar van intellectualisme en objectivisme, waarschuwde hij ook voor onschriftuurlijk mysticisme en subjectivisme. Hij liet zien dat de uitersten elkaar raken. Hij signaleerde al vroeg allerlei ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken waaruit het verval bleek. Het begint met vrijwel altijd met aanpassing van de prediking, daarna volgt de invoering van meer gezangen en tenslotte is de gemeente de gehele vaste bodem van de rechtzinnige gereformeerde leer kwijt. Men komt uiteindelijk {opnieuw) open te staan voor allerlei remonstrantse en roomse dwalingen.

Onder de titel 'vrijwillige armoede' verscheen een brochure, waarvan de schrijver (..) nog jong is, althans hij noemt zich een twijg of jongtakje, terwijl uit de inhoud blijkt, dat hij zich schaart aan de zijde van het jonge geslacht van predikanten in de ''Gereformeerde kerken'' dat graag naast onze psalmen een bundel gezangen zag ingevoerd. Schrijver meent, dat de tegenstand tegen een gezangenbundel voornamelijk zijn oorzaak vindt in onbekendheid. [De schrijver] wil dan een veertigtal gezangen uit de ''Evangelische gezangen'' uitkiezen en als gezangenbundeltje in de ''Gereformeerde kerken'' ingevoerd zien. Bij aandachtige lezing van die veertig, door hem genoemde gezangen, blijkt echter duidelijk, dat zij, om met ds. H. de Cock van Ulrum te spreken, zeer geschikt zijn "om de gemeente al zingend van de Gereformeerde leer af te voeren."






Ds. J. Holster
Ds. J. Holster

Bij ds. Holster in Leiden

Tot een radicale nieuwe levenskeus kwam het in februari 1887. De Bruin ging zoeken naar een kerk waar hij een zuivere prediking kon beluisteren. Zo kwam hij terecht in de Christelijke Afgescheiden Gemeente van Leiden aan de Herengracht, bij ds. J. Holster. Deze predikant is voor velen in Leiden 'door de Heere tot een eeuwige zegen gesteld en het volk des Heeren werd gebouwd onder zijn prediking.", aldus De Bruin. Hij beschouwde hem als zijn "oude geliefde leermeester en geestelijke vader." Nooit zou hij vergeten welk een zegen hij "onder de getrouwe bediening van ds. Holster mocht ontvangen."

Student in Kampen

Nadat de Bruin werkzaamheden gekregen had met het predikambt, kon hij ondanks alle bezwaren in 1889 als student aan de Theologische School in Kampen worden ingeschreven. In Kampen ontmoette hij nog enkele vaders van de afscheiding: S. van Velzen en A. Brummelkamp. Daarnaast traden op als docent: M. Noordtzij, H. Bavinck, L. Lindeboom en D.K. Wielinga. Voor Bavinck die een grote betekenis gehad heeft voor het calvinistische volksdeel van ons land, zowel op wetenschappelijk als op staatkundig gebied, had De Bruin grote waardering. Bavinck had een grote plaats in oude Christelijke Gereformeerde Kerk voor 1892. en maakte zich geliefd toen hij een aanbod als professor aan de Vrije Universiteit aan zich voorbij liet gaan om in Kampen docent te kunnen blijven. Ook de prediking van D.K. Wielinga was hem tot zegen. In Kampen studeerde hij hard, maar het studentenleven bekoorde hem niet. Het is opmerkelijk wat De Bruin vertelde over zijn medestudenten in Kampen. Met een groot deel daarvan kon hij spreken niet over zijn geestelijk leven. Ook de prediking van veel predikanten was hem over het algemeen te weinig bevindelijk.


Theologische school in Kampen
Theologische school in Kampen

Vervolgens haalt De Bruin andere voorbeelden aan vanuit de kerkgeschiedenis van Engeland en Schotland. De conclusie moet zijn: "dat de daad van ds. H. de Cock, zich af te scheiden van het liberale of Hervormde Kerkgenootschap, om alzo te blijven bij de Gereformeerde leer en Kerk, niet een enige daad in de Kerkgeschiedenis is. De mannen der Hervorming, zowel als vele getrouwe en godzalige mannen in Engeland en Schotland deden reeds vóór hem hetzelfde."

Studie voortgezet bij ds. J. Wisse Czn.

Op 17 juni 1892 scheen echter plotseling met de Christelijke Gereformeerde Kerk gedaan te zijn. Bij velen heerste 'een opgetogen stemming 'maar het hart van De Bruin was treurig. Velen die hij hoogachtte gingen met de vereniging met dr. A. Kuyper mee, waaronder ds. Holster, en ook de docenten van Kampen Bavinck, Noordtzij, Wielinga en Lindeboom capituleerden. In 1902 werd Bavinck met zijn collega P. Biesterveld eveneens alsnog ingewonnen voor de Vrije Universiteit

Wie niet meeging was ds. J. Wisse. Deze schonk klare taal: "Niemand make zich van hen enige illusie meer! De verkoop is geschied, en de levering er bij. Alle napraten is slechts tijdverlies. Vandaag Doleerend, morgen Catholiek. Als de voormannen er maar heil in zien!" Ds. F.P.L.C. Van Lingen plaatste in het blad het Wekkertje een oproep om samen te komen in het Militair Tehuis in Utrecht. Hierop kwamen op 20 juli 1892 54mannenbroeders bijeen die allen met een handtekening verklaarden leden van de Christelijke Gereformeerde Kerk te blijven. De Bruin had deze bijeenkomst niet durven bijwonen uit angst gezien te worden. Toch schreef hij kort hierna een briefje:

Na rijp beraad ben ik tot de overtuiging gekomen, dat ik mij niet mag neerleggen bij het besluit tot vereniging, door de Synode in juni. Daar dit thans onherroepelijk bij mij vaststaat, dat ik niet mee mag gaan met de verenigde 'Gereformeerde Kerken' bedank ik als student der Theologische School te Kampen.

            P.J.M. de Bruin


F.P.L.C. van Lingen en J. Wisse Czn.
F.P.L.C. van Lingen en J. Wisse Czn.

Reizend prediker

Nadat De Bruin zijn studie bijna voltooid had kondigde ds. Wisse af dat hij op zondagavond 26 Maart 1893 'zijn kranspreek' zou houden. Ineen stampvolle Eben-Haezer kerk in Den Haag hield De Bruin zijn preek, waarna Wisse nog een toepassing maakte. "In mijn schatting zonk mijn kranspreek hierbij weg in het niet. Ik ging dan ook erg klein naar huis, al hoorde ik niets van de kritiek, die de mensen maakten; ik had dan ook genoeg aan de eigen afkeurende kritiek, waarbij ik dacht, dat er niets van mij zou terecht komen, als ik den volgenden dag onder het mes der kritiek van ds. Wisse zou moeten doorgaan." Maar dit viel mee. Wisse was tevreden over hetgeen gehoord had. Er klonk alleen opbouwende en leerzame kritiek. Ook kreeg De Bruin preekconsent, om in alle gemeenten een stichtelijk woord te spreken.


Spijtoptanten

Na 1892 waren er nogal wat spijtoptanten die alsnog terugkeerden tot de Christelijke Gereformeerde Kerk. "Het was mij een lust gedurig op te treden in nieuwe gemeenten, die uit het nieuwekerkverband van 1892 teruggekeerd waren tot de oude Chr. Geref. Kerk" In praktijk bleek spoedig dat de Kuyperiaanse overmacht te groot was om invloedenbuiten de deur te houden. Ook nam de druk om te zwijgen om de lieve vrede wil al snel toe. Van docent L. Lindeboom kan gezegd worden dat hij, doorgestreden heeft tegen de Kuyperiaanse leer. Ook iemand als ds. T. Bos was iemand die de leer van Kuyper als in strijd met Gods woord en de belijdenis betitelde. Maar toen ds. Holster met emeritaat ging maakte De Bruin zich grote zorgen om diens gemeente in Leiden. "Zal de gemeente na zovele jaren Gods Woord zuiver te hebben horen verkondigen nu voortaan overgeleverd zijn aan predikers die alle gedoopten voor wedergeborenen houden? Of zal die gemeente terugkeren tot de oude paden, om de waarheid te behouden, waaraan zovele lieve kinderen Gods in die gemeente behoefte hebben? Hebt dan de waarheid en den vrede lief, zoo roept ons Gods getuigenis toe, doch de waarheid worde niet opgeofferd ten behoeve des vredes." In 1905 schreef De Bruin: "Wanneer zal Prof. Lindeboom, zullen 'de Wachtermannen' nu inzien dat het beginsel der 'B. mannen' (doleantie) triomfeert en dat alles wat nog aan de afscheiding herinnert moet doodgedrukt? Zullen zij het verstaan dat zij weldra hebben te kiezen tussen zwijgen of als oproermakers veroordeeld te worden?"

Roomse dwalingen

De Bruin besteedde in De Wekker ook aandacht aan allerlei actuele kwesties. Op 9 augustus 1903 vond in de Sint-Pietersbasiliek tijdens een plechtigheid in Rome in aanwezigheid van meer dan vijftigduizend mensen onder luid gejuich de kroning plaats van Pius X onder de volgende bewoordingen: "Ontvang de tiara met de drie kronen, en weet dat gij de vader van de prinsen en de koningen zijt, de rechter van de wereld en de plaatsvervanger van Onze Heer Jezus Christus, aan wie alle eer is verschuldigd, in alle eeuwen der eeuwen!" In zijn eerste encycliek van 4 oktober 1903, schetste de Paus de grote lijnen van zijn programma dat hij wilde toepassen op heel de katholieke wereld: alle aspecten van het leven van de Kerk herstellen om de ver van Christus' wijsheid afgedwaalde menselijke samenlevingen terug te brengen tot gehoorzaamheid aan de [Rooms-Katholieke] Kerk; de Kerk, op haar beurt, zal ze onderwerpen aan Christus, en Christus aan God." De Bruin schreef er het volgende over: "Van af die tijd [het pausdom in betekenis toenam] vermenigvuldigden de dwalingen in het bijzonder in de Roomse kerk, en klom de macht en het aanzien van de pausen aan wie afgodische eer werd bewezen. Zelfs nu, na de dood van Leo XIII, Pius X tot paus is gekozen, kwamen al de kardinalen en bogen zich voor hem neder om zijn voeten te kussen. Met recht heeft Gregorius, aan wie de Roomse kerk nog haar Gregoriaans kerkgezang heeft te danken, de paus of algemeen bisschop een voorloper van de Antichrist genoemd. Zo buigt het Roomse bijgeloof zich voor een mens, het protestantse modernisme voor de door de zonde verduisterde rede, en het materialisme voor de stof. Gelukkig zij, die in onze tijd van on- en bijgeloof zich in geest en waarheid buigen voor de Enige Waarachtige God en Vader van de Heere Jezus Christus. Pius IX sprak op 18 juli 1870 uit: "Wij leren en verklaren voor een goddelijk leerstuk dat de paus, wanneer hij in zijn ambt van algemeen bisschop spreekt, met die onfeilbaarheid toegerust is, met welke de goddelijke Verlosser Zijn kerk bij de vaststelling van de leer aangaande geloof en wandel heeft willen toerusten en dat derhalve al zulke bepalingen van de paus uit zich zelf onomstotelijk en onfeilbaar zijn. En zo wanneer iemand het wagen mocht deze onfeilbaarheid tegen te spreken, die zij vervloekt". Welk een verschil tussen dit godslasterlijk getuigenis van de paus, die zijn wereldlijk gezag in 1870 moest loslaten, en de bisschop te Rome die zich een knecht van Gods knechten noemde. Maar nog groter het verschil tussen de paus die deze week met de driedubbele kroon werd gekroond, en den man die eenmaal te Rome in een gehuurde woning, geboeid aan de arm van een soldaat die hem bewaarde, het zuivere Evangelie van vrije genade verkondigde en het zo treffend schoon naar de gemeente te Rome schreef: Tracht niet naar de hoge dingen, maar voegt u tot de nederige, want ook Christus heeft zich zelven niet behaagd, maar gelijk geschreven is: de smadingen dergenen, die U smaden, zijn op Mij gevallen. Hoe ver week Rome en het pausdom af van de waarheid der Heilige Schrift!"

Zo buigt het Roomse bijgeloof zich voor een mens, het protestantse modernisme voor de door de zonde verduisterde rede, en het materialisme voor de stof. Gelukkig zij, die in onze tijd van on- en bijgeloof zich in geest en waarheid buigen voor de Enige Waarachtige God en Vader van de Heere Jezus Christus.

P.J.M. de Bruin

Wij kunnen niet al de veertig gezangen nagaan, maar wijzen toch nog even op het door [de schrijver] begeerde gezang 114: "Het is voor ons, voor u, voor mij, Dat God zijn Zoon gegeven heeft. "Het is voor ons dat Jezus leeft." Alweer algemene, in plaats van particuliere genade.

P.J. M. de Bruin