Over schepping en evolutie

'Is het ook dat God gezegd heeft?'

Het onderwerp schepping en evolutie heeft de laatste weken weer in de belangstelling gestaan. Op de Evangelische Hogeschool en in het Reformatorisch Dagblad is ruime aandacht gegeven aan de verschijning van een boek van de Delftse prof. dr. ir. C. Dekker en de kinderboekenschrijver mevr. C. Oranje, getiteld: Het geheime logboek van topnerd Tycho.

Het doel van dit kinderboek is om kinderen op jonge leeftijd vertrouwd te maken met het idee van evolutie als Gods scheppingsmethode. Prof. Dekker richt zich ook op jongeren die in de kerk horen dat alles in zes dagen geschapen is, terwijl ze op school en op de universiteit te horen krijgen dat alles is ontstaan in lange periodes. Prof. Dekker wil hen helpen door te laten zien dat ze hun geloof in de Bijbel niet behoeven te verliezen en God vaarwel te zeggen. Het antwoord ligt voor hem in het theïstisch evolutionisme, een op het eerste gezicht aantrekkelijke weg om schepping en evolutie combineren. Het heeft echter verstrekkende gevolgen. 

Het evolutionisme is een verklaring voor het ontstaan van het leven zonder God. Dit sluit nauw aan bij de wens van velen dat er geen God, geen Schepper is.

Soms gaat het zover dat men bijvoorbeeld het 'scheppingsverhaal' op scholen niet meer in het lesprogramma wil hebben. Het is immers niet wetenschappelijk? Soms wil men nog wel respecteren dat iemand in de schepping gelooft, maar wordt tegelijk gesteld dat dit wetenschappelijk toch niet houdbaar is.

De weg die theïstisch-evolutionisten, zoals prof. Dekker, voorhouden, zoekt naar een synthese van schepping en evolutie waardoor je kunt blijven geloven in wat de Bijbel over de schepping zegt en je tegelijkertijd de resultaten van de wetenschap kunt aanvaarden.

Onze jonge mensen komen met bovengenoemd gedachtegoed in aanraking, niet alleen via de universiteit of (hoge)school, maar ook, zoals hierboven omschreven, via bijvoorbeeld de krant of het internet. Het kan enorm in verwarring brengen: wat is nu waar?

Wanneer de evolutietheorie wordt afgewezen als duidelijk in strijd met Gods Woord, kan het voor onze jonge mensen als een oplossing (en misschien wel als een opluchting) worden ervaren om enerzijds te kunnen zeggen Gods Woord vast te houden en anderzijds tóch mee te kunnen gaan met de resultaten van de wetenschap die wijzen op evolutie. De vraag is: kan dat? Mag dat wel? Hebben wij dan nog de Schrift mee?

Hiermee hebben we tegelijkertijd een positie ingenomen, in overeenstemming met Hebreeën 11:2 'Door het geloof verstaan wij dat de wereld door het woord Gods is toebereid, alzo dat de dingen die men ziet, niet geworden zijn uit dingen die gezien worden'.

In de bespreking van (theïstisch-) evolutionisme gaan we er bij voorbaat vanuit dat Gods Woord waar is. Dat kunnen we niet eens ter discussie stellen. Christus heeft gezegd: 'Uw Woord is de waarheid' (Joh 17:17b). Het is het Woord van de Schepper Zelf. Het is de duivel geweest die de vraag stelde: 'Is het ook dat God gezegd heeft?'

Ds. D. de Wit, Saambinder

Wanneer geopperd wordt dat we dan bij voorbaat ook niet wetenschappelijk zijn en daarmee niet serieus genomen kunnen worden, dan zij dat zo. Het Woord Gods zal men laten staan!

De belijdenis dat God de Schepper is, hoort fundamenteel tot het geloof van de Kerk. We horen het iedere zondag in de twaalf artikelen van het algemeen ongetwijfeld christelijk geloof terug. Radicaal het tegenovergestelde vinden we bij de evolutionist. Hij sluit in zijn verklaring van het ontstaan van het leven God uit.

Het woord "evolutie" wijst op ontwikkeling. In het kader van de natuurwetenschappen duidt dit woord op de beschrijving van het proces waarbij erfelijke eigenschappen van levende wezens (waaronder naast mens en dier ook bijvoorbeeld planten en schimmels gerekend worden) in de loop van de generaties veranderen. Dit kan gebeuren door voortplanting, door variatie in het erfelijk materiaal en door natuurlijke selectie. Door voortplanting erven nakomelingen erfelijke eigenschappen van de ouders. Er kan echter ook overdracht van genen (het erfelijk materiaal) plaatsvinden tussen twee organismen die niet aan elkaar verwant zijn. Dit komt vooral voor bij micro- organismen zoals bacteriën. Op deze wijze kunnen nieuwe "soorten" ontstaan.

Genetische variatie

Het erfelijk materiaal kan veranderen. Hierdoor veranderen de eigenschappen van het organisme. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren door beschadiging veroorzaakt door straling. Het organisme 'repareert' vervolgens de schade. Het gerepareerde erfelijk materiaal is niet altijd volledig identiek met het oorspronkelijke materiaal. Dit geeft een verandering van eigenschappen. Cellen van verschillende organismen kunnen ook door contact erfelijk materiaal van elkaar in zich opnemen. Dit verklaart volgens de evolutietheorie het ontstaan van schimmels, planten, dieren (waaronder de mens wordt gerekend) uit bacteriën.

Natuurlijke selectie

In de natuur vindt selectie plaats. Er zijn levende wezens die 'gemakkelijker' overleven in bepaalde situaties, terwijl andere levende wezens (uit)sterven. Stel dat er
geen rupsen meer zouden zijn. Dan zouden alle vogels die alleen rupsen eten, uitsterven en vogels die insecten eten, overleven en veel nakomelingen krijgen. Dit principe van natuurlijke selectie is een belangrijke basis voor de verklaring van evolutie.

De evolutionist zoekt naar de éne enkele voorouder waaruit alle andere levende wezens in hun grote variëteit zijn ontstaan. Een krachtig argument hiervoor is dat de bouwstenen van het DNA (het erfelijk materiaal) van alle soorten dezelfde zijn. 

De evolutionist zal daarom ook niet zomaar zeggen dat wij uit de apen voortkomen. Wel zal hij beweren dat mens en aap een gemeenschappelijk (aapachtige) voorouder hebben gehad. Uit die gemeenschappelijke voorouder is enerzijds de aap voortgekomen en anderzijds de mens.

De ouderdom van (uitgestorven) organismen wordt bepaald aan de hand van de vondst van fossielen in aardlagen van verschillende ouderdom. De hoge getallen van miljoenen jaren komen voort uit betwistbare gebruikte methoden die worden toegepast op het bepalen van de ouderdom van die aardlagen.

De grote knal

Naast het onderzoek naar evolutie op microniveau wordt ook gekeken naar wat er gebeurt op macroniveau. Zo gaat de evolutionist er vanuit dat alles begonnen is met een grote knal, de 'big-bang'. Alles is begonnen op één plaats in het heelal met een zeer hoge temperatuur. Men schat in dat 13,8 miljard jaar geleden alles vanuit dit punt begon uit te dijen en af te koelen. Omdat energie niet verloren kan gaan, zijn hieruit hele kleine 'deeltjes' ontstaan, vervolgens atomen. Dit werden nevels en sterren..., het heelal. Metingen aan sterren en planeten wijzen volgens deze theorie uit dat het heelal uitdijt. Er wordt teruggerekend naar dat ene punt van waaruit alles begon. De aarde is maar een heel klein, nietig balletje in dat grote stelsel. De ontwikkeling die op aarde wordt waargenomen, zou ook weleens elders in het stelsel van sterren en planeten kunnen plaatsvinden. Vandaar dat onderzoek naar leven op bijvoorbeeld Mars.

Moeten we alles wat zich aandient gaan weerleggen? Dat is waar het creationisme zich vooral mee bezighoudt. Moeten we onze jonge mensen die weg wijzen? Of mogen we moed opbrengen om hier tóch Gods Woord te laten spreken?

De theïstische evolutietheorie

De tegenstelling tussen de evolutietheorie en de schepping zoals beschreven in Genesis 1 tot en met 3 is onoverbrugbaar. Toch zijn er geleerden die daar anders over denken. Zij zoeken naar een mogelijkheid om de resultaten van de wetenschap en de Bijbel met elkaar in overeenstemming te brengen. Zij dragen (een variant van) de theïstische evolutieleer uit. In theïstisch zit de naam van God (theos). De term geeft aan dat God geschapen heeft door gebruik te maken van evolutie zoals die in de wetenschap is beschreven.

Naast de visie van de natuurwetenschapper prof. C. Dekker is die van de theoloog prof. G. van de Brink in de afgelopen tijd door het Reformatorisch Dagblad en het Nederlands Dagblad nogal eens voor het voetlicht gehaald. Prof. Van de Brink hoopt door middel van de theïstische evolutieleer de tegenstelling tussen geloof en wetenschap weg te nemen. De kerk sluit zich daardoor niet buiten de wetenschappelijke discussie, maar doet er volop aan mee. Zo komt er ruimte voor de verkondiging van het Evangelie, in plaats van een buitensluiten van het geloof omdat het met de wetenschap onverenigbaar is.

Prof. Van de Brink wijst erop dat de kerk dit al eeuwen doet. Ze is meegegaan met de inzichten rondom de plaats van de aarde in het heelal, ook al was er aanvankelijk verzet tegen dit nieuwe wereldbeeld. Het heeft voor een vruchtbare plaats gezorgd voor de theologie in de wetenschap, voor de kerk in de wereld. We kunnen ons voorstellen dat jonge mensen, met name onze studenten in de natuurwetenschappen, deze zienswijze aantrekkelijk vinden. De prijs is echter hoog, te hoog.

De eerste mensen

Wanneer men ervan uitgaat dat God de evolutie heeft geleid, betekent dit dat er voor de zondeval (als men die nog belijdt) lijden en dood was. Vóór de eerste mensen zijn er ook mensachtigen geweest. Uit deze mensachtigen zijn immers mensen voortgekomen. Er is dan ook niet één Adam aan wie vervolgens één vrouw gegeven wordt. Er zijn vele mensen, onder wie Adam en Eva. Dit betekent dat het menselijk geslacht niet uit één mens, Adam, en zijn vrouw is voortgekomen.

Prof. Van de Brink ziet Adam en Eva als twee mensen die in een eerste groep zullen hebben geleefd. De voorouders van deze mensen zullen hebben geroofd en gedood, ze konden niet anders. Volgens prof. Van de Brink werd dat hen niet toegerekend, want, zo betoogt hij, er was nog geen wet. Er is een moment gekomen dat er, volgens prof. Van de Brink, sprake is geweest van bewustzijnsverwijding, waarin mensachtigen onder Gods leiding echt mens werden, met vermogens van taal, communicatie, nadenken, moreel besef. Deze mensen heeft God aangesproken. Toen kon er ook gezondigd worden tegen de wet, en dat is ook gebeurd. Er is een eerste zonde geweest.

In deze visie houdt de erfzonde in, dat na die eerste zonde het kwaad als een olievlek is uitgebreid. Het door Romeinen 5:12 genoemde: 'Daarom, gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood, en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben', pareert prof. Van de Brink door te zeggen dat deze tekst alleen over de dood van mensen spreekt. In die lichamelijke dood proeven we iets van Gods oordeel over ons leven.

Gevolg van deze visie

Het gevolg van deze visie is ernstig. De Bijbelse notie dat Adam verbondshoofd is en wij allen in hem gezondigd hebben, is zo immers niet meer houdbaar. Paulus heeft toch werkelijk niet gezegd dat alleen de lichamelijke dood door één mens gekomen is, maar ook de zonde. Paulus spreekt ook over de schuld tot verdoemenis door die éne misdaad.

Hoe is het te verklaren dat, als er naast Adam vele mensen waren, Adam al die mensen in de dood heeft meegenomen? Als dit zo was, dan zou inderdaad gezegd kunnen worden dat er onrechtvaardigheid is bij God, omdat Hij de zonde van één mens aan al die andere, reeds bestaande mensen, ook straft.

Als we echter héél Romeinen 5 laten spreken, is het niet voor tweeërlei uitleg vatbaar dat uit de ene Adam héél het menselijk geslacht is voortgekomen waarvan hij verbondshoofd is. Door de val van Adam is niet alleen de lichamelijke dood gekomen, maar staat heel het menselijk geslacht schuldig tegenover God vanwege de toegerekende erfschuld. Heel het menselijk geslacht kan ook niet anders meer dan zondigen omdat de erfsmet tot alle mensen is doorgegaan. Dat is echt iets anders dan een olievlekwerking van toenemend kwaad.

Een dergelijke uitleg is  in strijd met het geheel van de Schrift, ja met Wie God werkelijk ís! Romeinen 5 spreekt ervan dat de Heere verbondsgewijze werkt. De theïstische evolutieleer komt hier niet mee overeen.

Naar Gods beeld en gelijkenis

We lezen in Genesis 1:26: 'En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis'. We weten uit éfeze 4:24 en Kolossenzen 3:10 dat dit betekent: in ware kennis, gerechtigheid en heiligheid. Daarin klinken Gods deugden, zoals ze ook in de wet horen te zijn. We lezen dat in Romeinen 7, waar Paulus schrijft dat de wet heilig, rechtvaardig en goed is. Wanneer we zo Schrift met Schrift vergelijken, kunnen we niet anders zeggen dan dat de Heere de mens geschapen heeft in overeenstemming met Zijn deugden, zoals ze in de wet worden geopenbaard.

Deze wet is onveranderlijk, want God is onveranderlijk. De beoordeling van wat zonde en geen zonde is, wordt niet bepaald door de staat waarin de (pre-)mens verkeert. Die wordt ook niet bepaald door het morele bewustzijn. Wat nu zonde is, is altijd zonde (geweest)! De bewering dat de mens pas kon zondigen, toen hij tot moreel bewustzijn kwam, is een aantasting van God in Zijn onveranderlijke deugden.

Toerekening van de zonde

Mogelijk wordt bedoeld dat de toerekening van de zonde pas plaatsvond toen de mensachtige mens werd. De dieren wordt immers ook de zonde van roven en doden niet toegerekend. Echter, ook deze gedachtegang is een aantasting van Gods deugden. De Heere heeft zéér goed geschapen, zonder enig gebrek. Dit is niet - zoals beweerd wordt - dat de Heere Zijn doel bereikte. Nee, de hele schepping was een getuigenis van Gods goede werken die in volmaakte overeenstemming waren met Wie God is! Daar woonde Hij in. De schepping is niet goed gewórden door evolutie, de schepping is goed geschapen door God zoals Hij Zich openbaart in Zijn deugden.

De dood is door de zonde in de wereld gekomen. Paulus schrijft in Romeinen 8 dat het ganse schepsel zucht. Het zucht omdat het de zondige mens moet dragen die niet meer beantwoordt aan Gods schepping. Zou de schepping gezucht hebben voor de val?

Totale natuur en unieke natuur

De mens is bij de schepping niet goed gewórden, maar goed geschápen. Dat betreft zijn gehele natuur. Bij de val is daarom niet alleen een zonde gedaan, maar is ook de totale natuur verdorven.

Wanneer gesproken wordt over een ontwikkeling naar een mens toe, kunnen we met deze leer van de val, die door de hele Schrift te vinden is, niet meer uit de voeten. Bovendien is de theorie van de ontwikkeling van de (oer)mens ook in strijd met het spreken van de Schrift zelf. De Heere schiep gras, kruid en bomen met vrucht naar zijn aard (Hebr.: mîn). Zo wordt dat ook gezegd bij de vogels en dieren, niet alleen in Genesis 1, maar ook in bijvoorbeeld Leviticus 11 en Deuteronomium 14. Dit woord wordt in heel de Schrift niet gebruikt voor de mens! In Genesis 1:25 staat drie keer: 'naar zijn aard'. Maar bij de mens: 'naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis'.

Dit geschapen zijn naar Gods beeld ligt verdorven! De mens is totaal onheilig, onrechtvaardig en kwaad geworden. Wanneer déze leer van héél de Schrift wordt verlaten, heeft dat ook gevolgen voor de plaats van Christus in schepping en herschepping.

Steeds klinkt in Genesis 1: 'En God zeide'. Zo staat bijvoorbeeld in vers 3: 'En God zeide: Daar zij licht. En daar werd licht'. Dat dit niet slechts dichterlijke woorden zijn, die niet letterlijk opgevat moeten worden, blijkt uit Johannes 1. De Evangelist zegt in Johannes 1:1-3: 'In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt dat gemaakt is'. Uit vers 14 van dit hoofdstuk blijkt dat met het Woord de Zoon van God wordt bedoeld. Johannes wijst er dus op dat God de Vader door de Zoon geschapen heeft. Wanneer we nu Schrift met Schrift vergelijken staat er in Genesis 1 niet minder dan dat het spreken van God ziet op de tweede Persoon in het Goddelijk Wezen. Hoe heeft de Heere geschapen? Door het Woord, de Zoon van God!

Openbaring

Door ons spreken komen onze gedachten openbaar. Als we niets zouden zeggen, zouden deze gedachten verborgen blijven. Zo heeft de HEERE Zijn gedachten aangaande de schepping openbaar gemaakt. Dit heeft Hij gedaan door de tweede Persoon in het Goddelijk Wezen.

Het is opmerkelijk dat Christus dat later Zelf ook zo zegt, in Matthéüs 11:25-27: 'In dienzelven tijd antwoordde Jezus en zeide: Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard. Ja Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U. Alle dingen zijn Mij overgegeven van Mijn Vader; en niemand kent den Zoon dan de Vader, noch iemand kent den Vader dan de Zoon en dien het de Zoon wil openbaren'. In dit korte gedeelte spreekt Christus van Zijn Vader als de Schepper. Hij spreekt van de kennis tussen de Zoon en de Vader én van de openbaring van de Schepper door de Zoon. Dit is belangrijk. Hoe heeft de HEERE Zijn gedachten aangaande de schepping geopenbaard? Door de Zoon. En op het ogenblik dat dit wordt geopenbaard in Zijn spreken, ís het er ook terstond.

Groot onderscheid

Deze wijze van scheppen zoals het in Gods Woord staat(!) is onverenigbaar met de theïstische evolutieleer. Deze leer zegt dat God geschapen heeft door middel van evolutie.

Kenmerkend voor evolutie is onder meer de toeval waarbij de ontwikkeling zich voortzet. Zowel het begrip 'toeval' als 'ontwikkeling' is op geen enkele wijze te verenigen met de eeuwige gedachten van God aangaande de schepping. Bovendien 'zeide' God en het was terstond. Het meest belangrijke is echter dat de theïstische evolutieleer de tweede Persoon in het Goddelijk Wezen weggeredeneerd' heeft.

Uit Matthéüs 11 blijkt reeds dat de Schepper en Herschepper één en dezelfde God is. We horen dat ook bij Paulus in 2 Korinthe 4:6: 'Want God, Die gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus'. Petrus verwoordt het op gelijke wijze in 1 Petrus 2:9: 'Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht'. Door heel de Schrift is het herscheppende werk Gods verwoord in de woorden van het scheppende werk. Het is immers dezelfde God. Wanneer wij nu bij de schepping geen plaats meer kunnen geven aan de openbaring door de Zoon, heeft dat óók gevolgen voor de plaatsen in Gods Woord Die spreken van de herschepping waar het ook de Zoon is Die openbaart. Wanneer wij plaats geven aan een ontwikkeling van miljoenen jaren waarvan de Heere gebruik zou hebben gemaakt, hoe moeten we dan ooit nog uitleggen de woorden van Paulus en Petrus die spreken van de wedergeboorte in een punt des tijds?

Wie aan Genesis 1 komt, komt aan de fundamenten, aan héél de Schrift. Het kan niet anders of wie aan de Schepper zaken toedicht, die in de Schrift niet staan, moet het herscheppend genadewerk zoals de Schrift daarover spreekt, kwijtraken. Nee, de theïstische evolutie zal de wetenschap niet tevreden stellen én wie deze weg volgt, raakt God en Zijn Woord kwijt.

Een veel gehoord argument tegen een schepping in zes dagen (van 24 uur) is dat Genesis 1 een dichterlijk hoofdstuk is en niet historisch. Het zou dan gaan om een verheven lied over de schepping waarin beeldend wordt gesproken. De resultaten van de natuurwetenschap zouden ook zo duidelijk zijn, dat we niet anders kunnen dan Genesis 1 dichterlijk te lezen. De opvatting dat de dagen gewone dagen zijn geweest, verdraagt zich immers niet met miljoenen jaren.

Letterlijk of figuurlijk?

De resultaten van de wetenschap hebben geleid tot een veranderde visie op Gods Woord. Wanneer we echter de Bijbel de éérste plaats geven, zou dan ook de vraag gesteld worden of dit gedeelte dichterlijk is? Als de tekst gelezen wordt zoals deze er staat, dan dient deze stof zich als historisch aan.

Genesis 1 is een weergave van de scheppingshandelingen van de Heere zoals Hij deze in de zes dagen heeft doen plaatsvinden. De tekst geeft er geen aanleiding toe te denken aan beeldend spraakgebruik. De Psalmen en het Hooglied zijn geheel andere stoffen dan Genesis. Bovendien is de auteur ónder de Heilige Geest, Mozes, de schrijver van heel het Bijbelboek Genesis, waarin bijvoorbeeld de geschiedenis van de aartsvaders wordt beschreven.

In de manier van schrijven is geen verschil tussen het begin en het einde van dit Bijbelboek. Dit wordt onderstreept in de heilige Wet des Heeren: 'Want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aarde gemaakt...' (Exodus 20:11). Dit is geschreven door dezelfde bijbelschrijver als van het boek Genesis. Het gaat om hetzelfde onderwerp. Er is dus geen enkele reden om aan te nemen dat met de dagen in Exodus iets anders wordt bedoeld dan de dagen in Genesis 1.

Bovendien, wanneer het Hebreeuwse woord "jom" als losstaand woord gebruikt wordt, heeft het in heel het Oude Testament de betekenis van een gewone dag.

Maar de zon op de vierde dag?

Zou er geen onderscheid gemaakt kunnen worden tussen de eerste drie dagen en de volgende drie (dagen)? Gedurende de eerste drie dagen is er immers nog geen sprake van een opgaande en ondergaande zon. Zouden die eerste dagen geen miljoenen jaren geweest kunnen zijn en is de tijdsduur van een dag van vierentwintig uur niet pas begonnen bij de vierde dag? In den beginne schiep God de hemel en de aarde. Uit deze woorden blijkt dat God toen de tijd heeft geschapen. Als een blokje werd de tijd in de oceaan van de eeuwigheid gelegd. Straks zal er geen tijd meer zijn. Dat alles is in Gods hand. Zo is de lengte van de eerste drie dagen geweest overeenkomstig de tijd zoals God die geschapen had. Precies hetzelfde als de vierde tot en met de zesde dag.

Op de eerste dag schiep God het licht. Dat kwam niet van de zon, maar van de Heere! Op de vierde dag heeft de Heere als tekenen van de tijd de zon, maan en sterren geschapen. Zo gaan de lichtdragers tekenen zijn van de orde in dagen, zoals deze op de eerste dag reeds zijn geschapen. De daglengte wordt niet bepaald door de lichtdragers, deze was al bepaald door God Zelf. In Openbaring 6 wordt de zon een zwarte haren zak, deze 'gaat uit', de maan dooft uit en wordt daarom als bloed en de sterren vallen van de hemel. Dan is de tijd voorbij en zijn de lichtdragers als tekenen niet meer nodig. Daarmee is echter het licht niet weg! Dat zou toch wat zijn. Het licht komt van God!

Gewone dagen

Wanneer Petrus zegt: 'Doch deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat één dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als één dag', betekent dat niet dat wij daarom kunnen zeggen: zie je wel, een dag kan duizend(en) jaren zijn. Petrus ziet op de Heere Die als de eeuwige God bóven de tijd staat. In de schepping heeft de Heere echter de orde van de tijd gegeven.

Dit alles overziend is het én grammaticaal, én vanuit de regels van de gereformeerde bijbeluitleg niet mogelijk om in Genesis 1 miljoenen jaren te lezen. We kunnen niet anders dan, uitgaande van het Woord zoals de Heere dat ons gegeven heeft, zeggen: het zijn dagen geweest zoals wij die nog kennen. Luther zong reeds: Het Woord moet men laten stáán en er geen bedenking bij hebben.

Het Woord van God is waar. Christus heeft in het hogepriesterlijk gebed beleden: "Uw Woord is de waarheid". Dat is zo vast, dat we daar zelfs geen vragen bij mogen stellen. Wie zou het aandurven om de allerhoogste Majesteit te bevragen of Hij wel de waarheid heeft gesproken? Op het moment dat wij in het gesprek met degenen die dit niet geloven in discussie gaan over de waarheid van de Schrift, zijn we al een grens gepasseerd. We hebben dan het heilig Woord van God ondergeschikt gemaakt aan de beoordeling van ons verduisterd verstand! Het is de oude hoogmoed van het paradijs: 'is het ook dat God gezegd heeft...?' Daarom is hier niet alleen het geloof in de schepping, zoals deze is beschreven in Genesis 1, in het geding. Het gaat hier om het buigen onder heel Gods Woord! Paulus schrijft in Hebreeën 11:3: 'Door het geloof verstaan wij dat de wereld door het woord Gods is toebereid, alzo dat de dingen die men ziet, niet geworden zijn uit dingen die gezien worden.


'Geef ons eerstelijk dat wij U recht kennen, en U in al Uw werken, in welke Uw almachtigheid, wijsheid, goedheid, gerechtigheid, barmhartigheid en waarheid klaarlijk schijnt, heiligen, roemen en prijzen.'

De resultaten van de wetenschap bepalen niet hoe we Gods Woord moeten lezen. Het is omgekeerd. Gods Woord is de toetssteen. Wanneer wordt gesteld dat we nu weten dat de zon niet om de aarde draait en daarmee de stilstand van de zon in Jozua 10 ook niet letterlijk moeten nemen, is dat buiten de orde. Juist het feit dat Jozua riep: 'Zon sta stil te Gibeon, en gij maan, in het dal van Ajalon' pleit voor de historiciteit van het verslag. Zoals Jozua het zag, waarnam, zo staat het ook letterlijk opgeschreven.

Wanneer mensen die buigen voor Genesis 1 en vasthouden aan de zes scheppingsdagen worden weggezet als niet meer bij de tijd zijnde, omdat het niet meer past bij de huidige stand van de wetenschap, is dat verdrietig.

Als de wetenschap moet gaan bepalen of iets letterlijk genomen moet worden of niet, raken we Gods Woord kwijt. De wandel van Christus op de golven is ook niet in overeenstemming met de natuurwetenschap. De opstanding van Christus op de derde dag is, wetenschappelijk gezien, ook een onmogelijkheid. Wie Genesis 1 in overeenstemming wil brengen met de evolutietheorie, dreigt vroeg of laat moeite met heel de Schrift te krijgen, waardoor het fundament der zaligheid wordt kwijtgeraakt.

Tegelijkertijd wordt de wetenschap in Gods Woord niet afgewezen, integendeel.


Wanneer de natuurwetenschap mag worden beoefend, en wat is het een mooie wetenschap (!), in het licht van de Schrift, is het niet verarmend, maar juist verdiepend. Het beheersen en begrijpen staat dan niet op de voorgrond, maar de verwondering en het ondoorgrondelijke van de grote schepping Gods.

In de catechismus staat bij Zondag 47 bij de uitleg van de eerste bede: 'Geef ons eerstelijk dat wij U recht kennen, en U in al Uw werken, in welke Uw almachtigheid, wijsheid, goedheid, gerechtigheid, barmhartigheid en waarheid klaarlijk schijnt, heiligen, roemen en prijzen.'

Christus heeft gezegd in Matth. 11:25: 'In dienzelven tijd antwoordde Jezus en zeide: Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard.' Iedere wetenschapper zal het beamen, als het goed is, dat hij maar een klein deel heeft onderzocht en op een klein gebiedje wellicht wat meer weet dan een ander.

'O HEERE, hoe groot zijn Uw werken! Zeer diep zijn Uw gedachten.'

Ds. D. de Wit, Saambinder