Een ontzettend antwoord uit de Hemel

Ds. J. Wisse Czn.

"Ik ben Jezus, dien gij vervolgt." Handelingen 9: 5

Saulus, blazende nog dreiging ea moord tegen de discipelen des Heeren, houdt het strijden tegen God zolang vol als hij kan. O, die weerloze schapen te Damaskus, wat staat hen te wachten! Iemand komt als een leeuw op hen aan, met geen ander doel dan om te verwoesten en te verscheuren. Het lot van de christenen schijnt beslist; zij zullen niet ontkomen aan de macht van die geweldige, die als werktuig van de satan hun verderf en ondergang zoekt. Alleen de Heere is machtig te redden. Bij Hem zijn uitkomsten zelfs tegen de dood. Eén wenk van de Almachtige, en de vijand ligt geveld. De Heere is groot van raad en machtig van daad. Wie vermag tegen de Heere te strijden, als Hij Zich in Zijn macht en majesteit openbaart!

Zie, daar ligt Saulus, die geweldenaar reeds ter aarde. De Heere is hem te sterk geworden. Een enkele openbaring van de heerlijkheid Gods Is genoeg om Saulus, in het stof gebogen, te doen uitroepen. "Wie zijt gij, Heere?" En aan deze woorden ging vooraf het vernemen van een stem, die tot hem zeide: "Saul, Saul! wat vervolgt gij Mij?"

Als door een donderslag getroffen, is de man ter aarde gestort; hij is voor altijd van zijn hoogte afgestoten; niemand weet het beter dan hij het ondervindt, dat er een macht is boven alle aardse machten, en dat er een God in de Hemel is, die de hoogmoedigen vernedert en de nederigen verhoogt. Onbeschrijfelijk zijn de gewaarwordingen, welke in het hart van deze man aanwezig zijn.

Hij, zo wijs en zo machtig, wordt op een ogenblik zo onwetend en zo machteloos, dat bij zichzelf niet meer kan redden, - dat hij in de uiterste verlegenheid verkeert en niet weet noch verklaren kan wat hij nu  doorleeft. Toch is het geen droom, geen fantasie, geen inbeelding, maar waarheid en werkelijkheid: Saulus gevoelt zich als door een onzichtbare hand aangegrepen; hij is gearresteerd; en in plaats van anderen te gaan binden, is hij zelf gebonden, in plaats van anderen te vervolgen, wordt hij zelf als met een pijl uit den hemel getroffen, waardoor hij diep is gewond.

Die woorden: "Ik ben Jezus, dien gij vervolgt" zijn het antwoord op de vraag: "Wie zijt gij, Heere?" Dat antwoord is derhalve een antwoord op de vraag van Saulus, een antwoord aan een verlegene, aan een benauwde, aan een in nood verkerend zondaar. En al zou de gehele wereld met al haar macht en wetenschap trachten dit antwoord tegen te spreken, het te verminken of te verdraaien, Saulus heeft het verstaan, en de indruk daardoor te weeg gebracht, is in eeuwigheid niet meer uit te wissen. De persoon, die tot hem spreekt en hem dit antwoord doet horen, is maar niet een mensenkind als onzer één.

't Is Jezus, verheerlijkt aan de rechterhand des Vaders; 't is Jezus, de Heere, door Stefanus in heerlijkheid gezien, toen deze getrouwe getuige de vijanden tegen zich zag knarsetanden van woede, toen ze hem do stad uitwerpen en hem stenigden. In deze vreselijke gebeurtenis had Saulus een welbehagen. Ook het zalig sterven van die eerste martelaar had het hart van een Saulus niet gebroken. Als een verwoester der gemeente, als een gesel voor mannen en vrouwen had hij zich als geweldige vijand van Jezus de Nazarener doen kennen.

Maar nu? Nu blijkt zo klaar als de dag, dat die Jezus, die gekruist was, toch waarlijk is opgestaan uit de doden, opgevaren ten Hemel en leeft en regeert als de Koning Israëls! Daartoe is Hij van eeuwigheid gezalfd; dat had hij voor Pilatus beleden met de woorden: "Gij zegt, dat ik een Koning ben. Hiertoe ben ik geboren en hiertoe ben ik in de wereld gekomen, opdat ik der waarheid getuigenis geven zou. Een iegelijk, die uit de waarheid is, hoort Mijn stem."
Tot dusver had Saulus bewezen niet uit de waarheid te zijn; anders toch zou hij, gelijk anderen, des Heeren stem gehoord en gehoorzaamd hebben. En nu, wat zal er nu gebeuren? Zal Saulus op het horen van den naam van Jezus andermaal en nog verder in zijn vijandschap tegen die Naam voortgaan zich te openbaren, of zal er verandering, grote verandering komen?
De verschijning des Heeren, aan Hem op de weg naar Damaskus, had, gelijk de uitkomst leert, voor de man van Tarsen een heerlijk doel. Dat doel zal worden bereikt; daar is de Heere de machtige toe. Niemand en niets is in staat om dat doel te verijdelen. Dit blijkt dan ook aanstonds in de uitwerking van deze verschijning des Heeren aan hem.

Of is het geen vernedering voor een mens van zou groot vermogen, voor zulk een trotse farizeeër als deze Saulus was, om, als een machteloze op de aarde gevallen, te moeten uitroepen: "Wie zijt gij, Heere!" Was het geen vernedering, ook met het oog op de mannen, die hem vergezelschap ten, daarmede te moeten verklaren: "ik word in mijn loop, in mijn werk en in mijn oogmerk gestuit! Ik wil verder gaan, maar ik kan niet! Ik wil gaan binden, maar ik word zelf gebonden. Ik haat Jezus, en nu hoor ik, dat Hij zelf uit Zijn heerlijkheid mij toeroept, dat ik een vervolger ben."

Een vervolger van Hem! Welk een ontzettend woord! Vervolger betekent hier niets minder dan tegenstander, - een vijand, die op alle mogelijke wijzen zijn afkeer openbaart van de Naam, van de Persoon, van de leer, van het werk van den Zone Gods! Vervolger! Dit woord houdt in een beschuldiging van den ergste aard. Men kan iets tegen iemand hebben, - men kan in gevoelen met iemand verschillen, - men kan zelfs grote bedenkingen hebben tegen iemands leer, zonder echter nog als een vervolger op te treden of zich zodanig te openbaren.

Maar nee, Saulus hoort het zo beslist mogelijk tegen zich uitspreken: "Ik ben Jezus, dien gij vervolgt!" Gij, Saulus! zijt de man, die aan dat heilloos werk uw krachten wijdt, - Gij zijt het, die u daardoor openbaart als een man, die buiten mij heil verwacht! Daarmede was immers het bewijs geleverd, dat deze vervolger Jezus niet kende. Hij kende den Naam niet als de enige, onder de hemel tot zaligheid geopenbaard.

Zeg in uw hart: man! wat zijt u ongelukkig, wat zijt u arm en blind; - wij zeggen het met u. Geen ongelukkiger schepsel is er op de wereld dan een vervolger van de Heere Jezus. Saulus vervolgde de gemeente, hij vervolgde het volk Gods; en zulks rekent Christus als aan Hem zelven gedaan.

Daarom die ontzettende woorden, die hem zullen leren, hoe hard liet hem is, de verzenen tegen de prikkels te slaan, Dit doet ons zien niet alleen wat Saulus deed, maar ook wat ieder mens van nature doet en geneigd is te doen, zolang namelijk totdat het Gode behaagt zich over zulke ellendigen te ontfermen. De vorm, waarin dit beginsel zich openbaart, kan grotelijks onderscheiden zijn, maar wat geeft dit bij de gedachte: God ziet niet aan wat voor ogen is, maar Hij ziet het hart aan! Allen hebben de macht en het vermogen niet van een Saulus.

Maar wat zou het antwoord zijn aan duizenden, die schijnbaar het christendom hebben aangenomen, die in onderscheiding van Turken en Joden nog christenen heten, als zij, in hun woelen en werken eens door dezelfde macht ter aarde gestort en met hun' naam genoemd en in hun persoon als vervolgers gearresteerd, met een Saulus vraagden: "wie zijt gij, Heere?"


Wat zou het antwoord uit den Hemel zijn aan mensen, die als goote ijveraars (de een voor dit en de ander voor dat goede doel) zich openbaren, maar bij en onder al hun streven tonen vijanden van het kruis van Christus te zijn?! IJvert voor een kerkgenootschap, voor een leerstuk, voor namen en vormen, maar wat baat dit alles als men zich voor Jezus niet buigt, zich aan Zijn wil en aan Zijn wet niet onderwerpt, Zijn oprechte discipelen veracht en vervolgt!

Niet zij, die daar zeggen: "Heere, Heere!" zullen ingaan, maar alleen zij, die de wil gedaan hebben des Vaders, die in de Hemelen is. Met honderd en met duizendtallen kunnen de mensen worden geteld, die in de naam van de Drie-enige God zijn gedoopt, maar die met al wat heilig is spotten. Talloos groot is de menigte, van ouden en jongen, die alle dagen met sprekende daden tot God zeggen: "wijkt van ons; want aan de kennis uwer wegen hebben wij geen lust." De vreselijke zonde van atheïsme en Christusverloochening heeft onder de zogenaamde Christenvolken een schrikwekkende hoogte bereikt

Hemeltergend zijn de zonden en de gruwelen, welke in het bijzonder  op de dag des Heeren - de zondag - in het openbaar worden bedreven. Duizenden gaan nooit naar de kerk; anderen gaan een ogenblik naar Gods huis, om het overige van de dag des Heeren in ledigheid, luiheid, of naar eigen smaak door te brengen. Men noemt de dienst van God vervelend, terwijl de dienst van de wereld en der zonde aantrekt. De kerk duurt te lang, het andere is nooit lang genoeg.

Terwijl de Heere, in Zijn grote goedertierenheid en ontferming, nog alom prediken laat, dat Jezus Christus in de wereld is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren is, vloekt en lastert men de Naam van de enige Zaligmaker Jezus! Ook dezen wordt door middel van het Woord toegeroepen: "Ik ben Jezus, dien gij vervolgt!"

Maar, helaas, men hoort en verstaat niet, men bedenkt niet wat tot zijn' eeuwige vrede dient! Wat zal het die allen bitter en vreselijk zijn, eenmaal te moeten vallen in de handen van de levende God. Eenmaal zullen allen geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus.
Saulus heeft het ontzettend antwoord uit de Hemel op zijn vraag gehoord. Hij hoorde het, toen het voor hem nog de tijd der genade was. Eeuwige liefde en gadeloze ontferming kwam met majesteit en heerlijkheid hem voor.

Geheel deze openbaring des Heeren aan Hem kenmerkte zich door goddelijk mededogen. Niet om hem te verderven, maar om te behouden dient deze verschijning. Was de Heere op zulk een wijze Saulus niet tegengekomen, wie zal zeggen wat het einde met hem zou geweest zijn. Maar, o wonder van genade! dit schaap moet uit den mond van den helse leeuw worden gerukt!

De man, wiens naam alleen genoeg was om het arme volk van God te doen sidderen en beven, wordt door de Heere in zijn loop gestuit, in zijn woede gekeerd, in zijn voornemen verhinderd. God werkt, en wie zal dan keren! Die vervolger van de zaak des Heeren zal een verkondiger worden van Jezus, Hij is een uitverkoren vat om Gods Naam bekend te maken onder de heidenen. Zijn grootste eer, zijn enigste roem zal worden in het kruis van Christus. Al de wetenschap en al de gaven, in hem vertegenwoordigd, zullen dienstbaar worden voor het koninkrijk Gods. En later zal deze zelfde Saulus, in een Paulus veranderd, zich niet schamen het openlijk in de gemeente uit te spreken: "Mij, de grootste der zondaren, is barmhartigheid geschied."

Zo is er dan voor de Heere niets te wonderlijk. En hoeveel er op een ogenblik gebeuren kan, zien we in dit voorbeeld op geheel enige wijze. Al wordt dat waarneembare licht, die glans en die heerlijkheid niet aanschouwd, als waar Saulus getuige van was, en al wordt geen hoorbare stem uit de Hemel vernomen, als door deze man werd gehoord, ook op andere wijze weet de Heere zondaren staande te houden, diep te vernederen en laag voor Hem in 't stof te doen buigen.

Als maar door de werking van de Heilige Geest het Woord aan het hart wordt geheiligd, als maar de Heere de zondaar te sterk wordt, wie u dan ook bent en onder welke omstandigheden u ook leeft, dan wordt u zelf de man of de vrouw, - dan wordt u zelf de schuldige, die 't voor God en de ganse wereld wilt erkennen: "ik ben een vervolger, een vijand van de Heere Jezus!"

En zalig de mens, wien 't mag gebeuren, als een Saulus ontdekt en gearresteerd te worden. Met hoeveel schaamte en schande dan ook overdekt, dan zal blijken, dat het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonden. Hij, die 't ene werkt, zal dan ook het andere werken.

Roep dan uit de diepte van uw ellende tot God; val dan voor Jezus als een arme en doemschuldige in 't stof; pleit dan op de gerechtigheid, door zoveel bitter lijden en sterven van Gods Zoon verworven; en gelovig toevlucht nemende tot het bloed der verzoening, leert u een Paulus nazeggen: "Er is geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn."

Daarin wordt de genade Gods verheerlijkt, daarvoor zal God Drie-enig eeuwig lof, dank en aanbidding door zijn verloste volk worden toegebracht.
Door zulk een verlossing zegt Gods kind, en blijft het dit zeggen ten einde toe: "door de genade Gods ben ik dat ik ben."

Hoe gepast zijn de schone en gevoelvolle woorden van wijlen R. M. M. Cheyne, in leven herder en leraar te Dundee, welke we hier laten volgen:

Eens was ik een vreemd'ling voor God en mijn hart;
Ik kende geen schuld en gevoelde geen smart.
Ik vroeg niet: "Mijn ziele, doorziet ge uw lot?
Hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God?

Al sprak daar een stem uit de Heilige Blaan,
Van 't Lam met de zonden der wereld belaan,
Ik zocht bij de kruispaal geen veilige wijk:
'k Stond blind, en van verre, in mijzelven zoo rijk

Ik deed als Jeuzalems Dochters weleer;
Ik weende om de pijn van mijn lijdende Heer,
En dacht er niet aan, dat ik zelf door mijn schuld
Zijn kroon had gevlochten. Zijn beker gevuld.

Maar toen mij Gods Geest aan mij-zelf had ontdekt.
Toen werd in mijn ziele de vreze gewekt,
Toen voelde ik wat eisen Gods heiligheid deed;
Daar werd al mijn deugd een wegwerpelijk kleed!

Toen vluchtte ik tot Jezus! Hij heeft mij gered;
Hij heeft mij verlost van het vonnis der wet;
Mijn heil en mijn vrede en mijn leven werd Hij:
Ik boog me, en geloofde, en - mijn God sprak me vrij.

Nu ken ik die waarheid, zo diep als gewis.
Dat Christus alleen mijn gerechtigheid is,
Nu tart ik de dood, nu verwin ik het graf.
Nu neemt mij geen Satan de zegekroon af!

Nu reis ik getroost, onder 't heiligend kruis,
Naar 't erfgoed daar Boven, in 't Vaderlijk Huis
Mijn Jezus geleidt mij door de aardse woestijn;
Gestorven voor mij !" zal mijn zwanenlied zijn!"