Om vriend en broed'ren

Ds. J.J. van Eckeveld

Er is een boekje verschenen van ds. G. Hoogerland. het is klein, 75 bladzijden - in een klein formaat. De schrijver noemt het ook 'een brief'. De titel luidt: "Om vriend en broed'ren spreek ik nu". Ds. Hoogerland heeft deze ondertitel toegevoegd: "Brief aan allen die de zuivere leer van Gods Woord en van onze belijdenis, zoals die ons door onze vaderen is overgeleverd, van harte liefhebben en rondom de Schriftuurlijk-bevindelijke prediking die daarop gegrond is, de eenheid van de kerk in Nederland van harte begeren." Het gaat hem om de kerkelijke verdeeldheid. Die is hem leed. Al lang loopt hij met die nood en vandaaruit voelde hij zich gedrongen deze brief te schrijven.



Het boekje begint met een indringend woord uit 'Morgengedachten' van Octavius Winslow. Daarin stelt Winslow dat een spiegel die in duizend stukken gebroken is, het licht van de zon niet kan weerkaatsen. Evenmin kan de gemeente Gods verdeeld en verscheurd, aan de wereld hetzelfde eendrachtige, overtuigende en krachtige getuigenis geven van Jezus' heerlijkheid, als wanneer ze in een onverbroken geheel gezien werd als de dageraad, schoon gelijk de maan, zuiver als de zon, schrikkelijk als slagorden met banieren.' Dit citaat geeft precies aan wat ds. Hoogerland op het hart weegt.

Het gaat over de nood van de kerkelijke verdeeldheid tussen kinderen van God, die leven bij de Schriftuurlijk-bevindelijke prediking. Onze broeder benadrukt dat het hier niet alleen nood betreft, maar ook schuld, een zware schuld. De kerkelijke verdeeldheid tussen kerken, waarin de bevindelijke waarheid gehoord wordt, is een schuld, die ons ten zeerste drukken moet. De nood is hem opgelegd.

Ds. Hoogerland is blij met de samensprekingen die gevoerd worden over eenheid en verscheidenheid. Tegelijkertijd stelt hij de vraag: Is er niet over het algemeen een grote gelatenheid, een acceptatie van de werkelijkheid? Een lijdelijkheid en een valse berusting? Hij stemt toe dat, als God het niet bijeenbrengt, alle mensenwerk nutteloos is. Hij heeft er ook oog voor dat, als wij op een activistische wijze twee kerkverbanden bijeen brengen er waarschijnlijk drie kerkverbanden overblijven. Maar daarachter mogen wij ons niet verschuilen. De schrijver is ervan overtuigd dat onze kringen elke dag dat de scheidingen voortduren en grote schuld op zich laden. Hij is bevreesd dat we daar met elkaar, als ambtsdragers en gemeenteleden, veel te weinig van doordrongen zijn.