Niet kunnen geloven van blijdschap

Ds. J.A. Riekel

"En toen zij het van blijdschap nog niet geloofden" Lukas 24:41a.

Ik heb eens gelezen van een ons allen bekenden zanger des O.T., dat zijn geest overstelpt was en zijn hart verbaasd in het midden van hem. Smart kan zoo vreeselijk, zoo ontzettend zijn, dat ons hart al het vreeselijke, al het ontzettende in zijn vollen omvang onmogelijk kan bevatten. Dan is 't leed te groot, dat ons treft in de diepste diepte van ons leven.
De tegenstelling hiervan is, dat ook ons hart verbaasd en onze geest verslagen kan zijn van vreugde. Blijdschap en vooral geestelijke blijdschap kan zóó zalig zijn, dat het hart van Gods kind onmogelijk de verrassing der zaligheid en de zaligheid der verrassing kan bevatten. Dat gebeurt als Gods kind na dagen, weken en maanden soms van hijgen, zwoegen, zuchten en lijden door God in de ruimte gezet wordt. Dan stroomen de wateren van Gods vrije verkiezende liefde soms zoo sterk, dat de beker huns harten overloopt. Neen dan zijn er geen woorden om het leven der zaligheid weer te geven.
Zoo is het te verstaan, dat de discipelen het van blijdschap niet kunnen gelooven, wanneer Christus de Heere in hun midden verschijnt. Ze hebben ook zooveel doorgemaakt. Wanneer de Paaschmorgen aanbreekt verheugt zich de schepping. De engelen zijn blijde, de vrouwen ontmoeten hun Heere en Maria Magdalena heeft haar Zaligmaker terugontvangen.
Doch in de harten der jongeren, die in de stille opperzaal met gesloten deuren om de vreeze der joden zijn saamvergaderd was de blijdschap nog niet neergedaald. Het bleeke lamplicht glijdt over hun bedroefde aangezichten. Hunne oogen staan vragend en vol gepeins over het verledene, vol van gemis, vol van droefenis, angst en smart. In wondere mengeling van aandoening zijn ze neergezeten. Ach, het is zoo leeg op den bodem huns harten. Het allervreselijkste, wat Gods kind kan treffen, was hun overkomen. Ze zijn hun Heere en Meester kwijt. Ja wat waren zij voorheen toch gelukkig met Hem in hun midden. Maar helaas, hun hoop op den Heere is vergaan. Wreed hebben Israël's oversten Jezus van hen losgescheurd. Zij hebben Hem gekruisigd en met Hem ging hun geloof, hun hope, hun leven en kracht mede in het graf.
Vooral nu de avondschaduwen Jeruzalem's straten, Gethsémané's hof en Golgotha's kruis als met een doodskleed bedekken, gevoelen en beseffen zij het zoo diep, welk een nacht van treuring en zuchting, van rouw en gemis de dood van Christus over hunne zielen gebracht heeft. Neen niets is er, wat ook maar eenigszins het gemis kan vergoeden. Als Gods kind God kwijt is, kan ook alleen God dat gemis weder wegnemen. Toch is het niet de droefheid alleen, die hun verslagen geest nederbuigt. Want zij hebben ook andere geruchten vernomen, waardoor zij uit hun smarteslaap zijn opgeschrikt. Eerst waren het de hun welbekende vrouwen. Deze vertelden, dat ze engelen bij het graf van Jezus hadden gezien, die verkondigden, dat Jezus niet dood was, doch dat Hij van den dood was opgestaan en leefde. Na hen kwam Maria Magdalena. Ook zij getuigde met ernst en kracht: "Ik heb den Heere gezien". Tot mij heeft Hij gesproken: "Ga heen en boodschapt mijne broederen, Ik vare op tot Mijn Vader en Uwen Vader, tot Mijn God en uwen God!"
Zooeven werd er op de deur geklopt en schier buiten adem van groote blijdschap met den glans der zalige verrukking op het gelaat, zijn twee vrienden van Jezus, die zich naar Emmaus hadden begeven, teruggekeerd. Met harten vol van het leven Gods vertelden ze, hoe Jezus hun bekend was geworden in de breking des broods. Neen, de discipelen weten niet meer, waaraan zij zich moeten houden. Ze hopen, dat allen waarheid spreken. Tegenspreken bij zulke degelijke bewijzen kunnen ze niet. Maar wat is 't geval? De ziele, die den Heere kwijt is, kan alleen door God zelf uit de banden en angsten gered worden. Het baat haar niet of anderen het hebben ervaren, zij moet het zelf beleven. Ook de jongeren kunnen niet in de onvermengde blijdschap deelen, zoolang zij persoonlijk Jezus niet hebben ontmoet. Gelukkig laat de Heere zijn kinderen geen weezen. Daarom zal Hij hun gemis met zich zelf vervullen. En als de Heere komt in Zijn liefde en rijke gunst worden de zaligste Godsontmoetingen ervaren, soms zóó, dat groote vreugde en groote verlegenheid tegelijk in het hart gevonden worden.
Dat is Paschen en dat wordt al meer Paschen.

Ja door groote blijdschap verlegen. Kijk eens naar de discipelen van Jezus. Terwijl ze nog druk van deze dingen spreken staat de verrezen Christus in hun midden. Zoo heel gewoon, alsof het de meest gewone zaak ware, ruischt het van Zijn lippen: "Vrede zij ulieden". Doch helaas, inplaats van vrede beklemt de schrik en vreeze hunne, in de laatste dagen toch al zoo heftig geschokte harten. Hé, de verschijning des Heeren was voor hen zoo plotseling, zoo verrassend, dat ze feitelijk niet wisten, of ze waakten of droomden. Versta wel. Het was bij hen geen angst, zooals van een ziel, die in banden des doods gekneld ligt. Neen, het was hier een angst als van een ziel, die hoopt, dat het waarheid is, wat zij bezit. Is het werkelijk waar? Aanschouwden zij nu toch hun Meester, of is het slechts spel der kranke verbeelding? En ach, zij, die eens in een stormachtigen nacht bij de nadering van Jezus hadden geschreeuwd: "een spooksel" - zij meenden thans een geest te zien. Och, zij willen wel, maar kunnen het van blijdschap niet gelooven. Gelukkig weet Zions Koning den weg naar het hart van zijn volk te vinden: "wat zijt gij ontroerd? Waarom klimmen zulke overleggingen in uwe harten? Ziet Mijne handen en Mijne voeten, want Ik ben het zelf, tast mij aan en ziet, want een geest heeft geen vleesch en geen beenderen, gelijk gij ziet, dat Ik heb."
Wanneer nu de verrezen Heiland hun Zijne handen en voeten toont, dan bezwijkt hun het hart. Hij is het zelf. Hun Jezus, hun God en Koning. Neen nu blijft er geen geest in hen over. De blijdschap van het zien. Het bezitten van hun Jezus is hen te zalig, te rijk en groot. Zij kunnen deze zieleweelde in haar lengte, breedte, hoogte en diepte niet omvatten. Och, ze willen het wel, de Heere ziet riet in hun hart, maar ze kunnen vanwege de overstelpende blijdschap niet gelooven. Straks als zij eensdeels verzadigd zijn van zalige blijdschap en het een weinig bezonken is, dan komt langzaam maar zeker in hen als een vuur van verrukking de heerlijke werkelijkheid: "De Heere is waarlijk opgestaan."
Bij Gods volk wordt het door ervaring gekend. Immers Gods kinderen, die een onmacht kennen om over te schreien van schaamte en smart, namelijk de onmacht van het booze en bedorven hart en vleesch, dat zich der wet Gods met onderwerpt, diezelfde kinderen der genade kennen ook een onmacht om te zingen van blijdschap en te huppelen van zalig zielsgenot.
Dat geschiedt als God Zijn volk redt uit de boeien en banden der ellende.
Wanneer de werkelijkheid van het verrezen Lam Gods sterker blijkt te zijn dan de werkelijkheid der zonde. De Geest Gods ontdekt Gods volk aan de realiteit der zonde. De ontdekte zondaar ziet de zonde bij Goddelijk licht als overtreding van Gods heilige wet, als opstand tegen God. Immers de zondaar zoekt zichzelf en steekt God naar de kroon. Hoe verder nu op den weg des levens gevorderd, des te beter leeren Gods kinderen verstaan, hoe naakt, hoe doemwaardig en vloekwaardig de zonde is in haar God-onteerend karakter. De ziel van den zondaar is door haar gif aangetast en verwoest. Zoo wordt de zonde een ontzettende werkelijkheid als de Heilige Geest haar te zien geeft in den spiegel van Gods heilige wet, die ons doodvonnis eischt en ons geheel schuldig doet staan tegenover een heilig en rechtvaardig God. Ach wat is dan de verslagenheid groot. Dan wordt de zieleklacht geperst uit een verbrijzeld, ootmoedig hart:
"Gena! O, God gena, hoor, hoe een boeteling pleit - want - zoo Gij, Heere de ongerechtigheid gadeslaat, Heere, wie zal bestaan?"
Maar als de Heere na den stormwind der ontdekking, na de aardbeving des doods en na het verterend vuur van Gods heiligheid en gerechtigheid als de God aller genade tot de ziele komt in het suizen van een zachte zefier der genade, dan wordt alles anders. Dan ontdekt de Geest des Heeren het heilgeheim, dat Christus gestorven is om onze zonde, maar opgewekt is om onze rechtvaardigmaking. Zalig oogenblik, wanneer de Heilige Geest zulks verzekert in de vrede met God. Ja, dan is dat heilgeheim te groot om door een arm zondaarshart verstaan te worden. Dat wonder is zóó groot, dat de begenadigde zondaar het in der eeuwigheid niet kan uitwonderen.
Christus opgewekt als overwinnaar des doods, zoodat Hij ons het leven schenkt. Opgewekt om ons door Zijn kracht levend te maken. Opgewekt, zoodat Hij ons door Zijn verrijzenis het zekere onderpand geeft van onze verrijzenis ten jongsten dage. Opgewekt om Zijn volk te geven "sieraad voor asch, vreugdeolie voor treurigheid en het gewaad des lofs voor een benauwden geest". En wanneer het zakelijk doorleefd wordt met Christus gekruisigd, met Christus gestorven, met Christus opgewekt, verlost met een eeuwige verlossing, zoodat er geen verdoemenis meer is voor degenen, die in Christus Jezus zijn en dit ervaart in de verzoening en vrede met God, zegge wie het zeggen kan, of dat de ziele niet te groot is om die weldaad in zijn vollen omvang te bevatten.
Mijn medereiziger en medereizigster heeft U hetzij in meerdere of mindere mate kennis aan dezen levensgang? Ach, hoe treurig, als wij er vreemd tegenover staan. Dan kennen wij nog geen andere blijdschap dan die der wereld. Vraagt toch veel om ontdekkend licht. Smeekt den Heere, of Hij ook tot u wil komen, zooals Hij ook tot Zijn kinderen gekomen is. Waarlijk het zal U zoo meevallen, wanneer ge in geest en waarheid als een reddeloos verloren zondaar tot Jezus komt. Dan behoudt Hij u voor eeuwig. Buiten Christus rampzalig; in en met Christus eeuwig zalig.
Kinderen Gods, wanneer u vanuit de geopende groeve in den hof van Jozef van Arimathea de levensadem tegengeurt van Gods liefde, wordt het u dan soms niet wonderlijk te moede? Wanneer ge het moogt verstaan, dat het geen verbeelding maar werkelijkheid is, dat uwe zonden met Christus begraven zijn en gij als nieuwgeboren kinderkens moogt wandelen aan de hand des Heeren naar het Paradijs Gods, waar de bergen vrede dragen en de heuvels heilig recht, zegt mij, verzinkt ge dan niet in de Paaschoceaan der zalige zielsgenieting? Valt ge dan niet neder in het stof om God en Uw Koning te aanbidden?
Is het dan menigmaal niet te groot en wonderbaar? O! Heere en dat aan mij! Ja kinderen Gods, er is in den hemel geen ongeloof maar als het er was dan zou het dit zijn, dat ge het maar niet gelooven kunt, dat gij er zijt.
O kinderen Gods, het zal wat zijn, als ge thuis zijt. Verlost van een lichaam der zonde en des doods, verlost van een wereld, die in 't booze ligt.
Eeuwige onuitsprekelijke blijdschap in God zal uw deel zijn. Nimmer wordt ge moede uw God en Koning te verheerlijken, zingende:
"Gij, o Lam Gods zijt geslacht en hebt ons Gode gekocht door Uw bloed."