En zie, een melaatse kwam

Ds. J. Keuning

"En zie, een melaatse kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen. En Jezus, de hand uitstrekkende, heeft hem aangeraakt, zeggende: Ik wil, word gereinigd. En terstond werd hij van zijn melaatsheid gereinigd." Mattheüs 8 : 2-3


Het moet ons bij het lezen van de evangeliën telkens weer opvallen, dat het optreden van Christus als de hoogste Profeet gemarkeerd  wordt door het verrichten van wonderen. Hij predikte niet alleen, maar vulde als het ware Zijn prediking aan door het verrichten van wonderen. Dat dit niet zonder betekenis is geweest, zal een ieder moeten toestemmen. Immers, hierdoor bewees Hij de Gezondene van de Vader te zijn Die gekomen was om de krankheden op Zich te nemen en de smarten te dragen. Door deze wonderen bewees Hij te zijn de medelijdende Hogepriester, Die behoorlijk medelijden kan hebben met onze zwakheden.  Vandaar, dat deze wonderen bij de evangelist genoemd worden tekenen. Inderdaad, deze wonderen tekenden de Messias ten voeten uit.  Ze tekenden Hem, dat Hij was gezonden om te bewijzen, dat Hij was de almachtige en gewillige Middelaar van verloren zondaren, die ongeneeslijk ziek waren van de zonde. Die zo onherstelbaar ziek waren, dat ze nooit zichzelf konden genezen, maar genezen zouden moeten worden.  Ja worden, inderdaad! Dit wil zeggen, dat de daad van genezing van God Zelf moest uitgaan. Welnu, bijna iedere bladzijde van de evangeliën toont ons dit genadige en barmhartige werk van Christus, Die er Zijn lust en heilig vermaak in vond om te genezen diegenen, die tot Hem kwamen.  Al deze genezingen tonen ons dus twee voorname zaken, namelijk: niemand kan zichzelf genezen. Ongeneeslijk waren meestal degenen, die tot Jezus kwamen.  Maar zovelen tot Hem kwamen om genezen te worden, die maakte Hij gezond. Niemand werd door Hem afgewezen. Alleen door Hem konden ze geholpen worden. Gelukkig de zondaar, die met al zijn zonden, met zijn ongeneeslijke, dodelijke ziektekwaal de toevlucht leert nemen tot deze barmhartige Hogepriester, Die niet beschaamt, degenen, die tot Hem komen.


Zijn geloof in eigen onmacht. Het verdient wel onze opmerkzaamheid, dat de evangelist Mattheüs, die niet zozeer de tijdorde volgt, maar de stof rangschikt naar het doel van zijn schrijven, het verhaal van de genezing onmiddellijk laat volgen op de Bergrede. Immers, hij vermeldt tot hfdst. 8 : 17 toe een aantal wonderen om ons te laten zien hoe de Zaligmaker Zijn prediking, Zijn macht en recht om te spreken, door tekenen bevestigde, en aan het gehoorde ook aanschouwelijk onderwijs toevoegde. Wat heerlijke vergezichten heeft Hij geopend voor de waarlijk armen van geest en verslagenen van hart in de Bergrede. Wat verwachtingen van redding en troost heeft hij gewekt in de harten van troostelozen. Zijn woorden bevatten klanken van Gods blijde boodschap aan gevallenen en verlorenen! En daarom volgt het teken van Zijn wonderen om het gepredikte Woord te verklaren, ja, om het als het ware diep in aller hart in te graveren, dat Christus daar nu voor gekomen was.

Jezus heeft Zich gekeerd tegen de uitwendige, vormelijke en vleselijke godsdienst van de schriftgeleerden; Hij heeft het hele gebouw van de vervalste Joodse godsdienst in het bidden en boete doen, in het geven van aalmoezen, omvergeworpen en Hij bewijst én door Zijn prediking én door het verrichten van dit wonder, dat Hij gekomen is niet om de wet Gods te niet te doen, maar om haar te vervullen. Hij biedt Zich in dit wonder van de genezing van de melaatse aan als Degene, die waarlijk verzoening en heiliging aanbrengt.


Deze melaatse is een toonbeeld van ons aller ellende; zijn genezing door Jezus' machtwoord predikt ons de algenoegzaamheid, de almacht en de gewilligheid van de Zaligmaker om te redden. Alle krankheid en lichamelijke ellende zijn gevolg van de zonde en worden in de Heilige Schrift telkens ook als beeld van onze geestelijke onreinheid en verdorvenheid genoemd.


Bovenal droeg de melaatsheid onder Israël dit bijzondere karakter, dat zij, vooral ook naar de vele voorschriften, die de Heere in Zijn wet aangaande de melaatsen en de behandeling van de gereinigden gaf, heenwees naar de gruwelijke smet van de zonde en de doodstaat van de zondaar in zijn geestelijke onmacht en afzichtelijkheid. Het is hier niet de plaats om in de brede deze vreselijke ziekte te beschrijven, hoewel we er toch wel iets van moeten zeggen, om des te duidelijker u te wijzen op het heerlijke van dit wonder. Men onderscheidt dan vooral twee soorten van melaatsheid: de eerste soort een vorm van melaatsheid, waarbij de huid begint te ontsteken en steeds groter wordende zweren vertoont, zo zelfs, dat de beenderen bloot komen te liggen. Het haar valt uit en de arme lijder wordt tenslotte geheel afzichtelijk; zijn gelaat is geheel geschonden, zijn lichaam misvormd en met etterende zweren bedekt. Hij wordt tenslotte blind en zijn stem wordt zo hees, dat hij bijna niet te verstaan is. Hij is als een levende dode! Dan is er nog de zogenaamde witte melaatsheid, die niet zoveel voorkomt. Deze zieke is niet zo misvormd, maar daarom is het niet minder erg, want het lichaam wordt geheel gevoelloos en de ledematen worden zo door deze vresehjke ziekte aangetast, dat ten tenslotte de ledematen beginnen te rotten en af te vallen. Deze ziekte kwam onder Israël veel voor, zodat de Heere er verschillende bepalingen voor gemaakt heeft in Zijn wet. Volgens Numeri 12 : 12 werden zij beschouwd levend dood te zijn, en genoemd geslagenen, die door God geslagen zijn. Wanneer dan ook zulk een melaatse in Israël ontdekt werd, dan moest hij uit het midden van het volk gebannen worden en maakte aanraking met hen iemand naar de wet onrein. Bovendien had de Heere bepaald, dat zij rouwklederen moesten dragen, het gelaat omwinden en door het roepen van "onrein" onrein", hun medeburgers van hun tegenwoordigheid kennis geven. Men zag dus in hen het toonbeeld van de onreinheid der zonde; zij waren het zinnebeeld van de toom van God, Die uit Zijn heiligdom en uit de gemeenschap van Zijn volk de onreinen bant. In het algemeen werden de melaatsen dan ook als verlorenen beschouwd, die ongeneeslijk ziek waren. Dat wisten deze stakkers zelf ook. Vandaar valt licht te begrijpen welk een droevig en hopeloos leven deze mensen leidden.

Welnu, zulk een melaatse kwam tot Jezus! Waarschijnlijk staande aan de uiterste grens van de schare, die aandachtig naar de prediking van Jezus hoort, heeft hij ook geluisterd naar de woorden van deze Prediker. Ontroering zal hem aangegrepen hebben toen hij de van ontferming getuigende woorden hoorde. Ziet hem daar staan! Hij is het toonbeeld van ellende! Maar ziet bovenal in deze melaatse uw eigen beeld. Dat beeld, zoals wij allen door de zonde geworden zijn. Melaats van het hoofd tot de voeten! Zo immers leert Gods ontdekte volk zichzelf kennen. Onrein, uitgestoten uit Gods gemeenschap. Ongeneeslijk. Wie zal hen redden van de dood? Wie hen reinigen van de vuilheid van hun ongerechtigheden? O ja, zij hebben wel geprobeerd zichzelf te reinigen. Wat al een werk is door hen verricht, om gereinigd te worden van hun zielemelaatsheid. Hoe hebben ze gepoogd het met de Heere in orde te brengen en de wet tot zwijgen te krijgen. Maar helaas, het is hun niet gelukt. De kwaal werd erger. Inplaats van heiliger te worden, kregen ze al meer hun afzichtelijke staat der zonde te zien. Dit deed hun al meer wanhopen om gezond, gereinigd te worden. Wat een tranen van teleurstelling, wat een zuchten en gebeden onder de last van hun zonde en verdorvenheid. Hoe daar ooit van verlost te worden? Hoe nog ooit in Gods gemeenschap en in de gemeenschap met Gods volk teruggebracht? Nergens behoren ze bij. Overal staan ze buiten. En niemand ontfermt zich over hen. Niemand?

"En zie, een melaatse kwam tot Hem", zo lezen we in ons tekstvers. Zijn "onrein, onrein", deed de schare verschrikt uitwijken. Men zal hem zeer zeker met toornige blikken aangezien hebben om zijn overtreding van de wet, die hem immers verbood zich aldus onder het volk te begeven. Maar hij trotseert de toorn van de hem omringende mensen, ja meer, hij trotseert feitelijk Gods wet en dringt door tot Jezus. "En hij kwam". Hoe? vraagt u misschien. Wel, zoals hij was, zo melaats, zo onrein, maar ook zo begerig om genezen te worden. Dit was zijn enige mogelijkheid om genezen te worden. En daarom niets en niemand kan hem afhouden om te komen.

O, zo moogt u nu ook komen, schuldige ziel, die u zelf ongeneeslijk kent. Komen, al is het, dat alles en een ieder u toeroept, dat u geen genade zult vinden bij God. Ja komen, al is het, dat de wet u veroordeelt en vervloekt. Maar dan toch komen!


Blijf daarom niet weg van Hem, Die al uw krankheden kent en ze lieflijk kan en wil en zal genezen. De melaatse kwam en was door niets tegen te houden. Maar hij kwam bovenal in het diepe besef van zijn onmacht om zichzelf te genezen. Dat behoefde hem niemand te zeggen. Daarvan was hij diep overtuigd, want dat hadden hem de jaren van strijd en nood wel geleerd.


En daarom komt hij in het geloof aan eigen onmacht. Gelukkig! Is dat dan gelukkig, vraagt u, om te weten, dat men onmachtig is om zichzelf te kunnen helpen? Ja zeker! Want hoeveel duizenden bedriegen zich niet. Omdat ze menen zichzelf met hun goede voornemens of iets dergelijks te kunnen redden. Of anderzijds, hoevelen zijn er niet, die met een dode belijdenis van hun onmacht God heimelijk de schuld geven van hun ongeluk en verderf. Daarom, gelukkige melaatse, die weet zichzelf niet te kunnen helpen, maar die dan ook met die wetenschap de toevlucht neemt tot Christus, Wiens werk het is om onmachtigen te helpen en te redden. Zeker, het is een pijnlijke en toch zo noodzakelijke les om te Ieren verstaan. dat al mijn wettische werken en wroeten niets baat. Om er met alles buiten geplaatst te worden en mezelf ongeneeslijk te zien. En toch.... een rijke weldaad! Want nu pas zal het werk van Christus waarde kunnen krijgen. Daarom, als u dit verstaat, wanhoop niet! De Heere is bezig u een zoveel heerlijker les te leren, namelijk om nu te komen tot Christus, zoals u bent. Zó onrein, zó schuldig, zó onmachtig! Om dan afgewezen te worden? O nee! Zie het aan de melaatse! Hij ''kwam, maar werd door Jezus niet afgewezen, maar geholpen, genezen. En dit leidt ons tot onze tweede gedachte, namelijk

II. Zijn geloof in Gods vrijmacht.

Het blijkt, dat deze melaatse een geloof bezat van het rechte stempel. Immers, zijn geloof richt zich op het enige en volmaakte voorwerp des geloofs, dat is: Jezus! Dat blijkt wel uit zijn gebed: "Heere, indien Gij wilt Gij kunt mij reinigen".

Deze melaatse geloofde veel. Hij geloofde, dat hij ongeneeslijk was, dat hij zichzelf niet helpen kon, en ook, dat Jezus hem helpen kon. Had hij dit alles niet geloofd, dan was hij zeker niet gekomen en had zeker de toorn van de hem omringende schare niet getrotseerd. Maar juist, waar hij dit alles geloofde, kan niemand hem weerhouden. Dit alles geeft ons zoveel licht over de strijd van zo menige ziel. Immers, onder Gods kinderen zijn er ook, die meer geloof beoefenen dan ze zelf beseffen en weten. Ze vrezen veelal, dat hun geloof niet echt is, omdat ze niet kunnen spreken van uitkomst uit de nood als anderen. Het duurt bij hen zo lang. Ze hebben vaak al zo lang geroepen. En de kwaal wordt al erger. Diep zijn ze er van overtuigd, dat ze alleen door Christus geholpen kunnen worden. Hij is hun daarom enigermate dierbaar en noodzakelijk geworden. Hij alleen kan het doen. Veel geloven ze van Hem. Hij kan hen helpen. Maar of Hij het wil? Zo was het ook bij de melaatse. "Gij kunt", zo roept hij het uit. Gij! zie daar ligt al zijn hoop en geloof in opgesloten. In die ene Naam, onder de hemel gegeven tot verlossing uit de nood. Die Naam is zijn enige hoop en troost. In die Naam is alles te vinden, wat de melaatse nodig had. Maar nu was er één moeilijkheid, waar de melaatse niet overheen kon komen en dat was deze: of Jezus het wilde doen! Zie, daar pijnigt hij zijn ziel mee. Dat was het struikelblok op de weg naar Jezus! "Indien Gij wilt", met deze woorden werpt hij zich neer voor Jezus' voeten. Het was de noodkreet, die regelrecht uit zijn ziel opwelde. Was dit ongeloof? Ongeloof aan Jezus' gewilligheid? Ik geloof het niet. We hebben het dunkt mij meer zo te zien: de melaatse begaf zich naar Jezus als schommelende tussen hoop en vrees, want hij wist waarschijnlijk, dat het nog niet voorgevallen was, dat Jezus een melaatse genezen had. Bovendien was er in zijn hart een diep ontzag voor Gods vrijmacht! Jezus was het immers niet aan hem verplicht om hem te genezen. Wat voor reden kon hij aanvoeren om de Heere er van te doordringen om hem te helpen? Hij kon Jezus immers niets anders aantonen dan zijn vreselijke melaatsheid? En was de Heere niet vrij in Zijn handelen? Wat kon hij zeggen, wanneer Jezus hem niet hielp? "Indien Gij wilt", dat was geloof in de vrijmacht van de Heere. En toch.... de melaatse miste het rechte inzicht in Jezus' barmhartigheid. Immers, we lezen bij Markus: "En Jezus innerlijk met barmhartigheid bewogen zijnde". Zie, dat kon deze melaatse niet geloven, dat Jezus bewogen was over hem. Dat Hij dat was over Zijn discipelen en de anderen, dat was haast vanzelfsprekend. Maar over hem?

Geloof in Gods vrijmacht! Een kostelijke weldaad! Dat beoefent de zondaar, die recht aan zichzelf ontdekt wordt. Die leert verstaan, dat er nooit iets in hem is, waarom hij Gods genade en gunst waardig zou zijn. Integendeel! De straf, het ongenoegen Gods is hij waard. En daarom, leert zulk een zondaar, dat de Heere niets aan hem verplicht is. De waarlijk ontblote ziel leert God vrijlaten in Zijn doen. Immers, wie ben ik? Een schender van Gods wet, die tegen al Gods geboden zwaar heeft gezondigd en geen er van gehouden heeft en nog steeds tot alle boosheid geneigd is. En uit die zelfkennis vloeit voort dat de Heere vrijlaten in Zijn doen. Hoe zou zulk een rebel bij Hem genezing vinden? Gods recht eist toch voldoening? En daarom, het gebed van de melaatse is hun geen onbekend gebed: "Indien gij wilt". Dat hartelijk toestemmen van Gods vrijmacht is zulk een grote weldaad.

En toch, al is de Heere vrij van u en niets aan u verschuldigd, bedroefde en bestreden ziel, aan Zichzelf is de Heere het verschuldigd en verplicht om u niet af te wijzen in al uw smeken en in al uw zielsverdriet. En dat zal Hij ook niet! Zijn woord was immers vol ontferming, toen Hij beloofde: "Op deze zal Ik zien, op de arme en verslagene van geest en die voor Mijn Woord beeft". En bovenal, Hij heeft daartoe Zijn eniggeboren Zoon gezonden, opdat Hij een iegelijk, die tot Hem de toevlucht nam, niet zou afwijzen, maar genezen, redden, zaligen en troosten. Dus houd moed in al uw strijd en leg u maar veel aan Jezus' voeten neer en zucht en bidt: "Indien Gij wilt. Gij kunt mij reinigen". Vrij in alles is de Heere van u. Hij zou u geen onrecht doen als Hij u voorbij ging. Wanneer Hij u verstootte. Dat stemt u hartelijk toe, ja, dat zoudt u met uw bloed willen ondertekenen.

Of Hij u dan wil helpen? O ja, want Jezus' wil om te helpen is duizendmaal sterker dan uw wil en begeerte om door Hem geholpen te worden. Hij is de gewillige Zaligmaker. Nooit heeft Hij één afgewezen, die tot Hem kwam met al zijn nood en schuld. Gewillig is Hij, omdat Hij barmhartig is. Inneriijk met barmhartigheid bewogen over uw nood! Daarom, twijfel niet aan Jezus' gewilligheid. Daartoe is Hij gezonden van de Vader. Het is Zijn Middelaarslust om verlorenen te helpen. Het is Zijn werk om onreinen te reinigen. En in dat werk wordt Zijn heerlijke Naam nu verheerlijkt.


Ja, ik mag het nog anders zeggen: U kunt Jezus geen groter eer aandoen dan met al uw zonde en ellende tot Hem te vluchten en van al het uwe af te zien. Wat zou dat u meevallen, wanneer u als die melaatse tot Hem zoudt komen. O, blijf daarom niet bij Hem vandaan! Maar biedt uzelf met al uw nood bij Hem aan om door Hem geholpen en gereinigd te worden.


Het geloof in Jezus'' vrijmacht, zowel als het geloof in zijn eigen onmacht, kon de melaatse niet weerhouden om tot Jezus te gaan. Laat u dan ook door niets weerhouden, al is het dat de hel woedt en tiert, dat u toch geen heil bij God hebt. Ja, al is het, dat ge zelf menigmaal geen lust kunt bespeuren om uit te gaan tot Hem.Dit is de enige weg om behouden te worden. En al komende, zult u ervaren wat Israëls koorzanger reeds eeuwen geleden heeft gezongen: 't Is de Heer', Wiens mededogen Blinden schenkt het lieflijk licht. Wie in 't stof lag neergebogen. Wordt door Hem weer opgericht. God, Die lust in waarheid heeft. Mint hem, die rechtvaardig leeft.

III Zijn geloof in Gods almacht.

Dat eenvoudige, maar ware gebed van de melaatse is niet zonder uitwerking gebleven. Het heeft rijke vrucht gedragen. Dat kon niet anders, want het was een gebed des geloofs. En waar door het geloof zo gebeden wordt, daar zal de vrucht niet uitblijven. Ik geloof niet, dat deze melaatse dat gebed als zo waardevol heeft erkend. Natuurlijk niet; dat wist hij niet. Maar toch, de engelen in de hemel hebben er naar geluisterd, en wat nog veel meer was: de Heere luisterde er naar. O zielen, de Heere luistert naar uw geroep in de nood. Al vreest u geen gehoor te vinden en afgewezen te worden. De Heere hoort het gebed van de melaatse! Dat mag wel het eerste wonder heten in deze geschiedenis. Dat de Heere hoort naar de lofzang van engelen en gezaligden, is begrijpelijk; maar dat de Heere horen wil naar het geroep van een ellendige melaatse, mag zeer zeker wel een kostelijk wonder heten. Of hebt u dit nooit ervaren? Maar er is meer! Jezus wordt door dit geroep bewogen met innerlijk bewegingen der barmhartigheid. De diepste roerselen in Jezus' heilig zielenleven raken in beweging bij het horen en zien van de nood van deze ellendige. En dat is nog zo! Met heilig medelijden is Hij bewogen met de nood van deze man. Hij peilt de nood van die arme teneergebogene daar aan Zijn voeten. Hij ziet in het diepst van zijn ziel. Met welgevallen hoort Hij het geloof van deze melaatse. Hier is er één, die Hem nodig heeft. Die het niet buiten Zijn hulp kan stellen. Welk een gedachte! Een arme, melaatse man heeft zulk een macht over de Troon van God, dat hij door het geloof Zijn hart ontvlamt van liefde om te redden en te helpen. Dat geloof overwint de wereld, ja meer, overwint het hart des Heeren, omdat het, Zijn eigen werk is.

Heilige liefde is het dan ook, die Jezus de hand doet uitstrekken om de melaatse aan te raken en hem gezond te maken. Jezus strekt Zijn hand uit. Het is die hand, die Hij eenmaal uitstrekte, en de bende, die Hem gevangen wilde nemen, stortte achterwaarts neer. Maar hier wordt Zijn hand uitgestrekt, nee, niet om de melaatse af te wijzen of om hem tot weggaan te dwingen, maar om hem te tonen dat Hij Zich één wilde maken met zijn nood. Jezus strekte de hand uit om hem aan te raken. Dat was het doel. Maar door die aanraking maakte Jezus Zich voor de wet onrein. Immers het was naar de wet verboden om zich met een melaatse in te laten, althans hem aan te raken. En nu doet Jezus dat hier. Welk een wonder van liefde. Nee, deze melaatse was voor Jezus niet te vies en te onrein. Hij week niet terzijde toen de melaatse tot Hem kwam, zoals de schare en waarschijnlijk ook de discipelen wel deden. "Hij raakte hem aan". Dat wil zeggen. Hij maakte Zich één met zijn nood, ja meer. Hij gaf daarin het bewijs, dat Hij met hem in gemeenschap wilde treden. Is dat geen wonder? Hier is inderdaad voor het oog des geloofs het ene wonder na het andere te aanschouwen. Ziet Jezus daar staan bij die onreine melaatse! Niemand en niets dwong Hem om deze melaatse te verlaten. Hij raakte hem aan uit eeuwige liefde en bewogenheid des harten. Welk een tere bewogenheid met de nood van deze melaatse, maar ook welk een diepe vernedering van Jezus. Hij daalt af naar de wezenlijke ellende van deze man.


Wat een kostelijk beeld van de vernederende arbeid van Christus om zondaren te zaligen. Geen zondaar is Hem te onrein, te melaats om hem aan te raken uit eeuwige liefde, om hem op te heffen uit de nood, waarin deze zich bevindt.


Zie hier toch, ontwaakte zondaar, de eeuwige zondaarsliefde van Christus. Hij raakte hem aan! Zo wil Hij Zich één maken met uw nood en worstelingen. Zo heeft Hij Zich één gemaakt met de nood van Zijn volk op de vloekheuvel Golgotha. Daar daalde Hij in de drie-urige duisternis af naar de ontzaggelijke nood van Zijn kerk, die Hem van de Vader gegeven was om haar te verlossen en te reinigen. Niemand kon Hem weerhouden om Zijn beminde bruid te verlossen. Satans bespottingen en de angsten der hel niet, zo min als de afschrikwekkende vuilheid en onreinheid van die bruid. Hij daalde af tot haar, werd één met haar, hoewel Hij Gode even gelijk was. Welk een wonder van eeuwige liefde! En wanneer de bruidskerk uit die ruisende kuil en dat modderig slijk wordt opgehaald en verenigd wordt door het geloof met haar Bruidegom, o, dan pas leert ze verstaan wat het Hem heeft gekost om haar uit die diepte op te halen. Dan leert ze aanbidden Zijn liefde en barmhartigheid, waar Hij Zich niet schaamde de broederen in alles gelijk te worden, uitgenomen de zonde. Jezus, staande bij de melaatse, hem aanrakende, de hand uitstrekkende, maar ook hem bemoedigende met de woorden: "Ik wil, word gereinigd". Eenmaal sprak iemand: "Nooit heeft een mens gesproken gelijk deze mens!" Inderdaad, wie kan spreken gelijk Hij? Hij spreekt met macht en majesteit. Zijn Woord is Zijn daad. "Ik wil". Zie, dat was de vraag, waar én de melaatse én zovelen van Gods oprechte kinderen mee geworsteld hebben of nog worstelen, namelijk of de Heere hen wil hebben zoals zij zijn. Zie dan hier het treffende beeld.

"Ik wil". Dat opent de diepte van Jezus bewogenheid en zondaarsmin. "Ik wil". Dat laat ons zien hoe er in Christus diepten der bewogenheid met verloren zondaren zijn, die in Adam alles missen en rechtvaardig moeten derven. Wat een gezegende weldaad om zo Christus in Zijn gewilligheid te leren kennen. Hij gewillig om mij te redden uit de nood. Is het dan een wonder, dat Christus dierbaar wordt voor het verslagen en verbrijzelde hart? O, wat wordt Hij bemind door de ziel, die geproefd heeft de gewilligheid van zulk een Borg! Wat begerenswaardig om door Hem genezen en gereinigd te worden. Wat een uitgangen der liefde in het hart tot Jezus. Ja, hier geldt voorzeker, dat al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten enenmale verachten. Maar het blijft niet bij het woord: "Ik wil". Jezus toont Zijn liefde ook in de daad, want Hij voegt er aan toe: word gereinigd!" Zijn woord en daad zijn onafscheidelijk aan elkaar verbonden, niet van elkaar los te denken. En zie, daar voltrekt zich het wonder bij deze melaatse. Wat geen mensenkunst vermocht, wat hij zelf met inspanning van al zijn krachten niet tot stand kon brengen, geschiedt door het enkele woord van Christus. "En terstond werd hij van zijn melaatsheid gereinigd", zo lezen wij. Wie zal schetsen wat dit voor die melaatse is geweest? Gereinigd, genezen! Nooit had hij kunnen denken, dat het nog eens zou gebeuren. En zie, terwijl hij naar het woord des Heeren zich begeeft naar de priester, voltrekt zich daar dat heerlijke wonder. Hij voelt het, hij beleeft het, hij ziet het! Jezus' woord is waar! Zalig, heerlijk waar! En dan kan Gods werk onderzoek lijden. Als straks de kritische ogen van de priester over hem gaan, om naar eis van Gods wet hem te onderzoeken, dan zal deze priester geen vlekje, geen zweer, geen onreinheid meer kunnen bespeuren. God doet geen half werk.

"Genezen", dat is de lofzang, die in de ziel van de melaatse gezongen wordt, en wie zal ook maar enigermate kunnen zeggen wat daar in zijn ziel is omgegaan? Wat zal die man verblijd zijn geweest! Weet u wie daar iets van verstaan? Zij, die, evenals de melaatse, uit de mond van Jezus gehoord hebben: "Ik wil, word gereinigd". Die gewassen en gereinigd zijn geworden door het bloed van Christus, rein van zonden en overtredingen verklaard zijn geworden. Gereinigd en verlost! O, welk een weldaad! Gewassen door het dierbaar bloed van Christus en het getuigenis vernomen te hebben in de ziel: De schuld Uws volks hebt G' uit Uw boek gedaan; Ook ziet Gij geen van hunne zonden aan. Gij vindt in gunst en niet in wraak Uw lust; De hitte van Uw gramschap is geblust. Wat een blijdschap, wat een ziel zaligende vrede, die alle verstand te boven gaat! Rijp voor de hel en nu een erfgenaam des hemels! Onder de vloek door de zonde, en nu delend in de liefde Gods!

Maar keren we nog eenmaal terug naar de melaatse. Nu hij gezond verklaard is door de priester, heeft hij het recht ontvangen om weer in de gemeenschap van het volk van Israël opgenomen te worden. Wat zal dat een terugkeer geweest zijn! Terug in de kring van Zijn volk en familie. Nu niet meer een eenzame balling. Nu is het huis des Heeren niet meer voor hem gesloten! Nu mag hij weer met de anderen opgaan als de Heere Zijn volk roept om in Zijn huis te verschijnen. De gemeenschap met de Heere, die hem van tevoren verboden was, is nu weer voor hem ontsloten. In één woord: hij is vrij. Hij mag nu vrij gaan en staan waar hij wil. Geen wet vervolgt hem meer. Geen mens ontwijkt hem meer. Geen deur blijft voor hem gesloten. En vinden we hier weer niet een treffend beeld van de vrijgemaakte zondaar? Paulus heeft die verloste kerk dan ook opgeroepen om te staan in de vrijheid, waartoe zij ook geroepen is. De gemeenschap Gods is door Christus voor hen weer ontsloten, en al zullen ze tot aan hun dood nog gedurig de smet der zonde gewaar worden, de vloek is voor hen weggenomen. Welgelukzalig de mens, die dit mag gebeuren!

Hebben we, medereizigers naar de allesbeslissende eeuwigheid, onze zielemelaatsheid leren kennen? Dat is noodzakelijk om gereinigd te kunnen worden. Onrein zijn we in de ogen des Heeren, Jesaja getuigt van ons allen, dat we zijn vol striemen en etterbuilen, die niet uitgedrukt, noch verbonden zijn. Het droevige is echter, dat het de meesten niet deert, noch ontstelt. Men leeft maar door, zonder te beseffen dat de eeuwigheid spoedig komt. En denkt u dan voor de Heilige te kunnen bestaan in uw onreinheid? O zondaar, smeek de Heere, Die nog roept: "Bekeert u, bekeert u", om geopende ogen om te zien uw vreselijke onreinheid, opdat ook in uw leven vervuld mocht worden: "Ik zal maken, dat ze een walg van zichzelf krijgen". Gelukkig die dit verstaat! Voor hen is een fontein geopend voor al de onreinheid van het huis van Israël, die dag en nacht geopend is. Vlucht tot die fontein om gereinigd te worden! U zelf te reinigen is onbegonnen werk, dat op niets dan droeve teleurstelling en bittere ontgoocheling zal uitlopen.

Hoe eerder dit plaats vindt, hoe beter, opdat u als zulk een verlegen zondaar tot Christus vlucht met de bede: ..Indien Gij wilt. Gij kunt mij reinigen", om het dan te ervaren: "Ik wil, word gereinigd".

AMEN

Ds. J. Keuning

Johannes Keuning werd geboren in Bergum op 21 maart 1915. Samen met de latere ds. J. Hamstra was hij in Veenwouden ouderling van de Christelijke Gereformeerde Kerk aldaar. Hij werd in 1952 door Prof. L.H. Van der Meiden bevestigd als christelijk-gereformeerd predikant in Barendrecht. In 1959 werd hij predikant in Veenendaal, vanaf 1973 was hij predikant in Hamilton (Canada FCRC). Hij overleed op 27 april 1988 in Veenendaal.
Free Reformed Church Hamilton
Free Reformed Church Hamilton