Een Man van smarten

Ds. L.H. van der Meiden

Hij was veracht en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten en verzocht in krankheid. Jesaja 53 : 3a.

De Knecht des HEEREN wordt hier genoemd. In vers 2 wordt Hij getekend in zijn nederig komen. Hij schoot op, kwam op, als een spruit, een wortelscheut; letterlijk: als een zuigeling. Hij kwam op als een twijg uit dorre grond. Jezus deelde in de geringheid van Jozef en Maria; geen weelde of rijkdom omgaf Hem. Dit geschiedde naar Gods Raad, onder het aangezicht van zijn Vader. Gestalte, noch luister was aan Hem te zien. In vers 2 zien wij de kribbe in de schaduw van het kruis. De Knecht des HEEREN wordt ons voorgehouden als de Man van smarten. Hij was veracht; Hij werd niet alleen niet begeerd, maar men verachtte Hem; men keerde zich van Hem af, trok zich van Hem terug, wilde met Hem niet te doen hebben. Men schuwde Hem alsof Hij een melaatse was. Als een eenzame moest Hij zijn weg gaan. Men verborg zelfs zijn gelaat voor Hem. Niemand heeft Hem hoog geacht.

En zó was Hij de Man van smarten. In het verachten ligt de idee van verwerping begrepen, vers. 2; Jesaja 52 : 13, 14; Psalm 22 : 7, 8.  Hij werd veracht door joden en heidenen. Hij werd bespot. Zijn smart werd steeds bitterder; er is geen lijden geweest gelijk aan het Zijne. Niemand bemoeide zich met Hem; de groten der wereld noch de kleine man; een ieder heeft Hem veracht. Ten volle was Hij de smartendrager. Zijn verkeer op deze aarde was een gedurig smartlijden. Ook door wonden in het lichaam werd de smart verzwaard. Hij was vertrouwd met ziekte, d.w.z. dat Hij altijd stond in het weten, het ervaren, van wat ziekte enz. is; daardoor leed Hij, werd Hij uitgeput, Psalm 69 :10. Alles vanwege de zonde. Zijn openbaring vond men walgelijk, afzichtelijk. Gelijk voor iemand, die aan een walgelijke ziekte lijdt, die een verschrikkelijke aanblik geeft, bedekte men zijn aangezicht voor Hem. Wij hebben Hem niet geacht. De profeet Jesaja weet zich in zijn natuurstaat één met allen, die onvernieuwd tegenover Hem staan en belijdt dit. Aan het Kruis werd de Man van smarten bespot door allen, Mattheus 27 : 39.

Man van smarten. Van de kribbe tot het kruis; van de geboorte in de diepste vernedering tot in de vloekdood. Met de uitdrukking "Man van smarten" wordt het volle lijden van de Borg ons getekend. Het is nooit mogelijk dit geheel te beschrijven. De Borg was de smartendrager in zijn verhouding tot zijn Vader en in zijn verhouding tot de zijnen. Hij moest aan de Vader voldoen. Maar daartoe moest Hij vloekdrager en Schulddrager zijn; daartoe werd Hij van de Vader verlaten. Hij moest het recht ten leven verwerven en daartoe werd Hij verdreven buiten de legerplaats. Het lijden van de ziel en het lijden van het lichaam was heel zwaar. Denk maar eens aan het laatste van de lijdensweg: van Gethsemane naar Golgotha. In Gethsemane zonderde Hij Zich af van het drietal, dat zelfs niet één uur met Hem kon waken. In Gethsemane zette de Vader Hem nog een aparte lijdensbeker voor, want de hemel werd gesloten en voor de hel brak de ure aan, waarin de volmacht der duisternis in werking trad. Toen zweette de Borg bloed. Hier dreef geen mens bloed uit zijn lichaam; hier had de Borg alleen met de Vader, de Rechter, te doen. Hoe zwaar dat lijden was, is niet te zeggen. Zie de Man van smarten, in zijn bloed, in Gethsemane.

En van Gethsemane gaat de lijdensweg naar Golgotha. De Borg moet zijn uitgang volbrengen te Jeruzalem. Welk een exodus, welk een uitgang! Het Kruis. De kruisdood. Van God verlaten. In de duisternis, de helse duisternis, de volle werking van de vloek der zonde, onze vloek. Welk een uitgang, deze doorgang. De Borg bloedend aan het vloekhout. Bespot van de voorbijgangers; verlaten van de zijnen; verlaten van zijn Vader; bestormd door de duivelen; gehoond door de heidenen; uitgeworpen door het joodse volk. Gods toorn rust op de Gezalfde; Hij wordt verstoten en versmaad; zijn kroon ligt ter aarde ontwijd; zijn naburen is Hij een smaad; zijn tegenstanders verheugen zich en zijn glans is opgehouden; Psalm 98 : 39-46.


Man van smarten. In zijn lijden komt zo duidelijk uit wat wij hebben verdiend en wie wij zijn. Hij is de Vloekdrager, maar wij hebben die vloek verdiend; Hij is van God verlaten, maar wij hebben God verlaten en zijn waard eeuwig verstoten te worden. Hij ledigde de beker van Gods toorn en wij zijn waard die beker eeuwig aan onze lippen te hebben; Hij was Man van smarten in de duisternis en wij hebben de eeuwige duisternis ons waardig gemaakt.


Aan Hem was geen gedaante noch heerlijkheid te zien voor het natuurlijk oog en wij zijn walgelijk vanwege onze zonden. Voor Hem heeft men zijn aangezicht verborgen, als voor een walgelijk schepsel en wij zijn melaats, geheel en al, walgelijke zondaren. Hij is van alle mensen verlaten en wij hebben verdiend dat nooit iemand naar ons omziet. Hij is de Man van smarten en wij verstaan het niet. Wij zien in Hem niet wie wij door de zonde zijn geworden. Zo blind zijn wij. Nog erger: wij willen niets van Hem weten; wij verachten Hem; wij werpen Hem uit. Wij hebben Hem niet geacht. Dat is ons bestaan. Wij zijn verachters van deze Man van smarten. Het is vandaag nog niet anders; het is nog als in de dagen van Jesaja, als bij de vleeswording des Woords, als tijdens het zware lijden van de Man van smarten. Een Man van smarten. En wij hebben Hem niet geacht.

Drieërlei is hierbij op te merken. Allereerst de houding van de natuurlijke mens tegenover de Man van smarten. De mens van nature gelooft niet wat God in Hem openbaart. Die mens bewijst dat hij de kracht van de arm des HEEREN mist. Die mens ziet niet naar Hem om, omdat hij geen heerlijkheid in Hem ziet. De mens van nature begeert Hem niet, maar veracht Hem, keert zich van Hem af. Die mens houdt Hem voor een geplaagde, een door God geslagene en verdrukte. Afkeer en haat openbaart hij. Voor de Man van smarten is er geen plaats in het leven en in het hart. Zelfs voor het Kerstfeest en het Paasfeest is er geen plaats meer. De Man van smarten blijft de uitgeworpene.


Het bestaan van de mens is wel heel vreselijk. Dat moeten wij allereerst leren kennen, zal de Man van smarten voor ons betekenis krijgen. Duidelijk is zo ook dat wij en waarom wij niet in Hem geloven. Duidelijk is dat het werk Gods in ons onmisbaar is. Er is in ons hart geen plaats voor Hem, omdat ons hart voor God en zijn heil gesloten is. Wij geloven ook niet zijn Woord. Wij hebben nodig het wederbarend Werk van de Heilige Geest; zijn apart werk bij het Woord, en door het Woord. Dan zullen wij iets van het wonder leren verstaan.


Indien wij nieuwe schepselen zijn geworden door de inlijving in de Man van smarten, zullen wij uit Hem leven. En dat leven leert ons verstaan waarom de Borg Man van smarten moest worden. Dan wordt het lijdensevangelie voor ons onvergelijkelijke waarde. Onze ziel leert dan huppelen van vreugde bij de klanken van dit evangelie. Wij zien dan in de Man van smarten hoe God Hem zonde voor zondaren heeft gemaakt. Dan is Hij voor ons de dierbare Hogepriester. Alles wat aan Hem is zal voor ons dan begeerlijk zijn. Het lijdensevangelie is dan zo rijk voor ons; wij leren er amen op zeggen. Wij zien dan in deze Smartendrager de Borg, het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. Welk een schatten geeft de Vader in Hem!

Is ons oog en ons hart voor deze Borg open? Zien wij in Hem ons Pascha, voor ons geslacht? Wie buiten Hem sterft zal eeuwig smarten moeten lijden. Welgelukzalig allen, die weten dat de Man van smarten hun zonden heeft weggedragen. Hij heeft in het dodelijk tijdsgewricht hun ziel gered en hun tranen willen drogen. Zij mogen Psalmen: mijn Rots, mijn Deel, mijn eeuwig Goed. Soms worden zij geslingerd en vaak worden zij bestreden, maar, hoe donker ooit Gods weg mag wezen, Hij ziet in gunst op die Hem vrezen.


Profetie en vervulling

Ds. J. Wisse Czn.

En Hij is met de misdadigers gerekend." Jesaja 53 : 12 en Lukas 22 : 37.

Vrij algemeen wordt, naar aloud gebruik, in de voorafgaande zondagen vóór Pasen, de gemeente bepaald bij het lijden van de Heere Jezus Christus. Telkens weer biedt het lijden van de Heeren een rijke en vruchtbare stof tot overdenking. Niet alsof het hiermee genoeg ware en we verder aan het lijden en aan de dood van de Zaligmaker niet hadden te denken. In elke prediking van het Evangelie moet in meer of mindere mate, zal het wel zijn, uitkomen, wat de verdienende oorzaak van alle zaligheid is. Daarenboven wordt in gewone omstandiglieden viermaal in het jaar, bij de Avondmaalsviering, de dood van de Heere Jezus verkondigd.

In en met de lijdensprediking worden we echter zo geleidelijk en bijzonder voorbereid tot waardige viering van het feest van de opstanding van onze Heere Jezus Christus uit de doden. Reeds onder de oude bedeling [in het Oude Testament] hebben Gods Profeten op het lijden van de Messias, die komen zonde, gewezen. In de Messiaanse Psalmen zien we Hem door de mond Davids voorgesteld als de Borg, die met de misdadigers zou gerekend worden. In Psalm 22 lezen we letterlijk de klacht van Jezus aan het kruis. In Psalm 69 zien we Hem getekend als Een, die Zijn broederen vreemd is en onbekend de zonen zijner moeder. In het 53ste hoofdstuk van Jesaja wordt ons als voor de ogen geschilderd het Lam, dat ter slachting wordt geleid, stemmeloos als een schaap voor het aangezicht zijner scheerders. En om niet meer te noemen: de profeet Zacharia tekent de Man van Smarten als de Man, die Gods metgezel was en tegen Wien het zwaard der goddelijke gerechtigheid is gekeerd.

De geschiedenis van Jezus' lijden en sterven, ons in de Evangeliën vermeld, drukt het zegel op de woorden der profetie. Beide, profetie en vervulling, geven omschrijving aan de woorden, die wij bij Markus en bij Lukas lezen: En Hij is met de misdadigers gerekend."

Die woorden moesten vervuld. Met volkomen bewustheid van de wijze, waarop dit zou geschieden, wijst de Heere Zijn discipelen er op, juist in een ogenblik, toen Zijn vreselijk zielenlijden in de hof Gethsémané nabij was. Welk een heldenmoed, welk ene onuitsprekelijke liefde vervulde Zijn hart, toen deze woorden van 's Heeren lippen werden vernomen en Hij het vreselijkste lijden zag naderen. Vernedering is, op zichzelf genomen, al zo pijnlijk, en bij die vernedering kwamen nog zulke onbegrijpelijke ziels- en lichaamssmarten. Vernedering, - wie kan als eindig schepsel indenken, wat het zegt: Hij, die het geen roof behoefde te achten Gode evengelijk te zijn, - Gods eniggeboren Zoon, met de misdadigers gerekend! Misdadigers doen ons denken aan mensen, wier handen met bloed zijn bevlekt, - mensen, wier afschuwelijke daden op de vreselijkste wijze worden gestraft.

Wonderbaar schouwspel! Geheel enig tafereel in de wereldhistorie, wonder zelfs in het oog van de heilige engelen: Hij zal met de misdadigen gerekend, van Wien de Vader heeft getuigd: Deze is Mijn geliefde Zoon, in welken lk Mijn welbehagen heb." Van eens mensenkind is dit te verstaan. Hoe vreselijk het ook klinke in onze oren, - meermalen is het zelfs door voorbeelden bewezen, ook koningen en vorsten der aarde kunnen tot die ontzettende diepte afdalen, dat zij met misdadigers gerekend worden. Niets is op aarde bestendig.

Maar dat Gods heilig kind Jezus, - dat "de Vorst van het heir des Heeren" moet afdalen in deze donkere diepte,- dat de Koning der koningen en de Heere der Heeren een zondig mens, een booswicht, een onreine, een misdadiger gelijk moet worden, - zie, dat gaat alle beschrijving ver te boven. Toch wijst de profetie ons daar heen, en toch zien we die profetie letterlijk vervuld. Christus moest al deze dingen lijden en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan. Gelijk de zon kan wegschuilen achter zwarte wolken en voor een moment al haar glans en haar heerlijkheid verbergt, alzo zal de heerlijkheid van de Zon der gerechtigheid verdonkerd worden; zonder gedaante en zonder heerlijkheid zal de Zoon des mensen zijn, waar Hij met de misdadigers wordt gerekend.

Als een koning zonder kroon, als een gevangene zonder voorspraak of verdediger, als een martelaar, met wien geen oog medelijden heeft, als balling van Zijn eigen volk zal Hij openbaar worden. In die uiterste diepte van vernedering en ellende moest Christus afdalen, zou Hij de Zijnen uit dien poel van jammer kunnen verlossen en een eeuwig geldende gerechtigheid voor hen verwerven. Zo groot was Zijn liefde tot behoudenis van verlorenen, dat geen vernedering Hem te groot, geen lijden Hem te zwaar was. De moeilijkste weg moet Hij gaan, de bitterste beker moet Hij drinken, al de vloek van de zonde zal op zijn gezegend hoofd nederkomen. Als Hij gebonden staat voor Zijn rechters, als Hij nederknielt en bidt in Gethsémané, als Hij uitgeleid wordt buiten Jeruzalems poort naar een onreine plaats, als Hij jammert aan het vloekhout op Golgotha: "Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten?" - dan zien we de woorden in vervulling komen: "Hij is met de misdadigen gerekend."

Geen wonder, dat de natuurlijke mens in dien beschimpte en verachte Jezus geen heerlijkheid ziet. Geen wonder, dat de kinderen der wereld van Hem het aangezicht afwenden:

Hij, die met de misdadigers is gerekend, is alleen de gelovigen dierbaar, - dierbaar in al Zijn vernedering en in al Zijn lijden, -  dierbaar, ook al is Zijn hoofd met smaad en schande overdekt. Al zien we Zijn handen en voeten met nagelen doorboord, - al zien we Zijn gezegend hoofd met doornen gekroond en Zijn' rug met geselslagen verwond, - al horen we hem smachtend uitroepen aan het kruis: "Mij dorst," - ja, al sterft Hij tussen twee moordenaars, toch zeggen we, met allen die Hem kennen en waarlijk liefhebben: "Het is de Heere!"


Door het geloof zien we Zijn heerlijkheid schitteren, zelfs in Zijn diepste vernedering, - Zijn grootheid, in de diepste vernedering Hem aangedaan. Door het geloof verstaan we, wat het zegt, als een Paulus getuigt: "Hij is overgeleverd om onze zonden." Met de misdadigers gerekend, zien we de Zone Gods de last van de zonde dragen, zien we Hem Gode brengen het enige offer dat voor de zonde gelden kon.

Zo beantwoordt de Middelaar en Verlosser aan hetgeen Zijn Naam betekent, waar we lezen: "gij zult Zijn naam heten Jezus, want Hij zal Zijn volk zaligmaken van hun zonden." Hoeveel die zaligheid Hem heeft gekost en hoe duur Hij al de Zijnen heeft gekocht, wordt in Zijn bitter lijden en sterven ons duidelijk voorgesteld. Zo evenwel, dat we daar wel bij hebben te bedenken, dat we slechts kennen ten dele.

Hoe gemakkelijk wordt het, smaadheid te dragen om Zijnentwil, als u in al uw smaad en uw verachting, slechts gelovig op Hem moogt zien, die de schande veracht en het kruis verdragen heeft. Hoe zegenrijk wordt de overdenking van het lijden van de Heere Jezus, als we daarbij denken aan de uitnemende vruchtgevolgen, die we alleen aan dat lijden te danken hebben. Door Zijn dierbaar en vreselijk lijden heeft de Zaligmaker Zijn volk van vloek en toorn verlost en is een oorzaak geworden van eeuwige zaligheid allen, die door Hem geheiligd worden.

Indien u slechts in Hem gelooft, op Zijn aangebrachte gerechtigheid u verlaat, u door Hem zaligen laat, dan zult u in uw stervensure zelfs Satan op de vlucht jagen door gelovig en met toeëigening te stamelen; Hij, die ook voor mij de van God geschonken Zaligmaker is, is met de misdadigers gerekend, en daarom zal de Heere op mij niet toornen, noch schelden in der eeuwigheid. Zijn genade en Zijn gerechtigheid is u voor eeuwig genoeg.

"Maar ik ben een worm en geen man." Psalm 22: 7a.

O! hoe duister, hoe ontzettend,
Zielverscheurend, hartverplettend
Was dat schrikverwekkend uur,
Toen het vlek'loos Lam geslacht werd
En de losprijs aangebracht werd
Der gevangen creatuur:

Toen de losgelaten boze
Aan de schuld- en zondeloze
Zijn' verwoede klauwen sloeg;
Toen de Godmens voor de zijnen
Doodsbenauwdheid, hellepijnen
In 't geheiligd lichaam droeg!"

Wie in de 22ste psalm een profetie leest van het lijden van Christus, zegt onwillekeurig amen op hetgeen onze vaderlandse dichter Da Costa in bovenstaande, o, zo diep gevoelde gedachte uitdrukt, waar hij, als een zoon van Abraham, het lijden van Hem, dien hij als zijn' Verlosser kende, bezingt. Dat amen spreke onze ziele uit bij de bepeinzing van hetgeen de koninklijke en profetische zanger uitdrukt in de woorden: Maar ik ben een worm en geen man. Was koning David een voorbeeld of een type van Christus, we weten uit de geschiedenis, aan hoeveel lijden en vernedering de man naar Gods harte is onderworpen geweest. In het Nieuwe Testament hebben we echter afdoende bewijzen in de aanhalingen uit deze psalm, dat we hier niet slechts aan David, maar bijzonder aan de Messias hebben te denken, waarom deze psalm onder de Messiaanse psalmen wordt geteld. Maar wie peilt de diepte, in woorden uitgedrukt, als we hier lezen! Allereerst treft daarbij onze aandacht de tegenstelling met hét naast voorafgaande: "Op u hebben onze vaders vertrouwd, zij hebben vertrouwd en Gij hebt hen uitgeholpen. Tot U hebben zij geroepen en zijn uitgered; op U hebben zij vertrouwd en zijn niet beschaamd geworden." En dan volgt, in tegenstelling met hen, die door God zijn gered en verhoord, de tekening van Een voor Wien geen antwoord was op Zijn gebed. En van dien Eénen wordt gezegd, waar Hij sprekend wordt ingevoerd: "Ik ben een worm en geen man," Ja, dat was Hij, toen de Zoon des mensen was overgeleverd en de prooi van Zijn vijanden was geworden.

Welk schepsel is nietiger, weerlozer en meer veracht dan een worm, die op de aarde kruipt! Aan zulk een hulpeloze, machteloze en verachte worm was de Zone Gods, de Eeniggeborene van de Vader gelijk geworden, toen Hij, in Gethsemané en aan 't kruis, in ziel en lichaam zo aller vreeselijkst moest lijden; toen Hem in de hof het bloedig zweet werd uitgedrukt. O, wonder aller wonderen! mag onze ziel wel uitroepen, als we Hem zien knielen onder het groene lover van de Olijvenhof; als we, in de donkerheid van de nacht, Hem in zielsangsten en benauwdheden horen uitroepen: "Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe." Terwijl de Heere zwoegt en zo bitter lijdt, slapen zijn discipelen: geen oog had medelijden met Hem, Hij treedt de pers alleen, geheel alleen: niemand ondersteunde of vertroostte Hem.
En als deze zo uiterst bange ure is doorworsteld en Hij, door Judas verraden, door de bende gevangen genomen, gebonden wordt weggeleid van het ene gerecht tot het andere en ten laatste aan het vloekhout tussen twee moordenaren sterft, na al de martelingen en al de folteringen, daaraan voorafgegaan, leer dan bij dat kruis van Golgotha, wat Gods profeet eeuwen te voren door de Heilige Geest voorspelde: "een worm en geen man!"

Verworpen en veracht door het volk, was al in de herberg van deze wereld voor Hem geen plaats meer. Een moordenaar werd geacht en gewaardeerd boven Hem. Het was niet het woord en de wens van enkelen, maar het was een algemene eis van het volk: "weg met deze van de aarde!" En toch had Hij, die tot deze diepste diepte aller vernedering en in die grootste aller smarten gezonken was, geen enkele ongerechtigheid bedreven.


Niemand kan Hem overtuigen van zonde. Deze Rechtvaardige had geen kwaad gedaan; geen onrecht was op Zijn lippen gevonden. Hem werd kwaad voor goed vergolden, maar toen Hij gescholden werd, schold Hij niet terug. Hij was en bleef onder al Zijn smarten, het zwijgende en het geduldige Lam Gods.
Een worm maakt geen geluid, doet geen angst- of smartkreet horen, als die vaneen gescheiden of door de voet vertreden wordt, Nee, dan kan die worm alleen kronkelen en in elkaar krimpen van smart, maar dat wordt sprakeloos en zonder enig geluid te geven, geleden. De mens, die blind is, wordt van dat lijden van een worm niets gewaar. En zou iemand wijzen naar dat geringste van alle schepselen, - wijzen op de smart van zulk een vertreden worm, dan zal ieder op zijn beurt zeggen: "wees wijzer, heb daar geen medelijden mee; het is maar een worm," Een man, als die bedreigd wordt, kan zich verzetten tegen zijn aanvaller; een man kan strijden tot behoud van zijn leven; een man kan de hulp van anderen inroepen, als de macht, welke tegen hem komt, hem te sterk is. Een worm daarentegen is geheel machteloos, en aan zulk een worm werd Gods heilig kind Jezus gelijk, toen Zijn ure gekomen was.

Wie duizelt niet bij de gedachte: de Schepper van de wereld, de Heere der engelen, de eniggeborene des Vaders aan een worm gelijk! Daartoe gaf de Zaligmaker zich vrijwillig over, daartoe leed en stierf Hij, opdat Hij de Zijnen zou verlossen van het eeuwig verderf en voor hen recht verwerven tot het eeuwig leven. Wat David, de man Gods, eeuwen te voren door de Heilige Geest van de Christus voorspelde, zien we letterlijk vervuld in de volheid des tijds.

Niet als een man, maar als een worm heeft de Heere geleden. Bleek dit niet, toen Hij, gebonden als een kwaaddoener, voor Zijn rechters stond, - toen Hij door Herodes met een spotmantel werd gekleed, - toen Hij door de krijgsknechten werd gegeseld, - toen Pilatus Hem uitbracht tot het volk en zeide: zie, de mens." En toen Hij aan het kruis ineenkromp van smart, versmachtte van dorst, om ten laatste als een worm te sterven, die zonder tegenweer, zonder vriend, zonder medelijden, zonder enige hulp van mensen de vreselijkste dood ingaat! Aan zulk een vernedering, aan zulk een onbeschrijfelijk lijden kon alleen de eeuwige liefde zich onderwerpen; - liefde, die alles verdraagt; liefde, die alles overwint; liefde, die voor niets terugdeinst; liefde, die alle verstand te boven gaat.

Welk een getuigenis, welk een prediking aan een wereld vol zonde en ongerechtigheid! Welk een prediking, die lijdensprediking aan Adams geslacht. Welk een voorstelling aan mensen, die buiten en zonder Jezus voor eeuwig moeten omkomen. In die prediking wordt de liefde Gods tot redding van verlorenen ons aanschouwelijk voorgesteld. Die prediking houdt in een ernstige waarschuwing en een troostvolle openbaring.

Een ernstige waarschuwing aan allen, tot wie het Evangelie van Christus' lijden komt, naardien hieruit is af te leiden, wat zij te wachten hebben, die eenmaal sterven zonder deel te hebben aan de Borg; mensen, die met een openstaande rekening van hun bij God gemaakte schulden voor Zijn aangezicht moeten verschijnen. Als God Zijn eniggeboren Zoon niet heeft gespaard, maar Dien heeft overgegeven om te lijden als een worm, hoe zal Hij dan u sparen, indien u geweigerd hebt naar Hem te horen, die ook u tot bekering riep en u verkondigen liet, dat alleen door het geloof in Hem ontkoming is voor u aan de eeuwige straf!

Troostvol daarentegen is deze openbaring van Jezus' lijden voor allen, die in waarheid tot Hem de toevlucht nemen. Bij het zien van al uw schuld, bij de bewustheid van uw zo diepe verdorvenheid, bij het bedenken van al uw ongerechtigheden, bij het opblikken naar de heiligheid en de rechtvaardigheid Gods komt dat lijden en die vernedering van de Heere Jezus u verzekeren: dat is Hij niet voor zich, maar voor zondaren onderworpen geweest. Al dat lijden en die smarten zijn ter verklaring en de omschrijving van de woorden: »Gij zult Zijn naam heten Jezus, want Hij zal Zijn volk zaligmaken van hun zonden."

Daarom zegt elk gelovig kind des Heeren "amen" op het woord der profetie: Door Zijn striemen is ons genezing geworden." Van uit deze duizelingwekkende diepte opziende naar boven, zien we thans Jezus met eer en heerlijkheid gekroond.
Hij, die op aarde een worm en geen man was, is thans verhoogd aan de rechterhand des Vaders. Daar leeft en bidt Hij voor al Zijn volk. Moet dat volk op aarde Hem gelijkvormig worden in Zijn lijden, het zal ook delen in Zijn heerlijkheid.
Geliefden! het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen; maar wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen. Op aarde een worm, maar in de hemel aan Christus gelijk!

"Waarom zijt gij rood aan uw gewaad en uw klederen als van een die in de wijnpers treedt?" Jesaja 63 :2.


Gij, Heer! alleen, Gij zijt
Verwinnaar in de strijd
En geeft Uw volk de zegen.

Zo mag de gemeente des Heeren met de psalmdichter wel juichend uitroepen bij het vernemen van de macht en de heerlijkheid van haar God en Koning. Hij is het, die de overwinning van Zijn Israël is.
Hoe schoon tekent ons de profeet Jesaja de luister en de majesteit van de Held, die voorttrekt in grote kracht. Hij is het, die in gerechtigheid spreekt, die machtig is om te verlossen. Als een dapper en overwinnend krijgsheld vertoont zich de Heere aan het oog van de Ziener in een profetisch gezicht, - als een krijgsheld, die de schitterendste overwinning heeft behaald, - die over Zijn vijanden heerst, -die een volkomen verlossing voor de Zijnen heeft uitgewerkt en verkregen. Het gewaad, waarin die Held zich openbaart, draagt de bewijzen, dat de verlossing voor een' dure prijs is verkregen en dat de strijd, die gestreden is, een geheel enige is geweest.


De rode vlekken aan Zijn gewaad herinneren ons aan het kleed van de man, die in de wijnpers treedt, maar,  onderscheiden, blijkt, dat de rode kleur van die vlekken niet het kenmerk van druivensap, maar wel van mensenbloed is. Dit leidt Gods profeet tot de vragen: Waarom zijt gij rood aan uw gewaad en uw kleederen als van enen, die in de wijnpers treedt? Deze beschrijving komt overeen met hetgeen we lezen in Openbaringen 19, waar de Apostel des Heeren in een gezicht zag een wit paard, en die op hetzelve zat, was genaamd Getrouw en Waarachtig en Hij oordeelt en voert krijg in gerechtigheid. En zijn ogen waren als een vlam vuurs, en op zijn hoofd waren vele koninklijke hoeden, en bij had een naam geschreven, die niemand wist dan hij zelf. En hij was bekleed met een kleed, dat met bloed geverfd was, en Zijn naam wordt genoemd het Woord Gods.

Aan niemand anders dan aan Christus denken we bij het lezen van de tekening, waarmede Gods profeet de machtige Held voorstelt. Die tekening beantwoordt aan hetgeen we in profetie en vervulling van de lijdende Immanuël lezen. Enerzijds gelijk aan een lam, dat ter slachting wordt geleid, en aan een schaap, dat stom is voor het aangezicht Zijner scheerders; maar anderzijds, in betrekking namelijk tot het gezegend einde en de heerlijke vrucht van Zijn lijden, de grote Overwinnaar, die machtig is om te verlossen.

Op geen verlosser uit de mensen past de beschrijving; - slechts van Eén kan gezegd, dat Hij in gerechtigheid spreekt, dat Hij machtig is om te verlossen, dat Hij de pers alleen heeft getreden, toen het jaar Zijner verlosten gekomen was. Toen was Hij in alle hun benauwdheden benauwd; door Zijn liefde en door Zijn genade heeft Hen verlost. Wat de profeet vraagt met de woorden:

Waarom zijt gij rood aan uw gewaad? dat vraagt hij in naam van geheel de Kerk des Heeren; in die vraag treedt hij op als vertegenwoordiger van al het volk van God. Met die vraag houdt de prediking van Jezus' lijden ons bezig; op die vraag geeft het lijdensevangelie het volledige en afdoende antwoord. Alleen zij vermijden die vraag, die van geen "bloedtheologie" willen horen of weten, - zij, die genoeg hebben aan een' Jezus, die een voorbeeld was van zelfopofferende liefde en gehoorzaamheid.

Maar een schip, dat uit de storm, zonder mast en zonder zeilen, de haven binnenloopt, bewijst in wat grote nood het op de onstuimige wateren heeft verkeerd; een krijgsman, die met bebloede klederen triomfantelijk uit het strijdperk en van het slagveld wederkeert, laat het zich aanzien, hoe hevig de strijd was en hoe duur de overwinning is betaald. En dat roodgeverfde gewaad, waarin Jezus Christus, de Heere, als de Borg van al Zijn uitverkorenen, wordt getekend en afgemaaid, roept alle gelovigen toe: Gij zijt duur gekocht! Niet aan het bloed van mensen, maar aan Zijn eigen dierbaar bloed doet ons die tekening denken. Dat was het bloed der verzoening, - het bloed dat alleen van alle zonden reinigen kan, - het bloed, dat was afgebeeld in het bloed van stieren en bokken, dat oudtijds in het heiligdom gedragen werd. Zonder bloedstorting was geen vergeving. Wel kan het bloed van de offerdieren de afwassing van de zonde afbeelden, maar reinigen van de zonde kan het niet. Daartoe was nodig een meerdere offerande. Daartoe was nodig een volmaakte Hogepriester, heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren en hoger dan de hemelen geworden.

De kostelijke prijs van Jezus' bloed werd vereist, zouden de waarheid, de gerechtigheid en de heiligheid Gods in het zaligen van zondaren worden gehandhaafd. Alleen met die prijs kan de grote schuld, bij God gemaakt, worden afgedaan.

Dat verstonden de Joden niet, toen zij uitriepen: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen!" Dat verstaan zij niet, die het bloed van het Nieuwe Testament onrein achten. Dat verstaan zij niet, die nog altijd zoeken uit de werken der wet gerechtvaardigd te worden voor God, Maar dat verstaat de ziele, die haren verloren toestand in Adam voor God leert kennen, die amen leert zeggen op het getuigenis van God, dat al onze gerechtigheden als een wegwerpelijk kleed zijn voor zijn aangezicht. Ja, dat verstaat aanvankelijk Gods kind, dat tot het bloed der verzoening toevlucht leerde nemen. Geen anderen Zaligmaker kan u verlossen, o zondaar! dan zulk één, die rood is aan zijn gewaad.

Hij is dan ook de gelovigen dierbaar. Hij is het voorwerp des geloofs, voor al de Zijnen. Hij is het voorwerp van aanbiddende hulde in de hemel, waar al de gezaligden voor de troon Hem eer en aanbidding toebrengen tot in alle eeuwigheid.

In die Verlosser, zo rood aan zijn gewaad, herkennen wij de Christus der Schrift. Zo heeft Paulus en zo hebben al de Apostelen des Heeren Hem voorgesteld. Dit is het getrouwe en aller aanneming waardig Evangelie des kruises, - het Evangelie, dat Paulus zeggen deed: Ik heb niets voorgenomen onder u te weten dan Jezus Christus en dien gekruist, en bij een andere gelegenheid: Het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onze Heere Jezus Christus. De wereld en het ongeloof mogen zich ergeren aan die prediking, hun, die geloven, zal dat Evangelie een kracht Gods tot zaligheid zijn.

Op de vraag dan: waarom zijt gij rood aan uw gewaad? geeft de Heere zelf het antwoord. Hij heeft de pers alleen getreden. Was het niet Zijn eigen woord, in betrekking tot Zijn lijden gesproken: Hoe wordt Ik geperst, totdat het volbracht zij!
Dat bloed, door Hem geplengd, is het bloed der verzoening, dat van betere dingen spreekt dan het bloed van Abel. Dat bloed, door Hem gestort, heeft een alles reinigende kracht. Van de verlosten in de hemel lezen we, dat ze hun klederen hebben wit gemaakt in het bloed des Lams.

Daardoor gereinigd zult u vrij uitgaan in Gods gericht; daardoor zult u eens zonder verschrikking kunnen verschijnen voor de heilige en rechtvaardige God, Door dat bloed geraakt en met dat bloed getekend, zal het ware Israël Gods worden verschond in de dag der wrake, gelijk Israël in Egypteland verschoond werd, toen de engel des verderfs een grote slachting aanrichtte onder de vijanden des Heeren, maar de met bloed getekende woningen van de Israëlieten voorbijging. Dit wel te verstaan en te geloven doet ons Hem achten, eren en liefhebben, die uit vrije gunst en eeuwige erbarming zichzelf heeft gegeven tot een verzoening voor onze zonden.

In Hem geborgen, bent u veilig in het grootste gevaar. Op Hem steunend en vertrouwend, kunt u in eeuwigheid niet omkomen. Ziende op Hem, die de banier draagt boven tienduizend, - die het kruis heeft verdragen en de schande heeft veracht, wordt u tot volger van uw Heiland en Verlosser gevormd en bekwaamd. Dan neemt u in Zijn kracht uw kruis op; dan volgt u Hem gewillig, die al de Zijnen de weg heeft gebaand, en, ziende op de uitkomst, aan uw pelgrimsreis verbonden, grijpt u moed en ziet u, door het geloof, reeds van verre de kust van het beloofde Vaderland. De sterfdag van een Christen zal zijn kroondag zijn.

Op de vraag: waardoor is uw gewaad zo wit en zo rein? zal Gods kind, in de eeuwige heerlijkheid opgenomen, alsdan kunnen antwoorden: Dat heb ik te danken aan mijn Immanuël en Bloedbruidegom, die juist daarom ook voor mij rood was aan Zijn gewaad, toen Hij, de pers alleen getreden hebbende, een eeuwige verlossing voor mij heeft teweeg gebracht."