Leendert Huibert van der Meiden (1882-1962)

"Hadden de kinderen der Reformatie zich maar altijd aan het Woord van God gehouden. Benauwend is het op te merken hoe de Schrift gedevalueerd wordt door en onder hen, die pal moesten staan voor wat Luther sprak. Maar men doet dit niet. Het gezag van de Heilige Schrift wordt op allerlei wijze aangetast. Het oude thema: Gods Woord staat in de Bijbel, doet op allerlei wijze opgeld. En op die wijze kan men van de Bijbel maken wat men er van hebben wil. Op die wijze stelt men eigen gezag, stelt men de rede, boven de Schrift. Tegen dat devalueren van de Schrift moet ernstig gestreden worden, willen wij het beginsel der Reformatie niet verloochenen. Dat heeft niet alleen zin voor het kerkelijk leven. Natuurlijk moet men in het kerkelijk leven alleen buigen voor de Schrift. Ook in het zoeken naar eenheid van hen, die voor die Schrift zeggen te buigen, moet dit worden bedacht en betracht."

         L.H. van der Meiden

Een voorganger uit het verleden van de Christelijke Gereformeerde Kerken die meer aandacht verdient is Prof. L.H. Van der Meiden. Hij was een stabiele en bescheiden, niet zo op de voorgrond tredende persoonlijkheid, maar in zijn dagen toch wel een begrip. Van der Meiden doceerde van 1938-1953 Oude Testament, Nieuwe testament en de ambtelijke vakken aan de Theologische School in Apeldoorn. 

Leendert Huibert Van der Meiden werd geboren op 20 april 1882 in Hazerswoude. Later verhuisde het gezin naar Loosduinen. Na het lezen van een preek van Jodocus van Lodenstein over Ezechiël 17: 8b ging hij zoeken de dingen die van Boven zijn. Hij kreeg nu vragen waarop in de prediking waaronder hij toen verkeerde geen antwoord kwam. In zijn zoektocht kwam hij terecht in de kerk van ds. J. Wisse Czn. aan de Snoekstraat in Den Haag. Deze prediking verklaarde wel zijn hart en bracht hem ook een rust aanbrengend antwoord. 

In 1905 werd hij aangenomen aan de Theologische School in Rijswijk. Hier doceerden toen F.P.L.C. van Lingen, P.J.M. de Bruin en H. Janssen (de latere vloot- en legerpredikant). Op 17 november 1912 werd hij samen met A.H. Hilbers toegelaten als predikant en nam een beroep aan naar Enschede. Na vijf jaar vertrok hij naar Dordrecht en van 1927-1938 was hij predikant in Den Haag. 

In 1917 werd hij vaste medewerker van het blad Luctor et Emergo, het blad  voor de christelijke gereformeerde jongelingsverenigingen.  Aan dit blad heeft hij veel van zijn krachten aan besteed. Het bleef verschijnen tot 1941 waarna het verboden werd door de Duitse bezetter. Van der Meiden wilde namelijk met hen geen concessies doen over de inhoud. 

Bij zijn ambtsaanvaarding in 1938 sprak hij over 'de betekenis van de exegese voor de dienst des Woords.' Bij een nauwkeurige vertolking van de boodschap van Gods Woord hoorde volgens Van der Meiden ook het bevindelijk element. Twee redes die van hem in druk zijn verschenen onderstrepen het belang daarvan: 'Het bevindelijk element in de prediking' (1933) en 'Wat is bevinding?' (1951) Van der Meiden waarschuwde voor allegoriseren in de zin van zaken in de tekst leggen die er niet staan. Hij pleitte daarom voor een Schriftuurlijk-bevindelijke prediking. Ook in de uitleg van het Oude Testament moet Christus centraal staan. Van hem verschenen commentaren op het boek Klaagliederen en het Hooglied. 

Van der Meiden nam een opvallende beslissing door mee te werken aan de totstandkoming van de Nieuwe Vertaling. Hij leverde een bijdrage aan het Oude Testament. Het eindproduct dat in 1951 verscheen had echter naar zijn mening revisie nodig en hij pleitte niet voor invoering in de kerken. 

Op 24 november 1962 overleed Prof. Van der Meiden in Den Haag. Ds. H. Toorman leidde zijn begrafenis. Hierna spraken Prof. W. Kremer, Prof. J.J. van der Schuit en ds. J.G. Feenstra namens Effatha. De plechtigheid werd met gebed beëindigd door ds. C. den Hertog. 

Zal iemand, om slechts enkele voorbeelden te noemen, die het Woord bedient uit Rom. 7, of uit Psalm 32, 51 of 130, dat kunnen doen en zwijgen over het bevindelijke leven? ,'t Is waarlijk niet nodig voor de prediker, naar de vromen zelf te gaan, om de stof voor het bevindelijk deel van zijn prediking uit hen te putten. Hij behoeft niet verder te gaan dan tot de Psalmen; zij geven hem alles, wat hij tot kennis van het werk Gods nodig heeft."

L.H. Van der Meiden