Lam Gods

Ds. F.P.L.C. van Lingen

"Ziet, het Lam Gods!" Johannes 1 : 36.

Wat een merkwaardige omkering in de prediking van de boetgezant, nadat de Geestesdoop zonder mate zich aan de Jordaan met de waterdoop verenigd had! Dat ogenblik was in de Doper als het punt van overgang van het Oude tot het Nieuwe Verbond. Of laat ik liever zeggen: toen was het bij hem, alsof het woord uit de last van Duma bij Hem werd vervuld: Wachter! wat is er van de nacht? De morgenstond is gekomen (Jes. 21 : 11); want (Luk. 7 : 28) onder die van vrouwen geboren zijn, is niemand meerder profeet, dan Johannes de Dooper; maar de minste in het Koninkrijk Gods is meerder dan hij. Toch klaarde dat eerste morgenrood wonderveel op.

Johannes kende de Zoon van Maria niet, al had hij Hem wellicht van aangezicht gezien; want hij zag de Koning, wiens weg Hij kwam bereiden, niet anders dan als met de wan in de hand, om de dorsvloer te doorzuiveren, - als die daar stond met onuitblusselijk vuur voor het kaf, en met de bijl voor de boom, die geen vrucht voortbracht. Aan de Jordaan leerde hij Hem kennen in zijn volheid. Daar werd de profetie van Jesaja hem duidelijk, waar die had gesproken van "het Lam ter slachting geleid."

Hij kende Hem reeds vroeger in zijn heiligheid, als die geen doop nodig had voor zichzelf; maar als hij Hem in het water ziet nederdalen, om alle gerechtigheid te vervullen, als de zondeloze het teken van de afwassing van zonde voor zich eist, dan ziet hij in Hem dengene, die zonde voor ons is gemaakt; dan kent hij Hem, als het Lam, dat met zonde beladen is, dat de zonde van de wereld draagt.

Dan kent hij Hem als de Messias en zegt hij tot zijn jongeren: "Ik kende Hem niet; maar die mij gezonden heeft om te dopen met water, die had mij gezegd: Op welke gij de Geest zult zien nederdalen en op Hem blijven, deze is het, die met de Heilige Geest doopt. En ik heb gezien en getuigd, dat deze de Zoon van God is. (Joh. 1:33, 34.) Welk een onderscheid sinds dat ogenblik in de prediking van Johannes de doper! Hoort slechts, hoe hij tevoren riep: Gij adderengebroedsels! wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomende toorn? Brengt dan vruchten voort der bekering waardig. Als de schare verslagen vraagt:  Wat zullen wij dan doen? heeft hij geen ander antwoord dan: Die twee rokken heeft, dele hem mede, die geen heeft, en die spijze heeft, doe desgelijks. De tollenaar verneemt op de vraag: Meester! wat zullen wij doen?: Eis niet meer dan u gezet is, en de krijgsman op gelijke vraag: Doe niemand overlast. (Luk. 3 : 7 vv.)

Na die ure is het, of Sinai verdwijnt achter Golgotha, en ook bij deze Elia, na die storm en het vuur, het suizen van een  zachte stilte is gekomen. De profetenmantel verbergt de boetgezant, omdat hij de uiterste delen des Heeren heeft gezien. Na die ure is de gestrenge prediker de liefelijke gids geworden, en hij is eerst recht de heraut van Hem, die niet kwam om te verderven, maar om te behouden. Na die ure is zijn ziele enkel vol van Hem, dien hij zich niet waardig acht de schoenriem te ontbinden, en klinkt het al weer en al weer van zijn lippen: Ziet het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. (Joh. 1 : 29) en wederom: Ziet, het Lam Gods.

Verlaten Hem dan ook zijn discipelen, om dat Lam te volgen, het smart hem niet; dat is het juist, wat hij zoekt; want de Heere moet wassen en hij moet minder worden. Hij, zoekt niet eigen grootheid, maar de grootheid van zijn Koning, wiens wegbereider hij is, en zo iemands leven een gestadige psalm is geweest: Niet ons, niet ons, uw naam alleen zij de eer (Ps. 115), dan is het wel het leven van Johannes de Doper, sinds hij de stem heeft gehoord: ,,Deze is mijn Zoon, mijn Geliefde, in wien Ik mijn welbehagen heb. Och, dat zijn woord: Ziet het Lam Gods, door de Heilige Geest tot een kracht werd gemaakt, om ook ons zo vol te doen worden van de liefde Christi, dat ook wij niets anders bedoelden dan te zijn tot verheerlijking van Hem.

Voor alle dingen moet de vraag beantwoord, tot wie de doper het woord, dat voor ons ligt, heeft geroepen. Dan antwoorden wij: niet tot de Gode vijandige schare, wien het Gij adderengebroedsels was toegevoegd, maar tot de discipelen, bij wie, door de prediking van de wet, het hart was verbrijzeld en vertederd tot een: Wat moet ik doen? Johannes wierp geen paarlen voor de zwijnen; daartoe was de boet-prediker te streng.

Tot zulken het woord des Heeren: Wat zijt gij uitgegaan in de woestijn te aanschouwen ? Ken riet, dat van de wind ginds en weder bewogen wordt? Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een mens met zachte klederen bekleed? Ziet, die in heerlijke kleding en wellust zijn, die zijn in de koninklijke hoven (Luk. 7 : 24 v.v.). Geen ontvlieden van de toorn Gods mag, volgens de Doper, worden gewacht zonder bekering, zonder die verbrijzeling van de ziel, die uit de diepten roepen doet: o God! wees mij, zondaar, genadig!

Over de kinderen der wereld het woord van Jesaja (24 : 10 v.v.): De Heere heeft over ulieden uitgegoten een geest des diepen slaaps, en Hij heeft uw ogen toegesloten; de profeten en uw hoofden en de zieners heeft Hij verblind. Daarom is ulieden alle gezicht geworden als de woorden van een verzegeld boek, hetwelk men geeft aan een, die lezen kan, zeggende: Lees toch dit en hij zegt: Ik kan niet, want het is verzegeld.« Of men geeft het boek aan een, die niet lezen kan, zeggende: Lees toch dit, en hij zegt: lk kan niet lezen.

Zolang de ogen van de blindgeborenen niet waren aangeroerd door de hand van de Almachtige, zolang hij niet van de wassing in Siloams wateren was teruggekeerd, mocht hij nu het Lam Gods voor zich hebben, maar hij kende Hem niet. Het Ik geloof Heere!, in aanbidding uitgesproken, kon eerst daarna volgen.

Allen, zolang die reddende daad niet aan ons is geschied, zijn wij blind, zelfs voor onze eigen blindheid; want wij vragen met de Joden: Zijn wij dan ook blind? Wat ook vóór ons is geplaatst, al omringen ons de velden, vol van 's Heeren heerlijkheid, al welven zich boven ons de hemelen, welke de eer des Heeren vertellen, al staat Sinai voor ons in rook en vlammen, wij zien er God niet in; hoe zouden wij dan de nederige heuvel met zijn kruis, hoe zouden wij het Lam kunnen aanschouwen en bevatten?

Wij zijn gelijk aan die beelden, van welke de psalmist zegt: Zij hebben ogen, maar zien niet, al buigen wij ons er ook voor neer, om ze te aanbidden met een: ,,Red mij, want gij zijt mijn God. Dat oog moet eerst worden losgeweekt door tranen, en daarom gaat een Johannes voor de Christus. De hamer van diens woord slaat op de harten van graniet, en de scherpe bijl van zijn prediking komt neer op de dorre doodsbeenderen, en dan roept er een stem uit dat verbrijzeld hart: Wees mij genadig; dat de beenderen zich verheugen, die gij verbrijzeld hebt. (Ps. 51 : 10.)

Geliefden! is reeds Nathans woord: Gij zijt die man, in uw ziel gedrongen? Wij vragen niet: Hebt u één zonde in uzelf ontdekt? Wie ontdekt die niet in zich? De wereld kent zich braaf; maar alleen dat éen gebrek is er, en om het vele goede is dat ene wel te verschonen. Maar ziet u dan niet, hoe dat ene ten verderve voert ? Het schip was zo deugdelijk, het had maar één lek, en het zonk in de diepte weg. Alles was zo wel verzekerd en die kruithoop was aan alle zijden zo veilig, één enkel vonkje slechts kwam er bij, en de ontploffing verspreidde dood en verderf. Zoveel deed Herodes, als Johannes hem predikte; er was maar éen band nog, die van Herodias, en langs die draad is een vonk gegaan, die het hoofd van Johannes de doper van de romp scheidde, die de Christus met doornen kroonde, die Herodes zelf bracht in de kerker der mensen en eeuwig pijnigt in de kerker van de hel.

Het Is een zegen, dat u één zonde kent; maar die kennis moet geleiddraad worden tot in de schuilhoeken van het gehele hart, de opening van de deur, welke u doet indalen in de afgronden van uw bestaan, zodat ook uw klaagzang wordt gehoord voor uw God: 't Is niet alleen dit kwaad, dat roept om straf; nee, 'k ben in ongerechtigheid geboren (Ps. 51 : 3). 0, dan eerst als u uw ziel niet in 't leven kunt behouden; als u zo geheel naakt en arm en verloren voor God staat; als u uw laatsten penning kwijt bent bij de hemelhoge bergen van uw schulden, kan het vertroostend woord tot u komen: Ziet het Lam Gods!

Niet anders dan op de zwarte wolk van uw verlorenheid tekent God de regenboog van zijn genade. Verlorenen en ellendigen! voor u dit woord! Voor de heiden, die roept: "Ik ben niet waard, dat gij onder mijn dak komt. (Matth. 8 : 8); voor den Israeliet, die geknield ligt met het woord: Heere! ga uit van mij; want ik ben een zondig mens (Luk. 6:8); voor de Kananese vrouw, die om kruimels komt, voor de grote zondares, die tranen maar geen woorden heeft, voor deze is de roepstem: Ziet het Lam Gods!

Ds. F.P.L.C van Lingen

In leven grondlegger van de Christelijke Gereformeerde Kerk na 1892 en Theologische School Apeldoorn.


Prediking van Johannes de doper

Johannes was op goddelijk bevel predikende in de omgeving van de Jordaan in Judea, om ook zijn opdracht te vervullen dat hij zou dopen met de doop der bekering tot vergeving van zonden. Hij preekte: "Het koninkrijk Gods is nabij gekomen." Wanneer dan waarachtige boetvaardigheid zich openbaarde bij zijn hoorders, mocht hij dopen met de doop der bekering; met de heenwijzing van de vergeving van zonden in de komende Christus, die nu weldra zou optreden onder zijn volk, als de Beloofde der vaderen, als de Messias. Daar is Johannes; heengaande in de geest en de kracht van Elia, en hij had zijn kleding van kemelshaar en een lederen gordel om zijn lendenen.

Hij predikt Jezus als dengene, die tot een oordeel in de wereld is gekomen. Zó moet Hij nog worden verkondigd, ook heden. U kunt niet neutraal aan Hem voorbij gaan, maar zult moeten kiezen: vóór óf tégen. Wij hebben gekozen tegen God en Zijn Gezalfde, maar de Heere zegt: kom op uw dwaze keuze terug. Almachtige genade mocht u tegen uzelf leren kiezen, want een andere weg om Jezus als tot een oordeel in de wereld gekomen, te leren kennen is er niet. Alleen in de weg van waarachtige bekering, afgesneden van eigen levenswortel, kunnen wij ervaren de vergeving der zonden door Zijn bloed en het recht ten leven door Zijn gerechtigheid. 

Hij zette de boetebazuin aan de mond en riep op tot waarachtige bekering. Hij preekte Jezus als het zaad der vrouw dat vijandschap zet. Wiens wan in zijn hand is en Hij zal zijn dorsvloer doorzuiveren en de tarwe in zijn schuur verzamelen, maar het kaf met onuitblusselijk vuur verbranden. Johannes moest ook getuigen, als ze tot hem kwamen om gedoopt te worden, maar zonder waarachtige bekering en zonder honger en dorst naar verzoening: Gij adderengebroedsel, wie heeft u te kennen gegeven de helse verdoemenis te ontvlieden? Alleen ware schuldbekentenis leidt tot schuldvergiffenis.

Ds. I. Kievit, Hervormd predikant in Garderen, Benschop, Lunteren en Baarn