Jezus wenende

Ds. G. Salomons

"En als Hij nabij kwam en de stad zag, weende Hij over haar, zeggende: Och, of gij ook bekende, ook nog in deze uw dag, hetgeen tot uw vrede dient. Maar nu is het verborgen voor uw ogen." Lucas 19:41,42

In zijn lijdensprofetie heeft Jesaja ons de Heiland voor ogen gesteld als een Man van smarten en verzocht in krankheden. Ais een Man van smarten - zo is Hij gezien, toen Hij op Golgotha aan het vloekhout hing, beladen met de zonde der wereld. Als een Man van smarten - zo hebben de drie vertrouwelingen Hem zien kruipen als een worm in het stof van Gethsemané. Maar als Man van smarten is Hij ook gezien, toen Hij op Palmzondag over de groene heuvels, omstuwd door een jubelende schare naar Jeruzalem trok. Onderwijl de schare Jezus met luide hosanna's begroet, komt er een deputatie uit de farizeeën van Jeruzalem met het ernstig verzoek: "Meester, bestraf uwe discipelen!" Hun verbeten woede kan het niet aanhoren, dat Jezus zoveel hulde ontvangt, maar zij doen het voorkomen, alsof ze het voor Jezus' veiligheid opnemen. Ze willen zeggen: "als de discipelen u, in de schaduw van de Romeinse burcht in onze stad, zo luid als koning uitroepen, wordt de achterdocht van de vreemde overheerser gaande en zou de Romein u wel eens als oproerling tegen zijn gezag kunnen beschouwen en dan zijn voor u en de uwen, ja voor ons allen de gevolgen niet te overzien." Jezus onderkent hun geveinsdheid en ziet in de waarschuwing van de farizeeën  een voorteken van wat niet de Romein, maar de Jood te Jeruzalem Hem doen zal. En als Hij nabij de stad kwam en de stad zag, weende Hij over haar. Jezus heeft wel meer geweend tijdens zijn omwandeling op aarde. Als Hij bij Lazarus' graf staat, weent Hij ook. Toen, bij dat graf van zijn vriend, waren het stille tranen, die de ene na de andere, langs de bleke wangen lekten. Maar nu breekt Jezus in heftig snikken los, zoals de grondtaal ons zegt. Geweldig is Jezus' smart. Zoals men weent bij het sterfbed van een dierbaar pand. Een smart, waarbij het hart dreigt te breken van droefheid. Hij weende over haar! Over zijn eigen leed heeft Jezus niet geweend, naar wij weten.


Hij is geslagen, bespot, gegeseld, gekruisigd, maar geen tranen sprongen uit zijn ogen. Als wenende vrouwen Hem nalopen naar Golgotha heen, wijst Hij haar tranenvloed zelfs af met het: "weent niet over Mij, maar over uzelf." Maar over Jeruzalem heeft Hij geweend.


Hij heeft niet geweend, toen Galilea Hem verwierp. Hij heeft niet geweend, toen Chorazim Hem verwierp. Maar, toen Hij Jeruzalem zag, toen weende Hij. Waarom wel over Jeruzalem? Jeruzalem is de koningsstad. Daar heeft Davids troon gestaan. Daar staat de Tempel, daar klopt het hart van het alleszins godsdienstige volk. En nu komt daar Davids Zoon en Heere, de wettige Koning en ware Tempel der Godsgemeenschap, maar Jeruzalem wil Hem niet, begeert Hem niet. Hoe vaak heeft Hij haar kinderen willen bijeen vergaderen onder de schaduwen zijner vleugelen, gelijk een hen haar kuikens, maar ze weigerde tot Hem de toevlucht te nemen. Verworpen, verstoten, straks smadelijk ten kruisdood verwezen, dat ziet Jezus Jeruzalem met Hem doen. Nog is het verborgen voor haar ogen. Alles jubelt, alles zingt - één slechts weent, de Koning zelf. Een jubelend volk en een wenende Koning!

Mijn lezer, wat denkt u, als Jezus ook vandaag tot het kerkelijk [en godsdienstig] Jeruzalem komt, wat doet Hij dan? Ontdekt Jezus' oog in dat Jeruzalem van onze dagen soms ook een brede schare, die misschien wel met de ware aanbidders en volgelingen meezingen: "hosanna, den zone Davids!", maar wier hart toch nog even vijandig is als dat van de farizeeën? Die wel luid hun lied aanheffen in kerk en huis, omdat ook de anderen het doen, omdat 't nu eenmaal zo behoort? Schijn, maar geen wezen? En dan weent Jezus. Niet over vloekers, niet over spotters. Maar over belijders, maar die slechts mondchristenen zijn.

Mijn lezer, zou 't ook kunnen, dat Jezus ook over u weent? Dat Jezus' wenen over u, u ook eens aan het wenen mocht brengen. Aan het wenen over uw vervreemding van God? Zie, dan komt er zeker een glimlach op zijn gelaat. En als uw wenend oog dan opblikt naar het aangezicht van de Heiland, krijgt u hoop op ontferming en terwijl de tranen nog in uw ogen staan, zingt het reeds in uw hart: "Gods vriendelijk aangezicht heeft vrolijkheid en licht, voor alle oprechte harten!" Trouwens, Jezus doet meer dan wenen. Hij bidt ook! Hij breidt nog zijn armen naar Jeruzalem uit als Hij zegt: "Och, of gij bekende ook in dezen uwen dag, wat tot uw vrede is dienende." Jeruzalem, het Salem van weleer is de stad van vrede. Maar haar heerlijke naam is een bespotting. De vrede is niet in Jeruzalem, trots haar tempel en altaren. Wat tot vrede dient - het is niet het pijnlijk-stipt nakomen van allerlei menselijke inzetting, maar wat tot vrede dient - het is van Christus, het Lam Gods begeren, dat zijn bloed de schuld bedekke, dat Zijn Geest het leven wékke. O, ja, dan gaat de valse vrede er aan; dan is er geen vrede meer met de wereld en met de zonde en allerminst met uzelf. Maar in die heilige onvrede daalt de heilige vrede van Christus neer, als Hij u door het geloof vrede met God schenkt. Reeds vaak heeft Jezus op de vroegere feesten Jeruzalem op die vrede gewezen. Nu is het de laatste maal - straks sterft Hij. Nu is het de elfde ure - straks wordt Jeruzalem verwoest. Maar ook nog in de elfde ure staat Jezus daar biddend: "och, of gij bekende!" Ook terwijl gij dit leest staat Jezus aan de gesloten poort van het zondaarshart. Misschien is het ook voor u de laatste maal, evenals voor Jeruzalem. Is het dan ook voor uwe ogen verborgen? Wat is verborgen voor Jeruzalems ogen? Wat is misschien ook voor uw ogen verborgen? Dat Jezus tot Jeruzalem komt als Vredekoning. Hoe komt het, dat dit voor Jeruzalems ogen verborgen is? Is het niet, omdat het blind is? Blind voor de vrede? Ja, maar ook blind voor de onvrede des harten? Jeruzalem waant  vrede te hebben. Wat zal het dan met de Vredevorst doen?


Is het zo ook nog bij u, mijn lezer? U komt niet met uw zonden tot Christus, omdat u uw zonden niet ziet. U bidt niet "ziende te mogen worden", omdat u niet weet, niet gelooft, dat u blind bent. Het is verborgen voor uw ogen.


Zeker, de in waarheid onderwezen mens kan dit alles z.g. verstandelijk toestemmen, maar het is geen realiteit voor het oog van zijn ziel geworden. Wie is van die blindheid de schuld? Als het Jeruzalems schuld niet was, zou Jezus er niet zo om geweend hebben. Jeruzalem heeft niet gewild, maar u, hebt u wel gewild? Dat uw schuldige blindheid u eens ter harte mocht gaan. Dat u toch niet langer van uw onwil uw onmacht kon maken. Werkelijk, die dit verstaat, kent de bede: "Heere, dat ik toch ziende mag worden!" En die zo smeken, zien! Juist hun levendig klagen is een bewijs, dat Jezus bezig is het bewindsel des aangezichts weg te nemen. Zij zien Jezus wenen, ook als Borg en Middelaar. Zij zien in Jezus' tranen schuldbetalende tranen.

In sommige handschriften is dit stuk weggelaten. De afschrijvers vonden het blijkbaar niet passend voor de Heiland, te vermelden, dat Hij geweend heeft. Maar ik ben blij, dat ook zo Zijn beeld ons aan de ingang van de lijdensweg wordt getekend. In zijn priesterlijke ontferming is Hij immers de schoonste onder de mensenkinderen? Zo wenend doet Hij immers verzoening en over ons niet kunnen wenen, waar wij wenen moesten en over ons wenen, waar wij niet wenen mochten. Zijn tranen reinigen ook onze tranen. Ik weet wel, het gaat niet zonder tranen, maar zelfs de tranen opgeweld uit een verbroken hart, zijn dadelijk reeds ais ze in het oog komen, bezoedeld met het stof der zonde Jezus neemt door zijn borgtochtelijk wenen bij ons de bezoedeling er uit en stelt onze tranen (n.l. de ware tranen) aan de Vader voor als een bron uit de bewaterden hof des harten. Daarom vallen onze tranen (tenminste zulke tranen) niet naast, maar in Gods fles.

En als Jezus de stad zag, weende Hij over haar! Nee, nu wordt het anders. Door zijn wenen, door zijn liefde - anders! En als Jezus zijn stad zag, verblijdde Hij zich over haar! Als de stad zich in haar- blindheid verblijdt, weent Jezus. Als de stad, omdat zij ziet, weent, verblijdt zich Jezus! Totdat.... ja, en de stad en Jezus zich verblijden! Welnu, mijn lezer, mocht in deze lijdensweken de wenende en lijdende Heiland aan uw zielsogen voorbijgaan. Dan is er koninklijke intocht bij een van de burgers van Jeruzalem. Dat immers is de vervulling van de profetie: Zegt der dochter Sions: "Zie uw Koning komt tot u."

Ds. G. Salomons

In leven Christelijk-Gereformeerd predikant in Bussum, Amersfoort, 's-Gravenzande, Amsterdam - West, Bussum, Hoofddorp  en Delft (hulppredikant).