Jezus gezalfd door Maria

Ds. J. Wisse Czn.

"Maria dan genomen hebbende een pond zalf van onvervalste zeer kostelijke nardus, heeft de voeten van Jezus gezalfd en met haar haren Zijn voeten afgedroogd, en het huis werd vervuld van de reuk der zalf." Johannes 12: 3.

Bethanië, het gehucht nabij Jeruzalem gelegen, wordt door een andere evangelist genoemd als de plaats waar Maria haar liefdewerk heeft verricht. Zelfs het huis van Simon de melaatse wordt genoemd, ter nadere aanwijzing, waar deze zo treffende en betekenisvolle gebeurtenis heelt plaats gehad. Op Zijn laatste reis naar Jeruzalem verblijft de Heere dan te Bethanië, de plaats waar het bekende drietal, Maria, Martha en Lazarus, woonde, en waar de Heere meermalen een liefelijke rustplaats had gevonden. 't Is een bijzonder gezelschap dat hier in het huis van genoemde Simon aan tafel is verenigd. Jezus bevindt zich hier met Zijn twaalf discipelen. Simon, bijgenaamd de melaatse, is de man die door Jezus van zijn melaatsheid genezen was. Ook Lazarus, die de Heere uit de dood had opgewekt, werd onder de aanzittende gasten geteld. In dit tweetal werd op zichtbare wijze gepredikt de liefde en de almacht van de Heere.

Terwijl deze allen daar aan tafel zich bevinden, volbrengt Maria de taak waartoe de liefde haar drong: zij zalfde Jezus, door haar kostelijke en onvervalste nardus uit te gieten op Zijn hoofd. Daartoe brak zij de hals van de albasten fles, zodat de nardus van Jezus' hoofd op Zijn voeten afdroop. Daaruit wordt verklaard, dat de ene evangelist melding maakt van het hoofd en een ander van de voeten des Heeren, welke door Maria zijn gezalfd.


Wat die gezegende discipelin des Heeren hier deed, was een daad van grote betekenis, én in betrekking tot haar eigen persoon én in betrekking tot al de aanzittende gasten, bijzonder in betrekking tot de Heere Jezus, en ten laatste ook in betrekking tot de gemeente des Heeren van alle volgende eeuwen.


Maria, waarschijnlijk Maria van Bethanië, de zuster van Martha en Lazarus, was de vrouw die hier dat liefdewerk in betrekking tot de Heiland verrichtte. Het offer dat haar liefde hier bracht was inderdaad niet gering. De geschiedenis leert ons, van welk een hoge waarde deze nardus was. Wie weet hoe lang en hoe zorgvuldig deze kleine schat was bewaard. Wie zal zeggen daarenboven of er niet menig ogenblik in het leven van Maria was voorbijgegaan, waarin zij deze nardus goed van de hand had kunnen doen en de opbrengst ten eigen bate had kunnen aanwenden. Dat zij nu bij deze gelegenheid niet spaarzamelijk te werk gaat, maar geheel deze schat aan Jezus ten offer geeft, bewijst klaar als de dag, welk een innige liefde tot de Heere haar hart vervulde.

Waar de liefde, de ware, zuivere liefde handelend optreedt, zien we hier van hoedanige aard zij is. Dan valt er weinig te rekenen, weinig te overleggen of te raadplegen, de liefde spreekt dan door daden. Liefde duldt geen beknibbeling, liefde laat niet afdingen. Liefde is niet traag. Liefde tot de Heere Jezus is werkzaam in haar aard, kenbaar aan haar vrucht, er gaat kracht van haar uit. Die liefde overwint alle bezwaren, luistert naar geen dwaze redeneringen, stoort zich niet aan anderen; liefde zoekt zichzelf niet. Die liefde eert Christus als de Gezalfde Gods. In Hem erkent zij, als de liefde des geloofs, de Eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid.

Maria! Welk een enig ogenblik in uw leven, waar u op zulk een wijze, met het legen van de nardusfles, uw gehele hart uitstort voor Hem dien u boven alles liefhebt! Ja, boven alles heeft Maria Jezus lief. Op geheel enige wijze heeft zij het onderwijs van de Heere ter harte genomen. En wat zij weldra niet meer zal kunnen doen, daar kiest zij nu de juiste gelegenheid voor uit, om Jezus te zalven.

Dieper dan men oppervlakkig gezien zou vermoeden, ziet haar geloofsblik. Verder dan het zich uitwendig laat aanzien, strekt de betekenis van haar daad. Hoe mensen daar ook over oordelen, de Heere kent haar hart, en Hij weet wat haar bewoog tot deze zo geheimvolle handeling. Als het Woord Gods weldra zal vervuld worden, als Jezus door de handen der zondaren gevangen, gebonden en gedood zal worden, dan zal Maria reeds bij voorbaat hebben gedaan, wat zij graag aan de geliefde dode zou doen, maar daartoe niet in de gelegenheid zal zijn. Veel meer dan louter een vriendschapsdaad kenmerkt zich deze handeling van Maria, die onder de invloed van de Heilige Geest een daad verricht, ons als een daad van een profetisch karakter getekend.

Wat Maria deed was een daad van grote betekenis, ook in betrekking tot de met Jezus aanzittende gasten. Immers zulk een daad moet onwillekeurig aanleiding geven tot instemming of tot afkeuring. Er zijn dingen in het leven waarbij liet uiterst moeilijk, zelfs beslist onmogelijk is, neutraal of onzijdig te blijven. Ondanks zichzelf openbaart de mens wat in zijn binnenste omgaat. Zo is het onder meer ook met het Woord Gods. Waar dat Woord komt, keert het nooit ledig terug. Men wordt door het Woord voor het Woord gewonnen, of de mens openbaart zijn vijandschap tegen God en keert zich van dat Woord af.

En wat gebeurt er nu ten huize van Simon de melaatse? Wat mensen niet konden vermoeden, moet, naar aanleiding van wat Maria deed, openbaar worden: er is één mens in dat uitgelezen gezelschap, die ons herinnert aan de bekende spreuk: dat één dode vlieg de zalf des apothekers doet bederven. Door hetgeen Maria doet wordt Judas geërgerd. Schijnbaar met de beste bedoeling wordt door hem een opmerking gemaakt, waardoor feitelijk de daad van Maria wordt veroordeeld, het gehele gezelschap ontsticht, en een allerongelukkigste verhouding tot de Heere Jezus in die Judas Iskarioth openbaar wordt. "Waarom is deze zalf niet verkocht voor driehonderd penningen en den armen gegeven?" Hoe lief en hoe vroom klinkt dit van de lippen van een man, die naar het scheen zo bezorgd was voor de armen, en daarin toch immers een bewijs gaf van zijn welmenendheid en goede zin! Maar neen, wat Judas openbaart als zodanig is slechts schijn. 't Is minder om de armen dan wel om zichzelf goed te doen, zoals de geschiedenis leert dat Judas een dief was, de beurs had, dus als penningmeester fungeerde en zich nu van een kostelijke gelegenheid beroofd zag om zichzelf te verrijken.

Wat Judas sprak, vond aanvankelijk instemming ook bij andere discipelen. Mattheus spreekt in het meervoud en zegt, dat Zijn discipelen dat kwalijk namen. Men vermoedde niet dat hier een adder onder het gras zat. Men dacht er zo spoedig niet over na, dat men immers aan Jezus niet te veel kan geven. Ach welk een bittere smart moeten de woorden van Judas Maria hebben veroorzaakt. Zij wordt als met dolksteken in haar teder beminnend en liefdevol hart gewond. Gelukkig voor deze diepbedroefde discipelin des Heeren, dat er Eén hier tegenwoordig, is, die de bedoelingen van Judas, maar ook de beweegredenen van Maria kent en doorgrondt. Met het 'laat af van haar' neemt Jezus Maria in bescherming. Judas wordt afgewezen, de anderen terechtgewezen en Maria's daad wordt onvoorwaardelijk door de Heere goedgekeurd en geprezen.

Wat hierbij in aller hart is omgegaan, is niet te beschrijven. De gedachte ligt zo voor de hand, en wordt zo zeer door de historie bewezen, dat Judas van nu af gelegenheid zoekt om zich op zijn Meester te wreken, dat de andere discipelen meer of min beschaamd en verlegen het onderwijs des Heeren ter harte namen, en dat in het hart van Maria de woorden des Heeren als balsem dienden om haar smart weg te nemen en haar blijdschap en vreugde te doen smaken, door het geloof in Hem dien zij zo innig en zo hartelijk lief had.

Jezus door Maria gezalfd. Dat liefdewerk aan de Heiland verricht was voor Jezus zelf van zo grote betekenis, gelijk dit blijkt uit hetgeen de Heere zelf hieromtrent getuigt: "Zij heeft dit gedaan tot een voorbereiding van Mijn begrafenis." Hij die van eeuwigheid van God de Vader was gezalfd tot Profeet, Priester en Koning, en die gedurende Zijn openbaar optreden onder het volk bewezen had te zijn de van ouds beloofde Messias, op Wien de Geest des Heeren rustte, de Gezondene des Vaders tot dat heerlijk einde als reeds door een Jesaja aan zijn tijdgenoten was bekendgemaakt. Hij van wien de dichter-profeet had gezongen: "Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen, genade is op Uw lippen uitgestort." Hij die daar henengaat als de Zoon des mensen, aan Wien volbracht zal worden al wat van Hem geschreven is. Hij wordt door Maria gezalfd en daarmede ten dode gewijd. Welk een geloof waardoor die Maria handelend optreedt. Welk een erkentenis in betrekking tot Hem Wiens onderwijs ook door Maria is genoten, bij wie dit tot zulk een heerlijke vrucht was gerijpt.


Niets kon aangenamer zijn voor de Heere Jezus, dan de aanschouwing van zulk een geloofsdaad, welke tevens zulk een veelbetekenende prediking ook voor anderen was. Niet de waarde van die kostelijke nardus, maar de erkenning van haar Heere en Zaligmaker welke zich daar zo duidelijk in uitsprak, was de Heere welgevallig. Daartoe was Gods Zoon in de wereld gekomen, om te zoeken en zalig te maken wat verloren was. Als geheel Jeruzalem bij Jezus' intocht in uitbundig gejuich haar Hosanna's aanheft, zien we Jezus wenen over de helaas zo verblinde stad. En hier, waar het scheen dat een vrouw zich aan verkwisting schuldig maakte, horen we Maria door Jezus prijzen, want zij heeft gedaan hetgeen zij kon.


Daarom zei de Heere: "Wat doet gij deze vrouw moeite aan, want zij heeft een goed werk aan Mij gedaan. De armen hebt gij altijd met u, en wanneer gij wilt, kunt gij hun weldoen, maar Mij hebt gij niet altijd." En wat kan groter eer voor Maria zijn, dan hetgeen de Heere ten laatste omtrent haar getuigt in deze woorden: "Voorwaar zegt Ik u; alwaar dit evangelie gepredikt zal worden in de gehele wereld, daar zal ook tot hare gedachtenis gesproken worden van hetgeen zij gedaan heeft."

Hieruit blijkt dat de daad van Maria van grote betekenis is en blijft, ook in betrekking tot de gemeente Gods van alle volgende eeuwen. Van de gemeente gaat de prediking van het Evangelie uit. Zij is de pilaar en vastigheid der waarheid, draagster en bewaarster der goddelijke waarheid, geroepen door middel van dienaren om het evangelie te prediken aan alle creaturen. En als dan overal waar dat evangelie wordt gepredikt, naar Gods Woord, ook in gedachtenis zal gebracht worden wat Maria eenmaal deed ten huize van Simon de melaatse, dan behoeft het geen nader bewijs, dat de Heere zulks goed en nuttig heeft geoordeeld. Een uitgebreid veld ligt hier dan ook voor ons open tot lering en onderwijs. Om slechts iets te noemen, besluiten we onze korte overdenking met dit weinige, dat de opmerkzame en aandachtige lezer allicht stof zal bieden tot uitbreiding.

Allereerst wijzen we dan op het bijzonder Godsbestuur, waardoor tijd, plaats, personen, gelegenheid, alles saam moet werken tot uitvoering van Gods aanbiddelijke raad. Zo lang bleef Judas als een geveinsde, als een huichelaar gespaard en verschoond. Van nu af zal het blijken, dat zijn hart niet recht was voor God, dat zijn liefde tot de Meester schijn en geen werkelijkheid was. Zo wordt op Gods tijd het onkruid en het kaf onder de tarwe kenbaar.

Dan, voor Maria bleek niets te veel, te duur of te moeilijk als het de persoon van de Verlosser gold. Dit tekent zo duidelijk de ware liefde in onderscheiding van al dat halfslachtige, waar de wereld zo vol van is. Maria gaf wat zij had, en 't voornaamste daarbij was: zij gaf haar hart aan de Heere. Al gaaft u al uw schatten, en u gaaft uw hart niet, dan zou het allervoornaamste daarbij ontbreken.

Het gehele huis, zo lezen we, werd vervuld met de reuk der zalf, en evenzo kan één enkele geloofsdaad meer vrucht, meer aangenaamheid en blijdschap onder al het volk van God te weeg brengen, dan o zoveel andere dingen, waar de wereld voor een ogenblik de loftrompet wel over doet horen, maar die spoedig vergeten zijn.

Niet begrepen te worden is een smart waar duizenden over hebben moeten klagen. Wat daaruit kan voortkomen, is niet te zeggen. Hier scheen het ook, dat niemand begreep wat Maria met haar liefdewerk bedoelde. Gelukkig dan voor de oprechten, als zij door mensen, soms zelfs door de vromen, verkeerd worden beoordeeld, dat de Heere aller overleggingen en bedoelingen doorgrondt. Op Zijn tijd gaat voor de oprechten het licht op in de duisternis, en worden ook de boze openbaar.

En welk een dierbaar onderwijs geeft de Heiland ten slotte omtrent de armen. Er zullen armen zijn en blijven. Zo u wilt, zegt de Heere, kunt u de armen weldoen. Wie Jezus liefheeft, heeft ook de arme leden van Jezus' lichaam lief. De Heere heeft ze ons aanbevolen. Van die armen zal eenmaal blijken of u ze om Jezus' wil hebt liefgehad, hun koude ledematen hebt verwarmd, hun honger met brood hebt gestild, maar ook een woord van verkwikking en bemoediging voor die armen hadt. Dan zal de Heere zeggen: Wat gij aan hen hebt gedaan, dat hebt gij aan Mij gedaan, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal Ik u zetten, ga in in de vreugde uws Heeren!

Ds. J. Wisse Czn.

In leven Christelijk-Gereformeerd predikant in Dordrecht, Sliedrecht, 's-Gravenhage, en Zierikzee. Docent theologische School 's-Gravenhage.