Deel 4

Jacob Gerardus van Minnen 

Biografische schets

De zonde is geen stilstaand proces. In het persoonlijke leven niet, in het kerkelijke leven niet en in het volkeren leven niet. Paulus sprak al over de rijpwording van de zonde in II Thessalonicenzen2: 3  "Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want die komt niet (d.i. Christus op de wolken) , tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens der zonde, de zoon des verderfs." Dus de mens der zonde. De mens in wie de zonde volgroeit; die bij Gods Raad bekende mens met zijn volgelingen. De zonde wordt feller, brutaler, opener, gemener, schaamtelozer. Ja de zonde van vroeger was ook zonde. De zonde van nu is ook zonde, maar gradueel intenser. 

J.G. van Minnen

"Mijn moeder ging eens bij 'juffrouw Kok' op bezoek, die vertelde dat zij bij ds. Van Minnen op bezoek geweest was (of andersom, dat weet ik niet meer). Die hadden samen over de Schrift gesproken. Mevr. Kok had hem toen verteld, dat de brief aan de Hebreeën haar zo dierbaar was, omdat daarin zo veel over het priesterlijke werk van Christus wordt geschreven. Daarop had ds. Van Minnen haar gezegd, dat hij zo veel van het boek Deuteronomium hield. Ik herinner me, dat hij gezegd had: alles wat daarin staat, is zo echt uitgekomen."

Ds. K. Boersma 

Blijde en blijvende Betuwse herinneringen 

"...Stil ligt het kleine station daar in de Betuwe tussen Rijn en Waal. De naderende trein breekt even de stilte. De remmen knarsen. Slechts enkele reizigers stappen uit. Ze gaan de weg op, die naar 't centrum van het dorp voert.

Er is veel veranderd. Opbouw en uitbreiding na de oorlog. Er zijn er die beweren, dat de dorpelingen ook wel wat veranderd zijn, maar niet ten goede. Velen zijn geestelijk achteruit geboerd. En zegt men, dat komt door de evacuatie in gebieden, waar men veel van 't wereldse heeft overgenomen. Gelukkig zeggen de bewoners dit niet eenparig. Er zijn er die 't beter inzien. Die de geestelijke achteruitgang van binnen uit hebben geconstateerd; mede door de vermaterialisering na de oorlog. Deze geven niet enkel de wereld en de duivel de schuld. 

Inmiddels is één van de reizigers 't centrum van het dorp genaderd. Dan slaat hij rechtsaf een laantje in. Een rustig fraai naoorlogs kerkgebouw staat links van de ingang van het laantje. Aan het einde van het laantje rijst een zware dijk omhoog. Van 't laantje dat op de dijk uitloopt; op de weg aan de voet van de dijk, die weg rechts inslaande, staat een houten kerkje; vriendelijk en nodigend. 'De planken kerk' noemen ze het. (.. ) Maar een prediker met een hart van Goddelijk goud heeft in die kerk van hout, die wandelaar door Gods genade rijk zijn ziel verkwikt op de moe-makende pelgrimstocht. Aan de andere zijde tegen de dijk aan staat een dorpscafétje, waar holle muziek lokt en nodigt om het holle mensenhart te vervullen. - of nog lediger te maken!?

De wandelaar is intussen links van de weg afgeslagen naar een stevig huis, nog van voor de oorlog, omgeven door een tuin. In een prieel naast het huis zit een krasse grijsaard van ver in de tachtig. Naast hem in een invalide wagentje zijn zoon; stil en vriendelijk. Een hartelijke begroeting met een stevige handdruk volgt. Ze kennen elkander al jaren lang; die oude grijsaard en die ook zo jong niet meer zijnde predikant. Al van voor de oorlog kennen ze elkander; ook betreffende hun innerlijk geestelijke leven zijn ze geen vreemden voor elkander. 

Eenzaam was 't geworden voor die oude, die nog maar kort geleden zijn vrouw door de dood heeft moeten missen. Zij, met wie hij meer dan zestig jaren het huwelijkspad had betreden. Wat is het gemis van haar des te smartelijker voor hem - juist na zo lang lief en leed te hebben gedeeld. Over 't vreemdeling op aarde zijn gaat nu het gesprek. Over 't almeer z'n vreemdelingschap beleven. En over 't verre verleden. Zeker, dat de mensen van toen óók zondaren waren. Maar dat er verschil is, diep verschil ten opzichte van de openbaring der zonde in de mensen van nu. Nee, het verschil ligt niet in het: toen waren de mensen geen zondaren en nu zitten ze vol met zonden.

Neen 't gesprek loopt daarover, dat de zonde meer en meer rijp wordt. Dat we al meer toegroeien naar 'de mens der zonde.' 'De mens der zonde', de antichrist met zijn steeds groter wordende aanhang en in hem steeds meer 't volgroeien der zonde, als teken van de eindtijd, waarin we leven.

En, vervolgden wij het gesprek, 't meest beangstigende is de ingezonkenheid van zovele kinderen Gods en ook van de knechten des Heeren. Het angstige, dat vele wijze maagden met de dwaze maagden in slaap gevallen zijn. Dat er zo weinig opmerken is over de ingezonkenheid van de Kerk des Heeren. En dat bij de dienaren des Heeren 't herderschap zo weinig resulteert en alleen soms 't leraarschap op de kansel functioneert - maar hoe soms!

Dan leeft 't op bij deze nog heldere grijsaard, als hij vertelt van die predikant, van jaren her. Hoe deze een beroep naar de gemeente aanvaarde in de wetenschap door de Heere daartoe overgebogen - al werd zijn pastorie voorlopig een kamer, keuken, slaapkamer en zoldertje en niets beloofd kon worden van een paleis-pastorie. Hoe aantrekkelijk, toen hij vertelde hoe deze herder voor zijn intrede in de gemeente eens kwam preken. Toen die kleermaker aanbood de dominee een pak aan te meten, gezien dat wat hij droeg, meer groen getint was, dan zwart. Hoe kinderlijk 't getuigenis van deze herder bij 't aanvaarden en dragen van dat nieuwe kostuum, toen hij zeide: "Als ik er nu maar niet trots op word." Hoe stemde deze broeder het toe, dat als in doorsnee de prediking meer was naar 's Heeren Woord en bevel en de tucht meer gehandhaafd werd - er zulke grote gemeenten niet zouden zijn. En dat dan de herderlijke kant van 't predikant zijn meer mogelijk zou zijn en tot z'n recht komen. Daarbij sloot het gesprek aan over 't groot te kort aan predikanten. De belofte Gods is waar: "Uwe ogen zullen uw leraars zien." Maar hoe zit 't dan met het gebed ten opzichte van deze belofte. De Heere wil er door de huize Jacobs om gebeden zijn. Wat is de oorzaak van 't stagneren van het gebed voor deze zaak? Is 't om God te doen uit de nood der ziel? Of alleen maar een koning, zoals Israël er één begeerde buiten de nood der ziel en buiten God om? En ze kregen Saul! Uit Gods linkerhand! ..

De tijd was omgevlogen. Inmiddels hadden wij koffie gedronken, gepresenteerd door de vriendelijke schoondochter van de grijsaard. We gingen het huis binnen van de zoon en schoondochter met hun kinderen, bij wie onze oude broeder inwoont en liefderijk verzorgd wordt. Toen het nooit te vergeten ogenblik, dat wij daar met die grijsaard, zijn kinderen en kleinkinderen en nog enkele aanwezigen voor Gods aangezicht mochten naderen in de weg des gebeds. Hoe opende Die grote Voorbidder de hemel. Hoe mochten wij onze harten tot Hem opheffen, "Die in de hemel zit." Met al onze noden; met al onze ledigheid; met al, onze volheid door Hem; met al onze verlangens om heel dicht bij de Heere te leven. Welk een wonder van het nederdalen des Heeren in het hart, om het opwaarts te verheffen tot de eeuwige, volle Levensfontein. 

Wat was de terugweg vol van licht! 't Licht van de Zonne der gerechtigheid. O Heere, hoe rijk en licht is bij alle te kort en donkerheid, 't nog op een dorp, waar er gevonden worden, die u vrezen; die wandelen in uw wegen. Ook nog onder de jonge mensen, die er amper over durven spreken. Bij dochters, die in kleding, haardracht en eenvoud en in enkel eenvoudige woorden doen vermoeden, dat de Heere ook nog in jonge mensen met Zijn Woord en Geest werkt. Hoe goed was het bij die oude grijsaard; óók in het eenvoudige huisje aan de Rijnbanse dijk; in enkele woningen aan de Dalwagense weg en in die woningen bijna buiten 't dorp bij de spoorlijn naar Kesteren. Daar waar ook banden liggen met die broeder en zijn gezin. Rijk waren die enkele dagen in dit Betuwse dorp, waar wij nog enkele maanden onderwijs hebben mogen geven op de Christelijke school aldaar. Dat was vakantie onder Gods gunst!" 

J.G. van Minnen