Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop

Openbaringen 3: 20

De volgende geschiedenis, is het gevolg van een bezoek, wat de prediker uit de Schotse Hooglanden: ds. Lachlan Mackenzie eenmaal bracht aan de stad Aberdeen. De predikant van de Schotse Hooglanden was gevraagd, om toch eens te komen preken in Aberdeen. Hij kwam en preekte in de oude St. Nicolaaskerk. Tijdens de avonddienst was de kerk tot de laatste plaats toe bezet. Een ieder was zeer verlangend, om de bekende prediker, die zoveel vrucht op zijn werk gezien had, op de Schotse eilanden, te horen. Het was zelfs zo, dat men van een "nieuwe uitstorting van de Heilige Geest" sprak.

Maar toen Ds. Mackenzie de preek­stoel beklom, konden velen hun la­chen niet bedwingen en anderen wa­ren geërgerd en teleurgesteld. De verschijning van Ds. Mackenzie was dan ook zo geheel verschillend van de predikanten, die anders de preekstoel van de parochie­kerk van St. Nicolaas bestegen. Vanwege de armoede, die er in de Hooglanden heersten, had ds. Mackenzie een preekjas aan, die hij zelf thuis geweven had. Verder was zijn haar lang en onverzorgd. Zijn verschijning was meer de ver­schijning van een schaapherder uit de Schotse Hooglanden, dan die van een predikant. Maar als hij zijn tekst nam van Openbaringen 3:20: ''Zie Ik sta aan de deur en Ik klop", en zijn hoor­ders met grote ernst en gaven schilderde, hoe vreselijk het zal zijn, om hier de Zone Gods buiten te laten staan en eenmaal zelf op een gesloten deur te kloppen, om dan te horen: "Gaat weg van Mij, Ik heb u nooit gekend", toen ver­dween de glimlach van de gezich­ten. Velen waren tot tranen toe geroerd toen zij naast de aandrang van de Zone Gods, om het zondaarshart in te nemen, ook hoorden, van de schrikkelijkheid van die dag, waarop allen, die nu hun hart voor Hem sloten, eenmaal voor eeuwig, buiten zullen staan.


Met zijn bijzondere gaven en de kracht van de Heilige Geest, tekende ds. Mackenzie het vreselijke buiten­staan van de zondaar, op die grote dag van het oordeel. Hij wees erop, dat de zondaar nu niet zag en be­sefte, Wie hij buiten zijn hart en leven sloot, maar het op de dag des oordeels zien zou, dat hij de Heere der Heerlijkheid had buiten­gesloten.


In verband daarmede, waarschuwde hij de hoorders, niet te oordelen naar de uiterlijke verschijning, zoals zij ook hem naar zijn uiter­lijk geoordeeld hadden en vertelde hen een verhaal, van een jonge Schotse prinses. Op een dag, waarop de prinses 21 jaar werd, zei haar vader, die al weduwnaar was: Mijn dochter, ik heb alle edele jonge mannen voor een week van een feestelijke aan­gelegenheid uitgenodigd, en ik wil dat jij in die week, je hand aan één van hen, ten huwelijk geven zal. Terwijl de jonge prinses zich aan het kleden was voor de eerste dag van het feest en met haar dienstboden in haar kleedkamer was, werd een luid kloppen op de achter deur van de hoftuin gehoord.

Toen één van de dienstknechten ging kijken, wie daar toch zo'n lawaai maakte, vond hij een bedelaar met krukken aan de deur, die ernstig en dringend verzocht om de prinses te spreken. De bedelaar zei, dat hij niet eerder weg zou gaan, voor dat hij de prinses gesproken had. Maar de dienaar wierp de deur voor zijn neus dicht. Hierop nam de bedelaar zijn kruk­ken en sloeg er zo hard mee op de deur, dat de prinses het in haar kleedkamer hoorde en vroeg wat er toch gaande was. Hierop hoorde zij, dat een arme kreupele bedelaar haar wilde spre­ken. "Zeer goed", antwoordde zij, "ik kom, zeg hem even te wachten". Toen de prinses naar de deur ging gevolgd door een stoet dienstknechten en dienstmaagden, zag zij de bedelaar en vroeg hem vriendelijk wat hij wilde.

De bedelaar boog zich en nam haar hand zeggende: "Ik ben heden gekomen, om u ten huwe­lijk te vragen". De prinses keek hem een ogenblik diep in de ogen en zei: "Zeer goed, hier is mijn hand". Toen zei de bedelaar: "En wanneer zal ons huwelijk gesloten worden?" Hierop antwoordde de prin­ses: "Vandaag over een jaar". Daarna verdween de bedelaar en ie­der amuseerde zich met wat de prinses gezegd had. Maar gedurende de week van de fees­telijkheden veranderde dit, want de prinses, hoewel menigmaal ten huwelijk gevraagd, wees alle aan­zoeken af, met de woorden: "Ik heb mijn hand en hart al aan iemand gegeven".

Tenslotte kwam haar vader dit ter ore en vernam, dat zij haar hand aan een kreupele bedelaar had gegeven. Op een vraag, of dit alzo was, antwoordde zij heel beslist, dat dit zo was en dat zij niet meer wilde veranderen. Gedurende het hele jaar, smeekte haar vader, de gedachte uit haar hoofd te zetten, dat zij met haar woord aan de bedelaar gegeven, ge­bonden was, maar alles was tevergeefs. Haar antwoord was: "Ik heb hem mijn hand en hart gegeven en het zal alles in orde komen".

Het jaar ging voorbij. Er werden geen voorbereidingen voor een brui­loft getroffen, want de kasteel­heer had besloten, dat zijn dochter nooit de bedelaar huwen zou. Op een dag, precies een jaar na het wonderlijke gebeuren, zei de kasteelheer tot zijn dochter: "Je ziet mijn kind, er is niemand geko­men. Maak mij gelukkig en vergeet je vreemde gelofte". Zij antwoordde hem echter: "Vader, hij zal komen!" En niet lang daarna, werd een gro­te stoet gezien, die de laan naar het kasteel opkwam. Het was een schare ridders, op schitterende paarden, omringd door voetvolk en muzikanten. Voorop reed een koninklijk figuur. Toen de stoet de trappen van het kasteel bereikt had, sprong deze van zijn paard, en nam de prinses in zijn armen. En de omstanders riepen verbaasd: "Het is de zoon van de koning!!".


Ja, het was de kroonprins. Hij had zich twaalf maanden geleden als bedelaar verkleed en om de hand van de prinses gevraagd. Niemand had hem herkend, behalve de prinses. Ondanks zijn krukken en lompen, had zij in hem, de zoon van de koning her­kend, en hem haar jawoord gegeven.


Ds. Mackenzie herhaalde toen zijn tekst: Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Hij vervolgde: geliefde hoorders. Wie staat vanavond aan de deur van uw hart en klopt om binnen gelaten te worden? 'Een bedelaar' zegt gij. Een van Wie staat geschreven: "De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd nederlegge". Ja, Die is het, die aan uw hart klopt. Een versmade en verachte Christus zoekt toegang in uw hart en leven. Geef Hem uw hand en hart en gij zult leven, ja Hij zal u tot een koningin maken, want Hij is de Koning der koningen en de HEERE der heren. Maar wat zal de schrik groot zijn van hen, die hier dachten niemand afgewezen te hebben dan een arme bedelaar en straks zullen ontdekken, de Zone Gods verworpen te hebben!

O, dat wij toch beseffen Wie staat en klopt aan de deur van ons hart, want eenmaal zal de Christus, Die nu als gekruisigde klopt en niet meer beloven kan dan: 'In de wereld zult gij verdrukking hebben', wederkomen en zich openbaren als de Koning der Koningen en de Heere der heren.

EEN SCHOTSE SAGE ALS VERDUIDELIJKING VOOR HET KOMEN TOT CHRISTUS

DR. P. DE VRIES

De achttiende-eeuwse Schotse predikant Lachlan Mackenzie (1754-1819) gebruikte in zijn preek een Schotse sage om duidelijk te maken hoe een zondig mens ertoe komt om op de Heere Jezus als de enige Zaligmaker te vertrouwen. Lachlan Mackenzie trok uit deze sage de volgende les: In een nederige gestalte is de Zoon van God als mens op aarde verschenen. Hij werd na zijn geboorte in een kribbe gelegd. Hij stierf aan het kruis, bespot en veracht door omstanders. Zijn opstanding en hemelvaart zijn onloo­chen­baar, toch geloofden velen het niet. De Zoon van God is nu in de Hemel en kunnen wij met onze menselijke ogen niet zien. Toen Hij op aarde leefde, was de Zoon van God niet met glorie en heerlijkheid bekleed. Alleen door het geloof zie je dat Jezus werkelijk de Zoon van God is.

De Bijbel: geen boek zoals andere boeken

In de Bijbel wordt ons verteld wie God is. God zond Zijn Zoon tot redding van zondaren naar deze wereld. De Bijbel is de stem van God waardoor God tot ons spreekt. Wij worden uitgenodigd om tot Jezus Christus als Redder de toevlucht te nemen. De uitnodiging om tot Christus te komen kunnen we vergelijken met een huwelijks­aanzoek. Christus vraagt om ons hele hart.

Voor het oog is de Bijbel een boek zoals  andere boeken. Het is een heel oud boek, maar er zijn meer oude boeken. Maar wanneer je gelooft, merk en voel je dat de Bijbel het Woord van God is. Waarom gaan mensen niet op het huwelijksaanzoek van Christus in? Een reden kan zijn dat zij niet geloven dat de Bijbel echt het Woord van God is. Of ze geloven niet dat God echt bestaat.

Toch is de Bijbel Gods stem en God bestaat werkelijk. Een blinde zou kunnen ontkennen dat de zon bestaat, omdat hij het licht van de zon niet kan zien. Toch bestaat de zon. Trouwens de schep­­ping zit zo mooi in elkaar, dat wijst erop dat er een Schepper en Maker is.

God vinden en in Jezus als zaligmaker geloven

Je kunt geloven dat God bestaat en dat de Bijbel waar is, maar toch niet echt in Hem geloven. Je wilt je eigen leven leiden. God mag niet allesbeheersend zijn. Wat maakt dat een mens toch op het huwelijksaanzoek van Christus ingaat? De Schotse dominee Lachlan Mackenzie zie hierover: 'Dat komt omdat je dwars door alles heen ziet dat de heerlijkheid van Christus, al is die nu nog verborgen, alle plezier en glitter van de wereld overtreft. Het echte christelijke geloof is een boodschap van genade en vergeving. Die vind je zo nergens in een andere godsdienst.'

Een christen heeft als ware in de ogen van de Zoon van God gezien. In het Nieuwe Testament (het tweede deel van de Bijbel) staat het zo: 'Die u niet gezien hebt, en toch liefhebt, in Wie u nu, hoewel u Hem niet ziet, maar wel gelooft, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde' (1 Petrus 1:8).

Bron: www.drpdevries.com