Uit de geschiedenis van kerkelijk Delft

Ontstaan van de christelijke kerk

Na de stichting van de christelijke kerk in Jeruzalem werden er ook in de omliggende gebieden (Klein-Azië) gemeenten gesticht. Dit gebeurde tijdens de zendingsreizen van de apostel Paulus die door de gemeente van Jeruzalem uitgezonden was. Paulus richtte zich in eerste instantie tot de joden maar helaas weigerden de meesten van hen de Heere Jezus als de beloofde Messias te erkennen. Paulus richtte zich hierna tot de heidenen. Ook hier stuitte de boodschap op weerstand en allerlei bezwaren. Toch waren er ook die wel geloofden en ontstond de eerste christelijke gemeente buiten Jeruzalem: Antiochië. Van hieruit verspreidde het evangelie zich over de gehele toenmalig bekende wereld. 

Hoewel de Romeinse samenleving de middenklasse genoeg 'brood en spelen' te bieden had bleef een onverzadigbare geestelijke leegte achter.[*] De afgodendienst was als een doorzichtige vorm van bedrog openbaar gekomen.[*] Filosofen zochten naar een verklaring achter de zichtbare werkelijkheid, maar kwamen er onderling ook niet uit. Het aantal wijsgerige stelsels bleef toenemen. Sommigen werden sceptisch: Wat is waarheid? De mensen zochten naar iets unieks. Dit bood het evangelie! Het evangelie dat spreekt van de zonde van de mens en van Gods recht, maar ook van genade en vergeving!

Later zou wel blijken dat lang niet allen het evangelie van harte omarmden. Er was sprake van misverstaan maar ook wel van moedwillige toevoeging van heidense elementen. De kern van het evangelie vonden sommigen te eenvoudig, of onderdelen daarvan niet geloofwaardig. Bijvoorbeeld de opstanding van Christus uit de dood[*] Ook externe bestrijding viel de christelijke kerk ten deel. Om niet te spreken van 'met bruut geweld' was het verkeerd voorstellen van het geloof of een onjuiste tegenstelling maken tussen geloof en wetenschap hierbij nogal eens het middel. Toch hebben deze bestrijdingen juist weer voor groei van de kerk en vaststelling van de geloofsleer geleid. Tenslotte heeft binnen de kerk soms ook heerszucht, gebrek aan onderlinge liefde of verwaarlozing van de roeping een 'stad op een berg' te zijn de nodige schade berokkend.


In 1477 verscheen in Delft een uitgave van de Bijbel, de z.g. 'Delftse Bijbel' in de volkstaal. Het betrof alleen het Oude Testament zonder de Psalmen. De drukkers waren Jacob Jacobsz. van der Meer en Mauricius Yemantszoon uit Middelburg. De uitvinding van de boekdrukkunst speelde een grote rol bij de snelle verspreiding van het gedachtegoed van de Reformatie. 

Een gedeelte uit de Delftse Bijbel
Een gedeelte uit de Delftse Bijbel

Reformatie

De kracht van de Reformatie in de zestiende eeuw lag in het bijeen brengen van leer en leven. De kerk beschikte over een zuivere belijdenis, maar de praktijk was ver te zoeken! De prediking was op de achtergrond geraakt. Terwijl het de Heere behaagd heeft juist door dit middel zalig te maken. De waarde van de sacramenten werd overschat en hadden een mystieke lading gekregen. De kerk had haar kracht gezocht in grootsheid.[*] Aan de leer en liturgische gewoonten waren elementen toegevoegd die on-Bijbels waren. De pauselijke onfeilbaarheid, de heiligenverering, de mis, het vagevuur, de waarde die werd toegekend aan bedevaartstochten naar het heilige land.[*] vormden nog maar het topje van de ijsberg. Ook kernwaarheden van het christelijk geloof waren fundamenteel aangepast, zoals de leer van de erfzonde.[*]

Maarten Luther, de monnik die door genade God zocht, begon te gruwelen van de rooms-katholieke leer en praktijken. In zijn kritiek op de Roomse wantoestanden en de maatschappij van zijn dagen vond hij een medestander in de van geboorte Rotterdammer Desiderius Erasmus. Luther echter, verbrandde de pauselijke bul en brak hiermee op 10 december 1520 radicaal met het Roomse kerkinstituut. Tot dit laatste kwam Erasmus niet.[*] Voor Erasmus was het vooral een intellectuele uitdaging, voor Luther lag de oorsprong van zijn denken in een levend geloof. Hij vertaalde op de Wartburg het Nieuwe Testament in de volkstaal en gaf het volk Gods Woord in handen.[*] 


En Saulus, blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren, ging tot de hogepriester. En begeerde brieven van hem naar Damaskus, aan de synagogen, opdat, zo hij enigen, die van dien weg waren, vond, hij dezelve, beiden mannen en vrouwen, zou gebonden brengen naar Jeruzalem.  En als hij reisde, is het geschied, dat hij nabij Damaskus kwam, en hem omscheen snellijk een licht van den hemel. En ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij een stem, die tot hem zeide: Saul, Saul! wat vervolgt gij Mij? En hij zeide: Wie zijt Gij, Heere? En de Heere zeide: Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt. Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan.  En hij, bevende en verbaasd zijnde, zeide: Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? En de Heere zeide tot hem: Sta op, en ga in de stad, en u zal aldaar gezegd worden, wat gij doen moet. (Handelingen 9: 1-6)
En Saulus, blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren, ging tot de hogepriester. En begeerde brieven van hem naar Damaskus, aan de synagogen, opdat, zo hij enigen, die van dien weg waren, vond, hij dezelve, beiden mannen en vrouwen, zou gebonden brengen naar Jeruzalem. En als hij reisde, is het geschied, dat hij nabij Damaskus kwam, en hem omscheen snellijk een licht van den hemel. En ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij een stem, die tot hem zeide: Saul, Saul! wat vervolgt gij Mij? En hij zeide: Wie zijt Gij, Heere? En de Heere zeide: Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt. Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan. En hij, bevende en verbaasd zijnde, zeide: Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? En de Heere zeide tot hem: Sta op, en ga in de stad, en u zal aldaar gezegd worden, wat gij doen moet. (Handelingen 9: 1-6)

Ook Johannes Calvijn had deze ontwikkeling doorgemaakt, alhoewel voor het oog minder opzienbarend. Hij onderzocht de Bijbel en schreef het boek: Onderwijzing in de Christelijke Godsdienst: de Institutie (1536). Naar het voorbeeld van Calvijn is nog steeds de huidige Gereformeerde eredienst ingericht!

In heel Europa brak de Reformatie door. Door de contrareformatie is in veel landen de roomse godsdienst overeind gebleven, denk aan Italië of grote delen van Frankrijk. Ook in de Zuidelijke Nederlanden (het huidige België) wist het roomse geloof zich te herwinnen. In Engeland en Schotland is de Reformatie, evenals in ons land, krachtig doorgebroken. Toch was de plaats zoals de gereformeerde kerk in ons land had gedurende de zestiende en zeventiende eeuw vrijwel uniek te noemen.

Johannes Calvijn
Johannes Calvijn

Na 1517 werden in ons land de eerste sporen van de reformatie al snel zichtbaar. Geestverwanten van Luther verspreidde hier het evangelie via het netwerk van de Augustijnenkloosters. Daarna nam de invloed van het calvinisme snel toe. Ons land kreeg een Bijbelvertaling, een catechismus, een psalmberijming (Datheen) en een kerkorde. In 1561 kwam de Nederlandse geloofsbelijdenis tot stand, geschreven door Guido de Bres. Belangrijk is ook het jaar 1568 toen het Convent van Wezel gehouden werd. Dit was een vergadering waarbij uit alle hoeken van ons land gevluchte predikanten en ouderlingen bijeenkwamen. De eerste structuren werden gelegd voor een landelijk gereformeerd kerkverband. In 1571 kwam in Emden de eerste officiële Nationale Synode bijeen. 


"De verschrikkelijkste tirannie is die, welke de aan zich zelf overgelatende mens op zich zelf uitoefent, Alleen wie zich gewillig onderwerpt aan Gods Woord en dat niet anders tracht uit te leggen dan door middel van de Heilige Geest, alleen die...kan zich zelf regeren, omdat hij dan niet regeert, maar gehoorzaamt. Zo hebben alle hervormers het begrepen en waar zij zich tegen iemand of iets verzetten, deden zij het gedrongen door de Heilige Geest." 

Friedrich Oehninger, geschiedenis des Christendoms


Noten

[*] De uitspraak 'brood en spelen' is afkomstig van de Romeinse schrijver en dichter Juvenalis die leefde in de eerste eeuw na Christus. Juvenalis had een zeer kritische blik op de romeinse samenleving van zijn dagen. In zijn geschriften hekelde hij de z.g. 'winnaarsmentaliteit' waarbij geen oog meer is voor het kwetsbare en het onvolmaakte. Moreel was naar zijn mening de romeinse samenleving 'in staat van ontbinding.' Daar stond tegenover dat anderen spraken van een tijd waarin de menselijke beschaving 'op een hoogtepunt' stond.

[*] De romeinen geloofden dat alle godsdiensten en levensbeschouwelijke voorstellingen uiting waren van één universele waarheid. Het maakte daarom volgens hen niet uit in welke godheid je geloofde of levensbeschouwing je erop nahield. De christenvervolging ontstond toen de christenen begonnen op te vallen door hun geheel eigensoortige overtuigingen en levenswijze. 

[*] Handelingen 17: 32-34 "Als zij nu van de opstanding der doden hoorden, spotten sommigen daarmee; en sommigen zeiden: Wij zullen u wederom hiervan horen. En alzo is Paulus uit het midden van hen weggegaan. Doch sommigen mannen hingen hem aan en geloofden; onder welke was ook Dionysius de Areopagiet, en een vrouw met name Damaris, en anderen met dezelve." Zie ook 1 Korinthe 15. 

[*] In de eerste eeuwen van het christendom werd de christelijke eredienst gekenmerkt door eenvoudigheid. De buitensporige aandacht voor uitbreiding van de liturgie en kunst begon bij aanvang van het pausdom. 

[*] Het (semi) pelagianisme  

[*] Calvijn noemt al deze zaken in zijn Institutie 'onbenulligheden' 

[*] Desiderius Erasmus was een vertegenwoordiger van het humanisme. Hij werd in 1469 in Rotterdam geboren en stierf in 1536 als één van de beroemdste intellectuelen van zijn dagen. Zijn invloed speelde zich af op Europees niveau. Eén van zijn bekendste werken werd 'De lof der zotheid' (1511). Het christendom was volgens Erasmus vooral liefde en verdraagzaamheid. 

[*] Erasmus heeft Luther wel een dienst bewezen door zijn heruitgave van het Griekse Nieuwe Testament met een Latijnse vertaling. Er waren voor de vertaling van Luther ook wel andere vertalingen in de volkstaal verschenen maar die waren minder toereikend. 

Delft gewonnen voor het protestantisme

Wie Delft zegt, zegt Willem van Oranje, Hugo de Groot, Johannes Vermeer en Jodocus van Lodenstein. Deze namen zijn verbonden aan Delft, de stad die in 1246 de bijbehorende rechten kreeg en zich in de zeventiende eeuw op hoog economisch niveau had weten te ontwikkelen.[*] In Delft was ook belangstelling voor de leer van Luther. Ons land was echter nog in handen van de Spaanse Habsburgers en dit koningshuis bevorderde met harde hand de belangen van de Rooms Katholieke Kerk. Aanvankelijk verbood het stadsbestuur alle openbare samenkomsten waar de Bijbel gelezen werd. Protestantse diensten moesten in het geheim gehouden worden! Een revolutionaire daad, in de ogen van het stadsbestuur, ondernam de Delftse glasschilder David Joriszn. die tijdens een roomse processieoptocht riep dat de deelnemers van deze optocht zich op een dwaalweg bevonden. David Joriszn. sloot zich later aan bij de zgn. wederdopers, dit was een radicale stroming binnen de Reformatie. Helaas vielen deze wederdopers weer in nieuwe dwalingen, waardoor de reformatoren zich ook tegen hen gekeerd hebben in hun geschriften.[*] Op zaterdag 24 augustus 1566 voltrok zich in de Oude en Nieuwe Kerk een beeldenstorm waarbij alle altaren en beelden aan stukken werden geslagen. De deelnemers werden zwaar gestraft. Ook kwam er een einde aan de samenwerking tussen katholieke en protestantse edelen in hun gezamenlijke strijd tegen de Spaanse onderdrukkers. Filips II stuurde de hertog van Alva naar ons land om het opstandige Nederlandse volk weer onder de duim te krijgen.

David Joriszn.
David Joriszn.

Opbouw gereformeerd kerkelijk leven Delft

Rond 1566 waren de vervolgingen van de protestanten door de Spaanse overheid in ons land meedogenloos.[*] Toch preekten er diverse 'hagenpredikers' in de ruimtelijke omgeving van Delft. Het keerpunt kwam in 1572. In naam van Prins Willem van Oranje veroverden de watergeuzen Den Briel.[*] Steden in Holland en Zeeland kozen nu de zijde van de Prins, waaronder ook Delft in juli 1572. De gereformeerde leer kreeg nu ruimte om vrij te ademen. Op 3 augustus 1572 werd in de Nieuwe Kerk de eerste protestantse kerkdienst in het openbaar in Delft gehouden. Het gereformeerde kerkelijke leven kreeg in Delft steeds verder gestalte.[*] In de Waalse Kerk preekte de hofprediker van Willem van Oranje: Jean Taffin (1529-1602). Deze predikant wordt ook wel beschouwd als een voorloper van de Nadere Reformatie. Iemand die ook veel bijgedragen tijdens de beginfase van de gereformeerde kerk in Delft was Arent Corneliszn. Croese (1547-1605). In Delft was ook een boekdrukker actief genaamd: Jan Andriesz. Cloetingh (1594-1634). Deze uitgever zorgde voor de verspreiding van stichtelijke boeken van Engelse puriteinen in het Nederlands vertaald, en ook wel dogmatische verhandelingen waarin de dwalingen van de remonstranten nauwkeurig werden aangewezen. 


Arent Corneliszn. Croese (1547-1605)
Arent Corneliszn. Croese (1547-1605)

Omstreeks 1611 beriepen de Luthersen in combinatie met Den Haag een predikant: Daniel Fettuit uit Duitsland die de beide gemeenten diende tussen 1612-1616. Het kerkgebouw van de Luthersen bevond zich aan het Noordeinde en droeg voor de reformatie de naam: Sint-Joriskapel. In 1768 werd het kerkgebouw ingrijpend verbouwd. 


De gereformeerde kerk in de zeventiende eeuw

Met de Unie van Utrecht werden de Noordelijke Nederlanden [Utrecht, Gelderland, Friesland, Overijsel, Groningen, Holland en Zeeland] aaneengesloten en kreeg de gereformeerde kerk in ons land volledige vrijheid. In 1581 werd de Spaanse vorst afgezworen en werd Willem van Oranje het hoofd van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Hieraan kwam een einde toen in 1584 de stadhouder in Delft neergeschoten werd door iemand die ingehuurd was door de Roomse Jezuïeten. Zijn naam was Balthasar Gerards. De leiding van ons land kwam toen in handen van Johan van Oldenbarneveldt, terwijl het leger aangestuurd werd door een zoon van Willem van Oranje, Prins Maurits. De oorlog woedde uiteindelijk bij vlagen door tot het jaar 1648.

Tijdens het Twaalfjarig Bestand kon in de jaren 1618-1619 de beroemd geworden 'Synode van Dordrecht' gehouden worden onder leiding van Johannes Bogerman. De gereformeerde leer in de geest van Calvijn werd officieel aangenomen en bekrachtigd als zijnde overeenkomend met Gods Woord. De gereformeerde belijdenis is wel genoemd de meest rijke verwoording van het christelijk geloof en is terug te vinden in de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Heidelbergse Catechismus. In dit verband valt het te betreuren als onder christenen een tendens waar te nemen is, waar men een stap terug wil doen en met enige afstand spreekt over deze symbolen van het christelijke geloof. 

Prins Willem van Oranje (1533-1584). Hij werd geboren op De Dillenburg, een kasteel in Duitsland, in de deelstaat Hessen. Zijn ouders stonden sympathiek tegenover de hervorming. Zijn moeder kende daarbij een gefundeerd geloofsleven. Op 11-jarige leeftijd erfde zoon Willem de bezittingen van zijn neef waaronder in de Nederlanden. Karel V gaf toestemming voor de aanvaarding van de erfenis maar op voorwaarde dat de jongen verder opgevoed zou worden aan het Roomse hof. De prins ontving een opleiding en een militaire training. Hij huwde op 8 juli 1551 met Anna van Buren. De prins woonde toen op een kasteel in Breda.
Prins Willem van Oranje (1533-1584). Hij werd geboren op De Dillenburg, een kasteel in Duitsland, in de deelstaat Hessen. Zijn ouders stonden sympathiek tegenover de hervorming. Zijn moeder kende daarbij een gefundeerd geloofsleven. Op 11-jarige leeftijd erfde zoon Willem de bezittingen van zijn neef waaronder in de Nederlanden. Karel V gaf toestemming voor de aanvaarding van de erfenis maar op voorwaarde dat de jongen verder opgevoed zou worden aan het Roomse hof. De prins ontving een opleiding en een militaire training. Hij huwde op 8 juli 1551 met Anna van Buren. De prins woonde toen op een kasteel in Breda.
Op het hoofd van de prins van Oranje werd een flinke beloning gezet: de som van 25.000 gouden schilden. Op zondag 18 maart 1582 werd een aanslag op de prins uitgevoerd maar hij overleefde dit. Een aanslag gepleegd door Balthasar Gerards lukte wel. Deze deed zich voor als vrome Hugenoot en wist het vertrouwen van de Prins te winnen. Op 10 juli 1584 begaf de moordenaar zich naar het Prinsenhof en kwam onverwachts achter een pilaar tevoorschijn. Hij schoot van dichtbij drie kogels in de zijde van de prins. Diens laatste woorden waren volgens de overlevering: Mon Dieu ayez pitié de mon âme, mon Dieu, ayez pitié de ce pauvre peuple! (Mijn God ontferm U over mijn ziel en over dit arme volk).
Op het hoofd van de prins van Oranje werd een flinke beloning gezet: de som van 25.000 gouden schilden. Op zondag 18 maart 1582 werd een aanslag op de prins uitgevoerd maar hij overleefde dit. Een aanslag gepleegd door Balthasar Gerards lukte wel. Deze deed zich voor als vrome Hugenoot en wist het vertrouwen van de Prins te winnen. Op 10 juli 1584 begaf de moordenaar zich naar het Prinsenhof en kwam onverwachts achter een pilaar tevoorschijn. Hij schoot van dichtbij drie kogels in de zijde van de prins. Diens laatste woorden waren volgens de overlevering: Mon Dieu ayez pitié de mon âme, mon Dieu, ayez pitié de ce pauvre peuple! (Mijn God ontferm U over mijn ziel en over dit arme volk).

(Arnhemsche Dagblad N°. 1037) zegt: "Tegen de Rooms-Katholieke Kerkleer hebben wij zeer vele principiële bedenkingen. Maar dat doet ons ook niet de Christelijke baad vergeten, die ons desniettegenstaande met godvruchtige Roomsen verbindt." Wekt de Encycliek van de Paus onze verontwaardiging op, 't bovenstaande van antirevolutionaire (Gereformeerde) zijde te horen, smart ons zeer - en doet ons onwillekeurig vragen: "Waar gaan wij heen? O indien er al een godvruchtige onder de Roomsen mocht zijn, die door genade met een Jozef kan zeggen: "Ik vreze God", zo vertrouwen wij ten volle, dat de zodanige de Roomse leer onmogelijk zal kunnen aanhangen, noch die kerk liefhebben, aangezien de aanschouwing van zoveel afgoderij zijn ziel dagelijks een kwelling zou zijn.

Ds. L.H. Beekamp, predikant in Delft 1902-1906


De Synode van Dordrecht nam ook stelling tegen de dwalingen van de z.g. 'remonstranten'. De Remonstranten leerden de algemene verzoening, d.i. Christus is gestorven voor alle mensen. Het hangt van onze persoonlijke geloofskeuze af of we behouden worden. Hierbij werd de leer van de verkiezing uitgeschakeld en de volledige verdorvenheid van de mens en dus onmogelijkheid om het goede te kiezen ontkend. De remonstranten leerden dat iemand die het zaligmakend geloof deelachtig was dit weer kon verliezen. Zij legden hun leer vast in de Remonstrantie. Als weerlegging van deze leer kwamen de Vijf artikelen tegen de Remonstranten tot stand, beter bekend als de Dordtse Leerregels.[*] Ook werden afspraken voor het gereformeerde kerkelijke leven vastgesteld (Dordtse Kerkorde). Ten slotte werd opdracht gegeven voor een nieuwe vertaling van de Bijbel in onze Nederlandse taal vanuit de oorspronkelijke Bijbeltalen (v.n. het Grieks en Hebreeuws). Dit resulteerde in de Statenvertaling, een vertaling die veel bijgedragen heeft aan onze Nederlandse taal en cultuur! 

Omdat kerk en staat in de zeventiende eeuw nauw met elkaar verbonden waren, had de overheid veel invloed op de kerk. Omgekeerd probeerde de kerk overheid en samenleving ook te beïnvloeden, bijvoorbeeld op het gebied van de zondagsheiliging. Er waren echter ook veel mensen lid van de kerk omwille van de eerbaarheid of persoonlijk gewin. Verschillende predikanten begonnen daarom nadruk te leggen op de persoonlijke levenswandel en de beleving van de geloofsleer. Het was niet zo dat dit in de beginperiode van de Reformatie niet aan de orde kwam of minder belangrijk gevonden werd. Maar toen de beleving begon te ontbreken stelden de predikanten van de Nadere Reformatie deze zaken indringend in hun preken en boeken aan de orde.  

In de periode na ds. Taffin en ds. Croese stonden ds. Henricus Arnoldi van der Linden en Gideon van Sonnevelt in Delft. Hier kwam in 1625 ds. Dionysius Spranckhuysen bij. Deze Delftse predikanten waren overtuigde contraremonstranten en stonden in contact met ds. Gijbertus Voetsius. In 1626 stelde Van Sonnevelt de onchristelijke handelsgeest van twee Delftse bewindhebbers van de VOC aan de orde, waarvoor hij zich moest verantwoorden bij de regenten. Andere bekende namen die van grote betekenis voor Delft geweest zijn waren Petrus de Witte (1622-1669) en Guiljelmus Saldenus (1627-1694). 


Geboren in Delft: Lodenstein

Predikant en dichter Jodocus van Lodenstein werd op 6 februari 1620 in een Delfts regentengezin geboren. Zelf leidde hij later een zeer sober leven. Zijn leven stond in het teken van de heiligmaking. Een bekende regel uit zijn dichtwerken is: "Heilig mij, heilig mij! Ik moet Jesu zijn als Gij." Een ootmoedige levenswandel bracht hij in praktijk. Wanneer een slager uit Zoetermeer uit ergernis een emmer bloed over Lodenstein heen gooit draagt hij zijn dienstbode op om juist bij die slager vlees te kopen. Lodenstein klaagde over de geesteloosheid in zijn dagen maar ook over die van zichzelf: "Ik wist niet, dat mijn tere ziel, nog zoveel van dit aardse hiel." Een ander bekend vers van Lodenstein is:

"Hoog omhoog! mijn ziel naar boven. Hier beneden is het niet. 't Rechte leven, lieven loven, is maar waar men Jezus ziet. Al wat gij ziet op aard, Al wat gij hoort op aard, Is uw kostlijk leven, lieven, loven, Al wat gij wenst op aard, Is uw kostlijk hart niet waard." 


Noten

[*] o.a. inkomsten uit het Delfts porselein speelde hierbij een belangrijke rol. In Delft was ook een afdeling van de VOC. 

[*] De Wederdopers of anabaptisten maakten zich nogal eens schuldig aan volksoproer. De reformatoren wilden het gezag van de overheid eerbiedigen voor zover zij niet in strijd behoefden te handelen met Gods Woord. In 1536 kwamen de dopersen in rustiger vaarwater onder leiding van Menno Simons. Deze stichtte voornamelijk in Friesland verschillende doopsgezinde gemeenten. 

[*] In datzelfde jaar 1566 werd door 600 edelen een smeekschrift aangeboden aan de regentes Margaretha van Parma. Een adviseur riep haar toe dat ze niet bang moest zijn voor deze 'bedelaars'. De verzetsbeweging nam toen de naam van Geuzen aan. (Gueux=bedelaars). 

[*] Oranje was stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht maar had zijn taken neergelegd uit afschuw over de bloederige vervolgingspraktijken van de Spaanse overheid. Een tegenpool kreeg hij in de persoon van Alva die de 'Raad van beroerten' invoerde. Afgrijselijke taferelen speelden zich dientengevolge in ons land af. Niettemin maakte de geloofsmoed van de martelaren veel indruk en bereikten de vervolgers het tegenovergestelde van hetgeen zij voor ogen hadden. 

[*] De Oude en Nieuwe Kerk, de Gastkapel en de Waalse Kerk waren vanaf 1572 van de Nederduits gereformeerde gemeente van Delft. De Roomse godsdienst werd vanaf 10 oktober 1572 door de Staten van Holland in het openbaar verboden. Willem van Oranje was daar aanvankelijk persoonlijk geen voorstander van. In Delft mocht de mis nog enige tijd gehouden worden. In praktijk werden de Roomsen, Luthersen en doopsgezinden gedoogd, dus van strenge handhaving of vervolging was geen sprake. Op 14 november 1572 vestigde de Prins zich in Delft in het Agathaklooster. Prins Willem van Oranje werd in 1573 officieel lid van de Gereformeerde Kerk (Waalse Kerk). Behalve zijn aandeel in de vrijheidsstrijd schonk hij aan Leiden een universiteit dat een eerste bolwerk werd van de Calvinistische leer. Helaas werd deze universiteit in later dagen een bolwerk van het modernisme. 

[*] Remonstranten of Arminianen waren volgelingen van de Leidse professor Jacobus Arminius. Hij vond tegenover zich zijn collega Fransiscus Gomarus. De strijd tussen de remonstranten was niet alleen een dogmatische en kerkelijke strijd maar ontwikkelde zich ook tot een politieke kwestie. Veel regenten waren aanhanger van de arminiaanse leer, ook de raadspensionaris Johan van Oldenbarneveldt. Prins Maurits koos de zijde van de contraremonstranten nadat hij over de kwestie was ingelicht door zijn neef Willem Lodewijk de stadhouder van Friesland. Van Oldenbarneveldt werd op grond van landsverraad ter dood veroordeeld. 


Remonstrants gereformeerde gemeente 

Op de synode van 1618/1619 werd de remonstrantse leer veroordeeld. De remonstrantse predikanten werden door de voorzitter van de synode Johannes Bogerman weggezonden. Het werd de remonstranten niet verboden samen te komen maar wel waren zij voorlopig evenals de rooms-katholieken aanwezen op schuilkerken. De remonstranten bleven zich echter wel gereformeerd noemen. Zo was er in Delft tussen 1628 en 1990 een Remonstrants gereformeerde gemeente. In 1896 bouwden zij op de plek van de schuilkerk een nieuw kerkgebouw: de Génestetkerk, genoemd naar de remonstrantse dichter en dominee Petrus Augustus de Génestet (1829-1861). 

"Gij kent toch Delft? Dit stadje' is schoon gelegen, Vlak aan den spoorweg, tot mijn groote vreugde en zegen. Een stadjen oud van faam! en thans beroemd nog door haar Academie en haar boter. Naar ik hoor, Is de eerste nog maar lang zoo goed niet als de tweede, Maar die is ook volmaakt! 'k Laat de andre liefst met vrede."
"Gij kent toch Delft? Dit stadje' is schoon gelegen, Vlak aan den spoorweg, tot mijn groote vreugde en zegen. Een stadjen oud van faam! en thans beroemd nog door haar Academie en haar boter. Naar ik hoor, Is de eerste nog maar lang zoo goed niet als de tweede, Maar die is ook volmaakt! 'k Laat de andre liefst met vrede."
Kerkgebouw Remonstrants Gereformeerde Gemeente Delft
Kerkgebouw Remonstrants Gereformeerde Gemeente Delft

Het verval tijdens de achttiende eeuw

De achttiende eeuw staat niet bijster goed bekend. Het is ook wel de eeuw van het verval genoemd. Een nieuwe godsdienstige stroming (de z.g. 'toleranten') zette zich af tegen de scherpe omschrijvingen van het geloof door het voorgeslacht. "Geneigd tot alle kwaad" moest veranderd worden in: "niemand is geheel onschuldig". Ons land was altijd een toevluchtsoord geweest voor vrije denkers als René Descartes en Baruch Spinoza. Deze filosofen deden hun invloed gelden ook op degenen die in de kerk in het ambt stonden. Het rationalisme wilde nog slechts die dogma's aanvaarden voor zover te verklaren door het menselijk verstand. Fundamentele leerstukken zoals de Goddelijke drie-eenheid, de twee naturen van Christus e.d. werden onder kritiek gesteld. De boodschap van de kerk werd beperkt tot de algemene moraal. En degenen die tegen de geest van de achttiende eeuw verzet pleegden werden gebrandmerkt als "liefdeloze onruststokers". Maar terwijl de kerken onder de preken van de verlichte voorgangers steeg leger werden, zaten de boerenschuren en huiskamers vol met gezelschappen. Op deze gezelschappen werden preken gelezen van voorgangers uit de tijd van de Nadere Reformatie en later traden ook oefenaars op met een eenvoudige preek. Tijdens de Franse overheersing raakte de Gereformeerde Kerk haar bevoorrechte positie kwijt en na die tijd werden de structuren van de kerk tijdens de regering van koning Willem I zo aangetast dat zij in 1834 was geraakt tot een situatie van "een samenvloeiing van Godonterende dwalingen" (Bilderdijk).[*] Vrijzinnigen gaven de toon aan en gematigde orthodoxen die de hoofdlijnen van het christelijk geloof nog wel vast hielden, keken neer op het z.g. "bevindelijk christendom."

Het vrijzinnige protestantisme is voor een groot deel de motor geweest achter de toenemende onkerkelijkheid van de massa. In de kerk bleef enkel de brave burgerij over maar de massa trok consequenties en verliet de kerk. Zo is ook het rooms-katholicisme debet geweest aan het snelle secularisatieproces, toen het doek viel en de misbruikschandalen openbaar kwamen.  

Het wonder van de negentiende eeuw

De beweging die nu ontstond begon in het Groningse dorp Ulrum. Daar tekende ds. H. de Cock met het grootste deel van zijn gemeente de 'Acte van Afscheiding of Wederkering'. Door heel het land ontstonden afgescheiden gemeenten.[*]  De Nederlandse overheid probeerde tevergeefs met behulp van justitie de beweging de kop in te drukken.


Zondagavond, 20 maart 1836  

Een gezelschap van meer dan dertig Delftse Kohlbruggianen zijn onder leiding van H. van Heumen bijeen op de Binnenwatersloot nr. 16. De commissaris van de politie mr. A.G. Tegel en vier agenten van politie begeven zich naar de woning, In de kamer bevonden zich mannen en vrouwen voorzien van kerkboeken. De commissaris droeg de aanwezigen op uiteen te gaan, waaraan gehoor werd gegeven. Zes en twintig personen verlieten de woning. 


Delftse Kohlbruggianen

In Delft was er omstreeks 1830 een gezelschap dat bijeen kwam in een woonhuis aan de Binnenwatersloot. Dit gezelschap stond onder leiding van Jan van der Feyst en Hermannus van Heumen die contacten hadden met dr. H.F. Kohlbrugge. Vooral Van Heumen had regelmatig contact met Kohlbrugge door middel van brieven. Van Heumen werd op 28 maart 1799 in Arnhem geboren. In 1828 was hij onderwijzer in Delft. In 1837 kwam deze functie in gevaar in verband met zijn sympathie voor de afscheiding. Hierom werd van Heumen per 1 februari 1838 ontslagen als onderwijzer. Echter omdat geen van de sollicitanten aan zijn kwaliteiten kon voldoen werd Van Heumen gevraagd om toch voorlopig aan te blijven. Hoewel Van Heumen sympathie had voor de afscheiding sloot hij zich niet bij de afgescheiden gemeente van Delft aan. Waarschijnlijk  kwam dit vanwege zijn contacten met Kohlbrugge die uit principe tegen een afscheiding was hoewel hem zelf het lidmaatschap van de Nederlandse Hervormde Kerk werd belet. Kohlbrugge heeft ook in Delft gepreekt, in de Waalse Kerk[*]

Later zou het de bedoeling geweest zijn om in Delft een zustergemeente te stichten van de Niederländisch-reformierte Gemeinde in Elberfeld. In 1848 richtte zestien personen aan de Hervormde kerkenraad van Delft een schrijven met daarin de mededeling dat zij zich hadden laten overschrijven naar de Nederlandse Gereformeerde Gemeente van Elberfeld. Hieronder waren onder meer: P.A. Vielaars, P. van Wageningen, H. van Heumen, L.C. van Tol, F. Kouwenhoven, J.E. Kouwenhoven, J.M. van den Brandt, C. van den Dijkgraaff, J.J. de Kok, E.J. van Tol en A. van Dijk.

H.F. Kohlbrugge
H.F. Kohlbrugge

De Afscheiding in Delft

Toch kwam er ook een daadwerkelijk afgescheiden gemeente in Delft. Het begin van de afscheiden gemeente in Delft lag in 1835 toen Leendert van der Bruggen, Krijn Verheul met zijn vrouw en Frederik Urbanus (1792-1877) met zijn vrouw Janna Zwaanswijk hun lidmaatschap van de Nederlandse Hervormde Kerk opvroegen: 

"Wij ondergetekenden, lidmaten der ware Gereformeerde, Christelijke Kerk, verklaren bij deze vrijwillig, dat wij ons met onze onmondige kinderen op grond van onze in alles met Gods Woord overeenkomende geloofsbelijdenis, artikel 28 en 29 afscheiden van het sedert 1816 bestaande zogenaamde Hervormde Genootschap en ons verenigen met alle ware gereformeerden waar de Heere ook gelieft te vergaderen en vorderen derhalve dat de namen van ons en onze kinderen uit uw doop en lidmatenboek geschrapt worden, volgens artikel 2 van het algemeen reglement uwer secte."[*]

De Delftse afgescheidenen leefden voorlopig mee met de gemeente Schiedam waar toen ds. A. Brummelkamp stond. 

A. Brummelkamp
A. Brummelkamp

Noten

[*] De christelijke rechtsgeleerde en historicus Willem Bilderdijk (1756-1831) werd bekend als schrijver en dichter. In die rol richtte hij zich met grote felheid tegen de ideeën van de Franse Revolutie. In Leiden gaf hij in zijn woning colleges aan een kring van studenten waaronder de jood Isaac da Costa. Deze ging onder invloed van Bilderdijk over naar het Christendom. Ook op de beweging van het Nederlands Reveil had Bilderdijk grote invloed. 

[*] Behalve de afscheiding was er in de negentiende eeuw ook de beweging van het reveil en een opleving van de wereldwijde zending. "De leegheid van het ongeloof, de geweldige schokken van de revolutie en de napoleonistische onderdrukking, de voortdurende en treurige oorlogen van het Franse keizerrijk hadden de geesten voorbereid. De mensen hadden behoefte zich bezig te houden met de grote vragen welke verband hielden met de uiteindelijke bestemming van de ziel, met hun gevallen staat en hun verlossing door Jezus Christus." W. van der Zwaag, Twaalf reveilgetuigen, p. 7. Omdat een opleving van de christelijke orthodoxie alles behalve in de lijn van de verwachting lag sprak men van een wonder. H. Algra, noemde zijn boek: Het wonder van de negentiende eeuw. Algra was politicus voor de ARP en hoofdredacteur van het Fries Dagblad. Algra is van mening dat er in de negentiende eeuw een wonder in ons land heeft voltrokken. "Een wonder van genade, tot zegen van ons volk." Algra gaat de misstanden van de afscheiding niet uit de weg, maar geeft een overwegend waarderende blik op deze periode binnen de Nederlandse kerkgeschiedenis. Algra wees ook op het feit dat de acte van afscheiding niet heette: Afscheiding en wederkering maar Afscheiding of wederkering waarmee werd uitgedrukt niet zo snel als mogelijk weer tot de Nederlandse Hervormde Kerk te zullen terugkeren (zoals weleens wordt opgevat), maar dat zij met de afscheiding waren teruggekeerd tot de ware kerk der vaderen. 

[*]  Dr. C. Smits gaat er van uit "dat de houding van Kohlbrugge t.o.v. de Afscheiding van 1834 de ontwikkeling van de afscheiding in Delft mogelijk heeft geremd."[*] Dr. C. Smits, De Afscheiding van 1834, deel 7 (classis Rotterdam en Leiden), p. 341

[*] De afgescheidenen gebruikten het woord 'sekte' voor het genootschap van de Nederlandse Hervormde Kerk (sinds 1816, koning Willem I), omdat deze kerk in hun ogen opgehouden had 'ware kerk' te zijn naar artikel 27-29 NGB. Zij bedoelden hiermee terug te keren tot het oude fundament van de gereformeerde kerk van de Reformatie (1572, 1618-1619). (naar de Akte van Afscheiding of Wederkeer)

Chr. Afgescheiden Gemeente (1840-1869)

In januari 1840 werd er in Delft een afgescheiden gemeente geïnstitueerd door ds. A. Brummelkamp. Er was toen 1 ouderling en 1 diaken. De gemeente telde 20 leden. In 1841 was het aantal leden verdubbeld. Op 4 februari 1840 werd een aanvraag gedaan te mogen vergaderen in het huis van A. A. de Lint, aan de Voldersgracht. Nadat de gemeente hiertoe verlof had gekregen werd dit de voorlopige plaats van samenkomst. Op 21 februari 1842 bestond de kerkenraad uit:  P. Zonne, ouderling en J. van der Feijst en A.J. Verbeek diakenen. Op 22 september 1842 waren er twee ouderlingen en drie diakenen. De ledenlijst bevatte 52 personen. Op 9 november 1942 kreeg de gemeente officieel erkenning van de overheid: "Door Z.M. is bij besluit van den 9 Nov. no. 57 vergund het bestaan te Delft van een Christelijke Afgescheidene Gemeente." 

De eerste voorganger van de gemeente werd de linnenwever J. van Oel, die in 1847 als oefenaar preekbevoegdheid had gekregen. In 1857 vertrok hij naar Naaldwijk. De gemeente was ondertussen verder gegroeid. Wel bleek al spoedig dat ook de afgescheiden gemeente van Delft zich buiten het paradijs bevond.

Na voorganger Van Oel kwam een eerste predikant in de persoon van ds. H.A. de Vos. In de notulen werd hij in een discussie door een van de ouderlingen getypeerd als 'een voorwerpelijk man'. Na hem werd de gemeente gediend door ds. L. Tobi, die in tegenstelling tot zijn voorganger getypeerd werd als 'een onderwerpelijk man.'  Een ouderling die bezwaren had sprak over 'een onhandig gebruik van de onmacht van de mens en de uitverkiezing in Gods Woord waardoor voor ontwaakte zielen struikelblokken in de weg gelegd werden.' Na korte tijd vertrok ds. Tobi en werd zijn opvolger ds. L. van der Valk. Deze predikant zette een stempel op het Delftse kerkelijke leven. Hij werd geboren op 8 oktober 1838 in Vlaardingen terwijl zijn ambtelijke loopbaan begon in 1864 in Rotterdam. In 1869 kwam hij naar Delft, het jaar waarin de christelijke afgescheiden gemeenten zich verenigden met de gereformeerde kerken onder het Kruis tot de Christelijke Gereformeerde Kerk. 

L. van der Valk
L. van der Valk

Chr. Geref. Kerk (1869-1892)

Ds. Van der Valk wist de z.g. voorwerpelijke (ds. H.A. de Vos) en onderwerpelijke richting (ds. L. Tobi) met elkaar te verbinden. De Christelijke Gereformeerde Kerk breidde zich onder zijn bediening in de periode 1869-1892 aanzienlijk uit. Op 19 Juni 1882 werd de eerste steen gelegd voor een nieuwe kerk aan de Vlamingstraat. Rond 1892 telde de gemeente ongeveer 1200 leden. Het kerkgebouw werd aan het begin van de twintigste eeuw nog eens stevig verbouwd. 


President P. Kruger
President P. Kruger

Toen ds. L. van der Valk, destijds Chr. Geref. predikant te Delft, in 1877 langs de Boompjes in Rotterdam liep, werd hij aangesproken door een heer, die zich bekend maakte als President Krüger, uit Transvaal. De president was met de "Batavier" gearriveerd en liep nu recht af op de man met de hoge hoed: "Bent u dominee, mijnheer?" "Jawel, mijnheer." "Ik zou zo graag eens kennismaken met de Christelijk Gereformeerde Kerk. Kunt u mij ook de weg wijzen?" "Zeker", antwoordde ds. van der Valk. "Ik ben zelf predikant bij die kerk en ik ben juist op weg naar een Zendingsvergadering vanwege die kerk. Mag ik de eer hebben, u uit te nodigen die vergadering bij te wonen?" President Krüger ging toen direct mee, woonde bedoelde vergadering bij en heeft daarna gedurende 14 dagen gelogeerd bij ds. van der Valk te Delft. Toen in 1888 Krüger opnieuw ons land bezocht, was zijn eerste gang naar de man die hij in 1877 hier  ontmoet had, nl. ds. van der Valk. Nog later, toen President Krüger als balling in ons land verbleef en ook enige tijd aan de Oude Scheveningseweg bij Den Haag woonde, kerkte hij regelmatig in Scheveningen en was daar dan onder het gehoor van ds. van der Valk met wien hij nauw bevriend was geworden. Een herinnering van heel andere aard, is uit Kampen. Daar werd ter ere van de President een diner aangericht, waarbij Prof. Noordtzij als tafelvoorzitter fungeerde. Toen deze met gebed wilde gaan aanvangen, maakt Krüger ernstige bezwaren, wijl hier zovele dames aan tafel zaten zonder deksel op het hoofd. Zó mocht men niet in het gebed gaan, vond hij. En op advies van Prof. Noordtzij hebben de dames zich toen tijdens het gebed met het servet gedekt. Zo was aan het gebruik, dat in de omgeving van de President altijd gevolgd was, voldaan. De maaltijd kon beginnen.


Kerkenraad van de Chr. Geref. Kerk Delft met ds. L. van der Valk omstreeks 1881
Kerkenraad van de Chr. Geref. Kerk Delft met ds. L. van der Valk omstreeks 1881
Interieur Chr. Geref. Kerk Vlamingstraat na de verbouwing in 1904
Interieur Chr. Geref. Kerk Vlamingstraat na de verbouwing in 1904
Chr. Geref. Kerk aan de Vlamingstraat (Oosterkerk)
Chr. Geref. Kerk aan de Vlamingstraat (Oosterkerk)

Vrije (Christelijke) Gereformeerde Gemeente 

Geheel zonder vlek of rimpel was de periode ds. Van der Valk niet, want de rust werd verstoord toen de kerkenraad in december 1883 te maken kreeg met een groep gemeenteleden die bezwaren inbrachten tegen een verkozen diaken "met betrekking op diens leer en leven." Omdat de bezwaren niet gegrond werden verklaard bleef de groep weg uit de kerk. In mei 1884 onttrokken zich een negental leden aan de gemeente - waaronder B.C. Fliehe en diens echtgenote, B. Frankamp en echtgenote, Abraham Klinkhamer en diens echtgenote Geertruida Jacoba van Willigenburg, J.C. Addink, A. Sprenger en mejuffrouw C.S. Fliehe - en stichtten een Vrije Christelijke Gereformeerde Gemeente.[*] De groep bracht een beroep uit op ds. A. Verheij uit Woerden die het beroep aannam. Ds. Verheij was eerder werkzaam geweest in Dordrecht, Katwijk aan Zee, Barendrecht en Woerden, maar was een jaar voor het beroep naar Delft buiten het verband van de Christelijke Gereformeerde Kerk geraakt. Naar zijn mening was het al veel eerder misgegaan in de Christelijke Gereformeerde Kerk. In de eerste jaren na de afscheiding van 1834 had de kerk uit haar beginselen geleefd, maar de tijd van de eerste liefde was snel bekoeld. Zijn gedachten hierover vatte hij samen in een brochure: 'De Christelijke Gereformeerde Kerk, verkocht, overgeleverd en begraven.'[*] 

22 november 1883
22 november 1883
5 augustus 1884 (Wierden moet Woerden zijn)
5 augustus 1884 (Wierden moet Woerden zijn)
A. Verheij
A. Verheij

Nederduits Gereformeerde Kerk 

Op 12 juni 1887 werd er in Delft een Nederduits Gereformeerde Kerk geïnstitueerd en tevens ambtsdragers bevestigd door dr. A. Kuyper. De dienst vond plaats in de concertzaal van de Stadsdoelen. Op 12 mei 1888 werd begonnen met de bouw van een kerk aan het Achterom. In december 1888 was dit gebouw gereed en werd nadien nog verschillende keren uitgebreid. Bij de bouw had men reeds rekening gehouden met een eventuele vereniging met de Christelijke Gereformeerde Kerk. Vandaar dat men niet te dicht in de buurt van de Vlamingstraat wilde bouwen. Op 30 mei 1889 nam ds. C.W.J. van Lummel het beroep naar de gemeente aan. 


Geboren in Delft: Willem den Hengst (1859-1927)

Willem den Hengst werd geboren op 4 september 1859 in Delft. Oorspronkelijk was hij afkomstig uit de Nederlandse Hervormde Kerk. Onder invloed van dr. A. Kuyper sloot hij zich aan bij de Gereformeerde Kerken. Op 2 september 1888 werd hij in Den Helder in het ambt bevestigd. Op 7 oktober 1894 verbond hij zich aan Veenendaal. Daar werden zijn ogen geopend en zag hij dat hij wederomgeboren moest worden. Tenslotte kon Ds. Den Hengst het niet langer in de Gereformeerde Kerken uithouden. Op 4 Juni 1913 brak hij met dit kerkverband en sloot zich aan bij de Gereformeerde Gemeenten. Ds. den Hengst behoorde niet tot degenen die van dogmatiek en de exegese niets willen weten, maar preken op het gevoel en z.g. 'ingevingen.' Ds. Den Hengst bestempelde dit laatste als devaluatie van de prediking.

8 juni 1927
8 juni 1927

Gereformeerde Kerk A en B 

In 1892 vond op landelijk niveau een vereniging plaats met de Nederduits Gereformeerde Kerk (Kuyper) waardoor de Gereformeerde Kerken ontstonden. Op plaatselijk niveau leefde men vaak nog gescheiden als A en B kerken verder, zo ook in Delft. 

Nederduits Gereformeerde Kerk aan het Achterom (Zuiderkerk)
Nederduits Gereformeerde Kerk aan het Achterom (Zuiderkerk)

Kerkelijke ineensmelting

Het wil met de ineensmelting in de "Gereformeerde Kerken" nog niet best vlotten. Ds. Littooy, uit Middelburg, leverde een woordje kritiek op de ineensmeltingsacte van Amsterdam, en uitte daarbij de vraag, wie van beide partijen het meest had toegegeven. Die "koele windvlaag uit het zuiden" was de Gelderse Kerkbode, het Holl. Kerkblad en andere bladen weinig naar de zin. Over Leeuwarden heeft men wat al te vroeg gejuicht. Er kwamen zoveel bezwaren uit Kerk A, dat men de zaak drie maanden heeft uitgesteld. Dan hoopt men met een nieuwe acte het werk te beproeven. Met Delft ging het beter. Delft zegt "Holl. Kerkblad", hield de eer van Zuid-Holland op. In den Haag zijn er al heel wat vergaderingen en biduren voor gehouden, en nog kwam men tot geen resultaat. Toch is de levering van wat in 1892 verkocht werd niet te ontgaan. Laten de broeders en zusters in Kerk A dit maar goed begrijpen. Tegenspartelen helpt niet. Langzaam maar zeker wordt men gedwongen, om geheel op te gaan in de leer en in 't kerkbegrip van de mannen van 1886. Immers, al leraart men persoonlijk zelf de dwalingen niet van anderen, als men kerkelijk verenigd is, geldt niet meer de vraag persoonlijk: "wat leert gij?" maar wat leert uw Kerk? Evenzo is het met de vervolging van de Christelijke Gereformeerden. Dit is het werk van de "Gereformeerde Kerken", en wie tot haar behoort is mede verantwoordelijk voor die vervolging. Veler ogen gaan hiervoor open, en daarom verwondert het ons niet, dat men zoveel bezwaar maakt om de laatste zet op het kerkelijk schaakbord te doen. En dan de vrucht der ineensmelting? Vraag dat eens in Amsterdam, in Delft en elders. O, hoe zucht men onder die eigengemaakte en valse eenheid. Moge de Heere nog velen verlossen uit deze dienstbaarheid. 

J. Wisse (1893)

J. Wisse Czn.
J. Wisse Czn.

Op 16 april 1893 nam ds. A.H. Gezelle Meerburg (1845-1905) de plaats van ds. Van der Valk had in.[*] Hij was een zoon van George Gezelle Meerburg, één van de z.g. 'Vaders der Afscheiding'. 

1 november 1892
1 november 1892
18 april 1893
18 april 1893

Gereformeerde Kerk Delft 

Op 25 november 1897 werd de Christelijke Gereformeerde Kerk met de Nederduits Gereformeerde Kerk (tussen 1892 en 1897 aangeduid als kerk A en B verenigd onder de naam van Gereformeerde Kerk. Het kerkgebouw aan het Achterom (uit de doleantie) kreeg nu de naam Zuiderkerk[*], de kerk aan de Vlamingstraat (uit de afscheiding) kreeg de naam Oosterkerk[*]. Door verdere groei kwam er nog een derde kerk bij aan de Hugo de Grootstraat: De Westerkerk.{*] Deze ruime kerk werd op 13 november 1924 in gebruik genomen door ds. K. Schilder die de woorden sprak: 

"Indien u zich niet bekeert, dan zal geen steen van deze kerk op de andere gelaten worden!" 

Schilder had op 4 oktober 1922 zijn intrede gedaan als predikant in Delft. In 1925 vertrok hij naar Oegstgeest. De Westerkerk waarin Schilder de boven aangehaalde woorden uitsprak werd in 1981 gesloopt. 

De burgemeester legde in 1923 de eerste steen van het derde kerkgebouw van de Gereformeerde Kerk in Delft.
De burgemeester legde in 1923 de eerste steen van het derde kerkgebouw van de Gereformeerde Kerk in Delft.
De Standaard, 29 juli 1922
De Standaard, 29 juli 1922

In 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit, een universeel conflict dat zijn weerga niet kende qua menselijke massavernietiging. In de winter van 1917-1918 sprak ds. G. Wisse predikant van de gereformeerde kerk van Driebergen op verschillende plaatsen, waaronder in Delft, over de wereldgebeurtenissen in het licht van Openbaringen 6: 1-8, . In mei 1918 verscheen deze rede in druk. 

G. Wisse
G. Wisse

"God is dood, leve de mens; aldus sprak voor enkele jaren de nu reeds opgeroepene ongelovige Duitse wijsgeer Nietzsche. Dit vreselijke woord vertolkt goeddeels de wereldbeschouwing van de moderne mens, en in het bijzonder van het jongere Europa. God ontkend en geloochend in de levensbeschouwing teruggedrongen in de levenspraktijk, moest nu de mens naar voren treden, zich uitleven in al zijn zelfverheffing en krachtsopenbaring. Nu eerst zou de grote, ware, volle mens aan het licht treden. Nietzsche noemde die mens, die in die weg komen moest, de übermensch in wien de wil toch macht verheven was. Nietzsche vertolkte slechts wat als beginsel leeft in de jongere generatie, hij was de tolk van de geest die zich heeft meester gemaakt van het geslacht van onze eeuw. Koningen en overheden, volken en onderdanen, allen zijn, zo lijkt het wel, beheerst van deze boze geest; waardoor naijver, valse begeerzucht, dorst naar goud en land, macht en invloed ten troon verheven zijn. Dit moest vroeg of laat (hoe kon het anders?) uitlopen op een wereldbrand, als wij nu in bittere werkelijkheid doorleven. Ja waarlijk, de mens, de zonde-mens, de aan God ontzonkene, de uit zichzelf uitgroeiende mens aanschouwen we nu. Maar voor deze 'übermensch' bedekken de engelen wenend het aangezicht." (..)

G. Wisse: Het gezicht der vier paarden (1918)


18 november 1920
18 november 1920

K. Schilder in Delft (1922-1925)

Evenals in zijn eerdere gemeenten kwam ds. K. Schilder in Delft in botsing met de z.g. 'bevindelijke richting'. Schilder legde alle nadruk op de gevaren die hij zag: een 'dopers christendom' dat niet maatschappij betrokken is en ook niet bereid om concessies te doen. Naar zijn mening stelden de bevindelijken hun eigen ervaringen boven de Schrift en men blijft hangen in vrome wensen. Schilder stelde de eis tot bekering op de voorgrond en verheerlijkte de objectieve waarheidsnorm van Schrift en belijdenis. Hiermee scheen hij voorbij te gaan aan werk van de Heilige Geest die in al de waarheid leidt maar nooit los van de Schrift.  

Klaas Schilder werd gevormd door zijn jeugd in Kampen waar hij op 19 december 1890 in een eenvoudig gezin - zijn vader was sigarenmaker - geboren werd. Hij kon goed leren maar voorlopig was er geen geld om daar verder gebruik van te maken. Gedoopt in de Nederlandse Hervormde Kerk ging het gezin kort hierna over naar de Gereformeerde Kerken. Deze kerk wist zijn hart en ziel te winnen. In Kampen maakte hij kennis met  de oude ds. J. Bavinck, en ook met ds. G. Wisse die in Kampen stond tussen 1902-1912. Met steun van buitenaf kon Klaas Schilder toch naar het Gymnasium als voorbereiding voor de Theologische School waar hij van 1909-1914 studeerde. Tijdens deze periode maakte hij een diepe geloofscrisis door. Behalve theologie las hij alles wat los en vast zat over en van filosofen die het christelijk geloof ondermijnden. Dit zette aanvankelijk heel zijn geloofsovertuiging op losse schroeven, maar uiteindelijk viel hij onvoorwaardelijk voor God en Diens openbaring. In Gods Woord en de gereformeerde belijdenis zocht hij voortaan zijn kracht. Bij deze zoektocht heeft hij veel aan zijn eigen predikant ds. G. Wisse te danken gehad bij wie hij ook de belijdeniscatechisatie volgde. Schilder is Wisse altijd erkentelijk geweest, maar toen Wisse in 1920 de overstap maakte naar de Christelijke Gereformeerde Kerk liet hij protest horen. Schilder hamerde op kerkelijke eenheid van alle gereformeerden en overgaan naar de (voortgezette) Christelijke Gereformeerde Kerk bestempelde hij als 'zonde' omdat hierdoor de kerkelijke verdeeldheid in stand gehouden werd. De Christelijke Gereformeerde Kerk van na 1892 zag hij als een 'scheurkerk'. Later zou Schilder zelf buiten de Gereformeerde Kerken geraken toen hij in 1944 als hoogleraar door de synode werd afgezet. Hij werd als zodanig de geestelijke vader van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt.

Voortzetting Chr. Geref. Kerk in Delft 

Het feit dat de Chr. Geref. Kerk van Delft opgegaan was in het verband van de Gereformeerde Kerken leidde er toe dat opnieuw een kleine groep zich afscheidde. Tevergeefs had de groep de kerkenraad bewogen om resoluut nee te zeggen tegen de vereniging met de dolerenden. Maar de kerkenraad ging er niet in mee. De gevaren van de bedenkelijke theorie van de veronderstelde wedergeboorte zag men wel in, maar er was toch een gezamenlijke instemming met de gereformeerde belijdenis? Meer moest men niet vragen! Bovendien waren er nog genoeg mogelijkheden tot protest. Via de kerkelijke weg van classis tot synode zou eventueel een compromis oplossing  bereikt kunnen worden. De groep legde zich er echter niet bij neer en zocht contact met ds. J. Wisse Czn., predikant van de voortgezette Chr. Geref. Kerk van Den Haag. Bij dit initiatief waren onder meer betrokken: Anthonie van de Water, Catharina Zoutendijk, Gerrit de Jong,  Maria Catharina Lindenburg, Willem Mulder, Pieter Jacobus de Haan, Willem Hendrik Mangert, Arie van den Berg, Jan Smit en Cornelis Bezemer. Vanaf 1895 werden er weer diensten in Delft gehouden op wisselende locaties. De broeders G. Silje en W. Mulder werden gekozen als resp. ouderling en diaken. In november 1899 werd de gemeente officieel geïnstitueerd door ds. J. Wisse Czn. 

Delft, 23 november 1899

Hadden we ook hier reeds lang als broeders en zusters, leden der Christelijke Gereformeerde Kerk, des zondags onze geregelde samenkomsten, en had men ook hier reeds van 1892 af bewezen, dat niet allen wensten te volgen in het voetspoor van hen, die 't werk der scheiding verloochend en der vaderen arbeid met daden veroordeeld hebben, eerst gisterenavond genoten we het voorrecht onder leiding van Ds. J. Wisse Czn, in overleg met de classis tot een kerkelijke gemeente geconstitueerd te worden. We verblijden ons, niet slechts als leden, maar nu ook als gemeente weder deel uit te maken van de Chr. Geref. Kerk in Nederland, die we lief hebben, en in wier lief en leed we wensen te delen om der waarheid wil.

Bewust van onze kleinheid, zijn we desniettemin vol vertrouwen, dat de Heere het werk Zijner handen niet zal laten varen. Met al onze belangen bevelen we ons in de liefde en in de voorbede van al onze broeders en zusters, gelijk ook wij door de genade Gods anderen wensen te gedenken. Voor al de arbeid, onder ons verricht, betuigen we onze leraren en de studenten onzer Theol. School onze hartelijke dank, met de bede, dat de Heere veler hart neige om bij de voortgang ons te dienen en te helpen.

Vooral de kerkenraad der gemeente 's-Gravenhage, die zoveel al voor ons deed, zijn we onze bijzondere dank schuldig. Met de innige bede, dat de Christelijke Gereformeerde Kerk, in 't bijzonder ook de kweekschool haar toekomstige dienaren tot een uitgebreide zegen worde, en dat ook in onze stad nog vele blinden en afgedwaalde en mogen wederkeren tot de aloude en welbeproefde paden

De kerkenraad der Chr. Geref. Gem. te Delft. 

Namens dien:

G. SILJE, Voorzitter.

W. MULDER, Scriba.


1902
1902

Na enige jaren kreeg de kleine gemeente in 1902 een eigen predikant in de persoon van ds. L.H. Beekamp, een zwager van ds. P.J.M. de Bruin. De ouders van ds. Beekamp behoorden na 1892 nog tot de Gereformeerde Kerken. Zijn vader was daar ouderling in Apeldoorn. Zijn moeder sympathiseerde echter met de Christelijke Gereformeerde Kerk en bezocht in deze periode een kerkdienst in Teuge waarin toen de nog jonge ds. P.J.M. de Bruin voorging. Hierop werd haar man in kwaad daglicht gesteld en ook vanwege het feit "dat hij De Wekker" las. Het gevolg was dat Beekamp uit de kerkenraad werd gestoten. De familie Beekamp sloot zich nu aan bij de Christelijke Gereformeerde Kerk. Een dochter trouwde met ds. De Bruin en hun zoon werd aanvaard als student aan de Theologische School. Ds. Beekamp werd bekend vanwege enkele vragenboekjes die hij schreef over de geschiedenis van de Christelijke Gereformeerde Kerk en de geloofsleer. De Synode van 1922 nam het besluit, over te gaan tot de uitgave van een nieuw vraagboekje. Vanuit de particuliere synoden waren instructies ingekomen om een nieuw vragenboekje op te stellen of een algemene regeling aangaande de te gebruiken vragenboekjes voor de catechisaties. In de toelichtingen op die instructies werd gezegd, 

"dat er in onze tijd veel vraagboekjes werden gevonden, die in schoner kleed zijn gekleed, dan het algemeen gebruikte van Hellenbroek. Echter in de keuze van die boekjes past voorzichtigheid, daar de inhoud dikwijls in strijd is met onze belijdenis." 

De provinciale synoden vroegen een boek "in meer bevattelijke zin dan Hellenbroek, maar dat vasthield aan de oude waarheid." Maar vooral de neocalvinistische leer maakte een eigen leerboek, een boekje dat de christelijke gereformeerde verbondsleer breder uiteenzette, noodzakelijk. In praktijk bleek het een lastige klus om een dergelijk nieuw vragenboekje samen te stellen, want pas in 1928 leverden een tweetal predikanten op persoonlijke titel een eigen concept in. Dit waren ds. Beekamp en ds. Jongeleen. De inhoud van deze boekjes werd door de synode goedgekeurd waardoor de kerk had te beschikken over het vraagboekje van ds. Jongeleen, van ds. Beekamp, terwijl ook nog andere vraagboeken werden gebruikt, waaronder ook dat van ds. Hellenbroek.[*] 

In 1903 ging de gemeente over tot aankoop van een stuk grond aan de Nieuwe Langendijk waarop een kerk gebouwd werd. De OP 4 februari 1905 was de kerk gereed. In 1906 vertrok ds. Beekamp en verrichtte Lerend ouderling G. Molenaar ambtelijk werk in de gemeente, een zeer gewaarde kracht, hoewel hij nooit een academische opleiding had genoten. 

"God heeft mij, onderwijs gegeven in drie dingen waarin ik nooit uitgeleerd raak: ellende, verlossing en dankbaarheid" zei hij later. 

Over zijn bekering zei hij:

"Op 16-jarige leeftijd, heeft de Heere Zijn hemels licht in mijn ziel doen schijnen en in dat licht mij doen zien mijn zonden, schuld en straf. In dat licht werd gezien een heilig God boven mij, de dood een schrede achter mij, en een eeuwige afgrond vóór mij. Maar ook Jezus Christus als Middelaar Gods en der mensen, die mijn enige troost werd in leven en sterven."

Later is Molenaar toch als predikant bevestigd. In 1944 is ds. Molenaar overleden. Ds. J.C. Maris leidde diens begrafenis en zei toen onder meer:

"Met Augustinus en de Hervormers, Luther en Calvijn, was het voor hem boven allen twijfel verheven, dat Paulus in Romeinen 7 klaagt over zich zelf. En ook, dat hij hier de tolk is van alle ware gelovigen, niet slechts zoals ze treuren over hun "eertijds" doch juist zoals zij de verlossing in Christus Jezus zijn deelachtig geworden."

De innerlijke strijd, waarover Paulus schreef woedde vanaf toen ook in het binnenste van  Molenaar:

"Wat ik wil, dat doe ik niet; wat ik waarlijk begeer overeenkomstig de wil des Heeren, het gelukt mij niet, om het in mijn doen te tonen. Maar wàt ik doe, dat haat ik dan ook, omdat het indruist tegen de geestelijke eisen van de Wet mijns Gods, waarvan mijn nieuwe levensbeginsel zo van harte getuigt, dat zij goed is. Zo is mijn eigen doen mij vreemd, een raadsel. Naar de nieuwe mens gesproken, doe ik het eigenlijk niet meer, maar het is de zonde, die in mij woont. Maar tegelijkertijd blijft dat toch mijn zonde en moet ik belijden, dat in mij, dat is in mijn natuurlijk bestaan, geen goed woont. Door genade is wel het willen bij mij, maar diezelfde genade brengt mij telkens weer en telkens meer tot de erkentenis, dat het doen van het goede van mij niet komt."

Helaas was niet iedereen ingenomen met de komst van lerend ouderling Molenaar. Er was sprake van een onrustige periode in de gemeente. De zaak kreeg zelfs behandeling op de classis. Volgens ds. Maris "heeft het br. Molenaar in zijn ambtelijke loopbaan aan miskenning en tegenwerking niet ontbroken. Maar God gaf hem een geopende deur. Eerst als evangelist, daarna als oefenaar en eindelijk als dienaar des Goddelijke Woords heeft ds. Molenaar veel, overvloedig mogen arbeiden." Ds. D. Driessen, predikant van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Rotterdam zei over Molenaar: "Hij was als een oude eik, tegen wie we met eerbied opzagen".[*] In 1907 vertrok lerend ouderling Molenaar naar Maassluis

Hugo de Grootstraat met de gereformeerde Westerkerk
Hugo de Grootstraat met de gereformeerde Westerkerk

Noten

[*] Deze gemeente droeg in haar bestaan ook de naam van Vrije Gereformeerde Gemeente, Oud Gereformeerde Gemeente en Nederlands Gereformeerde Gemeente.

[*] A. Verheij, De Christelijke Gereformeerde Kerk verkocht, overgeleverd en begraven door middel van de vereniging met de Doleantie tot eene kerk, Delft 1894. 

[*] Op 14 Januari 1910 overleed ds. L. van der Valk in Oosterbeek.  

[*] Zuiderkerk werd in 1965 buiten gebruik gesteld. Hierna diende het jarenlang als opslagplaats. Sinds 1991 kerkt hier de Evangelische Gemeente Morgenstond. Het gebouw heeft een monumentale status. 

[*] Oosterkerk werd in 1972 afgebroken. Alleen de voorgevel staat nog overeind. De gevel heeft een monumentale status. 

[*] Westerkerk werd in 1981 gesloopt. Er werden woningen op die plaats gebouwd. In plaats van de Westerkerk werd de veel kleinere Ontmoetingskerk gebouwd. Sinds 1991 is ook deze kerk buiten gebruik gesteld. 

[*] De Wekker, 17 maart 1944

[*] De stelling dat de vragenboekjes van ds. Jongeleen en ds. Beekamp werden opgesteld 'vanuit kritiek op het boekje van ds. Hellenboek' is onjuist. Ds. P.J.M. Bruin schreef enkele artikelen over dit onderwerp:  "Reeds van af het begin der Afscheiding is er verschillend gesproken en geschreven over de verscheidene vraagboekjes, die in de loop der tijden zijn ontstaan. In de achttiende eeuw verscheen het welbekende vraagboekje van ds. Hellenbroek dat vele uitgaven beleefde en bij het Voetiaans gezinde volk veel ingang vond. (..) Toch was dit boekje, hoe voortreffelijk het was voor de achttiende eeuw, voor de negentiende eeuw wel wat verouderd en daarom werd er door de uitgever wat bijgevoegd en ook gewijzigd, zodat sommige predikanten zelf een vraagboekje uitgaven, en dit gaarne door de Synode zagen goedgekeurd. (..) Ter Synode waren er ook die liever zagen, dat namens de Synode een vraagboekje werd uitgegeven. Na uitvoerige bespreking oordeelde de Synode echter hiertoe niet over te gaan. Zij verklaarde: "De Synode oordeelt, dat zij de vermeerdering van vraagboekjes niet behoort te bevorderen, maar bij vernieuwing aan te dringen op het gebruik, vooral van de Catechismus en het Kort Begrip." Met dit besluit bleef de Synode van 1854 in de lijn van ds. H. de Cock, de vader der Scheiding, die reeds in 1833 vóór zijn uitgaaf van het Kort Begrip de volgende ernstige vermaning schreef; "Een van de pesten onzer kerk is de menigte en verscheidenheid der vraagboekjes".  (..) Ondanks deze door de kerk uitgesproken wenselijkheid om bij de catechismus en het Kort Begrip te blijven, bleef het verschijnen van allerlei vraagboeken voortgaan. Dit bevorderde niet de eenheid in de leer bij het Catechetisch onderwijs. Al bleef men wel binnen de kring onzer Belijdenis en werden geen ketterijen ingevoerd, toch trad het persoonlijk standpunt van den opsteller daarin naar voren. Gevolg hiervan is geweest, dat de Synode van 1922 een besluit nam, dat afweek van dat van 1854. De Synode van 1922 nam het besluit, over te gaan tot de uitgave van een vraagboekje. (..) Men wilde op het gebied van een catechisatieboek de oude leer, doch in een nieuw kleed of liever in de stijl van onze tijd. Vooral de Neocalvinistische beschouwing over het verbond der genade (..) maakte een eigen leerboek, een boekje dat de Christelijke Gereformeerde verbondsbeschouwing uiteenzet, nodig. Zie: De Wekker 12 en 19 februari 1937

G. Molenaar
G. Molenaar

Chr. Geref. Kerk Delft 1909-1934

Op 6 maart 1910 werd ds. C. W. E. Ploos van Amstel in de Oosterkerk (Gereformeerde Kerk) als predikant bevestigd. De kleine christelijke gereformeerde kerk had het moeilijk. Toch werd het beroepingswerk weer ter hand genomen. Zo werden beroepen uitgebracht op ds. M. Koomans, ds. W.F. v.d. Kodde, ds. J. van der Vegt, en ds. P. de Groot. Uiteindelijk werd in 1909 een beroep op ds. A. Jansens uit Hoogeveen door deze predikant aangenomen. Jansens bleef 1 jaar in Delft en vertrok toen naar Aalten. Van hier verliet hij op 29 november 1914 de Christelijke Gereformeerde Kerk om in de Gereformeerde Kerken in Nederland beroepbaar te worden verklaard. Ds. J. Wisse Czn. reageerde op diens vertrek in De Wekker als volgt:

"We herinneren ons nog als de dag van gisteren hoe de man is gekomen aan de Theologische School, waar hij zijn opleiding ontving en hoe zijn openbaring was tegenover de Gereformeerde Kerken met al de aankleve van dien, - hoe hij oordeelde over de combinatie van 1892 en over geheel de beweging der Doleantie - hoe hij oordeelde over de stellingen, door dr. A. Kuyper, sr. c. s, verspreid, en met welk een eerbied en onverdeelde hoogachting hij altijd zijn volle vertrouwen openbaarde in wijlen ds. van Lingen, zíjn eerste leermeester. Ook hoe de man zijn kerkelijke overtuiging uitsprak bij zijn eindexamen, waar hij gereed stond de evangeliebediening in de Christelijke Geref. kerk te aanvaarden." Nu is ds. Jansens plotseling de mening toegedaan: "dat de zogenaamde dogmatische en kerkelijke geschilpunten slechts in schijn bestaan en tot nihil kunnen worden teruggebracht." (..)

"De Christelijke Gereformeerde kerk is in oorsprong, in leer, in doel en in openbaring grotelijks onderscheiden van de Gereformeerde kerken. Dat dit verschil door ds. Jansens ontkend wordt, is iets, waar niet tegen te redeneren valt. Als iemand zwart wit en wit zwart wil noemen, dan zeggen we eenvoudig: ga uw gang; wij zullen er het zwijgen toe doen.(..) [*] 

In 1912 kreeg de Delftse gemeente een nieuwe predikant in de persoon van ds. J. Bos. Deze bleef tot 1923. Hierna was de gemeente lange tijd vacant tot 1934. 

22 november 1926
22 november 1926
14 juli 1927
14 juli 1927

Vrij-Gereformeerde Evangelisatie

27 maart 1918
27 maart 1918
12 mei 1923
12 mei 1923
16 juni 1923
16 juni 1923

Oud Gereformeerde Gemeente 

15 juli 1922
15 juli 1922
13 september 1924
13 september 1924

In 1927 nam ds. Korporaal, predikant van de Oud Gereformeerde Gemeente (Lokaal Dertienhuizen) van Delft een beroep aan naar de 'Brusselse Zendingsgemeente' in Gent. Hij nam afscheid van zijn gemeente met een preek naar aanleiding van 1 Petrus 5: 10 en 11.  

In 1927 kreeg de Delftse Oud Gereformeerde Gemeente een nieuwe predikant in de persoon van K.P. de Groot.  Deze bleef de gemeente in haar verdere bestaan trouw.[*] 

29 maart 1927
29 maart 1927
3 december 1927
3 december 1927

Nederlands Gereformeerde Gemeente

23 juli 1927
23 juli 1927

Paauweanen in Delft 

J.P. Paauwe
J.P. Paauwe
Paauweanen in Delft
Paauweanen in Delft

"Door de week kwamen de paauweanen wel bij elkaar. Op maandagavond trokken we naar de Nieuwe Plantage in Delft, naar een mooi, oud huis, waar mevrouw Post, de nestrix van de Delftse paauweanen, woonde. We zaten daar in een prachtige kamer en suite met hoge glas-in-lood schuifdeuren, kalkversieringen aan het plafond en een antiek interieur. De achterkamer was ingericht als een kerkje, de stoelen werden gehuurd. Daar zaten de gewone paauweanen. In de voorkamer stonden luxe fauteuils, waarin de beter gesitueerde paauweanen zetelden. Op de scheiding van voor- en achterkamer stond een grote bandrecorder, merk Tandberg. Op maandagavond om acht uur precies zette de zoon van mevrouw Post de bandrecorder aan en klonk de stem van dominee Paauwe door de kamer. Boven de recorder hing een portret van Paauwe, zodat je hem niet alleen hoorde maar ook zag."

Herinnering N. Sjoer in: Nederlands Dagblad, 20 augustus 2005


Hervormd-gereformeerden 

Behalve de stroming vanuit afscheiding en doleantie is in Delft ook altijd een hervormd-gereformeerde stroming aanwezig gebleven. Toch zijn er tijden geweest waarin het moeilijk was om zich te handhaven ten opzichte van de confessionele, ethische of vrijzinnige richting. In 1906 werd landelijk de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk opgericht. 

16 juni 1916
16 juni 1916

In de Delftse hervormde gemeente ontstonden in de eerste decennia van de twintigste eeuw moeilijkheden binnen het kiescollege met betrekking op het beroepen van predikanten. Een zekere richtingenstrijd speelde hier een rol. 

In 1919 kwam vanuit Ede ds. P. Zandt naar de Delftse hervormde gemeente over, wat een aanzienlijke versterking betekende voor de z.g. 'bevindelijke richting'.

Op 6 november 1921 kwam er nog een geestverwant van ds. Zandt naar Delft in de persoon van ds. T. Lekkerkerker. Ds. Lekkerkerker deed intrede met een preek over 1 Petrus 1: 9. 

In februari 1925 werd ds. H.A. Leenmans door zijn vader ds. C.J. Leenmans als predikant van de hervormde gemeente van Delft bevestigd met een preek uit Mattheus 14: 16 

"Geeft gij hun te eten." 

Ds. Leenmans verbond zich aan de gemeente met een preek uit Lukas 5: 10 

"Vreest niet, van nu af zult gij mensen vangen." 

De drie predikanten hadden een duidelijk gereformeerd profiel. Hun invloed is in Delft nog lang merkbaar gebleven. 

Teunis Lekkerkerker werd op 28 februari 1872 geboren. Hij studeerde aan de Rijksuniversiteit in Leiden. Op 6 november 1921 kwam hij vanuit IJsselmuiden over als predikant in Delft, zijn zevende gemeente. Hier bleef hij tot zijn emeritaat in 1944. Tot 1946 bleef hij nog hulpprediker. In 1958 overleed ds. Lekkerkerker en werd in Delft begraven.
Teunis Lekkerkerker werd op 28 februari 1872 geboren. Hij studeerde aan de Rijksuniversiteit in Leiden. Op 6 november 1921 kwam hij vanuit IJsselmuiden over als predikant in Delft, zijn zevende gemeente. Hier bleef hij tot zijn emeritaat in 1944. Tot 1946 bleef hij nog hulpprediker. In 1958 overleed ds. Lekkerkerker en werd in Delft begraven.

In 1925 werd ds. P. Zandt gekozen in de Tweede Kamer voor de Staatkundig Gereformeerde Partij. Hierdoor kwam een einde aan zijn ambtelijke bediening in Delft. Ds. Zandt bleef echter wel in Delft wonen en was ook voor de partij werkzaam in de Provinciale Staten van Zuid-Holland en de gemeenteraad van Delft. 

1925
1925

Noten

[*] Ds. P.J.M. de Bruin schreef over ds. A. Jansens  "hij was geen man was van Chr. Geref. beginsel." De Wekker 9 September 1927 

[*] Aan de Delftse Oud Gereformeerde Gemeente (voorheen ook wel Vrije Christelijke Gereformeerde Kerk of Nederlands Gereformeerde Gemeente aan de Molslaan kwam in 1945 een einde. In 1939 legde een ambtsdrager uit Pijnacker zijn ambt neer vanwege zijn leeftijd. In 1945 hield de gemeente op te bestaan nadat ds. De Groot vanwege zijn gezondheid al enige tijd niet meer kon voorgaan. 

SGP-kiesvereniging in Delft

In 1918 werd landelijk de Staatkundig Gereformeerde Partij opgericht. Ds. G.H. Kersten nam het initiatief met een groot deel van zijn eigen achterban (de Gereformeerde Gemeenten), in samenwerking met hervormd-gereformeerden en christelijk-gereformeerden. Ds. J.D. Barth (Chr. Geref.), Ds. P. Zandt (Herv. Geref.) ds. G.H. Kersten (Geref. Gem.) vervulden door heel het land spreekbeurten om deze zaak onder de aandacht te brengen. De partij kwam op vanuit bezwaren tegen de koers van de Anti-Revolutionaire Partij. Gezamenlijk werden de predikanten Barth, Zandt en Kersten ook wel met enige spot BZK genoemd (Beste Zware Krultabak). Toch werden door heel het land plaatselijke afdelingen in het leven geroepen waar onder meer spreekbeurten konden worden vervuld, door predikanten die de partij ondersteunen. Zo kwam er ook een afdeling in Delft. 

Ds. Zandt (Herv-Geref), ds. Kersten (Geref. Gem.) en Ir. van Dis (Chr. Geref.) op weg naar het gebouw van de Tweede Kamer
Ds. Zandt (Herv-Geref), ds. Kersten (Geref. Gem.) en Ir. van Dis (Chr. Geref.) op weg naar het gebouw van de Tweede Kamer
1925
1925
1929
1929
1933
1933

Donderdag 6 april 1933 trad in gebouw Philalethes aan het Achterom in Delft op voor de SGP-kiesvereniging ds. B. Oosthoek, predikant van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Kampen. Deze predikant overleed op 5 februari 1934 een weduwe en vijf kleine kinderen achterlatend. Hij werd slechts 38 jaar. Ds. Oosthoek was predikant in Soest, Dokkum en Kampen. Hij was een geliefd prediker die ook in de regionale gemeenten zoals Elburg, Doornspijk, Zwartsluis, Heerde en Herxen werk verrichtte. Zijn studievrienden waren ds. B. van den Berg en ds. G.W. Alberts. Deze laatste sprak een woord op diens begrafenis in Kampen.


1929
1929
Ds. B. Oosthoek
Ds. B. Oosthoek
P. Zandt
P. Zandt

Hervormd-Gereformeerde Evangelisatie

De vacature Zandt bleek lastig te vervullen omdat men het niet eens kon worden over diens opvolger. In 1927 werd ds. Veldhoen uit Alphen aan de Rijn beroepen. Deze predikant was echter van de confessionele richting. Ds. Lekkerkerker, ds. Leenmans en ds. Zandt klommen in de pen en schreven ds. Veldhoen "dat de Gereformeerde Kiesvereniging een besluit genomen had om te gaan evangeliseren, ingeval deze het beroep naar Delft aannam."[*] Ds. Veldhoen bedankte echter. Het verschijnsel 'evangelisatie' is typisch hervormd. Hierbij moet niet gedacht worden aan een laagdrempelige samenkomst gericht op buitenkerkelijken, maar deze evangelisaties werden  ingesteld om tegenwicht te bieden aan de vrijzinnige en confessionele richting binnen de Nederlandse Hervormde Kerk. 

december 1929
december 1929

Eind 1929 werd er een aanklacht tegen ds. Zandt ingediend bij het classicaal bestuur. Hij zou collega predikanten van de hervormde gemeente van Delft 'verraders' hebben genoemd. Opmerkelijk ging het nu niet om een conflict met de vrijzinnigen en confessionelen maar om een strijd binnen de richting van de gereformeerde bond. 

januari 1930
januari 1930

De verhoudingen tussen ds. Zandt met zijn collega ds. M. van Grieken (gereformeerde bondliet te wensen over. Zo was er een kwestie over het zingen van gezangen op de school uitgaande van de hervormd-gereformeerden. Ds. M. van Grieken, ds. G.H. Beekenkamp en ds. G. Benes hadden hier geen problemen mee, maar de 'groep Zandt' met het bestuurslid Wijnmalen lagen dwars. Ds. Zandt riep het hoofd van de school ter verantwoording en "drong er bij hem op aan alleen psalmen te zingen met uitzondering van enkele nationale liederen." Daarnaast zou door de 'groep Zandt' druk zijn uitgeoefend op  onderwijzers en onderwijzeressen. Zo zou een onderwijzeres zijn aanbevolen om de catechisatie niet langer bij ds. L.J. Lammerink te volgen, maar bij ds. H.A. Leenmans. Toen deze dit weigerde zou haar tijdelijke aanstelling niet zijn verlengd. Volgens de 'partij ds. M. van Grieken' was de situatie ten tijde van ds. Zandt: "Allen die het met de groep ds. Zandt niet eens zijn worden als niet te vertrouwen aan de kaak gesteld. Zo oefent deze groep een waar schrikbewind."(..) "Dominees, ouderlingen, diakenen, onderwijzers en zoveel mensen meer nog, worden eenvoudig op de grote hoop geworpen en zonder pardon gezegd en geschreven dat men goed remonstrants, maar slecht gereformeerd is en dat men wel de schijn, maar niet het wezen van de godzaligheid bezit." 

Ds. Zandt ging in Delft nu geregeld voor in een z.g. Gereformeerde evangelisatie die bijeen kwam in de Waalse Kerk of op andere locaties.

Telkens lees ik in uw blad berichten over de kerkstrijd in de Ned. Herv. Gemeente te Delft, die onwaar van inhoud zijn. Dat betreft ook het ingezonden stuk van de heer Smit.  "De partij van Ds. Zandt", zo noemt de heer Smit de Kerkelijke Gereform. Kiesvereniging. Ook dit is niet anders dan een scheve voorstelling en tastbaar gedraai met verkeerde bijbedoelingen. Genoemde Kiesvereniging telt leden, die op Staatkundig terrein onderscheidenlijk behoren tot de A.-R., C.-H. en de S.G.P. Die kerkelijke Gereformeerde kiesvereniging zou het bij de verkiezing voor gemachtigden om de macht te doen zijn, zo oordeelt de heer Smit. Ook die oordeelvelling loopt lijnrecht tegen de waarheid in. De Geref. kiesvereniging strijdt voor de aloude Geref. Waarheid, wil op het voetspoor der vaderen van geen samenwerking met Ethischen weten en kant zich evenzeer tegen hen, die de remonstrantse "Evangelische Gezangenbundel" in de kerk gebruikt willen hebben. Die Kerkelijke Geref. Kiesvereniging zou, volgens de heer Smit met de Modernen hebben samengewerkt. Dit berust op louter laster. Feit is, dat de Modernen uit protest tegen de Ethischen en Confessionelen in hun vergadering besloten hebben de kandidaten der Geref. Kiesvereniging te stemmen. Een betrekkelijk luttel aantal stemmen zijn zodoende door de vrijzinnigen op de lijst der Geref. uitgebracht. Welk een blaam wordt door de heer Smit op de Gereformeerden gelegd, daar zij toch nooit enige concessie of samenwerking aan de Modernen hebben aangeboden. Alles, wat de heer Smit naar voren brengt en typeert als "treurig" en "dieptreurig", berust dus op onwaarheid. Dat is diep treurig te noemen. 

Ds. H.A. LEENMANS, Delft, 11 Mei 1927.

1933
1933

In gesprek met ds. A.J. Wijnmaalen

(..) Ds. Wijnmaalen is afkomstig uit een onkerkelijke familie. Niet buitenkerkelijk, maar onkerkelijk. Thuislezers dus. De grootouders Wijnmaalen waren rond een oude schrijver te vinden. 'Omstreeks 1870 werd grootvader Wijnmaalen krachtdadig bekeerd. Hij zocht toen de waarheid. Zondags ging hij lopend eropuit. In de buurt: Schipluiden, 't Woudt. Maar ook verder. Tot in Rotterdam toe. Het gebeurde eens dat hij zondags naar 't Woudt liep om daar een dominee te horen. Die man passeerde hem op weg naar de kerk met het rijtuig. Of Wijnmaalen in wilde stappen, vroeg hij. Maar grootvader had de Dag des Heeren lief en ging lopen­de verder. Maar hij kon het in de kerk niet vinden. Ten slotte is hij terechtgekomen bij Boot in de Pootstraat 8 in Delft, zijn woonplaats. Als je daar gebakerd werd, werd je goed gebakerd. Dat zei dat echte, onkerkelijke volk. Die mensen heb je nu haast niet meer. Weet je wie daar ook gebakerd is? Betje Duijzer.' (..) 'Mijn grootouders woonden op een bovenhuis aan het Achterom in Delft. (..) Zondagsmiddags gingen we naar mijn grootouders toe. Daar werd dan met een aantal mensen, onder wie mijn ouders, een preek gelezen. Als kind kregen we een boekje met plaatjes van Jan Luiken. Maar zodra opa aan de preek begon, gingen de boekjes dicht. Dan moesten we luisteren. Naast hun huis stond gebouw Philaletus, daar werden Bijbellezingen gehouden. Je kon de mensen in opa's huis horen zingen. Opa ging er niet naar toe. Hij was immers thuislezer. Maar toen op 28 september 1919 P. Zandt intrede deed bij de Nederlands Hervormde gemeente in Delft, gingen mijn ouders voortaan bij hem naar de kerk. Vader werd daar later president-diaken. Uit dien hoofde zat hij in de commissie van ontvangst van koningin Wilhelmina ter gelegenheid van de ingebruik­ name van het vernieuwde koor in de Nieuwe Kerk en voerde het woord. Op zijn ziekbed, wat ook zijn sterfbed zou worden, is het genadewerk in vader openbaar gekomen. 'Rond 1925 raakte ds. Zandt in een heel felle kerkstrijd verwikkeld. Het ging om de predikantsplaatsen in Delft en haar predikanten. Zij waren niet allemaal van dezelfde ligging als ds. Zandt. Dat was wel het geval met ds. B. van der Wal, een man die de Heere vreesde. Een irenische man, die later naar Barneveld is vertrokken. Delft was verdeeld. Ik was toen te jong om te beseffen wat er zich afspeelde. Maar ik voelde wel dat deze kerkelijke kwestie de gemoederen bezig hield.' (..)
Tenor Richard Tauber
Tenor Richard Tauber
Verschillende malen klinkt het met enige bezorgdheid: 'Kun je 't volgen? 'We horen hem vertellen over het leven van zijn schoonvader, Leendert Adrianus van den Heuvel (1886-1957). 'Met zijn broer was hij directeur van de Algemene Glashandel, een bloeiend bedrijf met vestigingen in Amsterdam, Delft, Schiedam en Nijmegen. Een statig en zeer drukbezet zakenman, die zielenvrienden had onder de zeer eenvoudigen en de welgestelden en die ook zelf het leven der genade uit genade deelachtig mocht zijn.(..) ik haal maar wat oude herinneringen op hoor, kun je 't volgen? - dat op een doordeweekse avond ds. Zandt in Leerbroek zou voorgaan. De kerk was overvol. Er waren ook enkele predikanten aanwezig en ook velen van het geoefende volk uit de wijde omgeving. De grote belangstelling overviel ds. Zandt kennelijk. Hij had als lid van de Tweede Kamer een drukke dag achter de rug. Op de preekstoel kon hij er eerst ook niet zo inkomen. Ongetwijfeld zijn er medezuchters geweest aan de Troon der genade. Er kwam verruiming op de kansel. Na afloop kwamen er nog mensen in de pastorie bijeen om na te praten over de preek. Het was spoedig laat die avond. Ds. Zandt vroeg aan zijn vriend Teunis de Jong om de avond te besluiten. Toen liet die man zingen uit Psalm 133 de verzen 1 en 3. Ja, we waren als zonen van hetzelfde huis liefelijk bijeengeweest, we mochten als broeders samenwonen en er kwam ook iets openbaar van dat liefdesvuur. Wat werd er gezongen die avond! Het ging door het plafond heen en mocht door lucht en wolken dringen. Nog hoor ik Jan den Besten uit Noordeloos boven allen uitzingen. Wat was die man goed gesteld! Toen werd er op een heel andere manier gezongen dan kort daarvoor, in dezelfde kamer.' Wat er toen gebeurde? Toen werd er ook gezongen. Maar dat is bij dit zingen niet te vergelijken. Ongetwijfeld was het van uitstekende kwaliteit, als we op de zangkunst letten. Maar daar ging het bij De Jong en Den Besten niet om. O nee. Maar die andere keer, ja dat wil ik wel vertellen, 't Was in de hongerwinter I944-I945. Niet alle Duitse soldaten konden worden ingezet om tegen de geallieerden in Noord-Brabant te vechten. Er waren soldaten die lichte verwondingen hadden en daardoor waren uitgeschakeld. Die wisten vaak niet hoe ze de lange dag moesten doorbrengen. Op een middag liep ik langs de kerk. Opeens hoorde ik zingen en orgelspelen. Er zaten drie Duitse soldaten op de galerij: een achter het orgel, een ander met een citer en de derde zong. Ze stelden zich aan mij voor. De naam van die zanger zei me niets. Wist ik dat ik oog in oog stond met een beroemdheid? Zijn makkers keken verwonderd toen ik zei nog nooit van Richard Tauber, want hij was het, te hebben gehoord. Zijn naam maakte niet de minste indruk op mij. Naderhand hoorde ik dat hij een wereldberoemde operazanger was. 's Avonds kwamen ze in de pastorie op bezoek en daar gaven zij een staaltje van hun kunnen ten beste. Tauber zong met zoveel volume dat ik zoiets naderhand nooit meer heb gehoord. Dat was zingen 'om de kunst', op de avond van ds. Zandt ging het 'om de gunst'."

Uit: Oude Paden kerkhistorisch tijdschrift, 1 september 2005

Noten

[*] De Gereformeerde Kerk, 18 augustus 1927

[*] De Gereformeerde Kerk, 1 september 1927

8 januari 1931
8 januari 1931

Ds. J.A. Riekel in Delft (1934-1945)

Op 20 maart 1934 werd na een periode van tien jaar vacant zijn, ds. J.A. Riekel bevestigd van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Delft. De bevestiging werd verricht door ds. L.H. van der Meiden die sprak over 1 Thess. 5: 12 en 13 

"En wij bidden u, broeders, erkent degenen die onder u arbeiden en uw voorstanders zijn in de Heere en u vermanen. En acht hen zeer veel in liefde, om huns werks wil. Zijt vreedzaam onder elkander."

Op donderdag 22 maart 1934 deed ds. Riekel zijn intrede met een preek naar aanleiding van Kol. 1: 28 

"Denwelken wij verkondigen, vermanende een iegelijk mens en lerende een iegelijk mens in alle wijsheid, opdat wij zouden een iegelijk mens volmaakt stellen in Christus Jezus."

Johannes Adamus Riekel werd 30 juli 1869 in  Groningen geboren in een rooms-katholiek gezin. Op 26-jarige leeftijd ging hij over tot het protestantisme. Op 31 oktober 1915 werd hij op 45-jarige leeftijd als predikant bevestigd door docent P. J. M. de Bruin in Veenendaal. In 1920 vertrok ds. Riekel naar Zaandam en in naar 1924 Maarssen. In 1925 nam hij  een beroep aan naar Sliedrecht. In 1934 kwam ds. Riekel naar Delft. 

24 december 1937
24 december 1937
Delftsche Courant 26 november 1938
Delftsche Courant 26 november 1938
4 november 1940
4 november 1940
31 augustus 1942
31 augustus 1942

NESTOR VAN ONS PARLEMENT Ds. ZANDT:

Moderne EZECHIËL Bezorgd om de volksziel.

De nestor van ons parlement was een typisch symbool van ons partijwezen. Oer-Nederlands. Ds. Zandt was een vroom man. Representant nog van het intolerant protestantisme uit de zeventiende eeuw. Anti-papist. De KVP was voor hem de draagster van de idee der middeleeuwse moederkerk. Daarom bestreed hij haar. Daarom bestreed hij ook de beide grote protestantse partijen [ARP en CHU]. Hij vond ze verwaterd. Zij trokken, naar zijn mening, te vaak en te graag met Rome op. Naast de katholieken waren de socialisten en de liberalen zijn natuurlijke tegenstanders. Hun beginsels achtte hij in strijd met ons volkskarakter. Hij zag in hen de seculaire veroorzakers van het goddeloze zedenbederf. Ds. Zandt heeft 35 jaar in de Kamer gefulmineerd. Als hij sprak, vielen de eeuwen achter hem weg. Had hij in de tijd van Achab geleefd, met Elia zou hij op de Karmel hebben gestaan. Hij was een moderne Ezechiël, een boetprediker. Een strenge verschijning uit lang vervlogen tijden. Een wat gebogen figuur in een zwart pak met hoge witte boord. De laatste jaren liep hij met schuifelende tred - een tachtiger, die nog slechts zelden de gang naar het Binnenhof maakte. Een enkele keer verving hij daar als oudste dr. Kortenhorst als voorzitter, maar uit zijn stem was de kracht verdwenen. Het fractieleiderschap viel hem zwaar. Hij liet zich steeds vaker vervangen. Niettemin bleef hij een markante verschijning met een eigen stijl. (..) Hij was echter geen fanaticus, geen geestdrijver. Zijn anti-papisme was oprecht. Hij bekladde Rome niet, was geen schotschriftschrijver. (..) Misschien [was] de tragiek dat hij in de politiek alleen de boeteprediker bleef. Daardoor stond hij steeds op een steenworp afstands van zijn protestantse broeders, die hem waardeerden om zijn moedig, getuigen. Daardoor ook bereikte hij maar een kleine kring. Niettemin is zijn verdienste groot geweest en wordt zijn verscheiden betreurd, ook door zijn politieke tegenstanders. Zijn wacht is nu afgelost. Zijn tijd was vol. 

Trouw, 6 maart 1961


Delft, 6 maart 1971 

Geliefde Pie, 

Je zult wel gedacht hebben, een kaart van Leens? Die mensen kennen mij toch niet? Maar haar zuster die aan het Oosteinde woont, kwam zaterdagavond bij ons, en vroeg of wij ook nog adressen hadden, die Leens goed gekend hadden. En toen hebben wij jou en die jongens van Koolhaas opgegeven, want die konden ze ook goed, en altijd vroegen ze aan ons, hoe met met Leens ging. Dus zo doende he. Wat hebben we mooi weer gehad he Pie? Je zal er nog wel aan gedacht hebben. O meid, ik had er onder lopen zuchten, en vroeg of de Heere het nog mocht komen te verzegelen. Daar bij dominee Pannekoek[*] in Canada waar het de vorige dagen zo sneeuwde, dat ze er haast niet door konden en op zijn begrafenis heeft de hele dag de zon geschenen. En nu sneeuwde het hier eerst ook zo erg, en vroeg, daar de Heere toch de machtige was, om de Zon door de wolken heen te laten dringen. En Pie, wat heeft de Heere het waar gemaakt, we stonden op het kerkhof, en de zon scheen zo heerlijk, het was alsof het een zomerse dag was. We konden niet anders zeggen: God is goed en wij begrijpen Hem niet, dat Hij nog naar aardwormen wil horen. Ze heeft een eenvoudige plechtige begrafenis gehad. Dominee Gooijer[*] las voor Job 16. Je moet het eens lezen Pie. En over deze woorden: "doch mijn oog druipt tot God" heeft hij ze in en uitwendig zo getekend hoe ze was. Als ik haar bezocht, zei hij, was het altijd over de eeuwige dingen, want die wogen haar het zwaarste, en heeft altijd bespeurd in haar, die droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt. En familie, zei hij, dat was van God, dat heeft de Heilige Geest in haar ziel gewerkt, want zei hij, dat heeft een natuurlijk mens niet, en dat wens ik heel de familie toe, dat ze die droefheid naar God mochten leren kennen, die onze dierbare overledene gekend heeft. Hij zei: ze mag uitroepen, ik was wel uitgeteerd, maar Hij zag op mij neder. Deze ellendige riep en de Heere hoorde. O meid, die man was zelf zo onder de indruk. Hij zei: ik heb 4,5 jaar met haar omgegaan, en hij kon haast niet van de kist in de aula weg komen van haar. Hij scheen erg betrekking op haar gehad te hebben. En hij zei zo, dat ze zich niets durfde toe te eigenen, want ze was altijd bang, dat ze zich zou bedriegen. Hij haalde een mooi beeld aan, en dat was wel van toepassing op haar zei hij. Ik was eens in Scheveningen, en toen zag ik schepen aankomen, die moesten de haven in. Er kwamen eerst grote schepen, die zeilden zo de haven in, maar zei hij, er kwamen óók kleine scheepjes, en die moesten zo worstelen om de haven in te komen. Maar toen ze er éénmaal in waren lagen de grote én de kleine scheepjes rustig te dobberen op het water, want ze waren binnen en hadden rust. En nu komt het niet zo veel voor, dat ze zo de haven binnen gaan, zei hij, dat gebeurt maar zelden, maar de meeste gaan er worstelende in, en zo was het met haar ook, tot het laatste gestreden. Hij zei: ze stond altijd voor een muur, en kon er niet overheen zien. Het orgel heeft zo plechtig gespeeld, psalm 42. Het was echt aandoenlijk. Wij zijn nog met de familie naar huis geweest, want we waren allen uitgenodigd en hebben daar jou briefje nog voor zitten lezen. Daar waren ze zó blij mee. Het had hun goed gedaan hoor. Ze waren ook zo erg op Leens, en erg bedroefd, en toch waren ze zo blij, dat er hope voor haar mocht zijn. Nu Pie, wees voor ons hartelijk gegroet, ik dacht, we hoeven nu niet naar het ziekenhuis meer, naar Leens, dus zal even een briefje naar Pie schrijven. Pie óók in alles sterkte toegewenst, óók Neeltje[*] hoor en hopelijk tot ziens D.V. Ook Gode in alles bevolen hoor. Ik hoop dat mijn brief je niet verveeld heeft. 

Daag

Hartelijke groet, Marie, Ger. Nel. [*] 

Noten

[*] Pietje Langstraat, geboren 16 februari 1906, overleden 1984

[*] Jan Pannekoek, geboren 14 oktober 1916 te Zierikzee. Werd in 1963 door het Curatorium van de Gereformeerde Gemeente in Nederland toegelaten om opgeleid te worden tot predikant. Op 12 oktober 1965 deed hij intrede in Terneuzen. Op 23 april 1970 deed hij intrede in Chilliwack in Canada. Na een korte ziekte overleed hij op 16 januari 1971 te Chilliwack.  

[*] Anthonie Gooijer werd op 13 februari 1921 geboren in Huizen. Hij studeerde aan de Utrechtse Rijksuniversiteit. In 1957 nam hij een beroep aan naar de hervormde gemeente van Sommelsdijk. Vier jaar later volgde Wezep. Tussen 1966 en 1973 diende ds. Gooijer de hervormde gemeente van Delft. Hierna diende hij nog in Zeist en Putten (1977-1986). In 1986 ging hij met emeritaat. Ds. Gooijer overleed in 1991. Hij werd begraven in Delft door ds. A. Visser met de woorden uit Efeze 2: 4 en 5. "Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus; (uit genade zijt gij zalig geworden). Met name de woorden "Maar God", hadden grote betekenis gehad in het leven van ds. Gooijer, aldus ds. Visser. 

[*] Neeltje Kalkman - Langstraat, geboren 16 februari 1898, overleden 1979

[*] Vermoedelijk: Maria Kramer, geboren op 2 oktober 1896 te Delft, Gerritje Kramer, geboren op 24 januari 1902 te Delft, Pieternella Kramer, geboren op 14 juni 1908 te Delft.