Herinneringen

Prof. P.J.M. de Bruin

"In "de Wachter" van 31 December 1937 schrijft de bekende Ds. S. Datema van Driebergen aan zijn vriend Tychicus, dat hij op de eerste Kerstdag van het verlopen jaar voor de 45ste maal het Kerstevangelie mocht prediken, voor het eerst op 25 December 1893, toen hij als student voor de eerste maal optrad om een stichtelijk woord te spreken. Dit herinnerde mij ook aan mijn eerste optreden op 25 December 1892, een jaar eerder, zodat ik op de eerste Kerstdag, voor de zes-en veertigste maal het Kerstevangelie mocht brengen, thans in Zeist, Utrechts lustwarande, waar ik die dag mocht getuigen: Het is heden 45 jaar geleden, dat ik te Utrecht in onze gemeente als student voor een kleine schare sprak. Een kerkgebouw had de gemeente nog niet. Het was in een lokaal in de Minrebroederstraat, Nog herinner ik het mij als de dag van gisteren, hoe de oude van Asch tot mij kwam en zeide: "Zo jongeling, zult gij ons heden het Evangelie verkondigen". Nog zie ik ze zitten, de broeders: Renkema, Landaal, Ditmar e.a., die allen reeds overleden zijn. Wat was het toen een opgewekt leven."


Zondag 15 Jan. 1893 preekte ik voor het eerst in Noordeloos. Thans, vijf en veertig jaar daarna, mocht ik Zondag 9 Jan. daar opnieuw voorgaan in de Bediening des Woords. Die eerste reis naar Noordeloos bleef mij steeds in het geheugen. Ik zou een predikbeurt waarnemen voor den pastor loci Ds. H.A. Jonkman, in wiens pastorie ik zou logeren. De koetsier, die mij van Gorinchem naar Noordeloos had gebracht, zette mij af in de late avond van 14 Januari aan de pastorie der Nederlands Hervormde gemeente en keerde onmiddellijk naar Gorinchem terug. Ik kreeg echter geen gehoor en merkte weldra, dat deze pastorie leeg stond, daar die gemeente vacant was. De politie of nachtwacht kreeg mij in het oog en bemerkende, dat ik in de pastorie der Chr. Geref. Kerk moest zijn, bracht hij mij aldaar, waar ik door de kinderen van Ds. Jonkman met vreugde werd ontvangen. Wijlen ouderling Blokland, die reeds een preek had opgezocht, vrezende, dat ik niet meer zou komen, werd nog opgeklopt en gemeld dat de student was aangekomen. Nog herinner ik mij de vele oude godvruchtigen, die ik aldaar sprak, als de oude Esther, Hanna, blinde Neeltje en anderen. Toen ik des Maandags Ds. Jonkman, die nog altijd een steek droeg, in de pastorie ontmoette, bleef ik aldaar tot Dinsdag en mocht er vele pastorale lessen ontvangen van de in de praktijk vergrijsde Dienaar des Woords.



Trad ik 18 Juni 1893 op in een opnieuw geopenbaarde gemeente n.l. Amersfoort, evenzo gebeurde op Zondag 16 Juli, toen ik voor het eerst in Steenwijk een stichtelijk woord mocht spreken.

Ook hier was weer het woord van de Apostel waar, dat het niet vele edelen en rijken waren, die het oude Christelijk-Gereformeerd-beginsel vast hielden.

De plaats van samenkomst was een bewaarschool, een klein gebouw, maar dat toch aardig bezet was. Er was ook hier veel te spreken over de strijd, die gestreden was en de moeilijkheden, die men doorleefd had, ook van de zijde van de dolerenden, die toen nog afzonderlijk vergaderden, daar de meeste van de vroegere Christelijke Gereformeerden, hoewel met de Vereeniging van 1892 meegaande, toch niet wilden samensmelten, zodat zelfs de mannen van A, en B. tamelijk scherp tegenover elkaar stonden. De gemeente, met de letter A. aangeduid, was ene oude gemeente, die reeds kort na de Afscheiding in 1834 was geïnstitueerd. Aldaar woonde een man, die arbeidde in het veen, en turven maakte, met name Lutses Dijkstra, die een hartsvriend was van Ds. Hendrik de Cock, en op Zaterdags op stap ging van Steenwijk naar Ulrum om Zondags Ds. de Cock te horen en al spoedig, toen Ds. de Cock geschorst was, ging oefenen en alzo de vervolgde en verdrukte gemeenten des Heeren tot rijke steun was.



Maandag 2 Oktober 1893 bleef ik nog tot na de middag in Frieslands hoofdstad. Ik bezocht er enkele leden van de gemeente, o.a. de ouders van wijlen Ds. Biesma. Mijn geleider liet mij ook de Oldenhove zien, een hoge toren van historische betekenis, die reeds vele eeuwen had verduurd, en op verre afstand van Leeuwarden reeds zichtbaar was. Overal werd ik met blijdschap en liefde ontvangen en men verheugde er zich in weer eens een Christelijk Gereformeerd leraar in huis te ontvangen. Zulke bezoeken moesten dienen tot opwekking in den strijd, dien men in die dagen had te strijden, tot aanmoediging van hen, die nog op twee gedachten hinkten en wel sympathiseerden met de staande gebleven Christelijke Gereformeerden, maar het nog niet aandurfden den beslissende stap te doen. Zo deden wij in zekeren zin zendingswerk tot uitbreiding van de kerk der scheiding. Dat wij nog tot de namiddag in Leeuwarden bleven, had nog een andere reden. Enkele weken vóór Oktober was het in de stad Groningen bekend geworden, dat wij in Leeuwarden zouden komen en nu hadden enkele broeders een lokaaltje gehuurd aan de Menno Coehoornsingel en mij verzocht daarin op te treden op Maandagavond 2 Oktober, om alzo te trachten ook in Gruno's veste een gemeente te vergaderen.

Men wist, dat er in de stad mannen en vrouwen waren, die het beginsel der Afscheiding van harte omhelsden en die het betreurden, dat in de stad, waar vroeger Ds. H. de Cock gewerkt en gestreden had, waarin hij gewoond had en ook begraven was, niets was over gebleven van de kerk der scheiding, althans wat den uiterlijke vorm betreft.

Maar in het verborgen leefde die kerk voort en dat er nog velen waren, die met het dolerend standpunt niet konden meegaan, bewees wel de heftige strijd, die tussen de kerken A en B aldaar gestreden werd. Zo kwam ik dan te Groningen aan en werd van de trein gehaald door iemand, die vol was om te vertellen, hoe schoon Groningen was en mij herwaarts en derwaarts heenvoerde, zodat mijn voeten mij bijna de dienstweigerden. Onwillekeurig moest ik denken aan Paulus te Athene, die ook de academiestad doorwandelde en eindelijk op den Areopagus gebracht werd. Mijn Areopagus was echter een eenvoudig lokaal van Mevr. Mol Moncourt aan de Coehoornsingel. Toen ik daar aankwam, was het lokaal nog leeg en kon ik nog enige rust genieten. Na enige tijd vulde zich het lokaal en weldra liep het vol, niet alleen van belangstellenden, maar ook van nieuwsgierigen, zoals er ook op de Areopagus waren, mensen, die zeiden: "Wat wil toch deze klapper zeggen?" Dat het niet allen vrienden waren, bleek wel, toen ik mijn tekst af las en sommigen daarna het lokaal verlieten. Die tekst was: Hand. 28:22b: "Doch wat deze sekte aangaat, ons is bekend, dat zij overal tegengesproken wordt".

Hoewel ik er niet van houd de kerk te prediken, maar het Evangelie van de genade van Christus, moest ik hier toch ook de hoorders wijzen op de  tegenstand, welke de kerk ontmoet overal, waar zij de waarheid wil handhaven tegen over on-gereformeerde leerstellingen, zoals die in die tijd geleerd werden.

Bij het einde, verzocht ik hen, die Christelijk Gereformeerd wilden blijven, niet heen te gaan, maar te horen naar het doel van ons optreden. Dat doel was, een lijst door enkele broeders opgesteld, de blijvende ter tekening voor te leggen. Enkelen tekenden, waaronder een zekeren br. Bulthuis, P. Ottens, A. Kenia, waaruit de Groninger gemeente ontstond, die begin December reeds geïnstitueerd werd.


De eerste kandidaat die wij bevestigden, was mijn eerste leerling, kandidaat H.A. Minderman, die naar Art. 8 D.K.O. was toegelaten tot den Dienst des Woords, nadat wij hem op verzoek der classis een jaar lang opgeleid hadden. Ik was dus reeds, voordat ik aan de Theol. School werkzaam was, met opleiding begonnen, niet vermoedende, dat ik later dit werk aan de Theol. School zou voortzetten. Als zijn leermeester werd ik reeds 1 December 1895 geroepen om hem te Gouda te bevestigen. Ik was toen nog zeer jong, slechts 27 jaar oud. Bij die bevestiging was ook tegenwoordig mijn vriend en broeder A. van der Heyden, destijds student aan onze Theol. School, die toen nog in de consistorie der Eben-Haezer Kerk in de Snoekstraat te ''s-Gravenhage voor de opleiding gebruikt werd. Des Maandags lieten zij een foto maken als gedachtenis aan dien dag, die van zovele weldaden des Heeren getuigde. Nog bezie ik dikwijls dit aandenken. Daar zie ik dan een predikant die naar Art. 8 D.K.O. tot het ambt kwam, een student onzer Theol. School, die later aan dezelfde School mijn collega werd en een jong leraar, die te Kampen het grootste deel van zijn opleiding genoten had. God had ze saam gebracht langs wonderlijke wegen. Als ik aan dit verre verleden denk, thans bijna een halve eeuw terug, dan wordt mijne ziel klein bij het gezicht op al de bemoeienissen des Heeren en op het wonder dat ik nog gespaard ben en reeds een hoge leeftijd mocht bereiken.


Oude vrienden en broeders te ontmoeten is zeer aangenaam, maar niet minder is het met nieuwe vrienden kennis te maken. Ik hoorde eens van een broeder die op reis was geweest en toen nieuwe broeders had ontmoet "het is zoo genotvol weer opnieuw met kinderen Gods kennis te maken, want zoveel te meer bekenden zal ik in den hemel ontmoeten". Welnu, daaraan dacht ik ook toen ik in December 1921 in twee gemeenten optrad, welke slechts kort geleden geïnstitueerd waren, en waar ik nog nooit Gods Woord gepredikt had. De eerste ervan was de gemeente te Driebergen, waar ik voor de eerste maal preekte op Zondag 18 December. Door het uittreden van Ds. G. Wisse aldaar, was een gemeente ontstaan van leden, die mede de Gereformeerde Kerk aldaar hadden verlaten en tot de Christ. Geref. kerk waren overgegaan. Daar echter Ds. Wisse het beroep naar Arnhem had aangenomen, was de gemeente vacant, doch niet verstoken van een plaats van samenkomst, daar men al spoedig een nieuw kerkje had gebouwd.


Een week later was ik te Hillegom. Daar het Kerstfeest dit jaar op Zondag viel, preekte ik er ook 's-Maandagsmorgens en was deze pas ontstane gemeente op deze feestdagenspoedig voorzien van de prediking. Ik had namelijk die Kerstdagen beloofd aan de gemeente te Haarlem, doch toen de kerkenraad van Hillegom vernam dat Haarlem reeds voorzien was door de komst van Ds. Bijleveld, had men mij gevraagd deze beloofde feestdagen aan Hillegom te geven.

Die eerste prediking te Hillegom zal ik niet licht vergeten. Het was op eerste Kerstdag ruw weer met regen en koude. Daarbij had ik zulk een pijn in den rug, dat ik niet recht op kon gaan en krom gebogen onder mijne paraplu moest lopen. De plaats van samenkomst was in een bollenschuur met zeer lage raampjes en daar de zon met wolken bedekt was, was het er zo schemerachtig donker in, dat ik van mijne schets geen letter kon zien. Onder zulke omstandigheden trad ik op en gevoelde dat hier de hulp des Heeren bijzonder nodig was. Ik werd niet beschaamd en de Heere ondersteunde mij, zodat ik ervaren mocht, dat in de ure, waarin het nodig is, de Heere mij aan niets deed ontbreken. Des avonds zelfs gaf de Heere zoveel ruimte onder het preken, dat ik met veel genot zelfs het Kerstevangelie mocht verkondigen van "die grote blijdschap, die al de volke wezen zal". Van achteren leren dan Godsknechten, hoe nodig het is ook bij de prediking wel eens in de engte te komen om alzo hun steile afhankelijkheid van den Heere gewaar te worden. Soms menen ze wel het zelf te kunnen doen, maar dan leren ze opnieuw de waarheid verstaan: "Zonder Mij kunt gij niets doen". Zo blijven Gods knechten, ook al hebben zij discipelen op te leiden tot den dienst des Woords, zelf ook leerlingen, die inde school van den Heere Jezus voortdurend onderwijs hebben te ontvangen, en gelukkig als men dan maar aan de voeten van den grote Leermeester mag zitten om van Hem onderricht te ontvangen.

Zo vertrok ik den 26 December des middags blijmoedig uit Hillegom om Zaterdags vroegtijdig van huis te reizen naar Culemborg, waar ik des avonds Oudejaarsavond-prediking had. Van deze gemeente had ik eens wijlen Ds. Schotel horen zeggen, dat zij daar slechts een psalmboek met acht verzen hadden, d.w.z. dat men daar niet anders kon opgeven, de enkele zeer bekende psalmen zoals 25, 84, 89, 118 en 119 enz. Om gelegenheidspsalmen voor den Oudjaarsavond te vinden, was dus niet zo gemakkelijk, want als liturg wil men toch gaarne de gemeente een psalm op de lippen leggen, die overeenkomt met de preek en de gelegenheid des tijds. Het kan nog wel eens verwonderen, hoe sommige predikers weinig rekening houden met de stof, waarvan zij prediken en maar lukraak een psalmvers opgeven, dat maar heel weinig bij de preekpast. Dat een ouderling, die geen liturgisch onderwijs heeft gehad, zulke fouten begaat, kan ik wel vergeven, maar dat een liturg in de lijdensweken de samenkomst der gemeente begint met een zeer hoge lofpsalm niet. Eens trad ik op in een vacante gemeente op de Zondag na Pasen. Dan toch moet het loflied weerklinken als wijding op het gevierde Paasfeest. De voorzang dien ik op mijn psalmbriefje had opgetekend was psalm 69 : 14 "Gij, hemel, aard en zee vermeldt Gods lof, enz." Terwijl ik bad aan de voet van de kansel, gaf die ouderling op te zingen: ps. 69 : 4: "Mijn broederen ben ik vreemd, van elk onteerd, En onbekend den zonen mijner moeder, enz. Een van de zwaarste lijdenspsalmen. Ik was toen nog in 't gebed, maar rilde er van en had wel willen uitroepen: Nee, gemeente, gij moet vers 14 zingen. Een lofpsalm en geen lijdenspsalm. Ik had heel wat nodig om weer in de rechte stemming te geraken en dacht weer aan een gezegde van wijlen Ds. Schotel: "Er zijn ouderlingen, die schijnen in de maan gebakken te zijn". Hij zeide dit van een ouderling, die in een vacante gemeente een huwelijk zou bevestigen (wat ook al kerkrechtelijk onjuist is, want huwelijksbevestiging is Bediening des Woords, waartoe een ouderling niet geroepen is), die ouderling nu begon in plaats van het huwelijksformulier de ziekentroost te lezen, waarmee hij eindigde, toen hij zijn fout bemerkte.


Schreven wij de vorige maal dat het jaar 1925 zeer feestelijk begon door de herdenkingen van het voortbestaan van de gemeente te Harderwijk op 1 Januari, ook 4 Maart was voor ons een feestavond, toen wij optraden te Enschede om aldaar met de gemeente eveneens het vijf en twintig jarig voortbestaan te gedenken. Deze gemeente was 4 Maart 1900 weer tot openbaring gekomen en 12 Oktober van ditzelfde jaar ontving ik van die gemeente een beroep, voor hetwelk ik echter moest bedanken. Tijdens dit beroep, predikte ik aldaar op 23 Oktober over Spreuken 19:18 "Maar de raad des Heeren die zal bestaan". In het pas gebouwde kerkgebouw in de Ledeboerstraat predikte ik die avond en na de prediking kwamen vele leden van de gemeente tot mij om aan te dringen op de aanneming van het beroep. Maar de raad des Heeren was anders, en ik moest te Apeldoorn blijven. Eerst in 1901 ontving de gemeente haar eerste leraar in ds. R.E. Sluiter die van Steenwijk tot haar overkwam. Na zeer kort door ds. Oosterhuis gediend te zijn, heeft ds. F. Lengkeek te Enschede van 1907 tot 1909 gestaan. Van 17 November1912 tot 1917 mocht ds. L.H. van der Meiden haar dienen. Als kandidaat nam hij uit vele beroepen dat van Enschede aan. Na een korte vacature van slechts vier maanden kreeg Enschede in Ds. A.H. Hilbers van Drachten haar vierde predikant, die aldaar pastor was toen wij bij het zilveren feest van de gemeente onze feestrede hielden. Met weemoed denken wij nu nog terug, hoe deze jeugdige leraar twaalf jaar later te Groningen ontsliep. In hetzelfde jaar 1925 vierde onze gemeente te Alpen aan den Rijn haarvoortbestaan gedurende het vierde van een eeuw. Ik had daar op 19Februari 1900 voor het eerst gepreekt op een bovenzaal, toen er nog geen gemeente was. Dien avond was er een jongeling onder mijn gehoor, die nu in Apeldoorn mijn pastor is. Dat op treden aldaar had ten gevolge, dat er een gemeente ontstond en op 7 September 1925 hield ik aldaar een gedachtenisrede over het zilveren jubileum. De pastor loci, wijlen Ds. J.D. Barth sprak een woord vooraf en onze bejaarde Ds. van Brummen, thans emeritus predikant te Driebergen, sprak als voormalig leraar van Alphen het slotwoord.


De zomer van het jaar 1925 was zeer warm. Het was een synode jaar, en de breedste (niet hoogste) vergadering van onze kerk kwam toen te Groningen saam. In de warme zomer van 1925 bezocht ik vier gemeenten, waarin ik nog nooit het Woord bediend had, n.l. op 19 Juli te Midwolda, waar eenmaal de bekende Ds. Schortinghuis, de schrijver van, "het Innige christendom" stond en na zijn bekering zo dringend de mensen tot bekering riep.

Zijn boek over het innige Christendom, bij de oprechte vromen zeer geliefd, mag ook in onze droeve dagen nog veel gelezen worden. Het is een protest tegen de dode rechtzinnigheid van zijn dagen, al werd hij ook bespot om de daarin voorkomende "dierbare vijf nieten", "Ik wil niet, Ik kan niet, Ik weet niet, Ik heb niet, Ik deug niet," waarbij hij er ernstig op aandringt, dat ieder die vijf nieten hij bevinding moet leren kennen.

Ik was met veel genoegen in Midwolda en merkte dat de geest van Schortinghuis aldaar nog niet was uitgestorven.

Uit Groningen teruggekeerd, maakten wij in 1925 nog vier malen een reis naar het hoge Noorden, en wel naar Ulrum, Franeker en Drachten, waar wij voor het eerst optraden en 12 december een koude reis met vriezend weer naar Harlingen, waar wij 13 december onze zwager ds. L.H. Beekamp bevestigden. Wij besloten 1925 met een oudejaarsavond-predicatie te Woerden. Zo eindigde 1925 het warme Synode-jaar met vorst, maar Nieuwjaar 1926 begon met regen en de eerste helft van Januari regende het zo erg en langdurig, dat de mensen, die zo spoedig klagen over het weer, alsof God niet weet, wat het beste is, niets, anders deden dan klagen over de open winter en de zware regens. Daar een leraar in de prediking ook moet letten op de gesteldheden in de natuur, predikte ik 10 Januari 1926 in Arnhem over Genesis 9:13, over de regenboog als het teken van het natuurverbond met Noach. Het mocht dan fel regenen, maar God zou gedenken aan Zijn Verbond, dat de wateren niet meer als een vloed over de aarde zouden komen om alle ziel te verdelgen.

Dienzelfde avond was aldaar in het gezelschap een schipper, die in de afgelopen week van zijn schip in de diepe haven was gevallen en nauwelijks gered was geworden. Dat gaf aanleiding hem te vragen, hoe het er bijstond als hij eens verdronken was en dat de mens elk ogenblik in gevaar is. Hoe noodzakelijk dan een Borg te hebben voor de ziel en te weten het eigendom des Heeren te zijn. Zo komt telkens de waarschuwing tot ons: "Haast u om uws levens wil". Want het leven vliegt voorbij en de ouderdom nadert met rasse schreden.

Daarbij werd ik bepaald op Woensdagavond 10 Februari. Ik hield toen een lezing te Haarlem over Onesimus, nadat ik de gehele dag op de School college had gegeven, zodat ik vermoeid daar aankwam. Toen ik de kansel had beklommen, zei een toehoorderes tot degene, die naast haar zat: "De dominee wordt oud". Ik was toen nog pas 58 jaar, maar leek door de vermoeidheid wat oud. Ik leerde hieruit de les om in de week geen lezingen te houden, als ik des daags colleges gaf. Men moet ook zijn lichaam sparen, als de jaren klimmen en nu ik 75 ben, mag ik des Zondags zo nu en dan nog optreden. Ik kan de weldaden, die de Heere mij geeft, niet naar waarde prijzen.

Zo heb ik ook als docent aan de Theol. School elke Zondag het Woord bediend en al was 1929 in de winter zeer koud, toch behoefde ik niet thuis te blijven. Toen het voorjaar aanbrak ging ikweer verre reizen maken. Zo reisde ik op de eerste Zondag van de maand Mei naar 's Gravenzande, Toen ik Maandagmorgen in Apeldoornterug kwam, werd ik zeer ontsteld door het schokkende bericht dat Zondag 5 Mei Ds. H. Biesma van Groningen in de kracht van zijn jaren door de dood was weggenomen na een kortstondige maar zeer ernstige ziekte. Zondagavond 28 April had hij voor het laatst het Woord bediend. Hij was die Zondag juist zes en veertig en eenhalf jaar oud. Het laatst had ik hem ontmoet op de Generale Synodevan 1928 te Apeldoorn, en hem daar horen prediken, bij gelegenheid van de ure des gebeds voor de Synode over Jesaja 14:32: "Wat zal men dan antwoorden den boden des volks? Dat de Heere Sion gegrond heeft op dat de bedrukten mijns volks een toevlucht zouden hebben". Met stichting hebben wij toen die predikatie beluisterd van de prediker, die werkelijk singuliere gaven bezat. Het was de eerste en de laatste maal in ons leven, dat wij hem hoorden prediken. Wel hadden wij menigmaal te Sneek en te Leeuwarden in zijn huis gelogeerd als wij aldaar preekten en met aangenaamheid verkeerd. Zo herinner ikmij nog, dat wij eens in Sneek hadden gepredikt, dat wij Zondagsavonds 11 Juli 1915 in zijn huis een Calvinist-baptist ontmoette, die van harte instemde met de leer van vrije genade, maar ook zijn baptistisch standpunt verdedigde. De aangename discussie die zich daaruit ontwikkelde, heb ik nooit vergeten, en hoewel ik zijn baptisme verwierp was er een hartelijke instemming met zijn belijdenis van de vrije en souvereine genade Gods.

 

ds. J. van der Vegt
ds. J. van der Vegt
Oefenaar W. Vermeer
Oefenaar W. Vermeer

Hij diende Hilversum van 1909 tot 1923. Daarna werd Hilversum gediend door ds. Jongeleen tot 1930, daarna door ds. Geels tot 1932 en vanaf 1932 door de tegenwoordige pastor Ds. M. Holtrop. Ik voeg er deze opgave bij, omdat kort geleden een broeder mij vroeg in mijne herinneringen ook iets over Hilversum te schrijven. Ik preekte daar voor het eerst 19 Jan. 1908 en bediende daar toen het Heilig Avondmaal in een lokaal. Spoedig daarop kreeg Hilversum een kerk op de Zeedijk, waarin in 1937 de Generale Synode samen kwam.



Van den Rijn naar de Amstel is slechts een kleine stap. Op 22 Mei 1929 preekte ik voor het eerst te Ouderkerk aan den Amstel. De gemeente was nog klein maar had een lief kerkje, waarin ik op die datum het Evangelie mocht verkondigen. Ouderkerk was een oude Christelijke Gereformeerde gemeente. Zij werd geïnstitueerd 6 Oktober 1881. Hoe klein zij ook was, toch durfden zij reeds in 1882 een predikant te beroepen, die zij ontving in Ds. W.J. Weyenberg, een leraar die reeds in 1856 in het ambt bevestigd was. Hij diende de gemeente tot 1885 en werd 16 Januari 1887 opgevolgd door Ds. A. de Vlieg, die weder gevolgd werd door Ds. J.J. Dekkers en M. v.d. Boom. Onder het pastoraat van dezen had de vereniging in 1892 plaats en smolt de gemeente in met de kleine dolerende kerk in 1890. Br. A. Hol kreeg nu met ds. v.d. Boom verschil over de leer der onderstelde wedergeboorte en sloot zich als bezwaarde broeder bij onze gemeente te Amsterdam aan. Daar het voor de vrouwen te bezwaarlijk werd in Amsterdam te Kerken, liet men te Ouderkerk leraars optreden en weldra ontstond er een gemeente welke door de broeders Hol en Udo als ouderlingen gediend werd.Tegenover het houten kerkje in 1881 gebouwd, verrees een stenen gebouw, waarin ik dikwijls mocht prediken sinds 1929. Later kreeg de gemeente in Ds. Joh. van Doorn weer een predikant, die de gemeente van 1936 tot 1942 diende. Zondag 19 September van dit jaar mochten wij nog eens in haar midden het Woord en de Heilige Doop bedienen. Toen wij de volgende morgen zouden vertrekken, liet de volle bus ons staan. Wij kwamen een uur later in Amsterdam aan en moesten daar van lijn 25 op lijn 7 overstappen. Als een bewijs hoe de Heere voor mij zorgde bij dit overstappen, kan ik nog mededelen, dat op het kruispunt een lid van mijn gemeente mij zag en mij veilig geleidde om in de anderen trein te komen. Had ik kort te voren gezegd, dat ik altijd onder veilige hoede reisde, ik ontving hierin weder een bewijs van 's Heeren veilig geleide.


Het was reeds 22 December 1930 toen ik een reis maakte, naar een plaats, welke mijn voet nog nimmer had betreden. Zondags had ik in Woerden gepreekt en op de thuisreis stapte ik uit te Amersfoort om met de bus naar Scherpenzeel te reizen. Mijn jongste dochter had na haar huwelijk zich aldaar gevestigd en nu trok het vaderhart naar dat mij onbekende dorp, alwaar ik haar nu graag wilde bezoeken. Ook had ik een reden van historische aard. In dat Scherpenzeel op de grens van Gelderland en Utrecht gelegen, had vroeger gewoond de bekende Izaäk de Costa, de christendichter, die te Leiden met zijne echtgenote en Dr. Cappadose in de Pieterskerk gedoopt werd en in één zijner Zangen de vrije genade Gods roemt in de versregels: Zijt Gij, o mijn Heiland, Gij tot mij gekomen? Hebt Gij hem gezocht, die naar U niet en vroeg? Deze de Costa die in 1823 zijn geschrift: "Bezwaren tegen den geest dezer eeuw" uitgaf, waarin hij zo fel het toen heersend liberalisme striemde, had zich later in Scherpenzeel gevestigd. Aldaar hield hij zijn Bijbellezingen en grote scharen volks, die de waarheid zochten, trokken daarheen om de waarheid, die naar de godzaligheid is, te horen, want het Woord Gods was schaars in die dagen. Het vijandig Kerkbestuur wilde dit beletten en verbood hem toehoorders van elders te ontvangen en zodoende die samenkomsten te verhinderen. 't Was kort voor de Afscheiding; toen al wat Gereformeerd was en aan de oude belijdenis der vaderen vasthield, met druk en vervolging tegen gestaan werd. De Costa verliet dan ook Scherpenzeel en keerde naar Amsterdam terug. Toch bleef in dit Gelderse dorp nog een overblijfsel naar de verkiezing der genade Gods waaruit later een kleine Christ. Geref. gemeente ontstaan is. Die gemeente werd reeds geïnstitueerd in 1839, maar kreeg voor het eerst een voorganger in den oefenaar G. van Velzen in 1887, daarna werd zij bediend door Ds. A. van Apeldoorn die met de vereniging van 1892 mede ging, waardoor de gemeente bij de Geref. Kerken werd ingelijfd en ophield Christ. Geref. gemeente te zijn. Mijn lezers zullen verstaan dat ik graag deze plaats eens bezocht, hoewel de vroeg invallende duisternis mij noopte haar spoedig weer te verlaten.


De Kerstdagen mocht ik in Apeldoorn het Kerstevangelie verkondigen en na de laatste Zondag van het jaar 1930 in Maarssen te hebben doorgebracht eindigde, ik dit jaar in Teuge en mocht daarna de oudejaarsavond in den huiselijke kring doorbrengen, wat mij altijd een groot voorrecht was, omdat ik dit niet elk jaar kon doen. Zo brak dan het jaar 1931 aan, dat weder een Synodejaar was, die gehouden werd te Rotterdam. In dat jaar reisde ik 23 Mei naar Leiden op de dag vóór Pinksteren. Niet om aldaar te preken, maar om de begrafenis bij te wonen van mijn laatst overleden oom, een broeder van mijn vader, die op den leeftijd van bijna 90 jaar zijn wens verkreeg om in te gaan in de vreugde Zijns Heeren. Hij was een tweeling, die met zijn tweelingbroeder in 1866, het cholerajaar, werd staande gehouden. Velen werden in dat jaar door de dood weggenomen en dit werd het middel dat beide broeders tot bekering kwamen en van nu af te saam den weg des levens bewandelden. De een bracht ik ten grave in 1912, de ander, aan wien ik het eerst verteld had. dat ik lust had gekregen den Heere te dienen, mocht zeer oud worden. Op zijn graf sprak ik toen over de heerlijkheid der Opstanding ten jongsten dage voor een zeer grote schare op de begraafplaats Endegeest. Die begraafplaats was vroeger een buitenplaats geweest, waar een zuster van mijn grootvader tuinvrouw was, dezelfde godvruchtige vrouw, die Ds. Ledeboer in de gevangenis bezocht en over wier vrijmoedigheid ik eens schreef in een jaarboekje over twee schilders voor wie zij het middel tot bekering werd. In het stukje: "De zegen des gebeds", heb ik dat beschreven. Na de begrafenis keerde ik des avonds weer naar huis terug om de volgende twee dagen in Apeldoorn het Pinkster-Evangelie te verkondigen. In de trein overdacht ik de preken, die ik houden moest en bleef thuis gekomen nog lang op om mij nog voor te bereiden voor het werk in den dienst des Heeren, dat nog op de feestdagen wachtte. Ondanks dit alles, mocht ik met blijdschap het Evangelie brengen en op het Pinksterfeest mij verheugen in de komst van de Trooster, Die naar de belofte des Heilands gekomen was en Zijn Nieuw Testamentische Kerk op aarde stichtte.



De Kerstdagen van 1934 bracht ik door in een jonge gemeente, waarin ik nog niet gepreekt had, namelijk in Eemdijk, een dochtergemeente van Bunschoten, die nu zelfstandig was geworden en dicht bij de rivier de Eem was gelegen, naar welk water ook de gemeente aldaar de naam had gekregen. Hoewel ik daar voor de eerste maal optrad en wel in een nieuw kerkgebouw, dat aldaar verrezen was, was mij de gemeente niet onbekend. Reeds vroeger had ik vaak te Bunschoten gepredikt en toen mijn zoon daar als predikant stond, met vele leden der gemeente kennis gemaakt. Daar nu de gemeente Eemdijk uit die van Bunschoten gesproten was, waren velen, die vroeger te Bunschoten behoorden, thans leden van Eemdijk. De stichting dier gemeente was een bewijs van den groei der Bunschotense gemeente. Haar kerkgebouw was te klein geworden en eiste vergroting. Door de stichting der gemeente Eemdijk was de vergroting niet nodig en konden de beide zustergemeenten zich verder uitbreiden. Zoo zag ik ook hier de uitbreiding der Kerk van 1834 die in 1892 zeer verkleind was, maar waaraan toch het woord des Heeren bevestigd werd: "Uw beginsel zal wel gering zijn, maar Uw laatste zal zeer vermeerderd worden". Klein in 1834, klein ook in 1892 mocht ik in 1934 aanschouwen, dat God niet laat varen het werk Zijner handen.