Grote zondaarsliefde

Ds. L.H. van der Meiden

Want de Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was. Lukas 19: 10 

De liefde zoekt zichzelf niet (1 Korinthe 13 : 5). Van de apostel Johannes vertelt de overlevering, dat hij eens op bijzondere wijze zijn liefde geopenbaard heeft. Onder zijn schapen behoorde een jongeman, die heel veel beloofde voor de toekomst en de meest trouwe bewaking en verzorging van Johannes ondervond. Toen Johannes eens zijn gemeente moest verlaten, droeg hij de zorg voor die jongeman aan de meest vertrouwde van zijn gemeente toe. Maar toen Johannes weg was, bleef de jongeman niet getrouw; hij verliet het rechte pad en, ten spijt van alle vermaning, week hij verder af en zonk dieper weg. Ten slotte kwam hij terecht bij een roversbende en werd zelfs de hoofdman van die bende. De apostel Johannes kwam weer terug tot zijn gemeente. Zijn eerste vraag was naar de jongeling Theagenes. Het antwoord, dat men bijna niet durfde geven, luidde: "Hij is verloren o vader, voor altijd verloren". Maar voor de liefde van Johannes was hij nog niet verloren. Johannes informeerde, waar Theagenes zich met zijn rovers-bende ophield. Men wilde er echter niet van weten, dat Johannes naar het verblijf van de rovers zou gaan om Theagenes te zoeken. Johannes mocht zich niet in levensgevaar stellen en niet zichzelf ten offer brengen. Maar niets en niemand kon hem weerhouden. De liefde dreef Johannes tot zoeken en behouden en de liefde is sterker dan de dood. De liefde, zoekt zichzelf niet. De liefde doet als de verpleegster bij het ziek- en sterfbed van de lijder aan een besmettelijke ziekte, zij blijft waken, zonder te bedenken, dat haar eigen leven in zo groot gevaar is; zij doet als de stuurman op het brandend schip, hij blijft staan en sturen, ook al vermeerderen zijn brandwonden en al wordt hij bijna verteerd van smart; de liefde is als een moeder, die niet alleen waakt en wacht zonder te bedenken, wat zij zelf lijdt, maar die zichzelf, als het moet, ook offert tot in de dood. Die liefde drijft Johannes voort. Hij kan niet rusten aleer hij Theagenes gevonden heeft. Eindelijk vindt hij het roverhol en dan vraagt hij naar de hoofdman. De hoofdman komt, herkent Johannes en vraagt, wat zijn "vader" verlangt. Johannes antwoordt : "U, mijn zoon!" Theagenes beweert, dat dit niet kan; hij is verloren. Hij kan alleen nog maar toestaan, dat Johannes ongedeerd het roverhol verlaat, hoewel dit anders niet plaats mag hebben. Maar Johannes houdt aan; hij kan niet en zal niet terugkeren dan met zijn zoon. Zijn liefde houdt aan en dringt aan, die liefde zoekt te overreden en te overtuigen en die liefde..... overwint. Daar ligt de rovershoofdsman gebroken, in tranen, schuldbelijdend; die liefde was hem te machtig. Na schuldbelijdenis wordt ernstig om vergeving gesmeekt en hulp en redding gezocht. Dan keert de verlorene met de apostel terug. Welk een liefde openbaarde Johannes.

Maar wat is deze liefde vergeleken met de liefde van de Heere Jezus Christus, Die gekomen is om te zoeken en zalig: te maken, dat verloren is? En hoevelen heeft Hij gezocht en gevonden! En Hij gaat voort met het zoeken en zaligen.

Dit Evangelie zullen wij in deze ogenblikken nader beluisteren. Dan zal wederom blijken: Wie is gelijk de HEERE, onze God? Die zeer hoog woont, Die zeer laag Ziet, in de hemel en op de aarde; Die de geringe uit het stof opricht en de nooddruftige uit de drek verhoogt, om te zitten bij de prinsen, bij de prinsen des volks. Want de Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was. Luk. 19 : 10. Jezus is genoemd een Vriend van tollenaren en zondaren (Matth. 11: 19). De farizeën en schriftgeleerden hebben murmurerend gezegd: "Deze ontvangt de zondaars en eet met hen". Het is door deze "Vriend", dat tollenaren leren bidden: "O God, wees mij zondaar genadig" en gerechtvaardigd naar huis gaan. En deze "Vriend" zocht, Jericho doorgaande, Zacheus, een overste der tollenaren. Zacheus, u kent hem. Als vrucht van het zoeken van Jezus, zoekt Zacheus Jezus, van Wien hij gehoord heeft, dat Hij het land doorgaat, goed doende. Als Zacheus in een vijgenboom zit, hoort hij het woord van Jezus: "Haast u en kom af, Want Ik moet heden in uw huis blijven". Welk een tijding! Een boodschap, waaraan zovelen zich hebben geërgerd en ergeren. Hatelijk en minachtend zeggen zij: "Hij is tot een zondige man ingegaan". Maar als Jezus eens niet tot zondige mensen inging, wie zou er dan zalig worden! Is niet juist dit het Evangelie van vreugde, dat Jezus gekomen is om zondaren te zaligen!

Wie door de Heilige Geest geleerd heeft te bidden:
lk 'ben nooddruftig, arm en naakt;
O God! mijn Helper uit ellenden!
Haast u tot mij, wil 'bijstand zenden!
Uw komst is 't, die mijn heil volmaakt".

zal leren huppelen van zielevreugde, als hij hoort, dat Jezus kwam om zulke ellendigen te redden. Omdat Jezus dit deed en doet, kon een overste der tollenaren delen in de grote zaligheid; daarom kon een overste van de tollenaren horen: Heden is deze huize zaligheid geschied.

G e sc h i e d; dus het is werkelijkheid. Zaligheid; verstaan wij dit woord? Weten wij wat dit woord zegt voor een verloren zondaar? Weten dit bij eigen ervaring? Verstaan wij wel goed, dat in zulk een huis, de Zaligmaker Zijn intrek nam? Drong het ooit tot onze ziel door, dat een zondaar, als Zacheus, Jezus, de Zaligmaker, niet alleen in zijn huis, maar ook in zijn hart ontving? En weten wij goed, zondaren en zondaressen, wat dit inhoudt? Jezus in het hart, dat is de Redder, de Betaler, de Borg, de Verlosser, Die alles meebrengt, Die voor alles zorgt, Die alles wegneemt waarvan wij verlost moeten worden en Die alles geeft, wat wij missen. Jezus is de volkomen zaligmaker. Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naderen van de dood volkomen uitkomst geven. Onze tekst zegt het zo vol, zo rijk.


Die tekst wijst op HET DOEL VAN JEZUS KOMST en dit doel houdt in:

1. Het komen tot het verlorene;
2. Het zoeken van het verlorene;
3. Het zaligen van het verlorene.

Hoe moest verklaard worden, dat een overste van de tollenaren in zulk een groot heil deelde? Het woordje "want" zegt het ons. Er is een reden voor. Maar die reden is niet te vinden in Zacheus, maar in Jezus. Heden is deze huize zaligheid geschied, want de Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken, dat verloren is. Dat is de reden. Naar de eeuwige wil des Heeren is Jezus beloofd als Zaligmaker en gekomen om te zaligen. Wilt u weten o mens, hoe het komt, dat vele zondaressen en zondaren gezaligd worden en hoe het komt, dat telkens de hemelpoort opengaat om er een gezaligde door te laten? Hoor dan het Evangelie, dat spreekt van Jezus komst om te redden.

Er is geen enkele reden te vinden bij die zondaren. De Heere heeft hen verkoren ten eeuwige leven en Hij zoekt hen, door Zijn Woord en Geest in de tijd en Hij zaligt hen in de weg van de middelen uit loutere genade. Vraagt een Abraham of een Paulus, hoe het komt, dat zij zalig werden en zij zullen het u voorzingen: Uit genade zijn wij zalig geworden door het geloof in Jezus Christus. Vraag het de verlosten op de aarde en zullen hetzelfde verlossingslied u voorzingen. Vraag het de verlosten in de hemel en zij juichen volmaakt: Door Hem, Jezus, door Hem alleen om 't eeuwig welbehagen. En vraag het elk kind des Heeren afzonderlijk en het zal u zeggen: Niet om mijn werk, niet om mijn deugden of tranen ben ik gezocht en is mijn huis en mijn hart zaligheid geschied', maar door Jezus alleen, w a n t Hij is gekomen te zoeken en te zaligen dat verloren is.

Dit predikt het Evangelie van de kribbe en dit jubelt uit het Evangelie van Kruis. Hebben wij dit ook reeds leren verstaan? Rijke jongelingen vrome farizeërs ergeren zich aan dat Evangelie. Vreselijk wie in die staat sterft. Maar ellendigen mogen zich verblijden. O schuchtere zielen, die treurt naar God in uw verloren staat, schept moed. Gij vindt geen reden in u, waarom Jezus u de zaligheid zou schenken; ziende op u zelf, zit u vaak zo hopeloos neer. Maar hoort nu naar het Evangelie van behoudenis: Jezus kwam om verloren mensen te zoeken. En treurt u niet als zulk een verlorene? Houdt moed. En wie weet, dat zijn huis en zijn hart zaligheid is geschied, die heeft daarvoor maar één verklaring: Jezus kwam om verloren mensen te redden; uit genade zijn zij zalig geworden. Welgelukzalig allen, die dit met ervaring voor eigen hart weten. Heerlijk Evangelie: De Zoon des mensen is gekomen om Zondaren, verlorenen te zaligen.

Zoon des mensen spreekt ons van de Zoon en van de mens. Welk een inhoud. Zoon; die Naam wijst naar omhoog en mens wijst naar beneden. Zoon wijst naar de eeuwigheid en mens op de tijd. Zoon wijst op Hem door Wien alle dingen zijn geschapen en mens wijst op het schepsel. Zoon is de Zoon van God, de Eeuwige, Die Zelf eeuwig God is en mens wijst op Adam die door schepping, de "zoon" van God werd. Zoon wijst op de Almachtige, Die maar spreekt en het is er en mens wijst het afhankelijke schepsel, dat niets vermag door zichzelf. Zoon wijst op de Vrederaad, waarin vastgelegd is de verlossing van de verkorenen en de wijze waarop dit zou gebeuren en mens zegt welk een schepsel verlost moet worden. Zoon spreekt van de Heilige en mens van het gevallen, het verloren schepsel, dat ligt in de dood en geheel verdorven is. Zoon herinnert aan de Rechter, Die oordeelt en oordelen zal en mens zegt dat het Adamskind verdoemelijk voor God ligt. Maar Zoon des mensen zegt ook, dat de Zoon komt mensen te redden, te zaligen en die te maken tot mensen Gods tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust. Die Zoon verwerft daartoe alle heil en past dit door de Heilige Geest toe.

De Zoon was als Zaligmaker onder het Oude Testament beloofd. Zijn komen was telkens duidelijker aangezegd. In de volheid des tijds is Hij gekomen. Dat is de openbaring van Zijn grote zondaarsliefde. Hij verliet de hemel der heerlijkheid en kwam in deze wereld, welke verdoemelijk ligt vanwege onze zonde. De Almachtige nam ons vlees en bloed aan en werd gelegd in een kribbe. De Rijke werd arm om armen rijk te maken. Hij kwam tot de verlorenen.... ongevraagd.

De Heere zag van de hemel en zocht of er één was die verstandig was en naar Hem vroeg. Hij zocht alom, maar ach; geen die naar Hem vroeg. Niet wij hadden Hem lief en staken biddend de handen omhoog om Zijn komst af te smeken, maar Hij heeft lief en Hij kwam, door die liefde gedreven tot ons. Hij is gekomen tot hen, die niet naar Hem vraagden en, tot degenen, die naar niet zochten, heeft Hij gezegd: "Zie hier ben Ik" Zoon des mensen zegt. dat, dat er door de zonde een kloof is tussen de Heere en ons en dat Jezus gekomen is om in die kloof neer te dalen en lijdend, betalend, voldoend en verzoenend in die kloof te gaan staan. Dat zegt dus, dat Jezus de alles-betalende en alles-vervullende Borg is. Dat zegt dus, dat Hij de "Scheidsman' is, die de hand op beide legt en God met de mens en de mens met God verzoent.

De Zoon des mensen is gekomen en de komst van Hem is een klop op de deur van de gemeente en ook een klop op de deur van de wereld. Die komst is ook een klop op de deur- van het zondaarshart. Die klop zegt: Zie hoe groot Mijn liefde tot verloren mensen is. Maar niemand verstaat die klop. Om het geluid van Jezus voetstappen te verstaan en Zijn klop te horen hebben wij een geopend oor nodig. En dat missen wij van nature. Daarom laten  duizenden de Heiland kloppen. Hij kwam en klopt. Hij roept: "ik ben gekomen tot verlorenen om dat verlorene te zaligen", maar allen laten Hem kloppen. Zijn voetstappen zet Hij in het spoor van de verlorenen en Hij komt dicht achter hen aan, maar zij merken het niet. Vreselijk is toch onze val. Eerst wanneer het werk des Geestes ons deel is, dan wordt het anders. Dan leren wij iets van onze ellende verstaan, maar ook van de klank van Zijn stem. O, armen en ellendigen, die in droefheid naar God verlangt, die in heimwee naar Hem uitziet, die dorst naar Zijn heil, weet het, dat in dat alles de vrucht van het komen van Jezus reeds gezien wordt. Weet, dat Hij zo lang en zo hard klopt door Woord en Geest, tot u Zijn kloppen hoort en verstaat en ten laatste als een ellendige aan Zijn voeten valt, aan de voeten van Hem, Die gekomen is tot het verlorene, om dat verlorene te zoeken en te zaligen. Hij is gekomen tot het verlorene.

Verloren wil zeggen: omgekomen zijn; verdorven zijn; gestorven zijn. De verlorenheid wordt dus zeer sterk door dit woord uitgedrukt. En daarmee de ellende van de mens, die door Jezus gezocht en gezaligd wordt. Maar zo komt óók zo heerlijk uit het grote zaligmakend werk van de Heere Jezus. Verloren! Zo zucht menige vader, als hij denkt aan zijn zoon, die het vaderlijke erfgoed heeft opgevraagd, henentrok naar een vreemd land, daar zijn goed doorbracht en eindigde zijn voedsel te zoeken in de draf van de zwijnen. Op schaamteloze wijze heeft hij alles doorgebracht; roekeloos heeft hij de vermaningen in de wind geslagen en gespot heeft hij met de gebeden der kinderen Gods als met het woord des Heeren. Diep, zeer diep zonk hij en de vader gedenkt met vlijmende smart, dat zijn zoon.....verloren is. Verloren voor mij, zo klaagt zo menige moeder ten opzichte van haar dochter. zo vaak heeft zij haar kind de Heere opgedragen ; zo vaak het gewezen op Hem, in Wien alleen behoudenis te vinden is. Zo vaak dit kind de enige Redder voorgehouden, maar alles schijnt zonder vrucht te blijven. De dochter veracht de moederliefde en verwerpt alle vermaning. Ze is verloren, vreest de moeder. Verloren! Zo spreekt de maatschappij over vele misdadigers, die hun leven hebben verwoest en als wrakken hun weg gaan of hun leven doorbrengen tussen de gevangenismuren. Zo spreekt menige man, die door een gruweldaad zijn leven geschandvlekt heeft. Zo spreken zovelen, jongeren en ouderen, die  door hun eigen zonden diep gezonkenen zijn en gebrandmerkten in hun leven. O er zijn zovelen, die 'verloren' zijn; die wegkwijnen door het innerlijk verderf dat hen aangreep en op wier gelaat te lezen staat, dat zij verlorenen zijn.

En toch zijn deze alleen niet verloren. Talrijk is de schare, welke noch door ouders, noch door de maatschappij verloren geacht wordt en toch verloren is voor God. Wij moeten die verlorenen niet alleen zoeken bij de zonen, die al het goed van vader doorbrachten; bij de dochters, die alle eer verloren, bij de misdadigers die in de gevangenis zuchten; maar ook bij deugzame kinderen, bij de vrome ouders, bij de gedoopten, bij de Avondmaalgangers. Er is niemand die van nature niet verloren is. En het verlorene ligt onder de drievoudige dood; het kan zichzelf niet redden; het is verloren in zijn bestaan; het zinkt steeds dieper weg en als het zo voort leeft is het einde de eeuwige rampzaligheid.

En elk kind Gods leert verstaan, als een prediker het eens uitdrukte, dat hij een mens is,
"Die vol zonden, schuld en wonden,
Geheel verloren en ontbloot,
Voor zijn leven niet kan geven,
Noch tot redding van den dood".

Zo verloren te zijn wil zeggen Gods gemeenschap, Zijn gunst, Zijn hoogste zegeningen te derven en te leven een leven in vijandschap tegen de Heere. Niemand is daarvan uitgesloten; de rijke der aarde noch de wijsgeer dezer wereld; de deugdzame belijder noch die zich wentelt in het slijk van de zonde. De huichelaar zal eens worden ontdekt; Die met de wereld heult of openlijk met haar leeft zal met haar vergaan. die zich van God blijft afwenden snelt de eeuwige rampzaligheid en in het zondeleven voortleeft zal het loon der zonde ontvangen daar, waar de verlorene voor eeuwig en geheel verloren is.

II. Om dat verlorene te zoeken is de Zoon des mensen in de wereld gekomen. Hij heeft Zijn troon der heerlijkheid verlaten om het verlorene te zoeken. Toen Hij in de wereld kwam heeft Hij Zich niet afgezonderd om Zich met het ellendige niet te bemoeien, nee dat niet, maar Hij ging; uit en rond om het verlorene te zoeken. Zijn komen in de wereld was een komen om te zoeken; Zijn weg van Bethlehem naar Golgotha ging hij om het verlorene te zoeken. Zijn grote zondaarsliefde heeft Hij daarin geopenbaard. Hij is de goede Herder, Die gekomen is om de verloren schapen van het huis Israels te zoeken. Een herder moet dikwijls heel gevaarlijke en moeilijke wegen gaan om een verloren schaap te zoeken, moet dikwijls diepe dalen ingaan, dikwijls met levensgevaar, om één van zijn schaapjes te behouden. De goede Herder is gegaan de weg van gehoorzaamheid tot de vloekdood om de Zijnen te zoeken tot behoudenis. Hoe groot is dan Zijn liefde hoe dwaas doet elk mens, die zijn heil zoekt bij gebroken bakken. De goede Herder zoekt in liefde, zoekt volhardend, zoekt de steeds verder afdwalenden, de steeds dieper zinkende zondaar. Hij zoekt de geheel verlorene en Hij ontdekt hen, die zich verbergen voor God. Hij zoekt op al de paden der ellende, in alle schuilhoeken der zonde, in alle holen van het verderf en in de diepe afgronden der ellende. En Hij zoekt op zo onderscheidene wijze en op zo onderscheidene plaatsen. Adam zocht Hij, toen deze was weggevlucht en zich verborgen had en zich dekte met vijgenbladeren. Abraham zocht de Heere in het Ur der Chaldeën; Manasse in de kerker; Levi in het tolhuis; de Samaritaanse bij de Jacobsbron; de verloren zoon in het land zo ver; de moordenaar aan het kruis en Saul op de weg naar Damascus. Toen Jezus op aarde wandelde zocht Hij zondaren op de wegen en in de huizen, achter de heggen en in de struiken, in de synagoge en bij het badwater, in de tolhuizen en bij de vissersschuiten, in Jericho en in de delen van Tyrus en Sidon. Hij zoekt nog steeds voort. De ene wordt gezocht in zijn woning, de andere achter de waskuip, een derde op de weg en een vierde in het Huis des Heeren, Hij zoekt zondaren en zondaressen in de tenten der ijdelheid, achter de zwijnen, op de paden der zonde, in het land der heidenen, op de vlakte des velds, onder de farizeën en tollenaren. Allen die gezocht werden, vond Hij diep gezonken in den dood; allen waren slaven en slavinnen der zonde en des satans ent niemand zocht naar Hem. Allen lagen onder de vloek der wet en onder het oordeel der verdoemenis. Allen lagen onder de toorn Gods en waren op weg naar de eeuwige rampzaligheid.

Vergeet nu niet, dat Jezus van dit zoeken en zaligen sprak in Zijn dienstknechtsgestalte, dus in de staat van zijn lijden. Sta daar bij stil. Hij: zocht beladen met de zonden Zijns volks, dragend de vloek der wet en de toorn van God. Hij zocht als de goede Herder. Maar deze goede Herder is het Lam, dat ter slachting geleid wordt, Hij zoekt gaande de weg van gehoorzaamheid aan de Vader, de weg van de vloekdood, Hij zocht lijdend, betalend, strafdragend. Hij zocht in Gethsémané, voor Annas en Kajafas, voorHerodus en Pilatus, onder gesel en doornenkroon, op de weg naar en biddend aan het Kruis. Als u zo de lijdende Borg ziet, dan ziet u Hem in de rijkdom der liefde. Als u die zoekende Borg verwerpt, zal uw verdoemenis rechtvaardig zijn. Als u die zoekende Borg niet leert zoeken, blijft u buiten de zaligheid. De mens zoekt Zijn heil van nature niet in deze Borg, maar veeleer buiten Hem en buiten God. Hij zoekt zijn heil eigen in eigen vroomheid en in toestanden en gestalten. Er is zoveel waarheid in dit versje:
"Wij persen de druppels uit lederen zakken;
Wij slurpen aan 't slijk van gebrokene bakken,-
en niet verre van ons daar murmlen en klaatren
met lokkend geluid Gods levende watren....
Hoort u ze niet?"

De zoekende Heiland zoekt door Zijn Woord en Geest. Hij laat horen de stem Zijns Woords. Hij laat bekend maken het aangebroken jubeljaar. Hij laat prediken het bevel des geloofs. Zo wordt telkens beluisterd: O alle gij dorstigen! komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt koopt en eet; ja kom en koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk! Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is en arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan! Hoort aandachtiglijk naar Mij en eet het goede en laat ziel in vettigheid zich verlustigen. Neigt uw oor en komt tot Mij; hoort en uw ziel zal leven; want Ik zal met u een eeuwig verbond maken en u geven de gewisse weldadigheden Davids. Maar ook op die nodiging komt niemand.

Eerst als de Heere door Zijn Geest zaligmakend werkt, als Hij door die Geest oren en harten opent, wederbarend, zaligmakend werkt, zullen zondaren en zondaressen komen met smeking en met geween. Dan gaat het zoekende Woord van de zoekende Heiland met de zaligmakende werking des Geestes gepaard. En dan worden die zondaren die door Woord en Geest zaligmakend worden bearbeid' stil gehouden op de weg van de zonde. De Heere geeft dan kinderen indrukken van hun verloren zijn door de zonde en van het nodigend Evangelie. Jongemannen doet Hij horen: "Ook gij Mijn zoon? Hebt gij uw pand begraven? U die aan 't altaar stond, naar lijf en ziel gekroond met de eelste gaven, hoe is 't op dit moment? Uws vaders goed verteerd, verbrast, versmeten, vaders huis verlaten en vergeten, een tranenvloed en zwijnendraf uw loon! Ook gij Mijn zoon? Jongevrouwen, die in de waarheid werden opgevoed en in gehoorzaamheid in die weg voortleefden, doet Hij verstaan, dat dit niet genoeg is voor de eeuwigheid. Hij opent de ogen voor het gevaar dat haar dreigt, namelijk om schijnvroom voor eeuwig om te komen. Hij ontdekt de eigengerechtigde aan zijn valse gronden en spoelt die weg door de heilige en krachtdadige wetswerkingen. De Heere zoekt door Zijn Woord en Geest ouderen en jongeren om hen te bearbeiden ten eeuwige leven. Door dit zoeken leren zij zich als verloren kennen. Ze verstaan niet dadelijk, dat de Heere hen zoekt; zelfs openbaren zij tegenstand en vijandschap. Maar de Heere volhardt en Hij wordt hun te sterk. Dan leren zij goed verstaan, dat zij niet God zochten, maar dat de Heere hen zocht in Zijn grote zondaarsliefde.

En ook na ontvangen genade is dit zoeken van de Heere onmisbaar. Immers doolt Gods kind zo dikwijls af als een verloren schaap. Het lijdensevangelie herinnert ons aan Petrus. Hij was door de Heere bearbeid ten leven. Petrus was een echt kind Gods. Petrus had een heerlijke en krachtige belijdenis van Jezus afgelegd. Maar Petrus doolde af; Petrus toonde zo droevig hoeveel verlorenheid hij nog in zich omdroeg. U weet hoe hij tot driemaal zijn Heere en Meester verloochende onder eed en vervloeking. En vergeten wij niet, dat door dit doen van Petrus het lijden van den zoekende Borg zo zeer. is verzwaard. Er zijn kleuren, die onder het zonlicht een tijdlang verbleken. Zijn het echte kleuren, dan komt die wel terug. Dit beeld ziet u in Petrus verwerkelijkt. Als hij Zijn Meester verloochent dan, verdwijnt de kleur van de discipel; het schijnt dat de discipel geen echte christen is. Maar nee niet te haastig in uw oordeel.

Zie, de Heere keert Zich om en ziet Petrus aan. Dat is de blik van de zoekende Heiland, van de trouwe Herder. Het schaap Petrus is afgedwaald, maar de Herder blijft getrouw. Als Petrus, zelfs voor de oren des Heeren, de Herder verloochent, spreekt de blik van Jezus: "Ook gij Mijn zoon?" Die eenmaal hebt gezworen: 'k Verlaat U nimmermer!" De Heere sprak dit zonder woorden en Zijn liefdeblik doorboorde Petrus' hart. En dan gaat Petrus uit naar buiten en hij weent bitterlijk. De goede Herder heeft zijn schaapje weer teruggebracht tot de kudde en Hij zal dit na Zijn opstanding bevestigen door Zijn opzoekende liefde opnieuw aan Petrus te bewijzen. De vrouwen zullen horen, dat zij ook Petrus - Petrus wordt afzonderlijk genoemd - moeten boodschappen de opstanding van Jezus en Jezus openbaart Zich ook apart aan Petrus. Welk een liefde openbaart Jezus aan dit afgedwaalde schaap. Máár dit voorbeeld bewijst dan ook heel duidelijk, dat het gezochte een zoekende Borg blijvend nodig heeft en dat de zoekende Herder getrouw blijft en Zijn werk niet zal laten varen. Als de Heere het verlorene niet bleef zoeken dan zou het spoedig wegzinken en steeds dieper zinken in de ellende van de dood. Gods kind is tot hinken en tot zinken ieder ogenblik gereed en zal telkens klagen: "Gelijk een schaap heb ik gedwaald in 't rond, dat onbedacht zijn herder heeft verloren". Maar één Woord Gods, als: "Gij zijt die man", dat God eens liet spreken tot David; één blik van Jezus op een Petrus is genoeg om het verloren schaap weder te doen blaten: "Ai, zoek Uw knecht, schoon hij Uw wetten schond; want hij volhardt naar Uw geboon te horen. En als één van de kudde is afgedwaald, zal hij de 99 verlaten om die ééne te zoeken. Is die liefde niet groot? Zalig elk, die in zijn leven zulk een Herder voor heeft; en door Woord en Geest gedreven achter Jezus, Hem aankleeft. Zalig hij, die in zijn sterven zulk een Heder voor zich heeft; hoe de storm des doods ook buldert, Jezus leeft en hij met Hem.

Horen ook wij tot hen, die door de zoekenden Borg zijn gezocht? Weten wij van stilgehouden zijn op de weg, van een getrokken worden door de koorden der liefde? U vraagt u af of u wel gezocht zijt? Misschien zucht u wel: Zou Jezus wel gekomen zijn om mij te zoeken? Wie door Jezus wordt gezocht leert zich kennen als een verloren mens. Zie maar op de weenende zondares en op een biddende tollenaar. Duidelijk blijkt dat zij gezocht zijn en getrokken zijn, want zij kunnen het buiten Jezus niet meer uithouden.

De Heere bearbeidde dezulken ten eeuwige leven. Hebt u kennis aan dit komen tot Jezus, dit wenen aan de voeten van Jezus, dit inroepen van Jezus? Alleen de Heilige Geest leert dit; van nature zijn wij vervreemd van deze dingen. Maar als de Heilige Geest het zoekende Woord heeft geheiligd aan ons hart en wij ons verloren hebben leren kennen, dan kunnen wij het in onze ellende niet uithouden en dan wordt de roepstem van de zoekende Herder ons zo lieflijk. O ziel, als u uw beeld vindt in een verloren schaap, dat het buiten de herder niet meer uit kan houden, dan behoort u onder hen, die gezocht werden ten leven. Dan leert u hoe langer hoe meer die zoekende Borg nodig, krijgen. En als u na ontvangen genade telkens moet klagen, dat u het er zo slecht van af brengt, let er dan op of de liefdeblik van Jezus u weer terecht brengt; of u dan telkens kent de tranen van Petrus, het berouw van Petrus en of u telkens van harte instemt met de dichter, als hij zingt:

Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond
Uw trouwe hulp; stier mij in rechte sporen;
Gelijk een schaap heb ik gedwaald in 't rond,
Dat, onbedacht, zijn herder heeft verloren;
Ai, zoek Uw knecht, schoon hij Uw wetten schond;
Want hij volhardt naar Uw geboôn te horen. (Ps. 119: 88).

III. De Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was. Zalig maken. Welk een woord. Zalig maken wil zeggen: redden, verlossen uit de jammerstaat, in welker, de verlorene zich bevindt. Zalig maken houdt eveneens in het schenken van het allerheerlijkste heilgoed. Om het verlorene te kunnen zaligen heeft de Heere .Jezus Zich van eeuwigheid gegeven. De mens is altijd bezig om de zaligheid te verbinden aan het werk van de mens. Maar het heil is des Heeren, geheel en al. De Heere heeft een volk verkoren ten eeuwige leven; Hij heeft dat volk lief met een eeuwige liefde; Hij heeft die verkorenen de Borg gegeven en Deze heeft op Zich genomen voor dat volk te lijden, te betalen en alle gerechtigheid te verwerven. Hij heeft in eeuwige Vrederaad op Zich genomen te doen, wat de Vader Hem gaf te doen. En zo ligt het zaligen van dat volk vast in die Raad en in die Borg en in de Drieënige God. Daarom zal dat volk ook zalig worden uit eeuwige ontferming, uit genade alleen. En om dat volk te zaligen is de Zoon des Mensen in de wereld gekomen. Hij Die geen zonde gekend heeft, heeft God zonde voor Zijn volk gemaakt, opdat dat volk gerechtigheid zou hebben en rechtvaardig zou zijn in Hem. Hij is om hunne overtredingen verwond en om hun ongerechtigheid is Hij verbrijzeld; de straf, die hun de vrede aanbrengt op Hem en door Zijn striemen is hun genezing geworden. Hij is gelegd in de kribbe; Hem is het bloed uitgeperst in Gethsémané en op Gabbatha en op Golgotha. Mensen en duivelen en ....God hebben Hem dat bloed uitgeperst. Hoe zwaar, hoe smartelijk viel dit lijden voor Zijn gemoed. Hoe ontzaggelijk veel heeft het Hem gekost om Zijn volk zalig te maken. Jona verbleef drie en drie nachten in de buik van de vis. De Zoon des mensen ging den vloekdood. Maar Hij is in de dood en in het graf gegaan met al de zonden van Zijn volk. Let daar goed op. Hij is met de zonden Zijns volks, als Borg, in de dood in het graf gegaan. Maar toen de Vader Hem opwekte, toen de Zoon opstond, stond Hij op, zonder de zonde van Zijn volk; al de zonden zijn in het graf gebleven. Wilt u weten waar de zonden van Gods kinderen gebleven zijn, dan moet u naar de hof van Jozef van Arimathea. De Borg stond op, gerechtvaardigd als borg, van de zonden Zijns volks. De Borg stond op in Jozefs hof zonder zonde. En zo vrij de Borg daar stond. Zo volslagen zonder zonde (let wel als Borg en Zondedrager Zijns volks) zo vrij zijn allen, die in Hem geborgen zijn. De schuld van het volk is uit Gods boek gedaan en geen van de zonde ziet de Heere meer aan. De zonden zijn achter Zijn rug geworpen. Het volk in Hem geborgen is voor eeuwig vrij. Zo ver het west verwijderd is van het oosten, zo ver heeft de Heere om de zielen van Gods kinderen te troosten, de schuld en zonde weggedaan. Hij heeft vergeven, uitgewist, uitgedelgd, bedekt. Dat volk deelt in de weldaad waar David zo heerlijk van zingt in Psalm 32.

Maar het spreekt vanzelf, dat deze weldaden door de Heilige Geest moeten worden toegepast. Het historisch geloof is spoedig klaar. Het redeneert; het houdt u voor, dat u het moet aannemen, geloven. En dan zegt het wel waarheden, maar geeft aan die waarheden een andere inhoud en laat een ander deel van de waarheid niet horen. Zeker komt de Heere met de eis van het geloof tot ons. En rechtvaardig. Zou Hij er geen recht op hebben, dat wij Hem op Woord geloven? Zeer zeker. Maar wij doen dit niet. Nee wij kunnen dit niet en Wij willen dit niet. Nu baat het niet om te veronderstellen dat in het verbond der genade begrepen zijnde wij wedergeboren zijn en dus geloof hebben. Als de Heilige Geest ons zaligmakend bearbeidt, dan hebben wij aan dergelijke redeneringen niet genoeg. Dan weten wij wel, dat alles vast ligt aan de zijde Gods, maar ook, dat wij er van nature buiten staan. Wij leren ons doemschuldig, geheel ellendig, vloekwaardig kennen en moeten gered, gezaligd, persoonlijk gezaligd worden.

Zegt het zelf eens, bekommerden, diep gezonkenen, door schuld verslagen hebt u geen behoefte, dat de Heere u persoonlijk bearbeidt, u persoonlijk de weg van de verslossing ontsluit, u persoorlijk de Zaligmaker in het hart openbaart en u persoonlijk rechtvaardigt? De dringende nood van uw ziel uit zich als in de psalmen en u smeekt ook Zie op mij in gunst van boven, wees mij toch genadig Heere. Neem mijn zonden uit mededogen gunstig weg. Gedenkt die niet. U hebt nodig dat de Heere tot u spreekt: Ik ben uw heil. U zucht als een lieve dienstknecht des Heeren het eens zei: Heer'! wat zoudt ge mij toch geven? Geef mij Jezus of ik sterf. Buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf. Op zulk een bede komt de Heere in het huis van de ziel, zoals hij kwam in het huis van Zacheus. En dan zal hij getuigen: Heden moet lk in uw huis blijven. Dan zal Hij spreken: Heden is dezen huize zaligheid geschied. Dan zal uw ziel zich verheugen met grote vreugde. Dan zult u ervaren, wat het zeggen wil, dat de Heere zondaren zaligt. Dan zult u de zaligmaker kennen en met Maria leren zingen: Mijn geest mag blij de Heere mijn Zaligmaker noemen. Dan zult leren uit genade zalig te worden door het geloof in Jezus Christus en u zult de hoogste Majesteit voor die zaligheid met eerbied prijzen.

Jezus maakt zalig en Zijn Naam is Zaligmaker. Zo heerlijk zong Maria: Hoe heilig is Zijn Naam; laat volk bij volk te zaam, barmhartigheid verwachten; nu Hij de zaligheid, voor die Hem vreest, bereid voor al de nageslachten. Zaligmaken, welk een woord. Welk een inhoud heeft dit woord. Zaligmaken is wel eens zo omschreven: Het is nemen en geven. En zo is het. Als Jezus zalig maakt neemt Hij zo heel veel weg. Een dode zondaar draagt zoveel bij zich waarvan hij verlost moet worden. Jezus neemt weg de nameloze zondeschuld, een schuld, welke zo eindeloos groot is en waardoor wij de rechtvaardige straf eeuwig waardig zijn. Jezus neemt weg de eeuwige verdoemenis, welke Zijn volk verdiend heeft.

Jezus neemt weg het verderfelijke, het verwelkelijke en het sterfelijke. Neemt weg de smet der zonde. Jezus verlost van het stenen hart. Hij verlost van het eeuwige en vreselijk oordeel. Hij maakt vrij van de tyrannie des satans en verbreekt de slavenbanden der zonde. Van al die ellende verlost Jezus. Ook dat behoort tot het zaligmakend werk. Maar dat is niet het hoogste, schoon noodzakelijk en onmisbaar. Jezus neemt niet alleen weg, maar Hij geeft ook al wat de zondaar behoeft. Hij geeft zoveel heerlijke weldaden. Al de door Hem verworven heilsweldaden past Hij toe het Woord en de Geest, Hij geeft gerechtigheid en heiligheid. Hij schenkt vrede en vreugde. Hij geeft kracht, troost en zegen. Hij geeft licht en kracht, troost en zegen. Hij verlicht het verstand en vernieuwt de wil. Hij geeft een geopend hart en geheiligde zin. Hij geeft een herwonnen paradijs en een eeuwige erfenis. Hij sluit de hel voor zijn volk en opent de hemel voor de zijnen. Al wat in Adam verloren ging is door Hem herwonnen.

Is dit niet onuitsprekelijk heerlijk? Welke godsdienststichter of volksaanvoerder of dictator of vorst kan zijn onderdanen zulke heilgoederen aanbieden? En toch keert zich elk mens van nature van Hem af. Hij, Jezus' heeft volkomen voldaan; door Hem is de eeuwige verzoening. Er is geen verdoemenis voor degenen in Hem geborgen zijn. De apostel mocht juichend roemen: Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus. Dat is het Evangelie der zaligheid Alle heil is in Christus alleen.

In Jona's gebed lezen wij: , Het heil is des Heeren". Het woord heil wijst heen naar de Naam Jezus; wijst op het heil, op de behoudenis, welke is door Jezus Christus. Jona heeft de les, dat het heil des HEEREN is, geleerd; in de diepte. Toen hij in de buik van den Vis was verstond hij wel heel goed dat geen mens hem kon redden en dat hij ook zichzelf niet kon redden. Toen moest hij alle hulp alleen van de Heere leren verwachten. En de Heere sprak tot de vis en de vis spuwde Jona op het droge. De Heere heeft gered. Als de Heere een zondaar door Zijn Woord en Geest bearbeidt ten eeuwige leven, dan brengt de Heere ons in de diepte. Ach, de eersten tijd zingen wij zo gemakkelijk bij een versje en een woordje. Maar in de diepte, waarin wij leren, dat alle eigen werk ijdeler is dan de ijdelheid zelf en waarin wij hoe langer hoe meer verstaan, dat wij waard zijn om in de eeuwige diepte weg te zinken, leren wij alle heil, alle verlossing, alle redding alleen van de Heere verwachten. Dan wordt ons duidelijk geleerd waarvan wij verlost moeten worden en wat wij moeten ontvangen. Dan leren wij voor eigen hart verstaan, dat wij verlost moeten worden van vloek en toorn, van al de geestelijke ellende. Wij moeten weten, waar onze zonden gebleven zijn. Wij moeten met God verzoend worden en de door Christus verworven weldaden moeten ons deel worden. Dan roemen wij niet in ons doen en in ons geloven. Dan leren wij, dat wij geen geloof hebben en dat wij alles moeten ontvangen. Door de bijlslagen der wet worden wij bearbeid om op ons werk de dood te schrijven en te sterven aan ons zelf en door het Evangelie leren wij verstaan, dat alle heil in Christus is. Dat doet ons uitgaan naar de markt van vrije genade en van Jezus bedelen het heil, dat onmisbaar is tot zaligheid.

Weet u wie deze les geleerd had? De tollenaar in de tempel. Hij heeft geleerd een zondaar te zijn. Daarom boog hij zo laag voor de Heere en daarom verootmoedigde hij zich zo diep voor zijn God. Dat is de vrucht van het zaligmakend werk des Geestes, als een zondaar zich zo diep voor God verootmóedigt. Dan durft hij niet naar voren te treden; dan durft hij zijn ogen niet op te heffen naar God en dan bedelt hij om genade. Als hij de Heere aanroept, dan roept hij die God aan, die hij kent in zijn gerechtigheid en heiligheid. Dat blijkt uit het oorspronkelijke in de tekst duidelijk. Hij vraagt om genade, dat is om verzoening. Verzoening wil zeggen, dat er een hogepriester met voldoenend en verzoenend werk tussen hem en God moet staan, zal hij kunnen bestaan voor de Heere. Zalig worden is voor hem, dat die God door het Priesterlijk werk voldaan is en hij, de tollenaar in die weg verzoend wordt. Deze zondaar gaat gerechtvaardigd naar huis. Zijn geloof mocht de Christus aangrijpen en omhelzen, omdat de Christus hem gegrepen had. Hij mocht vrijmoedig toeëigenen, omdat de Heilige Geest zo vol schonk. Hij mocht gerechtvaardigd naar huis gaan, omdat God hem had vrijgesproken. Hij kan hij met David zingen:
Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven;
Die van de straf voor eeuwig is ontheven;
Wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt,
Voor 't heilig oog des HEEREN is bedekt.

De Heere Jezus is gekomen om zalig te maken. Hij is de Zaliqmaker. Zijn wij gezaligden? Hoevelen moeten, als zij eerlijk zijn, op deze ernstige vraag ontkennend antwoorden. Heerlijk is het dat tot hen nog de nodiging des heils komt. Ook zij zijn nog in het heden der genade. Wij hebben wel eens gelezen, dat Alexander de Grote, wanneer hij een stad wilde veroveren, een grote lantaarn in zijn legerplaats liet ophangen; die lantaarn moest nacht en dag branden. Hij liet de inwoners van de stad aanzeggen, dat, zoolang het licht brandde, zij zich vrijwillig konden overgeven. Deden zij dit laatste, dan konden zij op de genade van de wereldveroveraar rekenen. Wanneer de lantaarn was neergelaten dan was de tijd van vrijwillig overgeven voorbij en zou de stad met de grond gelijk gemaakt worden. Niemand wist hoelang de lantaarn zou blijven branden en daarom was het raadzaam om haast te maken tot overgave.

Onbegenadigde zondaren leven nog in de tijd der genade. Het licht van het Evangelie straalt nog helder en roept roept allen, die nog niet gezaligd zijn toe: haast en spoed u om des levens wil, want weldra kan de tijd der genade voorbij zijn. Vergete niemand dat de tijd van zalig worden zo haastig kan afgesloten zijn. Wie in de welaangename tijd niet gezaligd wordt zal eeuwig rampzalig' zijn. En dit 'rampzalig' is ontzettend. Zullen wij tot de gezaligden behooren, dan moet het zaligmakend werk ons deel zijn: dan moeten wij door de Heilige Geest bearbeid worden ten eeuwige leven; dan moet Jezus van ons het ellendige wegnemen en ons vervullen met het heil, dat Hij zo duur verworven heeft.

Wie zichzelf geheel verloren heeft kennen mag zich verblijden in dit evangelie; Jezus is gekomen zondaren, mensen die verloren liggen, zalig te maken. Welk een troost voor u zondaren en zondaressen die u geheel verloren hebt leren kennen. U mag, goddeloos in uzelf het oog slaan op de Zaligmaker Jezus Christus. U leert hoe langer en meer verstaan dat uit u in der eeuwigheid geen vrucht is. Eén hoop blijft er over n.l. deze: dat Jezus de Borg is en dat Hij volle verzoening teweeg gebracht heeft. Als u in uw leven ervaren mag, dat u persoonlijk er deelgenoot van bent en drinken mag uit de wateren van deze Levensbron, dan wordt uw ziel getroost en geniet u de kracht van het woord De Zoon des mensen is gekomen te zoeken en zalig te maken, dat verloren was. De geredde moordenaren en wenende zondaressen voor de troon der genade jubelen reeds, zoals eens zo schoon geschreven werd: Wij waren verloren, maar U hebt ons gezocht; wij waren verloren, maar U hebt ons gezaligd. En terwijl dit lied ruist als een stem veler wateren, ziet: daar opent zich opnieuw de deur van de hemel om een andere Zacheus, een andere Magdalena, een andere moordenaar, en andere zondares in te laten, want Jezus gaat voort om te zoeken en zalig te maken, dat verloren is. En die bearbeid worden ten eeuwige leven zullen bij dit rijke woord: Want de Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken, dat verloren is leren zingen:
Dit is, dit is de poort des HEEREN;
Daar zal 't rechtvaardig volk door treên,
Om hunnen God ootmoedig t' eren,
Voor 't smaken Zijner zaligheên.

Wanneer wij nog eens vragen: Wie zijn gezaligden? Dat is het antwoord op die diepe en ernstige vraag in de Heilige Schrift niet moeilijk te geven. Wij vinden dit antwoord zo duidelijk in de Heilige Schrift. In Mattheus 5 tekent de Mond der Waarheid wie gezaligden zijn.

Jezus zeide: zalig zijn de armen van geest, want hunner is het koninkrijk der hemelen. Armen van geest zijn bukkende bedelaars, die zichzelf geheel ellendig, geheel schuldig en nameloos arm hebben leren kennen. Zij buigen voor de troon der genade en bedelen om dat heil, dat in Jezus Christus is.
Zalig zijn die treuren, want zij zullen vertroost worden. De treurenden zijn leeddragers, zij treuren, hebben leed, om hun Godsgemis en openbaren in hun treuren de droefheid naar God, welke een onberouwelijke bekering werkt.
Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het aardrijk beerven. Zachtmoedigen zijn het die hun geest weten te bedwingen en alzo openbaren dat zij onder de heerschappij van de Heilige Geest staan.
Zalig zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden. Hongeren en dorsten naar de gerechtigheid bewijzen, dat zij bij de eigengerechtigheid niet kunnen leven, zij kennen de honger en dorst van de ziel naar Christus gerechtigheid en begeren die te bezitten en daaruit te leven.
Zalig zijn de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden. De barmhartigen bewijzen te delen in de ontferming van de barmhartige Hogerpriester Jezus Christus.
Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien. De reinen van hart openbaren een gezindheid, die vrucht is van de wedergeboorte. Een kind van God zondigt voortdurend en bidt telkens weer om een rein hart (Psalm 51: 12). Gods kinderen vrezen zo dikwijls geen reinen van hart te zijn, omdat zij zulk een vuile bron in zich vinden. Maar kind van God, u moet niet vergeten dat, als gij zondigt 'een dubbelheid van hart zich openbaart', Romeinen 7: 15-23.
Zalig zijn de vreedzamen, want zij zullen Gods kinderen genaamd worden. De vreedzamen zijn de vredemakers. Alle onvrede is van satan en vrucht van de zonde. De Heere is de God des vredes en Christus is de Vredevorst. Vrucht van Zijn heil is de vrede in het hart en het vrede-betrachten. Verder wees Jezus op het vervolgd worden om de gerechtigheid en het versmaad worden om Jezus wil.

In deze bewoordingen is wel duidelijk getekend wie de gezaligden zijn. Mogen wij, wij vragen het nog eens, ons tot die gezaligden rekenen? Bent u bang voor uzelf? Stemt u in met een dichter, die zong:
"O God, indien ik mij zelf beloog!
Och, toon het mij, eer 'k henenga.
Indien me een valse hoop bedroog!
Och, schud mij wakker uit gena,
Ontbloot mij geheel, al doet het pijn,
lk wens oprecht,'k wens echt te zijn".

Als antwoord op dit vragen en klagen, op dat walgen van uzelf, op dat pleiten op gena, laten wij horen wat een dichter eens zong: 

"Dat walgen aan zich zelf, dat vluchten vroeg en spa
Tot Jezus als de Borg; dat pleiten voor de troon,
Op 't Vaderlijk hart, op 't offer van de Zoon,
Dat zuchten in 't gevoel van onmacht en gebreken,
Dat vrezen voor 't geweld en 's vijands boze streken,
Getuigt van Geesteskracht, terwijl het blijken geeft,
Dat de oude mens vergaat en Jezus in ons, leeft".

Zo dan, u levende zoekers en zuchters, u die u geheel verloren kent, vertroost u met dit heerlijk woord: "Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren is".

AMEN.


Ds. L.H. van der Meiden

In leven Christelijk-Gereformeerd predikant in Enschede, Dordrecht, Den Haag-Centrum, hoogleraar Oude Testament en Nieuwe Testament Theologische School Apeldoorn.