Terugkeer tot de Heere

Ds. J.D. Barth

Maar Gideon zeide tot hen: Ik zal over u niet heersen; ook zal mijn zoon over u niet heersen; de HEERE zal over u heersen. Richteren 8:23

Het geloof dat de wereld overwint en in God kloeke daden doet, heeft een liefelijke metgezel. Het gaat met ootmoed gepaard. Het geeft Gode de eer. Het staat niet naar hoge dingen. Het woont in het stof. Het keert zich van de begeerlijkheid van het vlees, van de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens. Mozes wilde daarom geen zoon van Farao's dochter genaamd worden, maar liever met het volk van God kwalijk behandeld worden. De machtigen der aarde zoeken hun eigen eer, maar de geloofshelden zoeken niet zichzelf, noch eigen eer en grootheid. Christus is hun eer, hun kroon, hun heerlijkheid en blijdschap. En daarin is hun troost. Wordt het niet openbaar in Gideon?

De Heere doet geen half werk. Hij geeft Zijn volk een volkomen overwinning. Hoe vele verlossingen heeft de Heere gewrocht. Hem komt dan ook de eer toe. Die gaf Oreb en Zeëb, de koningen van de Midianieten, in de hand van Gideon. Oreb en Zeëb, raaf en wolf betekenen hun namen. En wat zijn de verstoorders en onderdrukkers van Gods Kerk anders? Zijn ze niet aan de raven en wolven gelijk? Of is het niet de zang van de verdrukte Kerk (Ps. 74:18):

Geef 't wild gediert', dat niets in 't woên ontziet,
De ziele van Uw tortelduif niet over;
Laat, grote God, om een gehaten rover,
Uw kwijnend volk niet eeuwig in 't verdriet.

Nee, aan Gods volk wordt op aarde niet veel gegund. Het is een beroofd en geplunderd volk. Hoe menigwerf heeft de vijand Jakob opgegeten en Zijn liefelijke woning verwoest. En toch, de kinderen Jakobs zijn niet verteerd. Het komt in de wateren der verdrukking niet om.

Door het geloof heeft Gideon overwonnen. Het geloof is een dappere, maar ook een nederige genade. Als de knechten van Saul tot David kwamen om hem te bewegen de dochter van koning Saul tot vrouw te nemen, dan antwoordt hij: Is dat licht in ulieder ogen des konings schoonzoon te worden, daar ik een arm en verachtzaam man ben? (1 Sam. 18:23). Alzo ook Gideon. Hij, de verkorene des Heeren, hoe wordt hij miskend door zijn eigen broers. Hoe menigwerf gebeurt zulks. Eens mans vijanden zijn vaak zijn eigen huisgenoten. Werd niet Jozef door zijn broeders verkocht? Jakob door zijn broer Ezau belaagd? David door eigen broers laag geacht? En gedenk aan Aaron en Mirjam, die in de woestijn tegen Mozes opstonden. O, die zondige eigenliefde. Die trotsheid des harten. Dat zich verheffen boven anderen. Hoeveel twist en krakeel heeft het teweeggebracht onder Gods kinderen, tot niet geringe schade en tot oneer des Heeren.

De mannen van Efraïm waren verstoord om Gideon. Was niet Gideon uit de stam van Manasse? En had niet vader Jakob Efraïm vóór Manasse gesteld? Waarom had Gideon hen dan niet aanstonds geroepen om tegen de Midianieten te strijden? De mannen van Efraïm waren vertoornd. Niet erkennen wilden zij wat grote verlossing de Heere door de hand van Gideon gedaan had. Zij miskenden zijn roeping, dat God hem geroepen en bekrachtigd had, om in Hem kloeke daden te doen. O, die verheffing van zichzelf, loochenen van het werk Gods. Niet zonder oorzaak schrijft Jakobus: Maar indien gij bittere nijd en twistgierigheid hebt in uw hart, zo roemt en liegt niet tegen de waarheid. Deze is de wijsheid niet die van boven afkomt, maar is aards, natuurlijk, duivels (Jak. 3:14-15).

En Gideon? Welk een ootmoed. Genade maakt klein. O, dat klein zijn voor God. Het geloof woont niet in de hoogte, maar geeft Gode de eer. Wat heb ik nu gedaan gelijk gijlieden?, zegt Gideon. Zijn niet Efraïms nalezingen beter dan de wijnoogst van Abiëzer? God heeft de vorsten der Midianieten, Oreb en Zeëb, in uw hand gegeven (Richt. 8:2-3a). Niet in mijn, maar in uw hand. Dat heeft God gedaan. Alzo predikt Gideon en roept uit de eer des Heeren. Hij zet de kroon op het hoofd van de Heere der heirscharen. Hij voert het pleit voor 's Heeren daden. Hij schaamt zich niet zulks te doen en zet zichzelf op de geringste plaats.


Voorwaar, de lankmoedige is beter dan de sterke (Spreuken 16:32a). In al zijn overwinningen is Gideon niet zo groot als hier. Door zijn ootmoedig geloof verslaat hij de hoogmoed van Efraïm. O, dat klein zijn voor God! Dat niets zijn in eigen schatting! Dat zijn de geloofshelden die in God kloeke daden doen.


Die geven Gode de eer, pleiten voor de roem van Zijn deugden en de eer van Zijn Waarheid op alle terrein van het leven. Het deert hun niet, al worden zij gesmaad dat zij niets nieuws weten voort te brengen en zich niet kunnen aanpassen aan de tijd en de omstandigheden waarin men leeft en verkeert. Deze geloofshelden geven Gode de eer en laten zich door Hem besturen als wetend dat des Heeren keuze en 's Heeren leiding het beste is. Zij stellen zich tevreden met wat de Heere doet, en verheugen zich als Zijn eer en Zijn Waarheid bevorderd wordt. Als naar 's Heeren rechten en Zijn inzettingen weer gevraagd en gezocht wordt.

Gezegend het land waar zulks geschiedt en gezegend een volk dat weer vraagt naar de oude, welbeproefde paden.

Gideon verloor niets, maar won alles door zijn ootmoedig geloof. De Heere bekrachtigde hem om de overwinning volkomen te maken, al zijn zijn uitgelezen mannen vermoeid en al vond hij bij mensen geen steun. Het mocht leven in zijn binnenste (Ps. 118:7):

De HEER' is mij tot hulp en sterkte;
Hij is mijn lied, mijn psalmgezang.

Met de driehonderd verkorenen des Heeren jaagde hij het overschot van de Midianieten achterna. Gideon begeert geen anderen. De Heere heeft tot hem gezegd: Door deze driehonderd mannen (...) zal Ik ulieden verlossen (Richt. 7:7). Dat was zijn steun. Dat was zijn sterkte. Daarop, op de belofte Gods, was de oefening van zijn geloof gericht. Hij begeert niet de duizenden van Efraïm, hij vertrouwt niet op een vleselijke arm. David, de man naar Gods hart, kon niet gaan in de wapenrusting van Saul om Goliath de Filistijn te bekampen. Hij had een andere, een betere wapenrusting, die koning Saul niet kende. Wat betekent alle wapentuig welke niet is verkregen uit het tuighuis van de gezegende Immanuël? Hoe velen trekken op ten strijde in een schijnbare Christelijke wapenrusting, maar welke, getoetst aan het onbedrieglijke Woord der Waarheid, niets met Christus heeft uit te staan, maar genomen is uit de kapel van de vorst dezer eeuw.

Wat betekent alle wapenrusting zo wij de goede strijd des geloofs niet strijden, gangbaar op alle terrein des levens, als het gaat om het geluk en de welvaart van het volk. Wat betekent alle wapenrusting welke ontleend is aan de valse leer van mensenrechten en de gelijkstelling van de dienst van God met de afgodendienst. Zulk een wapenrusting is niet te vinden in het Rijksarsenaal van Vorst Immanuël.

O, mocht ons volk komen tot de ootmoedige erkentenis (...) dat 's vijands list ons bedrogen heeft en de hand eens vreemden gods ons arm gemaakt heeft en nog dagelijks armer maakt. We zouden niet langer strijden in de wapenrusting van die vreemde god, maar onze sterkte zoeken bij de God van onze vaderen. O volk, de dienstbaarheid onder die vreemde god is de bron van alle ellenden. Daardoor zijn onze vrijheden weggeroofd, zijn de banden des juks op onze hals gebonden en is ons welvaren verteerd. Strijdt dan niet langer in die wapenrusting, maar staat, doet aan de wapenrusting Gods. In Christus is het heil. Die voert tot blijvend geluk. De goede strijd wordt gestreden door die geloofshelden die in zichzelf geen kracht hebben. Door armen en ellendigen in zichzelf, door de hoogmoedigen en zichzelf behagenden veracht, maar bij God uitverkoren en dierbaar. Gideon trekt voort met de door de Heere uitgelezen kleine schaar. Moe zijn ze. Uitgeput naar het lichaam. Hoe smadelijk worden zij behandeld door de lieden van Pnuël en Sukkoth. Elke verkwikking wordt hun geweigerd. Zij handelden gelijk de hoogmoedige en goddeloze Nabal tegen David en diens knechten. Zij verachtten en versmaadden dat amechtige hoopje van Gideon. Maar wie hen veracht, God zal hen niet verachten. God heeft een volkomen verlossing bereid door deze amechtige Joden. De wereld kent Gods volk niet, omdat zij Hem niet kent. Indien zij Hem kenden, zij zouden Zijn Woord bewaren. Liever schade lijden om Christus' wil, dan zich koppelen aan Baal-Peor tot hun verderf.

Gideon en zijn helden gaan door, moede, nochtans vervolgende om als krachtelozen in zichzelf door het geloof hun sterkte te vinden in de Heere en in de sterkte van Zijn macht te wandelen. De jongen zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen gewisselijk vallen; maar die den HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden, zij zullen lopen en niet moede worden, zij zullen wandelen en niet mat worden (Jes. 40:30-31). Nee, Gideon is niet beschaamd. Een grote verlossing heeft de Heere door zijn hand gewrocht. Hij gaf Gode de eer. Wil Israël hem eren, hij weigert zulks. Ik zal over u niet heersen; ook zal mijn zoon over u niet heersen; de HEERE zal over u heersen. Zo buigt Gideon voor de majesteit des Heeren. Godes is de heerschappij. Niets verloor hij door deze weigering, maar genoot als richter volle veertig jaar de vrucht van deze overwinning, zo voor zichzelf als voor des Heeren volk. Wie deed ooit bij Israël het goede, zonder koninklijk loon te ontvangen en barmhartigheid te verkrijgen van de Heere de God Israëls? Die Mij eren, zegt de HEERE, zal Ik eren (1 Sam. 2:30m).

En toch, Gideon heeft een begeerte. Aan de strik ontkomen om te heersen over Israël, waartoe God hem niet geroepen had, viel hij in de strik van toch iets te begeren. Alle helden des geloofs hebben hun zwakheden en struikelingen gekend. Abram week af naar Egypte en verloochende zijn eigen huisvrouw. Izak wil Ezau zegenen tegen het gebod Gods in. De zachtmoedige Mozes slaat in vleselijke drift op de rotssteen en heiligt de Heere niet voor de kinderen Israëls. Ga zo maar voort. O, wat hebben de geloofshelden, wat hebben al Gods kinderen nodig op hun wachttoren te staan om te waken tegen de paden des inbrekers, om als krachteloze in zichzelf door het geloof in des Heeren kracht te wandelen tot het einde toe. Een begeerte heeft Gideon en die ene begeerte is hem en zijn huis tot een valstrik geworden. Een voorhoofdsiersel begeert hij van elk van de mannen Israëls uit de roof van de Midianieten en hij maakte daarvan een efod. Dat was roving van de eer van de Heere. Toch heeft het geloof in Gideon niet opgehouden. Dat kan niet. De Heere zal Zijn eigen werk kronen. Hij werpt Zijn volk niet weg om hun gebreken, alhoewel Hij hen niet onschuldig zal houden. Hoe zwaar heeft Gideons huis straks moeten boeten, waar zijn huis straks werd uitgeroeid.

In korte trekken hebben we getracht de historie van de richter Gideon te ontvouwen, door God geroepen in een diep vervallen tijd. Onze dagen zijn ontstellend. Op alle terreinen van het leven worden de meest rampzalige vruchten geplukt van de dienstbaarheid van vreemde goden, van de leer van mensenrechten [los van Gods inzettingen en rechten], die vrij zonder enige belemmering worden verkondigd en uitgeroepen onder de volkeren van Europa. O wee, hoe schrikkelijk wreekt zich de verlating en verwerping van de levende God, van Zijn rechten en inzettingen. O wee, hoe schrikkelijk wreekt zich de verwerping van Gods Wet [de Tien geboden] in haar twee tafelen als de grondwet van de staat en de hechte steun van de troon van de vorsten. O wee, hoe schrikkelijk wreekt zich de terzijdestelling van het door onze Reformatoren welbewust neergestelde onverkorte artikel 36 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis. Hoe worden de rampzalige vruchten ingeoogst van de liberalistische levensbeschouwing, overgebleven wrange vrucht van de Franse Revolutie, van gelijkstelling van de ware dienst van God met de valse en afgodendienst.

Dit heilloos beginsel is de diepe wortel van het algeheel verderf van de staten en het nameloos wee dat uitgestort wordt over de volken. Daardoor is de Christelijke kerk in ons werelddeel gewurgd, de volken van haar vervreemd; in ons vaderland in hopeloze verwarring. De tronen van de vorsten zijn omgekeerd. Satans rijk gesterkt en Immanuëls troon in de woestijn teruggedrongen. Door de hand van deze vreemde god is het welvaren van de volken verteerd. Het einde of de vrucht van dat heilloos beginsel is het totale bankroet van de naties, dat nog door duizenden krampachtig wordt gehuldigd tot hun eigen schaamte. We staan aan de rand van de ondergang. God laat Zich niet bespotten. Zo wat de mens zaait, zal hij ook maaien.


Er is maar één remedie. Ze wordt ons in Gideon aangewezen. Neerwerping van onze afgoden. Terugkeer tot de levende God, Zijn Woord, Zijn Wet, in hart en leven om door het geloof Hem te dienen.


Mocht de Heere Zich ontfermen. Hij verwekke Gideons. Hij mocht opwekken tot de strijd, niet met vleselijke, maar met geestelijke wapens tot Zijn eer en heil van ons volk, om verlost te worden van de dienstbaarheid van de vreemde en te genieten de vrijheid in Christus.

Ds. J.D. Barth

In leven Christelijk-Gereformeerd predikant in Sliedrecht, Harderwijk,  Werkendam, Alphen aan den Rijn, overgegaan naar de Geref. Gem (1928). Diende binnen dit kerkverband de gemeenten Vlaardingen, Borssele, Dordrecht, en Nieuwerkerk (hulppredikant).