Geschiedenis van de Afscheiding (1834)

De geschiedenis van de Afscheiding (1834) en met name de periode die daarop volgde wordt nogal eens beschouwd als een zwarte bladzijde in het boek van de Nederlandse kerkgeschiedenis. Gebeurtenissen waar we ons nu eigenlijk voor zouden moeten schamen. De vraag kan worden gesteld: is deze schaamte eigenlijk wel terecht?  

Bij de Afscheiding van 1834 draaide het om een geloofsvraag: over het wezen van de Kerk. Niet zozeer van de algemeen christelijke Kerk (t.w. alle ware christenen die al hun zaligheid verwachten in Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest, volgens art. 27 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis), waarvan de leden vanaf het begin tot het einde van de tijd over de hele wereld te vinden zijn. Maar meer over de Kerk als zichtbare openbaring als instituut en organisatie (lees art. 28-32 NGB). 

De belijdenis spreekt uit, dat niemand op zichzelf mag blijven staan, maar dat we allen schuldig zijn, ons bij de ware kerk te voegen, ons onderwerpende aan haar onderwijzing en tucht, de hals buigende onder het juk van Jezus Christus, dienende tot opbouwing, naar de gaven die ons verleend zijn, als ledematen van één lichaam.  

De ware kerk is volgens de belijdenis in haar zichtbare gedaante te onderscheiden van onschriftuurlijke sekten en te herkennen aan: 

1. Een zuivere prediking overeenkomstig Gods Woord.

2. Het juiste gebruik van de Heilige Sacramenten, zoals Christus ze ingesteld heeft. 

3. De kerkelijke tucht functioneert betreffende de openbare zonden in leer en leven. 

Kortom, "zo men zich aanstelt naar het zuivere Woord Gods,  verwerpende alle dingen, die daar tegen zijn, houdende Jezus Christus voor het enige Hoofd." Hierdoor kan men de ware kerk kennen, en - zo zegt de belijdenis - "het komt niemand toe, zich [van deze kerk] te scheiden." 

De afgescheidenen in Ulrum motiveerde hun daad met de onderstaande verklaring:

Akte van Afscheiding of wederkering (1834)

Wij ondergetekenden, Opzieners en Ledematen der Gereformeerde Gemeente van Jezus Christus te Ulrum, sedert geruime tijd opgemerkt hebbende het bederf in de Nederduitse Hervormde Kerk, zowel in de verminking, of verloochening van de leer onzer Vaderen, gegrond op Gods woord, als in de verbastering van de bediening der Heilige Sacramenten, naar de verordinering van Christus in zijn woord, en in het bijna volstrekte verzuim der kerkelijke tucht; welke stukken alle naar onze Gereformeerde Belijdenis, Artikel 29, kenmerken zijn der Ware Kerk; door Gods genade een Herder en Leraar ontvangen hebbende, naar het woord Gods, de zuivere leer onzer Vaderen voorstelde, dezelve zowel in het bijzonder als in het algemeen toepaste, werd de gemeente daardoor meer en meer opgewekt, om zich in belijdenis en wandel te richten naar de regelmaat des geloofs en van Gods Heilig woord: Galaten 6:16; Filippenzen. 3:16 en ook afstand te doen van het dienen van God naar menselijke geboden, omdat Gods woord ons zegt, dat dit te vergeefs is, Matth. 15: 9 en tevens te doen waken tegen de ontheiliging van de tekenen en zegelen van Gods eeuwig genadeverbond. Hierdoor leefde de gemeente in rust en vrede. 

Maar die rust en vrede werd gestoord door de hoogst onrechtmatige en ongoddelijke schorsing van onze algemeen geliefde en geachte herder en leraar, ten gevolge van zijn openbaar getuigenis tegen de valse leer en verontreinigde openbare Godsdienstoefeningen. Stil en kalm heeft de gemeente zich met haar herder en leraar tot hiertoe gedragen. Onderscheiden aller billijkste voorstellen werden gedaan en door onze herder en leraar, en door de overige Opzieners der gemeente. Meermalen werd onderzoek en oordeel op grond en naar Gods woord gevraagd, doch alles te vergeefs. Classicale, Provinciale en Synodale Kerkbesturen hebben dit aller billijkste verzoek geweigerd, en integendeel gevorderd berouw en leedwezen, zonder aanwijzing van misdrijf uit Gods Heilig woord, en onbepaalde onderwerping aan synodale reglementen en voorschriften, zonder aanwijzing dat die op Gods woord in alles gegrond zijn. 

Daardoor heeft nu dit Nederlandsche Kerkbestuur zich gelijkgesteld aan de door onze Vaderen verworpene Paapse Kerk; dewijl niet alleen het vroeger opgenoemde verderf wordt opgemerkt, maar daarenboven Gods woord wordt verworpen of krachteloos gemaakt door kerkelijke wetten en besluiten, Matth. 15: 6; 23: 4 ; Markus 7: 7, 8 , en zij vervolgt die godzalig willen leven in Christus Jezus, naar zijne eigene voorschriften in zijn woord opgetekend: Matth. 2:13 ; 5:11 , 12 ; 10:23 ; 25:45 ; Luk. 11:49 ; 12:11 ; Joh. 5:16 ; 15: 20 ; Handel. 7:52 ; 9:4 ; 22:4, 7 ; 26:11, 14, 15 ; Romein. 12:14 ; 1 Korinth. 15: 9 ; Galat. 1:13, 23 ; 4:29 ; Philip. 3: 6 ; 1 Thess. 2:15 ; Openb. 12:13 ; Matth. 5:10 ; 13:21 : Mark. 10:30 ; Hand. 8: 1 en 3 ; Romein. 8: 18 ; 1 Korinth . 4: 12 ; 2 Korinth. 4: 9 , 11 ; Galat. 5:11 ; 6:12 ; 2 Thess. 1: 4 ; 2 Timoth. 3:11, 12 , en de consciëntie der mensen gebonden. 

Eindelijk is op gezag het Provinciaal Kerkbestuur de prediking van het woord Gods door een openbaar erkend Kerkleraar in ons midden, de Weleerw. Zeergel. Heer H. P. SCHOLTE Gereformeerd Leraar te Doeveren en Genderen in het land van Heusden en Altena, provincie Noord-Brabant, verboden geworden; en de onderlinge bijeenkomsten der gelovigen, welke met open deuren werden gehouden, zijn met geld boeten gestraft. 

Uit dit alles te samen genomen, is het nu meer als duidelijk geworden, dat de Nederlandse Hervormde Kerk niet de ware, maar de valse Kerk is, volgens Gods woord en artikel 29 van onze Belijdenis. 

Weshalve de ondergetekenden met deze verklaren: dat zij overeenkomstig het ambt aller gelovigen, artikel 28, zich afscheiden van degenen die niet van de Kerk zijn en dus geen gemeenschap meer willen hebben met de Nederlandse Hervormde Kerk, totdat deze terugkeert tot de waarachtige dienst des Heeren; en verklaren tevens gemeenschap te willen uitoefenen met alle ware Gereformeerde Ledematen, en zich te willen verenigen met elke op Gods onfeilbaar woord gegronde vergadering, aan wat plaats God de zelve ook verenigd heeft, betuigende met deze, dat wij ons in alles houden aan Gods Heilig woord en aan onze aloude Formulieren van enigheid, in alles op dat woord gegrond, namelijk de Belijdenis des Geloofs, de Heidelbergse Catechismus, en de Leerregels van de Synode van Dordrecht, gehouden in de jaren 1618 en 1619; onze openbare godsdienstoefeningen in te richten naar de aloude kerkelijke Liturgie en ten opzichte van kerkdienst en bestuur, ons voor het tegenwoordige te houden aan de kerkenordening; opgesteld door de voornoemde Dordtse Synode. Eindelijk verklaren wij bij deze, dat wij onze onrechtmatig geschorste predikant als onze wettig geroepen en geordende Herder en Leraar blijven erkennen."

De Reformatie van 1517 ten spijt, werden aan het begin van de 19de eeuw de gereformeerde belijdenisgeschriften in de Nederlandse Hervormde Kerk nog wel gehandhaafd, maar het was niet meer dan een formaliteit. In praktijk was er leervrijheid. De krachtige bezegeling van het gedachtegoed van de Reformatie tijdens de beroemde internationale synode van Dordrecht (1618-1619) werd twee eeuwen later nog weinig serieus genomen. Men vond het allemaal maar ouderwets en bekrompen.

Vanaf menig preekstoel klonken fraaie zinnen van verdraagzaamheid, liefde en tolerantie, maar zonder wezenlijke kerninhoud van het evangelie. Maar de z.g. 'toleranten' bleken zelf buitengewoon 'intolerant' te zijn tegenover degenen die hun proteststem lieten horen. Te denken valt hierbij aan de behandeling van de predikanten N. Schotsman (Erezuil ter nagedachtenis van de voor tweehonderd jaar te Dordrecht gehouden synode opgericht, 1819) en D. Molenaar (Adres aan alle mijne hervormde geloofsgenoten, 1829) Ook Willem Bilderdijk en Isaac da Costa, die zich aan de zijde van de bezwaarden stelden, werden overladen met smadelijke en afkeurende reacties. Op de hogescholen waar de predikanten werden opgeleid was het orthodox geluid in de geest van 'Dordt' nauwelijks nog te horen. Een groep theologen die aan invloed won waren de z.g. 'Groninger theologen'.

D. Molenaar
D. Molenaar
Willem Bilderdijk (1756-1831)
Willem Bilderdijk (1756-1831)

In het bijzonder J.F. van Oordt[*], P. Hofstede de Groot [*], L.G. Pareau [*], hadden een tijdschrift dat heette Waarheid in liefde, een Godgeleerd Tijdschrift voor beschaafde christenen. Wat waren dit precies voor theologen?  Het waren geen volbloed rationalisten of vrijzinnigen die alle fundamentele leerstukken van het christendom omver schoffelden, maar eerder waren zij warm, gemoedelijk, evangelisch en maatschappij betrokken. In hun theologie stelden zij Christus centraal. Woorden als 'geloof' 'bekering' en 'wedergeboorte' werden ook gebruikt. Dit alles kreeg echter wel een andere invulling.

Het kwam erop neer, dat wij moeten vertrouwen op Zijn heerlijke beloften en God de helpende hand bieden door onszelf en de wereld om ons heen zo veel mogelijk te verbeteren. De kerk speelt hierbij een centrale rol. De wereld is op weg naar de hoogste graad van ontwikkeling. Christus is aan de mensheid gegeven als het hoogste voorbeeld en Gods ideaal. God is barmhartig, hij is de Vader van alle mensen. Cruciale elementen van het christendom werden niet altijd glashard geloochend, maar veelmeer verzwegen. Opvallend was dat aan het Nieuwe Testament een hogere waarde toegekend werd als aan het Oude Testament. Iemand met gelijksoortige denkbeelden was de Utrechtse hoogleraar P.W. van Heusde (1778-1839 aan wie de Groningers zich verwant wisten. 

Prof. Louis Gerlach Pareau
Prof. Louis Gerlach Pareau
Prof. Petrus Hofstede de Groot
Prof. Petrus Hofstede de Groot

Hendrik de Cock

Met name de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse Leerregels, de Statenbijbel met kanttekeningen en de Institutie van Calvijn zijn belangrijke middelen geweest om de koers van de gematigd-orthodoxe ds. H. de Cock, destijds predikant in Ulrum, ingrijpend te veranderen.[*] Ook hebben aansprekende voorbeelden uit zijn omgeving hieraan bijgedragen: van de geloofsgetuigenissen van eenvoudige gemeenteleden (waaronder Klaas Kuipenga en ouderling J.J. Beukema) tot de publicaties van de deftige C. Baron van Zuylen van Nijevelt (De Hervormde Leer, 1832). Het gerucht van de verandering van de tot dan toe weinig opvallende ds. De Cock, leidde tot een geweldige volkstoeloop naar Ulrum.  Al snel kwamen er ook afkeurende reacties van collega predikanten, zoals van ene ds. J. van der Linden die naar aanleiding van een kerkgang op 24 november 1833 bij ds. De Cock op karikaturale wijze schreef: "Ds. De Cock, die ik vroeger leerde kennen als een mens van gezond verstand, deze stelt zich nu aan het hoofd van mensen die de bekering met voorbeeldeloze [weergaloze of ongekende] razernij doen aanvangen, zich na worstelingen met de duivel als wedergeborenen uitgeven en dan op de droesem van luiheid gaan neerzitten, alles onmiddellijk van bovennatuurlijke genade verwachtende."  

En zijn voorganger in Ulrum, Professor Hofstede de Groot, schreef De Cock een brief met daarin de woorden: "De Cock, De Cock, hoe diep, diep zijt gij gevallenen hoe donker is mij Gods raad, dat zulk een leer aan de gemeente die eens de mijne was, nu wordt verkondigd." 


Hendrik De Cock (1801-1842) groeide op in een gematigd godsdienstig gezin. De diepste essentie van de gereformeerde leer bleef hem onbekend. Wel kreeg hij in zijn jeugd catechisatie van een leermeester bij wie de fundamentele leerstukken nog doorklonken. De Cock had zelf destijds geen bijzonder diepgaand geloofsleven, maar werd al op jonge leeftijd als student theologie ingeschreven. Voor hij er erg in had stond hij op de preekstoel van zijn eerste gemeente in Eppinkhuizen (1823), goed op de hoogte van de theologie van zijn dagen. In zijn boekenkast kwamen echter nauwelijks 'oude schrijvers' voor, en hij was hierin bepaald geen uitzondering in de classis Groningen. In 1826 vertrok hij naar Noordlaren. In de gemeenten die hij diende heerste over het algemeen een grote onkunde, maar er waren uitzonderingen. Deze mensen brachten hem in aanraking met andere lectuur. Ook zijn vrouw kreeg steeds meer invloed op hem. Zij had een ernstig karakter en kende een dieper geloofsleven. Wat het was kon ze niet precies onder woorden brengen, maar ze miste iets in de preken van haar man. Terwijl hij destijds toch zo orthodox mogelijk probeerde te preken. In oktober 1829 werd De Cock predikant in Ulrum. Hier zou hij een ander mens worden. Hij werd diep geraakt door de kracht van de gereformeerde belijdenis, en raakte bekend met Nederlandse oudvaders als Comrie, Brakel, Smijtegelt, Witsius, puriteinse geschriften van Love en Guthrie. Ook Krummacher bleef hem niet onbekend. De oppervlakkige christenen in zijn gemeente en veel van zijn collega predikanten begonnen zich al snel te ergeren aan deze scherpe prediking. 


De Cock kwam tot de ontstellende conclusie, dat vrijwel de hele Nederlandse Hervormde Kerk in praktijk remonstrants was geworden.[*] Niet Augustinus, maar Pelagius, niet de uitspraken van de Dordtse Synode, maar Jacobus Arminius was voor velen het leidend voorbeeld geworden. Daarom zette De Cock zich, behalve het preken, ook in voor het (her) uitgeven van belangrijke geschriften, waaronder de Dordtse Leerregels. Zijn oogmerk hierbij was: "een reformatie of wederkering tot de waarachtige dienst des Heeren, die verreweg de meesten verlaten hebben, zich gekeerd hebbende tot de drekgoden der verdorven en verduisterde rede."  

Behalve ds. De Cock in Groningen waren er ook in andere delen van het land voorgangers die betrokken raakte bij de Afscheiding van 1834. In Noord-Brabant was dit George Frans Gezelle Meerburg. Hij was predikant in Almkerk en verliet in  vaste overtuiging de Nederlandse Hervormde Kerk.[*] Tot degenen die bezwaren hadden zei hij: "Meent gij, dat wij dwalen, overtuig ons dan. Omdat wij overtuigd zijn, dat wij in de weg Gods zijn, gevoelen wij ons verplicht om van de Heere te vragen, dat Hij u doe uitgaan op de voetstappen der schapen."

Van Hervormde zijde is een belangrijk argument dat de afscheiding een z.g. 'repeterende breuk' heeft veroorzaakt. (Hoewel dit argument ook van Roomse zijde is gebruikt ten aanzien van het protestantisme.) Beide tradities (hervormd en afgescheiden) zijn het er over eens, dat de toestand van de Nederlandse Hervormde Kerk aan het begin van de negentiende eeuw intens droevig was en dat de afgescheidenen zowel door overheid als toenmalige kerkleiding zeer ergerlijk zijn behandeld. De voornaamste betekenis van de Afscheiding van 1834 was het teruggrijpen naar de bronnen van de Reformatie en Nadere Reformatie en de Kerk weer te stellen op haar fundament: de belijdenis. In dit opzicht heeft de beweging zegenrijke invloed gehad zowel in de Nederlandse Hervormde Kerk zelf, als in de kerken die eruit voortgekomen zijn, ondanks alle minder gunstige bijeffecten. Men werd ervan doordrongen dat er iets op het spel stond: de enige leer tot zaligheid. 

[*] Joan Frederik van Oordt werd op 20 november 1794 geboren in Rotterdam. Overleden op 11 december 1852 in Leiden.

[*] Petrus Hofstede de Groot werd op 8 oktober 1802 geboren in Leer in Oost-Friesland. Hij overleed op 5 december 1886. Zijn moeder was verwant aan de orthodoxe ds. Petrus Hofstede en haar wens was dat haar zoon in dezelfde voetsporen zou treden als 'handhaver van de orthodoxie.' Haar zoon ging inderdaad theologie studeren, maar stond destijds nog niet bepaald sterk in zijn schoenen. Over tal van onderwerpen kreeg hij al snel een andere mening.  

[*] Louis Gerlach Pareau werd geboren op 10 augustus 1800 in Deventer. Hij overleed op 26 oktober 1866 in Groningen

 [*] In 1831 kwam de Cock voor het eerst in aanraking met een verkorte weergave van de Institutie van Johannes Calvijn. 

 [*] Was deze conclusie van De Cock niet te zwaar aangezet? Er zijn aanwijzingen dat er in de Nederlandse Hervormde Kerk nog steeds oudere predikanten waren die preekten overeenkomstig 'Dordt' en onder het gewone kerkvolk bleef een orthodoxe onderstroom aanwezig. De Cock heeft zijn zaak op kerkelijke vergaderingen willen oplossen, maar kreeg hier bitter weinig bijval van collega predikanten. Pas in 1841 werd onder leiding van ds. B. Moorrees een 'adres' naar de Synode gezonden waarin op handhaving van de gereformeerde leer werd aangedrongen. In dit adres werd klip en klaar geschreven, dat de Nederlandse Hervormde Kerk een kerk zonder beginsel is, waarin Christus als het enig Hoofd wordt geweerd. Er werd op aangedrongen om de Drie Formulieren van Enigheid te handhaven en van elke predikant ook instemming te vragen op de wijze zoals voorheen gebruikelijk was. Een ernstige behandeling kreeg dit adres niet en het leidde nog minder tot gunstige gevolgtrekkingen. Vanaf 1842 kreeg de synode te maken met een toenemend aantal bezwaarschriften,  waaronder het beroemde adres van 'de Zeven Haagse Heeren.' 

[*] Een zoon van ds. G.F. Gezelle Meerburg werd ook predikant. Zie Christelijke Gereformeerde Kerk tussen 1892-1946. Van de hand van ds. G.F. Gezelle Meerburg verscheen een catechismusverklaring (1871) 

"Kunt u dan het oprecht geloof bij uzelf vinden? Hebt u dan eerst uw vloekwaardgheid ingezien? De verdorvenheid van uw natuur en wegen leren kennen, zodat u uitriep: terecht mag ik verstoten worden? Bent u hierover verontrust en angstig, wat hebt u toen in Jezus Christus gezien? Wanneer werd u tot Hem uitgedreven, hebt u als een reddeloze Jezus Christus leren aannemen, en was uw zielsbegeerte om door Hem van de schuld en de macht der zonde verlost te worden? Daar zijn er die zich beroepen op hun onkunde, niet wetende dat God met vlammend vuur wrake zal doen over degenen, die het Woord Gods gehoord, maar niet gedaan zullen hebben. Maar er zijn er ook, die leven, alsof zij door Christus zalig zullen worden en nochtans op de voorgestelde vragen geen antwoord kunnen geven. Daar zijn er die, ja, nu en dan gevoelig worden aangedaan onder de voorstelling van Gods Woord, maar wanneer zij deze plaats verlaten hebben vergeten wat hun is voorgesteld. Althans verre zijn van het te betrachten en te beleven. Er zijn er die, ja hun ellende gevoelen en dit voor overtuiging van zonde houden, en met dit zwak geloof het wagen durven de eeuwigheid tegemoet te gaan.  Anderen zijn er, die vertrouwen zalig te zullen worden, omdat zij doen wat zij kunnen, hoewel zij niets van het geloof weten. Toehoorders! Kent u geen ander geloof, dan zegt Jezus Christus tot u: Die de Zoon ongehoorzaam is zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem. Die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden. En dat lot zal zwaar zijn voor degenen, wien de wil des Heeren is bekend gemaakt, want dan zal God zeggen: dewijl Ik geroepen heb, en gij geweigerd hebt, Mijn handen heb uitgestrekt en daar niemand was die opmerkte, en hebt alle Mijn raad verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild, zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen, en spotten wanneer uw vreze komt. O mocht u dan nu nog, eer het voor eeuwig te laat is, worden opgewekt, om als vermoeiden en belasten tot Jezus om rust te gaan, en Hem als Profeet, Priester en Koning aan te nemen. Wat u niet kunt, kan de Heere, wil Hij doen, daarvoor bewijst, dat getuigt Zijn dierbaar evangelie." 

Uit: Zestig leerredenen over de Heidelbergse Catechismus nagelaten door G.F. Gezelle Meerburg in leven predikant te Almkerk en Emmikhoven, met een voorwoord van de weleerwaarde heer J.H. Donner, predikant in Leiden. (Uitgave 1872), pp. 157-158