Genoteerd



De zin van het leven

"Ons hart is onrustig in ons, totdat het ruste in U, o God!" (Augustinus) De gevallen mens, afgesneden van de oorsprong des levens, dolend buiten de gemeenschap met God, heeft nu eenmaal een driekant hart, dat met deze ronde wereld nimmer te vervullen is. Geef de mens, zoals nu, al de schatten van de cultuur en de beschaving, dan nog, ja des te meer, gevoelt hij zich arm, leeg, ongelukkig; hunkerend naar hetgeen hij derft. Dat was zo, dat is zo en dat blijft zo tot aan het einde der wereld. (...) Er rijst voor de mens, die de achtergrond van zijn leven, d.i. God, en wel God in Christus, niet kent grote twijfel aan de zin van het leven. (...) De mens, die met God gebroken heeft, heeft geen inzicht meer in de zinvolle samenhang van eigen leven, omdat hij God niet erkent als laatste grond des levens en als doel des levens. (...) Als de zin van het leven het leven zelf is, en er geen hogere diepere bedoelingen met het leven bestaan, welnu, dan kan de moderne wereld-mens tevreden zijn. Maar zijn twijfelvraag: 'Is er wel een zin van het leven?', zijn levensangst, verraden, dat de mens meer is dan vlees en bloed, dat hij ook nog geest is, dat hij oorspronkelijk van hoge komaf, van Gods geslacht is, dat hij een oneindige bestemming heeft." (...)

'Kom en zie!' (Filippus tot Nathaniël) deze nodiging houdt in... de mens aan te tonen zijn grote nood buiten Jezus, hem te prediken het waarachtig geluk in Jezus. (...) Het enige wat de mens, die de zin van het leven niet meer kent, redden kan is radicale, principiële levensvernieuwing. Geen zedelijke verbeteringen, geen godsdienstige stemmingen, ook geen zielswringingen, noch humanistische, dus louter menselijke strevingen, maar waarachtige bekering tot God is het medicamentum probatum.

Ds. G. Salomons


Het leven uit het Leven

...Alles vanuit de mens opgebouwd, met de mens als middelpunt, inhoud, maatstaf, doel; dat heet met een weids woord: humanisme. Maar we zijn al verder gekomen van 'het leven'. (...) De vraag rijst al nijpender: Wat is toch het leven; wat is de zin ervan? Is het leven nog het leven waard? Het antwoord van sommige moderne denkers luidt: het leven heeft helemaal geen zin; en de rechte beleving van het leven zou volgens hen dan zijn, dat we dit in ijskoude nuchterheid en zinloosheid zouden aanvaarden. Je leeft nu eenmaal, laat u leven, wordt geleefd, rol erdoorheen, verzoen u met de zinloosheid ervan, speel de harmonicamoppen erbij [zoek uw vermaak in cabaret en showbusiness]; en wordt het u te bar, dan zijn er nog  [mogelijkheden om uit het leven te stappen]. Wat een ontering van het leven, welk een degradatie van de mens, het beeld Gods (...)

Diep verborgen in zijn boezem die hijgt van moeheid, verbergt deze moderne mens in zich een wereld van angst, hij beleeft tot in zijn feestroes toe een onvoldaanheid en onzekerheid, een schreeuwend heimwee, al hetwelk hij tevergeefs tracht te verbergen, tracht tot zwijgen te brengen en te sublimeren door zijn surrogaatleven. Wie zal ons de steen afwentelen? En opziende, ja opziende, zagen zij dat de steen afgewenteld was. Wie heeft dat gedaan? Vanwaar is onze hulp? (...)

De aard van het leven is zich te ontplooien, georiënteerd naar God; wij zijn er om God (Calvijn); en als dit nu geschiedt, dan beleeft het leven zijn vrijheid. Vrijheid, de tot onze natuur behorende gebondenheid aan Gods ordinantie. Staat dan in de vrijheid met welke Christus u heeft vrijgemaakt, zegt Paulus. Vrij van de Wet en haar vloek, niet als bandeloosheid, maar uit het nieuwe wedergeboren leven aan de Wet van de Heere verbonden. (...) Wie voor God vrijgemaakt is, kan niet anders dan in heel het menselijk leven opkomen tegen alle slavernij. Het zuivere christendom was dan ook tegen de slavernij, tegen de vernedering van de vrouw, tegen de staatsmacht over gezin en kind, enzovoorts. (...) De ware [gelijkheid] vinden we gefundeerd in de opgestane Christus. Evenals Christus niet gestorven is als Semiet, of als Ariër, maar als de Zoon des mensen, zo is hij ook niet opgestaan als Jood of heiden, maar als de ware mens Gods. Hier komt geen theorie over bloed, ras en bodem in enige aanmerking. Er is maar één bloed onzer aller afkomst, en dat is geheel onzuiver, bedorven, het bloed van de gevallen Adam: uit éne bloede het gehele menselijk geslacht; en dit nu tot verdoemenis [Lees Romeinen 1]. (...)

Iemand heeft eens gezegd, dat het christendom de Griekse en de Romeinse wereld heeft overwonnen 'omdat de christenen de heidenen de baas waren in het denken, het leven en het sterven'. Juist gezien. Zij hadden een wereldbeschouwing in het licht van de eeuwigheid, een leven met inhoud en een doel, in de verwachting van Jezus' toekomst, en inmiddels met de onvermoeide propaganda voor Zijn hemels Koninkrijk. Hun sterven dwong bewondering af, zelfs tot vijandige haat, van heel Rome. Wie zulk een sterven had gezien, zoals de christenen het konden. Daar was geen sprake van levensmoeheid; het leven uit het Leven had alles tot leven opgeheven. Zo zal vervuld worden: Zij zullen lopen en niet moe worden, wandelen en niet mat worden.

Prof. G. Wisse


Jezus alleen

"Vraagt u wat is de ware bevinding, dan vindt u die op de berg der verheerlijking u getekend. 't Was heerlijk die hemellingen te zien, maar ze moesten verdwijnen voor het oog. Jezus moest alleen voor hen overblijven. Waar dit niet is, daar is die bevinding een ingebeelde, een niet van God noch ten zegen. Al hadden de jongeren Mozes en Elia in tabernakelen gehouden, het was hun niet tot zaligheid geweest, evenmin om de schoonste gezichten, de wondervolste aandoeningen, de krachtdadigste inwerkingen, indien zij zelf niet uit ons oog verdwijnen en ze leiden om niets te zien dan Jezus alleen. Christus is het Middelpunt van alles. 't Gaat uit van dat Lam Gods en het keert tot Hem weder, en alle ervaringen, alle overtuigingen, alle gevoeligheden en overpeinzingen moeten uitlopen op Hem, op Hem alleen, zodat wij niets overhouden van al wat in ons was, maar slechts voor oog en hand en hart de Christus blijft als enig rustpunt, enig heil.

Wilt u kentekenen, begeert u een toetssteen voor uw staat, ik noem u geen ander woord. Is het u te doen om op een hoge berg te zijn, om zonlicht en witte klederen te zien, om Mozes en Elia te horen, om tabernakelen te bouwen, u bent nog niet waar u behoort te zijn. Eerst dan als uw genotzucht, uw eerzucht, uw werkheiligheid, geheel uw ik uit het oog is verloren en u niets anders ziet dan Jezus, Hij uw één en uw al is geworden, hebt u het ware kenteken in uw bezit. De zaligheid ligt buiten ons in Hem, en al wat wij in ons binnenste ervaren en bezitten moet ons uitdrijven naar Hem alleen."

Ds. F.P.L.C. van Lingen


Door Woord en Geest


"Schriftuurlijk-bevindelijk preken moet van boven geleerd worden, dus door Woord en Geest, en die er maar een weinigje van geleerd hebben, achten zichzelf nog maar broddelaars en sukkelaars. (...) Nou, nou dat hadden we van die oude meegaande man toch niet gedacht. Denkt hij soms, dat hij zo goed preekt? Leg die vraag maar aan Gods troon neer, daar zijn afdoende antwoorden te verkrijgen. Een mens denkt soms dat hij gering van zichzelf denkt, terwijl het louter minderwaardigheidsgevoel is, dat hem beheerst."

Ds. G. Salomons


De Psalmen en het bevindelijke leven

"Wie waarlijk Gods Woord preekt, preekt bevindelijk leven. Zal iemand, om slechts enkele voorbeelden te noemen, die het Woord bedient uit Rom. 7, of uit Psalm 32, 51 of 130, dat kunnen doen en zwijgen over het bevindelijke leven? ,'t Is waarlijk niet nodig voor de prediker, naar de vromen zelf te gaan, om de stof voor het bevindelijk deel van zijn prediking uit hen te putten. Hij behoeft niet verder te gaan dan tot de Psalmen; zij geven hem alles, wat hij tot kennis van het werk Gods nodig heeft."


Ds. L.H. van der Meiden


De menselijke gezangen

Bij veel gezangen wordt vaak gemist: de grondtoon van nood - ellende - schuld - smart - angst - terwijl in de psalmen, soms in één psalm, het geestelijk leven, zoals God dat werkt door Zijn Woord en Heilige Geest zo helder naar voren komt, namelijk de ellende, verlossing en dankbaarheid. In de bijeenkomsten van de gemeenten zal men gebruik blijven maken van de gewone berijming van de 150 psalmen Davids en liederen, die men in de Bijbel vindt, nalatende en werende uit de openbare vergaderingen van de gemeente de menselijke gezangen, welke niet in de Bijbel gevonden worden, opdat het werk van mensen niet worde gelijkgesteld met het werk van mannen, die gesproken hebben, gedreven door de Heilige Geest, [Acta Chr. Geref. Kerk 1836, artikel 67, artikel 69 DKO]

Voor- en tegenstanders van het vrije lied erkennen, dat er geen bewijs is, dat het vrije lied in de eerste christelijke gemeente is ingevoerd. Teksten als 1 Korinthe 14: 26; Efeze 5: 19 en Kol. 3: 16 leveren geen bewijs van het vrije lied. De historie bewijst, dat de roep om het vrije lied uitging van hen, die ketterse gevoelens aanhingen. Daarom keerde de kerk zich er ook tegen. (Laodicea 360 en Braga 563). Calvijn ijverde voor de Psalmen en wel op principiële gronden. De Gereformeerde Kerken in verschillende landen volgden Calvijns voetspoor. Later werden er gezangen ingevoerd. Maar die invoering was mee een gevolg van de verslappende geest van het Calvinisme (zie o.a. Prof. J. Severijn over de Gezangen). Deze schrijver schreef zo kernachtig: "De voorkeur voor de psalmen, die het calvinisme eigen is, wortelt in het geestelijke leven, dat zich verwant weet aan datgene, waaruit de Psalmen zijn geboren. Het is de levens-relatie, die het Calvinisme aan de Psalmen bindt. Hetzelfde leven, dat het in eigen boezem ervaart, ruist door de psalmen heen en stelt tot richtsnoer, waaraan het geloofsleven zich toetst, sterkt, vertroost, en één weet met dat der heiligen Gods." "De drang naar gezangen, ging uit van hen, die van een andere geest waren".

Ds. J.G. van Minnen


Dood en leven

"De demarcatielijnen moeten zo duidelijk worden getrokken, dood en leven moeten zo helder in het licht worden gesteld, het Woord Gods moet zo zuiver worden geopend en de sleutel zo trouw worden bediend, dat een ieder, die zich waarlijk aan de preek toetst, weten kan, of zijn ziel deelt in het leven en of hij behoort tot de levende Kerk. Maar de prediker moet ook zo onderscheiden preken, dat de levend gemaakte ziel de verschillende toestanden hoort en de onderscheidene trappen des geloofs worden aangewezen. Dit preken ontbreekt te veel in onze tijd. Zelfs wordt het vaak als ziekelijk veroordeeld."

"Wij zouden ook kunnen vragen: Is bevindelijk preken "kenmerken of "kentekenen" preken? Wij weten, dat ook hier veel is te berispen. Maar lach niet en spot niet om de "kentekenen" in de goede zin des woords. Artikel 29 van onze Geloofsbelijdenis spreekt van de merktekenen der Christenen. Wie bevindelijk preekt, zal dus over die merktekenen niet kunnen zwijgen. Het bevindelijk element is het vertolken van wat in de harten der gelovigen omgaat. Bevindelijk preken is vertolken "van wat God door Zijn Geest in de harten der Zijnen werkt", van "wat de ziel gevoelt, als de Geest Zijn licht over Zijn werk in de harten laat schijnen."


Ds. L.H. van der Meiden


Afstand tussen God en mens

Velen beginnen met te geloven, dat ze kinderen Gods zijn, begonnen ze eens te geloven, dat ze kinderen des duivels zijn, 't zou beter met hen staan voor God en de eeuwigheid. Zien onze afstand van God, onze vervreemding van Hem, ons ontledigd zijn van Hem zal echter gepaard gaan met en gevolgd worden door het toevlucht nemen tot de gerechtigheid van Christus, het meer of minder bewust aannemen van Christus, en al zijn weldaden.

Ds. G. Salomons


Geestelijke groei

"Geestelijke groei betekent voorts geen geestelijke grootheid. Gods kinderen groeien niet in de hoogte, maar wel in de diepte. Hoe meer genade, hoe kleiner voor God. Bekend is de uitdrukking: "minder zonden doen en groter zondaar worden". Al Gods kinderen, zo heeft eens iemand gezegd, gaan achteruit naar de hemel. Achteruit en toch vooruit. Geestelijke groei immers is een stervend-léven !" "Ik ben met Christus gekruisigd, zegt Paulus, en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij". En zo is ook op die geestelijke groei van toepassing het woord, dat een touwspinner eens sprak, die achteruit zijn werk moest doen: "De gang lijkt slecht, maar het werk is echt".

Ds. M. Baan (1905-1973)


Verkiezing geen reden tot redenatie maar tot aanbidding

"Er zijn mensen die tot een haar nauwkeurig over de diepste stukken kunnen redeneren als het gaat over de leer, maar het eenvoudige leven, gebonden aan de troon der genade, kennen zij niet. Om als een arme zondaar te schreeuwen naar de levende God en de droefheid naar God naar Hem te beoefenen, daar willen zij niets van weten. Zij haten dat, of ze zeggen: 'Dat is allemaal niets'. Nee het moet zus en het moet zo, maar ondertussen begeren zij in de wegen der uitverkorenen niet te wandelen. Dat is een duidelijk onderscheid met de ware uitverkorenen. Zij die er iets van beleven, zitten niet in de hoogte. Dat zijn ook geen holle vaten en die klappen er niet van, maar ze bewonderen en aanbidden dit heilgeheim en verwonderen zich over de rijkdom en de diepte van Gods Barmhartigheid en verkiezende liefde".

Ds. D. Heemskerk, in: En om Uw gunst en waarheid saam, een prekenserie over de Dordtse Leerregels.


Een iegelijke zondaar

"Het Evangelie is een genade, een leer en aankondiging Gods aan een iegelijke zondaar die het hoort, dat door God aan een iegelijke zondaar, die zich bekeert en gelooft in Jezus, gegeven wordt vergeving der zonden, vrede met God, heiligmaking, alle genade, ja, de eeuwige zaligheid om de genoegzame verdiensten van de Middelaar Jezus Christus. En elke maal, als het Woord gehoord wordt dat het Evangelie voordraagt, zo wordt deze aanbieding gedaan aan elk, die het hoort".

Jodocus van Lodensteijn


Met name genoemd

"Aan ieder mens die onder het geklank van het evangelie leeft, wordt het aanbod van Christus als ware tot aan zijn deur gebracht. Er wordt zeer sterk bij hem aangedrongen, alsof hij met name genoemd werd. Bijgevolg zal niemand het recht hebben om te zeggen: de roeping en aanbieding zijn niet voor mij; ik heb geen recht om Christus te omhelzen".

Ebenezer Erskine, in: Christus in de armen van een gelovige


Gode zij dank

"Leert een mens met smart zeggen: nu kunnen alle mensen zalig worden behalve ik, dan zegt hij: nu kunnen alle mensen zalig worden en Gode zij dank ook ik."

Ds. G. Salomons


Biddend pleiten


"O, ja onze kinderen worden in zonden ontvangen en geboren, maar wij mogen pleiten op Zijn verbond, waarin hij gezegd heeft: Ik ben uw God en uw zaads God."

Ds. G. Salomons


God is liefde

"God is liefde. Dat zijn woorden waar de mens al veel om heeft gelachen, gehoond, gespot, getart. Zolang het goed ging kon hij het nog wel geloven. Maar toen de oorlog kwam, een ziekbed, tegenslag, was hij er vlug bij, om te zeggen: 'Als dat nu een God van liefde is!' Als er een God was, had dit en dat niet kunnen gebeuren.' Ze geloven nog wel in een God van liefde, als het hun naar de zin gaat. Maar zodra de weg krom wordt, is het met zulk een geloof gedaan. Och, wie kan niet een God van liefde gebruiken? Een God die alles geeft en alles toegeeft? Men spreekt van 'onze lieve Heer'. Maar wat blijft daar weinig van over als diezelfde God ook rechtvaardig blijkt te zijn.

Daarom, als we zeggen: God is liefde, moeten we ons rekenschap geven van wat liefde is. Want die liefde heeft niets te maken met toegeven, of slapheid. Het is hier niet een liefde in strijd met het recht. Liefde en recht staan bij de mensen vaak tegenover elkaar. In liefde is men slap. In recht is men hard. [Gods liefde] is niet een liefde waarover u kunt heenlopen. Niet een liefde die niet straft, niet toornt. Want van diezelfde God staat er dat Hij een verterend Vuur is.

Is het liefde van een vader om zijn kinderen alles toe te geven? Is het liefde van een moeder de zonden van haar kinderen goed te praten? Zou God liefde zijn, als hij de zonde liet gaan? Zulk een God zou de mens wel aanstaan: een God over wie je lopen kunt. een God die zo vol liefde is, dat Hij het je alleen maar naar de zin maakt. Een God die u een prettig leven geeft. Maar wee die God, als Hij me tegen komt! Dan zegt de mens: 'Ik dacht dat God liefde was!' Het is afgelopen met zijn dienen van de Heere."

Ds. F. Bakker, in: Vasthoudende liefde, preek over 1 Johannes 4: 8b "Want God is liefde", pag. 43.


Religie en moderne literatuur

"Waarom schrijven auteurs over het christelijke milieu waarvan ze afstand namen, zoals Jan Siebelink ("Knielen op een bed violen") en Franca Treur ("Dorsvloer vol confetti")? En waarom verkopen boeken over het "algemeen betwijfelde geloof" zo goed? Oscar Wilde schrijft, en dat lijkt voor iemand als Jan Siebelink op te gaan: "We worden gevormd door ons verleden. We kunnen ons er niet van ontdoen." Met een zeker verlangen kan Jan Siebelink spreken over de religieuze ervaring van zijn vader, met een zekere nostalgie over bepaalde gebeurtenissen in zijn jeugd. Al is dat niet het hele verhaal. (…) Waarom zijn boeken van auteurs als Siebelink en Treur zo geliefd? Mijn eerste gedachte is: omdat mensen er iets in herkennen van wat ze losgelaten hebben, iets waarvan het niet erg is als het aan de kaak gesteld wordt. Dat bevestigt hen in het idee dat ze een goede keuze hebben gemaakt. Natuurlijk is dat niet de enige reden. (…)

Franca Treur beschrijft de reformatorische wereld absoluut met een zekere sympathie. Niettemin schrijft ze, bijvoorbeeld in "Hoor nu mijn stem", over veel uiterlijke zaken. Ze noemt heel wat sociologische kenmerken, maar de kern van de zaak komt niet werkelijk naar voren. Ze heeft het over wedergeboren mensen, maar die stralen niet de liefde en vrede uit die God in het hart van Zijn kinderen uitstort. Het gaat niet over Jezus Christus, over hoe het is om werkelijk genade te bezitten. Heel wat reformatorische jongeren en ouderen herkennen zich zeer goed in het beeld dat Franca Treur neerzet. Maar komt dat niet omdat ze even weinig te zien krijgen van wat echt geloof is? Hoe anders schreef Geertruida Bosboom-Toussaint, in een brief aan de bekende literatuurcriticus Conrad Busken Huet: "Gij verwijt mij te blijven staan in het geloof der kinderjaren en van de catechisatiekamer. Ik schaam mij er niet voor te belijden dat ik werkelijk sta in dat geloof en doe U alleen opmerken dat het woord blijven onjuist is. Ik heb dat geloof veroverd onder allerlei smartelijke strijd en worsteling des uiterlijken en des innerlijken levens. Het is nu door Gods genade mijn eigen verkregen goed, en ik heb er de kracht van leren kennen bij ervaring."

Els Florijn, in: Moderne literatuur kan religie maar niet loslaten, Reformatorisch Dagblad 22 januari 2019


Een heilig God en de taal

"Men wil de Bijbel meer laten aansluiten bij het moderne taalgebruik. In werkelijkheid raakt de Bijbel verder verwijderd van de oorspronkelijke betekenis. Vooral ook als het gaat om ethische kwesties is het belangrijk dicht bij de oorspronkelijke tekst te blijven, stelt hij verder. Hij zegt ook: "Ik vind het onzin om al maar te proberen om de taal van de jongeren te moeten naspreken. Daar moeten we mee ophouden. We moeten de jongeren leren dat we te maken hebben met een heilig God die voldoende duidelijk spreekt dat ook jongeren het kunnen begrijpen. Natuurlijk kunnen we kleine aanpassingen doen maar de moderne taal laat de diepgang van het Woord weg".

Bert Dorenbos, voormalig directeur Stichting Schreeuw om Leven. Hij pleit voor het gebruik van de Statenvertaling.

Moeilijk doen over een Bijbelvertaling?

"Waar onze tijd al meer en meer het teken vertonen gaat van aanranding van het Schriftgezag door gebruik te maken van een zwakke of vaak gecamoufleerde vertaling is het vooral nu een dure roeping van de kerk, het Woord van God ook in de meest zuiverste vertaling zo getrouw mogelijk te bewaren. Het heeft mij goed gedaan te horen, dat ook onze overleden Koningin, H.M. Koningin Wilhelmina, de Statenvertaling verkoos boven de nieuwe vertaling, en dat eenzelfde getuigenis werd gehoord van talenkenner Rabbijn Soetendorp."

Ds. M. Baan (1905-1973)


Vormen aanpassen?

"Prof. Dr. J. de Graaf heeft in zijn referaat: "Kerugma en communicatie" gezegd: "de moderne mens wil het fundamentisme en verlicht dogmatisme niet meer; men moet de wereld tegen treden in haar eigen taal, men moet de wereld zelf ontmoeten om te leren, hoe te spreken en tegelijk eigen opdracht beter te verstaan. Dan zal de kerk veel in haar vormen, in spraakgebruik en geloofsvoorstellingen moeten veranderen". Dit aanspreken in eigen taal zou dan ook een Bijbelvertaling eisen in de taal der wereld! Terecht merkte iemand hierbij op te vrezen "dat bij een zodanige vertaling van het Evangelie, HET Evangelie, dat niet naar de mens is wordt wegvertaald en dan houden wij een lege schaal over. Dat voert tot nihilisme".

"Ps. 30 : 12; Ps. 87 : 7; Luc. 15 : 25. In deze teksten wordt vervolgens gesproken over dans en reidans. Zo zou de verloren zoon thuis gekomen zijn onder muziek en dans. Op grond van deze teksten is de dans dan ook verdedigd. Een predikant moest zelfs zijn ontslag worden aangezegd voor het geven van Christelijk onderwijs aan de jeugd, omdat hij op grond van deze teksten de dans had verdedigd. Toch gaat men door, en met een beroep op de nieuwe vertaling werden zelfs christelijke dansverenigingen opgericht."


Ds. M. Baan (1905-1973)


Taal en stijl van de Schrift

De Schrift heeft een eigen taal en stijl. Men kan het direct opmerken, of men een stuk uit de profeten of de brieven voorleest, oftewel uit een werelds boek. De verkondiging van het Woord moet geschieden in een 'geestelijke' stijl en met dito woordkeus. Vooral wat de lijdensgeschiedenis aangaat. (...) Een gezalfde stijl is nodig. Wat niet betekent, dat gezalfd spreken zou inhouden: kermend galmen of onnatuurlijke gebaren enz. Maar dat we woorden, taal en stijl en vormen gebruiken overeenkomstig de geestelijke en tere aard van het onderwerp. Verwerelds de geestelijke zaken niet.  

Prof. G. Wisse


Niet van deze wereld

"Ik heb wel eens gehoord van de oude dr A. Kuyper, dat hij gezegd heeft: als op kerkelijk gebied twee partijen in conflict zijn, dan heeft (meestal) die groep die de sympathie der wereld heeft . . . ongelijk, en waar de wereld om lacht . . . gelijk."

Prof. G. Wisse


Vrouw en ambt

'Ten aanzien van de vrouw in het ambt zal de studie onverminderd voortgaan'. Dan moet de conclusie wel zijn: wat geeft God toch een zware studie op aan ambtsdragers om zijn Woord te verstaan! Vaak zijn het echter zaken die onder ons volkomen zekerheid hebben! (Lukas 1: 1). Wij zijn tegen de vrouw in het ambt. En toch onverminderd studie daarover! Deze zaak is toch niet te rangschikken onder enkele zaken die in Gods Woord 'zwaar zijn om te verstaan' (2 Petrus 3: 16). Integendeel! wat stelt men dan t.o.v. deze zaak Gods Woord als zijnde zeer vaag. (...) Veel ten opzichte - ook van deze zaak - staat in het teken van het vraagteken: Is het ook dat God gezegd heeft? (Genesis 3: 1).

Ds. J.G. van Minnen


Man en vrouw

"In Genesis 1 wordt gezegd, dat God de mens schiep naar Zijn beeld, man en vrouw. Niet de man alleen en ook de vrouw alleen, maar beiden tezamen vormden Gods beeld. Zo moet ook verstaan de uitdrukking: het is niet goed, dat de mens alleen zij, Ik wil hem een hulpe maken, die bij hem zij. Als nu de vrouw mede Gods beeld in de mens moet doen aanschouwen, dan blijkt, dat God de vrouw niet (in onze tegenwoordigen zin) beneden de man heeft geplaatst, maar naast de man. Voorzeker, Adam was hoofd van 't gezin, hoofd tevens van al zijn nakomelingen, ook hoofd tegenover zijn vrouw zij was toch uit de lendenen Adams. Maar daar lag geen vernedering in, want hoewel enerzijds beneden, was ze nochtans ook weer de kroon van haar man."

Ds. G. Salomons


Het huwelijk

En God de Heere schiep een vrouw uit de rib, welke Hij van de mens nam, en bracht haar tot hem, enz." 't Is waar, de mannen en vrouwen van de vrije liefde ergeren zich aan deze historie en bespotten de Bijbelse voorstelling van 't huwelijk, juist om de bovengenoemde zinsnede. Maar wat de wereld dwaasheid acht, is ook hier wijsheid bij God. In dit verhaal omtrent de eerste mensen vinden wij de plechtige en onomstotelijke instelling van het huwelijk. De Almachtige zelf is hier de Insteller. Niet de mens, maar God zegt hier hoe 't wezen zal onder de mensenkinderen. Dit eerste huwelijk werd wel in de diepste zin van 't woord in de hemel gesloten en de Vader der lichten roept 't door deze huwelijkssluiting ons toe: zo zal 't zijn voortaan al de dagen der aarde.

Ds. G. Salomons


Kinderzegen?!

"Het verkrijgen van kinderen en 't opvoeden van die kinderen in de vreze des Heeren is één van de oorzaken van het huwelijk. Onze hoog verlichte, maar tevens door en door zinnelijke eeuw haalt hier de neus voor op. Kinderen krijgen, veel kinderen krijgen, hoe is 't mogelijk hierin een zegen te zien. Velen noemen het eer een vloek dan een zegen. Ja, er zijn er, die u om uw spreken over de kinderzegen hartelijk uitlachen en beweren dat u oerdom en conservatief bent te noemen. Te moeten zorgen voor een groot aantal kinderen, o nee, daar willen onze moderne mannen en vrouwen niets van weten. Daar zullen ze wel voor zorgen, dat 't zover niet komt. (...) En daarom zoeken ze naar een kwaad, dat in de donkerheid wandelt. Hoeveel slachtoffers door deze heilloze praktijken reeds zijn gevallen, is niet te becijferen."

Ds. G. Salomons


Schrift met Schrift vergelijken

Een opmerking als: in de Bijbel staat nergens dat ... [vult het onderwerp maar in] verboden is, is even onzinnig als de opmerking 'in de Bijbel staat nergens dat voetballen op zondag verboden is' Dergelijke opmerkingen zijn non-opmerkingen. De mens moet zich houden aan wat duidelijk in de Schrift is geopenbaard'.

G. van Loenen:  (In het Spoor, 43e jaargang nr. 4, oktober 2019)


Geen kinderdoop tekst in de Bijbel?


Had God nu toch naast het bekende doopbevel een bevel gegeven: ..doop de kinderen!" Dan had de kerk met alle recht verwonderd kunnen vragen: "waarvoor is dat bevel nodig, dat hebben we al in het bevel der besnijdenis aan Abraham gegeven". Of, zo zou de twijfel kunnen rijzen: "hebben we soms een heel andersoortig verbond gekregen, is dit verbond niet meer het verbond eens opgericht met Abraham en zijn zaad?" Zulk een speciale kinderdoop tekst, in bevel vervat, zou juist aanleiding hebben gegeven tot allerlei misvatting van des Heeren verbondsbediening. Nu is er vanwege onze kortzichtigheid en zonde al reeds misvatting genoeg, de Heere behoeft ons daar toch geen handje mee te helpen. Zijn niet spreken in aparte over de kinderdoop is juist zijn goedertierenheid, zijn opvoedkundige wijsheid om ons voor misvatting te bewaren. Een afzonderlijk kinderdoop-bevel, zou bij enig doordenken juist de pijlers des Verbonds voor ons kunnen wegnemen, ons van de vastigheid van Gods eeuwig genadeverbond beroven.

Ds. G. Salomons


Moderne Theologie

"Mijn bezwaar tegen veel moderne theologie is dat meestal niets meer wordt bedoeld en dat een ontleding van theologisch taalgebruik aantoont dat het weinig meer betekent, omdat een oorspronkelijke betekenis wordt teruggenomen zonder dat er een andere betekenis voor in de plaats wordt gesteld. Theologie wordt tegenwoordig vaak betekenisloze prietpraat. Zoals ik elders schreef: het is een wijn die zozeer met water is vermengt dat niemand er meer dronken van kan worden."

Herman Philipse, universiteitshoogleraar Utrecht. (Staat bekend als een overtuigd atheïst. Diens gedachtegoed is verwerpelijk, maar in deze uitspraak zit wel een kern van waarheid.)


Objectieve wetenschap

"Michael Egnor van Discovery Institute meent dat de meeste [evolutie]wetenschappers bang zijn om uit de gratie van de meerderheid te vallen. Hij noemt hen zelfs "een kudde corrupte lafaards, met enkele, zeer weinige uitzonderingen". Zoals Colin Wright en Emma Hilton. De twee biologen zijn volgens hem "roependen in de woestijn, die hun carrière op het spel zetten door publiekelijk te betogen dat de mensheid uit mannen en vrouwen bestaat."

Bart van den Dikkenberg: (Reformatorisch Dagblad, 25 februari 2020)


Gerechtigheid verhoogt een volk

Op verdwijning van godsvrucht en godsdienst volgt  ontwrichting en grote chaos in het leven. Ik ben zelfs bang dat als vroomheid jegens de goden verdwenen is, ook trouw, broederschap van mensen en de voortreffelijkste van alle deugden, rechtvaardigheid, zullen verdwijnen.

Cicero  [romeins redenaar, politicus, advocaat en filosoof]


Biddag

In zijn boek "de natura Deorum" (I cap. 2) zegt Cicero, dat als de godsdienst wordt weggenomen een verstoring in het leven en grote verwarring volgt, dat als de godsdienst ophoudt, ook de trouw en de gemeenschap van de mensen en de voornaamste van de  deugden, de rechtvaardigheid wordt weggewist. (...)

Wij zien op ontzettende wijze de zonde toenemen, (...) wat er van worden moet vraagt men met angstig hart. (...) Arm nageslacht: wie weet wat u nog wacht? Vraagt men naar de oorzaak van dat steeds sneller toenemen van de zonde, dan hebt u reeds van deze heiden het antwoord vernomen.

Het volk is losgemaakt van zijn bijbel, van de waarheid. Het geloof is ondermijnd en verder dan die het deden vermoeden, is de vergiftplant voortgewoekerd.

Verbreek één schakel in de keten en hij heeft geen kracht meer om vast te houden; valse wetenschap is begonnen een enkel feit van de Heilige Schrift, een enkel leerstuk van de waarheid te loochenen en het onkruidzaad vond in het arglistig hart een vetten bodem. De gehele bijbel werd gewantrouwd. Wat nog te geloven van dat onbetrouwbaar geworden boek? Met de verleidelijke naam van wetenschap, van verlichting versierd schoot het ongeloof al dieper wortel en bij ongeloof moet de maatschappij ineenzinken, gaan trouw en rechtvaardigheid te loor. Zonde draagt haar eigen vonnis in zich. (...)

En daarbij zitten zij, die genade kennen, te klagen tegenover elkander, te vrezen voor hetgeen komen zal, en het blijft er bij, maar klaagt het wel de Heere achterna, staat het wel in de bres voor God, arbeidt, getuigt het wel zoals het belijden moet? Ach, zoveel een godsdienst, welke afstoot in plaats van aantrekt, hardheid tegenover al wat onbekeerd schijnt in plaats van de liefde trekkingen, een zich afzonderen in plaats van het zout der aarde te zijn, of ook aan de andere zijde een der wereld gelijkvormig worden (...)

Al wat genade kent, moge als een stroom Hem aanlopen en roepen: "Heere, het is tijd, dat Gij werkt, want wij hebben uw getuigenis verlaten. Er mochten in de kerk wel biddagen, in de huisgezinnen wel biduren, onder de broederen wel samenkomsten zijn om voor Gods troon te knielen of er nog bekering komen mocht en wat te vrezen is mocht worden afgewend.

Ds. F.P.L.C. van Lingen