Bron van de inhoud van het christelijke geloof is de  Bijbel. De belijdenisgeschriften (algemene en bijzondere) die door de eeuwen heen zijn opgesteld geven een samenvatting van de hoofdzaken die de Bijbel leert. De Nederlandse Geloofsbelijdenis doet dat in deze volgorde:

1. de Theologie (Wie is God?) Artikel 1-13

2. de Antropologie (Wat is de mens?) Artikel 14-17

3. de Christologie (Wie is de Persoon van de Middelaar?) Artikel 18-21

4. de Soteriologie (Hoe kan de verzoening plaats vinden met God?) Artikel 22-26

5. de Ecclesiologie (Wat is de plaats en betekenis van de Kerk?) Artikel 27-36

6. de Eschatologie (Hoe zal het einde van deze wereld zijn en de toekomende dingen?) Artikel 37


De algemene en bijzondere openbaring van God aan de mens.

En Paulus, staande in het midden van de plaats, genaamd Areopagus, zeide: Gij mannen van Athene! ik bemerke, dat gij alleszins gelijk als godsdienstiger zijt. Want de stad doorgaande, en aanschouwende uw heiligdommen, heb ik ook een altaar gevonden, op hetwelk een opschrift stond: DE ONBEKENDE GOD. Deze dan, Dien gij niet kennende dient, verkondig ik ulieden. De God, Die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is; Deze, zijnde een Heere des hemels en der aarde, woont niet in tempelen met handen gemaakt; En wordt ook van mensenhanden niet gediend, als iets behoevende, alzo Hij Zelf allen het leven, en de adem, en alle dingen geeft; En heeft uit één bloede het gehele geslacht der mensen gemaakt, om op de gehele aardbodem te wonen, bescheiden hebbende de tijden te voren geordineerd, en de bepalingen van hun woning (Handelingen 17: 22-26)

De Reformator Calvijn zegt in het eerste boek van zijn Institutie dat ieder mens, die ware wijsheid bezit, twee zaken kent: 1. God en 2. zichzelf. Het is moeilijk te zeggen welke van deze twee voorop gaat, aldus Calvijn,  want niemand kan zichzelf in waarheid kennen, of hij richt zich direct op tot God.  Anderzijds: zal een mens nooit tot zuivere kennis van zichzelf komen, tenzij hij eerst gezien heeft Wie God is.  

"Wij worden allen geboren met een aangeboren hoogmoed, dat we rechtvaardig zijn in onszelf, tenzij we door stellige bewijzen van onze onrechtvaardigheid, verdorvenheid, dwaasheid en onreinheid overtuigd worden".

In Gods Woord zien we dat degene die met Gods aanwezigheid in aanraking komen hevig ontzet worden: (Gen. 18: 27, 1 Kon. 19: 13, Jes. 6: 2, Richt. 13: 22, Ez. 1: 28) Ja zelfs de maan zal schaamrood worden, en de zon zal beschaamd worden, als de HEERE der heirscharen regeren zal zegt Jesaja 24: 23. Hieruit blijkt dat de mens door de kennis van zijn geringheid en zondigheid nooit genoeg aangegrepen kan worden, nadat hij zich heeft vergeleken met de majesteit en heiligheid van God. (Calvijn, Institutie). 

Hoe de zonde in de wereld gekomen is.

Het is waarschijnlijk maar een korte periode geweest dat deze wereld in  een oorspronkelijke ongeschonden schoonheid heeft bestaan. De mens stond in een volmaakte verhouding tot zijn Schepper.

"En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed"

Heeft dan God de mens boos en verkeerd geschapen?
Nee Hij; maar God heeft de mens goed, en naar Zijn evenbeeld geschapen, dat is, in ware gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God zijn Schepper recht kennen, Hem van harte liefhebben, en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen. Heidelbergse Catechismus vraag en antwoord 6

In deze oorspronkelijke wereld van harmonie, is eenmaal de dood, de duisternis en de wanorde naar binnen getreden. Het schepsel stelde zich tegenover zijn Schepper, en maakte daardoor dat de zonde en daarmee de gebrokenheid van lijden en dood in de wereld gekomen is.

De Bijbel  laat aan de hand  van  vele geschiedenissen en met  verschillende beelden de uitwerking, de doorwerking en de aard van de menselijke zondigheid zien.  De mens is ontrouw  tegenover God en het gaat van kwaad tot erger. Het wordt steeds duidelijker dat de mens (ook het uitverkoren volk Israël niet) niet meer in staat is overeenkomstig de wil van God te leven. Deze wereld roept om een Verlosser. De Oud Testamentische gelovigen zagen naar Hem uit.  Wie deze Verlosser is (die heel anders blijkt te zijn als de meesten onder Israël Hem hadden voorgesteld) en hoe wij deel kunnen krijgen aan deze verlossing die door Hem is aangebracht geeft de Bijbel ook het antwoord op.


En ziet, er kwam een tot Hem, en zeide tot Hem: Goede Meester! wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe? En Hij zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan Een, namelijk God. Doch wilt gij in het leven ingaan, onderhoud de geboden. Hij zeide tot Hem: Welke? En Jezus zeide: Deze: Gij zult niet doden; gij zult geen overspel doen; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven; Eer uw vader en moeder; en: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. De jongeling zeide tot Hem: Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid af; wat ontbreekt mij nog? Jezus zeide tot hem: Zo gij wilt volmaakt zijn, ga heen, verkoop wat gij hebt, en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, volg Mij.

Als nu de jongeling dit woord hoorde, ging hij bedroefd weg; want hij had vele goederen. En Jezus zeide tot Zijn discipelen: Voorwaar, Ik zeg u, dat een rijke bezwaarlijk in het Koninkrijk der hemelen zal ingaan. En wederom zeg Ik u: Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke inga in het Koninkrijk Gods. Zijn discipelen nu, dit horende, werden zeer verslagen, zeggende: Wie kan dan zalig worden?

En Jezus, hen aanziende, zeide tot hen: Bij de mensen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk. Matth. 19: 16-26


De noodzakelijkheid van de bijzondere openbaring.

Met de term 'openbaring' wordt bedoeld: alle werken die van God uitgaan om de mens te brengen en te houden in relatie tot Hem" (H. Bavinck, geloofsleer).

Openbaring heeft de onderstelling, dat er twee werelden zijn, een bovennatuurlijke en een natuurlijke, een hemelse en een aardse. Ieder mens wordt geroepen om te bedenken de dingen die boven zijn (Kolossenzen 3: 2).

Door velen wordt tegenwoordig echter het bovennatuurlijke ontkend. Zij gaan uit van het hier en nu (ze hebben een gesloten wereldbeeld). Volgens iemand als prof. dr. mr. H. Philipse, universiteitshoogleraar in de filosofie te Utrecht, is het onwaarschijnlijk dat God bestaat. "Iemand die intellectueel integer is, kan niet anders dan het bestaan van God afwijzen." Volgens hem zijn er vele godsdiensten die zich beroepen op openbaringen en zijn het geen betrouwbare kenbronnen omdat ze niet op waarheid te toetsen zijn en elkaar wat hun inhoud betreft tegenspreken. Bij een dergelijke wereldbeschouwing is er geen mogelijkheid voor andere wijzen van kennisverwerving dan die van de zintuiglijke waarneming. 

"Het is zeker dat er in deze wereld twee geestelijke koninkrijken zijn: een koninkrijk der duisternis en een koninkrijk des lichts. Dat een ieder mens, terwijl hij hier op aarde leeft, in één van beide verkeert, is ongetwijfeld zeker. Want aldus spreekt Koning Christus Zelf Zijn uitverkoren vat (Paulus op de weg naar Damascus) aan: "Want hiertoe ben Ik u verschenen, om u te stellen tot een dienaar en getuige van de dingen, beide die gij gezien hebt en in welke Ik u nog zal verschijnen" "Om hun ogen te openen en hen te bekeren van de duisternis tot het licht en van de macht des satans tot God; opdat zij vergeving van de zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij" (Handelingen 26: 16-18). Zo ook Paulus: "Dankende de Vader, Die ons bekwaam gemaakt heeft om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht; Die ons getrokken heeft uit de macht der duisternis en overgezet heeft in het Koninkrijk van de Zoon Zijner liefde (Kolossenzen 1: 12, 13). Hieruit is duidelijk dat er twee koninkrijken in deze wereld zijn. Enerzijds het Koninkrijk van Christus, waarin wezenlijk al degenen zijn, die zich bekeren, in Christus geloven en in Zijn Naam gedoopt zijn. Benevens hun kinderen, tenzij dat deze, groot geworden zijnde, de aangeboden weldaad door ongeloof verwerpen. Anderzijds het koninkrijk van satan en de duisternis, waarin al degenen zijn, die zich niet bekeren, noch in Christus geloven" (Caspar Olevianus).

De erkenning van het feit dat God bestaat in het algemeen, kan de mens krijgen door onder de indruk te raken van de grootsheid van de schepping, waarbij alle schepselen grote en kleine, als letteren zijn in een schoon boek (Nederlandse Geloofsbelijdenis). "De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk" (Psalm 19: 2). Er moet een eerste Oorzaak, een Architect zijn, die dit alles tevoorschijn geroepen heeft. De wereld heeft zichzelf niet kunnen maken. Paulus verkondigde aan de Grieken "de God die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is" (Handelingen 17: 24). De wetenschap heeft nog lang niet alle vragen kunnen oplossen. Geloof en wetenschap zijn niet met elkaar in strijd. De natuurwetten ondergraven het bestaan van God niet, maar onderstrepen juist dat er een Maker van dit alles geweest moet zijn. Volgens de grote geleerde en natuurwetenschapper Isaac Newton (1643-1727), is het hoofddoel van de wetenschap: de bewondering van de schepping.

Overmits hetgeen van God kennelijk is, in hen openbaar is; want God heeft het hun geopenbaard. Want Zijn onzienlijke dingen worden, van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn. Romeinen 1: 19, 20

Hoe komen wij aan ware Gods kennis die nodig is voor ware zelfkennis?  God kennen uit de natuur geeft ons deze kennis niet. Er zijn door de eeuwen heen pogingen ondernomen, om God of het christelijke geloof uit de natuur of de rede te bewijzen (b.v. de Middeleeuwse Thomas van Aquino). Dit komt omdat men de grens tussen Gods algemene openbaring en Gods bijzondere openbaring niet altijd even scherp getrokken heeft.


De Reformatoren, met name Calvijn, hebben benadrukt dat de mens door de zonde zó verduisterd is in zijn verstand, dat hij uit de algemene openbaring of de natuur nooit God in waarheid kan leren kennen. Gods bijzondere openbaring is noodzakelijk: de Bijbel of ook wel: de Heilige Schrift. Deze bijzondere openbaring wordt door Calvijn met een bril vergeleken. Maar alleen een bril is nog niet voldoende om te kunnen zien. Het oog van het geloof is daarbij onmisbaar (Marcus 8: 23, 24).

"Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat ze geestelijk onderscheiden worden" (1 Kor. 2: 14)

"Want ook ons is het Evangelie verkondigd, gelijk als hun; maar het woord der prediking deed hun geen nut, dewijl het met het geloof niet gemengd was in degenen, die het gehoord hebben" (Hebr. 4: 2)

Gods Woord.

Om wezenlijke Godskennis te ontvangen is het  noodzakelijk om ons te laten onderwijzen in de Heilige Schrift. De Bijbel ontleent haar gezag niet aan het oordeel van een kerk, aan het oordeel van mensen; haar gezag rust in de wetenschap dat Gods Geest, de Bijbelschrijvers het Woord heeft ingegeven en hun bekwaam maakte. 

De Bijbel is ontstaan in een periode van duizend jaar, maar vertoont desondanks een wonderlijke eenheid die ver boven alle verschillen en vermeende tegenstrijdigheden uitstijgt. Van geen enkel boek ter wereld dat ooit verschenen is kan dit gezegd worden (2 Timotheüs 3: 16, 2 Petrus 1: 21). Niemand  zal kunnen ontkennen dat de Bijbel het best gedocumenteerde boek uit de Oudheid is, en daarmee een belangrijke cultuurbron, waard ten minste zorgvuldig bestudeerd te worden.  Bovendien is onze Nederlandse samenleving voor een belangrijk deel door haar gestempeld.

En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de Morgenster opga in uw harten. Dit eerst wetende, dat geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging; Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken 2 Petrus 1: 19-21

De Bijbel is Gods Woord. Daarmee wordt niet ontkend dat tijdens de tekstoverlevering wel bepaalde fouten in de teksten (zoals we die nu hebben) zijn geslopen. De originele handschriften van de oorspronkelijke Bijbelschrijvers hebben we niet meer. De boeken van het Oude Testament zijn  echter met de grootste nauwkeurigheid aan ons overgeleverd door de Joodse Masoreten (geleerden) die de teksten steeds  hebben gekopieerd. Door oudere handschriften met nieuwe handschriften te vergelijken kwam men tot de ontdekking dat deze overlevering uiterst betrouwbaar geweest is.  Tijdens de Middeleeuwen zijn de handschriften van zowel het Oude en Nieuwe Testament gekopieerd in de kloosters. Het is de taak van de tekstkritiek (anders als de Moderne Schriftkritiek dat bij voorbaat uitgaat van de stelling dat de Bijbel slechts een menselijk boek is ) om eventuele fouten in de tekstoverlevering op te sporen en te verbeteren. Deze fouten zijn echter nooit van wezenlijke aard gebleken.

"Hierom ontvangen wij deze boeken (39 boeken van het Oude Testament en 27 boeken van het Nieuwe Testament) voor heilige en goddelijke geschriften" (NGB artikel 3).

Canon: Oude Testament 100 n. Chr. en Nieuwe Testament 393. n. Chr.: toen is aanvaard wat reeds lang daarvoor vastlag. Zij die menen dat de canon pas veel later door de christelijke kerk opgesteld is, hebben het mis. Boeken die tot de canon gerekend worden noemen we de canonieke boeken. Boeken die daarbuiten vallen de noemen we de apocriefe boeken. Vele dwalingen die door de eeuwen heen in de leer en gebruiken van de Rooms Katholieke Kerk zijn binnengeslopen zijn vooral aan de apocriefe boeken ontleend.

Vertalingen: Hebreeuws (OT) en Grieks (NT) zijn hoofdzakelijk de oorspronkelijke talen waarin de Bijbelboeken geschreven zijn. De oudste vertaling van het Oude Testament in het Grieks is de Septuaginta (3de eeuw v. Chr.). Daarnaast hebben we een vertaling van de Bijbel in het Latijn (Vulgata). Op 10 januari 1477 verscheen in Delft de zogenaamde Delftse Bijbel. Hierin waren alleen de boeken van het Oude Testament opgenomen, zonder de Psalmen. De eerste Nederlandse Bijbel die compleet verscheen is, was in 1526 bij Jacob van Liesveldt in Antwerpen.

In 1637 kwam onder uiterste zorgvuldigheid de Statenvertaling gereed. De kwaliteit van de Statenvertaling is nog steeds ongeëvenaard (vergelijkbaar met de Engelse King James Bible).  De Gereformeerde Bijbelstichting (opgericht in 1966)  wil de belangen van deze vertaling behartigen en startte een project waarin een uitgave van de Statenvertaling gereed kwam, gezuiverd van drukfouten die in de loop der tijden waren ingeslopen. De GBS uitgave wil recht doen aan de vertaalarbeid van de Statenvertalers, gezien het feit dat moderne vertalingen nogal eens ernstig tekort doen aan de oorspronkelijke betekenis van de tekst.

Dat de Statenvertaling het dichtst bij de oorspronkelijke betekenis van de tekst komt stelt ook de Stichting Schreeuw om Leven, bij monde van Bert Dorenbos. Hij zegt: Men wil de Bijbel meer laten aansluiten bij het moderne taalgebruik. In werkelijkheid raakt de Bijbel verder verwijderd van de oorspronkelijke betekenis. Vooral ook als het gaat om ethische kwesties is het belangrijk dicht bij de oorspronkelijke tekst te blijven, stelt hij verder. Hij zegt ook: "Ik vind het onzin om al maar te proberen om de taal van de jongeren te moeten naspreken. Daar moeten we mee ophouden. We moeten de jongeren leren dat we te maken hebben met een heilig God die voldoende duidelijk spreekt dat ook jongeren het kunnen begrijpen. Natuurlijk kunnen we kleine aanpassingen doen maar de moderne taal laat de diepgang van het Woord weg".

Hem nu, Die machtig is u te bevestigen, naar mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring der verborgenheid, die van de tijden der eeuwen verzwegen is geweest; Maar nu geopenbaard is, en door de profetische Schriften, naar het bevel des eeuwigen Gods, tot gehoorzaamheid des geloofs, onder al de heidenen bekend is gemaakt; De zelven alleen wijze God zij door Jezus Christus de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen. Romeinen 16: 25-27

Wie God is.

In de Bijbel wordt ons geopenbaard, wie en hoe de enige, ware God is en hoe Hij door de mens gediend wil worden. Dit tegen alle vormen van on- en bijgeloof en van allerlei door mensen bedachte godsdiensten en afgodendienst in (Galaten 1: 8 en 9). Een volledige definitie te geven wie God is, is onmogelijk; juist omdat Hij God is: in Zichzelf oneindig en gaat dus alle begrip en beschrijving te boven. Over God spreken kunnen wij alleen in zoverre Hij Zich geopenbaard heeft.

"Spreek tot de ganse vergadering der kinderen Israëls en zeg tot hen: Gij zult heilig zijn, want Ik de HEERE uw God ben heilig". Leviticus 19: 2

"Looft den HEERE, want Hij is Goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid". Psalm 136: 1

In de schepping van deze wereld en onderhouding en regering openbaart God Zich als de Almachtige. Christus openbaarde Zich tijdens Zijn omwandeling op aarde als de Almachtige (Mattheus 8: 24-27). Tot Abraham sprak God in Genesis 17: 1 "Ik ben God, de Almachtige!" In heel de Bijbel keert deze aanduiding van God terug, tot in het Nieuwe Testament. Openbaringen 1: 8 "Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Heere, Die is, en Die was, en Die komen zal, de Almachtige". In Exodus 3: 14 openbaart Hij Zich als Jehovah of HEERE. De onverandelijke Getrouwe. De God van het Verbond.

O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen! Want wie heeft den zin des Heeren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden? Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen. Romeinen 11: 33-36

God is een Geest van oneindige volmaaktheid. Hij is volkomen goed, onafhankelijk, eeuwig, alomtegenwoordig, onveranderlijk. Als God een Geest is, hoe bestaat het dan, dat er in de Bijbel gesproken wordt over Gods ogen, Gods voeten etc.? Zijn dat geen overblijfselen van een primitieve vorm van Israëls godsdienst zoals de moderne Bijbelwetenschap wel beweert? Nee! deze uitdrukkingen zijn bedoeld om naar onze bevatting iets te zeggen over zijn werkzaamheden of eigenschappen. Dus in overdrachtelijke zin. Anderzijds is het mogelijk dat er een Geest bestaat zonder lichaam? Hierover is door de loop der eeuwen al heel wat gediscussieerd. Tegenwoordige materialisten en atheïsten zeggen dat dit onmogelijk is, of in elk geval niet te bewijzen.

"De dwaas zegt in zijn hart: er is geen God" Psalm 53:2

Is het mogelijk om God te bewijzen? God bewijzen in de vorm van een logische optelsom van argumenten kan niemand, maar het is meer onredelijk om daarmee tot de conclusie te komen dat Hij niet bestaat. God hangt niet af van menselijke redenatie. Wel kan het geloof ondersteund worden door tal van aanwijzingen. Hierover is heel veel literatuur geschreven.

"Wij moeten God kennen in Zijn deugden, als heerlijk in heiligheid, rijk in barmhartigheid en getrouw in Zijn beloften. Wij moeten Hem kennen in Zijn Zoon. Zoals een gezicht vertoond wordt in een spiegel, zo zien wij in Christus als in een heldere spiegel Gods schoonheid en liefde schitteren" (Thomas Watson).


Drie-enigheid

In Zijn Woord heeft God Zich geopenbaard als één in Wezen en drie in Personen. Voor deze drie personen gebruikt Gods Woord de namen van Vader, Zoon en Heilige Geest.

Deze leer van de Drie-eenheid is van wezenlijk belang. Alleen door een Drie-enig God is een mens in staat met God in gemeenschap te treden. In Christus komt God (onze Schepper) Zelf tot ons, (als Verlosser en Zaligmaker; God geopenbaard in het vlees 1 Tim. 3: 16) en in de Heilige Geest verenigt Hij zich met ons (als Herschepper en Heiligmaker).

"Ik kan niet denken aan Eén of terstond wordt ik omringd met de glans van de Drie, en ik kan de Drie niet onderscheiden, of ik wordt terstond teruggedreven tot Eén" (Gregorius van Nazianze)

In het Oude Testament is de leer van de Goddelijke Drie-eenheid wel aanwezig, maar nog niet zo helder zichtbaar als in het Nieuwe Testament. Bij de doop in de Jordaan sprak de Vader: "Deze is Mijn Geliefde Zoon, In Dewelke Ik Mijn welbehagen heb". De Heilige Geest daalde op hem neer in de gedaante van een duif. Christus Zelf sprak tot Zijn discipelen:

"Gaat dan heen, onderwijst als de volkeren, dezelve dopende in de Naam des Vaders, en des Zoon en des Heiligen Geestes" (Mattheus 28: 29)

De verheerlijking van God Drie-enig is het doel van al Gods werken. Het is de hoogste bestemming van alle schepselen, in het bijzonder van de mens, om aan dat doel te beantwoorden.


De Schepping.

De uitvoering van Gods Raad van eeuwigheid in de tijd begint met de schepping. Ze is de aanvang en grondslag van de Openbaring Gods en het fundament van alle religieuze en ethische leven (Bavinck, geloofsleer). Vanaf de 19de eeuw zijn er steeds meer stemmen gekomen die afbreuk willen doen aan het scheppingsverhaal. Nu moet gezegd worden dat al deze stemmen en nieuwe stelsels geen resultaat zijn van exact wetenschappelijk onderzoek, maar slechts filosofie en wereldbeschouwing. De oorsprong en einde van alle dingen ligt immers buiten de grenzen van waarneming en onderzoek. Ten slotte is herhaaldelijk en van verschillende zijden aangetoond, dat men in ernstige gebreke blijft om heel de aardse werkelijkheid uit enkel materie te verklaren.

Toch wordt deze gedachte door velen als waar aangenomen ('wij zijn ons brein'). Voor zover nog over God gesproken wordt, krijgt Hij slechts de schuld van alle problemen die er zijn in deze wereld, de rampen, de oorlogen, de verschrikkingen die hebben plaats gevonden in Auschwitz etc. Het probleem van het lijden en de goedheid van God kan men niet rijmen. Daarom haken steeds meer mensen af, als het gaat over het geloof aan God. De gedachte dat wij het zonder God moeten stellen in deze wereld werd bovendien sinds de Verlichting steeds meer in de populaire wetenschap en literatuur verwerkt en tegenwoordig via de moderne media, zodat het op die manier steeds meer een breed geaccepteerd gegeven is geworden.


De mens.

Wat is de mens? Enerzijds heel betrekkelijk. God zelf antwoord: "Gij zijt stof, en tot stof zult gij wederkeren". (Genesis 3: 19b).

De mens is der ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw. Psalm 144: 4

Anderzijds van zeer hoge komaf. De Heere schiep de mens naar lichaam en ziel naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis. Ten dage als God de mens schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods (Genesis 5: 1). God is een Geest van oneindige volmaaktheid. Naar dat beeld is de mens geschapen. God heeft de mens recht gemaakt (Prediker 7: 29).

Uit het eerste mensenpaar Adam en Eva (Man en vrouw schiep hij hen) zijn alle mensen voortgekomen. De menselijke ziel was bij de schepping gericht op Gods hoogste Doel. Dit doel is nog steeds van kracht: "Het hoofddoel van de mens is God te verheerlijken en zich in Hem te verblijden voor eeuwig" (Westminster Catechismus). De mens was  volkomen zuiver, rechtvaardig en heilig, en verkeerde in ongestoorde gemeenschap met Zijn Schepper.

"En God zeide: Laat Ons mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte dat op de aarde kruipt, en God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld Gods schiep Hij hen: man en vrouw schiep Hij hen."

Deze 'staat der rechtheid' is de mens verloren. In de zondeval van Adam onderwierp de mens zich moedwillig (en al zijn nakomelingen) aan de vloek en verloor het beeld Gods, waardoor de hele mensheid buiten de  gemeenschap met God kwam te staan. De mens heeft gezondigd en derft de heerlijkheid Gods. God Beeld waarnaar de mens geschapen was is weg. Onze ziel is blind geworden en kan niet begrijpen de dingen die des Geestes Gods zijn. Wij allen zijn vervreemd van het leven Gods ( Romeinen 3: 23, Joh. 8: 44, 1 Kor. 2: 14, Ef. 4: 18) .

Omdat zij, God kennende, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt; maar zijn verijdeld geworden in hun overleggingen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden (Romeinen 1: 21)

De oorsprong van de zonde ligt niet in God. Wel staat de zonde niet buiten Gods besluit. Het kwade in de wereld bestaat niet onafhankelijk tegenover God. Hij heeft de mogelijkheid van de zonde gewild, zonder dat Hijzelf de bewerker van de zonde is. Al het kwade in deze wereld is voor rekening van het schepsel zelf. 

Alle mensen worden nu in zonde en ongerechtigheid (als kinderen des toorns) geboren en zijn belast met 'de erfzonde'.

"Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen". Psalm 51: 7

En ga niet in het gericht met uw knecht, want niemand die leeft zal voor uw aangezicht rechtvaardig zijn. Psalm 143: 2

Alle mensen zijn ook onderworpen aan de drievoudige dood: de tijdelijke of natuurlijke dood wanneer de ziel van het lichaam moet scheiden, de geestelijke dood (het liggen onder de macht van de zonde), de eeuwige dood (de eeuwige verwerping als gevolg van het geschonden recht Gods).

Is dit dan niet in strijd met Gods barmhartigheid?

God is wel barmhartig, maar Zijn barmhartigheid mag niet in strijd zijn met zijn rechtvaardigheid. De barmhartigheid van God is geopenbaard in Jezus Christus die aan het recht van God volkomen voldaan heeft.

De vrije wil om uit en door ons zelf de weg van de zonde de rug toe te keren en de weg tot God terug te bewandelen, ontbreekt de mens. De natuur van de mens, waarmee hij is geboren, is zó verdorven, dat er niets uit voort kan komen, wat beantwoordt aan de gerechtigheid van God. Al ons doen en laten is verwerpelijk, doemwaardig voor de rechtvaardige en heilige God. Geboren op deze wereld en belast met de erfzonde (Ezechiël 16, Job 14: 4, Psalm 51: 7, Efeze 2: 3, Genesis 8: 21)  van onze voorouders, maken we de schuld nog dagelijks meerder met onze dadelijke zonden in woorden, werken en gedachten.

En gelijk het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden, zo heeft God hen overgegeven in een verkeerde zin, om te doen dingen, die niet betamen; Vervuld zijnde met alle ongerechtigheid, hoererij, boosheid, gierigheid, kwaadheid, vol van nijdigheid, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid; Oorblazers, achterklappers, haters Gods, smaders, hovaardigen, laatdunkenden, vinders van kwade dingen, de ouderen ongehoorzaam, onverstandigen, verbondbrekers, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken, onbarmhartigen Romeinen 1: 28-31

De mens is van nature door eigen schuld in heel zijn bestaan gebonden aan de verdorvenheid van zijn bestaan, zó zelfs, dat hij vrijwillig deze gebondenheid aanvaardt en deze ook nooit los zal laten, tenzij de Heere in de wedergeboorte zijn wil vernieuwt, zodat hij gaat willen, wat God wil (Handelingen 9: 6).

Maar zijn wij alzo verdorven, dat wij geheel onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad?
Ja wij; tenzij dan dat wij door de Geest Gods wedergeboren worden.
Heidelbergse Catechismus vraag en antwoord 8

Ook hier ligt een onoverkomelijk knelpunt tussen de Bijbelse leer en het moderne denken van autonomie. Verantwoordelijk voor de zonde van onze voorouders? Een baby die belast met erfschuld ter wereld komt? Deze Bijbelse noties kunnen zelfs weerstand oproepen bij christelijke doopouders. Ook met een begrip als 'zonde' kunnen wij als moderne mensen niets meer, omdat we gewend geraakt zijn alle normen uit Gods Woord te relativeren naar eigen goeddunken.  We denken bij het verkeerde aan de misdaad of fouten in het leven die we nu eenmaal allemaal maken. Moeten we ons vooral niet al te druk over maken. De meeste mensen gaan ervan uit dat de mens in zichzelf goed is, en op het goede gericht is.  

Want de toorn Gods wordt geopenbaard van de hemel over alle goddeloosheid, en ongerechtigheid der mensen, als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden (Romeinen 1: 18)

Aangezien alle mensen in Adam gezondigd hebben, en de vloek en eeuwige dood zijn schuldig geworden, zo zou God niemand ongelijk hebben gedaan, indien Hij het ganse menselijke geslacht in de zonde en vervloeking had willen laten en om de zonde verdoemen, volgens deze uitspraken van den apostel: De gehele wereld is voor God verdoemelijk. Zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods. En: De bezoldiging der zonde is de dood. (Dordtse Leerregels)


Verlossing.

De Heere gaf eenmaal het volk Israël de 10 geboden. Deze geboden zijn universeel bedoeld. In de eerste plaats zijn de 10 geboden ook niet bedoeld als  regels om die uiterlijk na te leven, maar vooral als een spiegel voor ons innerlijke geestelijke leven. Het bereik van de Wet is zo breed, dat heel ons leven daardoor geplaatst wordt onder de vloek van Gods gerechtigheid.

Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Dat zij verre. Ja, ik kende de zonde niet dan door de wet; want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, indien de wet niet zeide: Gij zult niet begeren. Maar de zonde, oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft in mij alle begeerlijkheid gewrocht; want zonder de wet is de zonde dood. En zonder de wet, zo leefde ik eertijds; maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven (Romeinen 7:7-9)

Zij die zich daaronder veroordeeld weten, zullen gaan uitzien naar de grote Wetsvolbrenger, Jezus Christus. Zonder Christus zijn wij zonder God en beroofd van alle hoop. Het eeuwige leven kan alleen ontvangen worden, wanneer wij God de Vader leren kennen, en Jezus Christus, Die Hij gezonden heeft.

Maar hierin is de liefde Gods geopenbaard, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon in de wereld gezonden heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe, 1 Joh. 4:9; Joh. 3:16,. Dordtse Leerregels H. 1

De koninklijke bekendmaking van Jezus Christus is het Evangelie, de blijde boodschap des heils. Het Evangelie is de bekendmaking van de Koning des hemels aan arme zondaren, waarin Hij vrijheid aanbiedt aan alle gevangenen van Satan tot wie deze bekendmaking komt. De wet legt zondaren het zware juk van de vloek op, het Evangelie brengt het aanbod van vrijheid (Thomas Boston).

Ook de oud-testamentische gelovigen hebben Christus in geloof gezien van verre. Het Nieuwe Testament is de vervulling van hetgeen in het Oude Testament was beloofd en naar werd uitgezien. De oudtestamentische tempeldienst was een  heenwijzing en voorafschaduwing van Christus en Zijn werk.  Alleen door Hem (als de betekenende zaak) was het mogelijk tot God te gaan.

Abraham, uw vader, heeft met verheuging verlangd, opdat hij Mijn dag zien zou; en hij heeft hem gezien, en is verblijd geweest. Johannes 8: 56

Onderzoekt de Schriften; want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen. En gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben. Ik neem geen eer van mensen; Maar Ik ken ulieden, dat gij de liefde Gods in uzelven niet hebt. Ik ben gekomen in den Naam Mijns Vaders, en gij neemt Mij niet aan; zo een ander komt in zijn eigen naam, dien zult gij aannemen. Hoe kunt gij geloven, gij, die eer van elkander neemt, en de eer, die van God alleen is, niet zoekt? Meent niet, dat Ik u verklagen zal bij den Vader; die u verklaagt, is Mozes, op welken gij gehoopt hebt. Want indien gij Mozes geloofdet, zo zoudt gij Mij geloven; want hij heeft van Mij geschreven. Maar zo gij zijn Schriften niet gelooft, hoe zult gij Mijn woorden geloven? Johannes 5: 39-47

En zeide: Wat dunkt u van den Christus? Wiens Zoon is Hij? Zij zeiden tot Hem: Davids Zoon. Hij zeide tot hen: Hoe noemt Hem dan David, in den Geest, zijn Heere? zeggende: De Heere heeft gezegd tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten. Indien Hem dan David noemt zijn Heere, hoe is Hij zijn Zoon? En niemand kon Hem een woord antwoorden; noch iemand durfde Hem van dien dag aan iets meer vragen. Matth. 22: 42-46


Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien, en geloofd, en omhelsd, en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren (Hebr. 11: 13).

Tempel van Salomo
Tempel van Salomo


De Persoon van de Middelaar.

De Zoon van God, Die van eeuwigheid bereid was Middelaar te zijn tot redding van zondaren, heeft God in de wereld gezonden, opdat Hij degenen die onder de Wet (de vloek) zijn verlossen zou.

En Hij begon door gelijkenissen tot hen te zeggen: Een mens plantte een wijngaard, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak, en bouwde een toren, en verhuurde dien aan de landlieden, en reisde buiten 's lands. En als het de tijd was, zond hij een dienstknecht tot de landlieden, opdat hij van de landlieden ontving van de vrucht des wijngaards.  Maar zij namen en sloegen hem, en zonden hem ledig heen. En hij zond wederom een andere dienstknecht tot hen, en dien stenigden zij, en wondden hem het hoofd, en zonden hem henen, schandelijk behandeld zijnde. En wederom zond hij een andere, en die doodde zij; en vele anderen, waarvan zij sommigen sloegen, en sommige doodden. Als hij dan nog een zoon had, die hem lief was, zo heeft hij ook dien ten laatste tot hen gezonden, zeggende: Zij zullen immers mijn zoon ontzien. Maar die landlieden zeiden onder elkander: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem doden, en de erfenis zal onze zijn. En zij namen en doodden hem, en wierpen hem uit, buiten den wijngaard. Wat zal dan de heer des wijngaards doen? Hij zal komen, en de landlieden verderven, en den wijngaard aan anderen geven. Hebt gij ook deze Schrift niet gelezen: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks; Van den Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen? En zij zochten Hem te vangen, maar zij vreesden de schare; want zij verstonden, dat Hij die gelijkenis op hen sprak; en zij verlieten Hem en gingen weg. Markus 12: 1-12

Hij nam onze menselijke natuur aan en was met ons, mensen, onderworpen aan honger, dorst, en verdriet. Het was nodig dat de Middelaar waarachtig mens zou zijn, omdat de Heere de zonden, door een mens bedreven, alleen door een mens kon laten wegnemen. De Middelaar moest ook waarachtig God zijn, omdat anders de Middelaar de last van de toorn Gods tegen de zonde van het menselijk geslacht niet zou kunnen dragen. De Zoon van God, Die door de Heilige Geest geboren werd uit de maagd Maria, heeft twee naturen: de Goddelijke en de menselijke, en is niettemin één Persoon.

En er geschiedde een stem uit de hemelen: Gij zijt Mijn geliefde Zoon, in Denwelke Ik Mijn welbehagen heb. Markus 1: 11

De naam Jezus (Hebreeuws), betekent Behouder, Zaligmaker. De naam Christus (Grieks) Gezalfde, Messias.

Hij wordt Zaligmaker genoemd omdat bij niemand anders zaligheid te vinden is.

En wij hebben het aanschouwd, en getuigen, dat de Vader Zijn Zoon gezonden heeft tot een Zaligmaker der wereld.

1 Joh. 4: 14

Hij wordt Gezalfde genoemd vanwege Zijn drie ambten Profeet, Priester, Koning.

De Geest des Heeren HEEREN is op Mij, omdat de HEERE Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van harte, om de gevangenen vrijheid uit te roepen, en de gebondenen opening der gevangenis .

Jesaja 61: 1

Door Zijn geboorte, lijden, dood, begrafenis, nederdaling ter helle (vernedering) heeft de Heere Jezus de zaligheid verworven. Zijn verdiensten, sluiten alle menselijke verdiensten uit.

Door Zijn opstanding, hemelvaart, zitten ter rechterhand Gods, wederkomst ten oordeel (verhoging) past de Heere Jezus de door Hem verworven zaligheid toe door de kracht van Zijn Woord en Geest.


De toepassing.

Zonder de persoonlijke toepassing in ons leven van het werk van Christus, blijft Christus buiten ons. We kunnen over het werk van Christus horen, de rijkdom daarvan zien, maar wij delen er niet in, het staat buiten ons bezit! Het werk van Christus moet ons deelachtig worden. Dit gebeurt in de weg van kennis van onze ellende, de verlossing en de dankbaarheid zoals de belijdenis in de Heidelbergse Catechismus dit uitdrukt. De kennis die hier bedoeld wordt is geen verstandelijke kennis, maar kennis door ondervinding (ervaring).

En roep Mij aan de dag der benauwdheid; Ik zal u er uithelpen, en gij zult Mij eren. Maar tot de goddeloze zegt God: wat hebt gij Mijn inzettingen  te vertellen, en neemt Mijn Verbond in uw mond? Psalm 50: 15, 16

Een lied Hammaaloth. Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE! HEERE! hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen.  Zo Gij, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat; HEERE! wie zal bestaan? Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt. Ik verwacht den HEERE; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord. Mijn ziel wacht op den HEERE, meer dan de wachters op den morgen; de wachters op den morgen. Israël hope op den HEERE; want bij den HEERE is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing. En Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden. (Psalm 130)

Hoewel de Heere reeds van eeuwigheid een zeker getal uit de mensheid tot Zijn kinderen aangenomen heeft, krijgen ze deel aan de verlossing door Christus doordat ze in de tijd geroepen en wedergeboren worden.

God heeft ons uitverkoren in Christus, vóór de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde; Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil; tot prijs der heerlijkheid Zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde, Efeze 1:4-6,.

Die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt, Romeinen 8:30

We mogen de leer van de verkiezing niet op één lijn stellen  met  fatalisme. Dan hebben we een verkeerd beeld van dit onderdeel van de geloofsleer. Calvijn noemt dit geloofsstuk het hart van de kerk. Aan de leer van de verkiezing laat de belijdenis de roeping vooraf gaan.  En die roeping in het evangelie is een welgemeende roeping.

Lukas 5: 32 Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekering.

En als Jezus aan die plaats kwam, opwaarts ziende, zag Hij hem, en zeide tot hem: Zacheüs! haast u, en kom af; want Ik moet heden in uw huis blijven. En hij haastte zich en kwam af, en ontving Hem met blijdschap Lukas 19: 5,6

Uit onszelf kunnen we geen gehoor geven aan de roeping.  De wedergeboorte  (een beginsel dat door God gelegd wordt in de mens) is noodzakelijk.

Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien. Johannes 3: 3

Het geloof, als vrucht van de wedergeboorte, is de zaligmakende overtuiging door wet en evangelie waardoor wij onszelf in waarheid leren kennen, onze ellende betreuren, onze zonden belijden, verlangen, hongeren en dorsten, en vluchten tot Christus. (A. Comrie)


Maar zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen. Want die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is dergenen, die Hem zoeken. Hebreeën 11: 6

En ziet, een melaatse kwam, en aanbad Hem, zeggende: Heere! indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen. En Jezus, de hand uitstrekkende, heeft hem aangeraakt, zeggende: Ik wil, word gereinigd! En terstond werd hij van zijn melaatsheid gereinigd. Mattheus 8: 2, 3

En de hoofdman over honderd, antwoordende, zeide: Heere! ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen; maar spreek alleenlijk een woord, en mijn knecht zal genezen worden. Jezus nu, dit horende, heeft Zich verwonderd, en zeide tot degenen, die Hem volgden: Voorwaar zeg Ik u, Ik heb zelfs in Israël zo groot een geloof niet gevonden. En Jezus zeide tot den hoofdman over honderd: Ga heen, en u geschiede, gelijk gij geloofd hebt. En zijn knecht is gezond geworden te dierzelver ure. Mattheus 8: 8, 10, 13

En ziet, een vrouw die twaalf jaren het bloedvloeien gehad had, komende tot Hem van achteren, raakte den zoom Zijns kleeds aan; Want zij zeide in zichzelven: Indien ik alleenlijk Zijn kleed aanraak, zo zal ik gezond worden. En Jezus, Zich omkerende, en haar ziende, zeide: Wees welgemoed, dochter! uw geloof heeft u behouden. En de vrouw werd gezond van dezelve ure af.) Mattheus 9 : 20-22

Het geloof heeft als vrucht de vrijspraak van de zondeschuld en de eeuwige straf op grond van de verdienste van Christus.

"Ongerechtige dingen hadden de overhand over mij, maar onze overtredingen, die verzoend Gij" Psalm 65: 4

Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heere Jezus Christus; Romeinen 5: 1

Want de rechtvaardigheid Gods wordt in hetzelve geopenbaard uit geloof tot geloof; gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven. Romeinen 1: 17

Op de wedergeboorte en het geloof volgt als vanzelf de bekering: een totale omkering van de mens met betrekking op verstand, wil, gedachten, woorden en daden.

En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven (Ezechiël 36: 26)


De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten (Psalm 51: 19).

Met het gehoor des oors heb ik U gehoord, maar nu ziet mijn oog. Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as (Job. 42: 5, 6)

Waaruit bestaat de waarachtige bekering?
In de afsterving van de oude, en in de opstanding van de nieuwe mens.

Wat is de afsterving van de oude mens?
Het is een hartelijk berouw, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben, en die hoe langer hoe meer haten en ontvluchten.

Wat is de opstanding van de nieuwe mens
Een hartelijke vreugde in God door Christus, en lust en liefde om naar de wil Gods te leven.

De mens die het nieuwe leven uit God deelachtig wordt, krijgt behalve de rechtvaardigmaking door het geloof ook deel aan de heiligmaking. Dat is: in beginsel weer beantwoorden aan het doel waarvoor we geschapen zijn:

Mijn mond zal Uw gerechtigheid vertellen, de ganse dag Uw heil, hoewel ik de getallen niet weet. Ik zal heengaan in de mogendheden des Heeren HEEREN; ik zal Uw gerechtigheid vermelden, de Uwe alleen. Psalm 71: 15-16

De heiligmaking is ook een bewijs van de rechtvaardigmaking:

Jaagt de vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand de Heere zien zal" Hebreeën 12: 14"

De Kerk.

In de  geloofsbelijdenis (NGB) wordt met de aanduiding 'kerk' niet het uiterlijk instituut bedoeld, en al helemaal niet het gebouw waarin men samenkomt. Het gaat om de gemeenschap van ware gelovigen waar dan ook ter wereld, en welke tijd dan ook. Deze kerk bestaat uit twee delen: zij die nog op de aarde zijn en zij die al verlost door Christus bloed zijn opgenomen in de hemel.

Toch heeft Christus  niet gewild dat Zijn kinderen als losse individuen door dit leven zouden gaan. Zij worden geroepen een zichtbare gemeente te vormen. Deze zichtbare  gemeente kan niet bestaan uit enkel ware gelovigen. Wel zijn er tenminste 3 kenmerken waaraan een ware kerk of christelijke gemeente te herkennen is:

Prediking overeenkomstig het Woord van God.

Volgens het bevel van Christus, allen en een iegelijk, verkondigd en openlijk betuigd wordt, dat hun, zo dikwijls als zij de beloftenis des Evangelies met een waar geloof aannemen, waarachtig al hun zonden van God, om der verdiensten van Christus' wil, vergeven zijn; daarentegen allen ongelovigen, en die zich niet van harte bekeren, verkondigd en betuigd wordt, dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zolang als zij zich niet bekeren ; naar welk getuigenis des Evangelies God zal oordelen, beide in dit en in het toekomende leven. (Heidelbergse Catechismus)

Bediening van de (heilige) sacramenten (deze heeft Christus alleen geordineerd voor Zijn gelovigen en mogen niet uit gewoonte, bijgelovigheid of lichtzinnig gebruikt worden).

"De drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeggende zegenen, is die niet een gemeenschap des bloeds van Christus? Het brood dat wij breken, is dat  niet een gemeenschap des lichaams van Christus?" 1 Korinthe 11: 14-16

Handhaving van de tucht (toezien op een levenswandel in openbare zonden, dat tot schade is van Gods koninkrijk).

Volgens het bevel van Christus, degenen, die onder christelijke naam onchristelijke leer of leven voeren, nadat zij, ettelijke malen broederlijk vermaand zijnde, van hun dwalingen of hun schandelijk leven niet willen aflaten. (Heidelbergse Catechismus)


De prediking van het Woord van God.

Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles wat ik u geboden heb. Mattheus 28: 19

Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welken zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt? En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? Gelijk geschreven is: Hoe liefelijk zijn de voeten dergenen, die vrede verkondigen, dergenen, die het goede verkondigen! Doch zij zijn niet allen het Evangelie gehoorzaam geweest; want Jesaja zegt: Heere, wie heeft onze prediking geloofd? Romeinen 10: 14-16

Paulus prediking in Athene
Paulus prediking in Athene

De stem van het Evangelie komt tot allen die het horen en wordt aan zondaren (dat zijn alle hoorders) aangeboden. "O alle gij dorstigen! komt tot de wateren! en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koop zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk" (Jes. 55:1).

Het Evangelie is een genade, een leer en aankondiging Gods aan een iegelijke zondaar die het hoort, dat door God aan een iegelijke zondaar, die zich bekeert en gelooft in Jezus, gegeven wordt vergeving der zonden, vrede met God, heiligmaking, alle genade, ja, de eeuwige zaligheid om de genoegzame verdiensten van de Middelaar Jezus Christus. En elke maal, als het Woord gehoord wordt dat het Evangelie voordraagt, zo wordt deze aanbieding gedaan aan elk, die het hoort" (Jodocus van Lodenstein).

"Aan ieder mens die onder het geklank van het evangelie leeft, wordt het aanbod van Christus als ware tot aan zijn deur gebracht. Er wordt zeer sterk bij hem aangedrongen, alsof hij met name genoemd werd. Bijgevolg zal niemand het recht hebben om te zeggen: de roeping en aanbieding zijn niet voor mij; ik heb geen recht om Christus te omhelzen". (Ebenezer Erskine, Christus in de armen van een gelovige)

Degenen die door Gods Geest ook inwendig geroepen worden, daarvan wordt de hardheid van het hart weggenomen. Degenen die in ongeloof blijven voortleven, het Evangelie minachten of niet op waarde schatten worden verhard (Matth. 22 : 2).

Ook heb ik onder de zon deze wijsheid gezien, en zij was groot bij mij; Er was een kleine stad, en weinig lieden waren daarin; en een groot koning kwam tegen haar, en hij omsingelde ze, en hij bouwde grote vastigheden tegen haar. En men vond daar een arme wijze man in, die de stad verloste door zijn wijsheid; maar geen mens gedacht denzelven arme man. Spreuken 9: 13-15

Zij horen het niet als het Woord van Christus zelf, maar als het Woord van mensen (Lukas 4:22). 25 Anderen worden alleen verstandelijk overtuigd, maar het raakt de wortel van hun bestaan niet.

En als hij handelde van rechtvaardigheid, en matigheid, en van het toekomende oordeel, Felix, zeer bevreesd geworden zijnde, antwoordde: Voor ditmaal ga heen; en als ik gelegenen tijd zal hebben bekomen, zo zal ik u tot mij roepen. (Handelingen 24: 25)

Waar het zaligmakend geloof aan het werken is, daar wordt de aanbieding van het Evangelie door de Heilige Geest in de ziel in het bijzonder met kracht toegepast, als het Woord van de Heere zelf en niet van mensen, waardoor de mens ervan overtuigd raakt; dat het de stem van God in Christus tot hem of haar in het bijzonder is (1 Thess. 1: 5, 2: 13).

Haast u en trekt op tot mijn vader, en zegt het hem: Alzo zegt uw zoon Jozef: God heeft mij tot een heer over gans Egypteland gesteld; kom af tot mij, en vertoef niet. (Genesis 45: 9)

Toen boodschapten zij hem, zeggende: Jozef leeft nog, ja, ook is hij regeerder in gans Egypteland! Toen bezweek zijn hart, want hij geloofde hen niet. Maar als zij tot hem gesproken hadden al de woorden van Jozef, die hij tot hen gesproken had, en dat hij de wagenen zag, die Jozef gezonden had om hem te voeren, zo werd de geest van Jakob hun vader, levendig. En Israël zeide: Het is genoeg! mijn zoon Jozef leeft nog! ik zal gaan, en hem zien, eer ik sterve! Genesis 45: 26-28

De sacramenten tot versterking van het geloof.

Heilig Avondmaal

De sacramenten zijn tekenen en zegelen van de inhoud van de beloften van het evangelie: vergeving van zonden en het eeuwige leven op grond van het offer en kruisverdiensten van Jezus Christus. Het dient tot versterking van de ware gelovigen. Van overschatting van de sacramenten is sprake als men ze gebruikt om daardoor met God verzoend te worden (Roomse sacramentele opvatting). Als men de zondige levenswijze dan ook nog aan de hand houdt, maakt men op gruwelijke wijze misbruik van het sacrament. Anderzijds kan het ook onderschat worden. Het is het uitdrukkelijk bevel van Christus om er gebruik van de maken.

En Hij nam brood, en als Hij gedankt had, brak Hij het, en gaf het hun, zeggende: Dat is Mijn lichaam, hetwelk voor u gegeven wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis. (Lukas 22:19)

Heilige doop

Ook de doop wordt bediend op grond van Christus bevel in de Naam van de Drie-enige God: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. De Vader betuigt ons in de doop dat Hij met ons een eeuwig Verbond der genade opricht en ons tot Zijn kinderen en erfgenamen aanneemt. De Zoon dat Hij ons wast in Zijn bloed en ons inlijft in de gemeenschap van Zijn dood en Zijn opstanding. De Heilige Geest dat Hij in ons woont en ons tot lidmaten van Christus heiligt.

Dit wil echter niet zeggen dat degene die het teken van de doop ontvangt op dat ogenblik ook deze zaken deelachtig wordt. In de doop wordt beleden dat wij met onze kinderen in het rijk Gods niet kunnen komen, tenzij wij van nieuws geboren worden.

Alleen door oprecht geloof kunnen we de betekende zaak deelachtig worden. De doop wijst op de grote hoofdzaak wat er in ieders leven gebeuren moet: we moeten gewassen worden in het bloed van Christus om voor God te kunnen bestaan. Daarom wordt de doop ook maar éénmalig in iemands leven bediend.

Waarom wordt de doop in de regel aan kleine kinderen bediend en niet aan de volwassenen die getuigenis van hun geloof kunnen afleggen? Omdat de grond van de zaak is het Verbond Gods. Zijn Verbond staat in eeuwigheid vast.

"Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen, en hetgeen uit Mijn lippen gegaan is, zal Ik niet veranderen. Ik heb eens gezworen bij Mijn heiligheid: Zo Ik aan David liege! Zijn zaad zal in der eeuwigheid zijn, en zijn troon zal voor Mij zijn gelijk de zon. Hij zal eeuwiglijk bevestigd worden, gelijk de maan; en de Getuige in den hemel is getrouw. Sela". (Psalm 89: 35-38)

Het is geen kleine zaak om het teken en zegel van het genadeverbond te dragen. Als gedoopte behoren wij in uitwendige zin tot het genadeverbond. De belijdenis zegt zelfs dat wij in Christus geheiligd zijnDe heiligheid waarvan hier gesproken wordt is geen heiligheid op grond van de wedergeboorte, maar een betrekkelijke uitwendige verbondsheiligheid, waarvan ook gesproken wordt in bijvoorbeeld  Ezechiël 16 : 20. De Heere heeft gezegd dat wij Hem toebehoren. Hij heeft recht op ons leven.

Doch Ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen en zullen met Abraham, en Izak, en Jakobaanzitten in het Koninkrijk der hemelen;  En de kinderen des Koninkrijks zullen uitgeworpen worden. Mattheus 8: 11, 12a

Toekomst.

Christus zal wederkomen om te oordelen de levenden en de doden (2 Korinthe 5: 10). Tot die tijd rijpen de tijden zich. Tekenen die de wederkomst aankondigen zijn de verbreiding van het evangelie onder alle volkeren, en de steeds brutalere openbaring van de antichrist.

"Dit eerst wetende, dat in het laatste der dagen spotters komen zullen, die naar hun eigen begeerlijkheden zullen wandelen. En zeggen: Waar is de belofte Zijner toekomst? want van dien dag, dat de vaders ontslapen zijn, blijven alle dingen alzo gelijk van het begin der schepping. Want willens is dit hun onbekend, dat door het woord Gods de hemelen van over lang geweest zijn, en de aarde uit het water en in het water bestaande; Door welke de wereld, die toen was, met het water van de zondvloed bedekt zijnde, vergaan is. Maar de hemelen, die nu zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, en worden ten vure bewaard tegen den dag des oordeels, en der verderving der goddeloze mensen. Doch deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat een dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als een dag. De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen. Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in de nacht, in welke de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden. Dewijl dan deze dingen alle vergaan, hoedanigen behoort gij te zijn in heilige wandel en godzaligheid. Verwachtende en haastende tot de toekomst van de dag Gods, in welken de hemelen, door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten. Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont." 2 Petrus 3: 3-14

Gods kinderen leven in dit leven door het geloof en mogen door het geloof uitzien naar een heerlijke toekomst, die voor hen is weggelegd: die hen ten volle hun deel zal worden in de wederopstanding uit de doden.

"Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele; Doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen ten dele is, te niet gedaan worden. Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik te niet gedaan hetgeen eens kinds was. Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben. En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde." (1 Korinthe 13 : 9-13)

"Indien nu Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de doden opgewekt is, hoe zeggen sommigen onder u, dat er geen opstanding der doden is? En indien er geen opstanding der doden is, zo is Christus ook niet opgewekt. En indien Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof. En zo worden wij ook bevonden valse getuigen Gods; want wij hebben van God getuigd, dat Hij Christus opgewekt heeft, Dien Hij niet heeft opgewekt, zo namelijk de doden niet opgewekt worden. Want indien de doden niet opgewekt worden, zo is ook Christus niet opgewekt. En indien Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs, zo zijt gij nog in uw zonden. Zo zijn dan ook verloren, die in Christus ontslapen zijn. Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen. Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn." 1 Korinthe 15 : 12-20

Ook de goddelozen zullen opstaan en zullen het lichaam terug ontvangen. Niet als een zegen, maar als een vloek tot in alle eeuwigheid.

"Dewijl Ik geroepen heb en gijlieden geweigerd hebt, zo zal Ik ook in uwlieder verderf lachen, Ik zal spotten wanneer uw vreze komt" (Spreuken 1: 24-26)

"En de koningen der aarde en de groten en de rijken, en de oversten over duizend, en de machtigen, en alle dienstknechten, en alle vrijen verborgen zichzelven in de spelonken en in de steenrotsen der bergen. En zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht desgenen die op de troon zit, en van de toorn des Lams." Openbaringen 6: 16

De schepping zal niet worden vernietigd, maar worden vernieuwd. Alle invloed van de zonde zal daar weggebannen zijn. Alle heerlijkheid en genieting zal daarin bestaan, dat men zal leven, leven in grootste en diepste zin van het woord: Het volmaakt kennen, genieten van de Drie-enige God.

"En hij toonde mij een zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit den troon Gods, en des Lams. In het midden van haar straat en op de ene en de andere zijde der rivier was de boom des levens, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende zijne vrucht; en de bladeren des booms waren tot genezing der heidenen. En geen vervloeking zal er meer tegen iemand zijn; en de troon Gods en des Lams zal daarin zijn, en Zijn dienstknechten zullen Hem dienen; En zullen Zijn aangezicht zien, en Zijn Naam zal op hun voorhoofden zijn. En aldaar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht der zon van node hebben; want de Heere God verlicht hen; en zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid" Openbaringen 22: 1-5

"Er blijft dan een rust over voor het volk Gods." Hebr. 11: 9

"Daarom verwachten wij die grote dag met een groot verlangen, om ten volle te genieten de beloften Gods, in Jezus Christus, onzen Heere." (Nederlandse Geloofsbelijdenis)