Het onvergankelijke Woord

Ds. J. Wisse Czn.

"Het gras is verdord, en zijn bloem is afgevallen, maar het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid." 1 Petrus 1: 24b, 25a.

"De natuur is voor onze ogen als een schoon boek, in hetwelk alle schepselen, grote en kleine, gelijk als letteren zijn, die ons de onzienlijke dingen Gods geven te aanschouwen." Deze gedachte door onze vaderen omschreven in artikel 2 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis, zien we van ogenblik tot ogenblik rondom ons bevestigd worden. Niet slechts de schepselen alle in het bijzonder, maar geheel de schepping predikt ons zo luidt de wijsheid en de almacht van de Schepper.

Bij de afgaande zomer zien we in dit herfstgetij van dag tot dag de heerlijkheid en de glans van de zomer, in Gods Schepping alom verspreid, verwelken, daar het plantenleven zich tot de winterslaap voorbereidt. Het groene gras begint te verdorren en zijn bloem begint af te vallen. Aan dat verdorrend gras en aan die afvallende grasbloem, zegt Petrus, is alle heerlijkheid van de mens gelijk. Het is alles kortstondig, het is alles onzeker en onbestendig, het gaat alles voorbij als rook, die wegstuift voor de wind. Men behoeft nog niet eens te letten op schone heesters, op prachtige bloemperken, noch op vruchtdragend geboomte, men behoeft nog niet eens stil te staan en met gespannen aandacht te turen en te peinzen naar en op de groene dreven, noch op te zien naar de uitgestrekte schone wouden, och nee! Het gras dat u onder uw voet vertreedt, en het tere grasbloempje, dat voor de koude nachtvorsten het hoofd buigt, spoedig verwelkt en vergaat, hoe predikt het alles aan de mens de vergankelijkheid van al het ondermaanse!

Die prediking komt van jaar tot jaar als een algemene, als een luidklinkende, als een zeer ernstige prediking tot allen, en wie is er, die er het hart op zet, die het verstaat en ter harte neemt! Wordt het goed verslaan, dan is ook die prediking in het rijk der schepping zo aangrijpend, want ze gaat niet slechts buiten u om, zij is ook rechtstreeks tegen ons gericht; wij zijn als mensen, als kinderen van Adam daarin begrepen. Alle vlees is als gras, het is aan het gras gelijk. Schoon en heerlijk mag de mens schijnen, als hij daar heengaat in de kracht zijns levens, zonder dat nog een zichtbare kwaal of ziekte hem kwelt. Maar voor ieder mens die niet in zijn jeugd of jongheid wordt weggenomen, komt een herfsttijd, en op de herfsttijd volgt de winter des doods. Dan zien we, hoe zelfs de laatste heerlijkheid zich vleugelen heeft gemaakt en hoe met de dood de mens, hoe groot en voortreffelijk ook, als het gras des velds vergaat. Daarom kunnen dat afvallend blad en die steeds korter wordende dagen, die grauwe najaarsluchten, die herfstwinden en plasregens zo somber stemmen.


Tegenover al dat vergankelijke op dit benedenrond wijst Petrus, de apostel van de Heere Jezus Christus, op de onvergankelijkheid van het Woord Gods, met te zeggen: "Maar het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid." Die waarheid is als een helder lichtende en schitterende ster in de duistere nacht en als liefelijk schijnend zonlicht, dat van achter donkere wolken te voorschijn komt.


De mens, voor de eeuwigheid geschapen, heeft, bij al het vergankelijke van deze tegenwoordige wereld, behoefte aan een vaste grondslag om op te staan, als hij alles rondom zich ziet wegvallen. Hij heeft behoefte aan een rustpunt voor zijn arme hart, dat gedurig door allerlei beproeving geschokt en bedroefd wordt, zal er van troost kunnen sprake zijn in en onder al het leed en de weemoed van het leven. Want of de wereld daar al om lacht en of het ongeloof al met kracht zich daartegen wil verzetten, de werkelijkheid is nu eenmaal niet anders: de gedaante van deze wereld gaat voorbij. We hebben hier geen blijvende stad. Het Woord des Heeren is de Rots waaraan de Christen zich vastklemt. Hoe hoog de golven van de grote wereldzee met al haar beproevingen en geweld ook gaan, die Rots blijft staan, vast en onbeweeglijk.

Juist omdat het Woord des Heeren van God zelf is, kan het onmogelijk vergaan. God is onveranderlijk. Zijn Woord kan evenmin vergaan als Hij zelf; wie op dat Woord steunt en zich daar gelovig aan vastklemt, die zal ervaren, dat de Heere getrouw is. Getrouw in het uitvoeren van Zijn oordelen en straf op de zonde bedreigd, maar ook getrouw in het bevestigen van al de beloften en toezeggingen gedaan aan allen die Hem vrezen. Als alle licht van menselijke wijsheid verdonkert en vergaat, blijft het licht in des Heeren Woord ontstoken helder schijnen. Het verbleekt zelfs niet voor noch in de dood. Dat Woord wijst verlegene en verslagene harten de weg van behoudenis. Het biedt troost en verkwikking, zelfs in de bangste nood. Met dat Woord is nog nooit één mens bedrogen uitgekomen. Petrus noemt het Woord des Heeren het levende en eeuwig blijvende Woord van God. Dat Woord is het onvergankelijke zaad, dat op Gods bevel alom als zaad wordt uitgestrooid en waarvan de Heilige Geest als middel zich bedient, om het leven, om het geloof te werken in de harten van zondaren. Het geloof is uit het gehoor en het gehoor is door het Woord Gods.

Dat Woord is door alle eeuwen fel bestreden. Nog heden ten dage wordt het met oude en met nieuwe wapenen op allerlei wijze aangevallen. Telkens vindt Satan nieuwe listen en pogingen uit, om, was het mogelijk, dat Woord krachteloos te maken. Schier onoverzienbaar groot is de menigte, die als een leger tegen deze sterkte optrekt. Maar geen nood. Scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, gaat er onder de invloed en de werking des Geestes een onwederstaanbare, een geweldige kracht uit van het Woord, waardoor de hoogmoedige vernederd en de nederigen verhoogd worden. Van af de Pinksterdag te Jeruzalem, bij de uitstorting van de Heilige Geest, tot op de huidige dag is gebleken, welk een kracht en invloed van dat Woord onder de volken is uitgegaan. Christus is het middenpunt van dat woord. Hij is het belichaamde, het eeuwige ongeschapen Woord. Het Woord, dat vlees is geworden en dat onder ons heeft gewoond. Het Woord des Heeren, dat eeuwig blijft, draagt daarom zulk een onbeschrijfelijke schat in zich. Daarom heeft voor ieder, die het recht kent, dat Woord zulk een geheel enige aantrekkingskracht.


Van dit Woord getuigt graag ieder kind Gods: Uw Woord Heere! ofschoon ik alles mis, is mij een licht om 't donker op te klaren. Daaruit wordt verklaard, hoe de ware vromen van alle tijden zo met dat Woord waren ingenomen, zo telkens naar dat Woord hebben gegrepen, ja tot hun laatste snik op dat Woord hebben gehoopt.


Toen Petrus schreef aan de gelovigen, verstrooid in onderscheidene landschappen, was het voor het uitwendige een bange tijd. Het geloof werd zwaar beproefd. Maar bewaard in de kracht Gods, zou de onvergankelijkheid van het Woord van de Heere  hun voortdurend bemoedigen en vertroosten, indien zij maar daarop bouwden en vertrouwden. Niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, maar door het dierbaar bloed van Christus verlost, heeft Gods kind zich alleen te houden aan hetgeen het Woord van de Heere ons zegt. Waar dat Woord, naar de zin en de mening van de Heilige Geest wordt verkondigd, heet het telkens: dit is de weg, wandelt in dezelve.

Laat Gods weg dan gaan over hoge bergen en door diepe dalen, wat zwarigheid, als u maar volkomen kunt en mag hopen op de genade u toegebracht in de openbaring van Jezus Christus. De bewustheid, dat het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid, is ook zo troostrijk in dagen van rouw en grote droefenis. Als wat naast God op de wereld u zo dierbaar was, u kwam te ontvallen, als door de onverbiddelijke dood een of ander dierbaar pand van u werd weggenomen, en als u ten laatste dat stoffelijk omhulsel in de donkere grafkuil ziet wegzinken, waarbij het dan zo schijnen kan, alsof hetgeen u verliest, inderdaad voor altijd verloren is.

Nee, zegt dan dat Woord, want die in Christus sterven, zijn zalig van nu aan. Alle grafschriften door mensenhand geschreven, vergaan met de tijd. Maar het levend en eeuwigblijvend Woord van onze God vergaat in der eeuwigheid niet. Laat dan met de herfst het gras verdorren en zijn bloem afvallen, - laat die ontzaglijke en aangrijpende prediking in Gods schepping van jaar tot jaar worden herhaald, - laat ons oog het zien en onze hand het tasten, dat alle vlees aan dat gras en alle heerlijkheid van de mensen aan een grasbloem gelijk is, maar met erkenning van deze waarheid en ontzaglijke werkelijkheid, erkennen we niet minder de waarheid en de heerlijkheid van dat voor de Christen zo troostrijke woord, dat het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid.

Het licht in dat Woord ontstoken, zal nooit in duisternis veranderen. De beloften in dat Woord aan armen en nooddruftigen gedaan zullen nooit beschaamd doen uitkomen. Christus de Heere, in dat Woord geopenbaard, is de getrouwe, algenoegzame en bereidwillige Zaligmaker van zondaren. De hoogste Profeet, de Leraar aller leraren, die ons de verborgen raad en wil van God tot onze Verlossing volkomen heeft geopenbaard, die met Zijn dierbaar bloed voor al de zonden van zijn Volk heeft betaald, en die nu als Koning gekroond ter rechterhand Zijns Vaders, Zijn lijdend en strijdend erfdeel op aarde ten goede gedenkt. Als dan alle bloemen op aarde verwelken, als al het zichtbare van deze tegenwoordige wereld vergaat en verdwijnt, blijft Christus de Roos van Saron, die in heerlijkheid alles overtreft, die nooit verwelkt.

Tegenover de vergankelijkheid van al het vergankelijke, staat het woord en de openbaring, zo gepast voor al de behoeften van het arme zondaarshart, dat Jezus Christus gisteren en heden in der eeuwigheid dezelfde is. Die in Hem gelooft, heeft het eeuwige leven, maar die de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, de toorn Gods blijft op hem.

Ds. J. Wisse

In leven Christelijk-Gereformeerd predikant in Dordrecht, Sliedrecht, 's-Gravenhage,  en Zierikzee. Docent theologische School 's-Gravenhage.