Profetische prediking

Rede uitgesproken op de Schooldag 1947 in Apeldoorn


GEEF ONS PROFETEN. Dit zij een roep; een gebed.

Wanneer in blauwe lentelucht witte wolken drijven; wanneer een veelkleurig bloemtapijt zich spreidt over akkers en velden; wanneer de zee ruist, de rivier kabbelt en de beekjes murmelen; 't vogelenlied in lentevreugde schalt...... dan brengt de onbezielde schepping het er beter af, dan 't pronkjuweel der schepping, de mens, die als profeet Gods naam en grote deugden te eren en te verkondigen heeft.

Anders zal dit worden als door wedergeboorte en bekering zijn profetenziel weer gloeien gaat door Geesteslicht; spreken en zingen moet. Door Goddelijk genadelicht is dan óók geleerd, dat we geen profeet meer kunnen zijn; dat de profetenziel, de profetenharp des harten hopeloos stuk is. Wanneer de grootste en enigste aller profeten zijn Geest in ons werken doet, dan kan men niet meer buiten dien geheel enige profeet, Christus Jezus. Die, hoewel opgevaren naar de hemel tot de Vader, toch als de grote Profeet door ambtelijke profeten als levende instrumenten op aarde Zijn volk genade schenkt en genade vermenigvuldigt.

Dan begeert men ze; dan roept de Kerk om profeten. Kan men het zonder profeten niet doen. En als ze er niet zijn, klinkt 't klagend: "Niet één profeet is ons tot troost gebleven." Hoort u de roep uit duist're landen en harten: "Kom over en help ons."

Dan is daar de roep, tevens 't gebed: Geef ons profeten. Begeert men geen profeten om maar profeten te hebben, maar begeert men ze om God te kennen en voortgaan te kennen, om uit de kennis Gods Hem te verheerlijken. Hoe zouden we verheerlijken, wat we niet kennen!?

En dan is er nood. Profetennood. Die nood, dat er nog te weinig profeten zijn. En die nood bestaat niet alleen daarin, dat 't getal ambtelijke profeten te klein is, maar ook daarin, dat er zo weinig bidders nog zijn, bij wie 't allereerst en allermeest om God te doen is. Want wie bidt om een profeet zoals Israël eens een Koning begeerde, alleen om er mee te pronken, te spelen en z'n eigen eer in te zoeken, die bidt kwalijk en ontvangt niet of ontvangt uit de ongunste Gods.

Geen gemeente is te klein om een profeet te ontvangen. De belofte Gods is waarachtig: Uwe ogen zullen uw leraars zien. Is ons geloof niet vaak te klein en te zwak? Zijn we er biddend werkzaam mee vanwege de nood van onze ziel?  Is 't ons daarin om God te doen, gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen? Is de Koning der Kerk niet de machtige om profeten uit te stoten in Zijn wijngaard? Leeft uw ziel in de begeerte een profeet te ontvangen om nabij God te zijn en Hem te stellen tot 't hoogste van uw blijdschap; tot 't hoogste van uw aanbidding, eer en dankb're lofgezangen? Dan heeft de roep om profeten z'n diepste en innerlijke grond in de verheerlijking Gods door profeten.

Wanneer God de zondaar wederbaart wordt deze in beginsel weer een profeet door de profetische bediening van Christus. Gaat 't licht over en in hem op. Ziet hij dat hij door de zonde een carricatuur-profeet geworden is, die zich zelve inplaats van zijn Schepper bezingt.

t Eerste verwrongen, carricatuur-profetenlied in de Bijbel is dat van Lamech, die daar ongecultiveerd z'n brallend lied van zelfverheerlijking uitstoot in 't: "Voorwaar, ik sloeg wel een man dood om mijne wonde, en een jongeling om mijn buile......" En 't gecultiveerde profetendom van de 20ste eeuw is nog veel goddelozer dan Lamech, wanneer daar gezegd wordt: Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten;

of: "O schoonheid, Gij, Wier naam geheiligd zij; Naast U aanbidde mijn ziel, Geen anderen God, dan Gij!"

Dan is de oorspronkelijke bestemming van de mens om Juda, Godlover te zijn ondergegaan en weer opgedoken; nu als een ijdele, zich-zelf-lovende, pronkerige, pralerige, zwetsende, scheef getrokken profeet, die niet meer weet van 't: "Want ik zal Zijn Naam nog loven." Hij kent die Naam niet meer; die Naam, zo heilig, groot en goed. Wanneer die Naam in de openbaring aan de ziel weer gekend wordt, dan ziet de mens z'n wanstaltig, gedrochtelijk profetenschap.

Daar is zo veel vroom gedaas (onnozel geklets), gelispel, gemurmel, gezang en gesprek, dat nog openbaring is van de carricatuur-profeet uit de oude mens. En zulks op heel zware en zeer lichte wijze. De één oefent zich in zijn profetentent-der-samenkomst in zang en preek, waar je de adem bij verliest, vanwege 't lange aanhouden met bevend stemgeluid, waarbij de Schepper der tonen en klanken walgen moet. De ander jaagt in z'n eredienstkapel, z'n profetische liederen bij wijze van spreekkoor er door, wat de Heere een gruwel is. Huppelende profeten, met vrolijke zangen gaan blijde over 's Heeren wegen. Ze hebben de oude Godsman David nimmer nog nagezongen: "Mijn ogen zijn bezweken, rood geschreid, in 't uitzien naar Uw heil met heet verlangen." Gebogen, met zware gang gaande profeten slepen zich langs 's Heeren straten; 't oog devoot, nee niet naar de hemel, maar naar de aarde geslagen of zijwaarts glurend naar de mensen, met zwellende hoogmoed onder 't grauw gewaad der nederigheid, zingende hun klaag- en oordeelsliederen.

Maar als de Heilige Geest door het Woord Zijn herscheppend werk doet; als die grote Profeet Jezus Christus door Zijn Geest arbeidt in de ziel, wordt weer profetentaal en -zang geboren tot verheerlijking Gods.

Dan hoort u uit profetenmond en hart:

"Lof zij den God van Israël,

Den Heer, die aan zijn erfvolk dacht,

En, door Zijn liefderijk bestel,

Verlossing heeft teweeg gebracht;"

Als Christus als Profeet verlost van de onwetendheid wordt profetenhulde Hem toegebracht. Zinkt de ziel in aanbidding neer; begeert zeer die gezant, die uitlegger, die één uit duizend. Hij, die 't oog verlicht, de nevels op doet klaren; verstand weer geeft met god'lijk licht bestraald om te kennen den Naam van den Drieëenige God in Christus geopenbaard, ook van genade en waarheid. Want waarheid en gena gaan voor Zijn aanschijn henen, waardoor de verheugende mens de Waarheid weer leert kennen tot Zijn behoudenis; tot glorie Gods. Die Naam, Hem gegeven boven alle naam; dien Naam te kennen doet profetisch zingen:

"Geen naam is er zòeter en beter voor 't hart,

Hij heelt alleen wonden en balsemt de smart."

Die Naam zo rijk en vol, dat deze in vele namen uiteenvalt en men zijn naam noemt: "Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst". Dan geeft men die heilige, zoete namen niet aan keiharde slingerstenen van David. Dan zijn die namen in 't bevindelijk kennen daarvan zo heilzaam en zoeter dan honingzeem voor hen, die ook gebeefd hebben voor Zijn heilige en majesteitelijke namen. Dan hoort u de herstelde profeet in de mens weer biddend stamelen: Uw Naam worde geheiligd.

Dat is naar luid van onze Heidelberger: Geef ons eerstelijk, dat wij U recht kennen, en U in al uw werken in welke uw almacht, wijsheid, goedheid, gerechtigheid, barmhartigheid en waarheid klaarlijk schijnt: heiligen, roemen en prijzen; daarna ook, dat wij al ons leven, gedachten, woorden en werken alzo schikken en richten, dat uw Naam om onzent wil niet gelasterd, maar geëerd en geprezen worde. Zo laat Christus als profeet zijn kinderkens bidden hun profeet - zijn weer te beleven, om God hun Koning te eren.

En dan is er droefheid bij die profetenkinderen, als ze beschaamd worden, wanneer de onbezielde schepping hen voorbij streeft in 't Gode verheerlijken. Als in wolken, lucht en winden, als in 't goud-geel korenveld omzoomd met rode klaproos en blauwe korenbloem; als in de geuren van kleurrijke bloemen; als in de fonkelende starren en 't licht van de maan; als in de stralende zon; als in ''t veelstemmig vog'lenlied zij het lied der Schepping horen, wanneer 't ruime hemelrond vertelt met blijde mond, Gods eer en heerlijkheid.

En uit die droefheid zal 't profetenkind vragen om een luisterend oor, een opmerkzaam hart, een sprekende en zingende mond; beschaamd als ze zijn, opgewekt tevens en gestimuleerd nu met mond en hart Gods grootheid in natuur en genade te prijzen. Want profeten prijzen God Drieëenig in Zijn deugden en genade. Maar prijzen ook Zijn woning en die der engelen, die Hij geschapen heeft alsmede den grote tuin der wereld, die eens weer bloeien zal als een roos.

Godverheerlijkend profeet is de mens, die als een arm zondaar voor God buigt; niet alleen voor 't eerst, maar steeds weer als hij 't lied der verlossing zingt, dat Christus de Verlosser in 't middelpunt zet. Als hij de Drie-enige God steeds meer leert kennen in de openbaring aan zijn ziel door Woord en Geest. Wanneer 't lied der dankbaarheid opstijgt uit een verbroken hart en een verslagen geest, zowel dit bij een zuigeling- als bij een vader in de genade. 't Profetisch lied der dankbaarheid, dat niet vastgelopen is in 't steryotiepe: Vader in den hemel wij danken u, maar dat zich nog menigmaal openbaart in de gestalte van 't "O , God, wees mij de zondaar genadig!"

Ja, profeet zijn om Gods Naam en deugden te verheerlijken.

Maar dan moet mijn zelfverheerlijken steeds en opnieuw er aan; afsterven. Dan moet mij de carricatuur-profetenmond dicht geslagen worden; de schendenden, lasterende, gecultiveerde of ongecultiveerden zangen van zelfverheerlijking 't zwijgen opgelegd; de zwoel, lieverige, vrome hovaardij sterven - almeer. Dan wordt God mij te sterk op de dag Zijner heirkrachten, wanneer krachten van ontdekkend licht, louterende genade, liefde en barmhartigheid verteren 't wangedrochtelijk bestaan van mijn profeet-willen-zijn uit de oude mens.

Dan zingt Christus als hoogste profeet in mijn ziel, door mijn ziel, met mijn ziel 't schoonste lied. Dan is 't profeet zijn tot verheerlijking Gods doorstraling en uitstraling van de verheerlijkten Christus. Dan ben ik waarlijk weer Christenprofeet en word ik Christen genaamd omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus en alzo zijner zalving deelachtig ben opdat ik zijn naam belijde.

En daarvan belijdt en getuigt de profeet Christen, dat de allerheiligste nog maar een klein beginsel heeft. Daarom is ''t zo noodig om steeds gevormd en bearbeid te worden tot ''t alzo profeet zijn. Onmisbaar is dan ''t Woord en de Heilige Geest. En de bediening des Woords in ambtelijke zin niet minder.

We hebben ambtelijke-profeten nodig, opdat Gods kind alweer z'n profetische roeping zal verstaan en beleven. Ambtelijke profeten door God geroepen en begenadigd. Dan is de School een onmisbaar instituut voor de vorming van zulke profeten. Dan is de school geen fabriek die aan de lopende band modellen aflevert naar één vast cliché. Ongelukkig waar dit zo is, als de persoonlijkheid weggewalsd wordt en geplet wordt tot een zielloos éénheidsfabricaat. Dan zal de school 't beginsel, dat God er ingelegd heeft wel vormen naar en door ''t Woord Gods; schaven en polijsten. Afbreken en uitrukken wat uit de oude mens opwoekert. Zal de school vormen om paraat te zijn in de boze dag van nu; paraat in de wapenrusting Gods. Daartoe vervulle de Koning der Kerk onze professoren voortdurend met rijke gaven des Geestes voor verstand en hart.

Zeg niet met 't oog op Jezus' jongeren, dat de school niet nodig is. Als er ooit leerlingen geweest zijn, die een bijzondere opleiding genoten hebben, waren 't de discipelen wel. Daar haalt geen Universiteit bij of Theologische School. Regelrechte vorming en onderwijs hebben ze ontvangen van de Profeet, door Wien alle profeten gesproken hebben en nog spreken.

Profeet zijn in de dienst des Woords is geen mirakel dat even onder aan de voet van de kansel gebeurt en dat op den kansel uit de mouw geschud wordt. Dat wordt niet in vadsige rust en luie sluimering geleerd. Dat doet de Koning der Kerk in de weg van vorming en onderwijs. 't Zij via de school of langs de weg van art. 8 der D.K.O. Aan zulke van God geroepenen heeft de Kerk behoefte; gevormd in de weg der middelen; gestuwd door de kracht des Heilige Geestes.

Aan geen profeten, die je ziel doen bevriezen door een koud intellectualisme; door een eenzijdige Christus-prediking; die Christus boven Zijn gemeente zweven laten, los van Zijn gemeente. Wat is Christus zonder Zijn gemeente en Zijn gemeente zonder haar Christus? God beware ons voor zulke, al hadden ze dan doktersgraad. Hij beware ons voor onbekeerde dominee's; dat ze zich bekeren of van de kansel verdwijnen. Die horen daar niet op. Al zijn ze nog zo perfect in de heilshistorische prediking, maar de temperatuur daalt onder 't nulpunt, wanneer de exemplarische geheel wordt uitgeschakeld. Daar gaat de Kerk dood aan. Karikatuur-profeten; geraamten uit de dorre doodsbeenderen vallei van Ezechiël, waar elk been wel tot zijn been was gekomen is, maar waar de acte van de Geest ontbreekt. "En daar was geen Geest in hen", rammelende karkassen, hol en verdord.

De Heere beware ook zijn Kerk voor een andere carricatuur verschijning; even gevaarlijk, misleidend, verderfelijk als de eerst genoemde categorie. Beware ons voor de comedianten speculerend op de sensatiezucht van dwaze mensen. De dwaze mens, die alleen streling zoekt van 't gehoor, die, zegt de Schrift, kittelachtig zijn van gehoor. We huiveren voor de profeet, die een warme, zwoele, geladen atmosfeer schept, vol spannende emotie, sensatie, de rillingen den hoorders op 't lijf jaagt met hel en verdoemenis of de tranen alleen uit 't oog perst en niet uit 't hart; die de dierbaarheid en algenoegzaamheid van Christus bedekt laat voor een ongelukkige door Gods Geest ontdekte zondaar. We huiveren voor profeten, die in euvelen moed en hovaardij Gods Woord verminken en verknoeien, die met een ijzeren plaat op hun voorhoofd en hart de gemeente bedotten met hun comedie spel. Die met zulk een gekras 't nachtgedierte uit hun schuilhoeken lokken om zich te goed te doen aan kadavers, die men dan noemt de diepe zielsbevindelijke ontvouwing van de oude beproefde waarheid. Ouderlingen hebben dan ook wel veel profetisch licht nodig en profetische kloekmoedigheid om hun ambt naar 't Heeren bevel te vervullen.

Daarom hebben de profeten vorming nodig door ''t Woord en de Heilige Geest in de weg der middelen. De Koning der Kerk doorwaaie daartoe Zijn hof met de Noorden- en Zuidenwind des Geestes om profeet te zijn; dienaar des Goddelijken Woords.

Dat is opzien tot God; vragen aan God; dan neer zien op de schare en spreken; wars van mensen behagen en vleierij op geestelijk gebied. Dat is zó prediker, profeet zijn, dat de zondaar op het diepst vernederd en God op het hoogst verheerlijkt worde. Dan is die zondaar niet slechts en allereerst de kroeglooper en bordeelhouder, de bezoeker van de uitstalkasten van Satanische geraffineerdheden. Dan is de zondaar, het kind van God. Dan rekent de profeet er maar op, dat je die ook danig tegen je kan krijgen als ze niet op hun plaats zijn. Maar beter de mens, welke ook, tegen je, dan God tegen je.

Profeet zijn dat is een Goddelijke boodschap hebben voor de gehele gemeente. Voor de onbekeerde en voor zuigeling, jongeling, man en vader in de genade. Profeet zijn, dat is eigen stijl hebben; dat is geen naäperij. Dat is receptief zijn; hart en ziel openleggen voor God om te ontvangen. Dat is God de Heilige Geest beslag laten leggen op al je vermogens, op je gehele persoonlijkheid; die gebruiken in Zijn dienst. Dan wordt de persoonlijkheid niet uitgeschakeld.

Wat Ezechiël aanschouwde, datzelfde aanschouwde Jesaja ook; maar  Ezechiël zag het als een man uit een dorp, die de Koning ziet, Jesaja als een residentie bewoner die de Koning ziet. Amos blijft z'n persoonlijkheid behouden; probeert niet in koninklijke stijl van Jesaja te spreken, maar is daarom niet minder boeiend al verloochent hij z'n afkomst niet en zegt: "Ik was geen Profeet en ik was niet eens Profeten zoon, maar ik was een ossenherder en las wilde vijgen af, maar de Heere nam mij van achter de kudde en de Heere zeide tot mij; Ga heen, profeteer tot mijn volk Israël, Hoort dan naar de ossenherder, de man van de ruime vlakte, van de machtige stilte, ver van 't aards gewoel; hoort als hij profeteert: "Hoort dit woord, gij koeien van Basan..........Dat is eigen stijl. Dat verheerlijkt God. Daar ontbreekt 't nog veel aan. Er slapen soms velen, door een stijl waar geen ziel in zit, die niet eigen is aan de persoonlijkheid, die ver van de tijd staat waarin we leven.

Zijt profeten! Heere geef ons profeten! Een koninklijke Jesaja of een dorpeling als Ezechiël, een ossenherder als Amos. Daar was Geest in hen; ze waren natuurlijk, getrouw, niets en niemand ontziende behalve hun grote Zender. Zijt profeten door Goddelijk Alvermogen over uw ziel; door 's Heeren kracht overmocht! Waardige gezanten van de grote Zender, die niet met een 'alstublieft wilt u luisteren' spreken; die desnoods met Amos fier de herdersstem verheffen en roepen: Gij koeien van Basan, hoort des Heeren Woord; hoort dit woord.

Profeten met profetenhart en -mond, met profetische bezieling door de Geest. En als u  zulk een profeet bent, zal profetensmart u niet gespaard blijven; noch de ambtelijke profeet, noch de profeet krachtens 't ambt der gelovigen. Verstaat u als Jeremia klaagt: Is er een smart gelijk mijn smart. En zullen we u verhalen van de smart, moedeloosheid en inzinkingen van Mozes, Elia, Jeremia, Ezechiël? Maar breekt God in die wegen alles niet af, wat 't profeet-zijn in de weg zou staan? Ook profetenweelde zal echter uw deel zijn; geestelijke weelde uit de volheid Gods. Wie 't altaar bedient zal van 't altaar leven. En voor de geestelijke en voor de lichamelijke nood in staat God in voor al zijn geroepen profeten.

Profetenweelde! Mozes stierf door een kus van Gods mond. Elia voer ten hemel met lichtende paarden en staatsiewagen. Jeremia mocht Zijn ziel tot een bezit hebben, overal waar hij zou henengaan. Engelenwacht voor profetenkinderen-Gods. Eens lost God hen af. Zij met Paulus uw belijdenis dan uit de beleving: Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb het geloof behouden.....

Verantwoordelijk, moeilijk en zwaar is de taak om Profeet te zijn; waarachtig profeet. Die mensengunst zoeken vinden zulks niet; die vinden die taak gemakkelijk en worden dronken van dwaze glorie. Moeilijk! Te midden van een wereld die in steeds sneller en angstaanjagend tempo zich naar haar einde beweegt. Te midden van de grote afval; te midden van de oorlogsdreiging; atoombom-angst.

Te midden van de zich al sterker openbarende geest van de valse profeet; óók op het Kerkelijk erf. God werve en vorme door uw arbeid in getrouwe bediening des Woords Zich profeten. Hij zal 't doen. Hij doet het, zolang de aarde nog slaat. Mozes' verzuchting zij de uwe: Och dat al het volk profeten waren. Profeten om de lof des Heeren te verkondigen.

Nu is 't nog:

"Door heel Uw Kerk, daar boven, hier beneden,

Wordt steeds in strijd en zegepraal

Uw grote Naam beleden."

Straks zal de strijd voorbij zijn en nimmer wederkeren. Geen klacht zal dan meer gehoord worden: Niet één profeet is ons tot troost gebleven. Amechtige, moedeloze profeten zullen niet meer onder de jeneverboom liggen. Eeuwig zullen ze hun grote Profeet zien en aan de redenen Zijns monds zich laven. Dan zal de aarde vol zijn van de kennis des Heeren. Die kennis die steeds toeneemt zal dan de stof en 't thema zijn om met profetenmond en -hart Hem toe te brengen de lof, de eer, de aanbidding en de dankzegging tot in eeuwigheid,

"Door heel Uw Kerk in alle eeuwigheden,

Wordt dan, in enkel zegepraal,

Uw grote Naam beleden!"

Profeteert dan, gij knechten Gods van de heerlijke toekomst. Want niet de profeten van fakkel en dolk hebben te zingen met goed recht van de "Internationale". De profeten Gods, die kunnen profeteren: Want morgen zal de Internationale heersen op aarde. Want morgen, dat is de toekomst, zal op de nieuwe aarde waarop gerechtigheid woont, zal in de nieuwe hemel, de internationale hulde opstijgen voor de troon van 't Lam; de hulde van alle profeten Gods uit alle geslachten, talen, tongen en natiën: Gij hebt ons Gode gekocht met uw dierbaar bloed.

Ds. J.G. van Minnen