Enig Heerser

Ds. L.H. van der Meiden

Er zal zijn een Heerser over de mensen, een Rechtvaardige, een Heerser in de vreze Gods. En Hij zal zijn gelijk het licht van de morgen, wanneer de zon opgaat, des morgens zonder wolken; wanneer van de glans na de regen de grasscheutjes uit de aarde voortkomen. 2 Samuel 23 : 3a-4.

Een van Franse koningen is genoemd de zonnekoning. Zijn macht en glorie is groot geweest. Maar meer dan de zonnekoning was Salomo in macht en heerlijkheid. En veel meer dan Salomo is Hij, van Wien David zingt in zijn zwanenzang. David eindigde het vorige hoofdstuk met een lofzang tot God. God is een Toren der verlossingen; ook voor David. David steunt niet op zijn zwaard en roem, zijn deugd en vroomheid, maar op de genade Gods alleen; dat leert ook al het geestelijke zaad van David verstaan en doen.

En als David zijn lofzang uitgezongen heeft, heft hij zijn stervenszang aan. Hij spreekt zijn laatste woorden. Vergeet echter niet, dat wij hier maar niet wat heerlijke woorden van een kind Gods hebben, maar bijzondere openbaring van de Heere. De Geest van de Heere, de God lsraels, de Rotssteen Israels, de Drie-enige God spreekt hier. Als David dus "zegt", is dit een zeggen door inspiratie van de Heilige Geest. En door die Geest schouwt David op zijn sterfbed ver buiten zichzelf; ziet hij helder de toekomst van zijn huis en van de Kerk van de  Heere; zingt hij in zijn stervenspsalm profetisch van de Christus en getuigt hij van de heilsverwachting van de Kerk en van zijn ziel, zoals Jacob over zijn zonen en Mozes over het volk de heilsverwachting uitsprak.

Zo blijkt, dat Davids sterven geen uitgang in de dood, geen ondergang in het verderf of in het "niet" is, maar een doorgang ten leven en een profetie van opstanding tot het eeuwige leven. Dit geldt al Gods volk en is vrucht van de opstanding van Christus, Wiens sterven een doorgang was tot heerlijkheid. Zijn komst en werk wordt in de adventstijd herdacht. Van Zijn heil zingt de Kerk rondom de kribbe. Zijn glorie komt uit op de weg naar het Kruis. Zijn luister straalt al voller uit bij opstanding en hemelvaart en eeuwig bloeit de glorie-kroon op het hoofd van Davids grote Zoon. Als David moet spreken van de Heerser, dan profeteert hij zeker het voortbestaan van zijn huis en wijst hij zeker op zijn opvolger, op Salomo, die een bijzondere heerser was en bemind van de Heere, richtend op bijzondere wijze; maar daarmee is alles niet gezegd. Wie niet meer noemt heeft het voornaamste vergeten. David profeteért in deze adventspsalm bijzonder van de Christus.

Christus is de Heerser. Glorievol was zeker de heerschappij van David. Een vredeheerschappij kan de regering van Salomo genoemd worden. Maar meer dan David en Salomo is hier. De heerschappij van Christus is die van de verzoening. Christus is de Heerser. Een heerser heeft een gebied, waarover hij zijn scepter zwaait; een volk, dat hij naar zijn wetten regeert en onderdanen, die hij verzorgt en die hem dienen. Maar hoeveel ellende en onrecht is er dan zelfs onder de regering van een Salomo te boeken. Christus is de volmaakte Heerser; Hij is de Rechtvaardige.


Deze Heerser staat in de meest heerlijke rechtsverhouding tot God; deze Heerser herstelt de verbroken verhoudingen. De hel is genoemd de plaats van de verbroken banden: de hemel kunnen wij noemen de plaats van de geheelde banden. De rechtvaardige Heerser heelt de verbroken banden. Hij heerst in elk opzicht rechtvaardig; Hij heelt niet alleen, maar regeert naar recht. Hij richt Zijn volk met gerechtigheid en Zijn ellendigen met recht (Ps. 72).



Hij is een Heerser in de vreze Gods. Dit is zo volmaakt, dat zelfs Zijn rieken [Dat is, Zijn kennis en oordeel. Anders: En Hij, te weten Christus, zal rieken, dat is, zeer wijselijk en verstandiglijk alles vernemen en gewaarworden, kanttekening SV] in de vreze des Heeren is (Jesaja 11). Hij heeft de Vader in alles volmaakt op het oog; Hij zoekt Zijn verheerlijking; daartoe kwam Hij in de wereld. Door de val hebben wij God de rug toegekeerd en zijn wij vijanden van de Heere en van onze naaste. Wij zoeken de eer van de Heere niet, maar dienen in slaafse banden de zonde en de duivel. Maar deze Heerser is de Vader gehoorzaam tot de dood en regeert volmaakt. Geen enkele smet kleeft Zijn regering aan en geen enkele onderdaan kan met recht een klacht tegen Zijn regeren inbrengen. Hij regeert, heerst over de mensen; over adamieten, staat er letterlijk. Adamieten zijn gevallen mensen, die dood zijn in de zonden en misdaden. Zulke adamieten maakt Hij tot Zijn onderdanen. Hij doet dit door Zijn Woord en Geest en dan komt Zijn gerechtigheid zo heerlijk uit. Hij doet die adamieten opstaan uit het graf  van de dood, overtuigt hen van hun doemstaat, verlost hen uit de slavendienst van de satan en brengt hen in de rechte verhouding tot God. Hij maakt rebellen tot Zijn vrijwillige dienaren en doet hen, op Zijn oproep, in heilig sieraad, blijmoedig optrekken. Hij doet hen buigen aan Zijn voet; maakt hen smekelingen om genade en doet hen wandelen in de vreze des Heeren.

Deze Heerser zal zijn gelijk het licht van de morgen, wanneer de zon opgaat, de morgens zonder wolken. Een zonsopgang is schoon. Dan blijkt zo heerlijk, dat de zon is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer, vrolijk als een held om het pad te lopen. De zon is als een bruidegom, wiens aangezicht straalt van vreugde. Nu kan veel de heerlijkheid van het gezicht belemmeren; maar als de zon opgaat zonder wolken, dan is er geen enkele belemmering en straalt de heerlijkheid ten volle uit.

Zo is het met deze Heerser, deze Zon. Zijn luister straalt uit, als Hij in de Kribbe ligt; Zijn schoonheid blijkt voor het oog van het geloof op den weg naar het Kruis; maar bijzonder glanst Zijn heerlijkheid, als de opgaande zon zonder wolken, als Hij verrijst uit de dood en opvaart ten hemel. Simeon zong reeds van het Licht, zo groot, zo schoon, gedaald van 's hemels troon; maar hoe zal die schoonheid schitteren als Hij weerkomt op de wolken.


Waar die luister in het zondaarshart uitstraalt, verdrijft de Heere de nacht van de zonde. Is ons oog voor Zijn luister open? Dan hebben wij door Zijn licht onze zwarte nacht van zonde en gruwelen leren kennen, en bekennen, als Manasse in de kerker, dat de Heere God is. Maar de lichtstralen van Zijn luister' werkten ook een levende hoop in het stukgeslagen tollenaarshart. Door die lichtstralen leert de ziel verstaan, dat de Zon des heils aan de kimmen verschijnen zal; dat die Zon er is; dat er hulpe besteld is bij een Held, Die duivelen uitwerpt, goddelozen redt en slaven in vrijheid zet.


De ziel leert tot die in het hart geopenbaarde Heerser vluchten met de bede: Maak ook mij, adamiet, vrij en zet ook mij weer in de rechte verhouding tot God; geef mij uw licht, zo helder, als van de opgaande zon zonder wolken; laat ik U klaar als mijn Zon, als mijn Redder mogen leren kennen. En hoger rijst de Zon der gerechtigheid op in de ziel van de herboren adamiet. Hoe groot, hoe rechtvaardig is deze Heerser; alles wat aan Hem is, is zeer begeerlijk. Zulk een is mijn liefste, zegt de gewillige onderdaan. En zij ziet Hem schoon in al Zijn werk en in heel Zijn Persoon. Zij hoort Hem spreken door het geloof: Dit ben ik voor u. Ik breng u in de rechte verhouding tot Mijn Vader, opdat die Rechter, Wien u om genade smeekt, u vrijspreekt; Ik doe u wandelen in de vreze van mijn Naam en zal u bekleden met volle heerlijkheid, als de zon zonder wolken.

Eens verdwijnt de zondenacht geheel uit uw gezicht. De vrucht van deze Heerser en van Zijn werk kan nooit anders dan heerlijk zijn. Waar milde regen daalt en de zonnewarmte koestert, zal het kruid uitspruiten. In beeldspraak wordt de vrucht van de Christus getekend. Door de lichtglans en de regen komt het jonge groen uit de aarde voort. Licht doet de dingen recht zien, geeft warmte en is vruchtbaarmakend. De regen is in de lente een zegen. Als de Zon der gerechtigheid het hart bestraalt en de dauw des Geestes levenwekkend neerdaalt, dan blijft de vrucht niet uit.

Dan wordt het jonge groen der genade gezien. Dan Ieren we ons zelf in onze adamitische natuur kennen, maar gaat ons oog ook open voor de enige Heerser; dan worden onze harde harten verbroken en buigen zich de stramme knieën; dan vloeien de tranen over onze zonde en over de droefheid naar God; dan Ieren wij verstaan welke onze verhouding tot God is en Ieren wij het gebed van de tollenaar; dan gaat onze ziel uit naar Jezus als bij een Zacheus; dan Ieren wij met een verslagen stokbewaarder vragen naar de zaligheid.

Groent en groeit dit jonge groen van genade in ons hart? Let er op of u er vindt de planting van Gods genade. De adamieten, die als belialsmannen, niet voor die Heerser Ieren buigen, zullen met vuur verbrand worden (vs. 7). Wij moeten echte, vrijwillige, levende onderdanen worden van de enige Heerser. Dan Ieren wij door de Heilige Geest dat wij, adamieten, schuldig voor God staan en afgevallen zijn van Hem; dan kennen wij smart om het Godsgemis en om de zonde als zonde tegen God; dan kunnen wij niet rusten in toestanden en woorden, maar hebben wij Jezus Christus nodig als de Scheidsman, Die de hand op beide legt; dan moeten wij komen tot de geloofsovergave aan Hem en de geloofsomhelzing van Hem.

En nu kan het jeugdige groen van genade u daartoe lieflijk dringen, zoekende zielen; nu moet u vrijmoedigheid scheppen uit het werk van Hem in u, jeugdige vrijwilligers; nu moet u Hem erkennen, bidders om Zijn licht; nu moet u van Hem zingen, heilsverwachters als David. O, merk op Zijn werk in uw hart, zieke kinderen Gods, stervende pelgrims. Zingt de lofzang tot God; Hij is de Toren der verlossing van zijn volk.

Maar zing in uw stervenspsalm ook van de enige Heerser,
Die u niet verlaat bij de dood, maar u opvoert naar het volle licht. Zo zult u zien, dat uw stervensgang een doorgang is en het jeugdig groen van Zijn genade een profetie van de eeuwige heerlijkheid.
Dan zal de heerlijkheid der vromen,
Op 't luisterrijkst te voorschijn komen:
Dan schenkt Gods goedheid hun begeren;
Lof zij de Heere der heren.