Wat wilt Gij dat ik doen zal?

Biografische schets ds. Jacob Gerardus van Minnen (1900-1971)

Biografische schets
Biografische schets

Samenstelling: E. Lodewijk

© 2020 Beheerstichting Christelijke Gereformeerde Gemeente in Nederland Delft


Inleiding

Wie was ds. J.G. van Minnen? Volgens zijn oud-collega en studiegenoot ds. J.H. Velema "een geliefd prediker, een man met dichterlijke gaven." (1) Ds. K. Boersma schreef op 14 juli 1989 in 'De Wekker', het kerkelijk orgaan van de Christelijke Gereformeerde Kerken, dat hij zich ds. van Minnen nog heel goed kon herinneren. ''Ik hoor hem nog uit de Schrift spreken." Ds. G. Salomons die hem gekend heeft als zijn 'wapenbroeder' noemde hem: 'een stijfkop', 'een man van tegenstellingen', een bijzonder emotioneel mens, maar vooral ook iemand die zich oprecht betoonde in zijn wandel (Psalm 15: 2 berijmd): "Een Nathaniël in wien geen bedrog is." (2)

Deze getuigenissen bewijzen dat het beeld wat er van deze prediker bestaat op zijn minst nogal eenzijdig is. Zo stond in het Reformatorisch Dagblad van 4 januari 2007 geschreven: "Elke kerkgemeenschap telt in zijn geschiedenis voorgangers die goed waren voor stevige standpunten, harde uitspraken, onverpakte oordelen, militante oproepen en verstrekkende beslissingen. In de Christelijke Gereformeerde Kerken deed ds. J. G. van Minnen van 1930 tot 1952 op bijzondere wijze van zich spreken." Ongetwijfeld heeft hij in de geest van zijn tijd in onverbloemde taal gesproken en geschreven. Ds. Van Minnen was een eschatologisch prediker. Zijn prediking stond in het licht van de eindtijd. Hij wijst steeds op de strijd die er gaande is tussen de Geest van God en de geest uit de afgrond sinds Genesis 3: 15.


Betekenis ds. J.G. van Minnen (1900-1971).

In dit verband heeft ds. Van Minnen veel geschreven over de taak en betekenis van de bediening van het Woord. De getrouwe dienaars worden geroepen Gods Woord in al haar facetten uit te dragen ook als daar verzet bij de hoorders tegen opkomt. De profeten uit het Oude Testament hebben dit ook ondervonden. Gods boodschappers moeten hierin geleid worden door de zalving, de verlichting en onderwijzing van de Heilige Geest. Als predikers niet de volle boodschap van Gods Woord brengen, kweken ze een geslacht dat de gezonde leer niet meer kan verdragen. Een geslacht dat slechts gestreeld wil worden en van geen zondekennis of persoonlijke schuld wil weten. Er komt een magerheid en een slaap des doods over de kudde. De kudde wordt vergiftigd met een bedrieglijke uitlegging van Gods Woord. Hij wijst een Christusprediking die louter voorwerpelijk en intellectueel van karakter is pertinent af. Tegen zulk een prediking moet in 's-Heeren kracht een dam worden opgeworpen.

Aan de andere zijde wijst hij ook af een z.g. 'liefdeloze en Christusloze prediking' waarbij de Persoon van de Middelaar bedekt blijft voor een ongelukkige zondaar. Hier ontstaat een liefdeloos klimaat vol eigengerechtigheid waarbij uiteindelijk geen mens het meer van een ander kan geloven. Er ontstaat groepjesvorming. Wat het uiterlijk van de gemeente betreft, het draagt een waardig orthodox kleed. Haar gang is voor de wereld ingetogen. Maar het wezen van de godzaligheid ontbreekt. Ook hier is de dood in de pot.

Ongetwijfeld zijn bovengenoemde voorstellingen nogal zwart-wit. De praktijk leert dat onder de meest ruime Christusprediking de mens onbewogen kan blijven. En dat zich onder een minder orthodox-belijnde prediking christenen bevinden die met een oprecht geloof al hun zaligheid volkomen in Jezus Christus zoeken. Toch, waarlijk bevindelijk preken moet vanuit het Woord van God opkomen. Het geestelijke leven is niet eenvormig, een systeem dat overal en door iedereen precies in elkaar te passen is. Het ontluikt zich reeds in de meest prille beginselen: het besef dat we van God gescheiden zijn en dat we met Hem verzoend moeten worden. Onderscheiden van de algemene overtuiging komt er een afkeer van de zonde en een begeerte om naar de Wet van God te leven. De reikwijdte van de wet van God is echter zo breed en zo diep dat hier geen zelfvoldane christenen ontstaan maar arme zondaren die steeds meer genade nodig hebben. Zij leren Christus in deze weg nodig krijgen. De kennis van Christus gebeurt in de weg van groei en opwas. Hiervoor zijn de middelen gegeven die in Gods Woord worden aangewezen: de bediening van het Woord en het gebruik van de sacramenten. Het nieuwe leven dat geboren is uit God bestaat uit twee keerzijden: de afsterving van de oude mens, en de opstanding van de nieuwe mens.

Deze biografische schets is een voorlopig overzicht en wordt D.V. verder uitgebreid.


Jeugd in Vlaardingen (1900-1918)

Jacob (3) Gerardus van Minnen werd geboren op 8 mei 1900 in het Zuid-Hollandse dorp Vlaardingen als enige zoon van winkelier Abraham van Minnen (1848-1927) en diens echtgenote Adriana Pontier (geb. 14 nov. 1861 in Lekkerkerk overl. 30 april 1932 in Vlaardingen). Het huwelijk tussen Abraham van Minnen met Adriana Pontier werd gesloten op 6 oktober 1897 in Vlaardingen. Het gezin Van Minnen telde verder nog twee dochters Adriana (geboren  2 mei 1901 in Vlaardingen, overleden 18 december 1986 in Amersfoort) en Wilhelmina (geboren 16 juni 1904 in Vlaardingen, overleden 20 februari 1991 in Amersfoort.)

Jaap van Minnen, zoals hij bij de oud-Vlaardingers bekend stond, werd geheel in het visserijleven opgevoed. Als jongen ging hij er helemaal in op. Vlaardingen was vanouds, dankzij gunstige ligging aan de Maas, een belangrijke vissersplaats. Het voorgeslacht van Van Minnen leefde van de inkomsten uit de scheepvaart en de visserij. Grootvader Jacob van Minnen (geb. 16 september 1814) voer voor de koopvaardij op zee en overleed bij Madeira op 16 november 1855. Gedurende zijn verdere leven voelde Van Minnen zich met zijn achtergrond verbonden; veelvuldig maakte hij in zijn beeldende manier van spreken en schrijven gebruik van de scheepsterminologie.


Oude Haven van Vlaardingen, in de jaren 20
Oude Haven van Vlaardingen, in de jaren 20

Kerkelijk was de familie aangesloten bij de Christelijke Afgescheiden Gemeente van Vlaardingen, een gemeente in 1848 opgericht. Ouderling van het eerste uur was A. van Minne(n), een naaste familieverwant. Een zoon van deze A(ry) van Minnen werd predikant. Dit was ds. Maarten van Minnen (1837-1910) (4) die een vooraanstaande plaats verwierf in de oude Christelijke Gereformeerde Kerk voor 1892 en later de Gereformeerde Kerken. De Christelijke Afgescheiden Gemeente van Vlaardingen werd gediend door predikers zoals ds. I. Middel (5) en ds. K. Kleinendorst (6) die bekend stonden als 'Schriftuurlijk-bevindelijk'. Laatstgenoemde predikant werd ook wel  door de Ledeboerianen als herder en leraar begeerd. Na het vertrek van ds. Kleinendorst in 1879 ontstonden er in de gemeente wrijvingen tussen twee verschillende stromingen: de 'bevindelijken' en de 'voorwerpelijken'. Op 14 april 1880 verbond ds. W. Sieders (1845-1930) zich aan de gemeente. Deze predikant is wel een halve eeuw in Vlaardingen gebleven. Door hem werd Jacob Gerardus van Minnen waarschijnlijk gedoopt. De gemeente behoorde toen al tot de Gereformeerde Kerken, het kerkverband ontstaan in 1892 uit een vereniging met de dolerende kerken.



Vooral sinds de komst van de jonge dominee K. Schilder (7) in 1918 als hulpprediker naast ds. Sieders, verloor de bevindelijke stroming het van de voorwerpelijke richting. Fel trok Schilder ten strijde tegen de bevindelijke inslag van de Vlaardingse gemeente. In het bestrijden van de uitwassen ging hij zover, dat er voor het geestelijk leven gewerkt door Gods Geest in de mens geen plaats meer scheen te zijn, ook niet als het getoetst kon worden aan Gods Woord.

Ds. W. Sieders
Ds. W. Sieders
Ds. K. Schilder
Ds. K. Schilder

Uit onvrede sloten verschillende leden zich aan bij de Vrije Gereformeerde Gemeente (8) ter plaatse, een gemeente in september 1880 geïnstitueerd. Abraham van Minnen sloot zich ook aan bij laatstgenoemde gemeente. Dit deed hij kort na de eeuwwisseling toen hier ds. C. Densel (9) predikant was. Van deze ds. C. Densel haalt Van Minnen later met instemming een passage aan uit een preek gedateerd 1909: ''Een bekommerde ziel heeft genoeg, mits zij aan haar bekommering niet genoeg heeft.'' (10) Hij voegde daar zelf aan toe: "Waarlijk nieuw [geestelijk] leven uit zich; ja schuchter; staat naar meer; staat naar zekerheid. Maar niet brutaal de Heere dwingen. De verst gevorderde in de genade zal ook nog een bekommerde blijven. Ja, dit steeds intenser beleven  "ik ben bekommerd vanwege mijn zonden. Lees maar in de berijmde ps. 19 vers 6 't slot onder andere: "Was, reinig mijn gemoed van mijn verborgen zonden." Let op: verborgen, dat is zonde, waarvan ik niet weet, dat het zonde is. Zonden "verborgen"; die ik doe en toch mij niet ontdekt zijn. Deze dichter had toch wel diepe zelfkennis! David betuigde na zijn val: "Ik ben bekommerd vanwege mijn zonden". Maar dit geldt niet alleen over een bijzondere gruwelijke zonde, waarover Gods kinderen direct of later toch bekommerd zijn - of worden. Evenzeer zullen ze bekommerd zijn over het: "Want wij struikelen allen in velen - en 't weten, dat de beste werken nog met zonde bevlekt zijn."

Ds. C. Densel
Ds. C. Densel
Ds. P. van der Heijden met een student (G. Van Reenen)
Ds. P. van der Heijden met een student (G. Van Reenen)

In 1905 vertrok ds. Densel naar Amerika, waarna op 17 april 1910 ds. P. van der Heijden (11) zich aan de gemeente verbond. Onder diens prediking zat Jaap van Minnen gedurende zijn verdere jeugd en ontving hij catechetisch onderwijs. Nog voordat ds. Van der Heijden in 1920 overleed, had de Vrije Gereformeerde Gemeente van Vlaardingen zich inmiddels onder leiding van A. de Blois (12) bij het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten (13) aangesloten.

In Vlaardingen maakte Jaap van Minnen kennis met mensen die het leven gewerkt door Gods Geest deelachtig waren. Hij was getuige van eenvoudige maar oprechte kinderen van God; anderzijds ontmoette hij echter ook ontsporingen of opgeblazenheid. Deze indrukken hebben hem gestempeld. Hij was heel teer wanneer hij meende waarachtig geestelijk leven te ontmoeten, maar hij schroomde ook niet om te waarschuwen voor het feit dat we ook als 'liefhebbers van de oude waarheid' verloren kunnen gaan.

"Hier begeven we ons tussen de gevaarlijke klippen met aan de ene zijde het oppervlakkige geloof, dat Christus aanneemt als Verlosser zonder ooit geleerd te hebben persoonlijk verloren te liggen en aan de andere zijde een zwaar geloof dat sterk ageert tegen al het oppervlakkige geloof en een sterk genoegen heeft in de oude waarheid, maar eveneens nog nooit persoonlijk iets heeft doorleefd."(14)

Goede contacten waren er eveneens met Nico de Jong, de latere ds. N. de Jong die eveneens uit Vlaardingen kwam. Zij waren van jong af aan geestelijke boezemvrienden. (15)  

Hoewel de materiële welstand aan het begin van de twintigste eeuw niet groot was, was de geestelijke welstand onder Gods kinderen in die tijd des te groter. Men kwam bijeen in gezelschappen. Ds. Van Minnen vertelde later daarover het volgende: "Daar kon je ze met elkaar horen spreken over de nietige dingen van het aardse leven; horen kwebbelen, hoog uit, over de gebreken, fouten en tekortkomingen van een ander. De balk in eigen oog zag men dan niet, maar de splinter in het oog van een ander zag men dan als een balk. Later moest men dan wel bekennen, dat men met een veroordeling in de ziel huiswaarts ging. Maar er waren óók avonden, dat het een getuigen was van wat de Heere gedaan had en waarvoor Hem de eer gegeven werd. Dan was hun ziel verbroken onder de uitlatingen van Gods liefde; waren ze deemoedig, verootmoedigd, klein, als het ontdekkend licht van Gods Geest hen plaatste voor de spiegel van Zijn heilige Wet, waarin zij hun 'zwarte gestalten' in al haar afzichtelijkheid zagen. Dan waren daar tranen van verwondering en blijdschap als het de Heere behaagde, tot zo'n 'zwarte ziel' te fluisteren door Zijn Woord en Geest: "Toon mij uw gedaante, doe mij uw stem horen, want uw stem is zoet en uw gedaante is liefelijk." Zie op zulke stille avonden, daar gingen de vrouwen; hun ijzers op, hun zwartzijde schorten voor, keurig gestreken, de vouwtjes er nog in, zoals het in de kast gelegen had. De mannen stoer stappend, met enigszins kromme zeebenen, waarnaast de vrouwen met wiegende gang in hun strakke schone katoenen jakjes. Daar had je vrouw de Breeje, die zo helder kon vertellen, hoe ze met een Drie-enig God verzoend was geworden. Dat was geen fantasie; dat was maar geen beschouwing; dat was geen napraten of gestolen verzekering. Nee, ze liep daar niet mee te koop, of probeerde ze daar kleine zieltjes mee te overtroeven of moedeloos te maken. Och, ze sprak er maar zelden over. Of het moest zijn als de Heere bij vernieuwing daar het licht nog eens over gaf en de troost haar daaruit deed smaken. Daar zag je 'strakke' de spoorwegwerker het huisje binnengaan. Hij had 's zondags niet langer meer kunnen werken; de Heere, Zijn dienst en Zijn dag hadden de eerste plaats in zijn hart gekregen. Nooit heeft hij daar spijt van gehad. En daar komt vrouw Willert ook nog. Klein, moedig vrouwtje, afkomstig van 'Menheerse' (Middelharnis) moeder van een groot gezin; ook een moeder in Israël. Achter elkaar komen nu nog binnen, een oud-reder van tegen de tachtig en moedertje Oortmarse, het geliefde vrouwtje van het gezelschap; reeds over de tachtig. Eén ding was daar zo aantrekkelijk: men maakte daar geen afgodjes van elkaar; of boog men voor elkaar als voor heiligenbeeldjes. Men sprak daar niet zo van: 't lieve volkje van God. Daar waren er die goed van de hemel geleerd hadden, dat ze zo lief niet waren. En als de allerheiligsten nog maar een klein beginsel van die nieuwe gehoorzaamheid bezaten, wat! zouden zij zich dan verbeelden meer te hebben; verder geleid te zijn!?"

Naar de omgang met Gods kinderen had Jaap van Minnen een diep verlangen. Zijn hart ging uit naar hen, die met ernst het Koninkrijk van God zochten. Toch maakte hij, in zijn jonge leven reeds, ook kennis met ontsporingen, of opgeblazenheid, waarbij het geestelijke leven gebruikt werd om zelf aanzien te verwerven. Ds. Van Minnen schreef:

Sommigen hebben zich vele kronen opgezet; verdringen met de zijde en de schouder de zwakken en stoten hen met de hoornen. Ze wensen dat u hen bijzonder vereert met een woord uit de prediking dat hen flink boven het gros der gemeente doet uitsteken. Gij moet duidelijk doen horen, dat er zó niet velen zijn. Veel spreken erover, dat er tegenwoordig niet één meer wordt toegebracht. Dat je van een ouderwetse bekering niet veel meer hoort. Alsof de Heere wat het bekeren aangaat met de tijd meegaat!

Nu ja, de Heere doet het nog wel, maar niet meer zoals vroeger. Zulke vergeten, dat de Heere Zijn tedere lammeren nu niet bij uitstek naar hen toe zal sturen. Vergeten, dat de Heere, als er lammeren in Sion geboren zijn, hen niet in de eerste plaats een geboortebericht zal zenden."

Met zegen mag de jonge van Minnen onder de prediking van het Woord verkeren. Maar hoewel hij in zijn jonge leven de vreze des Heeren in beginsel mag beoefenen, moet uiteindelijk ook alles in zijn leven overboord. Nu leerde hij het leven zoeken alléén in Hem, de Verlosser van zonde en dood en zong het in zijn hart:

Voor elk die in het duister dwaalt,
verstrekt Deez' Zon een helder licht,
dat hem in schāuw des doods bestraalt,
op 't vredepad zijn voeten richt.

Onderwijzer (1919-1928)

Jaap van Minnen groeide op in goede welstand. Na het doorlopen van de lagere school kon hij middelbaar onderwijs gaan volgen, waarvoor destijds slechts weinige van zijn leeftijdsgenoten in de gelegenheid waren, maar alleen kinderen van de meer welgestelde reders, kooplieden en sommige middenstanders. Daarna ging hij naar de vierjarige 'normaalschool' in Maassluis om zich op een onderwijzersloopbaan voor te bereiden. Voor het onderwijs had hij een persoonlijke gave. Hij was ondermeer werkzaam op scholen in Chaam, Scheveningen, Rotterdam en Maassluis. Zijn twee zussen gingen overigens ook het onderwijs in. Eén zus van hem was onderwijzeres in Opheusden. In Vlaardingen had Van Minnen binnen het kerkelijke leven een gewaardeerde rol in het zondagsschoolonderwijs en hij leidde ook de Jongelingsvereniging "Onderzoekt de Schriften" als voorzitter. (16)

Hij wilde Nederlandse Letteren gaan studeren. Die richting lag hem erg. Dat zat er van jongsaf in. Ook volgde hij cursussen van de Volksuniversiteit in het Marnix Gymnasium in Rotterdam waar hij zich verdiepte in de eschatologie van dr. Klaas Schilder. Ook volgde hij lessen bij opperrabbijn Justus Tal (1881-1954) die tussen 1915 en 1918 les gaf in de klassieke talen. In zijn binnenste voelde hij ondertussen de roeping tot het predikambt branden. Ds. A. de Blois leefde hierin met hem mee en was hier nauw bij betrokken. Door deze begaafde predikant is veel voorbereid. (17)

Van Minnen als onderwijzer
Van Minnen als onderwijzer

Sam Moerman werd later ouderling in de Gereformeerde Gemeente van Vlaardingen. In 1953 ging hij mee naar de Gereformeerde Gemeente in Nederland. Moerman had een spraakgebrek, maar heeft met veel stichting de toen nog ongedeelde gemeente 27 jaar lang als ouderling gediend. Israëls Wachter sluimert niet, J. Mastenbroek, pagina 236

Vlaardingen, 26 april 1923

Van de broeders S. Moerman en J. G. van Minnen, leden der Vlaardingse gemeente, gewerd ons het verzoek onderstaand stuk, naar den wens van vele vrienden, in de Saambinder op te nemen. Aan dit verzoek gevolg gevend, menen wij het gevoeglijk in deze rubriek te kunnen plaatsen.

Dan zingen zij, in God verblijd, Aan Hem gewijd, van 's Heeren wegen. Dit moge en zal wel de erkenning en blijdschap zijn van de gemeente van Vlaardingen; waar, onder een zeer talrijk gehoor, de weleerwaarde heer ds. W. den Hengst donderdagavond 12 April in het kerkgebouw van de gemeente onze voorganger, de weleerwaarde heer en broeder A. de Blois, in zijn ambt als bedienaar des Goddelijke Woords in deze gemeente heeft bevestigd. Als tekst had Zijn eerwaarde gekozen 1 Thessalonicenzen 5 : 24 "Hij, die u roept, is getrouw, die het ook doen zal", aan de hand waarvan spreker de gemeente bepaalde bij 'De vastigheid van 's-Heeren kerk en knechten.' 

Spreker kwam eerst te handelen over de tweeërlei roeping, namelijk de algemene, tot allen die onder het Evangelie leven, als vrucht der algemene genade en de bijzondere, gewerkt door de Heilige Geest tot zaligheid (...)

Kerkgebouw GG Vlaardingen
Kerkgebouw GG Vlaardingen
Ds. J.D. Barth
Ds. J.D. Barth

Zijn weg naar de Christelijke Gereformeerde Kerk 1928-1930

Deze kerkverbanden vertoonden oorspronkelijk veel gemeenschappelijke zaken met elkaar. Zo koesterde beide kerkverbanden een afkeer van het neo-calvinisme van dr. A. Kuyper en diens leer van de 'veronderstelde wedergeboorte.' Al gauw werd echter duidelijk, dat de tijd voor vereniging van beide kerkverbanden nog niet rijp was. In 1927 verscheen het catechisatieboekje van de christelijke gereformeerde ds. J. Jongeleen. Naar aanleiding van dit boekje kwam er plotseling verwijdering tussen beide kerkverbanden. Er ontstond er een heftige pennenstrijd over het Verbond der genade.

Waar ging het precies om? Het Oude en Nieuwe Testament spreekt van het verbond tussen God en mens, eerst opgericht met de niet-gevallen mens (het werkverbond), later met de gevallen mens (het genadeverbond). Deze verbonden in de tijd vinden hun vaste grondslag in de Raad Gods van eeuwigheid. De val van de mens kwam (met eerbied gesproken) voor de Heere niet als een verrassing. Hij heeft reeds van eeuwigheid zorg over Zijn volk gehad, die Hij in de tijd, door genade, op grond van Christus verdienste, zal zalig maken. Het genadeverbond vloeit dus voort, uit het verbond tussen de Drie Goddelijke Personen, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, dat ook wel de raad des vredes of het verlossingsverbond wordt genoemd.

Nu is er onder de rechtzinnige theologen altijd wel enig verschil van opvatting aangaande deze zaken geweest.  Ds. Kersten zei: Het verbond der genade is van eeuwigheid met de uitverkorenen in Christus opgericht. Ds. Hellenbroek zegt in zijn vragenboekje dat het genadeverbond is opgericht terstond na de val, dus niet van eeuwigheid. In Genesis 17:4 is sprake van een verbond dat in de tijd wordt opgericht. Johannes Calvijn volgt deze gedachtegang als hij zegt in zijn commentaar bij deze tekst: "Zij die menen, dat hier alleen de uitverkorenen bedoeld worden en, zonder onderscheid, alle gelovigen uit welk volk zij, wat het vlees aangaat, ook afstammen, bedriegen zich. Want de Schrift wijst er wel degelijk op, dat in het bijzonder het volk, dat uit Abram zijn oorsprong had het verbond van God ontvangen heeft. En duidelijk is het onderwijs van Paulus over de vleselijke kinderen van Abram, die zij zijn heilige takken, dewijl zij uit ene heilige wortel zijn voortgekomen. En opdat niemand dit tot de schaduw der wet zou terugbrengen of als een allegorie zou bestempelen, zegt hij ergens, dat Christus gekomen is, opdat Hij een dienaar der besnijdenis zou zijn. Waarom niets meer zeker is, dan dat God Zijn verbond sluit met de kinderen van Abraham, die op vleselijke wijze uit hem zouden geboren worden, heeft gesloten."

In Genesis 17: 14 wordt gesproken over een verbreken van het verbond. Een bondeling kan dus het verbond breken; zich eruit zondigen, wat niet gezegd zou kunnen worden, als alléén de uitverkorenen bondelingen waren. De kring van bondgenoten kan en mag dus niet beperkt worden tot de uitverkorenen alleen zoals ds. Kersten en anderen doen, want wanneer men dit consequent zou toepassen op de praktijk van het kerkelijke leven, dan zou bijvoorbeeld het Evangelie alleen aan de uitverkorenen gepredikt mogen worden, dan zou de grond van de kinderdoop op niet anders gebaseerd zijn als op een...veronderstelde uitverkiezing. De christelijke gereformeerde verbondsvisie moet gezien worden tegen de achtergrond van de strijd met dr. Kuyper die eveneens een genadeverbond van eeuwigheid leerde. Doorredenerend kwam Kuyper uit bij de 'veronderstelde wedergeboorte.' Kuyper en Kersten leerden dus allebei een genadeverbond van eeuwigheid. Beiden kwamen echter tot een andere uitwerking. Kuyper legde de grond van de kinderdoop in de veronderstelde wedergeboorte van het kind. Hij zei: "Al zou ik weten dat het kind niet wedergeboren was, dan zou ik het kind niet dopen."

Iemand die gewezen heeft op het gevaar van vereenzelviging van het genadeverbond met de raad des vredes was ds. T. Bos (1846-1916) destijds predikant in de Gereformeerde Kerken. Hij bracht op de synode van 1896 bezwaren in tegen deze opvatting. In zijn boekje over de Dordtse Leerregels zegt hij: "Het is bij de behandeling van het genadeverbond volstrekt nodig, het verschil tussen dit leerstuk en de verkiezing en de raad des vredes goed in het oog te houden. Wie dit niet doet, wijkt als vanzelf af van de lijn, in de Heilige Schrift getekend, en komt tot gevolgtrekkingen, die niet zonder redenen nu en dan van on-gereformeerdheid doen beschuldigen." Ds. Bos zegt verder: "Al Gods daden in de tijd staan in verband met en rusten op een besluit Gods. Wij beginnen echter niet met wat in de eeuwigheid geschiedt, maar met wat de Heere in de tijd doet.

Het eigenaardige in onze Belijdenisgeschriften, bestaat vooral hierin, dat zo helder aan het licht komt, de vrije genade ter ener zijde en de verantwoordelijkheid van de mens ter andere zijde. De meeste dwalingen bestaan hierin, dat of door eenzijdig nadruk leggen op de genade Gods de schuld van de mens wordt weggeredeneerd, of door eenzijdig nadruk leggen op de verantwoordelijkheid van de mens de genade Gods te niet gedaan wordt.

Genade en werk worden dikwijls vermengd of verward. En wij moeten erkennen, dat de mens in zijn logisch denken allicht één der lijnen volgt, maar dan onwillekeurig de andere loslaat." Vervolgens zegt ds. Bos: "Hier worden beide lijnen, met de Schrift in de hand vastgehouden, zonder er zich over te bekommeren, of de wijsheid der mensen het vat of niet. De oorzaak of schuld van alle zonden is in de mens. Ook de oorzaak of schuld van het ongeloof. De ongelovige is dus schuldig en strafwaardig. Wie eerlijk is, zal moeten erkennen, dat hij niet geloven wil aan het Evangelie. Men late dit toch duidelijk in de prediking horen!"

Ds. Kersten wilde dat de z.g. tweeverbondenleer de leidraad zou worden voor de Gereformeerde Gemeenten. Op de Particuliere Synode van het Noorden in 1929 haalde ds. Kersten een zestal leeruitspraken voor de dag, hoewel het niet op de agenda stond of er ingekomen stukken over waren. Verschillenden konden deze handelswijze van ds. Kersten onmogelijk aanvaarden. De gemeenten werd de verbondsbeschouwing van ds. Kersten min of meer opgelegd, omdat ds. Kersten één lijn wilde trekken.

Van Minnen deelde de visie van ds. Kersten op het genadeverbond niet en ook anderen in het kerkverband bleken toen en later niet gelukkig met de gang van zaken.(19) Ds. A. de Blois schreef op 2 augustus 1929 aan ds. Kersten: "Het kan wel eens nuttig zijn om over het genadeverbond te spreken, maar dan in een kring van mensen die zich ingewerkt hebben." "Witsius, Hellenbroek en Brakel leren het anders." (20) Ds. Kersten begon toen met veel vuur te beweren, dat Arminius de drieverbondenleer zou hebben uitgevonden. Zijn stelling kon hij echter niet met een verwijzing naar de gereformeerde belijdenis onderbouwen. Van Minnen zei: "dat hij zeker gelooft dat de zondaar met de wedergeboorte, in de weg van de bekering, het verbond pas waarlijk gaat beleven, maar dat neemt niet weg, dat zulk een zondaar, op de erve van de kerk geboren, reeds vóór zijn wedergeboorte een bondeling was, waarop God recht heeft en aan wie God in de doop Zijn belofte verzegeld heeft. De bediening van de doop is toch niet slechts een plechtigheid, die besloten wordt met de wens, dat de Heere 't kind begenadigen moge. Heeft de prediker niet anders te zeggen? Niets van de eis en belofte Gods? Van het gevaar, als dit kind opgroeit en onbekeerd sterft, om als een kind des Koninkrijks buiten geworpen te worden? Hoe staat het met de belofte en verantwoordelijkheid? Als we de Heilige doop bedienen, laat 't dan geen vaagheid van handeling zijn, die niets zegt, of die eerder in de hand werkt, dat de doop uit gewoonte of bijgelovigheid begeerd wordt."

In  een christelijk-gereformeerd kerkblad dat stond onder redactie van ds. J. Jongeleen 'De  Stichtsche Kerkbode', en later ook in 'De Wekker' werd een artikel opgenomen van Van Minnen, waarin hij de visie van ds. Jongeleen op het genadeverbond onderstreepte met een verwijzing naar ds. De Blois en ds. W. den Hengst: "Gerust, ik ben verblijd, dat Ds. den Hengst, die een godzalig en tevens een wetenschappelijk man was, tot deze verandering is gekomen." (  ) Zo schrijft Ds. Jongeleen in De Stichtsche Kerkbode. We zijn ook verblijd met deze mededeling, waarin vermeld wordt, dat Ds. W. den Hengst in de laatste jaren zijns levens stond op het standpunt der Schriftuurlijke-verbondsbeschouwing.

Ja, ds. den Hengst deelde volkomen die Schriftuurlijke verbondsbeschouwing, die zo klaar en eenvoudig is uiteengezet door ds. Jongeleen in z'n brochure over het Genadeverbond. Ds. den Hengst heeft deze mening niet verborgen gehouden. In z'n prediking lag deze grondslag.

Tevens gaf hij er lezingen over, schreef in 'De Saambinder' over deze beschouwing en beval ten zeerste het werkje van den heer Mazijk aan 'Schriftuurlijke Verbondsbeschouwing'. Daarbij onderwees hij ook in deze leer, de hem toevertrouwde personen ter opleiding tot het predikambt in de Gereformeerde Gemeenten. 't Is wel opmerkelijk dat Ds. Kersten sinds het overlijden van Ds. W. den Hengst zo fel den strijd aanbindt tegen deze Schriftuurlijke Verbondsleer. (...) "We hebben in Vlaardingen 6 jaar lang door ds. de Blois in prediking, lezing en catechisatie grondig onderwijs ontvangen in de Schriftuurlijke leer, betreffende het genadeverbond. Met vrucht heb ik z'n onderwijs en velen met me genoten. Nog hoor ik hem op de catechisatie in Vlaardingen (niet in de Chr. Ger. Kerk dus alleen) verklaren uit het overigens beste vragenboekje van Hellenbroek, dat Hellenbroek toch mis ging ten opzichte van den vorm van het genadeverbond, dat het niet was zoals Hellenbroek leerde, dat dit verbond alleen opgericht is met de uitverkorenen, maar dat het moet zijn naar Gen. 17 : 7 'Met Abraham en al zijn zaad,' 't welk in de nieuwe bedeling overgaat op de gelovige en hun zaad. (18)

Naar aanleiding van zijn stellingname volgde er een conflict met ds. Kersten. Een conflict dat hoog opliep zodat het zelfs behandeld werd op de classis Rotterdam.(19) Ds. J.D. Barth (  ) die inmiddels in 1925 de plaats had ingenomen van ds. De Blois in Vlaardingen nam Van Minnen echter in bescherming.(19) En ook later bleek dat Van Minnen binnen de Gereformeerde Gemeente van Vlaardingen gewaardeerd bleef gezien de uitnodiging om te spreken voor de jongelingsvereniging als oud-voorzitter. Hij studeerde toen al enkele jaren in Apeldoorn voor predikant. Bij deze gelegenheid is een foto gemaakt waar student Van Minnen gebroederlijk zit naast de toenmalige Vlaardingse predikant, ds. B. van Neerbos (de opvolger van ds. Barth).(  ) Ds. Kersten had in deze periode echter een positie in de Gereformeerde Gemeenten, waardoor hij in staat was op te treden als aanklager en rechter. Dat is geen gezonde basis voor een kerkelijk leven. Dat moet Van Minnen destijds overwogen hebben om zich op 5 maart 1930 aan te sluiten bij de Christelijke Gereformeerde Kerk. Overigens verklaarde Van Minnen 'de Gereformeerde Gemeenten niet te verlaten om hele schokkende redenen, maar in hoofdzaak om genoemde beschouwing van het genadeverbond, die van bovenaf met dwang werd opgelegd.'(22) Naar zijn oordeel werd in dit kerkverband weinig naar de kerkorde geleefd. Dit argument werd door dr. M. Golverdingen (1941-2019) in diens studie over de geschiedenis van de Gereformeerde Gemeenten ruiterlijk toegegeven: dat het kerkordelijk proces niet correct was. Voorafgaand aan de synode van 1931 kwamen dertien predikanten bijeen om over de kwestie te spreken. Het verschil in visie op het verbond bij de oude schrijvers werd grondig besproken. Men erkende dat er rechtzinnige leraars zijn geweest, die behalve over het werkverbond spraken over het verbond der verlossing en het verbond der genade. Zij zagen enig onderscheid tussen die laatste twee verbonden. Volgens ds. Kersten ontkende alle  oudvaders dat het verbond der genade is opgericht met Abraham en zijn natuurlijke zaad. Feitelijk bleef de uitspraak van 1929 gehandhaafd. Dr. M. Golverdingen merkte hierover op dat deze besluiten geen enkele basis in de kerkorde hadden. En wat betreft het eerste: dogmatisch waren de Gereformeerde Gemeenten voor 1930 on-belijnd, hetgeen ook onderkend werd door dr. M. Golverdingen. De verbondsvisie had in de lange periode van samensprekingen (1919-1928) tussen de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Gereformeerde Gemeenten nooit een probleem opgeleverd. In 1928 kwam dit geschil plotseling tevoorschijn en kort daarna (1929, 1931) legden de Gereformeerde Gemeenten om zich van de Christelijke Gereformeerde Kerk te onderscheiden hun visie vast in een synode uitspraak: ''dat het wezen van het genadeverbond alleen de uitverkoren geldt, maar dat de verantwoordelijkheid van de gevallen mens groter wordt door de ernstige aanbieding van Christus en de Verbondsweldaden van het Evangelie.'' Deze vastlegging was niet het resultaat van een periode van theologische bezinning maar beruste op de persoonlijke visie van ds. G.H. Kersten. Ds. A. de Blois en ds. H.A. Minderman (   ) kregen ruimte voor hun 'afwijkende' gevoelens. Zij waren destijds de enige predikanten binnen het kerkverband die voldoende theologische bagage hadden om een eigen visie te vormen. De overige predikanten voeren min of meer blind op de visie van ds. Kersten. De meest gezaghebbende predikant naast ds. G.H. Kersten was ds. J. Fraanje die aanvankelijk tegen elke vorm van theologische opleiding was en evenals de oudgereformeerde ds. Joh van der Poel nauwelijks kon schrijven. Ds. Fraanje nam (dit bleek ook in de gebeurtenissen rondom dr. C. Steenblok en ds. R. Kok volkomen op het gevoel (subjectief) beslissingen. Ds. Minderman (afkomstig uit de Christelijke Gereformeerde Kerk) verklaarde aan zijn vriend en medebroeder ds. P.J.M. de Bruin (  ), dat hij - ondanks zijn overgang naar de Gereformeerde Gemeenten, de verbondsvisie zoals hem destijds geleerd in de Christelijke Gereformeerde kerk nooit verloochend had. Dat een ander geestelijk klimaat in de Christelijk Gereformeerde Kerken later wel de overhand kreeg, lag niet aan de z.g. 'drieverbondenleer'  een conclusie die dr. C. Steenblok (  ) trok in de Goudse Kerkbode van 9 augustus 1952, maar vanwege het uitschakelen van de toepassende of bevindelijke prediking.  Praktisch gezien komt het hier op neer:

Wie mogen zich troosten met de prediking van het sacrament van de Heilige Doop en de waarde en betekenis van het genadeverbond? Allen die gedoopt zijn? Allen die van zichzelf weten dat ze tot het getal van de uitverkorenen behoren? Wel nee! Dat mogen zij, die waarlijk zondaar zijn geworden voor God en dus behoefte aan vergeving hebben leren kennen en afwassing van de zonde nodig hebben. Daarbuiten mogen alle theoretische beredeneringen schoon zijn maar die laten ons volkomen koud en onbewogen!


Visie Prof. J.J. van der Schuit

Zonder het genadeverbond en het verbond der verlossing c.q. Gods verkiezing met elkaar te vereenzelvigen stelde Van der Schuit met nadruk dat zonder het laatste het eerste er nooit zou zijn geweest. Vanuit de verkiezing en vanuit het verbond der verlossing, vanuit het onderhandelen en beraadslagen van de drie Personen in God onderling, treedt God in het genadeverbond naar buiten in de openbaring en bekendmaking van Zijn heil en genade, niet slechts aan de uitverkorenen, maar aan gevallen zondaren. Vanuit Gods heilsbeschikking in het verbond der verlossing volgt Gods heilsbedeling met name in het genadeverbond.

Ds. Brons, De Wekker 5 maart 2004

Visie ds. G. Salomons

Infra en supra behoren m.i. in de kerk niet tegenover elkander te staan, ze staan naast elkander, vullen elkander aan, kunnen elkander in het evenwicht houden. Daarom moet het infra ook nooit zeggen tot het supra: "Nu ja, gij wordt nog geduld, maar....? " Want dan heeft het supra het valste recht om te zeggen: gij, infra moet toch omtrent motief van verkiezing en verwerping bij mij weer terecht komen, n.l. om Gods eeuwig welbehagen te erkennen, wilt ge niet den weg op gaan, die u zou voeren in de armen van "Armijn".

Zie: Levensschets ds. G. Salomons 'Vele wateren - niet kunnen uitblussen'.


Het ontstaan van de Christelijke Gereformeerde Kerk

De Christelijke Gereformeerde Kerk ontstond in 1869 uit twee bloedgroepen, beiden hun wortels in de Afscheiding van 1834. De redenen van de Afscheiding van 1834 lagen in de verwaarlozing van de gereformeerde belijdenis in de Nederlands Hervormde Kerk. In prediking en tucht heerste vrijblijvendheid en tolerantie. Deze tolerantie gold vrijwel voor iedereen behalve voor de gereformeerde orthodoxie

De afgescheidenen hadden ten opzichte van de Nederlands Hervormde Kerk een duidelijk standpunt: 'uit dit alles tezamen genomen, is het nu meer als duidelijk geworden, dat de Nederlands Hervormde Kerk niet de ware, maar de valse kerk is, volgens Gods Woord en artikel 29 van onze belijdenis'. Later onderstreepte de afgescheidenen dit standpunt op de synode van 1851 nog eens:

'Indien wij dit in gemoede voor de Heere niet geloofd hadden, dan hadden wij ons, overeenkomstig onze Formulieren van Enigheid niet mogen afscheiden en zouden derhalve ons tegenwoordig standpunt verloochenen, hetwelk door ons bij deze niet mogelijk is, omdat wij van harte geloven, dat de Heere Jezus als koning der kerk zijn volk uit een valse kerk geliefd uit te leiden'.

In talloze brochures keerde ds. H. de Cock ( ) zich tegen het verval in de Nederlands Hervormde Kerk. Ook verzorgde hij een heruitgave van de 'Dordtse Leerregels'. En wat nu de oprechte geloof en de waarachtige bekering aangaat, schijnt men in onze dagen daarvan een geheel verkeerd en verward denkbeeld hebben, en in plaats van te staan naar een geloof hetwelk Gods gave is, tevreden zijn met een geloof van eigen maaksel, van eigenwillige omhelzing en aangrijping. (H. de Cock) Valse leer komt doorgaans overeen met ons verdorven vernuft, en geeft doorgaans ruimte aan het vlees, en onze begeerlijkheden. (H. de Cock) Een christen moet tonen te hebben een geheiligd geweten hetwelk gevoelig is over de minste zonde, ook over een ijdel en onnut woord, ja tot de gedachten toe. Daar men niet gezind is God recht te vrezen, daar wil men altijd uitzondering maken, daar tracht men grote zonden te verkleinen, en kleinen voor te spreken, ja het kwade goed te noemen, en dus het licht tot duisternis stellen. (H. de Cock)

Al spoedig scheen het alsof de Afscheiding op niets zou uitlopen. Van buitenaf werd men tegengewerkt met hoge boetes en gevangenisstraf; intern openbaarde zich tal van meningsverschillen over tal van zaken. De situatie onder de afgescheidenen werd uiteindelijk zo erg, dat buitenstaanders hen openlijk bespottelijk maakten. Sommigen keerden teleurgesteld terug naar de Nederlands Hervormde Kerk.

Ds. H. de Cock
Ds. H. de Cock
Dr. A. Kuyper
Dr. A. Kuyper
Ds. F.P.L.C. van Lingen
Ds. F.P.L.C. van Lingen
Ds. J. Wisse Czn.
Ds. J. Wisse Czn.

De leidinggevende predikanten, ds. H. P. Scholte (  ) en ds. H. De Cock dachten over tal van zaken niet hetzelfde zoals over de leer van de doop en de gemeentebeschouwing. Hoewel ds. De Cock bij allen het meeste respect afdwong, door zijn ernstige handel en wandel, aanvaarde de synode het standpunt van ds. Scholte. Ds. Scholte maakte hierbij dankbaar gebruik van zijn charisma en uitstekende sprekersgaven. Ds. De Cock legde zich hierbij - hetzij onder protest - neer. De synode van 1837 ging nog een stapje verder. Er werd een nieuwe kerkorde ingevoerd, waaraan vijf artikelen werden toegevoegd waarin het standpunt verwoord werd van ds. Scholte. Hiermee was de visie en gemeentebeschouwing van ds. Scholte onderdeel van de leer van de Afgescheiden Kerk. (  ) Ds. De Cock aanvaarde ook dit besluit omdat hij bang was door verdere verdeeldheid het werk van de Afscheiding geheel teniet te maken. Slechts enkele gemeenten konden deze besluiten onmogelijk aanvaarden en onttrokken zich aan het kerkverband. Deze gemeenten noemden zichzelf de Gereformeerde Kerken onder het Kruis. Tussen de Christelijke Afgescheiden Kerk en de Gereformeerde Kerken onder het Kruis speelden zich hierna nog verschillende conflicten af. Dit betrof de aanvraag van erkenning bij de overheid, de aanstelling van predikanten die hiervoor niet waren opgeleid of wettig bevestigd, en het aanbod van genade. In 1840 werd door de Christelijke Afgescheiden Kerk onder schuldbelijdenis de kerkorde van 1837 verworpen. Na jaren van intensieve samensprekingen kon men in 1869 overeenstemming bereiken in leer, tucht, sacramenten en kerkorde, en ging men verder onder de naam Christelijke Gereformeerde Kerk. (  )

In 1886 was er plotseling een ernstige bedreiging voor het voortbestaan van de Christelijke Gereformeerde Kerk. Slechts weinigen hadden dit tijdig in de gaten. Onder leiding van dr. A. Kuyper (1837-1920) (  ) waren er een groot aantal 'dolerende' gemeenten ontstaan. Deze gemeenten hadden zich los gemaakt van de Nederlands Hervormde Kerk. In eerste instantie leek de beweging veel op de Afscheiding, maar in werkelijkheid was de grondslag van deze beweging geheel anders. Achter de doleantie zat een indrukwekkend programma, ontsproten uit het brein van dr. Kuyper. Kuyper verwierp de hiërarchie van de Nederlandse Hervormde door zich als plaatselijke gemeente onafhankelijk te verklaren. Belangrijk was het zorgen voor een meerderheid in de kerkelijke besturen, om zo het kerkelijk goed veilig te stellen. Hoewel de eigenlijke opzet van de Doleantie mislukte, stond er vrijwel direct na de losmaking een perfect georganiseerde kerk. De Christelijke Gereformeerden riepen de Dolerende gemeenten op om zich bij hen aan te sluiten, maar dr. Kuyper bleek hier anders over te denken. Hij veroordeelde de Afscheiding van 1834 als 'een voorbarige stap'.

Omdat niet weinig gevoelig waren voor de grote denkkracht en activiteit van dr. Kuyper, die naast zijn kerkelijke activiteiten ook beschikte over een stevig doortimmerd politiek programma, startte de Christelijk-Gereformeerde predikant, J. Wisse (  ) in 1888 een blad dat de beginselen van de Afscheiding verdedigde. Dit blad droeg de toepasselijke naam: 'Het Stichtste Wekkertje': het wilde de mensen wakker schudden. Ds. Wisse kreeg steun van ds. F.P.L.C van Lingen (  ) Van Lingen behoorde zelf tot de dolerende kerken, maar in zijn blad 'Petahja' nam hij de theologische beschouwingen van dr. Kuyper onder de loep. In maart 1891 ging ds. Van Lingen over naar de Christelijke Gereformeerde Kerk. Naar zijn eigen zeggen was hij dit eerder van plan geweest, maar hadden zijn familiebetrekkingen hem hier al die tijd van weerhouden. De predikanten Van Lingen en Wisse dienden op de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerk een bezwaarschrift in waarin opgeroepen werd om niet te verenigen met de Dolerenden. Hun bezwaren hadden zij samengevat in vijf punten die terug te brengen zijn op: 1. Het verschil in beginsel van Afscheiding en Doleantie, 2. Ernstige bezwaren van kerkrechtelijke aard. (In het verenigingsproces waren de plaatselijke gemeenten nauwelijks betrokken.) 3. het voornaamste waren de beschouwingen van dr. Kuyper, de zogenaamde 'veronderstelde wedergeboorte'.

Onder de dolerenden bevonden zich zeker predikanten en voorgangers die een zuivere prediking voorstonden. In de prekenserie 'uit de diepte' werd ook wel met instemming gelezen. Maar Kuyper oefende veel invloed uit op de jongere theologen door middel van zijn dogmatiek. Wat Kuyper leerde was dat de grond van de kinderdoop lag in de veronderstelde wedergeboorte van het kind. In zijn boek 'Separatie en Doleantie' (1890) schreef hij: 'Onze kerken dopen niet als konden zij door de doop iemand wederbaren, maar in de onderstelling, dat de dopeling vooraf wedergeboren is'. Wel hield hij vast aan de stelling dat niet allen werkelijk wedergeboren waren. De leer van de veronderstelde wedergeboorte werd nooit officieel de leer van de Gereformeerde Kerken. Na een lange strijd kwam het in 1905 tot een compromis. De synode van de Christelijke Gereformeerde Kerk wilde in 1892 niet luisteren naar de bezwaren van Van Lingen en Wisse. Men vond de oplossing door het hanteren van een formule van 'tweeërlei reformatie'. Aan de leer van dr. Kuyper voelde men zich niet gebonden. De enige voorwaarden die de afgescheidenen nog hadden was het behoud van de Theologische School in Kampen. Toen bleek dat dit laatste geen struikelblok vormde, verenigde men in 1892 tot de Gereformeerde Kerken in Nederland.

Zes gemeenten waren er in 1892 overgebleven die Christelijk Gereformeerd wilden blijven. Maar dit aantal nam snel toe. De voornaamste reden hiervan was dat de vereniging van 1892 bij velen achteraf niet erg voldeed. Ds. Van Lingen besteedde veel van zijn tijd in het spreken op openbare bijeenkomsten waar voorlichting gegeven werd. Door middel van een advertentie in 'Het Wekkertje' riep hij de leden van de Christelijke Gereformeerde Kerk op om op 20 juli 1892 in Utrecht bijeen te komen. Ds. Wisse was daar ook aanwezig. Hij had de avond tevoren besloten om christelijk gereformeerd te blijven. In een brief aan zijn gemeente deelde hij mee 'na lange strijd en worsteling zich zijn volle verantwoordelijkheid bewust te moeten zeggen: het is ons niet mogelijk te berusten in hetgeen de synode deed. Om te kunnen blijven christelijk gereformeerd predikant, hebben wij ons gedrongen gezien onze gemeenschap met de gecombineerde kerken op te zeggen' Later zei hij van dit moment: 'daar stond ik nu, zonder kerkenraad, zonder kerkgebouw, zonder gemeente, zonder pastorie, maar met de Heere'. Men ging verder onder de oude naam van Christelijke Gereformeerde Kerk. In 1896 zijn er 39 gemeenten met 10 predikanten. In 1906 is dit aantal al gegroeid tot 72 gemeenten met 29 predikanten. In 1919 knoopt de Chr. Geref. Kerk samensprekingen met het in 1907 ontstane kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten aan. Ds. Kersten en ds. Fraanje ( ) kwamen op bezoek. Het kwam uiteindelijk zover dat er een gemeenschappelijke naam was bedacht. In 1928 werden de contacten echter plotseling definitief afgebroken. Er ontstond een forse polemiek over het genadeverbond. Volgens ds. Kersten werd het verbond ontzenuwend wanneer men het genadeverbond (geopenbaard in de tijd) en het verlossingsverbond (gesloten in de eeuwigheid door de Drie Goddelijke Personen: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest) van elkaar onderscheid. Het draaide daarbij om het woordje 'wezenlijk'. Aanleiding was een publicatie van ds. J. Jongeleen. Opmerkelijk kwam er op deze bewuste publicatie ook kritiek uit een heel andere hoek: Prof. dr. K. Schilder. (  )


Op 5 maart 1930 wendde Van Minnen zich tot de kerkenraad van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Vlaardingen om met zijn gezin lid te worden van deze gemeente. Zijn geestelijke vriend uit Vlaardingen, Nico de Jong (de latere ds. N. de Jong) studeerde al vanaf 1922 aan de Theologische School in Apeldoorn.( ) In de jaren twintig en dertig was het geestelijk klimaat in de Christelijke Gereformeerde Kerk nog overwegend goed. Predikanten van het eerste uur, waaronder ds. A. van der Heijden (1865-1927) en ds. P.J.M. de Bruin (1868-1946) drukten hun stempel op het kerkverband.


Ds. H.A. Minderman
Ds. H.A. Minderman

Ds. H.A. Minderman

Na een lang en smartelijk lijden is Ds. H. A. Minderman de eeuwige rust ingegaan in den ouderdom van 76 jaren. Den ouderen in onze kerk was hij niet onbekend en hoewel thans overleden als predikant der Geref. gemeente te Lisse, willen wij hem toch in ons blad gedenken.
Vele jaren heeft hij onze Christelijke Geref. kerk gediend, eerst in onze gemeente te Gouda, daarna in Rotterdam, waar de gemeente tijdens zijne bediening tot grooten bloei kwam. Er was een nauwe band tusschen hem en br. A. v, d. Heyden en mij, in onze jeugdjaren. Toen ik nog student was, wandelde ik met die twee broeders buiten Gouda en waren wij in levendig gesprek over het werk des, Heeren in de harten Zijns volks en bijzonder ging het gesprek over de werkzaamheden, die wij alle drie hadden met de roeping tot het leeraarsambt. Beide broeders spraken over hun strijd om tot het ambt te komen en in een oogenblik van levendig geloof dat de Heere hen niet zou beschamen, verzekerde ik hen, dat ik ze op Gods tijd in het ambt zou bevestigen. Dit is later door den Heere vervuld. Ik bevestigde Ds. Minderman te Gouda op 1 Dec. 1895 en Ds. v. d. Heyden te Broek op Langendijk 11 Nov. 1900. Minderman was mijn eerste leerling, dien ik op verzoek der classis heb opgeleid tot het ambt. Later vertrok hij naar Grand-Rapids in Amerika en van daar kwam hij in ons land bij de Geref, gemeenten. Toch bleef tot hiertoe een band tusschen ons drieën, want boven het kerkelijk standpunt, dat ik altijd heb vastgehouden, is toch de geestelijke band, die een vrucht is der wedergeboorte. Die band kan soms wat gerekt worden, doch verbroken wordt zij nooit. Mocht die band in onze dagen meer gevoeld worden tusschen Gods kinderen, dan zou er ook meer genoten worden van de geestelijke eenheid in den Heere Jezus. Van het drietal, dat in 1892 saam wandelde op den weg van Gouda naar Waddingsveen, en in het jeugdig vuur der eerste liefde zich aan elkaar verbond, om saam te zoeken het heil van Sion en saam te strijden in den ambtelijken dienst des Heeren, ben ik nu alleen nog over. Onze lezers zullen gevoelen, dat ik daarom niet nalaten kon een enkel woord in ons blad te wijden aan dezen dienstknecht des Heeren, die in 1892 als diaken met nog eenige kerkeraadsleden en een deel der gemeente van Gouda staande bleef in het voetspoor der vaderen van 1834.

De Bijbelse leer van het genadeverbond met de kerk en haar zaad en niet alleen met de uitverkorenen, zoals altijd in de Christelijke Gereformeerde Kerk geleerd is, heeft hij altijd vast gehouden, zoals hij mij op zijn ziekbed verzekerde.

Ds. P.J.M. de Bruin, De Wekker 31 maart 1933


Op de Theologische School in Apeldoorn (1930-1937)

19 juli 1930 werd  er door de kerkenraad van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Vlaardingen onder leiding van ds. S. van der Molen (  )  een speciale kerkenraadsvergadering gehouden om Van Minnen te onderzoeken 'naar roeping en genadestaat', dit in verband met zijn aanmelding voor de Theologische School. De kerkenraad besluit hem voor te dragen aan het curatorium. Op 19 juli 1930 werd Van Minnen naar aanleiding van een onderzoek naar roeping en genadestaat toegelaten tot het volgen van de lessen aan de Theologische School van Apeldoorn. In augustus legt hij admissie-examen af, waarna hij in september 1930 gezamenlijk met E. du Marchie van Voorthuijzen ( ) zijn intrede doet aan de theologische school in Apeldoorn.

 Zijn studie viel midden in de jaren dertig. Geen makkelijke jaren om te studeren, want het was de tijd van de wereldwijde economische crisis. Financieel ging hij er niet bepaald op vooruit. Hij moest fors op zijn eigen vermogen interen. De drie huisjes die hij bezat, gingen eraan. Uiteindelijk bezat hij nog een klein bedrag, te weinig om van te leven. Maar er kwam uitkomst door een gulle gever die anoniem wilde blijven.

De predikanten P.J.M. de Bruin (1868-1946) J.J. van der Schuit (1882-1968) J.W. Geels (1880-1950) en G. Wisse (1873-1957) traden op als docenten. Student Van Minnen voelde zich in het bijzonder gevormd door zijn docenten  Prof. G. Wisse en Prof. P.J.M. de Bruin, maar ook met Prof. J.J. van der Schuit is er sprake van een zekere wederzijdse waardering.(23) De rol die Prof. J.W. Geels in het geheel gespeeld heeft blijft enigszins onduidelijk.  Iets daarvan komt naar voren uit diens brieven waarvan recent fragmenten zijn gepubliceerd in het boek 'Consolidatie en crisis'. (  ) Met deze docent was er in elk geval - naar we al eerder begrepen hadden - in veel mindere mate aansluiting, hoewel hij geen z.g. 'voorwerpelijk prediker' was.


Docent P.J.M. de Bruin


Inkijk beginfase Christelijke Gereformeerde Kerk (1892-1930).

Ds. P.J.M. de Bruin besloot in 1892 als enige theologisch student niet met de vereniging mee te gaan. Als zodanig was hij betrokken bij de opbouw van het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Kerk. Hij wordt wel beschouwd als de verpersoonlijking van het beginsel van de Christelijke Gereformeerde Kerk. De Bruin reisde veel door de gemeenten. Dit deed hij in de beginfase van het kerkverband maar ook toen hij docent was. Hij was dus als geen ander op de hoogte van het geestelijk klimaat van de plaatselijke gemeenten in de beginfase van het kerkverband tot ver in de jaren dertig. Hieruit komt zondermeer een beeld naar voren van een Schriftuurlijk-bevindelijk klimaat. Ook hier blijkt dat het idee dat de Christelijke Gereformeerde Kerk altijd al heeft bestaan uit verschillende stromingen en er slechts een smalstroom was van bevindelijke gemeenten in Zuid-Holland en Zeeland dus pertinent niet klopt. Veel gemeenten zijn later theologisch verkleurd  maar men projecteert de situatie van later op de beginfase van het kerkverband. In De Wekker plaatste Prof. De Bruin later regelmatig 'herinneringen' waarin te lezen is hoe het kerkelijk en geestelijk klimaat van de Christelijke Gereformeerde Kerk kort na de voortzetting in 1892 geweest is. In het prille begin waren er geen overvolle kerken, maar kleine zaaltjes en hier was vaak volgens De Bruin het woord van de apostel Paulus van toepassing, "dat het niet vele edelen en rijken waren, die het oude Christelijk-Gereformeerd-beginsel vast hielden." Velen waren aanvankelijk wel met deze vereniging mee gegaan maar kregen daar achteraf spijt van. Velen hinkten nog op twee gedachten hinkten en sympathiseerde wel met de staand gebleven Christelijke Gereformeerde Kerk, maar durfden het nog niet aan om een beslissende stap te doen. Voorzover de vroegere christelijke gereformeerden, met de Vereniging van 1892 waren meegegaan, wilde men plaatselijk vaak niet samensmelten, zodat kerken in één stad of dorp soms als A en B aangeduid scherp tegenover elkaar stonden. De gemeente, met de letter A. aangeduid, was de gemeente, die kort na de Afscheiding in 1834 was geïnstitueerd. In De Wekker vertelde De Bruin hoe hij voor het eerst als theologisch student in de voortgezette Christelijke Gereformeerde Kerk op 25 December 1892 in Utrecht voor een kleine schare sprak. "Een kerkgebouw had de gemeente nog niet. Het was in een lokaal in de Minrebroederstraat, Nog herinner ik het mij als de dag van gisteren, hoe de oude Van Asch tot mij kwam en zeide: "Zo jongeling, zult gij ons heden het Evangelie verkondigen". Nog zie ik ze zitten, de broeders: Renkema, Landaal, Ditmar e.a., die allen reeds overleden zijn. Wat was het toen een opgewekt leven." Op zondag 15 Jan. 1893 preekte hij voor het eerst in Noordeloos. "Nog herinner ik mij de vele oude godvruchtigen, die ik aldaar sprak, als de oude Esther, Hanna, blinde Neeltje en anderen. Toen ik des Maandags Ds. Jonkman, die nog altijd een steek droeg, in de pastorie ontmoette, bleef ik aldaar tot Dinsdag en mocht er vele pastorale lessen ontvangen van de in de praktijk vergrijsde Dienaar des Woords."

Over de eerste keer dart hij in Groningen moest preken vertelde De Bruin het volgende: "Onwillekeurig moest ik denken aan Paulus te Athene, die ook de academiestad doorwandelde en eindelijk op den Areopagus gebracht werd. Mijn Areopagus was echter een eenvoudig lokaal van Mevr. Mol Moncourt aan de Coehoornsingel. Toen ik daar aankwam, was het lokaal nog leeg en kon ik nog enige rust genieten. Na enige tijd vulde zich het lokaal en weldra liep het vol, niet alleen van belangstellenden, maar ook van nieuwsgierigen, zoals er ook op de Areopagus waren, mensen, die zeiden: "Wat wil toch deze klapper zeggen?" Dat het niet allen vrienden waren, bleek wel, toen ik mijn tekst af las en sommigen daarna het lokaal verlieten. Die tekst was: Hand. 28:22b: "Doch wat deze sekte aangaat, ons is bekend, dat zij overal tegengesproken wordt."

Hoewel ik er niet van houd de kerk te prediken, maar het Evangelie van de genade van Christus, moest ik hier toch ook de hoorders wijzen op de tegenstand, welke de kerk ontmoet overal, waar zij de waarheid wil handhaven tegen over on-gereformeerde leerstellingen, zoals die in die tijd geleerd werden.

Over de eerste prediking die hij hield in Hillegom vertelde De Bruin: "Die eerste prediking te Hillegom zal ik niet licht vergeten. Het was op eerste Kerstdag ruw weer met regen en koude. Daarbij had ik zulk een pijn in den rug, dat ik niet recht op kon gaan en krom gebogen onder mijne paraplu moest lopen. De plaats van samenkomst was in een bollenschuur met zeer lage raampjes en daar de zon met wolken bedekt was, was het er zo schemerachtig donker in, dat ik van mijne schets geen letter kon zien. Onder zulke omstandigheden trad ik op en gevoelde dat hier de hulp des Heeren bijzonder nodig was. Ik werd niet beschaamd en de Heere ondersteunde mij, zodat ik ervaren mocht, dat in de ure, waarin het nodig is, de Heere mij aan niets deed ontbreken. Des avonds zelfs gaf de Heere zoveel ruimte onder het preken, dat ik met veel genot zelfs het Kerstevangelie mocht verkondigen van "die grote blijdschap, die al de volke wezen zal". Van achteren leren dan Godsknechten, hoe nodig het is ook bij de prediking wel eens in de engte te komen om alzo hun steile afhankelijkheid van den Heere gewaar te worden. Soms menen ze wel het zelf te kunnen doen, maar dan leren ze opnieuw de waarheid verstaan: "Zonder Mij kunt gij niets doen". Zo blijven Gods knechten, ook al hebben zij discipelen op te leiden tot den dienst des Woords, zelf ook leerlingen, die in de school van den Heere Jezus voortdurend onderwijs hebben te ontvangen, en gelukkig als men dan maar aan de voeten van den grote Leermeester mag zitten om van Hem onderricht te ontvangen."

In de jaren twintig is dit klimaat van eenvoudige maar rechtzinnige godsvrucht uit de beginfase in de Christelijke Gereformeerde Kerk nog volop aanwezig. De Bruin: "In de warme zomer van 1925 bezocht ik vier gemeenten, waarin ik nog nooit het Woord bediend had, n.l. op 19 Juli te Midwolda, waar eenmaal de bekende Ds. Schortinghuis, de schrijver van, "het Innige christendom" stond en na zijn bekering zo dringend de mensen tot bekering riep. Zijn boek over het innige Christendom, bij de oprechte vromen zeer geliefd, mag ook in onze droeve dagen nog veel gelezen worden. Het is een protest tegen de dode rechtzinnigheid van zijn dagen, al werd hij ook bespot om de daarin voorkomende "dierbare vijf nieten", "Ik wil niet, Ik kan niet, Ik weet niet, Ik heb niet, Ik deug niet," waarbij hij er ernstig op aandringt, dat ieder die vijf nieten hij bevinding moet leren kennen. Ik was met veel genoegen in Midwolda en merkte dat de geest van Schortinghuis aldaar nog niet was uitgestorven." "Uit Groningen teruggekeerd, maakten wij in 1925 nog vier malen een reis naar het hoge Noorden, en wel naar Ulrum, Franeker en Drachten, waar wij voor het eerst optraden en 12 december een koude reis met vriezend weer naar Harlingen, waar wij 13 december onze zwager ds. L.H. Beekamp bevestigden. Wij besloten 1925 met een oudejaarsavond-predicatie te Woerden."

"Zo heb ik ook als docent aan de Theol. School elke Zondag het Woord bediend en al was 1929 in de winter zeer koud, toch behoefde ik niet thuis te blijven. Toen het voorjaar aanbrak ging ik weer verre reizen maken. Zo reisde ik op de eerste Zondag van de maand Mei naar 's-Gravenzande. Toen ik Maandagmorgen in Apeldoorn terug kwam, werd ik zeer ontsteld door het schokkende bericht dat Zondag 5 Mei Ds. H. Biesma van Groningen in de kracht van zijn jaren door de dood was weggenomen na een kortstondige maar zeer ernstige ziekte. Zondagavond 28 April had hij voor het laatst het Woord bediend. Hij was die Zondag juist zes en veertig en eenhalf jaar oud. Het laatst had ik hem ontmoet op de Generale Synode van 1928 te Apeldoorn, en hem daar horen prediken, bij gelegenheid van de ure des gebeds voor de Synode over Jesaja 14:32: "Wat zal men dan antwoorden den boden des volks? Dat de Heere Sion gegrond heeft op dat de bedrukten mijns volks een toevlucht zouden hebben". Met stichting hebben wij toen die predikatie beluisterd van de prediker, die werkelijk singuliere gaven bezat. Het was de eerste en de laatste maal in ons leven, dat wij hem hoorden prediken. Wel hadden wij menigmaal te Sneek en te Leeuwarden in zijn huis gelogeerd als wij aldaar preekten en met aangenaamheid verkeerd. Zo herinner ik mij nog, dat wij eens in Sneek hadden gepredikt, dat wij Zondagsavonds 11 Juli 1915 in zijn huis een Calvinist-baptist ontmoette, die van harte instemde met de leer van vrije genade, maar ook zijn baptistisch standpunt verdedigde. De aangename discussie die zich daaruit ontwikkelde, heb ik nooit vergeten, en hoewel ik zijn baptisme verwierp was er een hartelijke instemming met zijn belijdenis van de vrije en souvereine genade Gods."

Ds. L.H. Beekamp
Ds. L.H. Beekamp
Ds. H. Biesma
Ds. H. Biesma
Oefenaar W. Vermeer
Oefenaar W. Vermeer
Ds. J. van der Vegt
Ds. J. van der Vegt

"Onder de indruk van het sterven van Ds. H. Biesma reisde ik Woensdagavond 8 Mei naar Maarssen, waar ik de volgende dag het Hemelvaarts Evangelie zou preken. Ik was somber gestemd toen ik daar in mijn logies aankwam. Enige tijd te voren was Ds. Biesma aldaar beroepen, maar had bedankt. Mijn hospita begon terstond over dit bedanken te spreken en sprak haar geloof uit, dat ds. Biesma toch nog predikant van Maarssen zou worden. Ik moest haar toen zeggen, dat ds. Biesma geen beroep naar de strijdende kerk meer zou ontvangen, daar hij naar de triomferende kerk was heen gegaan. Ik zag hieruit, hoe licht men gelooft, wat men graag wenst en hoe voorzichtig men in dit opzicht moet zijn om niet voor geloof te houden, wat men gaarne wenst. Ons hart is zo bedrieglijk in zulke zaken. Het jaar 1929 was een rouwjaar voor onze kerk. Na de harde winter ging ds. Jan van der Vegt, emeritus predikant van Harderwijk op 16 Maart heen naar het land waar geen winter meer is en een eeuwige lente doet zingen van Gods lof. Ik kende hem reeds van af de zomer 1896, toen ik te Heerde zijn vader bezocht en hij daar met vakantie aanwezig was. Toen nog onderwijzer, ontmoette ik hem 11 November 1900 te Broek op Langendijk, waar ik kandidaat van der Heijden, mijn jeugdvriend in het ambt bevestigde en hij 14 dagen te voren in Zaandam door zijn vader bevestigd was als leraar. Zoete banden bonden ons aan die ontslapen broeder die meer dan een kwart eeuw onze Christelijke Gereformeerde Kerk in verschillende gemeenten mocht dienen. Het jaar 1929 was een rouw jaar voor onze kerk, zo schreven wij de vorige maal. Na ds. v.d. Vegt en Ds. Biesma, ontsliep op 27 September 1929 de overal bekende en beminde broeder Willem Vermeer, die in Zeist vele jaren als oefenaar een stichtelijk woord gesproken had. Hij bereikte de leeftijd van 92 jaren en ging heen oud en der dagen zat. Menigmaal heeft hij in mijn plaats te Apeldoorn een stichtelijk woord gesproken, terwijl ik dan te Zeist het Heilig Avondmaal in zijn gemeente bediende. Hij was onder Gods volk zeer bemind en droeg aller achting weg." De vierde, die in dit jaar werd weggenomen, was de emeritus predikant van Hilversum, ds. H.J.L. de Vries; die de laatste jaren van zijn leven onder veel lichaamslijden te Hillegersberg doorbracht en 8 November de ruste in ging." 

"Was 1929 een rouwjaar, aan het einde daarvan waren er ook drie zilveren jubilea van Ds. Hendriksen, Ds. K. Zuidersma en Ds. Joh. Jansen te Leiden. Het laatste jubileum mocht ik ook bijwonen op 11 December; daar ik een kwart eeuw geleden deze leraar in het ambt bevestigen mocht in Oud-Beijerland. Ik reisde daarvoor op 11december naar Leiden, waar ook de pastor van Apeldoorn, de jeugdvriend van ds. Jansen, n.l. ds. Geels tegenwoordig was. In de nachtelijke ure gingen wij naar ons logies en 's-morgens vroeg reed ik met br. Geels in zijn auto naar Apeldoorn terug. Die terugweg van Leiden tot Woerden langs de Hoge Rijndijk had voor mij vele aangename herinneringen, daar ik vele plaatsen passeerde, waar ik in mijnjeugdjaren dikwijls geweest was. Ik zag Leiderdorp, waar ik veertig jaar geleden zo dikwijls gelogeerd heb bij een broeder, wiens woning een herberg was voor Gods volk, Koudekerk, waar ik vroeger een jeugdvriend had, die toen reeds zalig in de Heere ontslapen was, Alphen, waar ik zo dikwijls gepreekt had en vele banden waren aan het lieve volk des Heeren, dat ik daar ontmoet had, en eindelijk Woerden, dat mij in 1894 het eerste beroep zond, toen ik nog reizend predikant was. Zo had ik in de vroege morgen van 12 December 1929 in de auto van mijn collega Geels, toen nog mijn pastor, allerlei aangename herinneringen, die mij nu voor de aandacht komen."

Theologische accenten.

De christelijk-gereformeerde verbondsleer schoof De Bruin niet onder stoelen of banken. In zijn boekje 'Het formulier van de kinderdoop' (1937) zegt hij: "Bij het onderwijs der jeugd op de catechisatie en christelijke school kan niet ernstig genoeg op de betekenis van de doop gewezen worden. Natuurlijk niet in verkeerde zin, om de kinderen een grond van zaligheid onder de voeten te geven, welke eenmaal blijken zal een zandgrond te zijn, maar in den zin van ons doopsformulier, door hen te wijzen op de noodzakelijkheid der wedergeboorte, welke reeds in de doop is afgetekend. "Want als wij in de Naam des Vaders gedoopt worden, zo verzegelt de Vader, dat Hij ons aanneemt tot Zijne kinderen en erfgenamen." Deze aanneming tot kinderen en erfgenamen, moet niet in onderwerpelijke zin verstaan worden, alsof de Heere zeide: "Ik maak u door genadige vernieuwing des harten van een kind des toorns tot Mijn begenadigd kind en van een erfgenaam des verderfs tot een erfgenaam des hemels", maar God spreekt hier verbondsgewijze, dus moet het hier toegezegde, voorwerpelijk van de zijde Gods worden verstaan. Kind des verbonds, zie op uw voorhoofd het schone versiersel, dat daarop door God den Vader is ingedrukt. Bezie het zegel, dat Hij u tot Zijn eigendom aanneemt en bij uw verachten van Zijn geboden blijft roepen: "Al had gij met vele boeleerders geboeleerd, nochtans zal Ik u aannemen." Gij kunt uwerzijds dat verbond breken en verbondsbreker worden en de weg der zonde kiezen, maar God de Vader verbreekt nooit Zijn verbond, want Hij heeft met u een eeuwig verbond opgericht en daarom zal Hij in de eeuwigheid, als uw aardse loopbaan is afgelopen nog Zijn verbond gedenken en u als verbondskind, als kind des Koninkrijks buitenwerpen. Maar, hoor ik vragen door een belangstellende lezer, gelden deze beloften dan al het zaad der kerk? Verzegeld de Drie-enige God dan aan ieder kind der gemeente dat gedoopt wordt, de verbondsbelofte?

Studenten Van Minnen, Visser, Ruiter, E. du Marchie van Voorthuijzen. Daarachter Prof. J. J. van der Schuit
Studenten Van Minnen, Visser, Ruiter, E. du Marchie van Voorthuijzen. Daarachter Prof. J. J. van der Schuit

Zegt de Vader in de doop tot iedere kleine, gedoopt in Zijnen Naam: "Ik ben uw God en wil u tot Mijn kind aannemen?" Geldt dit niet alleen hun, die al wedergeboren zijn of althans hun, die uitverkoren zijn?

Dit wordt wel door sommigen beweerd, die een on-Bijbelse beschouwing hebben van het genadeverbond en dit verbond beperken tot de uitverkorenen. In de grond der zaak is dit de dwaling der anabaptisten of wederdopers uit de zestiende eeuw en van de latere doopsgezinden, baptisten en darbysten. Immers, indien alleen aan de uitverkorenen de beloften worden verzegeld, dan zou de doop een zinledige ceremonie zijn. Calvijn zegt, dat Jacob en Ezau beide 'erfgenamen des verbonds' waren, hoewel de eerste uitverkoren en de laatste verworpen was. God doet Zijn verbondsbelofte niet onvoorwaardelijk. Er is aan de belofte des verbonds een wedereis verbonden. Die wedereis is geloof en bekering. Zonder geloof is het onmogelijk de belofte te omhelzen. Maar nu stelt God het geloof niet als een voorwaarde, die de mens moet volbrengen (dit zou de leer der Remonstranten zijn) maar als de weg of het middel, waardoor de belofte omhelst wordt. Dit is de leer van het doopsformulier. De doop verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid."

Hield ds. P.J.M. de Bruin enerzijds de waarde en betekenis van Gods verbond in zijn neerbuigende goedheid hoog, anderzijds waarschuwde hij ernstig in 'De Wekker' tegen het zogenaamde 'verbondsmethodisme' dat - vanwege de invloed van dr. A. Kuyper aan het begin van de twintigste eeuw - de toenmalige Gereformeerde Kerken beheersten. De Bruin wees erop dat het 'Verbondsmethodisme' aldus redeneert: De kinderen van de gemeente zijn bondelingen. Aan die bondelingen wordt in de Doop de belofte van vergeving van zonden beloofd en verzegeld. Nu moet iedere bondeling, die onder de Waarheid leeft en dus de band van het verbond niet openlijk verbreekt, geloven dat die verzegelde belofte ook daadwerkelijk aan hem is toegepast. Hier wordt echter de schenking en toepassing van de belofte, de eerste is voorwerpelijk in Gods Woord, de laatste gebeurt onderwerpelijk door de Heilige Geest, helaas met elkander verward, aldus docent De Bruin. Dit verbondsmethodisme wijst een weg aan, die niet overeenkomt met de oude Gereformeerde leer, zo min als met de Schrift.

Hij wees op een werk van J. C. Appelius "Verklaring en verdediging van de Hervormde leer", verschenen in 1769 waarin staat: "De uitwendige roeping verricht God door de uitwendige verkondiging van het Evangelie. In die uitwendige roeping lokt Hij de zondaar om die voorgestelde weg tot zaligheid te kennen, te geloven, te kiezen en te bewandelen.

God verklaart hier niet wat Hij zelf doen wil, maar wat de zondaar doen moet. De uitwendige roeping verklaart aan niemand, dat Christus voor hem gestorven is of dat Christus gewillig is en het voornemen heeft om hem in 't bijzonder zalig te maken. Dat wordt eerst aan hen, die geloven door de belofte van 't Evangelie betuigt. Zij belooft aan niemand de zaligheid, dan onder voorwaarde van geloof, hetwelk geen verklaring is van Gods voornemen, wat Hij doen wil, maar alleen van de samenhang tussen geloof en zaligheid en van onze plicht om door de weg des geloofs de zaligheid te zoeken." De plicht, de eis van de bekering moet dus eerst gepredikt, zegt Appelius, en waar deze eis door Gods Geest op het hart des zondaars gebonden wordt, daar is er plaats voor geloven van het Evangelie, d. w. z. geloven van de belofte van zondevergeving.'


Prof. P.J.M. de Bruin
Prof. P.J.M. de Bruin

Docent G. Wisse

Prof. G. Wisse
Prof. G. Wisse

Zijn andere docent, G. Wisse, was heel sterk in filosofie en apologetiek. Hij had een scherpe blik op de tijdgeest.  Wisse is dan ook bekend geworden als tijdredenaar. Niet het minst heeft Wisse echter zijn leerlingen veel bijgebracht inzake de praktijk van de prediking. Prof. Wisse deelde de opvatting van ds. G.H. Kersten over het genadeverbond niet, maar stond in de lijn van De Bruin: De kring van bondgenoten kan en mag niet beperkt worden tot de uitverkorenen alleen zoals ds. Kersten en anderen doen, want wanneer men dit consequent zou toepassen op de praktijk van het kerkelijke leven, dan zou bijvoorbeeld het Evangelie alleen aan de uitverkorenen gepredikt mogen worden, dan zou de grond van de kinderdoop op niet anders gebaseerd zijn als op een...veronderstelde uitverkiezing. [Zie Gerard Wisse, een profetisch prediker door Joh. de Rijke blz. 117-118] Wisse zag echter geen nut in een intellectueel debat over deze materie. Hij zag het als een 'broedertwist' en het ging hem om de praktische beleving. Wisse pleitte voor een juiste verhouding van het voorwerpelijk en onderwerpelijk element. Volgens Prof. Wisse is een prediking die niet gericht is op de zielsbehoeften, de praktische beleving van het genadeheil, uitdrogend. Veel kennis van het geestelijke leven is daarvoor nodig. Zijn gedachten vatte hij samen in het boekje: 'De ambtelijke bediening van de Christus in de gelovigen.' Wisse schreef ook enkele  praktische werkjes over het geloofsleven. 'De droefheid naar God' is daarvan het bekendste voorbeeld.

Prof. G. Wisse met zijn studenten. Van Minnen staande vijfde van rechts (met de armen over elkaar)
Prof. G. Wisse met zijn studenten. Van Minnen staande vijfde van rechts (met de armen over elkaar)

Van Minnen ontmoette in Apeldoorn studenten met wie hij geestelijke en vriendschappelijke banden ervaarde, waaronder M. Baan (  ) , C. Smits (  ) , H. van Leeuwen (  )  en E. du Marchie van Voorthuijzen,  een groep studenten die  docent J.W. Geels  met enige argwaan bezag.(24) De vriendenkring vertegenwoordigde een tweede generatie binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk, met een duidelijke bevindelijk-gereformeerde signatuur. De meesten van hen voelden zich echt 'christelijk-gereformeerd', hoewel ds. Smits toen ook al graag buiten de paden trad. Hun taalgebruik was eigentijds, hoewel qua stijl de invloed van Prof. G. Wisse op deze groep merkbaar was. Enigszins apart geval vormde E. du Marchie van Voorthuijzen, die een stijl ontwikkelde dat bij sommigen vervreemding opriep. Als mens en in de dagelijkse omgang moet hij heel vriendelijk en schappelijk geweest zijn, maar de intredepreek die hij in 1937 in Urk hield werd door zijn collega ds. W. Meijnhout (1904-1960) bestempeld als 'demagogisch van karakter'.  Geen van de andere rechtse studenten preekte in de stijl van ds. Du Marchie van Voorthuijzen, ook ds. Smits niet.  Al te ver gezochte allegorische uitdrukkingen die ds. Du Marchie en één van de andere rechtse studenten, ds. H. Visser Mzn., zich zo nu en dan lieten ontvallen werden zelfs afgewezen. "Allegoriseren is een gevaarlijk werk", aldus ds. Salomons in een brief aan ds. Van Minnen op 13 oktober 1961. Ds. Salomons heeft dan zojuist de preken van ds. H. Visser Mzn. onder de loupe gelegd, waarbij de conclusie (volgens de notulist) was, "dat deze zijn studie in Apeldoorn [met betrekking hierop] kennelijk buiten boord heeft gezet om een 'bevindingsvolkje' te prikkelen met overgeestelijke inlegkunde."(25)

Van Minnen pleitte voor het gebruik van zoveel mogelijk hedendaagse bewoordingen. Hoewel in een Bijbelvertaling grote terughoudendheid moet worden betracht, stelde Van Minnen - met een aardig voorbeeld - binnen het bestuur van de Gereformeerde Bijbelstichting(26) voor om bijvoorbeeld een uitdrukking als 'al wat tegen de wand pist' uit 1 Koningen - 14 : 10 te vertalen met 'al wat mannelijk is'. E. du Marchie protesteerde echter de gang van zaken: 'Nee Jaap, al wat tegen de wand pist!' Ondanks de onderlinge verschillen in stijl en karakter is er binnen deze groep zeker sprake van een zekere herkenning en een broederlijke omgang, in het bijzonder tijdens deze periode van studie. De amicale student Du Marchie - die een fervent motorrijder was - , maakte nogal eens een ritje door Apeldoorn met zijn medestudent Van Minnen achterop.

Studenten H. Van Leeuwen, P. van der Bijl met verloofde, E. du Marchie van Voorthuijzen, J.G. van Minnen
Studenten H. Van Leeuwen, P. van der Bijl met verloofde, E. du Marchie van Voorthuijzen, J.G. van Minnen

Nuanceringen


Die broederlijke omgang  was er ook met andere studenten, waaronder J.H. Velema (1917-2007)  en J.C. Maris (1910-2000) maar zij vertegenwoordigden toch een stroming die men nu zou kunnen aanduiden als de 'midden beweging' binnen de  Christelijke Gereformeerde Kerken. Deze stroming zou de komende decennia de overhand krijgen binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken, ten koste van de meer 'bevindelijke' richting.(27) In het Jaarboek 1967 van de Christelijk Gereformeerde Kerken in Nederland liet ds. J. H. Velema in zijn terugblik op 1966 zich ontvallen: 'We zullen voor één ding moeten waken, deze vreze des Heeren moeten we niet gelijkschakelen met een terugkeer tot "een oude theologie met een geijkte terminologie plus bijbehorende schema's." "Dat zou betekenen de klok terugzetten het oude canoniseren zonder enige voor God verantwoorde aanwijzing." In zekere zin ligt er inderdaad een gevaar als we het geestelijke leven dermate schematiseren dat alle veelkleurigheid ervan verloren wordt. "Gods werk is geen legkaartpuzzel", aldus ds. Van Minnen. Maar het gevaar aan de andere kant is, dat men na verloop van tijd geheel voorbij gaat aan het feit, dat al het ware geestelijke leven uit God voortkomt en vanaf het prilste begin tot de verst gevorderde oefening in de genade (het subjectieve) een objectieve grond heeft in Gods woord. Tijdens de jaren dertig voelden de verschillen nog aan als 'nuanceverschillen'. Van Minnen noemde het echter "verschuivingen"  "die uiteindelijk toch een heel dorp met kerk en al kunnen vernietigen."(28)

Van een uiterst linkse beweging met progressieve theologische denkbeelden (dr. B. Loonstra) is in de jaren vijftig geen sprake, hoewel de eerste voortekenen daarvan begonnen bij dr. B.J. Oosterhoff (1915-1996). Deze theoloog die in 1953 L.H. van der Meiden (  ) opvolgde als docent aan de Theologische School begon met het plaatsen van hier en daar wat vraagtekens. (  )

Exegese

Mag men dan helemaal geen vragen meer stellen? Is exegetiseren door hedendaagse theologen dan niet meer nodig? Geen enkele theoloog zal dit willen ontkennen. Exegese blijft zeker wel nodig. Ds. Van Minnen zei hierover: "Er zijn voorbeelden te noemen hoe zelfs Schriftverklaarders als Calvijn en anderen faalden in hun exegese."

Wij moeten niet Bijbelcommentaren raadplegen en dit klakkeloos overnemen, maar nauwlettend onderzoeken of het ook naar de geest van Gods Woord is.

De studie in Apeldoorn viel midden in de jaren dertig. Geen makkelijke jaren om te studeren, want het was de tijd van de wereldwijde economische crisis. Financieel ging hij er niet bepaald op vooruit. Hij moest fors op zijn eigen vermogen interen. Materialisme was Van Minnen echter geheel vreemd. Zo ontving de kerkenraad van Delft, - een andere aardige anekdote -, een brief van een zekere heer die woningruimte tekort kwam. Het bleek dat de dominee had ingestemd met een woningruil. De dominee in de kleinere woning en het gezin met tekort aan woningruimte in de pastorie. De kerkenraad ging er echter niet mee akkoord...

Na zeven jaar studeren, werd student Van Minnen in 1937 beroepbaar gesteld. Het beroep van de kleine Christelijke Gereformeerde Kerk van Huizen mocht hij aannemen. Met deze gemeente waren banden gevallen. Op dinsdag 19 oktober 1937 vond de bevestiging van kandidaat Van Minnen plaats, door ds. C. Smits met een preek uit Jesaja 52: 7 "Hoe lieflijk zijn op de bergen de voeten desgenen die het goede boodschapt, die de vrede doet horen; desgenen die de goede boodschap brengt van het goede, die heil doet horen; desgenen die tot Sion zegt: Uw God is Koning." De volgende dag deed ds. Van Minnen zijn intrede in Huizen en preekte over Handelingen 9: 6b "Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?" Volgens het verslag van de intrede dienst werkte ds. Van Minnen zijn preek" in een eenvoudige maar schone rede uit."(29)


Ds. C. Smits
Ds. C. Smits
Ds. J.G. van Minnen
Ds. J.G. van Minnen

Bezettingsjaren en de bevrijding in 1945

wordt vervolgd


Een brief aan N.N.

N.N. is een afkorting van nomen nescio, dat is een ongenoemde. Zulk een N.N. zie ik in gedachten voor mij in een bosrijke omgeving, waar de schoonheid van Gods schepping straalt. Waar de stilte weldadig aandoet. Waar herten bij avondschemering uit het bos te voorschijn komen, afplekkend tegen het wegtrekkend licht van de zakkende zon. Maar ook waar het licht van Gods genade straalt, koestert en stille maakt, als het hart schreit door en tot de God des levens. Als dat hart roept en vraagt in spanning en vreze: Heere waarom en waar heen dan!? Als het leven soms hangt als aan een zijden draad. Als spanning van lichaam en ziel dieptepunten veroorzaken; maar óók hoogtepunten. Dieptepunten door Gods ontdekkend licht om te komen tot Gods vertroostend licht. Als uw ziel schreiend tot God mag zeggen: O Heere ontferm u mijner. Ik kan mijzelf niet dragen; noch mij brengen voor Uw aangezicht. Ik heb ook geen rechten mijnerzijds. Als 't dan wordt een stamelen, een pleiten alleen op de Heere in het: "Mijn hart roept uit tot God die leeft"...en u durft haast niet te vervolgen: "En aan mijn ziel het leven geeft". En toch, wie zó roept, schreit, zucht - dat is leven. Maar u durft het er niet voor te houden. "Houdt moed" zegt God voor zulken in Zijn Woord, "Uw hart zal vrolijk leven". Juist voor die leren beleven: Bezwijkt dan ooit, in bitt're smart, of bange nood mijn vlees en hart; zo zult Gij zijn voor mijn gemoed: mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed. Ja, als het hart bezwijkt geestelijk en eens lichamelijk. Geestelijk door Gods ontdekkend onderwijs; lichamelijk op Gods tijd. Dan steeds weer te leren en te belijden: óók dit lichamelijk leven is in Uw hand, Heere!Onder dat ontdekkend licht voor het hart kan het soms zo hopeloos zijn, voor een wijle; moedeloos, reddeloos en radeloos. 't Zou ook nog redeloos tegen God in kunnen gaan. Denk aan Job. Hoe wordt u, worden wij dan als een hulpeloos kind. En tòch in die weg wordt 't: Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.


Ds. J.G.v.M.


1945-1947. Geef ons profeten

Tot 1945 was ds. Van Minnen onlosmakelijk aan Huizen verbonden. Zijn liefde voor Huizen deed hem voor menig beroep bedanken. Het gemeentelijke leven in Huizen moest zich nog ontwikkelen, want de gemeente bestond nog niet zo lang. Ook voor het beroep uit Delft, direct na de Tweede Wereldoorlog, bedankte ds. Van Minnen in eerste instantie. Kort daarop stelde hij de kerkenraad alsnog in de gelegenheid, een tweede beroep op hem uit te brengen. Op 20 december 1945 deed ds. Van Minnen zijn intrede in Delft. Hij was een andere persoonlijkheid dan zijn voorganger ds. J. A. Riekel (  ) , maar kreeg niet minder een gewaardeerde plaats in Delft.

Als predikant van Delft behandelde ds. Van Minnen op de Schooldag van 1947 het thema: "Wat is een profeet?" "Een profeet is de mens, die als arm zondaar voor God buigt en het lied der verlossing zingt, dat Christus de Verlosser in 't middelpunt zet." "'t Profetisch lied der dankbaarheid, dat niet vastgelopen is in 't stereotiepe: Vader in den hemel wij danken u, maar dat zich nog menigmaal openbaart in de gestalte van 't "O , God, wees mij de zondaar genadig!" ""Aan geen profeten, die je ziel doen bevriezen door een koud intellectualisme; door een eenzijdige Christus-prediking; die Christus boven zijn gemeente zweven laten, los van zijn gemeente. Wat is Christus zonder zijn gemeente en zijn gemeente zonder haar Christus? De Heere beware ook zijn Kerk voor een andere karikatuur verschijning; even gevaarlijk, misleidend, verderfelijk als de eerst genoemde categorie. (...) We huiveren voor de profeet, die een warme, zwoele, geladen atmosfeer schept, vol spannende emotie, sensatie". "Die de dierbaarheid en algenoegzaamheid van Christus bedekt laat voor een ongelukkige door Gods Geest ontdekte zondaar." Profeet zijn dat is een Goddelijke boodschap hebben voor de gehele gemeente. Geen gemeente is te klein om een profeet te ontvangen. (...) Zijn we er biddend werkzaam mee vanwege den nood onzer ziele? Is 't ons daarin om God te doen, gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen?(30)

Meditaties radiouitzending NCRV

wordt vervolgd


Gelijk eens arends jeugd

Jonge mensen zonder God in de wereld, je lacht nog!? Is je lach een echte gulle lach, uit de levensvolheid en levenskracht van de Levensvorst in je ziel uitgestort? Zit er soms geen bittere ironie achter? Is het geen camouflage om de ledigheid en troosteloosheid van je ziel te verbergen? Om je uitzichtloosheid voor dit leven en het toekomende leven te verbergen? De vrees voor de dood en de huiver voor de ouderdom knagen aan je leven. Zoekt "het" leven, het onverwoestbare leven, het krachtige nooit eindigende leven bij de God des levens, Wiens waarachtig Woord zo heerlijk getuigt: Uw jeugd vernieuwt gelijk eens arends jeugd.


Op de rots van Zijn raad

Lezer! Wie u ook bent: oud of jong; ziek of in blakende gezondheid; arm of rijk; met eer gekroond ofveracht; bekend bij velen of vereenzaamd en vergeten: Dat geloof, dat zaligmakend geloof in de Raad Gods kunt u niet missen, zal uw ziel rusten te midden van de levensraadselen van het lijden. Dit hebt u immer nodig. Nu meer dan ooit. Asaf heeft het niet meer nodig, wijl hij boven de starren is, waar het volop zal lichten, waar veel wordt ontraadseld en veelwordt onthuld. Asaf zal nooit meer "bijna uitglijden". Asaf is de strijd, de worsteling, de moeheid, de moedeloosheid voor goed te boven. Asaf is thuis en staat zich zelf nooit meer in de weg. Maar u hebt dit geloof nog zo zeer van node; u kunt er niet van buiten, zult u waarlijk rust hebben. Zo u die God, die het al regeert en bestuurt niet kent als uw God...waar is dan uw rust?! Nergens!



Afscheidslied

Ter gelegenheid van het afscheid der
Chr. Geref. verenigingen te Delft van
Ds. en mevrouw van Minnen
op maandag 13 september 1948

door Geert van Harten.


Heere leer ons op Uw wegen
zonder vragen voort te gaan.
Leer ons danken voor Uw zegen,
leer ons, 't oog op U te slaan.
Volgt er thans een moeilijk scheiden,
Roept Gij onze leraar heen.
Gij blijft aller leven leiden
En behoeden onze schreên.
Bij uw heengaan, trouwe herder,
ligt in ons een stil verdriet.
Nu gaat daar uw werk weer verder
Wat g' eertijds om ons verliet.
O, gij leefde met ons mede
en vermaande ons met klem
of bewoog ons met de bede:
"Vlucht met al je nood tot Hem!"

Altijd sprak ge zonder vrezen
Maar verschoonde nooit iets kwaads
En zelf woudt ge schuldig wezen
Stellend u in onze plaats.
Uw liefde is steeds gebleken
in uw troost voor elk verdriet.
Hoe rechtvaardig was Uw spreken,
Vriend of vijand deerde niet.

Mensen konden u niet deren,
noch des vijands bozen macht
Strijdend voor de zaak des Heeren
Hebt ge slechts Zijn Woord gebracht.
Zegene God uw edel streven
Dat uw heengaan zij in vreê
En, wat ooit u zal begeven
voer Gods eeuwigen zegen mee

Heere, leer ons, op Uw wegen
zonder vragen voort te gaan.
Leer ons danken voor uw zegen,
ook al scheiden onze paân.
Ja, wij mogen God nog loven,
Die ons milden zegen bracht.
Hem, Die eeuwig woont daar Boven
Zij al d' ere toegebracht.



1948  Koop de waarheid en verkoop ze niet

In juli 1948 kwam er een einde aan de bediening van ds. Van Minnen in Delft. De dominee had een beroep aangenomen van zijn oude gemeente Huizen. Op 13 en 14 september 1948 nam hij afscheid van Delft. Op woensdag 22 september 1948 werd ds. Van Minnen opnieuw bevestigd in Huizen, ditmaal door ds. M. Baan naar aanleiding van de tekst: "Koop de waarheid, en verkoop ze niet" (Spreuken 23: 23a). Ds. Van Minnen nam zijn intrede tekst uit Nehemia 2: 20a "Toen gaf ik hun tot antwoord en zeide tot hen: God van de hemel, Die zal het ons doen gelukken." De nu volgende geschiedenis staat in het kader van de veranderingen in de tweede helft van de twintigste eeuw. Ons land kreeg te maken met een vloedgolf van allerlei nieuwe verworvenheden op het gebied van verkeer, infrastructuur, industrialisatie en een snel groeiende welvaart. Ook de moderne media in de vorm van radio en televisie, deed haar invloed gelden. Het Schriftgezag, de rol van de vrouw in kerk en politiek, liturgie, Bijbelvertaling en de gereformeerde levensstijl kwamen op losse schroeven te staan. Op de achtergrond tekende zich binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk een richtingenstrijd af die in de jaren vijftig pas goed zijn aanvang nam. In 1948 stond ds. C. Smits op het punt van uittreding maar werd hiervan op het allerlaatste moment weerhouden. Vanaf 1950 werden door de predikanten J.G. van Minnen, M. Baan, C. Smits, H. van Leeuwen en N. de Jong gezamenlijke gesprekken gevoerd over de ontwikkelingen binnen de kerken. Als we letten op de  grootste bezwaren t.a.v. de ontwikkelingen in de Christelijke Gereformeerde Kerken  nam de prediking daarbij de belangrijkste plaats in. Door de classis Dordrecht werd deze nood aldus verwoord:

Dat ten aanzien van de prediking bij een voorwerpelijke behandeling van de stof de inhoudelijke inslag teveel werd gemist. Waarschuwingen voor dood en eeuwigheid, het wijzen op de noodzakelijkheid van wedergeboorte, inlijving in Christus door het geloof, het bevindelijke leven van Gods kinderen worden weinig meer gehoord. In plaats daarvan treft men aan gezwollen moderne taal, waarin de warmte van de Heilige Geest niet gevoeld wordt.

Ds. van Minnen voegde daar aan toe: "We hebben te waarschuwen tegen een verbondsbeschouwing met daaraan verbonden doop en avondmaalpraktijk; Dat is een verbondsleer waarvoor we huiveren. Waar het bondeling zijn indentisch beschouwd wordt met het kind van God zijn in onderwerpelijke zin, waar bij de doop het geheiligd zijn in Christus opgevat wordt als een subjectieve heiligheid. Een overschatting van het verbond dus. Zulk een leer mogen we niet accepteren en als een onschriftuurlijke leer verwerpen."

In 1941 had de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerk de deuren van toenadering tot de Gereformeerde kerken vergrendeld vanwege 'onschriftuurlijke leer' en het gemis aan een  Schriftuurlijk-bevindelijke prediking. In 1944 waren daar de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt bijgekomen en de synode zag daarin een opening om de eerder genomen besluiten te omzeilen. 

1950. Gesprekken met bezwaarde predikanten

Ds. M. Baan

wordt vervolgd

Bloeiende Chr. Geref. Kerk Huizen, ds. van Minnen waarschuwt tegen valse eenheid  

Inmiddels heeft ds. Van Minnen als predikant van een bloeiende gemeente in Huizen zich openlijk uitgesproken over verschillende zaken die hem benauwen.

wordt vervolgd 

1950-1952 Problemen met de classis Amsterdam

Toen volgde in de zomer van 1952 naar aanleiding van een - op het eerste gezicht - wat ongelukkig uit de hand gelopen kwestie het uittreden van ds. Van Minnen. Tijdens zijn tweede verblijf in Huizen stuurden enkele gemeenteleden een protestbrief naar de classis Amsterdam over het optreden van ds. Van Minnen en diens kerkenraad met betrekking tot enkele deelneemsters aan het Heilig Avondmaal, waarna deze zaak in behandeling werd genomen. Kort samengevat komt het hier op neer, dat ds. Van Minnen van mening was dat wat in 1 Korinthe 11 staat niet tijdgebonden is. Zo wel, dan mag de vrouw ook ambtelijk spreken. Het gaat hem niet over de beuzelachtige vraag hoe lang of hoe kort moet het haar van de vrouw zijn, ook niet om een modegril die aan wisselvalligheid onderhevig is, maar om het beginsel van de scheppingsorde en de gezindheid des harten. ( ) Hij ziet het als een uiting van de emancipatiegeest en daarmee als een openbare zonde. Eerder hadden ook ds. L.H. van der Meiden, de classis Haarlem en ds. J.A. Riekel en ds. H. Velema in 1937 woorden van gelijke strekking geschreven. ( )

Grens kerk en wereld

'De kerk heeft wel haar taak en plaats in het midden van de wereld, maar zij heeft zich, met haar leden, te bewaren van de besmetting van de wereld en te waken voor wereldgelijkvormigheid. Profeten en psalmisten, Christus en Zijn apostelen, ja de gehele Heilige Schrift roept ons met klem toe, dat de grens tussen kerk en wereld niet mag uitgewist worden. Wat de wereld als geoorloofd beschouwt, moet in zeer veel gevallen door de kerk vermeden worden.' En verder: 'Dat de kerk des Heeren, aan wie de woorden Gods zijn toevertrouwd, de ernstige roeping heeft om in de prediking, op catechisatie en op huisbezoek hiertegen te vermanen en te getuigen, om de kerk van wereldgelijkvormigheid te zuiveren.'

Akta Generale synode Chr. Geref. Kerk, 1937

Op zondag 27 juli 1952 maakte ds. Van Minnen zijn gemeente bekend dat hij zich los maakte van de Christelijke Gereformeerde Kerken. Ds. Van Minnen benadrukte dat de kwestie van de verschijningsvorm van de vrouw aangepast aan de emancipatiedrang van deze tijd niet het hoofdthema van de uittreding vormden, maar dat deze dingen moeten worden gezien als een gevolg van ombuiging van de leer. Op afbuiging van de leer volgt afbuiging in levensethiek. Op de bondsdag van de mannenverenigingen in 1952 meende ds. C. Van der Zaal (1893-1976) de zaak af te kunnen doen alsof dit een kwestie betrof van "één centimeter haar."(31) In het herdenkingsboekje van de Christelijke Gereformeerde kerk van Huizen vinden we de omschrijving: Deze [tweede] periode [van ds. Van Minnen in Huizen] was overigens minder gelukkig dan de eerste. Betreurenswaardige verschillen van opvatting leiden ertoe dat ds. Van Minnen in 1952 met het kerkverband brak en met een deel der gemeente de zogenaamde Christelijke Gereformeerde Gemeente van Huizen vormde. Gelukkig ging een (krappe) meerderheid van de kerkenraad niet mee, anders had hij over het kerkgebouw en de pastorie kunnen beschikken." Prof. J.J. van der Schuit, die ds. van Minnen overigens wel een bijzonder warm hart toedroeg ("aan wien ik zoveel dankbare herinneringen bewaar") zei in een reactie, 'dat er een dreiging is van wereldgelijkvormigheid, die onze jeugd niet voorbijgaat.' Maar hij wilde benadrukt hebben 'dat deze dingen (...) toch niet mogen gerekend worden als een reden, wettige reden, om het verband met de Kerk te verbreken.' 'Gans anders echter is het, wanneer het zaken betreft als prediking en Heilig Avondmaal, door U genoemd.'(33)

In zijn 'verantwoording' noemde ds. Van Minnen dieper liggende oorzaken die hem en de andere genoemde predikanten reeds enige tijd van het kerkverband doen vervreemden: "een verstarde verbondsprediking, verbondsobjectivering en een voorwerpelijke Christusprediking."(33) De voorgenomen samensprekingen met de Gereformeerde Kerken synodaal en naar artikel 31 (vrijgemaakt), kerkverbanden waar men over het algemeen afkerig is van de Schriftuurlijk-bevindelijke prediking, zag hij als tekenen aan de wand.

Prediking

"Wij zijn tegen verbondsoverschatting en -onderschatting, maar staan een zuivere verbondsprediking voor naar Schrift en belijdenis. Wee ons, als we daarbij vergeten de nadruk te leggen, op de verbondsbeleving in de weg van wedergeboorte en dagelijkse bekering. Dan dreigt het gevaar van een bevriezing en verstarren onder een orthodoxe verbondsprediking.


Je hoort steeds: "Christusprediking en voor al geen christenprediking." Maar wat is Christus zonder Zijn christenen? Een Hoofd zonder lichaam. En wat zijn christenen zonder Christus? Een lichaam zonder Hoofd. Als men Schriftuurlijk-bevindelijk predikt dat Christus in al Zijn noodzakelijkheid, algenoegzaamheid en dierbaarheid moet worden uitgestald, dan moet daaraan, mijn inziens, ook onlosmakelijk verbonden zijn het antwoord op de vraag: hoe Christus, door de Heilige Geest en het Woord, in het hart van de zondaar functioneert.


Als dit laatste gemist wordt in de prediking, is er een groot mankement."

"Het eerst genoemde moogt ge niet vergeten. Maar vergeet niet dat in de zogenaamde bevindelijk getinte gemeente 't vlees van velen gestreeld wordt, wanneer de zonde van één kant gezien wordt: die van het oppervlakkige christendom met z'n vrolijke gezangen en ingebeelde hemel. Vergeet niet dat er zovelen zijn (neen we vergissen ons niet); de praktijk leert 't helaas zo overduidelijk) die leven van zulk een zonde-aanzeggende prediking; die verkneuteren zich eronder, die genieten ervan. Een deel van de kudde geniet, omdat gij hen met rust laat, omdat ge niet regelrecht een woord ook tot hen te zeggen hebt: Gij genieters van de dood, gijzelven zijt dood in zonden en misdaden; gij zijt die man! Want dit is enkel vlees, als we daarin opgaan; dat de zonde maar gepredikt wordt van het z.g.n. oppervlakkige-jolige-Christendom met heel de aankleve ervan. Dat is bijzonder 't gevaar in de meer bevindelijk getinte gemeenten en streken in ons vaderland. Zult u voor dit gevaar waarschuwen? Als ook zulken ten dode wankelen? Die slechts een orthodox kleed aanhebben, maar wier hart niet veranderd is door de wederbarende Heilige Geest en het Woord Gods?"

Eenheid

Enthousiast over de kerkelijke eenheidsbeweging kan ik helemaal niet zijn. Zeker ik erken het ideale van het allen één zijn, maar te gemakkelijk wordt vergeten, dat dit één zijn uit het Johannes Evangelie allereerst ziet op de apostelen: dat zij allen één zijn in de prediking van Jezus Christus en Dien gekruisigd.

Vormen

In zijn 'verantwoording' noemde ds. Van Minnen ook zaken die hem persoonlijk niet het zwaarste wogen, maar toch naar voren wil brengen: het zoeken naar nieuwe vormen voor ons kerkelijk leven in liturgie, psalmberijming, ritmisch zingen, en belijdenisvragen. Veel zaken lijken op het eerste gezicht onschuldig, maar we moeten vragen: welke geest zich erachter? In de psalmen klaagt en jubelt de dichter als type van Christus van liefde en lijden.

Grondtonen

Bij veel gezangen wordt vaak gemist: de grondtoon van nood - ellende - schuld - smart - angst - terwijl in de psalmen, soms in één psalm, het geestelijk leven, zoals God dat werkt door Zijn Woord en Heilige Geest zo helder naar voren komt, namelijk de ellende, verlossing en dankbaarheid. In de bijeenkomsten van de gemeenten zal men gebruik blijven maken van de gewone berijming van de 150 psalmen Davids en liederen, die men in de Bijbel vindt, nalatende en werende uit de openbare vergaderingen van de gemeente de menselijke gezangen, welke niet in de Bijbel gevonden worden, opdat het werk van mensen niet worde gelijkgesteld met het werk van mannen, die gesproken hebben, gedreven door de Heilige Geest, [Acta Chr. Geref. Kerk 1836, artikel 67, artikel 69 DKO] Voor- en tegenstanders van het vrije lied erkennen, dat er geen bewijs is, dat het vrije lied in de eerste christelijke gemeente is ingevoerd. Teksten als 1 Korinthe 14: 26; Efeze 5: 19 en Kol. 3: 16 leveren geen bewijs van het vrije lied. De historie bewijst, dat de roep om het vrije lied uitging van hen, die ketterse gevoelens aanhingen. Daarom keerde de kerk zich er ook tegen. (Laodicea 360 en Braga 563). Calvijn ijverde voor de Psalmen en wel op principiële gronden. De Gereformeerde Kerken in verschillende landen volgden Calvijns voetspoor. Later werden er gezangen ingevoerd. Maar die invoering was mee een gevolg van de verslappende geest van het Calvinisme (zie o.a. Prof. J. Severijn over de Gezangen). Deze schrijver schreef zo kernachtig:

De voorkeur voor de psalmen, die het calvinisme eigen is, wortelt in het geestelijke leven, dat zich verwant weet aan datgene, waaruit de Psalmen zijn geboren. Het is de levens-relatie, die het Calvinisme aan de Psalmen bindt. Hetzelfde leven, dat het in eigen boezem ervaart, ruist door de psalmen heen en stelt tot richtsnoer, waaraan het geloofsleven zich toetst, sterkt, vertroost, en één weet met dat der heiligen Gods.

 "De drang naar gezangen, ging uit van hen, die van een andere geest waren".

Ds. J.G. van Minnen

Hoewel geen voorstander van gezangen in de erediensten deden we ds. Van Minnen ernstig tekort als we een beeld zouden schetsen van een predikant die bij voorbaat tegen ieder gezang of lied buiten de psalmen was. Dit zou ook moeilijk vol te houden zijn als we zien hoe hij  regelmatig gezangen en liederen citeerde in zijn preken en meditaties. Als dichterlijk man was hij juist een groot liefhebber van allerlei zang en gezangen. Eén van zijn lievelingsliederen was Gezang 427 'Beveel gerust uw wegen', maar ook citeerde hij liederen als: 'Houd Gij mijn handen beide met kracht omvat', 'Alle roem is uitgesloten' en 'Wandel maar stillekens achter Hem aan'. 

Beveel gerust uw wegen

Beveel gerust uw wegen,
Al wat u 't harte deert,
der trouwe hoed' en zegen
van Hem, die 't al regeert.
Die wolken, lucht en winden
wijst spoor en loop en baan,
zal ook wel wegen vinden
waarlangs uw voet kan gaan.

Houd Gij mijn handen beide met kracht omvat


Houd Gij mijn handen beide
met kracht omvat,
geef mij uw vast geleide
op 't smalle pad.
Alleen kan ik niet verder,
geen enk'le schree,
neem trouwe zieleherder,
mij met U mee.

Alle roem is uitgesloten

Alle roem is uitgesloten,
onverdiende zaligheen
heb ik van mijn God genoten,
'k roem in vrije gunst alleen!
Ja, eer ik nog was geboren,
eer Gods hand, die alles schiep,
iets uit niets tot aanzijn riep,
heeft zijn liefde mij verkoren:
God is liefd', o eng'lenstem,
mensentong, verheerlijkt Hem!


Wandel maar stillekens achter Hem aan

Wandel maar stillekens achter Hem aan,
achter de Heiland, Hij wijst u de wegen.
Zijn die niet altijd zo lief'lijk gelegen
als gij zoudt wensen: wil ze toch gaan:
Hij gaat vooraan, Hij gaat vooraan.

Wandel maar stillekens achter Hem aan.
Hij kent uw krachten, Hij richt uwe schreden.
Moeilijk wel dikwijls voor wie ze betreden,
toch nooit te moeilijk is er de baan:
Hij gaat vooraan, Hij gaat vooraan.

Wandel maar stillekens achter Hem aan.
Is het ook duistere nacht om u henen,
Hij is van hemelse glorie omschenen;
veilig is 't steeds met Jezus te gaan.
Hij gaat vooraan, Hij gaat vooraan.

Wandel maar stillekens achter Hem aan.
Volg maar gewillig, volg Hem onverdroten:
weldra ziet gij u de hemel ontsloten,
die gij al juub'lend binnen zult gaan.
Hij gaat vooraan, Hij gaat vooraan.


Het gaat er dan ook niet om, te beweren dat er geen schone zielsontroerende, naar Gods Woord door de Heilige Geest bezielde liederen zijn. Zowel in vroeger eeuwen als tegenwoordig zijn er zulke. Welke geest bezield ons met de vraag naar gezangen? In de kern gaat het hierom: We houden tenslotte alleen nog over wat van de mens is na zijn val - als God zelf willen wezen en zelf uitmaken wat goed en kwaad is. Men gebruikt wel als argument, dat de Psalmen onderdeel zijn van het Oude Testament, waarin de heilsopenbaring nog duister is en men zo verhinderd wordt de Naam van de Heere Jezus Christus in het lied te noemen. Maar in artikel 9 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis staat niet: "Nog duister", maar "Wat duister is". Dat is een aangrijpend verschil. Nog duister, dat is geen licht. Wat duister, daar is licht; klaarder nog in het Nieuwe Testament. Zo is het ook in het nieuwe Testament, ten opzichte van de tweede komst van Christus Wat de hoofdlijnen betreft zo helder als glas, maar niet tot in de details van Christus wederkomst. Maar wie heeft dan het recht te spreken van "nog duister?"

1953. Synode stemt in met bezwaren (kanselboodschap)

Van der Schuit riep op om via de kerkelijke weg op de aanstaande synode: "misverstanden weg te nemen, om moeilijkheden op te heffen, om zoo veel mogelijk tegen den geest dezer eeuw het klaar getuigenis te geven van den rechten weg des Heeren, waarop gij en wij te wandelen hebben." "Bedroef dan dien Geest Gods niet, door welken ook gij geroepen zijt tot het ambt van Dienaar des Woords. Bedroef de kerk des Heeren niet, die U tot Dienaar des Woords gesteld heeft, door welke Kerk Gij van Gods wege de bevestiging van Uw roeping hebt ontvangen. Bedroef den broederkring niet, die U nog wacht. wij hopen - wij wachten - wij bidden. Uw Heil wensende Broeder in Christus."(35) Uit dit schrijven bleek overduidelijk, ondanks de snijdende kritiek, ook grote waardering voor ds. Van Minnen als persoon en als predikant.

In september 1953 werd de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken gehouden in Apeldoorn. Op tafel lag een indringend rapport uit de classis Dordrecht. In de eerste plaats wijzen de rapporteurs ds. M. Baan en ds. H.C. van der Ent (  )  erop dat de situatie in de Christelijke Gereformeerde Kerken zo ernstig is 'dat dringende maatregelen noodzakelijk zijn'. De diagnose luidde: 'Bij de Christelijke Gereformeerde Kerken valt een bedenkelijke afglijding waar te nemen van de oude lijn der Afscheiding'. De classis Dordrecht doet het voorstel om een openlijk getuigenis te doen uitgaan door de aanstaande Synode. Ook riepen zij op,  om als kerkverband de samensprekingen met de Gereformeerde Kerken te verbreken en de drang naar verdere liturgische vernieuwing te staken.(37)

Wonderwel bleek de synode van 1953 bereid mede door de steun van Prof. G. Wisse dit krachtig gezamenlijk getuigenis te doen uitgaan. Prof. G. Wisse was dan ook verheugd over de uitkomst van de synode. 'Men heeft de bezwaren niet willen ontkennen maar in feite onderstreept door het eenparig aanvaarden en goedkeuren van de kanselboodschap die wijst op de inzinking en vervlakking in het kerkelijke leven'. In verzuchting liet Wisse erop volgen dat hij tijdens de synode weleens heeft gedacht: "Och, dat onze broeders Van Minnen en Van Voorthuijzen dit nu ook maar eens bijwoonden."(38) Ook deze woorden zijn niet afstotend bedoeld, maar spreken verbondenheid uit.

Een blik op de kanselboodschap van 1953 en 20 jaar daarna

Een wezenselement van onze kerken is altijd geweest, de Schriftuurlijk-bevindelijke prediking. Die prediking trok aan, vandaar dat in het verleden zich zovelen bij de kerken hebben aangesloten. Die prediking deed, door Gods genade, zijn kracht in harten van mensen. Wanneer heden zulk een prediking ontbreekt, dan breekt men met het verleden. Nu kan opgemerkt worden, maar er zovele zaken, die heden onze aandacht moeten hebben, waarvan men in het verleden niet wist. Of dit geheel waar is, geloof ik niet. Er is uiteindelijk niets nieuws onder de zon. In Gods Woord en de historie der kerk kunnen we vinden, wat we heden in de kerken, in kerkelijk Nederland horen. Het huidige tijdsbeeld en de ontwikkeling in Nederland, ook op kerkelijk gebied, zou ons des te meer moeten nopen om met Gods hulp, krachtiger te prediken. 

Schriftuurlijk-bevindelijk. Die prediking is niet ouderwets. Die prediking is de oude prediking. Een prediking naar Gods Woord. Een prediking, die ook doorklonk in de prediking van de reformatoren. Een prediking, die we vernemen uit de preken van de mannen der nadere reformatie. Een prediking, die zijn kracht heeft gedaan in de dagen van de afscheiding.

Wil onze kerk, willen onze kerken nog toekomst hebben, zal die prediking verkondigd moeten worden. Waar de bevindelijke kennis van Gods Woord niet gepredikt wordt, vervreemdt de gemeente van het Evangelie." Wanneer alle predikanten honoreerden in hun prediking, wat het Getuigenis aangeeft, dan zou er eenheid zijn. Die eenheid zou ons kerkelijke leven ten goede komen en er zou van onze kerken veel uitgaan in kerkelijk Nederland.

Ds. M.C. Tanis, Bewaar het Pand 1973

Na het verschijnen  van de Kanselboodschap behandelde Prof. G. Wisse het getuigenis door zijn bijdragen in 'De Wekker'. Wisse zegt dat hij zich verbonden voelt met het voor 'ouderwets' versleten soort "hetwelk nog kan spreken uit de bevinding, niet enkel dat er een hel en hemel is, of ook wel dat er een volkomen Zaligmaker is voor een verloren zondaar; maar dat er ook van weet te "getuigen, hoe die twee, als genade verheerlijkt wordt, bij elkander komen en met elkaar omgaan. Kortom ge begrijpt mij wel hoop ik; zo niets van die nieuwe koers, waarbij je uit de koers raakt, (..) men van het bevindelijke leven vijandig is, (..) nieuwerwetse vroomheid die zich zo vitaal en zo kerngezond acht. Vaak een verkapt Barthiaanse richting met groot-doenerij, maar waarbij alle diep geestelijk inzicht gemist wordt.  Meest allemaal hoogstaande juich-mensen, maar zonder kennis van Ps. 130, of van Ps. 6. etc. Het is gevaarlijker nog dan puur modernisme of atheïsme, want men meent dan nog "Schriftuurlijk" te zijn op de koop toe."(39)

De Kanselboodschap en de bijdragen van Prof. G. Wisse in 'De Wekker' wist andere verontrusten lange tijd ervan te weerhouden om ook heen te gaan. In 1959 overleed Wisse. Al spoedig bleek dat de onrust nog niet was weggenomen. De vraag bleef hoe breed werd de Kanselboodschap van 1953 in werkelijkheid gedragen? De ontwikkelingen die zorgen baarden gingen in ieder geval door. Opnieuw traden er leden, predikanten of zelfs hele gemeenten uit de Christelijke Gereformeerde Kerken. Zij vormden zelfstandige gemeenten en voegden zich bij ds. Van Minnen, of men sloot zich aan bij andere kerkverbanden, met name de Gereformeerde Gemeenten.(40)

Ds. N. de Jong
Ds. N. de Jong

1960. Ds. C. Smits, ds. N. de Jong en ds. F. Bakker

Rond 1960 bleek dat er predikanten waren  (ds. C. Smits, ds. N. De Jong, en ds. F. Bakker) die het overwogen om ds. Van Minnen te volgen. Ds. Smits preekte toen al op vele plaatsen buiten het kerkverband en was bereid om gemeenten te stichten. Ds. Smits bracht daarvoor in het voorjaar van 1960 een bezoek aan ds. Van Minnen in Delft en sprak met hem op intensieve wijze over de kerkelijke toestand. De nood werd gevoeld. Ds. Smits had onvrede met de situatie in de Christelijke Gereformeerde Kerken. Ds. Smits stelde voor om ds. N. de Jong in het gesprek te betrekken. De waardering voor ds. De Jong was onder degenen die nog in de Christelijke Gereformeerde Kerken aan de waarheid wilden vasthouden erg groot. Bij een eventuele uittreding zal ds. De Jong dus zeker betrokken moeten zijn, aldus ds. Smits. Naar aanleiding van het bezoek van ds. Smits besloot ds. Van Minnen zijn jeugdvriend uit Vlaardingen, ds. N. de Jong op te zoeken. Deze ontmoeting vond plaats in juni 1960. De ontmoeting met ds. De Jong was bijzonder hartelijk. Ds. De Jong bleek het op vele punten met ds. Van Minnen en ds. Smits eens te zijn. Een breuk met de Christelijke Gereformeerde Kerken zou uiteindelijk onvermijdelijk zijn. Heel concreet werden tijdens deze gesprekken voorbereidingen getroffen. Ds. Van Minnen beantwoorde vervolgens  de vragen met betrekking tot zijn optreden bij de herbevestiging van ds. Salomons, en dan lijkt er niets meer in de weg te staan. Inmiddels had ook de kerkenraad van Urk laten weten op het punt van uittreding te staan. De kerkenraad van Urk wachtte op een reactie van deze bewuste predikanten, om een eventuele stap gezamenlijk te kunnen doen. Mochten de predikanten alsnog niet tot uittreding overgaan, dan zou de gemeente Urk op eigen initiatief de stap doen. Daarna werd er zelfs gesproken over de uitgave van een eigen kerkelijk blad en een predikanten opleiding. Aan het einde van het gesprek stelde ds. De Jong aan ds. Van Minnen voor, of deze op de aanstaande vergadering van bezwaarde christelijk-gereformeerde predikanten aanwezig zou willen zijn. Ds. Van Minnen stemde hier in toe, onder voorwaarde dat er niet langer gesproken zou worden over de ontreddering in de Christelijke Gereformeerde Kerken, maar er nu concrete stappen ondernomen zouden worden. Na de ontmoetingen met ds. Smits en ds. De Jong vond er nog een persoonlijk gesprek plaats met ds. F. Bakker in Driebergen. Ds. Bakker en ds. Van Minnen hadden met elkaar een diepe geestelijke band. Bovendien was ds. Bakker een uitgesproken 'drie-verbonder' die liever christelijk-gereformeerd bleef dan ooit naar de Gereformeerde Gemeenten over te zullen gaan. Ds. Bakker kon zich geheel in het besprokene vinden en drong er bij ds. Van Minnen op aan om aanwezig te zijn op die bewuste vergadering van bezwaarde predikanten.(41)



Aan de kerkenraad van de Christelijke Gereformeerde Kerk Urk

Eerwaarde broeders,

Zoals we afgesproken hadden om contact op te vatten met enkele broeders predikanten der Christelijke Gereformeerde Kerk, zo hebben we het ook gedaan. Dus de zaak is lopende. Ge weet, dat er bij bedoelde broeders nog al wat aarzelen is; reeds ongeveer een jaar of twaalf. We hebben hun medegedeeld, dat Urk nu eens spoedig tot zaken wenst te komen. Tevens de grens gezet, dat we uiterst september dit jaar definitief een datum van vergaderen gesteld willen zien. Zodra we iets weten zullen we dit onmiddellijk melden. Geliefde broeders, mocht het ons vooral om de Heere te doen zijn. Dat hij ons op de knieën brenge en vinden voor deze zaak. Niet om getal, niet om grootheid, geen berekening, geen aanzien hebben bij de verwereldlijkte kerk. Maar gunst bij God en zoals een weerloze duif onder Zijn vleugelen te mogen schuilen en tevens oprecht te zijn gelijk de duiven. De Heere is machtig te verlossen door velen, ook door weinigen, sprak Jonathan. En Jacob zeide tegen zijn zonen, wat ziet je op elkander. O laat ons toch met elkaar op de Heere zien, dan is er geen listig zichzelf bedoelen, dan is het maar geen enkel berekenen, dat wordt het een levend geloof, ook nog in het laatste der dagen (hoe weinigen ook; 't is altijd een overblijfsel geweest): 'de bedroefden om der bijeenkomst wil, zal ik vergaderen.' (Zefanja 3: 18)

Met hartelijke groeten Gode in alles bevolen.

Uw. dw. ds. J.G. van Minnen

oud. A.W. Langstraat. 
 

Vergadering bezwaarde christelijk-gereformeerde predikanten.

De vergadering vond plaats op 26 september 1960 in het Groothandelsgebouw te Rotterdam. Aanwezig waren de predikanten ds. N. de Jong, ds. C. Smits, ds. M.C. Tanis, ds. F. Bakker, ds. D. Slagboom, ds. G. Blom, ds. E. Venema, ds. H. van Leeuwen, ds. H.C. van der Ent en ds. J.G. van Minnen. Toen ds. Van Minnen arriveerde bleek dat de andere broeders al aanwezig waren. Ds. Van Minnen stelde voor om de volgende punten, die besproken waren met ds. Smits, ds. De Jong en ds. Bakker, in bespreking te nemen en dan met name: "de schrijnende toestand dat men als bezwaarde christelijk-gereformeerden zo uiteen valt, dat met name onze jeugd wordt vergiftigd met een zogenaamde 'Christusprediking', maar niet voor zondaren, die zich als zodanig door het werk des Heeren hebben leren kennen, dat een stap persoonlijk moet zijn en niet moet afhangen hoeveel  en wie er meegaan, dat blijven om te getuigen geen christelijk gereformeerd standpunt is." Enkele broeders bleken toen echter hevige weerstand te bieden. Zij bleken grote tegenstanders van een breuk met de Christelijke Gereformeerde Kerken. Het gesprek liep nu over op de vraag: "Had ds. Van Minnen wel mogen uittreden?" Ook werd gewezen op de moeilijkheden waarin ds. Van Minnen destijds in Huizen had verkeerd. Ds. Smits gaf naar aanleiding van de discussie aan "nu in de mist te zitten." Ds. Van Minnen gaf daarop het advies om het roer in handen te geven van de grote Kapitein.(42) Hierna verliet hij deze vergadering.


Ds. D. Slagboom
Ds. D. Slagboom


Ds. H.C. van der Ent
Ds. H.C. van der Ent


Ds. H. van Leeuwen
Ds. H. van Leeuwen


Ds. G. Blom
Ds. G. Blom

Groothandelsgebouw in Rotterdam
Groothandelsgebouw in Rotterdam

Van ene lap gescheurd

Ds. G.W. Alberts
Ds. G.W. Alberts

In 1961 overleed na een ruim ziek- en sterfbed een goede vriend van ds. Van Minnen, namelijk ds. G.W. Alberts. (  )  Door spanningen in zijn gemeente was zijn zenuwgestel aangetast. Zo was daar een man die steeds op een heel indringende wijze ging staan tijdens de preek. Deze man is later tot inkeer gekomen en heeft ds. Alberts op zijn sterfbed om vergeving gevraagd. Zonder enige bedenking antwoordde ds. Alberts: "Van harte, we zijn van ene lap gescheurd."  Ds. Alberts was een ongekunsteld man met een groot hart voor jongeren en buitenkerkelijken. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben ds. Alberts zijn vrouw ook onderdak geboden aan enkele Joden. Een levensbeschrijving verscheen kort na diens overlijden en is getiteld: 'Geroepen tot het licht. Op zijn grafsteen staan de woorden: 'Geroepen uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht.'

25-jarig ambtsjubileum

Aan het 25-jarig ambtsjubileum van ds. Van Minnen werd aandacht besteed op een herdenkingsavond onder leiding van ds. G. Salomons op dinsdag 16 oktober 1962 in Delft. Belangstellenden uit Huizen, Hoofddorp en Opheusden woonden deze avond bij. De jubilaris was vergezeld van zijn vrouw en kinderen en verklaarde met alles in de Heere te willen eindigen. Op deze avond is ondermeer Gezang 427 'Beveel gerust uw wegen' voorgedragen door de presidente van de vrouwenvereniging zr. H.W. Langstraat-den Dunnen.

Advent anno domini 1964

Toen ds. Van Minnen in 1956 vanuit Huizen opnieuw naar Delft vertrok, nam ds. F. Bakker het beroep naar de Christelijke Gereformeerde Kerk van Huizen aan. Hij werd hier door ds. H. van Leeuwen bevestigd met een preek uit 2 Korinthe 5: 11. In 1959 werd ds. Bakker predikant in Driebergen. Tussen ds. Van Minnen en ds. Bakker was een hechte vriendschap ontstaan, wat stand hield tot diens overlijden in 1965. Behalve dat zij met elkaar van hart tot hart konden spreken over het leven met de Heere, kwam ook menigmaal de droevige scheiding die ontstaan was op het kerkelijke terrein ter sprake. Er was een verlangen om weer van één kerk te kunnen zijn. Ds. Bakker wees dan weleens naar Boven. In hun pennenvruchten: 'Gebedsgestalten' en 'Licht en Schaduw' spraken de broeders hun verbondenheid naar elkaar uit. Toen hij inmiddels ziek was heeft ds. Bakker nog een voorwoord geschreven in de gedichtenbundel van ds. Van Minnen.

In de dagen van ongeneeslijke ziekte wil ik nog gaarne dit bundeltje gedichten bij u inleiden. Niet alleen, omdat juist in een tijd als deze, de geestelijke band met de schrijver - mijn geliefde ambtsbroeder - zo sterk wordt gevoeld - meer nog omdat de inhoud zo kostelijk uitdrukt, welk een rijkdom er ligt in God; ook als de dagen donker zijn.  De Heere geve, dat deze ontboezemingen eeuwige vruchten mogen dragen.

Ds. F. Bakker

Driebergen, Oktober 1964



Ds. F. Bakker
Ds. F. Bakker

Adventslicht boven de stervenssponde van m'n geliefde vriend en broeder Ds. F. Bakker.

Advent - is óók Uw komen Heer,
tot uwe kind'ren zwak en teer;
die moe zijn, ziek zijn, uitzien naar
het ogenblik van 't brengen daar
waar alle smart en droefenis
voor immer dan verleden is;
waar 't donker 't licht nooit meer
verdringt;
waar moe - de ziel niet weg meer zinkt.

Advent - ik wacht Uw komen af:
dat zachtkens Gij mij vlijt in 't graf;
dat Gij mij toedekt met dat kleed
geweven uit Uw lijdensleed.
Mijn ziel dan naar Uw hemel vaar -
Gij fluist'rend zegt: Ik toch bewaar
uw stof tot aan de jongste dag -
dan Jezus ...... ik niet huiv' ren mag!

Advent - m'n ziele luistert stil
- verenigt met Uw heil' ge wil -:
of eng' len komen halen mij
voor 't altijd blijvend feestgetij.
Laat zó mij bij U slapen gaan;
'k ben nu toch aan het eind der baan!?
U prijs ik Jezus, Gij krijgt d' eer -
geen leed, geen angst, geen pijn dan

meer!

Advent - ja kom Drieënige God!
En leidt Gij mij - óók 'haar' eens tot
de grote Bruiloft van het Lam
waartoe Gij 't kruis op aarde nam.
't Is welbehagen, 't is gena
Als 'k in Uw armen slapen ga.
Gij waakt dan over dit mijn stof -
mijn ziel zingt dan al eeuwig lof.

Behalve ds. M. Baan en ds. J.G. van Minnen spraken verder nog de predikanten ds. C. Smits, ds. J.C. van Ravenswaaij en ds. G. Blom. Maar ook uit andere kerken woonden velen de begrafenis bij. Ds. Baan zei: "De ware oecumene vonden wij bij het sterfbed van ds. Bakker."


Enkele gedichten uit het boekje 'Licht en Schaduw' 

Boven de wolken wenkt mij 't eeuwige

Van het licht
en de rust
en de veilige kust
en armen
die warmen;
en 't hart dat daar klopt
voor eens zulke armen
uit 't donkere slop;
voor zieken die hijgen
en adem daar krijgen;
voor vluchters
en zuchters:
een veilige schutse
in Abrahams schoot.

O mijn God aan de kimmen
zie ik hemellicht glimmen!
Achter het licht van de zakkende zon
zie ik verten die blinken
om daar eeuwig te zinken
aan Immanoeëels borst.
Daar zullen we drinken
als trompetten dan klinken,
bazuinen en cimbels daar slaan;
en door eng'len geleid
aan Zijn tafel dan gaan.

Ja eens drinken -
almeer nog maar drinken
uit de levensrivier
heel ver nog van hier.
Ja eens zingen
bij lichtende goudene kimmen,
als vreugden van volheid
hoger steeds klimmen
in het land
zover nog van hier.
Nu staand' nog aan 't strand
bezwijkende schier
naar Immanoeëels land,
nog zo heel ver van hier.

Daar zijn geen woorden

Daar zijn geen woorden, die vertolken,
dierb're Heiland, smetloos Lam!
Toen ik U zag, enkel zonde,
God'lijk toornen op U kwam.

Daar zijn geen woorden, die vertolken,
toen Gij daar op Golgotha,
hing aan 't vloekhout, enkel wonde;
enkel wonder van gena.

Daar zijn geen woorden, die vertolken,
toen in Uwe reine ziel
torsend 's werelds schuld en zonde
brandend 's Vaders toornen viel.

Daar zijn geen woorden, die vertolken,
schreit m'n ziel ontroerd ''gena";
drager van mijn dood, mijn zonde!
'k Kan slechts staam'len van "gena".

Wit als sneeuw

Een witte wà van sneeuwdons dekt de wei;
één blankheid is het al; één sprei
van vlokken wit, zacht neergevlijd,
verlicht in schemering der weide eenzaamheid

Aan d' horizont staat donker afgeplekt
een molen tegen 't licht dat henentrekt;
z'n wieken dromend, raken 't goud der lucht;
een vogel breed gewiekt er langs zwenkt in z'n vlucht.

O God! ver boven 't zakkend zonnelicht
hebt Gij Uw troon in heerlijkheid gesticht!
Hoe donker is m'n ziel bij gindse gouden rand;
hoe grauw, hoe zwart, bij 't wit van 't weideland!

En in m'n zwarte ziel, gegrepen door de dood,
laait, karmozijn in gloed, als purper rood
m'n zondebrand; en 'k klaag in bange nood:
ai! doof die gloed, hij voert mij in de dood.

Maak in 't gericht mij vrij; mijn kleed dan zij
door Uw gerechtigheid, Heer' Jezus! als die sprei,
zo wit als wol en blank als sneeuw, die 't weideland
nu dekt; gelijk de glans van gindse gouden rand.

't Kindeke van de kerstnacht

Aan herders in jub'lende tonen,
in 't midden van de donkere nacht,
hebben Eng'len uit d' Hoge gekomen
een heerlijke boodschap gebracht:
Dat Jezus, zo lange verwachte,
als Kindeke teder en fijn
geboren is in deze nachte;
de hemel was vol van festijn!

De wereld in 't donker verloren
daagt 't licht uit Gods stralende troon.
In 't Kindje te Bethl'hem geboren
tot de wereld wil God weer koôm.
Gij zult dan dit Kindeke vinden;
ten teken: in doeken gehuld;
een krib' voor Gods teder Beminde;
z'n luister in 't dienstkleed omhuld.

O wereld hoe diep ook gezonken,
gij blijft niet in Satan's geweld;
gij blijft in die nacht niet verzonken,
dat Kindje die Boze straks velt.
Van mensen van 's Heeren behagen
zongen de Engelen-stemmen zo klaar.
O wil naar dit Kindeke vragen
geboren voor zondaars; voorwaar!

Als alles u leeg is en donker;
als niets meer uw ziele vervult;
als 't nacht is, geen star er meer flonkert;
g' in schaduw des doods zijt gehuld:
o, buig u gebrokene! neder
in Bethlehem's schamele stal;
dat Kindeke dierbaar en teder
het leven uw ziel geven zal!

Jezus vraagt

Gij noemt Mij de HEILAND; hadt ge ooit pijn?
Waar zijn uw wonden, om uw Heler te zijn?
Voeldet g'uw krankheid een dood'lijk venijn?
Weet g'u gebeten om uw Heiland te zijn?

Kunt gij nog danken in farizeeërsgewaad?
zaagt gij uw bidden nooit nog als een kwaad?
Noemt gij mij PRIESTER; die bede en dank,
zonder Mijn voorbêe, Gode verklankt?

Ben Ik VERLOSSER; door welk ene macht,
wordt ge geketend bij dag en bij nacht?
Voelt gij de banden, de kluisters der hel,
de macht van de zonde, kent gij die wel?

Moet Ik uw BORG zijn; en drukt u geen schuld,
zo onbetaalbaar, die met schrik u vervult?
Rijk en verrijkt, aan geen ding nog gebrek...
zijt g' aan uw armoe en schuld wel ontdekt?

Zoekt gij een MIDD'LAAR; en weet gij u wel
gans en al schuldig, en waardig de hel?
Zaagt gij de kloof niet, zo breed en zo diep;
nooit t' overbruggen, die uw zonde u schiep?

Spreekt ge van VOORSPRAAK; en kent gij geen stond;
waar God als uw richter, 't vonnis u zond;
gij voor God neerviel, met zwijgende mond,
niets tot weerlegging uw ziele toen vond?

Zegt gij: "Mijn JEZUS", en zingt gij dan niet
't lied der verlossing; hoe in grondeloos diep
van uw ellende, in donkere nacht,
licht en verlossing u toen werd gebracht?

Ben ik uw CHRISTUS en kent gij u al
één en al duister, vanwege uw val?
Begeert g' als PROFEET mij, om te verstaan,
hoe de weg van de dood naar 't leven zal gaan?

Kent gij uw schuld, uw onreinheid, uw smet?
Zijt gij daarmee in uw ongeluk gezet?
Ben Ik u onmisbaar als PRIESTER of weet
g' u zelf nog te weven, tot dekking een kleed?

Kent gij Mij reeds als uw KONING, uw Heer,
Die u door Woord en door Geest zacht regeer'?
Is het de wereld, uw goud en uw eer,
wat u bekoort; buig g' u daarvoor nog neer?

Kent gij Mij dan, in uw ziel, door Mijn Woord?
Zegt u Gods Geest, dat ge Mij toebehoort?
IMMANOEËL ben IK, God weer met u!
Uw VREDE voor eeuwig; uw vrede reeds nu!


1965 Gereformeerde Bijbelstichting

In het najaar van 1965 werd de 'Gereformeerde Bijbelstichting' opgericht. Deze stichting kwam op voor de belangen van de Statenvertaling, een vertaling die steeds meer verdrongen dreigde te worden door de Nieuwe Vertaling, die gereed kwam in 1951. Vanaf het eerste uur zette ds. Van Minnen zich in voor deze stichting en maakte tot zijn overlijden deel uit van het bestuur. De stichting verenigde heel wat broeders die nog maar kort geleden van elkaar gescheurd waren uit allerlei kerkverbanden tot één geheel. Er werden brochures uitgegeven en er kwam ook een blad 'Standvastig'.

"Nee, het is ons niet alleen te doen om maar te strijden voor de tot nu toe meest zuivere vertaling van Gods Woord in onze taal. Maar bovenal te leven door genade naar dat Woord. Maar dan hebben we nodig: het richtsnoer, Gods Woord in de meest zuivere vertaling. Wij weten (althans wij behoorde te weten) dat de grondtekst alleen onfeilbaar en feilloos is; en vertaling mensenwerk is, al zijn het kinderen Gods geweest in tere Godsvreze, die zulks gedaan hebben. Eén ding weten we, in de Statenvertaling staan geen principiële fouten. In de Nieuwe Vertaling staan er die de grondslag van de openbaring Gods aanranden. Daar zal zo nu en dan wel eens iets nader in [het blad] 'Standvastig' over geschreven worden. En al wordt er door ds. J.H. Velema uit Apeldoorn op een minne wijze gescholden, laat ons niet beletten rustig deze arbeid te steunen met gebed en gave. het adres van de penningmeester der Stichting is: H. Kooistra, Kerkweg 1 Dantumawoude." J.G.v.M.

1966 Bewaar het Pand

In 1966 werd binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken de stichting 'Bewaar het Pand' werd opgericht, en hierdoor bleef de uittreding van de vrienden vooralsnog uit. "Na ernstig beraad met een groot aantal ambtsdragers, zowel ouderlingen als predikanten, zijn we tot deze uitgave overgegaan", aldus ds. Smits in het openingsnummer van het blad 'Bewaar het Pand'. Ds. G. Blom, ds. R. Kok, ds. H. van Leeuwen, ds. C. Smits en ds. D. Slagboom maakten deel uit van de redactie. Ds. Van Minnen werd min of meer in de kou gezet, maar van een [wil tot] terugkeer naar de Christelijke Gereformeerde Kerken was geen sprake.(43) In een brief gedateerd 1966, schreef hij nadrukkelijk dat hij niet bereid was (alsnog) terug te keren naar de Christelijke Gereformeerde Kerken, hoewel hem dat wel werd voorgesteld. Met name de weduwe van ds. F Bakker (ds. Bakker overleed in 1965) en ds. P. Sneep (evenals Van Minnen een oud-Vlaardinger) schenen het liefst te zien dat ds. Van Minnen inclusief diens gemeenten weer terugkeerde tot de Christelijke Gereformeerde Kerken. (44) Maar zelfs in het voorjaar van 1969 melde ds. Salomons per brief aan de kerkenraad van Delft, dat ds. Van Minnen op diens vriendelijke maar dringende vragen liet weten, "er niet aan te denken zich bij de Christelijke Gereformeerde Kerken te voegen, maar dat hij wel zocht naar de meest zuivere openbaring van het lichaam van Christus." "Hij wil niet teruggaan tot die kerk, die hij in goede overtuiging verlaten heeft."(45)

1.12. Reformatorisch Dagblad

Een andere wens was de verschijning van een betrouwbaar dagblad. Het initiatief leidde tot de verschijning van het Reformatorisch Dagblad. Ds. Van Minnen maakte deel uit van de raad van toezicht.  

Goede reformatorische voorlichting is in onze tijd meer dan ooit noodzakelijk. Reeds lang wordt daarom door ons Reformatorisch volksdeel grote behoefte gevoeld aan een eigen dagblad, aangezien de huidige dagbladpers het tegendeel biedt, getuige: de veelal eenzijdige voorlichting op kerkelijk/theologisch terrein, het steeds sterker worden drijven naar een gevaarlijke, in wezen antichristelijke oecumene, de door een deel van de Nederlandse pers aangenomen onverbloemd vijandige houding jegens hen, die naar de aloude reformatorische beginselen wensen te leven

Bedenken wij van welk een groot belang een eigen blad is. Wij hebben nodig een Bijbels-reformatorische visie op het wereldgebeuren en ons te wachten, dat ons volk zich laaft aan materiele welvaart. Lauwheid en fatalisme worden al te veel onder ons gevonden. Laat daarom niet uw handen in de schoot liggen, doch handel in de geest van onze reformatoren, die stonden als lichtende fakkels in een tijd, waarin de waarheid schier ten onder was gebracht. STEUN DAAROM ONZE DOELSTELLING, het bestuur van de Stichting Reformatorische Publicatie

1968-1971. Levenseinde

De laatste jaren van zijn leven kenmerkten zich door verwijdering van de hechte band die er was met de gemeente en de kerkenraad van Delft. De gemeente waar hij tussen 1956-1965 predikant was en in 1967 naar terugkeerde vanuit Hoofddorp. Problemen in het persoonlijke vlak leidde tot een definitieve breuk. Het is niet te zeggen welk een pijn en verdriet dit voor alle partijen opgeleverd heeft. Ds. Salomons probeerde vanuit Terneuzen een verzoenende rol te spelen en stak zijn handen voor zijn 'wapenbroeder' in het vuur: "Ziet, beste broeders, er kan dan in bijkomstige dingen wel eens verschil van inzicht zijn tussen ds. Van Minnen en mij, maar in al die jaren, dat wij elkander kennen heb ik hem nooit op enige onwaarheid betrapt. Ik acht hem veeleer een Nathaniël, in wien geen bedrog is." Aanvankelijk twijfelt ds. Salomons sterk of de kerkenraad van Delft het wel bij het rechte eind heeft:  "Zijn uw gronden wel Bijbels en naar onze D.K.O?" Dat ds. Van Minnen bij zijn aantreden enkele instructies vanuit de kerkenraad t.a.v. een aantal 'onwelwillende catechisanten' niet nagekomen is, achtte ds. Salomons heel verstandig. "Denk aan het verleden van ds. Van Minnen die eens een zeer gewaardeerd schoolonderwijzer was, menige bestudeerde dominee kan daar soms niet tegenaan. (..) Ds. van Minnen is begonnen met onderwijs geven, zonder te spreken over wat voor zijn tijd geschied is, dus wat voorbij is. M.i. heel verstandig van uw voorganger, want wil men de jeugd wegstoten, verwijderen van de catechisatie althans kopschuw maken voor het godsdienstonderwijs, dan moet men oude koeien uit de sloot halen, flinke reprimandes geven. enz. En dat is niet de taak van een catecheet. Maar ds. van Minnen had toch beloofd aan het verlangen van de kerkenraad te voldoen? Helaas ja, al kon hij er later bij de leerlingen niet toe komen. Hier schuilt dus een fout bij ds. Van Minnen. Misschien, heel misschien had ik op uw verzoek dat wel gedaan, maar zeker had ik de bittere pillen in suiker gewikkeld, zodat het bittere niet zo gevoeld werd, maar later bij ernstig nadenken er toch wel enige schaamte bij de lieve? jeugd ontstond. Nu is ds. Van Minnen geen pillendraaier, houdt niet van versuikerde medicijnen, maar ondergetekende is dat wel en heeft daar menig conflict door voorkomen. Ds. van Minnen is dus fout geweest? M.i. toch niet, al meent u soms van wel." Ds. van Minnen heeft tegen gemeenteleden gezegd dat één van de broeders ouderling onbekwaam zou zijn om godsdienstonderwijs te geven. "Foei ds. Van Minnen! Daarover moet de dominee door de kerkenraad met ernst vermaand worden (..) in het besef dat wie in woorden niet struikelt een volmaakt man is." "Dat hebt u zeker gedaan (..) en wat deed ds. Van Minnen? Lachte hij om uw vermaan? Ging hij toen als een briesende leeuw tekeer, die naar geen rede wilde luisteren? Nee! hij verloochende zichzelf, bekende zijn fouten, ja erkende zelfs, dat hij voor honderd procent verkeerd was."


Terneuzen, 14 juli 1968

Aan de kerkenraad der Christelijke Gereformeerde Gemeente in Nederland gevestigd te Delft.

Eerwaarde broeders,
Uw kort briefje van 20 juli heb ik gelezen en herlezen. Laat mij beginnen met volmondig te erkennen dat een oud en wijs man, zoals u hem tenminste noemt, betaamt had, eerst nadere inlichting bij u in te winnen, voor aleer hij een oordeel velde. Daarin ben ik voor 100 procent fout geweest.  Kunt u zich echter niet indenken, dat ik bijzonder met ds. Van Minnen te doen heb, die al zoveel ellende op kerkelijk gebied heeft meegemaakt, bij zijn vertrek in Hoofddorp en nu weer in Delft? Ziet, beste broeders, er kan dan in bijkomstige dingen wel eens verschil van inzicht zijn tussen ds. Van Minnen en mij, maar in al die jaren, dat wij elkander kennen heb ik hem nooit op enige onwaarheid betrapt. Ik acht hem veeleer een Nathaniël, in wien geen bedrog is.  Het [had] mij meer bevredigd, als u dan geschreven had, waarom ds. Van Minnen eigenlijk geschorst is. Heel de gemeente van Delft weet dat nu, maar, die tot nog toe voor ds. Van Minnen meent te moeten opnemen, behoeft dat niet te weten! In opgemelde ernstige situatie is dat m.i. eenzijdig en onbroederlijk. Met hoge en grote woorden komen wij inzake gewenste verzoening geen stap verder.
Zolang ik niets positiefs inzake de beschuldiging jegens ds. Van Minnen van u verneem, meen ik dat de grond waarop ik mijn advies bouw volledig in overeenstemming is met Gods Woord, namelijk dat wij vergevingsgezind moeten zijn jegens elkander, inzonderheid bij broeders onderling.  Ook ds. Van Minnen heeft evenals ik tegen u gezegd, broeders ik ben voor honderd procent fout geweest. Reeds de sterke band, die u zegt aan ds. Van Minnen te hebben moeten u nopen deze schuldbekentenis van uw herder en leraar voor waar en bondig te houden. Ja, ja, dat is pas grond om op te staan, dat is naar het Woord van God: elkanders lasten te dragen.  Met u verlang ik zeer naar een oplossing van het geschil te Delft, niet alleen voor ds. Van Minnen, maar ook voor de kerkenraad te Delft. Als de waarheid in liefde betracht wordt, al verschillen dan misschien de inzichten en methoden om het gewenste doel te bereiken, gebiedt de Heere daarover zijn zegen. Ik twijfel daar niet aan, aangezien ik mij verzekerd houd, dat de kerkenraad van Delft alles wil doen om de zaak in het reine te brengen. Mocht de kerkenraad van Delft het met de hoofdinhoud van dit schrijven niet eens zijn, och beste broeders, dan wil een oud man, die zelfs van deze correspondentie slapeloze nachten bekomt het overgeven aan Dien, die rechtvaardigt oordeelt, en gaarne vergeeft.
Uw bedroefde en verontruste medebroeder in de bediening,
Ds. Salomons


Ondanks de uiterste inspanningen van ds. Salomons bleek het, na verloop van tijd, dat het moeilijk was om een ieder weer tot elkaar genegen te krijgen. Gaandeweg erkende ds. Salomons dat ook ds. Van Minnen zo te kampen had met zijn persoonlijke gebreken. "Uw oud herder en leraar is een zeer emotioneel man. Wat jammer, dat ds. Van Minnen, die in mijn hart geschreven staat, zo spoedig in vuur en vlam staat. Br. was er danig van geschrokken, maar ik toch niet zo heel erg, ik weet wat voor vlees ik in de kuip heb. (..) Aangezien dat karakter nu niet [meer] in toom wordt gehouden door het corrigerende gezag van Gods Woord." "Ik wil u wel eerlijk bekennen dat ik nog liever met de oplopend, balsturige, halsstarrige, uit het lood geslagen ds. Van Minnen op heb, dan met die lieve, z.g. bescheiden, voorkomende heer Den Boer [de Driebergse zakenman G. den Boer die enige tijd theologisch onderwijs van ds. Van Minnen en ds. Salomons genoot], bij wien m.i. de eerlijkheid niet één van zijn deugden is."

"Hoe gemakkelijk ik soms het Woord te Delft mag bedienen, het is en blijft mij een smart aan het hart, dat ds. Van Minnen, die toch een kind en eens geroepen knecht van God is, zich zelf zo onmogelijk gemaakt heeft. (..) Nu schrijf ik dit niet van af een zekere hoogte, alsof ik beter ben dan ds. Van M[innen] want ik heb helaas een zekere tijd beleefd, dat ik ook zo onevenwichtig was, al nam die onevenwichtigheid andere vormen aan, maar dat kwam omdat ik de zonde aan de hand hield, en niet wilde buigen onder God. Zo zitten er wat patiënten in een sanatorium, ikzelf ben daar ook geweest en ik geloof, dat het mij ten zegen is geweest." "Draagt elkanders lasten, dat zijn ook elkaars gebreken en vervult alzo de wet van Christus. Mijn lichamelijk gestel laat vooral de laatste weken niet toe, dat ik ga reizen, hetzij per trein, hetzij per auto, anders zou ik naar u toevliegen, u allen om Christus wil omarmen en dringen, ja smeken in de Naam des Heeren: Laat toch geen wortel van bitterheid onder ulieden opschieten."

De kerkenraad alsmede het merendeel van de gemeente ziet uiteindelijk geen andere uitweg meer als de herder en leraar die hen lief was te schorsen en uiteindelijk af te zetten. Er was hier een reeks aan gebeurtenissen aan voorafgegaan waarover we iets meer willen vertellen zodat duidelijk wordt dat dit zeer ingrijpende besluit - wel met veel pijn in het hart - maar niet lichtvaardig genomen en onvermijdelijk was. wordt t.z.t. vervolgd

CGG Delft
CGG Delft
Ds. J.G. van Minnen
Ds. J.G. van Minnen

Het moment van hereniging lijkt nabij als, op advies van ds. Salomons, ds. Van Minnen op 7 september 1970 aan de kerkenraad van Delft een brief schrijft, waarin hij de wens uitte om in de gunst van de Heere opnieuw tot eenheid te komen. Ds. Salomons laat aan de kerkenraad van Delft weten dat hij hoopt op deze verzoening: ''Alhoewel ik geen huilebalk ben en tranen liever inslik dan dat ik ze zien laat, toch mogen we ons broederlijk gevoel niet wegduwen in deze zaak, die zo hoogst ernstig is.'' ''Ik wens van harte, dat psalm 122: 3 (berijmd) (..) beleefd mag worden, en dat we in waarheid en liefde elkaar vinden mogen.''

De hereniging is helaas nooit meer een feit geworden. Toen de kerkenraad op 24 februari 1971 bijeen kwam lag het bericht op tafel van het overlijden van ds. Van Minnen op 6 januari 1971. Aangezien ds. M.W. Nieuwenhuijze zich persoonlijk gewend had tot het deel van de gemeente die zich destijds met ds. Van Minnen hadden onttrokken, leidde deze in samenspraak met hen, de begrafenis in Delft. Hierbij was ook de Delftse hervormd-predikant ds. A. de Gooijer aanwezig. Ds. E. Venema sprak namens de Gereformeerde Bijbelstichting bij het geopende graf van ds. Van Minnen de betekenisvolle woorden: "Van Minnen is van Van Minnen verlost." Al het zondige en het menselijke blijft hier achter, en wat de Heere gewerkt heeft zal eeuwig juichen tot Zijn eer. Wat een wonder dat de Heere nog zulke mensen wil gebruiken in Zijn dienst. Daar zal een iedere oprecht gemaakte ja op zeggen.


Kernuitspraken van ds. Jacob Gerardus van Minnen (1900-1971)

Christus en Zijn christenen

Je hoort steeds: "Christusprediking en vooral geen christenprediking." Maar wat is Christus zonder Zijn christenen? Een lichaam zonder Hoofd. Als men Schriftuurlijk-bevindelijk predikt dat Christus in al Zijn noodzakelijkheid, algenoegzaamheid en dierbaarheid moet worden uitgestald, dan moet daaraan, mijn inziens, ook onlosmakelijk verbonden zijn het antwoord op de vraag: hoe Christus, door de Heilige Geest en het Woord, in het hart van de zondaar functioneert.

De oud-testamentische Kerk en Christus

Dichters en profeten uit het Oude Testament hebben, door het geloof, vaak dichterbij Christus gestaan en eruit geput en er door geleefd en Hem verheerlijkt dan het Christendom van nu.

Bekommering

Als God begonnen is met Zijn genade; op welke leeftijd ook, dan zult u die bekommering bemerken, al kunt u niet alles zo verklaren. Gods werk is geen legkaart puzzel.

Gebroken klanken

Ja, maar ik sta nog voor eigen rekening! Dat zegt soms juist één, waarmee God in en door genade begonnen is. Zeker, het kan zo zijn. Of het schijnt zo in de waarneming van donkerheid en strijd in eigen hart. Maar dat wil niet zeggen, dat het zo bij een aldus klager of klaagster is. Zeker, en sta er veel naar om te weten dat de rekening vereffend is. Dat is een grote troost, die de grote Trooster, de Heilige Geest u schenken kan. Vooral in de weg van het gebed. In: een gebed om een gebed. Maar 't begint niet met de wetenschap dat de rekening vereffend is. Wel met het kindschap dat leert: "vergeef mij al mijn zonden." Met het kindschap beschreven in Gods Woord: "Tezij gij niet wordt als een kindeke." 't Grondwoord nepioi bedoelt hier: een kind dat amper lopen en praten kan. Hoe schoon; hoe aantrekkelijk! Moeder hoort dat gebrabbel, dat gestamel van die kleine wel; en begrijpt wat het daarmee bedoelt. Ook vangt ze het waggelende kind vaak op als 't dreigt te vallen. Dat is: de Heere hoort en verstaat het gestamel van de allerkleinste en zwakte zijner kinderen. en Hij strekt zijn handen uit, als dat kindeke klaagt en roept: "schraag op dat spoor mijn wankelende schreden. Hoe schoon die taal, dat gebroken taaltje uit een gebroken hart.

Een zuigeling in de genade is er bij alle aanvechting en vragen naar zekerheid beter aan toe, dan een reus met een geloofsfantasie buiten het Woord en de Heilige Geest.

Geestelijke dingen 

Met een objectiveren der geestelijke dingen gaat de kerk de nacht tegemoet.

De grote zaak

De 'grote zaak' voor een zondaar hier, is deze: dat hij weet, of hij van dood levend is geworden, van een pure zichzelf zoeker een Godzoeker is geworden.

Eenheid

Ik erken het ideale van het allen één zijn, maar te gemakkelijk wordt vergeten, dat dit één zijn uit het Johannes Evangelie allereerst ziet op de apostelen: dat zij allen één zijn in de prediking van Jezus Christus en Dien gekruisigd, waarop de Nieuwtestamentische kerk gebouwd zal worden.

Horizontalisme

Als de zuivere prediking van [Gods] Woord in de verre omtrek niet te beluisteren valt - zei wijlen ds. [J.A] Riekel eens - dan is de zolder je kerk. Ja toen overwegend de huizen nog zolders hadden met punt-daken. De verticale lijn, naar omhoog wijzend: "van waar mijn hulpe komen zal". Terwijl nu, ook zelfs in de bouw, de horizontale lijn overheersend is. Dat is niet per ongeluk. Dr. B. Wielinga wees daar reeds op, toen hij doceerde voor een volksuniversiteit. Hij wees reeds in de twintiger jaren op het toenemend "horizontalisme". Een woord uit deze tijd.

Noten

(1) Ds. J.H. Velema in: Oude Paden, 1 december 2001. Wie is de man naast ds. E. du Marchie van Voorthuijzen? Het verhaal van ds. Velema luidt als volgt: De vijfde man op de gepubliceerde foto is ds. J.G. van Minnen, die in oktober 1937 bevestigd werd in Huizen. Daarna vertrok hij naar Delft en vervolgens keerde hij terug naar Huizen en diende hij de gemeente van 1948 tot 1952. Van Minnen was een geliefd prediker. Een man met dichterlijke gaven. Hij woonde dicht bij Hilversum en verzorgde verschillende Bijbellezingen voor de NCRV. Een bundel meditaties, voor de microfoon uitgesproken, verscheen in druk. Deze vier broeders waren geestelijke vrienden. Ze bewogen zich op de rechterflank van de Christelijke Gereformeerde Kerken en zouden vandaag behoord hebben tot 'Bewaar het pand' dat in 1965 is opgericht. In mijn studententijd (1935-1939) was het al bekend dat deze vier veel met elkaar optrokken. Het is opmerkelijk dat drie van hen de kerk, waarin zij ambtelijk gevormd werden, hebben verlaten. Ds. Van der Bijl voegde zich bij de Gereformeerde Gemeenten, ds. Du Marchie van Voorthuijsen werd Oud Gereformeerd, ds. Van Minnen bleef zelfstandig opereren en had in Delft en ook in Hoofddorp gemeenten die hij diende. Hij had dus de Christelijke Gereformeerde Kerken verlaten en noemde zijn Verband' de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland.'
(2) In een brief d.d. 14 juli 1968 gericht aan de kerkenraad van Delft gebruikte ds. G. Salomons deze uitdrukking over zijn collega ds. J.G. van Minnen om daarmee zijn onvoorwaardelijke vertrouwen in hem uit te drukken omtrent diens integriteit. In zijn kerkelijke optreden is hij geen man van twee gezichten. Toch doet hij wel tegenstrijdige dingen. Dit heeft te maken met zijn karakterstructuur aldus ds. Salomons. Hoe dit zich alles verhoudt tot de ernstige maatregelen (die niet over één nacht ijs genomen zijn) waartoe de kerkenraad van Delft zich in 1968 ten einde raad genoodzaakt zag om de predikant uit zijn ambt te ontheffen op grond van het vijfde en negende gebod komt later aan de orde. Deze verdrietige kwestie lag een ingewikkelder als de RD-redacteur Sike Bax in het Reformatorisch Dagblad van 18 februari 1984 in zijn 'Terugblik op enkele decennia Christelijke Geref. Gemeenten' deed voorkomen. Deze schreef: "Later kwam ds. J. G. van Minnen naar Hoofddorp om daarna naar Delft te vertrekken. Daar werd hij echter afgezet waarbij het overigens niet om leer of leven ging maar waar, achteraf gezien, gewoon de karakters botsten." Deze kwestie krijgt nog een vervolg.
(3) In publicaties kleine kerkgeschiedenis Jacobus Gerardus van Minnen. In het register van de burgerlijke stand staat echter Jacob Gerardus van Minnen.
(4 ) Maarten van Minnen,
(5) Israël Middel, geboren 7 april 1829-1896, zoon van ds. H.H. Middel uit het boek Gods menigvuldige reddingen uit de grootste noden. Werd op 19 juni 1853 door zijn vader als predikant bevestigd in zijn eerste gemeente Vlaardingen.
(6) Korstiaan Kleinendorst (1820-1892), Hij was een bekend en geliefd predikant binnen de oude Christelijke Gereformeerde Kerk (1869-1892). In Vlaardingen was hij tussen 1871 en 1879 predikant. Kleinendorst streed met zijn collega Littooy (Middelburg) over de vraag of ook de kinderen van de gemeente wezenlijk tot het Genadeverbond behoren en met zijn collega W.H. Gispen over de vraag of het wenselijk is om ook gezangen in de erediensten te zingen. Op beide vragen gaf Kleinendorst een ontkennend antwoord.
(7) Klaas Schilder,
(8) De Vrije Gereformeerde Gemeente in Vlaardingen ontstond na het vertrek van ds. Kleinendorst in 1879. Men kon het niet eens worden over de nieuw te beroepen predikant.
(9) Cornelis Densel werd op 26 februari 1872 in Leiden geboren. Hij was aanvankelijk kapper van beroep. Hij meldde zich voor een onderzoek naar genadestaat en roeping bij de kerkenraad van de Vrije Gereformeerde Gemeente te Leiden. Densel werd toegelaten als oefenaar. Van ds. E.C. Gravemeijer te Utrecht ontving hij theologisch onderwijs. In 1899 werd hij beroepen door een vrije gemeente te Lemmer. Op 16 februari van dat jaar deed hij intrede, na bevestigd te zijn door ds. P. van der Heijden, die in 1896 van Lemmer naar Enkhuizen was vertrokken. Op 21 juli 1901 werd ds. Densel door ds. G. van Reenen bevestigd als predikant van de Vrije Gereformeerde Gemeente te Vlaardingen. Hij volgde daar ds. A. Verheij op, die op 1 augustus 1898 met emeritaat was gegaan. Tijdens het verblijf van ds. Densel nam het ledental van de gemeente te Vlaardingen zeer toe. Een uitbreiding van het aantal zitplaatsen in het kerkgebouw, in 1902, bleek slechts een noodoplossing te zijn. In 1904 werd een nieuwe kerk gebouwd, die ruim 70 jaar dienst heeft gedaan. Na op 28 november 1909 afscheid van Vlaardingen genomen te hebben, werd zijn plaats in Vlaardingen op 17 april 1910 ingenomen door ds. P. van der Heijden.
(10 ) Van ds. C. Densel bestaat een bundel van 6 preken 'Droppelen uit de levensbron' (1909) en een afscheidsrede van de gemeente Vlaardingen (1909)
(11) Pieter van der Heijden, geboren 1865, voorheen predikant o.a. in Lemmer, Enkhuizen, Rijssen en Kampen.
(12) Arie de Blois, in 1887 in Vlaardingen geboren en werd aanvankelijk voor de bouwvak opgeleid. Op 30-jarige leeftijd werd hij tot ouderling gekozen in de Vrije Gereformeerde Gemeente waar toen ds. P. van der Heijden predikant was. Tijdens een ziekte van ds. Van der Heijden ging de Blois vele malen als lerend-ouderling in de kerkdiensten voor. Ook heeft ds. Van der Heijden hem privé onderwijs gegeven in de grondbeginselen van de oude talen en de geloofsleer. Ds. De Blois had een sterk kerkelijk besef en ijverde voor aansluiting bij het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten dat in 1907 was gevormd. De Blois wilde zijn arbeid - nadat de gemeente bij het kerkverband van de gereformeerde gemeente was aangesloten, zijn arbeid als lerend ouderling weer neerleggen en een zaak met levensmiddelen beginnen. Korte tijd later werd hij aangenomen als theologisch student. Bij ds. den Hengst in Leiden zette hij zijn studie voort. Na zijn studie nam hij het beroep van Vlaardingen aan, waar hij door ds. den Hengst werd hij bevestigd. Na 6 jaar in Vlaardingen werkzaam te zijn geweest vertrok hij in 1925 naar Dirksland. Ds. De Blois behoorde dus tot de eerste generatie van predikanten die de Gereformeerde Gemeenten hebben gediend, waartoe ook behoren ds. Fraanje, ds. Hofman, ds. Kersten Sr. en ds. Verhagen. In deze vorige generatie van predikanten was hij een man die zich kenmerkte door een eigen visie op vele kerkelijke problemen en met een eigen stijl van prediken. Ook in die jaren toen het kerkelijk leven in de Gereformeerde Gemeenten onder grote invloed stond van Ds. Kersten en Ds. Fraanje heeft hij toch steeds zijn eigen karakter bewaard. Ds. de Blois was niet zonder kanselgaven, zijn preken waren belijnd zijn woordkeuze was zorgvuldig en werden met helderheid van stem uitgesproken. Later diende ds. De Blois nog de gemeente Gouda (1935) en Rotterdam-Zuid (1945). Ds. de Blois schreef veel artikelen in het jeugdblad Daniël. In een brief aan ds. K. de Gier schreef hij: "De Heere mocht Zich over onze gemeenten ontfermen en de reformatorische beginselen meer en meer doen zegevieren. Want anders trekt het beste deel weg en met de praktijk der godzaligheid loopt het dan droevig uit", Zie: De Saambinder, 11 februari 1971, ds. K. de Gier.
(13) Het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten ontstond in 1907. Zij hadden voornamelijk hun wortels liggen in enkele kruisgemeenten die in 1869 afzijdig gebleven waren na de vereniging van 1869 tussen de Christelijke Afgescheiden Gemeenten en de Gereformeerde Kerk onder het kruis. Rond ds. E. Franssen ontstond een nieuw kerkverband. In oktober 1899 waren er elf gemeenten die zich de Gereformeerde Gemeenten in Nederland noemden. Ds. Franssen had een sterke afkeer van een theologische opleiding voor aanstaande predikanten. Dergelijke opleidingen leverde volgens hem slechts 'letterknechten' op. Ook onder de Ledeboerianen met wie men in 1907 verenigde, was het de gewoonte geworden dat een predikant niet studeerde maar bij voorkeur preek en tekst op de kansel kreeg. Onder leiding van ds. G.H. Kersten kwam er na de vereniging in 1907 van deze groeperingen tot de Gereformeerde Gemeenten meer aandacht voor de opleiding van predikanten en de handhaving van de kerkorde. Ook schroomde ds. Kersten niet om aandacht te besteden aan de ontsporingen rondom het bevindelijke leven.
(14) Citaat
(15) Mededeling dhr. A. Bel uit Vlaardingen: Oude Vlaardingers hoorde ik wel over 'Jaap van Minnen en Nico de Jong', de latere ds. N. de Jong. Zij waren boezemvrienden.
(16) Mededeling dhr. A. Bel uit Vlaardingen: "Mijn vader, hij was geboren in 1920, heeft ds. Van Minnen nog als zondagsschoolmeester meegemaakt. Op een jubileum van onze zondagsschool heb ik hem wel eens meegemaakt."
(17) In de branding/krant interview
(18) Gerrit Hendrik Kersten
(19) H. Hille schrijft in Predikanten en oefenaars deel 2, Jacob Gerardus van Minnen (1900-1971), blz. 156-159 "Overigens helde onderwijzer Van Minnen in die tijd met betrekking tot de strijd rond de twee-of drieverbondenleer over naar de door de Christelijke Gereformeerden voor gestane drieverbondenleer." ('Verschenen en Verdwenen' II, De Hoeksteen mei 1985/ Zelfde omschrijving in: 'In de Schaduw van het kerkelijk leven' (1995) evenals in het boek 'Predikanten en Oefenaars', deel II) De situatie lag genuanceerder: Van Minnen had onafhankelijk een verbondsvisie ontwikkeld waarbij hij als basis verwijst naar ds. de Blois en naar ds. Den Hengst (diens leermeester) die deze inzichten aan het eind van zijn leven deelde (in 1924 tot veranderde inzichten gekomen is t.o.v. zijn brochure uit 1913 ) en aan zijn leerlingen doceerde evenals de brochure van R. van Mazijk (1922). Deze visie sloot (volgens Van Minnen) vrijwel aan bij hetgeen ook ds. Jongeleen naar voren had willen brengen in zijn brochure over het 'Genadeverbond'. Tot 1927 was het verschil tussen CGK en Ger. Gem. inderdaad niet erg groot.
Ds. J.P. Zippro schrijft in het boek Het onwankelbare verbond, hoofdstuk Het verbond in de negentiende en twintigste eeuw pagina 173-225 dat Prof. G. Wisse het ten diepste met ds. G.H. Kersten eens was. Dit klopt feitelijk niet. Prof. G. Wisse heeft zich publiekelijk geschaard achter ds. J. Jongeleen. Om zijn eigen opvattingen kracht bij te zetten, greep ds. Kersten terug op het werk G. Wisse 'Handleiding bij de beoefening der Gereformeerde Geloofswaarheden'. Wisse haastte zich om op zijn beurt te verklaren dat hij helemaal niet afweek van de christelijke gereformeerde lijn. In een uitvoerige uiteenzetting die hij beëindigde met de oproep aan ds. Kersten: "Goed begrepen? Ik zeg hetzelfde als docent De Bruin, ds. Jongeleen en de godzalige "oudvaders". Het zou onjuist zijn als uw lezers den indruk kregen dat in onze kerk hier een pelagiaanse trek zou ingeslopen zijn." Overigens heeft ds. G.H. Kersten persoonlijk veel waardering gehad voor Prof. P.J.M. de Bruin en Prof. G. Wisse.
(20) Zie Golverdingen
(21) De Stichtse Kerkbode/ De Wekker
(22) De Stichtse Kerkbode/ De Wekker
(23) Mededeling A. Bel uit Vlaardingen
(24) Mededeling A.W. Langstraat (1914-1993) via B. Lodewijk. Deze overlevering luidt als volgt: Ds. J.D. Barth weigert zegen op de gemeente van Vlaardingen te leggen alvorens genomen maatregelen tegen Van Minnen opgeheven zijn.
( 25) Mededeling A. Bel uit Vlaardingen: "Ik moet (..) een foto hebben (helaas van slechte kwaliteit) die in 1936 gemaakt werd toen de jongelingsverenging 25 jaar bestond. Ds. B. van Neerbos en ds. J.G. van Minnen zitten daar broederlijk naast elkaar, ik meen dat ds. De Blois er ook op staat." (Helaas is deze foto nog niet gevonden, maar hij bestaat dus wel aldus dhr. Bel.)
(26) Zie akte van Afscheiding of Wederkering
(27) Hendrik de Cock
(28) Hendrik Pieter Scholte
(29) Visie Scholte
(30) Niet alleen gingen in 1869 mee, er hielden zich ook groepen afzijdig.
(31) Abraham Kuyper
(32) Jacobus Wisse (1843-1921)
(33) Frederik Philip Louis Constant van Lingen (1832-1913)
(34) Klaas Schilder
(35) Nicolaas de Jong
(36) Zie W.C. den Breems, in: 100 Jaar Christelijke Gereformeerde Kerk Vlaardingen (2008), pag. 38
(37) Zie Golverdingen
(38) H.A. Minderman
(39) P.J.M. de Bruin
(40) Cornelis Steenblok
(41) Simon van der Molen
(42) E. du Marchie van Voorthuyzen
(43) Open Brief Van der Schuit.
(44) C.M. van Driel, brieven Prof. J.W. Geels.
(45) De Wekker
(46) Joh. de Rijke, Gerard Wisse een profetisch prediker
(47) Maarten Baan
(48) Cornelis Smits
(49) Hendrik van Leeuwen
(50) Zie C.M. van Driel
(51) Notulen kerkenraad Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland.
(52 ) Gereformeerde Bijbelstichting, opgericht 1966
( 53) Ds. J.H. Velema zei over verschillen in de Christelijke Gereformeerde Kerk: "Dit heeft onze kerken dus altijd al gekenmerkt. Toen ik nog in Apeldoorn studeerde, zaten twee jaar boven mij de studenten E. du Marchie van Voorthuysen, J. G. van Minnen en H. Visser Mzn. - die later allen uit onze kerken zijn gegaan. In hetzelfde jaar als ik zaten J. C. Maris, W. Ruiter en J. M. Visser. Wij voelden toen al wel aan dat zij niet op dezelfde lijn zaten." Reformatorisch Dagblad 3-11-2005
(54) In de Branding
(55) L.H. van der Meiden
(56) Oosterhoff
(57 ) Verslag bevestiging ds. Van Minnen in Huizen
(58) J.A. Riekel
(59) De Wekker, Geef ons profeten
(60) Zie onder meer Van 't Spijker
(61) En daarom zijn wij uitgetreden
(62) H. Hille schrijft in Predikanten en Oefenaars, deel 2 pagina 156 "Tijdens zijn tweede verblijf te Huizen ontstonden er moeilijkheden met de classis Amsterdam. De classis maakte bezwaar tegen de wijze waarop de predikant en de kerkenraad van Huizen de kerkelijke tucht wenste uit te oefenen. De kwestie kort of lang haar speelde hierbij een rol." Deze omschrijving doet geen recht aan de diepere motivatie van de predikant. Het ging hem er niet om hoe kort of lang het haar van de vrouw moet zijn. Vervolgens schrijft Hille: "Voor Van Minnen was de belemmering van de tuchtuitoefening door de classis aanleiding om op zondag 27 juli 1952 van de kansel mee te delen, dat hij uit de Christelijke Gereformeerde Kerken zou treden." De kwestie met de classis Amsterdam was voor Van Minnen naar zijn beleving echter slechts de spreekwoordelijke 'druppel die de emmer deed overlopen' .
(63) Zie akta
(64) Ds. C. van der Zaal (1893-1976): Er is geen reden om bijzonder geschokt te zijn. Er is wel eens een groter aantal met minder misbaar uit onze rijen verdwenen, Maar ontstellend is het, dat een predikant zijn eed aan God breekt, omwille van één centimeter haar..", Trouw, 1952] Deze voorstelling van zaken doet ernstig tekort aan de context van de situatie. Zowel uit de houding en reacties van Prof. G. Wisse en met name de classis Dordrecht bij monde van ds. M. Baan en H.C. van der Ent blijkt dat het uittreden van ds. Van Minnen, hoewel discutabel, niet op zichzelf stond. Genoemde predikanten benoemen dezelfde zaken en roepen op tot verootmoediging en wederkeer tot de aloude beginselen.
(65 ) Open brief en antwoord van Prof. J.J. van der Schuit
(66 ) En daarom zijn wij uitgetreden, Gereformeerd Weekblad/ Huizer Courant
(67 ) Rapport classis Dordrecht, in: Acta handelingen der Synode Christelijke Gereformeerde Kerken 1953
(68 ) Joh. de Rijke, in: Gerard Wisse, een profetisch prediker pag.
( 69) De Wekker,
(70) In Delft en Drachten vormen groepen bezwaarden Christelijke Gereformeerde Gemeenten (1954). Door ds. Van Minnen worden aldaar plaatselijke gemeenten geïnstitueerd. Het gaat hen voornamelijk om de voorwerpelijke prediking waarin gemis aan bevinding wordt ervaren. Ds. P. van der Bijl gaat in 1956 naar de Gereformeerde Gemeenten.
(71) Notulen classis Christelijke Gereformeerde Gemeenten.
(72) Notulen classis Christelijke Gereformeerde Gemeenten.
(73) G.W. Alberts
(74) Brochures
(75) Contra, C.X. Bax. "Rond het jaar 1964 meldde ds. Van Minnen zich weer bij de Christelijke Gereformeerde Kerken, maar tot weder opname is het nooit gekomen", "Ds. Van Minnen had volgens mensen die hem gekend hebben een pittiger karakter en had fellere uitspraken gedaan, ook in het persoonlijke vlak die moeilijk te herroepen bleken." "Hoewel A. W. Langstraat niet op onze vragen wilde ingaan aangaande het ontstaan en zijn visie op bepaalde ontwikkelingen niet wilde geven, laat het zich raden dat men de vergeefse stap van hun voormalige voorganger Van Minnen om terug te keren tot de oude kerk niet in dank zal hebben afgenomen. Reformatorisch Dagblad 18-02-1984. In het boek '100 jaar Christelijke Gereformeerde Kerk Vlaardingen' (pag. 178) is deze bewering overgenomen, alhoewel daar het jaar 1968 wordt vermeld. In het herdenkingsboekje 75 jaar Christelijke Gereformeerde Kerk Delft vinden we een andere variant: "door het verscheiden van ds. Van Minnen is van wederopname in de Christelijke Gereformeerde Kerk of terugkeer naar onze kerken nooit gekomen." H. Hille schrijft in de Hoeksteen van mei 1985: 'Via de classis Utrecht deed hij [ds. van Minnen] vervolgens nog een poging om weer die kerken [Chr. Geref. Kerken] opgenomen te worden. Idem Predikanten en Oefenaars, deel 2 blz. 159. Voor geen van deze beweringen is enige grond of aanwijzing gevonden in de vrij gedetailleerde kerkenraadsverslagen en correspondentie. In 1964 is er sowieso nog geen enkele aanwijzing te vinden of reden te bedenken voor een dergelijke terugkeer. Uit de bronnen blijkt eerder een duidelijke tegenovergestelde houding. Twee jaar later in 1966 is een brief afgedrukt in het kerkelijk mededelingenblad onder de titel 'werkelijk gevoerde correspondentie' waarin ds. Van Minnen laat weten in geen geval terug te willen keren tot dit kerkverband. De oprichting van 'Bewaar het Pand' wijst hij hier in resolute bewoordingen af. Drie jaar later in 1969 (dus na helaas genoodzaakte schorsing en afzetting) laat ds. Van Minnen opnieuw nadrukkelijk weten (in een antwoord per brief aan ds. G. Salomons) zich niet opnieuw bij de Christelijke Gereformeerde Kerken aan te willen sluiten, een kerk die hij destijds naar eigen overtuiging heeft verlaten. Overigens legde wel een zoon van ds. Van Minnen als dooplid van de Christelijke Gereformeerde Gemeente in Nederland van Delft rond 1963 belijdenis des geloofs af in de Christelijke Gereformeerde Kerk van Amersfoort. Ook andere kinderen uit het gezin van ds. Van Minnen keerden naar dit kerkverband terug.
(76) Brief ds. Salomons
(77) Brief ds. Salomons
(78) Brief, 14 april 1969
(79) Brief, 14 juli 1968
(80) Brief, 10 juli 1969
(81) Brief, 14 april 1969
(82) Brief, 10 juli 1969
(83) Brief, 23 september 1970


Bronnen en literatuur:

Primaire bronnen:

Notulen kerkenraad Christelijke Gereformeerde Gemeente in Nederland Delft
Notulen classis Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland
Correspondentie uit Archief Christelijke Gereformeerde Gemeente in Nederland

Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens

De Wekker, Orgaan der Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland
Acta van de Generale Synode der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland
Open Vensters, Maandblad Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland
De Saambinder, Correspondentieblad der Gereformeerde Gemeenten in Nederland
Bewaar het Pand, blad ter bevordering van de oude Gereformeerde beginselen

Ds. P.J.M. de Bruin, Het formulier van de kinderdoop

Interviews met ds. van Minnen:
Op bezoek bij ds. Van Minnen
Gesprekken met Gooise predikanten

Ds. J.G. van Minnen Van zonde en genade in 't huisje aan de dijk, een verhaal van een Vlaardingse dominee met zijn gemeenteleden rond 1920. Jaartal onbekend.
Ds. J.G. van Minnen, Het gedenken van Gods weldadigheid in Neêrlands verlossing, predicatie over Psalm 48:10 (1947)
Ds. J.G. van Minnen, Levi, twist gij wel!? (1947)
Ds. J.G. van Minnen, Licht en Schaduw (1965)
Ds. J.G. van Minnen, En daarom zijn wij uitgetreden, de gepubliceerde redenen van het uittreden van ds. J.G. van Minnen door de bezwaarde predikanten vóór 1952 als gronden aanvaard, waardoor zij niet langer in de Chr. Geref. Kerk konden blijven (1967)

Ds. J.H. Velema, Verschuivingen in de prediking, in: Ambtelijk contact, 1 juni 1981
Dr. C. Steenblok, Scheuring in de Chr. Geref. Kerk, in: De Goudse Kerkbode 9 augustus 1952

Geraadpleegde literatuur:


Prof. J.W. Geels, Prof. P.J.M. De Bruin, Ds. G. Salomons e.a. Gedenkboek uitgegeven bij de herdenking van het eeuwjaar der Afscheiding in opdracht van de Generale Synode der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland (1834-1934)
Ds. M. Drayer e.a En toch niet verteerd. Uit de geschiedenis van de Christelijke Gereformeerde Kerken (1892-1982)
Prof. W. van 't Spijker, Een eeuw christelijk gereformeerd (1892-1992)
Dr. C.M. van Driel, Consolidatie en crisis, de Christelijke Gereformeerde Kerk tussen 1918 en 1945
Dr. M. Golverdingen, Licht en schaduw in de geschiedenis van de Gereformeerde Gemeenten, periode 1928-1948
Dr. M. Golverdingen, Bezinning op het genadeverbond, in: Daniel, 2 februari 2001
Ds. J.P. Zippro, Het onwankelbare verbond, Het verbond in de negentiende en twintigste eeuw pagina 173-225
Z. Crum-Nieuwland 'k Zal gedenken, portret van 75 jaar Gereformeerde Gemeenten
Prof. dr. A. Baars, Docent de Bruin en de Christelijke Gereformeerde Kerken, in: Oude Paden Kerkhistorisch Tijdschrift 11e jrg nr. 4.
Ds. J. Brons, Licht en schaduw van het Urker kerkelijk leven
Ds. Joh. de Rijke, Gerard Wisse, een profetisch prediker
Ds. H. van der Ham, Een wolk van getuigen, Levensschets ds. A. van der Heijden (1865-1927) pagina 9-25
Ds. H. van der Ham, Professor Wisse
Ds. H. van der Ham, De minste der broederen, levensschets ds. M. Baan (1905-1973) pagina 78-116
Ds. H. van der Ham, De minste der broederen, levensschets ds. N. de Jong (1899-1980) pagina 11-43
Ds. H. van der Ham, De minste der broederen, levensschets ds. F. Bakker (1919-1965) pagina 181-212
Ds. H. van der Ham, Een wolk van getuigen, Levensschets ds. K. Groen (1883-1943) pagina 181-195
Dr. P. de Vries, Gezanten van Gods lof, ds. C. Smits (1898-1994) pagina 9-29
J.M. Vermeulen, De zoon van Bornia, leven en werk ds. E. du Marchie van Voorthuysen (1901-1986)
J. Mastenbroek, Israëls wachter sluimert niet, herinneringen van ds. F. Mallan (1925-2010)
Oude Paden, Kerkhistorisch tijdschrift, diverse artikelen
Zestig jaar Christelijke Gereformeerde Kerk Huizen (1932-1992)
L. Spruijt, Herdenkingsboekje Christelijke Gereformeerde Kerk Delft
W.C. den Breems, Eben-Haezer, 100 jaar Christelijke Gereformeerde Kerk Vlaardingen,
H. Hille en J.M. Vermeulen, In de schaduw van het kerkelijk leven, uit de geschiedenis van de kleinste kerkverbanden binnen de gereformeerde gezindte in de twintigste eeuw
Sike Bax, Terugblik op enkele decennia Christelijke Gereformeerde Gemeenten, in: Reformatorisch Dagblad 18 februari 1984
H. Hille, Verschenen en verdwenen II, de geschiedenis van twee kleine kerkformaties, in: De Hoeksteen mei 1985
A. Bel, Predikanten en Oefenaars deel 1, bijdrage A. Bel, Cornelis Densel (1872-1933) pagina 61 - 62
A. Bel, Predikanten en oefenaars deel 2, bijdrage H. Hille Jacob Gerardus van Minnen (1900-1971), blz. 156-159


Literatuurlijst wordt nog uitgebreid




Geschriften

Lijst wordt nog samengesteld


Deel II

Zo ik niet had geloofd

Meditaties en gedichten ds. J.G. van Minnen

Laatst herzien en uitgebreid 2020

© Beheerstichting Christelijke Gereformeerde Gemeente in Nederland Delft


Ik ben nu gekomen

En Hij zeide: Neen, maar Ik ben de Vorst van het heir des HEEREN: Ik ben nu gekomen." Jozua 5: 14a.

Machtig en massief verheffen zich Jericho's muren. De poorten zijn gesloten; goed gesloten..."daar ging niemand uit en daar ging niemand in". Of het avond was of morgen, we weten het niet. Een eenzame verkenner uit het kamp van de Israëlieten verkeert in de nabijheid van die sterke veste, de sleutelstad van het "Beloofde Land". Eenzaam...geen wapendrager vergezelt hem; geen lijfwacht omringt hem. Eenzaam voelt hij zich...zijn grote voorganger Mozes is heengegaan. De Heere had hem van Nebo's top tot Zich genomen. De zware, zo verantwoordelijke taak rust op zijn schouders om het volk Israël het beloofde land in te brengen. Was Mozes er nog maar; Mozes z'n geestelijke vader en raadsman; de man aan welke God Zich zo bijzonderlijk had geopenbaard. Van aangezicht tot aangezicht had deze met Jehova gesproken. De man voor wie hij reeds jong geijverd had; tot wie hij opzag met diepe eerbied. Mozes, de middelaar van het Oude Verbond. En nu zo verlaten. Allen van zijn leeftijd in de woestijn gestorven; hij Jozua, de enige die overgebleven was. En nu die zware taak! Een groot volk leiden; een murmurerend volk. En daartegenover geweldige vijanden, Enakskinderen, zware massieve muren! Maar aan zo'n arme, niets wetende, niets vermogende Jozua kan de Heere juist Zijn belofte en toezeggingen wegschenken. Hoe heeft het toen gejubeld in zijn ziel, toen bij overdracht van de legerleiding de Heere tot hem sprak: "Gelijk Ik met Mozes geweest ben, zal Ik ook met u zijn, Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten". Maar zoals het met al Gods beloften gaat: de weg van de vervulling gaat gepaard met strijd, gebed en geloofsworsteling. In zulke dagen, zwaar van strijd en zuchten; vol van zwakheid des geloofs en twijfel des ongeloofs - wordt voor dezulken door de grote Hogepriester, de meerdere Jozua - gebeden dat hun geloof niet ophoude. Daardoor blijven zij staande, al klagen zij de harpenaar uit de grijze oudheid menigmaal na:
"Gedenk aan 't woord, gesproken tot Uw knecht,
waarop Gij mij verwachting hebt gegeven.
Dit is mijn troost, in druk mij toegelegd,
dit leert mijn ziel U achteraan te kleven".

Zo was het Jozua wonderlijk te moede. Ja, hij had rijke beloften; maar hoe zou hij ze vast blijven houden? Hij heeft levend geloof daarvoor nodig; bovenal functionerend geloof! Hij had toch levend geloof? Wij betwisten dit niet. Maar hij kon dat waarachtig geloof zelf niet laten functioneren. Want alle levensfunctionering in het groot heelal; in het rijk der engelen, in het rijk der schepping en der herschepping; daarboven en beneden; van de triomferende en van de strijdende kerk is door de krachtdadige, onweerstaanbare werking van de Heilige Geest. Door de Rode Zee ben je toch gegaan, Jozua? En door de Jordaan? En heeft God toen geen wonderen verricht? Ja! Nogmaals Ja! Maar nieuwe bezwaren rezen op. Jericho, die machtige vesting met haar zware muren!Jozua was bij Jericho; eigenlijk staat er "in" Jericho. Dat is in de nabijheid van Jericho. Daar ligt tevens in opgesloten: in zijn gedachten in Jericho en met Jericho bezig. Heeft hij daar gebeden? Ongetwijfeld! Gods volk is een biddend volk, omdat zij mede hun biddeloosheid kennen; alsook hun niet kunnen bidden. Gods volk leert ook verstaan en beoefenen: Bid en werk. Jozua was de stad aan het verkennen met veldheers- en kennersblik. Hij vreesde...hij huiverde...; hij dacht. Die de Heere vreest leert de vijand en de moeilijkheden kennen en niet onderschatten. Opdat bij overwinning men weten zal, wie deed overwinnen en wat overwonnen werd. Daarbij leren we: het gaat alles in de eerste plaats om de glorie Gods en daarin ligt de zaligheid der Zijnen. In die weg leren we pas goed de vijandschap kennen van onze verdorven aard, die de glorie van het eigen ik zoekt. En Jozua spiedt en peinst; bidt en overlegt. En verdiept in gedachten botst hij bijna tegen een man op, met een uitgetogen zwaard hem bedreigend. Een schok...een greep naar zijn eigen zwaard en scherp deze vreemdeling taxerend, klinkt het uit Jozua's mond: "Zijt Gij van ons, of van onze vijanden?" En het antwoord? Een antwoord, dat de veldheer, staande in krijgshouding, in aanvalshouding ter aarde doet zinken en in aanbidden doet overgaan. Hoe vertroostend, hoe overweldigend, hoe net op tijd was die verschijning en dat antwoord: "Neen, maar Ik ben de Vorst van het heir des HEEREN: Ik ben nu gekomen!" De Zone Gods Zelf, als de Engel des Verbonds, in het teken van de krijgsheld, die voor Israël, die voor de gehele levende kerk in de strijd voorop gaat - Hij verscheen en sprak tot Jozua. "Want God is ons ten schild in 't strijdperk van dit leven". Hij is nu gekomen; nu het voor Jozua bijna onmogelijk scheen. Al naar de noden en omstandigheden zijn treedt de Zone Gods voor Zijn kerk op. Als krijgsman, als profeet, als priester, als koning, als...vult het maar aan, u, die Hem door genade hebt leren kennen. "Men noemt Zijn Naam Wonderlijk, Raad, sterke God, Vader der Eeuwigheid, Vredevorst". En altijd is Hij gekomen in de kritieke ogenblikken. In de crisis, als het aan onze kant onmogelijk, onhoudbaar was; niet meer te bezien, niet meer te berekenen was. "Als mij geen hulp of uitkomst bleek, wanneer mijn geest in mij bezweek" - dan is het ervaren: "Ik ben nu gekomen". Om U, Jozua, te verzekeren Jericho's val en inname; geen vijand die het beletten zal.

Zo kwam de Heere steeds bij ieder kritiek ogenblik, als de Kerk in nood en vreze verkeerde. Gekomen is Hij, toen Egypte Israël met de slavenzweep striemde en de tichelstenen vermenigvuldigd moesten worden. Toen juist werd Mozes geboren, is de uitspraak van een rabbijn.

Hij is gekomen toen het antieke Babel Israël in zijn greep omkneld had. Hij zal komen als het moderne Babel, het rijk van de antichrist, denkt de Kerk des Heeren onder te zullen brengen. De Heere is de getrouwe en zal komen, als u in welke omstandigheden ook - geen hulp of uitkomst ziet.

Nu - als u met uzelf omkomt; nu- als u met al het uwe er buiten valt; nu - dat is bij alle crisismomenten in uw stervensgang. Want voor de levende Kerk is stervend, leven; en levend, sterven. Zo sterft door de Heilige Geest de oude mens af en door dat sterven leeft Gods kind steeds meer Gode; wordt het beeld van de Heere Jezus Christus steeds duidelijker en schoner in dezulken gezien. Ja, Hij komt nu, als uw verwachting, gelijk een kaars uitgaat; als uw gebed schijnbaar op een koperen hemel afketst; als u geen woorden meer hebt; als het wordt:

"Ik had m'n handen beide, in stilte van de nacht,
geheven naar de hemel gevouwen en gewacht...
'k Kon niet meer vragen; klagen.
Ik kon niet meer gewagen
hoe arm m'n ziele was.

Ja, Hij komt, als u steeds meer aan u zelf ontdekt wordt, door Woord en Geest en zo de noodzakelijkheid gekend wordt van het: "Geef mij Jezus of ik sterf; buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf". "Ik ben nu gekomen!" Als u het niet meer dragen kunt; als uw kracht op is; als u dacht stille te kunnen zijn en het wordt laaiende opstand; als de 'waaroms' zich vermenigvuldigen; als u het niet dragen kunt; als u er niet onder komen kunt; als u geen amen op 's Heeren doen kunt zeggen. Gekomen, om u dan te doen ervaren: "In de grootste smarten blijven onze harten in de Heer' gerust". Gekomen om psalmen te geven in de lijdensnacht. We zijn toch van ons zelven zulke geduldig dragende lijders niet. Gekomen, als u onder welke omstandigheden ook; in welke noden dan van lichaam en ziel - als u onder alles dreigt weg te zinken en met de patriarch Jakob uit moet roepen: "Al deze dingen zijn tegen mij". Zalig, driewerf zalig, als u het dan ervaart: Ik ben nu gekomen.

Bij welke ruïnen en puin en u ook neerzit; van verwoest levensgeluk, van hoog opgebouwde, rijk gekleurde idealen, bij ineenstorting van uw eigenwillige godsdienst, van uw vermeend bekeerd-zijn, van een belijden zonder beleven; als u aan het einde bent en de Heere komt in het nu van uw einde...dat het dan door Gods Geest in uw ziel mag klinken: Ik ben nu gekomen. Zo komt Hij voor Zijn volk, altijd maar weer, als zij sterven aan al wat niet van die God des levens is. Zo komt Hij in het telkenmale: Maar na de dood is het leven mij bereid; de dood van het hunne - het leven uit God in Christus Jezus. Zeg nu niet, dat u voor dit stervensproces zo gewillig bent. Dan hebt u er misschien niets van verstaan en ervaren. Nee, u wilt en kunt zelf niet geestelijk sterven. Sterven is passief; dat ondergaat u en daar bent u zo direct maar niet voor ingewonnen. Dat sterven doet de God des levens u ondergaan door Zijn Woord en Geest, als Hij u geestelijk laat sterven aan u zelf. Dan zult u leven; eeuwig leven uit Hem en door Hem en tot Hem in het immer komen tot u.

U, die God niet kent, of u een Christusbelijder bent of geen; als u nooit nog beleefde wat u belijdt; als het nooit nog kwam tot beleven van uw belijden; nimmer nog tot belijden en beleven - zoekt u het leven nog altijd in u zelf. Blijft dit zo, dan wordt het uiteindelijk een omkomen in uw zelfhandhaving en zult u te laat tot de ontdekking komen, dat God Zich handhaaft. Weet dat de Zone Gods weer spreken zal: Ik ben nu gekomen.

Maar dan om gericht te houden op aarde. Als dan de antichrist woedt en straffeloos meent Gods Kerk ten onder te kunnen brengen. Als het voor die Kerk dan zo bang zal zijn; ze dreigt te bezwijken en vreest om te komen - dan zal Christus komen om Zijn Bruidskerk ter eeuwige bruiloft te voeren. Reeds is daar een verlangen in de hemel van de triomferende Kerk naar de vereniging met de strijdende Kerk op aarde. Daar is ook een verlangen bij de Bruidegom om Zijn duur gekochte Kerk bij Zich te hebben en voor het aangezicht van Zijn Vader te stellen rondom Zijn troon. Hij verlangt nog meer dan wij. Daar is zo weinig verlangen bij de slapende Bruidskerk om haar Bruidegom te ontmoeten. Maar of het voor die Kerk verrassend is, of wel dat ze verwachtend en verlangend uitziet - als Hij komt is Zijn komst tot haar eeuwige blijdschap. Maar voor de antichrist en allen die zijn merkteken dragen zal het tot een eeuwig oordeel zijn. Zoals eenmaal de Zone Gods, naar Zijn eigen getuigenis, satan als een bliksem uit de hemel zag vallen - zó zal Hij alles wat zonde is en anti-goddelijk, dan van deze aarde als "wegbliksemen". Zal het zijn: Ik ben nu gekomen om "deze" wereld, zoals ze door de zonde geworden is, door een heftig ingrijpend, kort louteringsproces te zuiveren en haar te brengen tot "de" wereld van het eeuwig raadsplan en welbehagen Gods. Dan zult u, die niet hebt leren buigen voor "die Vorst der aard" onder de toorn Gods eeuwig blijven sterven. Dan is Hij gekomen om als de rechtvaardige Rechter u in het eeuwige vuur te doen gaan; in de buitenste duisternis; in de plaats waar het vuur niet uitgeblust wordt en de worm niet sterft; waar de smart nimmer eindigt. O, meen niet dat dit fantasie is of dat u dit naar het rijk der fabelen kunt verwijzen! De realiteit van deze dingen zal maar al te spoedig beleefd worden. "Het leven is een damp, de dood wenkt ieder uur". Dat moet u, van God vervreemde, toch ook toestemmen. Haast u daarom om des levens wil! Want zonder het bedekkende kleed van Christus gerechtigheid, zult u het niet kunnen uithouden onder de uitstraling van de deugden van Gods gerechtigheid en heiligheid. Zult u dan roepen tot de onbezielde natuur: "Bergen valt op ons en heuvelen bedekt ons!" God geve, dat u hier, nog in de dag der zaligheid, nog in het heden der genade leert bidden om genade. Dat u niet onder die schare zult staan, die dan pas voor het eerst bidt tot...heuvelen en berggevaarten. Een gebed...dat nooit verhoord wordt.Wie op aarde leert buigen en bukken voor de hoge God; wie op aarde leert bidden door de Geest der genade en der gebeden in de nood zijner 'ziel, zal het ervaren: God laat geen bidder staan. Zal het ervaren: Ik ben nu gekomen, als u met u zelf omkomt.Daar is geen andere weg! Daar is geen moeilijker weg als deze! Daar is ook geen weg, waarop zaliger beleefd wordt: Die "zijn" leven zal verliezen, die zal het behouden; óók in de dag des gerichts, als Hij gekomen zal zijn!"

Nog eenmaal zal Hij komen
als Richter van 't Heelal;
Die 't moede hoofd der vromen
voor eeuwig kronen zal".

Het reiskleed valt dan af. Het land der vreemdelingschap ligt achter. Het klinkt u dan tegen: Ik ben nu gekomen. God verheerlijkt Zich in Zijn eigen werk. Hij laat Zijn volk er buiten vallen. Hij komt dan juist .... komt dan "nu" om de Zijnen de eeuwige vreugde binnen te leiden.
"Ik ben nu gekomen".

"Alle roem is uitgesloten,
onverdiende zalighêen
heb ik van mijn God genoten;
'k roem in vrije gunst alleen!"