samenstelling: E. Lodewijk

Geboorte en afkomst

Jacob Gerardus van Minnen werd geboren op 8 mei 1900 in de Zuid-Hollandse 'Haringstad' Vlaardingen als enige zoon van Abraham van Minnen (1848-1929) en diens echtgenote Adriana Pontier (1861-1932). Bij de geboorte van Jacob was Abraham werkzaam als winkelier en al op leeftijd: 51 jaar. Twee maal eerder werd hij weduwnaar. Op 6 oktober 1897 vond een derde huwelijk plaats met Adriana Pontier, geboren op 14 oktober 1861 in Lekkerkerk. De vader van de bruid, Gerardus Jacobus Pontier, was scheepmaker van beroep en in 1879 vanwege de werkgelegenheid vanuit Lekkerkerk in Vlaardingen komen wonen. Behalve een zoon, ontvingen Abraham van Minnen en Adriana Pontier samen nog drie dochters: Jacoba geboren op 24 oktober 1898, Adriana geboren op 2 mei 1901, Wilhelmina geboren op 16 juni 1904.

Kerkelijk was het gezin Van Minnen aangesloten bij de Gereformeerde Kerk van Vlaardingen aan de Landstraat. Deze gemeente was ontstaan in het najaar van 1848 ten gevolge van de afscheiding van 1834. Arie van Minnen, een 49-jarige schipper, las op zondag 10 december 1848 in een woning aan de Franschenstraat de eerste preek naar aanleiding van Jeremia 3 : 14. Bekeert u, gij afkerige kinderen! Spreekt de HEERE, want Ik heb u getrouwd, en Ik zal u aannemen, een uit een stad, en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Sion. Begonnen met enkele tientallen leden breidde de Christelijke Afgescheiden gemeente zich gestadig uit en kreeg in juni 1853 een eerste predikant in I. Middel (1829-1896). In de periode 1871-1879 werd de gemeente gediend door ds. K. Kleinendorst en telde omstreeks 500 zielen. Na diens vertrek werd ds. W. Sieders op 14 april 1880 aan de gemeente verbonden die de gemeente meer dan veertig jaar tot zijn emeritaat in 1922 diende. Door hem werd Jacob Gerardus van Minnen [waarschijnlijk] ook gedoopt.

Akte van verbintenis ambtsdragers Christelijke Afgescheiden Gemeente (na 1892 Gereformeerde Kerk A) Vlaardingen
Akte van verbintenis ambtsdragers Christelijke Afgescheiden Gemeente (na 1892 Gereformeerde Kerk A) Vlaardingen

De periode ds. Sieders is een bloeitijd geweest, want tegen het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 telde de Vlaardingse gemeente ongeveer 1650 leden verdeeld over twee kerkgebouwen. Ter ondersteuning van ds. Sieders werd in 1916 als tweede predikant ds. K. Schilder beroepen die, na het te hebben aanvaard, op zondag 10 december 1916 werd bevestigd. Tot Schilders grootste uitdaging behoorde onder andere de gewenste samensmelting van de A en B kerken. Met de A kerk werd de gemeente bedoeld zoals ontstaan uit de afscheiding van 1834 en met de B kerk de gemeente die ontstaan was uit doleantie in 1887. Deze laatste gemeente telde in 1917 zo'n 1610 leden en kwam bijeen in een kerkgebouw aan de Kuiperstraat. Tussen beide groeperingen bestond een complexe verhouding. In 1892 was op synodaal niveau een vereniging gerealiseerd, maar op plaatselijk niveau waren de geesten nog lang niet rijp. Op plaatselijk niveau vond de samensmelting pas jaren later plaats. In Vlaardingen was dat in december 1920. Een tweede uitdaging die Schilder ter hand nam was de bestrijding van de gereformeerde mystiek. Hierbij bedoelde hij in eerste instantie allerlei uitwassen van het geestelijke leven en ook het krijgen van teksten en voorkomende waarheden. Uiteindelijk richtte hij zijn pijlen vooral op die geloofsbeleving zoals die voortkwam uit invloed van de predikers van de Nadere Reformatie. Schilder legde een sterke nadruk op het verbond waarin volgens hem de ware mystiek gelegen was. Het corrigerende optreden van Schilder leidde tot spanningen en als gevolg hiervan verlieten leden de gemeente. Ze sloten zich aan bij de Christelijke Gereformeerde Kerk die in 1908 gesticht was.

Eendrachtstraat Vlaardingen
Eendrachtstraat Vlaardingen
Ds. W. Sieders
Ds. W. Sieders

Vlaardingen

In deze stad schijnt het roerig te zijn in de Gereformeerde Kerk wegens de samensmelting van Kerk A en B. Onder het opschrift "Wat dan", vraagt ds. Schilder in de Gereformeerde Kerkbode van Vlaardingen of er wel reden is om wegens die samensmelting te willen overgaan naar de Christelijke Gereformeerde Kerk aldaar, of zoals ds. Schilder haar noemt "het asiel, voor hen, die 't met de ineen smelting niet eens kunnen worden. Wij willen niet op alles ingaan, wat Ds. Schilder schrijft. De toon reeds is zo onwelwillend, dat ieder voelt, dat hier iemand aan het woord is, die zijn overkropt gemoed in bitterheid uitgiet over de Christelijke Gereformeerde Kerk.(...) Ds. S. [veroordeelt] het overgaan naar de Christelijke Gereformeerde Kerk ter oorzake van de samensmelting en vraagt of die Christelijke Gereformeerde Kerk nu ineens wegens die samensmelting gepromoveerd is tot de ware kerk van Christus. Nee, ds. Schilder, die kerk was reeds vóór 1892 de ware kerk van Christus en bleef dat, toen zij, ook al werd zij door velen verlaten in 1892 die met de vereniging meegingen, in het voetspoor van 1834 bleef voortgaan. Nu promoveert de samensmelting haar niet tot ware kerk, maar die samensmelting is het middel waardoor de ogen open gaan, dat men in 1892 door vereniging een verkeerde weg ging. Zo lang men plaatselijk niet samensmolt, werd dit door sommigen niet zo gevoeld, maar  nu de vereniging consequent tot samensmelting  leidt, gevoelt men: beter ten halve gekeerd, dan geheel gedwaald.

 Ds. P.J.M. de Bruin, 23 mei 1919



Ds. K. Schilder
Ds. K. Schilder

Van Afscheiding tot Samen op Weg

In vier generaties kan er veel veranderen. Dit zien we ook als we de kerkelijke gang van Ary van Minnen, de man die in 1848 voor een klein gezelschap van Vlaardingse afgescheidenen zijn eerste preek las, en diens nakomelingen volgen. In vier generaties ontwikkelde deze familie zich van afscheidene tot stimulator van Samen op Weg. Ary's zoon werd predikant. Dit was Maarten van Minnen (1837-1910) die in de geschiedenis naar voren komt als een irenische figuur. Met vrucht heeft hij de oude Christelijke Gereformeerde Kerk van voor 1892 gediend en na de vereniging met de dolerenden de Gereformeerde Kerken. Ds. M. van Minnen was werkzaam in Tholen (1865-1867), Hardinxveld-Giessendam (1867-1871), Hazerswoude (1871-1873) en Utrecht (1873-1906). In Utrecht maakte hij de Vereniging van 1892 mee. Hoewel hij wel enige moeite had met het proces ging hij uiteindelijk toch mee. Een zoon van ds. M. van Minnen werd ook predikant. Dit was ds. A.H. van Minnen (1866-1950). Arie Hendrik Van Minnen was als predikant werkzaam in Zaamslag (1892-1897) en daarna stond hij ruim veertig jaar in 's-Gravenzande (1897-1937). Ds. A.H. Van Minnen ging ertoe over om de gehele kerkelijke gemeente als wedergeboren christenen te beschouwen. In 1933 verscheen een boekje van zijn hand over belijdenis doen. Prof. Van der Schuit recenseerde dit boekje als volgt: "In dit boekje lezen wij goede dingen, en het zal in de gereformeerde kerken zijn weg vinden. De dieptepsychologie (zielkunde) naar Gods Woord en onze gereformeerde verbondsbeleving wordt hier al te veel gemist en daarom kunnen wij het niet onvoorwaardelijk aanbevelen." De zoon van ds. A.H. van Minnen was dr. Johannes Maarten Van Minnen (1913-1997). Deze begon zijn ambtelijke loopbaan in 1939 als predikant in Rotterdam-Zuid (Katendrecht). Hier stond hij tot 1944 waarna hij zendingspredikant werd onder de chinezen. In 1947 werd hij evangelisatie predikant in Bussum. Na 1952 was hij tot 1978 studentenpredikant in Utrecht waar hij grote populariteit genoot. In zijn studentendiensten onder de naam van Evangelische Academie Gemeente, zat de intellectuele bovenlaag van gereformeerd Utrecht onder zijn gehoor, waaronder prinses Irene. Dr. J.M. Van Minnen behoorde tot de groep van Achttien theologen -negen hervormde en negen gereformeerde waaronder H.M. Kuitert - die van mening waren dat de Gereformeerde Kerken in Nederland rijp waren voor samengaan met de Nederlandse Hervormde Kerk en stond dus aan de basis van het Samen op Weg proces. Kortom, deze verwanten uit het nageslacht van Ary Van Minnen ontwikkelden zich geleidelijk, in vier generaties, naar een compleet ander spectrum van het kerkelijke leven.

Ds. M. van Minnen en ds. A.H. van Minnen
Ds. M. van Minnen en ds. A.H. van Minnen

Verschuiven in de kerk, is dat erg?

In dit verband is het interessant kennis te nemen van een boekje dat geschreven werd door dr. J.M. Van Minnen in samenwerking met dr. E. de Vries in 1982. Dit boekje gaat in op de veranderingen binnen de Gereformeerde Kerken vanaf de jaren vijftig. De schrijvers juichen deze veranderingen toe. Ze wijzen erop dat alles onmogelijk bij het oude kan blijven. Ze willen de gemeenteleden hierbij een zekere begeleiding bieden. Direct opvallend is de relativerende aanpak en de vlakke omschrijving van het christen-zijn.  "Iemand die christen wil zijn heeft gekozen om zich beslissend te laten leiden door de bezieling en invloed die uitgaan van de woorden en het leven van Jezus van Nazareth." Het is vooral Jezus die als het grote Voorbeeld centraal staat, maar over verzoening wordt nauwelijks geschreven. De schrijvers wijzen erop dat christenen door de eeuwen heen steeds geprobeerd hebben helder te krijgen wat goed en fout is. Het programma wat daar vervolgens uit samengesteld werd, draagt het stempel van die tijd en die cultuur waarin die christenen leefden. Met deze formulering wordt ruimte geschapen voor een nieuwe zienswijze. Daar gaan de schrijvers de lezers op voorbereiden. Het levensprogramma van een christen uit de Middeleeuwen of in het begin van de 20ste eeuw zag er nu eenmaal heel anders uit als iemand die nu leeft. Dat is niet erg zeggen de schrijvers, maar het wordt wel problematisch als iemand een dergelijk programma van bijvoorbeeld dertig jaar geleden algemene en blijvende geldigheid wil geven. Als voorbeeld noemen zij de wetten van Mozes. Deze wetten waren een systeem van uiterst zinvolle door God ingegeven regels voor een bepaald volk en onder bepaalde omstandigheden. Vervolgens behandelen de schrijvers actuele thema's waar we mogelijk (!) toch anders over moeten gaan denken. De boodschap wordt behoedzaam naar voren gebracht en de lezer wordt aan het denken gezet doordat de schrijvers veelvuldig gebruik maken van vraagtekens.

Pinksteren 1961. Achttien predikanten uit hervormde en gereformeerde kerken wenden zich tot de leden van deze kerken met de volgende oproep: "Ondergetekenden, een willekeurige groep van hervormden en gereformeerden, hebben op een bijeenkomst van 24 april 1961 unaniem als hun oordeel uitgesproken, dat de gescheidenheid van de hervormde en gereformeerde kerken niet langer geduld kan worden. Bewogen door de verwachting van het Rijk Gods en de opdracht der kerk in de wereld, zijn zij er gezamenlijk van overtuigd, dat naar eenwording gestreefd moet worden. Zij hebben zich voorgenomen stappen te doen om deze eenwording krachtig te bevorderen." Deze verklaring werd ondertekend door: ds. J.H. Baas, dr. E.J. Beker, ds. W. van Boeijen, L.A.C, van Ginkel, ds. M. Groenenberg, ds. I.J. van Houte, ds. G.P. Klijn, ds. H.M. Kuitert, ds. G. Lugtigheid, dr. J.M. van Minnen, ds. J. Monteban, ds. T. Poot, ds. F.J. Pop, ds. E. Pijlman, dr. P.L. Schoonheim, ds. J.H. Sillevis Smitt, ds. G. Toornvliet en dr. J.M. Vlijm.


De vrije Gereformeerde Gemeente

De andere tak van de familie van Minnen is ongetwijfeld op de hoogte geweest van de ontwikkelingen bij hun aanverwanten. Zij maakten echter een andere kerkelijke keuze. Kort na de eeuwwisseling sloot het gezin zich aan bij de Vrije Gereformeerde Gemeente van Vlaardingen. Deze gemeente was in 1879 ontstaan, na het vertrek van ds. K. Kleinendorst. Partijschappen tussen een bevindelijke en een meer voorwerpelijke richting deden de gemeente reeds eerder in twee wegen uiteen gaan. Een deel van de gemeente ging afzonderlijke diensten beleggen en zocht contact met ds. E. Fransen. In september 1880 werd door deze predikant een vrije Gereformeerde Gemeente in Vlaardingen geïnstitueerd. Aan het Westnieuwland werd een kerkje gebouwd, dat op 22 januari 1881 in gebruik werd genomen. Datzelfde jaar kreeg men in de persoon van ds. Frederik Meijer een eigen predikant. Na diens overlijden in 1890 kwam in 1894 ds. Abraham Verheij over vanuit Delft. Nadat op 1 augustus 1898 ds. A. Verheij emeritaat was verleend, kreeg de gemeente na 3 jaar opnieuw een voorganger in ds. Cornelis Densel (1872-1933). Het was in deze periode dat het gezin Van Minnen zich aansloot bij de gemeente. Nadat ds. Densel op 21 juli 1901 door ds. G. van Reenen in Vlaardingen was bevestigd, nam het ledental van de gemeente zeer toe. Diens prediking sloeg aan en Densel ijverde voor het verenigingsleven en het zondagschoolonderwijs. Tijdens de ambtsperiode van Ds. Densel werd het kerkje aan het Westnieuwland afgebroken en op dezelfde plaats een grotere kerk gebouwd. Na zijn verblijf in Vlaardingen vertrok hij als predikant naar de Verenigde Staten. Per 17 april 1910 werd de plaats van ds. Densel ingenomen door ds. P. van der Heijden. Deze dominee had naar verluidt een wat andere inslag als ds. Densel en zou meer nadruk gelegd hebben op de rechtvaardigmaking. Theologisch was ds. Van der Heijden goed onderlegd, hij schreef een uitgebreid handboek over de gereformeerde geloofsleer. Hij had goede contacten binnen andere kerkverbanden, waaronder de Christelijke Gereformeerde Kerk. Toch sloot hij zich niet aan, omdat hij stond op het standpunt stond van een vrije kerk. Onder de prediking van ds. Van der Heijden zat Jaap van Minnen gedurende zijn verdere jeugd en van hem ontving hij ook catechisatie. Omdat ds. Van der Heijden meende dat twee jongelieden uit zijn gemeente, Jaap van Minnen en de dertien jaar oudere Arie de Blois later predikant zouden worden ging hij ertoe over om beiden afzonderlijke catechisatielessen te geven. Van ds. De Blois is bekend dat ds. Van der Heijden hem privé onderwijs gegeven heeft in de grondbeginselen van de oude talen en de gereformeerde geloofsleer.

Van Minnen haalt later met instemming een passage aan uit een preek van ds. C. Densel ''Een bekommerde ziel heeft genoeg, mits zij aan haar bekommering niet genoeg heeft.'' Hij voegde daar zelf aan toe: "Waarlijk nieuw[geestelijk] leven uit zich; ja schuchter; staat naar meer; staat naar zekerheid. Maar niet brutaal de Heere dwingen. De verst gevorderde in de genade zal ook nog een bekommerde blijven. Ja, dit steeds intenser beleven "ik ben bekommerd vanwege mijn zonden. Lees maar in de berijmde ps. 19 vers 6 't slot onder andere: "Was, reinig mijn gemoed van mijn verborgen zonden." Let op: verborgen, dat is zonde, waarvan ik niet weet, dat het zonde is. Zonden "verborgen"; die ik doe en toch mij niet ontdekt zijn. Deze dichter had toch wel diepe zelfkennis! David betuigde na zijn val: "Ik ben bekommerd vanwege mijn zonden". Maar dit geldt niet alleen over een bijzondere gruwelijke zonde, waarover Godskinderen direct of later toch bekommerd zijn - of worden. Evenzeer zullen ze bekommerd zijn over het: "Want wij struikelen allen in velen - en 't weten, dat de beste werken nog met zonde bevlekt zijn."


Aansluiting Gereformeerde Gemeenten

Arie de Blois werd op 30-jarige leeftijd tot ouderling gekozen, en tijdens een ziekte van ds. Van der Heijden ging hij zelfs als lerend-ouderling in de kerkdiensten voor. De Blois en Van Minnen hebben zich anders ontwikkeld als ds. Van der Heijden voor ogen gehad heeft. Beiden hadden een sterk kerkelijk besef en de Blois ijverde in zijn functie als lerend ouderling voor aansluiting bij het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten. De verhoudingen in Vlaardingen zijn een tijdlang gespannen geweest tussen "de oude dominee en de nieuwe dominee." Het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten was ontstaan in 1907 door een vereniging van de Gereformeerde Gemeenten onder het Kruis en de Ledeboeriaanse gemeenten. In oktober 1907 verenigden zich 35 gemeenten waarvan zeven predikanten zich tot de Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Na het ontstaan van dit kerkverband sloten zich diverse vrije gemeenten aan, zoals in Leiden, Dirksland, Lemmer, Enkhuizen-Andijk.  In 1920 besloot men in Vlaardingen met grote meerderheid het zelfstandig bestaan op te geven en aansluiting te zoeken bij het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten. Toen de Vlaardingse gemeente overging naar het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten ging de familie Van Minnen mee. De Blois wilde na de overgang tot de Gereformeerde Gemeenten direct zijn werkzaamheden als lerend ouderling beëindigen, maar er werd bij hem op aan gedrongen zijn studie voort te zetten bij ds. W. den Hengst in Leiden, hetgeen ook gebeurde.

Geestelijk leven

Het gezelschapsleven is gedurende de tweede helft van de 19de en begin 20ste eeuw een belangrijk fenomeen geweest is. Rond 1900 was het vrij normaal dat er stichtelijke boeken mee genomen werden op zee, waaruit de schipper zijn manschappen voorlas en ook werden er godsdienstoefeningen aan boord gehouden. In 1761 verscheen het boek 'De Godvreezende Zeeman' waarin gebeden, gezangen en preken stonden. Tot in de twintigste eeuw werd dit boek aan boord gebruikt. In Vlaardingen waren ook godsdienstige gezelschappen waarbij mensen bijeen kwamen om te spreken over het geestelijke leven. Het waren veelal maar gewone mensen, zeker geen mensen met een lichtkrans rondom hun slapen. Ook was het geestelijke gehalte van de gesprekken niet altijd even hoog, vooral niet als het ging over kerkelijke zaken. Van Minnen vertelde hierover het volgende: "Daar kon je ze met elkaar horen spreken over de nietige dingen van het aardse leven; horen kwebbelen, hoog uit, over de gebreken, fouten en tekortkomingen van een ander. De balk in eigen oog zag men dan niet, maar de splinter in het oog van een ander zag men dan als een balk. Later moest men dan wel bekennen, dat men met een veroordeling in de ziel huiswaarts ging. Anderzijds waren er "óók avonden, dat het een getuigen was van wat de Heere gedaan had en waarvoor Hem de eer gegeven werd."

Onderwijzer

In 1917 was een doorbraak bereikt door de financiële gelijkstelling van het bijzonder en openbaar onderwijs. Er werden veel eigen gereformeerde scholen opgericht. Deze scholen waren vaak maar klein. In mei 1920 slaagde Jaap van Minnen voor zijn examen als onderwijzer. Hierop volgde een aantal tijdelijke benoemingen achtereenvolgens aan de Christelijke school in Chaam, aan de Savorin Lohmanschool in Scheveningen en de Christelijke School (Marinestraat) in Rotterdam. In oktober 1921 volgde een benoeming als onderwijzer aan de dr. Kuyperschool in Maassluis.

Op 12 april 1923 werd de Blois in Vlaardingen tot predikant bevestigd door ds. W. den Hengst. In de Saambinder volgde een verslag: "Van de broeders S. Moerman en J. G. van Minnen, leden der Vlaardingse gemeente, gewerd ons het verzoek onderstaand stuk, naar den wens van vele vrienden, in de Saambinder op te nemen. Aan dit verzoek gevolg gevend, menen wij het gevoeglijk in deze rubriek te kunnen plaatsen. zingen zij, in God verblijd, Aan Hem gewijd, van 's Heeren wegen. Dit moge en zal wel de erkenning en blijdschap zijn van de gemeente van Vlaardingen; waar, onder een zeer talrijk gehoor, de weleerwaarde heer ds. W. den Hengst donderdagavond 12 April in het kerkgebouw van de gemeente onze voorganger, de weleerwaarde heer en broeder A. de Blois, in zijn ambt als bedienaar des Goddelijke Woords in deze gemeente heeft bevestigd. Als tekst had Zijn eerwaarde gekozen 1 Thessalonicenzen 5: 24 "Hij, die u roept, is getrouw, die het ook doen zal", aan de hand waarvan spreker de gemeente bepaalde bij 'De vastigheid van 's-Heeren kerk en knechten.' Spreker kwam eerst te handelen over de tweeërlei roeping, namelijk de algemene, tot allen die onder het Evangelie leven, als vrucht der algemene genade en de bijzondere, gewerkt door de Heilige Geest tot zaligheid(...)"

Onderwijzer Van Minnen
Onderwijzer Van Minnen

Autobiografisch proza

Van Minnen schreef behalve poëzie ook proza. Licht en donker is een thema dat regelmatig terugkeert in zijn werk. Ook zijn er reacties bij op de literatuur van de Tachtigers, een groep jonge schrijvers die aan het einde van de negentiende eeuw in de belangstelling kwamen. Met name Willem Kloos, Hélène Swarth en Jacques Perk worden nogal eens door hem aangehaald. Jacques Perk was een zoon van een Amsterdamse dominee die in 1880 het gedicht Iris schreef over een jongeman die een onbeantwoorde liefde koesterde en daardoor tot liefde voor de schoonheid komt. Opvallend is de religieuze toon die hierbij gebruikt werd: "Schoonheid, o gij, wier naam geheiligd zij." De literatuur van de Tachtigers was een reactie op de 'brave' cultuur van de negentiende eeuw waarbij alles moest dienen tot het algemeen nut en de moraal. In de nieuwe literatuur kreeg de 'schoonheid' een zelfstandige plaats. Maar waar de literatuur uiteindelijk verlegen blijft staan met de wereldraadselen ligt het antwoord en de ware schoonheid in de openbaring van Jezus Christus aan het zondaarshart. Twee verhalen 'Toen het donkerde' en 'Licht ten tijde des avonds' dragen een sterk autobiografisch karakter en hebben betrekking op de periode 1919-1930.

Roeping tot het ambt

Tussen 1909 en 1930 verdrievoudigde de onkerkelijkheid in Nederland tot 14 procent. Het kerkbezoek kende een tijdelijke opleving in de eerste fase van de oorlog, maar liep daarna snel terug. De oorlog versterkte bij velen het eschatologisch besef. Aan de Volksuniversiteit in het Marnix Gymnasium in Rotterdam liet Van Minnen zich in de eschatologie scholen bij dr. Klaas Schilder. Ook volgde hij lessen bij de opperrabbijn Justus Tal (1881-1954) die tussen 1915 en 1918 lesgaf in de klassieke talen aan het gemeentelijk gymnasium. Aanvankelijk wilde hij Nederlandse Letteren gaan studeren. Ondertussen voelde hij in zijn binnenste de roeping tot het predikambt in zijn binnenste branden. A. de Blois leefde hierin met hem mee. Door deze begaafde predikant werd veel voorbereid. Ds. de Blois was een man die zich kenmerkte door een eigen visie en met een eigen stijl van preken. In de jaren toen het kerkelijk leven in de Gereformeerde Gemeenten onder grote invloed stond van ds. Kersten en ds. Fraanje heeft hij toch zijn eigen karakter bewaard. Zijn preken waren belijnd zijn woordkeuze was zorgvuldig en werden met helderheid van stem uitgesproken. De Blois was zes 6 jaar in Vlaardingen werkzaam en vertrok in 1925 naar Dirksland. Na het vertrek van ds. De Blois werd de gemeente gediend door ds. J.D. Barth van 1928-1930. Op 28 juli 1926 huwde Jaap van Minnen in Vlaardingen met Engelina van Eenige, geboren 28 januari 1901 in Vlaardingen.

Helene Swarth, u zong eens uw sterren-tranenlied. U zonk menigmaal neder  aanbidding, wanneer de sterren u lonkten, ver, eind'loos ver. Gij noemde ze miljoenen hemel-liefde vonken. En de smart door de verre sterren, van het niet verstaan, overweldigde u. Maar meer nog was het een uitschreien naar God. En uit uw ziel klonk het als een kreet naar het leven: "O God, ik kan niet leven zonder God!" Ook mijn ziel spant van ontroering, maar ook van doorademing van mijn God. Hij heeft zich aan mij geopenbaard en daarom ken ik Hem. Ik aanschouw Hem in het avondlandschap. Ik gevoel hem in mijn bevende ziel. Ik hoor hem in het ruisen van de avondkoelte. Ik zie Hem lichten in het kleurengetover van het grote licht des hemels. Grote God, te loven U, is het grootste, is het schoonste wat een sterveling kan overkomen. Eeuwige Koning, Almachtige Schepper, het was toch donker gebleven, indien mijn ziel niet was herschapen geworden door Uw Geest en Uw levendmakend Woord. Jezus, mijn Heiland, Golgotha, kruispaal, droppelend bloed. Goel, verlosser van zonde en dood; levenverwekker, dageraadswekker; doodsoverwinnaar, Opstandingsvorst, omdat u Leeft, zal ik leven! Had ik U niet aanschouwd, Uw kracht niet gesmaakt, Uw genade niet geproefd, dan was het zwarte nacht gebleven,was ik ondergegaan van heimwee naar sterren en avondmysterie. Dan had het verlangen om de ochtend te zien lichten mijn ziel stuk gescheurd en had toch nimmer die ochtend aanschouwd.

            J.G. van Minnen (Licht ten tijde des avonds)

Voor- en tegenstanders van het vrije lied erkennen, dat er geen bewijs is, dat het vrije lied in de eerste christelijke gemeente is ingevoerd. Teksten als 1 Korinthe 14: 26; Efeze 5: 19 en Kol. 3: 16 leveren geen bewijs van het vrije lied. De historie bewijst, dat de roep om het vrije lied uitging van hen, die ketterse gevoelens aanhingen. Daarom keerde de kerk zich er ook tegen. (Laodicea 360 en Braga 563). Calvijn ijverde voor de Psalmen en wel op principiële gronden. De Gereformeerde Kerken in verschillende landen volgden Calvijns voetspoor. Later werden er gezangen ingevoerd. Maar die invoering was mee een gevolg van de verslappende geest van het Calvinisme (zie o.a. Prof. J. Severijn over de Gezangen). Deze schrijver schreef zo kernachtig: "De voorkeur voor de psalmen, die het calvinisme eigen is, wortelt in het geestelijke leven, dat zich verwant weet aan datgene, waaruit de Psalmen zijn geboren. Het is de levens-relatie, die het Calvinisme aan de Psalmen bindt. Hetzelfde leven, dat het in eigen boezem ervaart, ruist door de psalmen heen en stelt tot richtsnoer, waaraan het geloofsleven zich toetst, sterkt, vertroost, en één weet met dat der heiligen Gods." "De drang naar gezangen, ging uit van hen, die van een andere geest waren".

'Ten aanzien van de vrouw in het ambt zal de studie onverminderd voortgaan'. Dan moet de conclusie wel zijn: wat geeft God toch een zware studie op aan ambtsdragers om zijn Woord te verstaan! Vaak zijn het echter zaken die onder ons volkomen zekerheid hebben! (Lukas 1: 1). Wij zijn tegen de vrouw in het ambt. En toch onverminderd studie daarover! Deze zaak is toch niet te rangschikken onder enkele zaken die in Gods Woord 'zwaar zijn om te verstaan' (2 Petrus 3: 16). Integendeel! wat stelt men dan t.o.v. deze zaak Gods Woord als zijnde zeer vaag. (...) Veel ten opzichte - ook van deze zaak - staat in het teken van het vraagteken: Is het ook dat God gezegd heeft? (Genesis 3: 1).