Deel 1

Jacob Gerardus van Minnen (1900-1971)

Biografische schets

"Ik erken het ideale van het allen één zijn, maar te gemakkelijk wordt vergeten, dat dit één zijn uit het Johannes Evangelie allereerst ziet op de apostelen: dat zij allen één zijn in de prediking van Jezus Christus en Dien gekruisigd, waarop de Nieuwtestamentische kerk gebouwd zal worden."


J.G. van Minnen


"Als de zuivere prediking van [Gods] Woord in de verre omtrek niet te beluisteren valt - zei wijlen ds. [J.A] Riekel eens - dan is de zolder je kerk. Ja toen overwegend de huizen nog zolders hadden met puntdaken. De verticale lijn, naar omhoog wijzend: "van waar mijn hulpe komen zal". Terwijl nu, ook zelfs in de bouw, de horizontale lijn overheersend is. Dat is niet per ongeluk. Dr. B. Wielinga wees daar reeds op, toen hij doceerde voor een volksuniversiteit. Hij wees reeds in de twintiger jaren op het toenemend "horizontalisme". Een woord uit deze tijd."


J.G. van Minnen

Geboorte en afkomst

Jacob Gerardus van Minnen werd geboren op 8 mei 1900 in de Zuid-Hollandse 'Haringstad' Vlaardingen als enige zoon van Abraham van Minnen (1848-1929) en diens echtgenote Adriana Pontier (1861-1932). Bij de geboorte van Jacob was Abraham werkzaam als winkelier en al op leeftijd: 51 jaar. Twee maal eerder werd hij weduwnaar. Op 6 oktober 1897 vond een derde huwelijk plaats met Adriana Pontier, geboren op 14 oktober 1861 in Lekkerkerk. De vader van de bruid, Gerardus Jacobus Pontier, was scheepmaker van beroep en in 1879 vanwege de werkgelegenheid vanuit Lekkerkerk in Vlaardingen komen wonen. Behalve een zoon, ontvingen Abraham van Minnen en Adriana Pontier samen nog drie dochters: Jacoba geboren op 24 oktober 1898, Adriana geboren op 2 mei 1901, Wilhelmina geboren op 16 juni 1904. [*] [*]

Eendrachtstraat Vlaardingen
Eendrachtstraat Vlaardingen

Jaap van Minnen, zoals hij bij de oud-Vlaardingers bekend stond, werd geheel in het visserijleven opgevoed. Als jongen ging hij er helemaal in op. Vlaardingen was vanouds, dankzij gunstige ligging aan de Maas, een belangrijke vissersplaats. Het voorgeslacht leefde van de inkomsten uit de scheepvaart en de visserij. Grootvader Jacob van Minnen (geb. 16 september 1814) voer voor de koopvaardij op zee en overleed bij Madeira op 16 november 1855. Gedurende zijn verdere leven voelde Van Minnen zich met zijn achtergrond verbonden; veelvuldig maakte hij in zijn beeldende manier van spreken en schrijven gebruik van de scheepsterminologie.

Jaap van Minnen groeide op in goede welstand. Na het doorlopen van de lagere school kon hij middelbaar onderwijs gaan volgen, waarvoor destijds slechts weinige van zijn leeftijdsgenoten in de gelegenheid waren. Daarna ging hij naar de vierjarige 'normaalschool' in Maassluis om zich op een onderwijzersloopbaan voor te bereiden.

Kerkelijk was het gezin Van Minnen aanvankelijk aangesloten bij de Gereformeerde Kerk van Vlaardingen aan de Landstraat. Deze gemeente was ontstaan in het najaar van 1848 ten gevolge van de afscheiding van 1834. Arie van Minnen, een 49-jarige schipper, las op zondag 10 december 1848 in een woning aan de Fransenstraat de eerste preek naar aanleiding van Jeremia 3: 14. "Bekeert u, gij afkerige kinderen! Spreekt de HEERE, want Ik heb u getrouwd, en Ik zal u aannemen, een uit een stad, en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Sion." Begonnen met enkele tientallen leden breidde de Christelijke Afgescheiden gemeente zich gestadig uit en kreeg in juni 1853 een eerste predikant in I. Middel (1829-1896). In de periode 1871-1879 werd de gemeente gediend door ds. K. Kleinendorst en telde omstreeks 500 zielen. Na diens vertrek werd ds. W. Sieders op 14 april 1880 aan de gemeente verbonden die de gemeente meer dan veertig jaar tot zijn emeritaat in 1922 diende. Door hem werd Jacob Gerardus van Minnen [waarschijnlijk] ook gedoopt.

Akte van verbintenis ambtsdragers Christelijke Afgescheiden Gemeente (na 1892 Gereformeerde Kerk A) Vlaardingen
Akte van verbintenis ambtsdragers Christelijke Afgescheiden Gemeente (na 1892 Gereformeerde Kerk A) Vlaardingen

De periode ds. Sieders is een bloeitijd geweest, want tegen het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 telde de Vlaardingse gemeente ongeveer 1650 leden verdeeld over twee kerkgebouwen. Ter ondersteuning van ds. Sieders werd in 1916 als tweede predikant ds. K. Schilder beroepen die, na het te hebben aanvaard, op zondag 10 december 1916 werd bevestigd. Tot Schilders grootste uitdaging behoorde onder andere de  samensmelting van de A en B kerken. Met de A kerk werd de gemeente bedoeld zoals ontstaan uit de afscheiding van 1834 en met de B kerk de gemeente die ontstaan was uit doleantie in 1887. Deze laatste gemeente telde in 1917 zo'n 1610 leden en kwam bijeen in een kerkgebouw aan de Kuiperstraat. Tussen beide groeperingen bestond een complexe verhouding. In 1892 was op synodaal niveau een vereniging gerealiseerd, maar op plaatselijk niveau waren de geesten nog lang niet rijp. Op plaatselijk niveau vond de samensmelting pas jaren later plaats. In Vlaardingen was dat in december 1920. Een tweede uitdaging die Schilder ter hand nam was de bestrijding van de gereformeerde mystiek. Hierbij bedoelde hij in eerste instantie allerlei uitwassen van het geestelijke leven en ook het krijgen van teksten en voorkomende waarheden. Uiteindelijk richtte hij zijn pijlen vooral op die geloofsbeleving zoals die voortkwam uit invloed van de predikers van de Nadere Reformatie. Schilder legde een sterke nadruk op het verbond waarin volgens hem de ware mystiek gelegen was. Het corrigerende optreden van Schilder leidde tot spanningen en als gevolg hiervan verlieten leden de gemeente. Ze sloten zich aan bij de Christelijke Gereformeerde Kerk die in 1908 gesticht was.

Vlaardingen

In deze stad schijnt het roerig te zijn in de Gereformeerde Kerk wegens de samensmelting van Kerk A en B. Onder het opschrift "Wat dan", vraagt ds. Schilder in de Gereformeerde Kerkbode van Vlaardingen of er wel reden is om wegens die samensmelting te willen overgaan naar de Christelijke Gereformeerde Kerk aldaar, of zoals ds. Schilder haar noemt "het asiel, voor hen, die 't met de ineen smelting niet eens kunnen worden. Wij willen niet op alles ingaan, wat ds. Schilder schrijft. De toon reeds is zo onwelwillend, dat ieder voelt, dat hier iemand aan het woord is, die zijn overkropt gemoed in bitterheid uitgiet over de Christelijke Gereformeerde Kerk.(...) Ds. S. [veroordeelt] het overgaan naar de Christelijke Gereformeerde Kerk ter oorzake van de samensmelting en vraagt of die Christelijke Gereformeerde Kerk nu ineens wegens die samensmelting gepromoveerd is tot de ware kerk van Christus. Nee, ds. Schilder, die kerk was reeds vóór 1892 de ware kerk van Christus en bleef dat, toen zij, ook al werd zij door velen verlaten in 1892 die met de vereniging meegingen, in het voetspoor van 1834 bleef voortgaan. Nu promoveert de samensmelting haar niet tot ware kerk, maar die samensmelting is het middel waardoor de ogen open gaan, dat men in 1892 door vereniging een verkeerde weg ging. Zo lang men plaatselijk niet samensmolt, werd dit door sommigen niet zo gevoeld, maar  nu de vereniging consequent tot samensmelting  leidt, gevoelt men: beter ten halve gekeerd, dan geheel gedwaald.

P.J.M. Bruin

Ds. W. Sieders
Ds. W. Sieders
Ds. K. Schilder
Ds. K. Schilder

[*] In publicaties kleine kerkgeschiedenis wordt gesproken over Jacobus Gerardus van Minnen. In het register van de burgerlijke stand werd echter ingeschreven Jacob Gerardus van Minnen. Deze naam wordt ook vermeld op de advertentie bij zijn overlijden. Hij is vernoemd naar zijn beide grootvaders Jacob van Minnen (1814-1855), zeeman en overleden op zee bij Madeira op 41-jarige leeftijd. En Gerardus Jacobus Pontier, timmerman en scheepmaker.

[*] Zus Wilhelmina van Minnen was lange tijd onderwijzers op de Christelijke School in Opheusden (Eben-Haezer). Ter herinnering aan haar heeft men in Opheusden een Juffrouw W van Minnenstraat. Zij overleed op 20 februari 1991 in Amersfoort. Zus Adriana (overleden 18 december 1986) was eveneens onderwijzeres. Zus Jacoba overleed op relatief jonge leeftijd op 28 december 1931.

Van Afscheiding tot Samen op Weg

In vier generaties kan er veel veranderen. Dit zien we ook als we de kerkelijke gang van Ary van Minnen, de man die in 1848 voor een klein gezelschap van Vlaardingse afgescheidenen zijn eerste preek las, en diens nakomelingen volgen. In vier generaties ontwikkelde deze familie zich van afscheidene tot stimulator van Samen op Weg. Ary's zoon werd predikant. Dit was Maarten van Minnen (1837-1910) die in de geschiedenis naar voren komt als een irenische figuur. Met vrucht heeft hij de oude Christelijke Gereformeerde Kerk van voor 1892 gediend en na de vereniging met de dolerenden de Gereformeerde Kerken. Ds. M. van Minnen was werkzaam in Tholen (1865-1867), Hardinxveld-Giessendam (1867-1871), Hazerswoude (1871-1873) en Utrecht (1873-1906). In Utrecht maakte hij de Vereniging van 1892 mee. Hoewel hij wel enige moeite had met het proces ging hij uiteindelijk toch mee. Een zoon van ds. M. van Minnen werd ook predikant. Dit was ds. A.H. van Minnen (1866-1950). Arie Hendrik Van Minnen was als predikant werkzaam in Zaamslag (1892-1897) en daarna stond hij ruim veertig jaar in 's-Gravenzande (1897-1937). Ds. A.H. Van Minnen ging ertoe over om de gehele kerkelijke gemeente als wedergeboren christenen te beschouwen. In 1933 verscheen een boekje van zijn hand over belijdenis doen. Prof. Van der Schuit recenseerde dit boekje als volgt: "In dit boekje lezen wij goede dingen, en het zal in de gereformeerde kerken zijn weg vinden. De dieptepsychologie (zielkunde) naar Gods Woord en onze gereformeerde verbondsbeleving wordt hier al te veel gemist en daarom kunnen wij het niet onvoorwaardelijk aanbevelen." De zoon van ds. A.H. van Minnen was dr. Johannes Maarten Van Minnen (1913-1997). Deze begon zijn ambtelijke loopbaan in 1939 als predikant in Rotterdam-Zuid (Katendrecht). Hier stond hij tot 1944 waarna hij zendingspredikant werd onder de chinezen. In 1947 werd hij evangelisatie predikant in Bussum. Na 1952 was hij tot 1978 studentenpredikant in Utrecht waar hij grote populariteit genoot. In zijn studentendiensten onder de naam van Evangelische Academie Gemeente, zat de intellectuele bovenlaag van gereformeerd Utrecht onder zijn gehoor, waaronder prinses Irene. Dr. J.M. van Minnen behoorde tot de groep van Achttien theologen -negen hervormde en negen gereformeerde waaronder H.M. Kuitert- die van mening waren dat de Gereformeerde Kerken in Nederland rijp waren voor samengaan met de Nederlandse Hervormde Kerk en stond dus aan de basis van het Samen op Weg proces. Kortom, deze verwanten uit het nageslacht van Ary Van Minnen ontwikkelden zich geleidelijk, in vier generaties, naar een compleet ander spectrum van het kerkelijke leven.

Verschuiven in de kerk, is dat erg?

In dit verband is het interessant kennis te nemen van een boekje dat geschreven werd door dr. J.M. Van Minnen in samenwerking met dr. E. de Vries in 1982. Dit boekje gaat in op de veranderingen binnen de Gereformeerde Kerken vanaf de jaren vijftig. De schrijvers juichen deze veranderingen toe. Ze wijzen erop dat alles onmogelijk bij het oude kan blijven. Ze willen de gemeenteleden hierbij een zekere begeleiding bieden. Direct opvallend is de relativerende aanpak en de vlakke omschrijving van het christen-zijn.  "Iemand die christen wil zijn heeft gekozen om zich beslissend te laten leiden door de bezieling en invloed die uitgaan van de woorden en het leven van Jezus van Nazareth." Het is vooral Jezus die als het grote Voorbeeld centraal staat, maar over verzoening door voldoening wordt nauwelijks geschreven. De schrijvers wijzen erop dat christenen door de eeuwen heen steeds geprobeerd hebben helder te krijgen wat goed en fout is. Het programma wat daar vervolgens uit samengesteld werd, draagt het stempel van die tijd en die cultuur waarin die christenen leefden. Met deze formulering wordt ruimte geschapen voor een nieuwe zienswijze. Daar gaan de schrijvers de lezers op voorbereiden. Het levensprogramma van een christen uit de Middeleeuwen of in het begin van de 20ste eeuw zag er nu eenmaal heel anders uit als iemand die nu leeft. Dat is niet erg zeggen de schrijvers, maar het wordt wel problematisch als iemand een dergelijk programma van bijvoorbeeld dertig jaar geleden algemene en blijvende geldigheid wil geven. Als voorbeeld noemen zij de wetten van Mozes. Deze wetten waren een systeem van uiterst zinvolle door God ingegeven regels voor een bepaald volk en onder bepaalde omstandigheden. Vervolgens behandelen de schrijvers actuele thema's waar we mogelijk (!) toch anders over moeten gaan denken. De boodschap wordt behoedzaam naar voren gebracht en de lezer wordt aan het denken gezet doordat de schrijvers veelvuldig gebruik maken van vraagtekens.

Pinksteren 1961. Achttien predikanten uit hervormde en gereformeerde kerken wenden zich tot de leden van deze kerken met de volgende oproep: "Ondergetekenden, een willekeurige groep van hervormden en gereformeerden, hebben op een bijeenkomst van 24 april 1961 unaniem als hun oordeel uitgesproken, dat de gescheidenheid van de hervormde en gereformeerde kerken niet langer geduld kan worden. Bewogen door de verwachting van het Rijk Gods en de opdracht der kerk in de wereld, zijn zij er gezamenlijk van overtuigd, dat naar eenwording gestreefd moet worden. Zij hebben zich voorgenomen stappen te doen om deze eenwording krachtig te bevorderen." Deze verklaring werd ondertekend door: ds. J.H. Baas, dr. E.J. Beker, ds. W. van Boeijen, L.A.C, van Ginkel, ds. M. Groenenberg, ds. I.J. van Houte, ds. G.P. Klijn, ds. H.M. Kuitert, ds. G. Lugtigheid, dr. J.M. van Minnen, ds. J. Monteban, ds. T. Poot, ds. F.J. Pop, ds. E. Pijlman, dr. P.L. Schoonheim, ds. J.H. Sillevis Smitt, ds. G. Toornvliet en dr. J.M. Vlijm.


Ds. M. van Minnen
Ds. M. van Minnen
Ds. A.H. van Minnen
Ds. A.H. van Minnen

De schrijvers wijzen erop dat christenen door de eeuwen heen steeds geprobeerd hebben helder te krijgen wat goed en fout is. Het programma wat daar vervolgens uit samengesteld werd, draagt het stempel van die tijd en die cultuur waarin die christenen leefden. Met deze formulering wordt  ruimte geschapen voor een nieuwe zienswijze.

Kerkgebouwtje Vrije Gereformeerde Gemeente in Vlaardingen
Kerkgebouwtje Vrije Gereformeerde Gemeente in Vlaardingen

De Vrije Gereformeerde Gemeente

De andere tak van de familie van Minnen is ongetwijfeld op de hoogte geweest van de ontwikkelingen bij hun aanverwanten. Zij maakten echter een andere kerkelijke keuze. Kort na de eeuwwisseling sloot het gezin zich aan bij de Vrije Gereformeerde Gemeente van Vlaardingen. Deze gemeente was in 1879 ontstaan, na het vertrek van ds. K. Kleinendorst. Partijschappen tussen een bevindelijke en een meer voorwerpelijke richting deden de gemeente reeds eerder in twee wegen uiteen gaan. Een deel van de gemeente ging afzonderlijke diensten beleggen en zocht contact met ds. E. Fransen. In september 1880 werd door deze predikant een vrije Gereformeerde Gemeente in Vlaardingen geïnstitueerd. Aan het Westnieuwland werd een kerkje gebouwd, dat op 22 januari 1881 in gebruik werd genomen. Datzelfde jaar kreeg men in de persoon van ds. Frederik Meijer een eigen predikant. Na diens overlijden in 1890 kwam in 1894 ds. Abraham Verheij over vanuit Delft. Nadat op 1 augustus 1898 ds. A. Verheij emeritaat was verleend, kreeg de gemeente na 3 jaar opnieuw een voorganger in ds. Cornelis Densel (1872-1933). Het was in deze periode dat het gezin Van Minnen zich aansloot bij de gemeente. Nadat ds. Densel op 21 juli 1901 door ds. G. van Reenen in Vlaardingen was bevestigd, nam het ledental van de gemeente zeer toe. Diens prediking sloeg aan en Densel ijverde voor het verenigingsleven en het zondagschoolonderwijs. Tijdens de ambtsperiode van ds. Densel werd het kerkje aan het Westnieuwland afgebroken en op dezelfde plaats een grotere kerk gebouwd. Na zijn verblijf in Vlaardingen vertrok hij als predikant naar de Verenigde Staten. Per 17 april 1910 werd de plaats van ds. Densel ingenomen door ds. P. van der Heijden. Deze dominee had naar verluidt een wat andere inslag als ds. Densel en zou meer nadruk gelegd hebben op de rechtvaardigmaking. Theologisch was ds. Van der Heijden goed onderlegd, hij schreef een uitgebreid handboek over de gereformeerde geloofsleer. Hij had goede contacten binnen andere kerkverbanden, waaronder de Christelijke Gereformeerde Kerk. Toch sloot hij zich niet aan, omdat hij stond op het standpunt stond van een vrije kerk (indepentisme). Onder de prediking van ds. Van der Heijden zat Jaap van Minnen gedurende zijn verdere jeugd en van hem ontving hij ook catechisatie. Omdat ds. Van der Heijden meende dat twee jongelieden uit zijn gemeente, Jaap van Minnen en de dertien jaar oudere Arie de Blois later predikant zouden worden ging hij ertoe over om beiden afzonderlijke catechisatielessen te geven. Van ds. De Blois is bekend dat ds. Van der Heijden hem privé onderwijs gegeven heeft in de grondbeginselen van de oude talen en de gereformeerde geloofsleer.

Willem den Hengst werd geboren op 4 september 1859 in Delft. Oorspronkelijk was hij afkomstig uit de Nederlandse Hervormde Kerk. Onder invloed van dr. A. Kuyper sloot hij zich aan bij de Gereformeerde Kerken. Op 2 september 1888 werd hij in Den Helder in het ambt bevestigd. Op 7 oktober 1894 verbond hij zich aan Veenendaal. Daar werden zijn ogen geopend en zag hij dat hij wederomgeboren moest worden. Tenslotte kon Ds. Den Hengst het niet langer in de Gereformeerde Kerken uithouden. Op 4 Juni 1913 brak hij met dit kerkverband en sloot zich aan bij de Gereformeerde Gemeenten. Ds. den Hengst behoorde niet tot degenen die van dogmatiek en de exegese niets willen weten, maar preken op het gevoel en z.g. 'ingevingen.' Ds. Den Hengst bestempelde dit laatste als devaluatie van de prediking.


Van Minnen haalt later met instemming een passage aan uit een preek van ds. C. Densel ''Een bekommerde ziel heeft genoeg, mits zij aan haar bekommering niet genoeg heeft.'' Hij voegde daar zelf aan toe: "Waarlijk nieuw[geestelijk] leven uit zich; ja schuchter; staat naar meer; staat naar zekerheid. Maar niet brutaal de Heere dwingen. De verst gevorderde in de genade zal ook nog een bekommerde blijven. Ja, dit steeds intenser beleven "ik ben bekommerd vanwege mijn zonden. Lees maar in de berijmde ps. 19 vers 6 't slot onder andere: "Was, reinig mijn gemoed van mijn verborgen zonden." Let op: verborgen, dat is zonde, waarvan ik niet weet, dat het zonde is. Zonden "verborgen"; die ik doe en toch mij niet ontdekt zijn. Deze dichter had toch wel diepe zelfkennis! David betuigde na zijn val: "Ik ben bekommerd vanwege mijn zonden". Maar dit geldt niet alleen over een bijzondere gruwelijke zonde, waarover Gods kinderen direct of later toch bekommerd zijn - of worden. Evenzeer zullen ze bekommerd zijn over het: "Want wij struikelen allen in velen - en 't weten, dat de beste werken nog met zonde bevlekt zijn."


De predikanten C. Densel en P. van der Heijden
De predikanten C. Densel en P. van der Heijden

Aansluiting Gereformeerde Gemeenten

Arie de Blois werd op 30-jarige leeftijd tot ouderling gekozen, en tijdens een ziekte van ds. Van der Heijden ging hij zelfs als lerend-ouderling in de kerkdiensten voor. De Blois en Van Minnen hebben zich anders ontwikkeld als ds. Van der Heijden voor ogen gehad heeft. Beiden hadden een sterk kerkelijk besef (in de zin van de wenselijkheid van een functionerend kerkverband naar een zekere orde op basis van Schrift en belijdenis) en de Blois ijverde in zijn functie als lerend ouderling voor aansluiting bij het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten. De verhoudingen in Vlaardingen zijn een tijdlang gespannen geweest tussen "de oude dominee en de nieuwe dominee." Het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten was ontstaan in 1907 door een vereniging van de Gereformeerde Gemeenten onder het Kruis en de Ledeboeriaanse gemeenten. In oktober 1907 verenigden zich 35 gemeenten waarvan zeven predikanten zich tot de Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Na het ontstaan van dit kerkverband sloten zich diverse vrije gemeenten aan, zoals in Leiden, Dirksland, Lemmer, Enkhuizen-Andijk.  In 1920 besloot men in Vlaardingen met grote meerderheid het zelfstandig bestaan op te geven en aansluiting te zoeken bij het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten. Toen de Vlaardingse gemeente overging naar het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten ging de familie Van Minnen mee. De Blois wilde na de overgang tot de Gereformeerde Gemeenten direct zijn werkzaamheden als lerend ouderling beëindigen, maar er werd bij hem op aan gedrongen zijn studie voort te zetten bij ds. W. den Hengst in Leiden, hetgeen ook gebeurde.

Geestelijk leven

Het gezelschapsleven is gedurende de tweede helft van de 19de en begin 20ste eeuw een belangrijk fenomeen geweest is. Rond 1900 was het vrij normaal dat er stichtelijke boeken mee genomen werden op zee, waaruit de schipper zijn manschappen voorlas en ook werden er godsdienstoefeningen aan boord gehouden. In 1761 verscheen het boek 'De Godvreezende Zeeman' waarin gebeden, gezangen en preken stonden. Tot in de twintigste eeuw werd dit boek aan boord gebruikt. In Vlaardingen waren ook godsdienstige gezelschappen waarbij mensen bijeen kwamen om te spreken over het geestelijke leven. Het waren veelal maar gewone mensen, zeker geen mensen met een lichtkrans rondom hun slapen. Ook was het geestelijke gehalte van de gesprekken niet altijd even hoog, vooral niet als het ging over kerkelijke zaken. Van Minnen vertelde hierover het volgende: "Daar kon je ze met elkaar horen spreken over de nietige dingen van het aardse leven; horen kwebbelen, hoog uit, over de gebreken, fouten en tekortkomingen van een ander. De balk in eigen oog zag men dan niet, maar de splinter in het oog van een ander zag men dan als een balk. Later moest men dan wel bekennen, dat men met een veroordeling in de ziel huiswaarts ging. Anderzijds waren er "óók avonden, dat het een getuigen was van wat de Heere gedaan had en waarvoor Hem de eer gegeven werd." Goede contacten waren er ook met Nico de Jong (de latere ds. N. de Jong) die eveneens uit Vlaardingen kwam. Zij waren van jongs af aan geestelijke boezemvrienden.

Nico de Jong en Jaap van Minnen
Nico de Jong en Jaap van Minnen

Onderwijzer

In 1917 was een doorbraak bereikt door de financiële gelijkstelling van het bijzonder en openbaar onderwijs. Er werden veel eigen gereformeerde scholen opgericht. Deze scholen waren vaak maar klein. In mei 1920 slaagde Jaap van Minnen voor zijn examen als onderwijzer. Hierop volgde een aantal tijdelijke benoemingen, achtereenvolgens aan de Christelijke school in Chaam, aan de Savorin Lohmanschool in Scheveningen en de Christelijke School (Marinestraat) in Rotterdam. In oktober 1921 volgde een benoeming als onderwijzer aan de dr. Kuyperschool in Maassluis. Intussen had Van Minnen binnen het kerkelijke leven een gewaardeerde rol in het zondagsschoolonderwijs en hij leidde de Jongelingsvereniging "Onderzoekt de Schriften" als voorzitter.

Op 12 april 1923 werd De Blois in Vlaardingen tot predikant bevestigd door ds. W. den Hengst. In de Saambinder volgde een verslag: "Van de broeders S. Moerman [*] en J. G. van Minnen, leden der Vlaardingse gemeente, gewerd ons het verzoek onderstaand stuk, naar de wens van vele vrienden, in de Saambinder op te nemen. Aan dit verzoek gevolg gevend, menen wij het gevoeglijk in deze rubriek te kunnen plaatsen. "Zingen zij, in God verblijd, Aan Hem gewijd, van 's Heeren wegen. Dit moge en zal wel de erkenning en blijdschap zijn van de gemeente van Vlaardingen; waar, onder een zeer talrijk gehoor, de weleerwaarde heer ds. W. den Hengst donderdagavond 12 April in het kerkgebouw van de gemeente onze voorganger, de weleerwaarde heer en broeder A. de Blois, in zijn ambt als bedienaar des Goddelijke Woords in deze gemeente heeft bevestigd. Als tekst had Zijn eerwaarde gekozen 1 Thessalonicenzen 5: 24 "Hij, die u roept, is getrouw, die het ook doen zal", aan de hand waarvan spreker de gemeente bepaalde bij 'De vastigheid van 's-Heeren kerk en knechten.' Spreker kwam eerst te handelen over de tweeërlei roeping, namelijk de algemene, tot allen die onder het Evangelie leven, als vrucht der algemene genade en de bijzondere, gewerkt door de Heilige Geest tot zaligheid(...)"

Dr. A. Kuyperschool in Maassluis bij de opening in 1906
Dr. A. Kuyperschool in Maassluis bij de opening in 1906
[*] De genoemde Sam Moerman werd later ouderling in de Gereformeerde Gemeente van Vlaardingen. In 1953 ging hij mee naar de Gereformeerde Gemeente in Nederland. Moerman had een spraakgebrek, maar heeft met veel stichting de toen nog ongedeelde gemeente 27 jaar lang als ouderling gediend.

"Onbewust toch zoekt u, omdat u in het diepst van uw gedachten door God gedacht bent; peinst u over de oorzaak van uw ontroering; zoekt u achter het vlammenrood en het kleurenspel en het donkerworden en het sterrenglanzen, naar Hem, Die alles zo schoon schiep en harmoniëren doet."


Autobiografisch proza

Van Minnen schreef behalve poëzie ook proza. Licht en donker is een thema dat regelmatig terugkeert in zijn werk. Ook zijn er reacties bij op de literatuur van de Tachtigers, een groep jonge schrijvers die aan het einde van de negentiende eeuw in de belangstelling kwamen. Met name Willem Kloos, Hélène Swarth en Jacques Perk worden nogal eens door hem aangehaald. Jacques Perk was een zoon van een Amsterdamse dominee die in 1880 het gedicht 'Iris' schreef over een jongeman die een onbeantwoorde liefde koesterde en daardoor tot liefde voor de schoonheid komt. Opvallend is de religieuze toon die hierbij gebruikt werd: "Schoonheid, o gij, wier naam geheiligd zij." De literatuur van de Tachtigers was een reactie op de 'brave' cultuur van de negentiende eeuw waarbij alles moest dienen tot het algemeen nut en de moraal. In de nieuwe literatuur kreeg de 'schoonheid' een zelfstandige plaats. Maar waar de literatuur uiteindelijk verlegen blijft staan met de wereldraadselen ligt het antwoord en de ware schoonheid in de openbaring van Jezus Christus aan het zondaarshart. Twee verhalen 'Toen het donkerde' en 'Licht ten tijde des avonds' dragen een sterk autobiografisch karakter en hebben betrekking op de periode 1919-1930.

Roeping tot het ambt

Tussen 1909 en 1930 verdrievoudigde de onkerkelijkheid in Nederland tot 14 procent. Het kerkbezoek kende een tijdelijke opleving in de eerste fase van de oorlog, maar liep daarna snel terug. De oorlog versterkte bij velen het eschatologisch besef. Aan de Volksuniversiteit in het Marnix Gymnasium in Rotterdam liet Van Minnen zich in de eschatologie scholen bij dr. Klaas Schilder. Ook volgde hij lessen bij de opperrabbijn Justus Tal (1881-1954) die tussen 1915 en 1918 lesgaf in de klassieke talen aan het gemeentelijk gymnasium. Aanvankelijk wilde hij Nederlandse Letteren gaan studeren. Ondertussen voelde hij echter in zijn binnenste de roeping tot het predikambt in zijn binnenste branden. A. de Blois leefde hierin met hem mee. Door deze begaafde predikant werd veel voorbereid. Ds. de Blois was een man die zich kenmerkte door een eigen visie en met een eigen stijl van preken. In de jaren toen het kerkelijk leven in de Gereformeerde Gemeenten onder grote invloed stond van ds. Kersten en ds. Fraanje heeft hij toch zijn eigen karakter bewaard. Zijn preken waren belijnd zijn woordkeuze was zorgvuldig en werden met helderheid van stem uitgesproken. De Blois was zes 6 jaar in Vlaardingen werkzaam en vertrok in 1925 naar Dirksland. Na het vertrek van ds. De Blois werd de gemeente gediend door ds. J.D. Barth van 1928-1930. Op 28 juli 1926 huwde Jaap van Minnen in Vlaardingen met Engelina van Eenige, geboren 28 januari 1901 in Vlaardingen.

Ds. H. A. Minderman [heeft] vele jaren onze Christelijke Gereformeerde kerk gediend, eerst in onze gemeente te Gouda, daarna in Rotterdam, waar de gemeente tijdens zijn bediening tot grote bloei kwam. Er was een nauwe band tussen hem en ds. A. van der Heijden en mij, in onze jeugdjaren. Toen ik nog student was, wandelde ik met die twee broeders buiten Gouda en waren wij in levendig gesprek over het werk van de Heere in de harten van Zijn volk en bijzonder ging het gesprek over de werkzaamheden, die wij alle drie hadden met de roeping tot het predikambt. Beide broeders spraken over hun strijd om tot het ambt te komen en in een ogenblik van levendig geloof dat de Heere hen niet zou beschamen, verzekerde ik hen, dat ik ze op Gods tijd in het ambt zou bevestigen. Dit is later door de Heere vervuld. Ik bevestigde ds. Minderman in Gouda op 1 december 1895 en ds. van der Heijden in Broek op Langendijk op 11 november 1900. Minderman was mijn eerste leerling, die ik op verzoek van de classis heb opgeleid tot het ambt. Later vertrok hij naar Grand Rapids in Amerika en van daar kwam hij in ons land bij de Gereformeerde Gemeenten. Toch bleef tot hiertoe een band tussen ons drieën, want boven het kerkelijk standpunt, dat ik altijd heb vastgehouden, is toch de geestelijke band, die een vrucht is van de wedergeboorte. Die band kan soms wat gerekt worden, maar verbroken wordt zij nooit. Mocht die band in onze dagen meer gevoeld worden tussen Gods kinderen, dan zou er ook meer genoten worden van de geestelijke eenheid in de Heere Jezus. (...) De Bijbelse leer van het genadeverbond met de kerk en haar zaad en niet alleen met de uitverkorenen, zoals altijd in de Christelijke Gereformeerde Kerk geleerd is, heeft hij altijd vast gehouden, zoals hij mij op zijn ziekbed verzekerde. (...) Van het drietal, dat in 1892 samen wandelde op de weg van Gouda naar Waddinxveen, en in het jeugdig vuur van de eerste liefde zich aan elkaar verbond, om samen te zoeken het heil van Sion en samen te strijden in de ambtelijke dienst van de Heere, ben ik nu alleen nog over. (..)

P.J. M. de Bruin

Ds. H.A. Minderman
Ds. H.A. Minderman

"De Bijbelse leer van het genadeverbond met de kerk en haar zaad en niet alleen met de uitverkorenen, zoals altijd in de Christelijke Gereformeerde Kerk geleerd is, heeft hij altijd vast gehouden, zoals hij mij op zijn ziekbed verzekerde."


"Helene Swarth, u zong eens uw sterren-tranenlied. U zonk menigmaal neder  aanbidding, wanneer de sterren u lonkten, ver, eind'loos ver. Gij noemde ze miljoenen hemel-liefde vonken. En de smart door de verre sterren, van het niet verstaan, overweldigde u. Maar meer nog was het een uitschreien naar God. En uit uw ziel klonk het als een kreet naar het leven: "O God, ik kan niet leven zonder God!" Ook mijn ziel spant van ontroering, maar ook van doorademing van mijn God. Hij heeft zich aan mij geopenbaard en daarom ken ik Hem. Ik aanschouw Hem in het avondlandschap. Ik gevoel hem in mijn bevende ziel. Ik hoor hem in het ruisen van de avondkoelte. Ik zie Hem lichten in het kleurengetover van het grote licht des hemels. Grote God, te loven U, is het grootste, is het schoonste wat een sterveling kan overkomen. Eeuwige Koning, Almachtige Schepper, het was toch donker gebleven, indien mijn ziel niet was herschapen geworden door Uw Geest en Uw levendmakend Woord. Jezus, mijn Heiland, Golgotha, kruispaal, droppelend bloed. Goel, verlosser van zonde en dood; levenverwekker, dageraadswekker; doodsoverwinnaar, Opstandingsvorst, omdat u Leeft, zal ik leven! Had ik U niet aanschouwd, Uw kracht niet gesmaakt, Uw genade niet geproefd, dan was het zwarte nacht gebleven,was ik ondergegaan van heimwee naar sterren en avondmysterie. Dan had het verlangen om de ochtend te zien lichten mijn ziel stuk gescheurd en had toch nimmer die ochtend aanschouwd."

            J.G. van Minnen (Licht ten tijde des avonds)

Aansluiting Christelijke Gereformeerde Kerk

Op 5 maart 1930 wendde Van Minnen zich tot de kerkenraad van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Vlaardingen om met zijn gezin lid te worden van deze gemeente. Zijn geestelijke vriend uit Vlaardingen, Nico de Jong (de latere ds. N. de Jong) studeerde al vanaf 1922 aan de Theologische School in Apeldoorn. In de jaren twintig en dertig was het geestelijk klimaat in de Christelijke Gereformeerde Kerk nog overwegend goed. Predikanten van het eerste uur, waaronder ds. A. van der Heijden (1865-1927) en ds. P.J.M. de Bruin (1868-1946) drukten in deze periode hun stempel op het kerkverband. Op de achtergrond speelde ook de discussie over het genadeverbond mee tussen ds. G.H. Kersten en ds. J. Jongeleen. Van Minnen was hierbij betrokken geraakt, omdat hij openlijk de zijde gekozen had  van de christelijke gereformeerden. Hij achtte het bovendien in strijd met de kerkorde dat ds. Kersten bij voorbaat diens persoonlijke visie oplegde aan het hele kerkverband zonder dat het onderwerp op officiële kerkelijke vergaderingen aan de orde was geweest. Ds. W. den Hengst (1859-1927), die de laatste jaren van zijn leven sterk over het onderwerp heeft nagedacht, heeft voor diens heengaan nog niet zo lang geleden het boekje van R. Van Mazijk aanbevolen in De Saambinder. De visie in dit boekje kwam sterk overeen met de leer van de Christelijke Gereformeerde Kerk ten aanzien van het genadeverbond. Heeft ds. Den Hengst het dan ook verkeerd gezien? Waarom heeft ds. Kersten ds. Den Hengst dan niet openlijk bestreden en ds. Jongeleen nu wel? Deze benadrukte evenals eerder ds. Den Hengst dat het noodzakelijk is ook de nadruk te leggen op de verbondsbeleving in de weg van wedergeboorte en dagelijkse bekering door Woord en Geest. Van Minnen publiceerde over dit alles een artikel wat instemming kreeg binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk. Van Minnen schreef: "dat hij zeker gelooft dat de zondaar met de wedergeboorte, in de weg van de bekering, het verbond pas waarlijk gaat beleven, maar dat neemt niet weg, dat zulk een zondaar, op de erve van de kerk geboren, reeds vóór zijn wedergeboorte een bondeling was, waarop God recht heeft en aan wie God in de doop Zijn belofte verzegeld heeft. De bediening van de doop is toch niet slechts een plechtigheid, die besloten wordt met de wens, dat de Heere 't kind begenadigen moge. Heeft de prediker niet anders te zeggen? Niets van de eis en belofte Gods? Van het gevaar, als dit kind opgroeit en onbekeerd sterft, om als een kind des Koninkrijks buiten geworpen te worden? Hoe staat het met de belofte en verantwoordelijkheid? Als we de Heilige doop bedienen, laat 't dan geen vaagheid van handeling zijn, die niets zegt, of die eerder in de hand werkt, dat de doop uit gewoonte of bijgelovigheid begeerd wordt." Ds. P.J.M. de Bruin nam dit artikel op in De Wekker en gaf ook zelf zijn commentaar. Hierbij toonde hij aan dat ds. Kersten het standpunt van de Christelijke Gereformeerde Kerk verkeerd voorstelde. Toen ds. Kersten dit echter bleef volhouden besloot hij in 1937 zijn boekje over de kinderdoop opnieuw uit te geven. Hij wees verder, om ook tegenwicht te bieden aan de andere kant, (het verbondsmethodisme) op een werk van J. C. Appelius "Verklaring en verdediging van de Hervormde leer", verschenen in 1769 waarin stond: "De uitwendige roeping verricht God door de uitwendige verkondiging van het Evangelie. In die uitwendige roeping lokt Hij de zondaar om die voorgestelde weg tot zaligheid te kennen, te geloven, te kiezen en te bewandelen." (..) "De uitwendige roeping verklaart aan niemand, dat Christus voor hem gestorven is of dat Christus gewillig is en het voornemen heeft om hem in 't bijzonder zalig te maken." (..) "De plicht, de eis van de bekering moet eerst gepredikt, zegt Appelius, en waar deze eis door Gods Geest op het hart des zondaars gebonden wordt, [door de inwendige roeping] daar is er plaats voor geloven van het Evangelie, d.w.z. geloven van de belofte van zondevergeving."

"De uitwendige roeping verklaart aan niemand, dat Christus voor hem gestorven is of dat Christus gewillig is en het voornemen heeft om hem in 't bijzonder zalig te maken (..) "De plicht, de eis van de bekering moet eerst gepredikt, zegt Appelius, en waar deze eis door Gods Geest op het hart des zondaars gebonden wordt, [door de inwendige roeping] daar is er plaats voor geloven van het Evangelie, d.w.z. geloven van de belofte van zondevergeving."

Gelukkig betekende de stellingname van Van Minnen, die dus met die van De Bruin en de Christelijke Gereformeerde Kerk overeen kwam, geen breuk met de predikanten Van Neerbos (1870-1956) en J.D. Barth (1871-1942), maar wel met ds. Kersten. De reden dat hij wilde overkomen naar de Christelijke Gereformeerde Kerk verwoordde hij zo: "dat hij niet om ontzaggelijke redenen die formatie verlaat, doch in hoofdzaak om de beschouwing van het genadeverbond die van bovenaf met dwang wordt opgelegd." Ook werd naar zijn mening in dit kerkverband "weinig naar de kerkorde geleefd." "Met ds. Kersten is hij hierover in conflict geraakt." Hoewel het een feit is dat Van Minnen binnen de Gereformeerde Gemeenten ook een voorlopige afwijzing gekregen heeft, benadrukte hij tegenover de kerkenraad van Vlaardingen dat dit niet de reden is van zijn overkomst naar de Christelijke Gereformeerde Kerk. Wel werd hij vrij snel hierna, in augustus 1930, toegelaten tot de lessen aan de Theologische School in Apeldoorn. [*] [*]


[*] Aantekening op H. Hille & J.M. Vermeulen 'In de Schaduw van het kerkelijk leven', p. 177. Zij schrijven over een 'overhellen naar de door de Christelijke Gereformeerden voorgestane drieverbondenleer.' Dit suggereert van mening veranderen en als gevolg hiervan overlopen naar het andere kamp. Deze suggestie is onterecht. De basis van zijn opvatting was reeds gelegd door ds. A. de Blois (Heeft hier in zijn gemeente aandacht aan besteed) en ds. W. den Hengst (artikelen in de Saambinder rond 1924) en toen Van Minnen  binnen de discussie die hierover ontstond n.a.v. de opmerkingen van ds. Kersten over het vragenboekje van ds. Jongeleen zich hierover verantwoorde met een openlijk schrijven vond dit weerklank binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk. Ds. Jongeleen nam het schrijven van Minnen op in zijn kerkbode en ds. P.J.M. de Bruin nam het op in De Wekker. Kerkhistoricus dr. M. Golverdingen (1941-2019) heeft deze geschiedenis nader onderzocht en een weerslag daarvan gegeven in zijn boek 'Om het behoud van een kerk, licht en schaduw in de geschiedenis van de Gereformeerde Gemeenten (1928-1948).' pp.  36-64. Golverdingen keurt de onkerkrechterlijke gang van zaken af. Het gebeuren past echter binnen de context van de beginfase van de Gereformeerde Gemeenten waarbij ds. Kersten een vrijwel allesbepalende rol had.

[*] W.C. den Breems, Eben Haezer, 100 jaar Christelijke Gereformeerde Kerk Vlaardingen, p. 38.

Een reactie van ds. W. Meijnhout op het boekje over de kinderdoop van docent P.J.M. de Bruin.

Volgens Prof. W. van 't Spijker trad met de verschijning van het boekje van ds. Jongeleen "een nieuwe generatie aan met een eigen theologische bezinning." [En toch niet verteerd, p. 103, 105]. Prof. De Bruin benadrukte echter dat de leer zoals hij dit verwoordde in diens boekje de kinderdoop de leer was van de Christelijke Gereformeerde Kerk vanaf 1834 en ook daarvoor. Echter toen ds. W. Meijnhout een stap verder wilde gaan heeft Prof. de Bruin hiertegen gewaarschuwd. Meijnhout wilde graag meer aandacht voor de 'positieve betekenis' van het genadeverbond: "Er heerst in de kerk, indien ik mij niet vergis, tamelijk veel vaagheid en onbelijndheid, als het gaat over de vraag, wat het verbond der genade wèl inhoudt. Wat het niet is, en waartoe het ons niet brengen mag, dat is langzamerhand wel bekend genoeg. Maar nu de vraag, wat het wel is; die vraag is toch belangrijker dan de eerste en ik vrees, dat er over het algemeen juist minder aandacht aan besteed wordt. En dan draait alles, wanneer ik het goed zie, om deze ene vraag; wat betekent "Ik ben uw God en uws zaads God"?

Prof. de Bruin reageerde hierop als volgt: "Ds. Meijnhout verklaart dat hij beslist niet heen wil naar de leer der veronderstelde wedergeboorte. Van dit antwoord, zo positief gegeven, nemen wij dankbaar nota. Waar Ds. Meijnhout dan heen wil? Hij schrijft: Naar een duidelijker beklemtoning van de positieve inhoud van het genadeverbond. Want die beklemtoning is volgens hem in onze kerk te vaag, te onbelijnd. (...) Indien Ds. Meijnhout deze mening is toegedaan, dan wordt het hoog tijd, dat hij eens nader en duidelijk en voor ieder begrijpelijk en positief uitspreke, wat het genadeverbond wel inhoudt. Houdt het meer in dan de belofte in Gen. 17: 7 gedaan en in het doopsformulier daar letterlijk aangehaald? Is de inhoud van de beloften van het genadeverbond niet duidelijk omschreven in Gen. 17: 1 - 10? Alles draait volgens ds. Meijnhout om deze ene vraag, wat betekent: "Ik ben uw God en uws zaads God". Waar staan deze woorden? geachte broeder? Al worden zij in het spraakgebruik veelal zo uitgesproken als verkorting van Gen. 17: 7 ik houd mij aan de gehele tekst. Als God de God is van Abraham en zijn zaad, zijn dan de kinderen des Verbonds andere kinderen, dan die der boze Israëlieten, die hun kinderen de Moloch opofferden, tot wie de Heere zegt: Gij hebt Mijne kinderen in het vuur doen doorgaan? Zijn ze andere kinderen, dan die, van wie de Heere Jezus zegt: De kinderen des Koninkrijks zullen buitengeworpen worden? Hoe denkt ds. Meijnhout over Johannes 14, waar van tweeërlei ranken in de wijnstok gesproken wordt? Sommige ranken worden afgesneden en in het vuur geworpen, volgens Johannes 14, ranken, die in de wijnstok zijn, verbondskinderen, die krachtens het verbond (niet: wegens wedergeboorte) in Christus (moet ik mij nog positiever uitdrukken?) zijn, en geen vruchten dragen? Is er geen tweeërlei in zijn in het verbond? Heeft Ds. Meijnhout het mooie boekje gelezen van Ds. Kievit van Baarn over tweeërlei verbondskinderen? Ik meen, dat de titel aldus luidt, maar de inhoud er van doet dit duidelijk uitkomen. Terecht schrijft Ds. Meijnhout dat wij ons voor vele gevaren in acht moeten nemen, als wij dóór denken over de positiviteit van het verbond. Ik hoop, dat hij dit almeer en meer inzie, opdat hij met die doorgedachte positiviteit niet bij de Neo Gereformeerde doopsleer terecht kome. Sommige Neo-Gereformeerden, roepen nu reeds hea! en schrijven, dat het schrijven van Ds. Meijnhout hen verblijdt en hopen, dat hij zo door mag gaan. Heeft dat aan Ds. Meijnhout niets te zeggen?"

Als hij nog geleefd zou hebben en het boek van zijn latere opvolger had moeten beoordelen, zou hij dan zijn instemming hebben betuigd? We willen daar geen antwoord op geven, maar het woord geven aan Prof. de Bruin, die in zijn tijd een
geliefde prediker was en veel ingang vond onder Gods kinderen en die mede de
grondslag heeft gelegd voor de Christelijke Gereformeerde kerken na 1892.


Ds. Meijnhout moet een sympathieke dienaar des Woords geweest zijn die in de kring van zijn collega's bekend stond om zijn grote eerlijkheid. Het was niet onbekend dat hij een tijdlang ijverde hij voor nauwere samenwerking met de Gereformeerde Kerken in Nederland. Toen deze pogingen schipbreuk leden verliet hij zelfs voor enige tijd in de periode 1942-1944 de Christelijke Gereformeerde Kerk en ging over naar de Gereformeerde Kerken. Echter, met een spijtbetuiging keerde ds. Meijnhout na enkele jaren weer terug. Ds. Meijnhout diende de Christelijke Gereformeerde Kerk te Nieuwendam (1932), Vlissingen (1939), Wildervank (1944) en Franeker (1948). In de Christelijke Gereformeerde Kerk van Franeker konden sommigen het niet onder zijn prediking vinden. Zij gingen naar het Baptistenkerkje waar Philpot en andere bevindelijke schrijvers nog in ere werden gehouden. Niet omdat ze de kinderdoop verwierpen, maar vanwege de preken. Dit kerkje van calvinistische baptisten was tamelijk uniek binnen het geheel van Baptistengemeenten die Nederland rijk was. Zij kwamen samen in een schuilkerk aan de Zilverstraat. Er werden preken gelezen van Philpot, Smytegelt, Comrie maar ook preken van Christelijke Gereformeerde predikanten uit de serie "Uit de levensbron" uit de jaren dertig.

Baptistenkerkje van Franeker waar bevindelijke preken werden gelezen
Baptistenkerkje van Franeker waar bevindelijke preken werden gelezen

Ik hoop, dat hij dit almeer en meer inzie, opdat hij met die doorgedachte positiviteit niet bij de Neo Gereformeerde doopsleer terecht kome. Sommige Neo-Gereformeerden, roepen nu reeds hea! en schrijven, dat het schrijven van Ds. Meijnhout hen verblijdt en hopen, dat hij zo door mag gaan. Heeft dat aan ds. Meijnhout niets te zeggen?

Ds. W Meijnhout in 1939 bij het afscheid van de Christelijke Gereformeerde Kerk Nieuwendam.
Ds. W Meijnhout in 1939 bij het afscheid van de Christelijke Gereformeerde Kerk Nieuwendam.

Later zou Prof. W. van 't Spijker zelf ook een boek uit geven over de doop. In Bewaar het Pand schreef ds. G. Blom er het volgende over: "We hebben hier voor ons een boek van Prof. Dr. W. van 't Spijker (..) Het handelt over doop, belijdenis en avondmaal volgens de klassieke formulieren. In een Woord vooraf zegt de geleerde schrijver o.a.: Maar wij zouden al heel blij zijn wanneer de kerk niet vergat, wat haar in doop - vooral in de kinderdoop - is geschonken. Leer de leden van de kerk hun doop verstaan, en de kerk is gered. Toch is de doop het begin slechts. Want op de doop volgt de belijdenis. (..) Ook hiervan geldt, dat onkunde omtrent het wezen van de openbare belijdenis van het geloof bijzonder fnuikend is voor de kerk. Toch is die onkunde - men moet bijna vaneen symptomatische onwil spreken erg groot. Men weet nauwelijks wat van deze kerkelijke handeling de eigenlijke zin is. Men weet haar niet meer te plaatsen binnen het geheel van een zinvolle kerkelijke structuur. En het is ook moeilijk voor velen, om het persoonlijk karakter van de openbare belijdenis met die kerkelijke vorm in overeenstemming te brengen. Geen wonder dat zo ook het zicht op het avondmaal verhinderd wordt." Tot zo ver Prof. Van 't Spijker.

Het commentaar van ds. Blom luidde als volgt: "Hij [Van 't Spijker] is niet de eerste die over deze zaken schrijft. Er zijn van verschillende zijden verklaringen van het formulier gegeven. We kunnen niet zeggen dat al die uiteenzettingen blijk geven van een eenheid van gevoelen. We gaan natuurlijk niet vergelijken met andere werken op dit gebied. Maar we kunnen er toch niet onderuit te wijzen op wat vele jaren geleden Prof. P.J.M. de Bruin ter verklaring van het formulier van de kinderdoop schreef. Als hij nog geleefd zou hebben en het boek van zijn latere opvolger had moeten beoordelen, zou hij dan zijn instemming hebben betuigd? We willen daar geen antwoord op geven, maar het woord geven aan Prof. de Bruin, die in zijn tijd een geliefde prediker was en veel ingang vond onder Gods kinderen en die mede de grondslag heeft gelegd voor de Christelijke Gereformeerde kerken na 1892. Het boekje van Prof. de Bruin is zeer duidelijk geschreven. We zouden dit boekje in veler handen wensen, van jongeren en van ouderen. Het gaat er ook hierin om te bewaren wat ons voorgeslacht ons heeft nagelaten."


Wij lazen wat Ds. v.d. Meiden schreef in de Kerkbode van den Haag. Het luidt aldus: "In de Chr. Geref. Kerkbode van Amsterdam las ik met groote verbazing in het kerkeraadsverslag der gemeente Amsterdam-Noord het volgende: Op voorstel van den voorzitter (Ds. Meijnhout) wordt besloten bij het doen van openbare belijdenis in plaats van de vragen van Voetius de belijdenisvragen te stellen, welke gebruikelijk zijn bij de Geref. Kerken, evenwel met weglating van de zinsnede: "Gelooft gij Gods Verbondsbelofte in uwen Doop betekend en vergezeld?" De nieuwe vragen zullen in het kerkblad worden geplaatst." 20-05-1938

Apeldoorn, 5 september 1930

Dinsdag en Woensdag 26 en 27 Augustus vergaderde het Curatorium met het College van Hoogleraren, in verband met het te houden admissie-examen. Ds. B. van den Berg, die wegens ziekte nog niet aanwezig was, werd vervangen door ds. J. Tolsma, aan wie evenals in de vorige vergaderingen, ook nu weer de leiding werd toevertrouwd. Na het zingen van Psalm 84: 3, en gebed en het lezen van Psalm 84 werd een aanvang gemaakt met den gewichtvolle arbeid.(...) Twee dagen van moeizame arbeid, worden aan het onderzoek gewijd; van de vroege morgen tot de late avond wordt met de adspiranten, over tere zielsaangelegenheden en innerlijke drijfveren tot het ambt gesproken. (...)

Slechts een drietal studenten konden ingeschreven worden, die voor eigen kosten worden opgeleid. Het zijn de heren: J. G. van Minnen, te Vlaardingen, D. Biesma te Groningen en E. du Marchie van Voorthuysen te Epe. (...) De cursus 1930-1931 zal, D.V., Woensdag 17 September, om 2 uur geopend worden, waarbij de aftredende Rector, Prof. G. Wisse, een rede zal houden.

Voor het rectoraat in de nieuwe cursus wordt Prof. P. J. M. de Bruin, aangewezen met Prof. F.Lengkeek als Conrector.

Op 8 september 1930 vestigde het gezin van Minnen zich in Apeldoorn alwaar de studie aan de Theologische School ter hand zou worden genomen. Het verblijf bevond zich aan de Waldeck Pyrmontlaan in de nabijheid van het station.

Studie in Apeldoorn

Prof. P.J.M. de Bruin

Van de docenten die doceerden in Apeldoorn, die het meest indruk gemaakt heeft op zijn studenten, wordt met name P. J. M. de Bruin genoemd. Hij was geen dictatoriale persoonlijkheid (hij was in vrijwel het hele kerkverband geliefd) maar zijn woorden hadden natuurlijk gezag. Toen de synode van 1906 De Bruin tot volledig docent benoemde, had dit de instemming van heel de kerk. Onder zijn leiding was er nog een grote mate van eenheid binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk. Scherp onderscheidde De Bruin tussen de neo-gereformeerde leer en de leer van de Christelijke Gereformeerde Kerk. Hij drong er geregeld op aan om vooral niet in te slapen, maar "de ogen wijd open houden om de kloof te blijven zien, zoals die klaar getekend wordt in de Acta onzer Synode 1937 te Hilversum." Als hij constateerde dat men toch (min of meer onbewust) een verkeerde kant op ging met zijn woorden of met synodale besluiten sprak hij de desbetreffende voorganger hier op aan in waardige bewoordingen. Zo sprak hij J.J. van der Schuit aan op diens interpretatie van een synodebesluit over het doen van belijdenis des geloofs en ds. W. Meijnhout  die een (nog) positievere benadrukking wilde van de waarde van het genadeverbond. Beiden werden indringend gewaarschuwd om toch vooral niet via de achterdeur de neo-gereformeerde leer binnen te laten welke in 1892 aan de voordeur afgewezen  is.


"Wat toch is het wezen der kerk ? Dat zij is een vergadering van ware christengelovigen. Daar deze echter alleen aan de Heere onfeilbaar bekend zgn, moeten wij vragen: Waardoor wordt die vergadering van ware gelovigen gekend? Hoe wordt zij openbaar? En dan wordt, volgens onze belijdenis die kerk in haar wezen openbaar door drie kenmerken: De zuivere prediking des Woords, de zuivere bediening der sacramenten en de uitoefening der christelijke tucht. Onze belijdenis stelt die drie kenmerken op één lijn en maakt geen onderscheid tussen dezelve. Zie Art. 29 onzer Confessie. (...) Luther heeft eens gezegd: Gods Woord kan niet zonder Gods volk zijn en Gods volk niet zonder Gods Woord. Waar Gods Woord zuiver wordt gepreekt, is Gods volk, is de ware kerk, maar daar vraagt men ook: Wat zegt dat Woord omtrent sacrament en tucht. De drie kentekenen zijn dus onafscheidelijk. Waar in 't ene verval komt, daar komt ook verval in de andere kenmerken. Een kerk die zich aan Gods Woord houdt, kan de tucht niet loslaten, daar zij dan een eis van Gods Woord loslaat. Daarom zeiden Mastricht, Jacob Alting, Maresius en anderen: De drie kenmerken liggen in het één kenmerk, n.l. het zuivere Woord, dat op verschillende wijze n.l. in prediking, onderricht, belijdenis, sacrament, leven enz. bediend en beleden wordt. De drie kenmerken staan dus op één lijn."

P.J.M. de Bruin



Prof. G. Wisse

De kanselredenaar G. Wisse gaf homiletiek (predikkunde), apologetiek en filosofie. Prof. Wisse was een voorstander van kanseltaal. Hoewel Van Minnen zeker waardering had voor het gedachtegoed van Prof. Wisse heeft hij zich in dit opzicht veel minder door hem laten beïnvloeden. Hij deed niet mee aan het imiteren van Wisse. In dat opzicht was Van Minnen een authentiek persoon. Bij sommige studenten was duidelijk te horen van wie ze les hadden gekregen of voor wie ze veel waardering hadden. Ds. P. van der Bijl had zo veel waardering voor ds. Riekel dat hij zelfs diens kapsel overnam. Wisse had last van hoogmoed. Daar was hij zichzelf ook van bewust. Toen er na de preek eens iemand naar Wisse toe kwam die zei: "U heeft kostelijk gepreekt, maar een ding is jammer. Dat u zo vreselijk hoogmoedig hebt", antwoorde Wisse: "Dat is waar, dat hem heb ik meegenomen uit het paradijs. En u? Wat heeft u meegenomen uit het paradijs?" Die persoon was snel verdwenen. Wisse heeft door het nalaten van verschillende prakticale werkjes laten blijken dat hij zich niet boven de gewone man verheven voelde. Hij vond hier juist veel aansluiting.


"Ik geloof, dat is het grote kenmerk van het geloof zelf; kom mijn ongelovigheid te hulp. Want die ongelovigheid, en dit feitelijk alleen, staat deze geloofsfunctionering in de weg. Dan vraagt zulk een actie in de daad des geloofs niet naar kenmerken, maar alleen naar uit-de-weg-ruiming van "ongelovigheid"; dat is die inklevende verdorvenheid, waardoor ik het geloof (als het enige middel) struikelblokken in de weg leg; ook soms struikelblokken van.... kenmerken! Want een verkeerd hanteren van de kenmerken kan zelfs afvoeren van de dadelijke geloofsbeoefening; en ons alzo nog verder afvoeren van de zo gewenste zekerheid. En hoe meer kenmerken men dan op deze weg gaat opvorderen, hoe verder ik afdwaal van de zo gewenste verzekerdheid van mijn bewuste zieleheil. En het zou wel eens kunnen wezen, dat sommige zielen (zonder dat ze het zelf weten of bedoelen) liever op deze kenmerken-weg willen blijven voortkruipen, dan op deze verse en levende weg des geloofs te willen wandelen, met vaste schreden. Want o beste vriend, we zijn van nature waarlijk niet zulke beminnaars van de wegen, die God ons voorhoudt tot troost en zekerheid, als wij ons zelf wel eens willen wijs maken. We willen van nature liever blijven sukkelen dan geloven; want geloven, ja dan moeten we met ons hele zelf, ook met onze 'vrome' eigen gerechtigheid de dood in, om het leven uit een Ander te ontvangen; en sterven doen we niet graag, ook ten deze niet. En wat is dat alles eigenlijk toch dwaas en nadelig ook. Om zulk een verse en levende weg te verachten en in te ruilen voor ons knoeiwerk. Door te geloven zalig te worden, geloof alleenlijk het is zo makkelijk en zo moeilijk allebei!"


G. Wisse

Prof. G. Wisse met zijn studenten.
Prof. G. Wisse met zijn studenten.

Welsprekendheid

"Aan een zware zuil was de kansel bevestigd. Zuilen droegen het hoge koepeldak. Gebrandschilderde glazen gaven in diep ontroerende motieven met warme kleuren verrukkelijke perspectieven. Verbleekte fresco's aan de muren en op het pleisterwerk in het hoge koepeldak getuigden van voorbije glorie en grootheid van kunst. Wondere bekoring als binnenstromend licht die fresco's deden leven. Dat licht dat door de boogramen in viel, waar de kerk van vol vloeide en opgolfde tot heel in de hoogte waar beschilderde togen koepelkronen vormden. Eeuwen blikten in stilheid neer op de oude gebeeldhouwde preekstoel, kanunniken en koorbanken; alles van zwaar donker geworden eiken. En daarbij die geur, die alleen eigen is aan 't interieur van machtige, eeuwenoude, monumentale domkerken. En toch, dat was het niet, wat z'n oog boeide en z'n zinnen streelde, toen hij het koele hoog gewelfde Godsgebouw opnam. Hij telde, vermenigvuldigde, hij schatte en dat aldoor met de schijn voor de hem rond geleidende als of hij het monumentale bouwwerk bewonderde. Hij deed het als een geroutineerde opkoper van antiek die rommelt in antieke boel; alles oppakt en bekijkt, maar wat in bezit wil hebben stil laat liggen om tersluiks een blik er op te laten vallen. Hij telde; hij schatte; hoeveel mensen er in konden...Een paar uur later. Buiten is het donker geworden. Uit de boogramen van de domkerk straalt een zee van licht. Van alle zijden stromen de mensen toe om te verdwijnen door de hoofdingangen en poortjes in de zijbeuken van de kerk. In de kerkraadskamer zit hij. De kanselredenaar. Onberispelijk zit z'n boord en das. Als gegoten z'n rok. Onophoudelijk schuifelen voetstappen van binnenstromende kerkgangers voorbij. Afwezig geeft hij antwoorden. Ze zijn hem als regendruppels voor de boer op z'n droog geworden akkers. Dan is 't ogenblik daar waarop de deur van de kerkenraadskamer ontsloten wordt en hij met moeite zich een weg baant door de dicht opgepakte menigte tot onder aan de kanseltrap toe. Aan de kanseltrap staat hij stil. Bidden. Bidden.....Hij weet niet wat hij bidt. Om zoveel duizenden. Voor mij gekomen en voor dat het goed en wel door dringt in z'n ziel, dat hij moet bidden, staat hij op de kansel en weet niet wat hij gebeden heeft. Vol van glorie is z'n ziel. Want waar hij ook blikt 't is overal een massale klomp van mensenlijven donker, waartegen afsteekt het bleke van de gezichten. Het orgel speelt. Zware bastonen dreunen, waarop een mengeling van wisselende lichte klanken dansen. (...) Dan wordt het stil. Langzaam treedt hij naar voren. Hij wacht...Nog spreekt hij niet. De stilte beangstigt. Maar dan verbreekt z'n stem de klemmende stilte. Een stem zo diep dragend, een stem die alles kan zeggen, alles vertolken, een stem die harten en zielen doet trillen. Gene van blijdschap, dat het na jubelt en echoot in z'n ziel op de woorden van de spreker. Anderen doet hij sidderen, bang kloppen, benauwend hen door zijn machtig woord van boete en oordeelsaankondiging. En de ganse schare is één en al gehoor en als één ontzaglijk oog staart de mensenmassa hem aan...."

"Plotseling klinkt het wat niemand hoort, dan de spreker alleen. Het woord klinkt haast tussen onmerkbare pauzes van z'n woordenval en woordenvloed. Als...Bileam. Als...Bileam. Nebukadnezar stond op het dak van zijn paleis...Als gebroken, lijkbleek, daalde hij, ook nu onder ademloze stilte, de kansel af. "Al ware het, dat ik de talen der mensen en der engelen sprak, en de liefde niet had, zo ware ik een klinkend metaal, of een luidende schel geworden." 1 Korinthe 13: 1

J.G. van Minnen (Apeldoorn, 1934)

"Al ware het, dat ik de talen der mensen en der engelen sprak, en de liefde niet had, zo ware ik een klinkend metaal, of een luidende schel geworden."


Prof. J.J. van der Schuit

J.J. van der Schuit doceerde dogmatiek, ethiek en symboliek. In de lessen dogmatiek werd veel aandacht besteed aan het supra- en infralapsarisme. Van der Schuit zette de leer uiteen tegenover ds. G.H. Kersten en dr. A. Kuyper. Jacob Jan van der Schuit werd geboren in Den Haag op 25 augustus 1882. Evenals De Bruin groeide hij op in een liberaal milieu. Hij kwam echter op jeugdige leeftijd onder de prediking van ds. J. Wisse Czn. Hij kreeg vanaf dat moment een levendige belangstelling voor de zaak van Gods koninkrijk. Als tienjarige jongen maakte het feit dat ds. J. Wisse en ds. F.P.L.C. van Lingen niet meegingen met de vereniging van 1892 veel indruk op hem. Van der Schuit vertelde daarover het volgende: "Wat heb ik als knaap menige zondagmorgen als knaap neergezeten onder het gehoor van ds. Wisse. Nog zie ik hem staan op die zondagmorgen 23 juli 1892, zonder kerkgebouw, zonder kerkenraad, zonder inkomen, zonder gemeente, maar niet zonder...God." Van der Schuit werd in woord en geschrift een strijder voor de beginselen van de Christelijke Gereformeerde Kerk. Tot de Tweede Wereldoorlog legden Van der Schuit en Schilder elkaar het vuur aan de schenen. Maar toen in 1944 de Vrijmaking zich voltrok werd de verhouding milder. Het boek van Schilder 'De Christus in zijn lijden' recenseerde van der Schuit bijzonder gunstig: "Hier is Christus-prediking in groot formaat van Schrift en confessie." Bij het overlijden van Schilder schreef Van der Schuit: "Met diepe ontroering heb ik kennis genomen van het zo plotseling sterven van Prof. dr. K. Schilder. Hij is mij geweest in vroeger dagen een scherpe tegenstander. Hij is mij geworden in later jaren een onverwachte medestander in de strijd om de confessionele gereformeerde waarheid. "Wij vinden in hem een Reformator, die getracht heeft Neerlands gescheurde gereformeerde gezindte bijeen te verzamelen, en die onverschrokken de Gereformeerde Kerken heeft aangeklaagd voor het forum der Gereformeerde Confessie. Of hij daarbij in alles de juiste weg is gegaan, en of hij steeds de broedertoon heeft bewaard, daarover wil ik niet beslissen. Maar ik ben overtuigd, dat liefde tot Gods Waarheid en liefde tot de Gereformeerde Confessie, hem heeft geïnspireerd. Hij heeft de dag niet mogen beleven, waarop twee kerken elkander vinden, die beide zeggen niet anders te weten en te willen weten, dan de Gereformeerde Confessie als basis van samenkomen en samenleven zonder bindende neven bepalingen." Hoe nu het verloop zal zijn, nu een reformator als prof. Schilder geen plaats meer heeft in deze kring van samenspreken, waag ik niet te zeggen." Het is opvallend dat Van der Schuit Prof. K. Schilder als 'reformator' omschrijft gezien diens verbondsopvatting en prediking toch wel anders van aard was als oorspronkelijk in de Christelijke Gereformeerde Kerk werd voorgestaan. Ook scheen Van der Schuit kerkelijke toenadering tot de gereformeerd-vrijgemaakten behoorlijk toe te juichen

Prof. J.J. van der Schuit
Prof. J.J. van der Schuit

Wie preken van Schilder ter hand neemt merkt een vrij rationele benadering. [*] In 1924 besprak ds. A. van der Heijden, docent ambtelijke vakken van de Theologische School van de Christelijke Gereformeerde Kerk, een bundel met daarin o.a. een meditatie van (toen nog) ds. K. Schilder. Ds. Van der Heijden schreef het volgende: "Ds. K. Schilder opent met een meditatie over Lukas 2: 15, 16 de rij der schrijvers. Dit gaan der herders naar Bethlehem's stal wordt wel door hem behandeld op een wijze, welke getuigt van veel studie, en met een rijkdom en weelde van taal, welke telkens aan overdaad doet denken, toch wil zulk een wijze van mediteren ons maar matig bevallen. Ons dacht het meer gepast, ook hier liever de Heilige Schrift te volgen, die in sobere, duidelijke taal het gebeurde mededeelt, dan zijn wij verstaanbaar en begrijpelijk voor anderen. Wij bedoelen natuurlijk geen platheid, geen vulgarisme, doch de eenvoud, welke het kenmerk is van het ware. Ook kunnen wij niet altoos met de redenering van Ds. Schilder mee gaan, doch plaatsten zoo hier en daar in onze gedachten wel eens een vraagteken."

Prof. J.J. van der Schuit met de studenten J.G. van Minnen, H. Visser Mn., W. Ruiter en E. du Marchie van Voorthuysen
Prof. J.J. van der Schuit met de studenten J.G. van Minnen, H. Visser Mn., W. Ruiter en E. du Marchie van Voorthuysen

Wisse op bezoek bij Schilder

We kwamen een dag tevoren in Kampen aan; en om te beginnen bracht ik een "vriendschappelijk"" bezoekje aan Prof. dr K. Schilder. Want toen ik nog predikant in Kampen was, was Schilder er student; hij kerkte zeer veel bij me, en was een der op den voorgrond tredende studenten op de Philos. cursus, dien ik daar destijds had opgericht; een Vereeniging voor Chr. wijsbegeerte. Vele studenten namen daar deel aan, onder wien student Schilder wel bovenaan stond. Later (toen ik tot de Chr. Geref. kerk terugkeerde) heeft hij, zoals Schilder daar een extra talent voor heeft, geweldig tegen mij gefulmineerd in zijn kerkelijke courant. Maar dat neem ik hem niet al te kwalijk. Zelf schreef hij mij destijds, dat hij dit deed (en dat geloof ik) uit liefde. Want hij kon het niet van me hebben, dat ik, één zijner oud-leermeesters, de Geref. Kerk verliet. Fiat. Ik kan daar wel tegen; liever zó, dan die onwaarachtige gehuichelde sympathie en "likkerij". Maar goed, ik kwam dan bij Schilder, en werd allervriendelijkst ontvangen op z'n studeerkamer. Kamer? Neen, dat is te zwak, studeer-zaal, een boekenpaleis. Ik stond een ogenblik "paf", toen ik binnentrad. Ik kan me niet herinneren ooit in mijn leven bij dominees of geleerden zo iets gezien te hebben. Stel u voor een grote lange en hoge zaal met verschillende bureaus en werktafels; en rondom langs al de wanden en hoog tot den zolder toe, alles één boekenkast; honderden, neen duizenden (onvergroot) boekwerken. In oude en nieuwe talen. Het deed je denken aan een dier zalen in de Utrechtse Universiteitsbibliotheek. Stapels lagen er nog op den grond. Ik kon niet nalaten mijn gesprek te openen met te zeggen: het gaat mij ongeveer als de koningin van Scheba, veel had ze gehoord van Salomo, maar toen ze in diens paleis zelf was gearriveerd, riep ze uit : "De helft is mij niet aangezegd". Schilder lachte goedmoedig en verzocht mij een makkelijke stoel in te nemen, en het gesprek begon: over de dagen van weleer; en van heden. En? en? Ja wat en? En is er ook nog over de kerkelijke verhoudingen gesproken? Wat dacht ge; van anders? En wat zei hij wel? En wat zei u? Ja, lieve vriend, dat zou je nu wel eens willen weten hè? Maar verschoon mij, dat behoort tot de...geheimen van het parket! Wel meen ik te mogen zeggen, dat er wederzijds (nog) niet veel perspectieven werden geopend op vereniging. Tenslotte, hij zou niet bij mij op de tijdrede komen, want . . . hij moest dienzelfde dag naar Utrecht om daar aan de universiteit ook college te geven. Gelukkig maar, zei ik. Want anders werd ik nog zenuwachtig.


De Wekker, 18 maart 1949

[*] Hiervoor geraadpleegd: K. Schilder verzamelde werken onder redactie van J. Doekes, P.A.C. Schilder, C. Veenhof, W.G. de Vries afdeling 1 Preken uit de jaren 1945-1952

Apeldoorn, 9 juli 1937

Kort verslag van de handelingen van Curatoren

Dinsdagmiddag opent de voorzitter de examina met gebed, nadat gezongen is Ps. 43 : 3.

Achtereenvolgens treden de kandidaten voor het Theologisch eindexamen op en houden een korte preek. J. C. Maris over Matth. 11: 28; J. G. van Minnen Joh. 3: 3; W. Ruiter Luk. 19: 9a; H. Visser Joh. 14: 6a; J. M. Visser Joh. 2: 1 1 en E. du Marchie van Voorthuysen Ps. 51: 19. Vervolgens worden zij onderzocht in al de vakken van het Theologisch eindexamen. De uitslag is, dat allen tot kandidaat in de Heilige Theologie kunnen bevorderd worden en daarmee beroepbaar gesteld in de Kerk.

Het is een indrukwekkend ogenblik, als de Voorzitter hen dit in gevoelvolle woorden mededeelt. Naar dit uur hebben zij uitgezien met heilig verlangen. Zegene de Heere hen tot in lengte van jaren in Zijn dienst en geve Hij hen getrouwheid in het ambt.

Het examen wordt daarna voortgezet, en wel met de heren P. v/d Bijl, W. de Graaf en H. van Leeuwen. Deze hebben zich gepresenteerd voor het eindexamen in de letteren. Allereerst lezen zij hun opstel in volgorde over "het humanisme", "De Pelgrimfathers" en ,"De Oxfordbeweging." De uitslag is, dat alle drie worden toegelaten tot de lessen der Theologie. Van de derde naar de vierde klas ging over de heer J. van Dalen, terwijl de ander dit hoopt te bereiken na een her-examen.

Een 7-tal hadden een rustige examenweek, wijl zij zonder examen overgaan van het eerste in het tweede jaar der Theologie, nl. de heren: D. Biesma Jr., M. v.d.Klis, J. Overduin, G. H. Polman Jr., R. Slofstra, C. J. Sobering en J. H. Velema.

Hierna heeft de sluiting van de cursus plaats. Dit is altijd een ernstig ogenblik, te meer, als zo als nu weer een zestal staan naar het ambt van Dienaar des Woords. Prof. v/d Schuit leest Psalm 24 en spreekt bijzonder over het 4de vers hen ernstig toe. Hij wenst de kandidaten de leiding Gods in hun leven, de anderen een goede vakantie en gaat voor in gebed, waarin hij de belangen van School en Kerk de Heere aanbeveelt.

Ds. L. de Bruyne, Secretaris.

Apeldoorn, 16 juli 1937

Het Curatorium der Theologische School brengt ter kennis van de Kerk, dat voor het kandidaatsexamen in de Theologie geslaagd zijn en beroepbaar gesteld zijn de heren: J. C. Maris, J. G. van Minnen, W . Ruiter, H. Visser, J. M. Visser en E. du Marchie van Voorthuysen.

Het Curatorium: Ds. S. v. d. Molen, Voorzitter

Ds. L. de Bruyne, Secretaris