Wat wilt Gij dat ik doen zal?

Biografische schets Ds. J.G. van Minnen (1900-1971)


Wie was ds. J.G. van Minnen? Volgens zijn oud-collega en studiegenoot ds. J.H. Velema "een geliefd prediker, een man met dichterlijke gaven." (1) Ds. K. Boersma schreef op 14 juli 1989 in 'De Wekker', het kerkelijk orgaan van de Christelijke Gereformeerde Kerken, dat hij zich ds. van Minnen nog heel goed kon herinneren. ''Ik hoor hem nog uit de Schrift spreken". Ds. G. Salomons die hem gekend heeft als zijn 'wapenbroeder' noemde hem: 'een stijfkop', 'een man van tegenstellingen', een bijzonder emotioneel mens, maar vooral ook iemand met oprechte bedoelingen: "Een Nathaniël in wien geen bedrog is." (2)


Jeugd in Vlaardingen (1900-1918)

Jacob Gerardus van Minnen werd geboren op 8 mei 1900 in het Zuid-Hollandse dorp Vlaardingen als enige zoon van winkelier en reder Abraham van Minnen (1848-1927) en diens echtgenote Adriana Pontier (1861-1932). Het gezin Van Minnen telde verder nog drie dochters.

Jaap van Minnen, zoals hij bij de oud-Vlaardingers bekend stond, werd geheel in het visserijleven opgevoed. Als jongen ging hij er helemaal in op. Vlaardingen was vanouds, dankzij haar gunstige ligging aan de Maas, een belangrijke vissersplaats. Het voorgeslacht van Van Minnen leefde van de inkomsten uit de scheepvaart en de visserij. Grootvader Jacob van Minnen (geb. 16 september 1814 voer voor de koopvaardij op zee en overleed bij Madeira op 16 november 1855. Gedurende zijn verdere leven voelde Van Minnen zich met zijn achtergrond verbonden; veelvuldig maakte hij in zijn beeldende manier van spreken en schrijven gebruik van de scheepsterminologie.


Oude Haven van Vlaardingen, in de jaren 20
Oude Haven van Vlaardingen, in de jaren 20

Kerkelijk was de familie aangesloten bij de Christelijke Afgescheiden Gemeente van Vlaardingen, een gemeente in 1848 opgericht. Ouderling van het eerste uur was A. van Minne(n), een naaste familieverwant. Een zoon van deze A(ry) van Minnen werd predikant. Dit was ds. Maarten van Minnen (1837-1910) (3) die een vooraanstaande plaats verwierf in de oude Christelijke Gereformeerde Kerk voor 1892 en later de Gereformeerde Kerken. De Christelijke Afgescheiden Gemeente van Vlaardingen werd gediend door predikers zoals ds. I. Middel (4) en ds. K. Kleinendorst (5) die bekend stonden als 'Schriftuurlijk-bevindelijk'. Laatstgenoemde predikant werd ook wel onder de Ledeboerianen als herder en leraar begeerd. Na het vertrek van ds. Kleinendorst in 1879 ontstaan er in de gemeente wrijvingen tussen twee verschillende stromingen: de 'bevindelijken' en de 'voorwerpelijken'. Op 14 april 1880 verbindt ds. W. Sieders (1845-1930) zich aan de gemeente. Deze predikant is wel een halve eeuw in Vlaardingen gebleven. Door hem werd Jacob Gerardus van Minnen waarschijnlijk gedoopt. De gemeente behoorde toen al tot de Gereformeerde Kerken, het kerkverband ontstaan in 1892 uit een vereniging met de dolerende kerken.

Vooral sinds de komst van de jonge dominee K. Schilder (6) in 1918 als hulpprediker naast ds. Sieders, verliest de bevindelijke stroming het van de voorwerpelijke richting. Fel trekt Schilder ten strijde tegen de bevindelijke inslag van de Vlaardingse gemeente. In het bestrijden van de uitwassen gaat hij zover, dat er voor het geestelijk leven gewerkt door Gods Geest in de mens geen plaats meer schijnt te zijn, ook niet als het getoetst kan worden aan Gods Woord. Uit onvrede sluiten verschillende leden zich aan bij de Vrije Gereformeerde Gemeente (7) ter plaatse, een gemeente in september 1880 geïnstitueerd.

Ds. W. Sieders
Ds. W. Sieders
Ds. K. Schilder
Ds. K. Schilder

Abraham van Minnen sloot zich ook aan bij laatstgenoemde gemeente. Dit deed hij kort na de eeuwwisseling toen hier ds. C. Densel (8) predikant was. In 1905 vertrekt ds. Densel naar Amerika, waarna op 17 april 1910 ds. P. van der Heijden (9) zich aan de gemeente verbindt. Onder diens prediking zit Jaap van Minnen gedurende zijn verdere jeugd en ontvangt hij catechetisch onderwijs. Nog voordat ds. Van der Heijden in 1920 overleed, had de Vrije Gereformeerde Gemeente van Vlaardingen zich inmiddels onder leiding van A. de Blois (10) bij het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten (11) aangesloten.

In Vlaardingen maakte Jaap van Minnen kennis met mensen die het geestelijke leven kende. Hij was getuige van eenvoudige maar oprechte kinderen van God, anderzijds ontmoette hij echter ook ontsporingen of opgeblazenheid. Deze indrukken hebben hem gestempeld. Hij was heel teer wanneer hij meende waarachtig geestelijk leven te ontmoeten, maar hij schroomde ook niet om te waarschuwen voor het feit dat we ook als 'liefhebbers van de oude waarheid' verloren kunnen gaan. "Hier begeven we ons tussen de gevaarlijke klippen met aan de ene zijde het oppervlakkige geloof, dat Christus aanneemt als Verlosser zonder ooit geleerd te hebben persoonlijk verloren te liggen en aan de andere zijde een zwaar geloof dat sterk ageert tegen al het oppervlakkige geloof en een sterk genoegen heeft in de oude waarheid, maar eveneens nog nooit persoonlijk iets heeft doorleefd". (12) Goede contacten waren er eveneens met Nico de Jong, de latere ds. N. de Jong (13) die eveneens uit Vlaardingen kwam. Zij waren van jong af aan geestelijke boezemvrienden. (14)  


Onderwijzer (1919-1928)

Van Minnen als onderwijzer
Van Minnen als onderwijzer

Jaap van Minnen groeide op in goede welstand. Na het doorlopen van de lagere school kan hij middelbaar onderwijs gaan volgen, waarvoor destijds slechts weinige van zijn leeftijdsgenoten in de gelegenheid waren, maar alleen kinderen van de meer welgestelde reders, kooplieden en sommige middenstanders. Daarna ging hij naar de vierjarige 'normaalschool' in Maassluis om zich op een onderwijzersloopbaan voor te bereiden. Voor het onderwijs had hij een persoonlijke gave. Drie van de vier kinderen uit het ouderlijke gezin Van Minnen gingen overigens het onderwijs in. Een zus van hem was onderwijzeres in Opheusden. In Vlaardingen heeft Van Minnen binnen het kerkelijke leven een actieve en gewaardeerde rol in het zondagsschoolonderwijs (15) en hij leidt ook de Jongelingsvereniging "Onderzoekt de Schriften" als voorzitter. In zijn binnenste voelt hij ondertussen de roeping tot het predikambt branden. (16)


Vlaardingen, 26 april 1923


Van de broeders S. Moerman en J. G. van Minnen, leden der Vlaardingse gemeente, gewerd ons het verzoek onderstaand stuk, naar den wens van vele vrienden, in de Saambinder op te nemen. Aan dit verzoek gevolg gevend, menen wij het gevoeglijk in deze rubriek te kunnen plaatsen.

Dan zingen zij, in God verblijd, Aan Hem gewijd, van 's Heeren wegen. Dit moge en zal wel de erkenning en blijdschap zijn van de gemeente van Vlaardingen; waar, onder een zeer talrijk gehoor, de weleerwaarde heer ds. W. den Hengst donderdagavond 12 April in het kerkgebouw van de gemeente onze voorganger, de weleerwaarde heer en broeder A. de Blois, in zijn ambt als bedienaar des Goddelijke Woords in deze gemeente heeft bevestigd. Als tekst had Zijn eerwaarde gekozen 1 Thessalonicenzen 5 : 24 "Hij, die u roept, is getrouw, die het ook doen zal", aan de hand waarvan spreker de gemeente bepaalde bij 'De vastigheid van 's-Heeren kerk en knechten.' Spreker kwam eerst te handelen over de tweeërlei roeping, namelijk de algemene, tot allen die onder het Evangelie leven, als vrucht der algemene genade en de bijzondere, gewerkt door de Heilige Geest tot zaligheid (...)


Kerkgebouw GG Vlaardingen
Kerkgebouw GG Vlaardingen
Ds. J.D. Barth
Ds. J.D. Barth

Zijn weg naar de Christelijke Gereformeerde Kerk 1928-1930

Een onmogelijke situatie ontstaat echter als hij in conflict komt met ds. G.H. Kersten, destijds de voorman van de Gereformeerde Gemeenten. Het kerkverband is verstrikt in een pennenstrijd met Christelijke Gereformeerde Kerk over het genadeverbond. Van Minnen deelde de visie van ds. Kersten op het genadeverbond niet en ook anderen in het kerkverband bleken toen en later niet gelukkig met de gang van zaken. Maar op dat moment protesteert alleen ds. A. de Blois, de opvolger van ds. P. van der Heijden als predikant in Vlaardingen: "Witsius, Hellenbroek en Brakel leren het anders." In een christelijk-gereformeerd kerkblad dat staat onder redactie staat van ds. J. Jongeleen 'De  Stichtsche Kerkbode', en later ook in 'De Wekker' wordt een artikel opgenomen van Van Minnen, waarin hij de visie van ds. Jongeleen op het genadeverbond onderstreept met een verwijzing naar ds. De Blois en ds. W. den Hengst: "We hebben in Vlaardingen 6 jaar lang door ds. de Blois in prediking, lezing en catechisatie grondig onderwijs ontvangen in de Schriftuurlijke leer, betreffende het genadeverbond. Met vrucht heb ik z'n onderwijs en velen met me genoten. Nog hoor ik hem op de catechisatie in Vlaardingen (niet in de Chr. Ger. Kerk dus alleen) verklaren uit het overigens beste vragenboekje van Hellenbroek, dat Hellenbroek toch mis ging ten opzichte van den vorm van het genadeverbond, dat het niet was zoals Hellenbroek leerde, dat dit verbond alleen opgericht is met de uitverkorenen, maar dat het moet zijn naar Gen. 17 : 7 'Met Abraham en al zijn zaad,' 't welk in de nieuwe bedeling overgaat op de gelovige en hun zaad. Ds. den Hengst deelde volkomen die Schriftuurlijke-verbondsbeschouwing, die zo klaar en eenvoudig is uiteengezet door ds. Jongeleen in z'n brochure over het  genadeverbond. Ds. den Hengst heeft deze mening niet verborgen gehouden. In z'n prediking lag deze grondslag. Tevens gaf hij er lezingen over, schreef in 'De Saambinder' over deze beschouwing en beval ten zeerste het werkje van den heer Mazijk aan 'Schriftuurlijke Verbondsbeschouwing' Daarbij onderwees hij ook in deze leer, de hem toevertrouwde personen ter opleiding tot het predikambt in de Gereformeerde Gemeenten."(17)

De uitwerking is dat de verhouding met ds. G.H. Kersten ernstig verstoord geraakt. Op de classis Rotterdam wordt de zaak behandeld.(18) Ds. J.D. Barth die inmiddels in 1925 de plaats heeft ingenomen van ds. De Blois in Vlaardingen neemt Van Minnen echter in bescherming.(19) En ook later blijft Van Minnen binnen de Gereformeerde Gemeente van Vlaardingen gewaardeerd en wordt uitgenodigd om te spreken voor de jongelingsvereniging als oud-voorzitter. Hij studeert dan al enkele jaren in Apeldoorn voor predikant. Bij deze gelegenheid is een foto gemaakt waar student Van Minnen gebroederlijk zit naast de toenmalige Vlaardingse predikant, ds. B. van Neerbos (de opvolger van ds. Barth).(20)






Het ontstaan van de Christelijke Gereformeerde Kerk

De Christelijke Gereformeerde Kerk ontstond in 1869 uit twee bloedgroepen, beiden hun wortels in de Afscheiding van 1834. De redenen van de Afscheiding van 1834 lagen in de verwaarlozing van de gereformeerde belijdenis in de Nederlands Hervormde Kerk. In prediking en tucht heerste vrijblijvendheid en tolerantie. Deze tolerantie gold vrijwel voor iedereen behalve voor de gereformeerde orthodoxie.

De afgescheidenen hadden ten opzichte van de Nederlands Hervormde Kerk een duidelijk standpunt: 'uit dit alles tezamen genomen, is het nu meer als duidelijk geworden, dat de Nederlands Hervormde Kerk niet de ware, maar de valse kerk is, volgens Gods Woord en artikel 29 van onze belijdenis'. Later onderstreepte de afgescheidenen dit standpunt op de synode van 1851 nog eens: 'Indien wij dit in gemoede voor de Heere niet geloofd hadden, dan hadden wij ons, overeenkomstig onze Formulieren van Enigheid niet mogen afscheiden en zouden derhalve ons tegenwoordig standpunt verloochenen, hetwelk door ons bij deze niet mogelijk is, omdat wij van harte geloven, dat de Heere Jezus als koning der kerk zijn volk uit een valse kerk geliefd uit te leiden'. In talloze brochures keerde ds. H. de Cock zich tegen het verval in de Nederlands Hervormde Kerk. Ook verzorgde hij een heruitgave van de 'Dordtse Leerregels'. "En wat nu de oprechte geloof en de waarachtige bekering aangaat, schijnt men in onze dagen daarvan een geheel verkeerd en verward denkbeeld hebben, en in plaats van te staan naar een geloof hetwelk Gods gave is, tevreden zijn met een geloof van eigen maaksel, van eigenwillige omhelzing en aangrijping." (H. de Cock) "Valse leer komt doorgaans overeen met ons verdorven vernuft, en geeft doorgaans ruimte aan het vlees, en onze begeerlijkheden." (H. de Cock) "Een christen moet tonen te hebben een geheiligd geweten hetwelk gevoelig is over de minste zonde, ook over een ijdel en onnut woord, ja tot de gedachten toe. Daar men niet gezind is God recht te vrezen, daar wil men altijd uitzondering maken, daar tracht men grote zonden te verkleinen, en kleinen voor te spreken, ja het kwade goed te noemen, en dus het licht tot duisternis stellen." (H. de Cock).

Al spoedig scheen het alsof de Afscheiding op niets zou uitlopen. Van buitenaf werd men tegengewerkt met hoge boetes en gevangenisstraf; intern openbaarde zich tal van meningsverschillen over tal van zaken. De situatie onder de afgescheidenen werd uiteindelijk zo erg, dat buitenstaanders hen openlijk bespottelijk maakten. Sommigen keerden teleurgesteld terug naar de Nederlands Hervormde Kerk.

De leidinggevende predikanten, ds. H. P. Scholte en ds. H. De Cock dachten over tal van zaken niet hetzelfde zoals over de leer van de doop en de gemeentebeschouwing. Hoewel ds. De Cock bij allen het meeste respect afdwong, door zijn ernstige handel en wandel, aanvaarde de synode het standpunt van ds. Scholte. Ds. Scholte maakte hierbij dankbaar gebruik van zijn charisma en uitstekende sprekersgaven. Ds. De Cock legde zich hierbij - hetzij onder protest - neer. De synode van 1837 ging nog een stapje verder. Er werd een nieuwe kerkorde ingevoerd, waaraan vijf artikelen werden toegevoegd waarin het standpunt verwoord werd van ds. Scholte. Hiermee was de visie en gemeentebeschouwing van ds. Scholte onderdeel van de leer van de Afgescheiden Kerk. Ds. De Cock aanvaarde ook dit besluit omdat hij bang was door verdere verdeeldheid het werk van de Afscheiding geheel teniet te maken. Slechts enkele gemeenten konden deze besluiten onmogelijk aanvaarden en onttrokken zich aan het kerkverband. Deze gemeenten noemden zichzelf de Gereformeerde Kerken onder het Kruis. Tussen de Christelijke Afgescheiden Kerk en de Gereformeerde Kerken onder het Kruis speelden zich hierna nog verschillende conflicten af. Dit betrof de aanvraag van erkenning bij de overheid, de aanstelling van predikanten die hiervoor niet waren opgeleid of wettig bevestigd, en het aanbod van genade. In 1840 werd door de Christelijke Afgescheiden Kerk onder schuldbelijdenis de kerkorde van 1837 verworpen. Na jaren van intensieve samensprekingen kon men in 1869 overeenstemming bereiken in leer, tucht, sacramenten en kerkorde, en ging men verder onder de naam Christelijke Gereformeerde Kerk.

In 1886 was er plotseling een ernstige bedreiging voor het voortbestaan van de Christelijke Gereformeerde Kerk. Slechts weinigen hadden dit tijdig in de gaten. Onder leiding van dr. A. Kuyper (1837-1920) waren er een groot aantal 'dolerende' gemeenten ontstaan. Deze gemeenten hadden zich los gemaakt van de Nederlands Hervormde Kerk. In eerste instantie leek de beweging veel op de Afscheiding, maar in werkelijkheid was de grondslag van deze beweging geheel anders. Achter de doleantie zat een indrukwekkend programma, ontsproten uit het brein van dr. Kuyper. Kuyper verwierp de hiërarchie van de Nederlandse Hervormde door zich als plaatselijke gemeente onafhankelijk te verklaren. Belangrijk was het zorgen voor een meerderheid in de kerkelijke besturen, om zo het kerkelijk goed veilig te stellen. Hoewel de eigenlijke opzet van de Doleantie mislukte, stond er vrijwel direct na de losmaking een perfect georganiseerde kerk. De Christelijke Gereformeerden riepen de Dolerende gemeenten op om zich bij hen aan te sluiten, maar dr. Kuyper bleek hier anders over te denken. Hij veroordeelde de Afscheiding van 1834 als 'een voorbarige stap'.

Omdat niet weinig gevoelig waren voor de grote denkkracht en activiteit van dr. Kuyper, die naast zijn kerkelijke activiteiten ook beschikte over een stevig doortimmerd politiek programma, startte de Christelijke Gereformeerde predikant, J. Wisse in 1888 een blad dat de beginselen van de Afscheiding verdedigde. Dit blad droeg de toepasselijke naam: 'Het Stichtste Wekkertje': het wilde de mensen wakker schudden. Ds. Wisse kreeg steun van ds. F.P.L.C van Lingen. Van Lingen behoorde zelf tot de dolerende kerken, maar in zijn blad 'Petahja' nam hij de theologische beschouwingen van dr. Kuyper onder de loep. In maart 1891 ging ds. Van Lingen over naar de Christelijke Gereformeerde Kerk. Naar zijn eigen zeggen was hij dit eerder van plan geweest, maar hadden zijn familiebetrekkingen hem hier al die tijd van weerhouden. De predikanten Van Lingen en Wisse dienden op de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerk een bezwaarschrift in waarin opgeroepen werd om niet te verenigen met de Dolerenden. Hun bezwaren hadden zij samengevat in vijf punten die terug te brengen zijn op: 1. Het verschil in beginsel van Afscheiding en Doleantie, 2. Ernstige bezwaren van kerkrechtelijke aard. (In het verenigingsproces waren de plaatselijke gemeenten nauwelijks betrokken.) 3. het voornaamste waren de beschouwingen van dr. Kuyper, de zogenaamde 'veronderstelde wedergeboorte'.

Onder de dolerenden bevonden zich zeker predikanten en voorgangers die een zuivere prediking voorstonden. In de prekenserie 'uit de diepte' werd ook wel met instemming gelezen. Maar Kuyper oefende veel invloed uit op de jongere theologen door middel van zijn dogmatiek. Wat Kuyper leerde was dat de grond van de kinderdoop lag in de veronderstelde wedergeboorte van het kind. In zijn boek 'Separatie en Doleantie' (1890) schreef hij: 'Onze kerken dopen niet als konden zij door de doop iemand wederbaren, maar in de onderstelling, dat de dopeling vooraf wedergeboren is'. Wel hield hij vast aan de stelling dat niet allen werkelijk wedergeboren waren. De leer van de veronderstelde wedergeboorte werd nooit officieel de leer van de Gereformeerde Kerken. Na een lange strijd kwam het in 1905 tot een compromis. De synode van de Christelijke Gereformeerde Kerk wilde in 1892 niet luisteren naar de bezwaren van Van Lingen en Wisse. Men vond de oplossing door het hanteren van een formule van 'tweeërlei reformatie'. Aan de leer van dr. Kuyper voelde men zich niet gebonden. De enige voorwaarden die de afgescheidenen nog hadden was het behoud van de Theologische School in Kampen. Toen bleek dat dit laatste geen struikelblok vormde, verenigde men in 1892 tot de Gereformeerde Kerken in Nederland.

Zes gemeenten waren er in 1892 overgebleven die Christelijk Gereformeerd wilden blijven. Maar dit aantal nam snel toe. De voornaamste reden hiervan was dat de vereniging van 1892 bij velen achteraf niet erg voldeed. Ds. Van Lingen besteedde veel van zijn tijd in het spreken op openbare bijeenkomsten waar voorlichting gegeven werd. Door middel van een advertentie in 'Het Wekkertje' riep hij de leden van de Christelijke Gereformeerde kerk op om op 20 juli 1892 in Utrecht bijeen te komen. Ds. Wisse was daar ook aanwezig. Hij had de avond tevoren besloten om christelijk gereformeerd te blijven. In een brief aan zijn gemeente deelde hij mee 'na lange strijd en worsteling zich zijn volle verantwoordelijkheid bewust te moeten zeggen: het is ons niet mogelijk te berusten in hetgeen de synode deed. Om te kunnen blijven christelijk gereformeerd predikant, hebben wij ons gedrongen gezien onze gemeenschap met de gecombineerde kerken op te zeggen' Later zei hij van dit moment: 'daar stond ik nu, zonder kerkenraad, zonder kerkgebouw, zonder gemeente, zonder pastorie, maar met de Heere'. Men ging verder onder de oude naam van Christelijke Gereformeerde Kerk. In 1896 zijn er 39 gemeenten met 10 predikanten. In 1906 is dit aantal al gegroeid tot 72 gemeenten met 29 predikanten.

Op 5 maart 1930 wendt Van Minnen zich tot de kerkenraad van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Vlaardingen om met zijn gezin lid te worden van deze gemeente. Waarom de Christelijke Gereformeerde Kerk? Zijn geestelijke vriend uit Vlaardingen, Nico de Jong (de latere ds. N. de Jong) studeerde in elk geval al vanaf 1922 aan de Theologische School in Apeldoorn. In de jaren twintig en dertig was het geestelijk klimaat in de Christelijke Gereformeerde Kerk nog overwegend goed. Predikanten van het eerste uur, waaronder ds. A. van der Heijden (1865-1927) en ds. P.J.M. de Bruin (1868-1946) drukken hun stempel op het kerkverband. Overigens verklaarde Van Minnen 'de Gereformeerde Gemeenten niet te verlaten om hele schokkende redenen, maar in hoofdzaak om genoemde beschouwing van het genadeverbond, die van bovenaf met dwang wordt opgelegd.'(21)

Op de Theologische School in Apeldoorn (1930-1937)

19 juli 1930 wordt er door de kerkenraad van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Vlaardingen onder leiding van ds. S. van der Molen een speciale kerkenraadsvergadering gehouden om Van Minnen te onderzoeken 'naar roeping en genadestaat', dit in verband met zijn aanmelding voor de Theologische School. De kerkenraad besluit hem voor te dragen aan het curatorium. In augustus legt hij admissie-examen af, waarna hij in september 1930 gezamenlijk met E. du Marchie van Voorthuijzen zijn intrede doet aan de theologische school in Apeldoorn. De predikanten P.J.M. de Bruin (1868-1946) J.J. van der Schuit (1882-1968) J.W. Geels ( - ) en G. Wisse (1873-1957) traden op als docenten. Student Van Minnen voelt zich in het bijzonder gevormd door zijn docenten  Prof. G. Wisse en Prof. P.J.M. de Bruin, maar ook met Prof. J.J. van der Schuit is er sprake van een zekere wederzijdse waardering.(22)

Ds. P.J.M. de Bruin werd in 1905 benoemd als docent aan de Theologische School. Hij was heel goed thuis in kerkgeschiedenis en het kerkrecht. In zijn 'Het oude kerkrecht der Chr. Geref. Kerk historisch toegelicht' pleitte hij voor erkenning van het gezag van de synode, inzake de vraag of plaatselijke gemeenten zich moeten houden aan besluiten van meerdere vergaderingen.

Studenten Van Minnen, Visser, Ruiter, E. du Marchie van Voorthuijzen. Daarachter Prof. J. J. van der Schuit
Studenten Van Minnen, Visser, Ruiter, E. du Marchie van Voorthuijzen. Daarachter Prof. J. J. van der Schuit

Ook de christelijk-gereformeerde verbondsleer schoof De Bruin niet onder stoelen of banken. In zijn boekje 'Het formulier van de kinderdoop' (1937) zegt hij: "Bij het onderwijs der jeugd op de catechisatie en christelijke school kan niet ernstig genoeg op de betekenis van de doop gewezen worden. Natuurlijk niet in verkeerde zin, om de kinderen een grond van zaligheid onder de voeten te geven, welke eenmaal blijken zal een zandgrond te zijn, maar in den zin van ons doopsformulier, door hen te wijzen op de noodzakelijkheid der wedergeboorte, welke reeds in de doop is afgetekend. "Want als wij in de Naam des Vaders gedoopt worden, zo verzegelt de Vader, dat Hij ons aanneemt tot Zijne kinderen en erfgenamen." Deze aanneming tot kinderen en erfgenamen, moet niet in onderwerpelijke zin verstaan worden, alsof de Heere zeide: "Ik maak u door genadige vernieuwing des harten van een kind des toorns tot Mijn begenadigd kind en van een erfgenaam des verderfs tot een erfgenaam des hemels", maar God spreekt hier verbondsgewijze, dus moet het hier toegezegde, voorwerpelijk van de zijde Gods worden verstaan. Kind des verbonds, zie op uw voorhoofd het schone versiersel, dat daarop door God den Vader is ingedrukt. Bezie het zegel, dat Hij u tot Zijn eigendom aanneemt en bij uw verachten van Zijn geboden blijft roepen: "Al had gij met vele boeleerders geboeleerd, nochtans zal Ik u aannemen." Gij kunt uwerzijds dat verbond breken en verbondsbreker worden en de weg der zonde kiezen, maar God de Vader verbreekt nooit Zijn verbond, want Hij heeft met u een eeuwig verbond opgericht en daarom zal Hij in de eeuwigheid, als uw aardse loopbaan is afgelopen nog Zijn verbond gedenken en u als verbondskind, als kind des Koninkrijks buitenwerpen. Maar, hoor ik vragen door een belangstellende lezer, gelden deze beloften dan al het zaad der kerk? Verzegeld de Drie-enige God dan aan ieder kind der gemeente dat gedoopt wordt, de verbondsbelofte? Zegt de Vader in de doop tot iedere kleine, gedoopt in Zijnen Naam: "Ik ben uw God en wil u tot Mijn kind aannemen?" Geldt dit niet alleen hun, die al wedergeboren zijn of althans hun, die uitverkoren zijn? Dit wordt wel door sommigen beweerd, die een on-Bijbelse beschouwing hebben van het genadeverbond en dit verbond beperken tot de uitverkorenen. In de grond der zaak is dit de dwaling der anabaptisten of wederdopers uit de zestiende eeuw en van de latere doopsgezinden, baptisten en darbysten. Immers, indien alleen aan de uitverkorenen de beloften worden verzegeld, dan zou de doop een zinledige ceremonie zijn. Calvijn zegt, dat Jacob en Ezau beide 'erfgenamen des verbonds' waren, hoewel de eerste uitverkoren en de laatste verworpen was. God doet Zijn verbondsbelofte niet onvoorwaardelijk. Er is aan de belofte des verbonds een wedereis verbonden. Die wedereis is geloof en bekering. Zonder geloof is het onmogelijk de belofte te omhelzen. Maar nu stelt God het geloof niet als een voorwaarde, die de mens moet volbrengen (dit zou de leer der Remonstranten zijn) maar als de weg of het middel, waardoor de belofte omhelst wordt. Dit is de leer van het doopsformulier. De doop verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid."

Ds. P.J.M. de Bruin waarschuwde in 'De Wekker' tegen het zogenaamde 'verbondsmethodisme' dat - vanwege de invloed van dr. A. Kuyper aan het begin van de twintigste eeuw - de toenmalige Gereformeerde Kerken beheersten. De Bruin wijst erop dat het 'Verbondsmethodisme' aldus redeneert: De kinderen van de gemeente zijn bondelingen. Aan die bondelingen wordt in de Doop de belofte van vergeving van zonden beloofd en verzegeld. Nu moet iedere bondeling, die onder de Waarheid leeft en dus de band van het verbond niet openlijk verbreekt, geloven dat die verzegelde belofte ook daadwerkelijk aan hem is toegepast. Hier wordt echter de schenking en toepassing van de belofte, de eerste is voorwerpelijk in Gods Woord, de laatste gebeurt onderwerpelijk door de Heilige Geest, helaas met elkander verward, aldus docent De Bruin. Dit verbondsmethodisme wijst een weg aan, die niet overeenkomt met de oude Gereformeerde leer, zo min als met de Schrift. Hij wijst op een werk van J. C. Appelius "Verklaring en verdediging van de Hervormde leer", verschenen in 1769 waarin staat: "De uitwendige roeping verricht God door de uitwendige verkondiging van het Evangelie. In die uitwendige roeping lokt Hij de zondaar om die voorgestelde weg tot zaligheid te kennen, te geloven, te kiezen en te bewandelen. God verklaart hier niet wat Hij zelf doen wil, maar wat de zondaar doen moet. De uitwendige roeping verklaart aan niemand, dat Christus voor hem gestorven is of dat Christus gewillig is en het voornemen heeft om hem in 't bijzonder zalig te maken. Dat wordt eerst aan hen, die geloven door de belofte van 't Evangelie betuigt. Zij belooft aan niemand de zaligheid, dan onder voorwaarde van geloof, hetwelk geen verklaring is van Gods voornemen, wat Hij doen wil, maar alleen van de samenhang tussen geloof en zaligheid en van onze plicht om door de weg des geloofs de zaligheid te zoeken." De plicht, de eis van de bekering moet dus eerst gepredikt, zegt Appelius, en waar deze eis door Gods Geest op het hart des zondaars gebonden wordt, daar is er plaats voor geloven van het Evangelie, d. w. z. geloven van de belofte van zondevergeving.'

Prof. P.J.M. de Bruin
Prof. P.J.M. de Bruin
Prof. G. Wisse
Prof. G. Wisse

Zijn andere docent, G. Wisse, was heel sterk in filosofie en apologetiek. Hij had een scherpe blik op de tijdgeest.  Wisse is dan ook bekend geworden als tijdredenaar. Niet het minst heeft Wisse echter zijn leerlingen veel bijgebracht inzake de praktijk van de prediking. Prof. Wisse deelde de opvatting van ds. G.H. Kersten over het genadeverbond niet, maar stond in de lijn van De Bruin: De kring van bondgenoten kan en mag niet beperkt worden tot de uitverkorenen alleen zoals ds. Kersten en anderen doen, want wanneer men dit consequent zou toepassen op de praktijk van het kerkelijke leven, dan zou bijvoorbeeld het Evangelie alleen aan de uitverkorenen gepredikt mogen worden, dan zou de grond van de kinderdoop op niet anders gebaseerd zijn als op een...veronderstelde uitverkiezing. [Zie Gerard Wisse, een profetisch prediker door Joh. de Rijke blz. 117-118] Wisse zag echter geen nut in een intellectueel debat over deze materie. Hij zag het als een 'broedertwist' en het ging hem om de praktische beleving. Wisse pleitte voor een juiste verhouding van het voorwerpelijk en onderwerpelijk element. Volgens Prof. Wisse is een prediking die niet gericht is op de zielsbehoeften, de praktische beleving van het genadeheil, uitdrogend. Veel kennis van het geestelijke leven is daarvoor nodig. Zijn gedachten vatte hij samen in het boekje: 'De ambtelijke bediening van de Christus in de gelovigen.' Wisse schreef ook enkele  praktische werkjes over het geloofsleven. 'De droefheid naar God' is daarvan het bekendste voorbeeld.

Prof. G. Wisse met zijn studenten. Van Minnen staande vijfde van rechts (met de armen over elkaar)
Prof. G. Wisse met zijn studenten. Van Minnen staande vijfde van rechts (met de armen over elkaar)

Van Minnen ontmoet in Apeldoorn studenten met wie hij geestelijke en vriendschappelijke banden ervaart, waaronder M. Baan, C. Smits, H. van Leeuwen en E. du Marchie van Voorthuijzen,  een groep studenten die  docent J.W. Geels  met enige argwaan beziet.(23) De vriendenkring vertegenwoordigt een jonge Schriftuurlijk-bevindelijke stroming binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk, met  een eigen stijl. De meesten van hen voelen zich, (naar een uitdrukking van ds. Salomons), 'oer-christelijkgereformeerd', hoewel ds. Smits dan ook al graag buiten de paden treedt. De invloed van Prof. G. Wisse op deze groep is duidelijk merkbaar. Hun taalgebruik is fris en zeker niet oubollig te noemen. Enigszins apart geval vormt E. du Marchie van Voorthuijzen, die een stijl ontwikkelt dat bij sommigen vervreemding oproept. De intredepreek die hij in 1937 in Urk houdt, wordt door ds. W. Meijnhout (1904-1960) bestempeld als 'demagogisch van karakter'. Als mens en in de dagelijkse omgang moet hij wel heel vriendelijk geweest zijn. Het is bekend dat hij stond onder invloed van ds. J.H. Koster van Montfoort. Geen van de andere rechtse studenten heeft in de stijl van ds. Du Marchie van Voorthuijzen gepreekt, ook ds. Smits niet. De allegorische uitdrukkingen van Du Marchie en één van de andere 'rechtse' studenten H. Visser Mzn. werden  door de anderen ook afgewezen. Na beoordeling van een preek van ds. H. Visser Mzn. door ds. Salomons, was de conclusie, 'dat deze zijn studie in Apeldoorn [met betrekking hierop] kennelijk buiten boord heeft gezet.'(24)

Van Minnen pleit voor een eigen stijl en zoveel mogelijk hedendaagse bewoordingen. Hoewel in een Bijbelvertaling grote terughoudendheid moet worden betracht, stelt Van Minnen, met een aardig voorbeeld, later binnen het bestuur van de Gereformeerde Bijbelstichting(25) voor om een uitdrukking als 'al wat tegen de wand pist' uit 1 Koningen - 14 : 10 te vertalen met 'al wat mannelijk is'. E. du Marchie protesteert echter de gang van zaken: 'Nee Jaap, al wat tegen de wand pist!' Ondanks de onderlinge verschillen in stijl en karakter is er binnen deze groep zeker sprake van kameraadschap, in het bijzonder tijdens de periode van studie. Student Du Marchie die een fervent motorrijder is, maakt nogal eens een ritje door Apeldoorn met Van Minnen achterop.

De andere studenten, waaronder J.H. Velema (1917-2007)  en J.C. Maris (1910-2000) vertegenwoordigen een meer voorwerpelijke stroming met veel 'vernieuwende' aandacht voor het verbond.(26) Laatst genoemde stroming zal in de komende decennia de overhand krijgen binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken, ten koste van de 'bevindelijke' richting. Tijdens de jaren dertig zijn  het nog nauwelijks bemerkbare "nuanceverschillen". Van Minnen noemt het echter "verschuivingen"  "die uiteindelijk toch een heel dorp met kerk en al kunnen vernietigen."(27)



Studenten H. Van Leeuwen, P. van der Bijl met verloofde, E. du Marchie van Voorthuijzen, J.G. van Minnen
Studenten H. Van Leeuwen, P. van der Bijl met verloofde, E. du Marchie van Voorthuijzen, J.G. van Minnen


De studie in Apeldoorn viel midden in de jaren dertig. Geen makkelijke jaren om te studeren, want het was de tijd van de wereldwijde economische crisis. Financieel ging hij er niet bepaald op vooruit. Hij moest fors op zijn eigen vermogen interen. Materialisme was Van Minnen echter geheel vreemd. Zo ontvangt de kerkenraad van Delft, (een andere aardige anekdote), een brief van een zekere heer die woningruimte tekort komt. Het blijkt dat de dominee heeft ingestemd met een woningruil. De dominee in de kleinere woning en het gezin met tekort aan woningruimte in de pastorie. De kerkenraad gaat er echter niet mee akkoord... 

Na zeven jaar studeren, werd student Van Minnen in 1937 beroepbaar gesteld. Het beroep van de kleine Christelijke Gereformeerde Kerk van Huizen mocht hij aannemen. Met deze gemeente waren banden gevallen. Op dinsdag 19 oktober 1937 vond de bevestiging van kandidaat Van Minnen plaats, door ds. C. Smits met een preek uit Jesaja 52: 7 "Hoe lieflijk zijn op de bergen de voeten desgenen die het goede boodschapt, die de vrede doet horen; desgenen die de goede boodschap brengt van het goede, die heil doet horen; desgenen die tot Sion zegt: Uw God is Koning." De volgende dag deed ds. Van Minnen zijn intrede in Huizen en preekte over Handelingen 9: 6b "Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?" Volgens het verslag van de intrede dienst werkte ds. Van Minnen zijn preek" in een eenvoudige maar schone rede uit."(28)


Ds. C. Smits
Ds. C. Smits
Ds. J.G. van Minnen
Ds. J.G. van Minnen
CGK Huizen (nu voormalig)
CGK Huizen (nu voormalig)

Geef ons profeten

Tot 1945 was ds. Van Minnen onlosmakelijk aan Huizen verbonden. Zijn liefde voor Huizen deed hem voor menig beroep bedanken. Het gemeentelijke leven in Huizen moest zich nog ontwikkelen, want de gemeente bestond nog niet zo lang. Ook voor het beroep uit Delft, direct na de Tweede Wereldoorlog, bedankte ds. Van Minnen in eerste instantie. Kort daarop stelde hij de kerkenraad alsnog in de gelegenheid, een tweede beroep op hem uit te brengen. Op 20 december 1945 deed ds. Van Minnen zijn intrede in Delft. Hij was een andere persoonlijkheid dan zijn voorganger ds. J. A. Riekel, maar kreeg niet minder een gewaardeerde plaats in Delft.

Als predikant van Delft behandelt ds. Van Minnen op de Schooldag van 1947 het thema: "Wat is een profeet?" "Een profeet is de mens, die als arm zondaar voor God buigt en het lied der verlossing zingt, dat Christus de Verlosser in 't middelpunt zet." "'t Profetisch lied der dankbaarheid, dat niet vastgelopen is in 't stereotiepe: Vader in den hemel wij danken u, maar dat zich nog menigmaal openbaart in de gestalte van 't "O , God, wees mij de zondaar genadig!" ""Aan geen profeten, die je ziel doen bevriezen door een koud intellectualisme; door een eenzijdige Christus-prediking; die Christus boven zijn gemeente zweven laten, los van zijn gemeente. Wat is Christus zonder zijn gemeente en zijn gemeente zonder haar Christus? De Heere beware ook zijn Kerk voor een andere karikatuur verschijning; even gevaarlijk, misleidend, verderfelijk als de eerst genoemde categorie. (...) We huiveren voor de profeet, die een warme, zwoele, geladen atmosfeer schept, vol spannende emotie, sensatie". "Die de dierbaarheid en algenoegzaamheid van Christus bedekt laat voor een ongelukkige door Gods Geest ontdekte zondaar." Profeet zijn dat is een Goddelijke boodschap hebben voor de gehele gemeente. Geen gemeente is te klein om een profeet te ontvangen. (...) Zijn we er biddend werkzaam mee vanwege den nood onzer ziele? Is 't ons daarin om God te doen, gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen?(29)


Afscheidslied

Ter gelegenheid van het afscheid der
Chr. Geref. verenigingen te Delft van
Ds. en mevrouw van Minnen
op maandag 13 september 1948

door Geert van Harten.

Heere leer ons op Uw wegen
zonder vragen voort te gaan.
Leer ons danken voor Uw zegen,
leer ons, 't oog op U te slaan.
Volgt er thans een moeilijk scheiden,
Roept Gij onze leraar heen.
Gij blijft aller leven leiden
En behoeden onze schreên.
Bij uw heengaan, trouwe herder,
ligt in ons een stil verdriet.
Nu gaat daar uw werk weer verder
Wat g' eertijds om ons verliet.
O, gij leefde met ons mede
en vermaande ons met klem
of bewoog ons met de bede:
"Vlucht met al je nood tot Hem!"

Altijd sprak ge zonder vrezen
Maar verschoonde nooit iets kwaads
En zelf woudt ge schuldig wezen
Stellend u in onze plaats.
Uw liefde is steeds gebleken
in uw troost voor elk verdriet.
Hoe rechtvaardig was Uw spreken,
Vriend of vijand deerde niet.

Mensen konden U niet deren,
noch des vijands bozen macht
Strijdend voor de zaak des Heeren
Hebt ge slechts Zijn Woord gebracht.
Zegene God uw edel streven
Dat uw heengaan zij in vreê
En, wat ooit u zal begeven
voer Gods eeuwigen zegen mee

Heere, leer ons, op Uw wegen
zonder vragen voort te gaan.
Leer ons danken voor uw zegen,
ook al scheiden onze paân.
Ja, wij mogen God nog loven,
Die ons milden zegen bracht.
Hem, Die eeuwig woont daar Boven
Zij al d' ere toegebracht.


Koop de waarheid en verkoop ze niet

In juli 1948 kwam er een einde aan de bediening van ds. Van Minnen in Delft. De dominee had een beroep aangenomen van zijn oude gemeente Huizen. Op 13 en 14 september 1948 nam hij afscheid van Delft. Op woensdag 22 september 1948 werd ds. Van Minnen opnieuw bevestigd in Huizen, ditmaal door ds. M. Baan naar aanleiding van de tekst: "Koop de waarheid, en verkoop ze niet" (Spreuken 23: 23a). Ds. Van Minnen nam zijn intrede tekst uit Nehemia 2: 20a "Toen gaf ik hun tot antwoord en zeide tot hen: God van de hemel, Die zal het ons doen gelukken." De nu volgende geschiedenis staat in het kader van de veranderingen in de tweede helft van de twintigste eeuw. Ons land kreeg te maken met een vloedgolf van allerlei nieuwe verworvenheden op het gebied van verkeer, infrastructuur, industrialisatie en een snel groeiende welvaart. Ook de moderne media in de vorm van radio en televisie, deed haar invloed gelden. Het Schriftgezag, de rol van de vrouw in kerk en politiek, liturgie, Bijbelvertaling en de gereformeerde levensstijl kwamen op losse schroeven te staan. Op de achtergrond tekent zich binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk een richtingenstrijd af die in de jaren vijftig pas goed zijn aanvang neemt.

Tijdens zijn tweede verblijf in Huizen stuurden enkele gemeenteleden een protestbrief naar de classis Amsterdam over het optreden van ds. Van Minnen en diens kerkenraad met betrekking tot enkele deelneemsters aan het Heilig Avondmaal, waarna deze zaak in behandeling werd genomen. Tussen de classispredikant ds. A. Bikker (1898-1977) en ds. Van Minnen lopen de gemoederen op en de zaak escaleert. Op zondag 27 juli 1952 maakt ds. Van Minnen zijn gemeente bekend dat hij zich los maakt van de Christelijke Gereformeerde Kerken, 'gezien de openbaring van de classis Amsterdam in haar belemmeringen van de uitvoering der kerkelijke tucht en haar belemmering in het trachten een dam op te werpen tegen de wereldgelijkvormigheid.'(30) Op de bondsdag van de mannenverenigingen in 1952 doet ds. C. Van der Zaal (1893-1976) de zaak ernstig tekort als hij beweert dat dit betreft een kwestie van "één centimeter haar".(31) Prof. J.J. van der Schuit, die ds. van Minnen overigens wel een bijzonder warm hart toedraagt ("aan wien ik zoveel dankbare herinneringen bewaar") zegt in een reactie, 'dat er een dreiging is van wereldgelijkvormigheid, die onze jeugd niet voorbijgaat.' Maar hij benadrukt 'dat deze dingen (...) toch niet mogen gerekend worden als een reden, wettige reden, om het verband met de Kerk te verbreken.' 'Gans anders echter is het, wanneer het zaken betreft als prediking en Heilig Avondmaal, door U genoemd.'(32)

In een 'verantwoording' noemt ds. Van Minnen dieper liggende oorzaken die hem van het kerkverband doen vervreemden: "een verstarde verbondsprediking en verbondsobjectivering en een voorwerpelijke Christusprediking."(33) Van der Schuit roept op om via de kerkelijke weg op de aanstaande synode: "misverstanden weg te nemen, om moeilijkheden op te heffen, om zoo veel mogelijk tegen den geest dezer eeuw het klaar getuigenis te geven van den rechten weg des Heeren, waarop gij en wij te wandelen hebben." "Bedroef dan dien Geest Gods niet, door welken ook gij geroepen zijt tot het ambt van Dienaar des Woords. Bedroef de kerk des Heeren niet, die U tot Dienaar des Woords gesteld heeft, door welke Kerk Gij van Gods wege de bevestiging van Uw roeping hebt ontvangen. Bedroef den broederkring niet, die U nog wacht. wij hopen - wij wachten - wij bidden. Uw Heil wensende Broeder in Christus."(34) Uit dit schrijven blijkt overduidelijk, ondanks de snijdende kritiek, ook grote waardering voor ds. Van Minnen als persoon en als predikant.

In zijn 'verantwoording' noemt ds. Van Minnen ook andere zaken: de samensprekingen met de Gereformeerde Kerken synodaal en naar artikel 31 (vrijgemaakt), alsmede het zoeken naar nieuwe vormen voor ons kerkelijk leven in liturgie, psalmberijming, ritmisch zingen, en belijdenisvragen, zaken die op zichzelf genomen onschuldig lijken, maar in samenhang gezien moeten worden met de voorwerpelijke prediking en verbondsbeschouwing.(35)  

In september 1953 wordt de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken gehouden in Apeldoorn. Op tafel ligt een indringend rapport uit de classis Dordrecht. In de eerste plaats wijzen de rapporteurs (ds. M. Baan en ds. H.C. van der Ent) erop dat de situatie in de Christelijke Gereformeerde Kerken zo ernstig is 'dat dringende maatregelen noodzakelijk zijn'. De diagnose luidt: 'Bij de Christelijke Gereformeerde Kerken valt een bedenkelijke afglijding waar te nemen van de oude lijn der Afscheiding'. De classis Dordrecht doet het voorstel om een openlijk getuigenis te doen uitgaan door de aanstaande Synode. Ook roepen zij op,  om als kerkverband de samensprekingen met de Gereformeerde Kerken te verbreken en de drang naar verdere liturgische vernieuwing te staken.(36)

Wonderwel blijkt de synode van 1953 bereid mede door de steun van Prof. G. Wisse dit krachtig gezamenlijk getuigenis te doen uitgaan. Prof. G. Wisse is dan ook verheugd over de uitkomst van de synode. 'Men heeft de bezwaren niet willen ontkennen maar in feite onderstreept door het eenparig aanvaarden en goedkeuren van de kanselboodschap die wijst op de inzinking en vervlakking in het kerkelijke leven'. In verzuchting laat Wisse erop volgen dat hij tijdens de synode weleens heeft gedacht: 'Och, dat onze broeders Van Minnen en Van Voorthuijzen dit nu ook maar eens bijwoonden'.(37) Ook deze woorden zijn niet afstotend bedoeld, maar spreken verbondenheid uit.

Een blik op de kanselboodschap van 1953 en 20 jaar daarna

Een wezenselement van onze kerken is altijd geweest, de Schriftuurlijk-bevindelijke prediking. Die prediking trok aan, vandaar dat in het verleden zich zovelen bij de kerken hebben aangesloten. Die prediking deed, door Gods genade, zijn kracht in harten van mensen. Wanneer heden zulk een prediking ontbreekt, dan breekt men met het verleden. Nu kan opgemerkt worden, maar er zovele zaken, die heden onze aandacht moeten hebben, waarvan men in het verleden niet wist. Of dit geheel waar is, geloof ik niet. Er is uiteindelijk niets nieuws onder de zon. In Gods Woord en de historie der kerk kunnen we vinden, wat we heden in de kerken, in kerkelijk Nederland horen. Het huidige tijdsbeeld en de ontwikkeling in Nederland, ook op kerkelijk gebied, zou ons des te meer moeten nopen om met Gods hulp, krachtiger te prediken. Schriftuurlijk-bevindelijk. Die prediking is niet ouderwets. Die prediking is de oude prediking. Een prediking naar Gods Woord. Een prediking, die ook doorklonk in de prediking van de reformatoren. Een prediking, die we vernemen uit de preken van de mannen der nadere reformatie. Een prediking, die zijn kracht heeft gedaan in de dagen van de afscheiding. Wil onze kerk, willen onze kerken nog toekomst hebben, zal die prediking verkondigd moeten worden. Waar de bevindelijke kennis van Gods Woord niet gepredikt wordt, vervreemdt de gemeente van het Evangelie." Wanneer alle predikanten honoreerden in hun prediking, wat het Getuigenis aangeeft, dan zou er eenheid zijn. Die eenheid zou ons kerkelijke leven ten goede komen en er zou van onze kerken veel uitgaan in kerkelijk Nederland.

Ds. M.C. Tanis, 1973

Na het verschijnen  van de Kanselboodschap behandelt Prof. G. Wisse het getuigenis door zijn bijdragen in 'De Wekker'. Wisse zegt dat hij zich verbonden voelt met het voor 'ouderwets' versleten soort "hetwelk nog kan spreken uit de bevinding, niet enkel dat er een hel en hemel is, of ook wel dat er een volkomen Zaligmaker is voor een verloren zondaar; maar dat er ook van weet te "getuigen, hoe die twee, als genade verheerlijkt wordt, bij elkander komen en met elkaar omgaan. Kortom ge begrijpt mij wel hoop ik; zo niets van die nieuwe koers, waarbij je uit de koers raakt, (..) men van het bevindelijke leven vijandig is, (..) nieuwerwetse vroomheid die zich zo vitaal en zo kerngezond acht. Vaak een verkapt Barthiaanse richting met groot-doenerij, maar waarbij alle diep geestelijk inzicht gemist wordt.  Meest allemaal hoogstaande juich-mensen, maar zonder kennis van Ps. 130, of van Ps. 6. etc. Het is gevaarlijker nog dan puur modernisme of atheïsme, want men meent dan nog "Schriftuurlijk" te zijn op de koop toe."(38)

De Kanselboodschap en de bijdragen van Prof. G. Wisse in 'De Wekker' weet andere verontrusten lange tijd ervan te weerhouden om ook heen te gaan. In 1959 overlijdt Wisse. Al spoedig blijkt dat de onrust nog niet is weggenomen. De vraag blijft hoe breed werd de Kanselboodschap van 1953 in werkelijkheid werd gedragen. De ontwikkelingen die zorgen baarden gingen in ieder geval door. Opnieuw treden er leden, predikanten of zelfs hele gemeenten uit de Christelijke Gereformeerde Kerken. Zij vormen zelfstandige gemeenten en voegen zich bij ds. Van Minnen, of men sluit zich aan bij andere kerkverbanden, met name de Gereformeerde Gemeenten.(39)


Ds. N. de Jong
Ds. N. de Jong

Rond 1960 blijkt dat er predikanten zijn (ds. C. Smits, ds. N. De Jong, en ds. F. Bakker) die het overwegen om ds. Van Minnen te volgen. Ds. Smits preekt dan al op vele plaatsen buiten het kerkverband en is bereid om gemeenten te stichten. Ds. Smits bracht daarvoor in het voorjaar van 1960 een bezoek aan ds. Van Minnen in Delft en sprak met hem op intensieve wijze over de kerkelijke toestand. De nood werd gevoeld. Ds. Smits had onvrede met de situatie in de Christelijke Gereformeerde Kerken. Ds. Smits stelt voor om ds. N. de Jong in het gesprek te betrekken. De waardering voor ds. De Jong is onder degenen die nog in de Christelijke Gereformeerde Kerken aan de waarheid willen vasthouden erg groot. Bij een eventuele uittreding zal ds. De Jong dus zeker betrokken moeten zijn, aldus ds. Smits. Naar aanleiding van het bezoek van ds. Smits besloot ds. Van Minnen zijn jeugdvriend uit Vlaardingen, ds. N. de Jong op te zoeken. Deze ontmoeting vond plaats in juni 1960. De ontmoeting met ds. De Jong was bijzonder hartelijk. Ds. De Jong bleek het op vele punten met ds. Van Minnen en ds. Smits eens te zijn. Een breuk met de Christelijke Gereformeerde Kerken zou uiteindelijk onvermijdelijk zijn. Heel concreet werden tijdens deze gesprekken voorbereidingen getroffen. Ds. Van Minnen beantwoorde vervolgens  vragen met betrekking tot zijn optreden van de herbevestiging van ds. Salomons, en dan lijkt er niets meer in de weg te staan. Inmiddels had ook de kerkenraad van Urk laten weten op het punt van uittreding te staan. De kerkenraad van Urk wachtte op een reactie van deze bewuste predikanten, om een eventuele stap gezamenlijk te kunnen doen. Mochten de predikanten alsnog niet tot uittreding overgaan, dan zou de gemeente Urk op eigen initiatief de stap doen. Daarna werd er zelfs gesproken over de uitgave van een eigen kerkelijk blad en een predikanten opleiding. Aan het einde van het gesprek stelde ds. De Jong aan ds. Van Minnen voor, of deze op de aanstaande vergadering van bezwaarde christelijke-gereformeerde predikanten aanwezig zou willen zijn. Ds. Van Minnen stemde hier in toe, onder voorwaarde dat er niet langer gesproken zou worden over de ontreddering in de Christelijke Gereformeerde Kerken, maar er nu concrete stappen ondernomen zouden worden. Na de ontmoetingen met ds. Smits en ds. De Jong vond er nog een persoonlijk gesprek plaats met ds. F. Bakker in Driebergen. Ds. Bakker en ds. Van Minnen hadden met elkaar een diepe geestelijke band. Bovendien was ds. Bakker een uitgesproken 'drie-verbonder' die liever christelijk-gereformeerd bleef dan ooit naar de Gereformeerde Gemeenten over te zullen gaan. Ds. Bakker kon zich geheel in het besprokene vinden en drong er bij ds. Van Minnen op aan om aanwezig te zijn op die bewuste vergadering van bezwaarde predikanten.(40)

Aan de kerkenraad van de Christelijke Gereformeerde Kerk Urk (1960)

Eerwaarde broeders,

Zoals we afgesproken hadden om contact op te vatten met enkele broeders predikanten der Christelijke Gereformeerde Kerk, zo hebben we het ook gedaan. Dus de zaak is lopende. Ge weet, dat er bij bedoelde broeders nog al wat aarzelen is; reeds ongeveer een jaar of twaalf. We hebben hun medegedeeld, dat Urk nu eens spoedig tot zaken wenst te komen. Tevens de grens gezet, dat we uiterst september dit jaar definitief een datum van vergaderen gesteld willen zien. Zodra we iets weten zullen we dit onmiddellijk melden. Geliefde broeders, mocht het ons vooral om de Heere te doen zijn. Dat hij ons op de knieën brenge en vinden voor deze zaak. Niet om getal, niet om grootheid, geen berekening, geen aanzien hebben bij de verwereldlijkte kerk. Maar gunst bij God en zoals een weerloze duif onder Zijn vleugelen te mogen schuilen en tevens oprecht te zijn gelijk de duiven. De Heere is machtig te verlossen door velen, ook door weinigen, sprak Jonathan. En Jacob zeide tegen zijn zonen, wat ziet je op elkander. O laat ons toch met elkaar op de Heere zien, dan is er geen listig zichzelf bedoelen, dan is het maar geen enkel berekenen, dat wordt het een levend geloof, ook nog in het laatste der dagen (hoe weinigen ook; 't is altijd een overblijfsel geweest): 'de bedroefden om der bijeenkomst wil, zal ik vergaderen.' (Zefanja 3: 18)

Met hartelijke groeten Gode in alles bevolen.

Uw. dw. ds. J.G. van Minnen

oud. A.W. Langstraat. 
 

Vergadering bezwaarde christelijk-gereformeerde predikanten.

De vergadering vond plaats op 26 september 1960 in het Groothandelsgebouw te Rotterdam. Aanwezig waren de predikanten ds. N. de Jong, ds. C. Smits, ds. M.C. Tanis, ds. F. Bakker, ds. D. Slagboom, ds. G. Blom, ds. E. Venema, ds. H. van Leeuwen, ds. H.C. van der Ent en ds. J.G. van Minnen. Als ds. Van Minnen arriveert blijken de andere broeders al aanwezig te zijn. Ds. Van Minnen stelde voor om de volgende punten, die besproken waren met ds. Smits, ds. De Jong en ds. Bakker, in bespreking te nemen:  de schrijnende toestand dat men als bezwaarde christelijk-gereformeerden zo uiteen valt, en dat met name onze jeugd wordt vergiftigd met een zogenaamde 'Christusprediking', maar niet voor zondaren, die zich als zodanig door het werk des Heeren hebben leren kennen. Enkele broeders blijken dan echter grote tegenstanders van een breuk met de Christelijke Gereformeerde Kerken. Het gesprek liep nu over op de vraag: "Had ds. Van Minnen wel mogen uittreden?" Ds. Smits gaf naar aanleiding van de discussie aan "nu in de mist te zitten." Ds. Van Minnen gaf de vergadering daarop het advies om het roer in handen te geven van de grote Kapitein.(41)


Ds. D. Slagboom
Ds. D. Slagboom


Ds. H.C. van der Ent
Ds. H.C. van der Ent


Ds. H. van Leeuwen
Ds. H. van Leeuwen


Ds. G. Blom
Ds. G. Blom

Groothandelsgebouw in Rotterdam
Groothandelsgebouw in Rotterdam

Als binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken de stichting 'Bewaar het Pand' wordt opgericht, blijft de uittreding van deze vrienden vooralsnog uit. "Na ernstig beraad met een groot aantal ambtsdragers, zowel ouderlingen als predikanten, zijn we tot deze uitgave overgegaan", aldus ds. Smits in het openingsnummer van het blad 'Bewaar het Pand'. Ds. G. Blom, ds. R. Kok, ds. H. van Leeuwen, ds. C. Smits en ds. D. Slagboom maken deel uit van de redactie.

Ds. Van Minnen voelt zich in de kou gezet, maar van een [wil tot] terugkeer naar de Christelijke Gereformeerde Kerken is geen sprake.(42) In een brief gedateerd 1966, schrijft hij nadrukkelijk dat hij niet bereid is (alsnog) terug te keren naar de Christelijke Gereformeerde Kerken, hoewel hem dat wel wordt voorgesteld.  Met name de weduwe van ds. F Bakker (ds. Bakker overleed in 1965) en ds. P. Sneep (evenals Van Minnen een oud-Vlaardinger) schijnen het liefst te zien dat ds. Van Minnen inclusief diens gemeenten weer terugkeert.(43) In het voorjaar van 1969  meldt ds. Salomons per brief aan de kerkenraad van Delft, dat ds. Van Minnen op diens vriendelijke maar dringende vragen liet weten, dat hij er niet aan denkt zich bij de Christelijke Gereformeerde Kerken te voegen, maar dat hij wel zoekt naar de meest zuivere openbaring van het lichaam van Christus." "Hij wil niet teruggaan tot die kerk, die hij in goede overtuiging verlaten heeft."(44)


Van ene lap gescheurd

Ds. G.W. Alberts
Ds. G.W. Alberts

In 1961 overleed na een ruim ziek- en sterfbed een goede vriend van ds. Van Minnen, namelijk ds. G.W. Alberts.  Door spanningen in zijn gemeente was zijn zenuwgestel aangetast. Zo was daar een man die steeds op een heel indringende wijze ging staan tijdens de preek. Deze man is later tot inkeer gekomen en heeft ds. Alberts op zijn sterfbed om vergeving gevraagd. Zonder enige bedenking antwoordde ds. Alberts: "Van harte, we zijn van ene lap gescheurd."  Ds. Alberts was een ongekunsteld man met een groot hart voor jongeren en buitenkerkelijken. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben ds. Alberts zijn vrouw ook onderdak geboden aan enkele Joden. Een levensbeschrijving verscheen kort na diens overlijden en is getiteld: 'Geroepen tot het licht. Op zijn grafsteen staan de woorden: 'Geroepen uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht.'

Advent anno domini 1964

Ds. F. Bakker
Ds. F. Bakker

Toen ds. Van Minnen in 1956 vanuit Huizen opnieuw naar Delft vertrok, nam ds. F. Bakker het beroep naar de Christelijke Gereformeerde Kerk van Huizen aan. Hij werd hier door ds. H. van Leeuwen bevestigd met een preek uit 2 Korinthe 5: 11. In 1959 werd ds. Bakker predikant in Driebergen. Tussen ds. Van Minnen en ds. Bakker is een hechte vriendschap ontstaan, wat stand hield tot diens overlijden in 1965. Behalve dat zij met elkaar van hart tot hart konden spreken over het leven met de Heere, kwam ook menigmaal de droevige scheiding die ontstaan was op het kerkelijke terrein ter sprake. Er was een verlangen om weer van één kerk te kunnen zijn. Ds. Bakker wees dan weleens naar Boven. In hun pennenvruchten: 'Gebedsgestalten' en 'Licht en Schaduw' spraken de broeders hun verbondenheid naar elkaar uit. Toen hij inmiddels ziek was heeft ds. Bakker nog een voorwoord geschreven in de gedichtenbundel van ds. Van Minnen. In de dagen van ongeneeslijke ziekte wil ik nog gaarne dit bundeltje gedichten bij u inleiden. Niet alleen, omdat juist in een tijd als deze, de geestelijke band met de schrijver - mijn geliefde ambtsbroeder - zo sterk wordt gevoeld - meer nog omdat de inhoud zo kostelijk uitdrukt, welk een rijkdom er ligt in God; ook als de dagen donker zijn. De Heere geve, dat deze ontboezemingen eeuwige vruchten mogen dragen. Ds. F. Bakker Driebergen, oktober 1964. Op de begrafenis van ds. Bakker op 7 januari 1965 heeft Van Minnen een gedicht voorgedragen, dat als volgt luidde:

Adventslicht boven de stervenssponde van m'n geliefde vriend en broeder Ds. F. Bakker.

Advent - is óók Uw komen Heer,
tot uwe kind'ren zwak en teer;
die moe zijn, ziek zijn, uitzien naar
het ogenblik van 't brengen daar
waar alle smart en droefenis
voor immer dan verleden is;
waar 't donker 't licht nooit meer
verdringt;
waar moe - de ziel niet weg meer zinkt.

Advent - ik wacht Uw komen af:
dat zachtkens Gij mij vlijt in 't graf;
dat Gij mij toedekt met dat kleed
geweven uit Uw lijdensleed.
Mijn ziel dan naar Uw hemel vaar -
Gij fluist'rend zegt: Ik toch bewaar
uw stof tot aan de jongste dag -
dan Jezus ...... ik niet huiv' ren mag!

Advent - m'n ziele luistert stil
- verenigt met Uw heil' ge wil -:
of eng' len komen halen mij
voor 't altijd blijvend feestgetij.
Laat zó mij bij U slapen gaan;
'k ben nu toch aan het eind der baan!?
U prijs ik Jezus, Gij krijgt d' eer -
geen leed, geen angst, geen pijn dan

meer!

Advent - ja kom Drieënige God!
En leidt Gij mij - óók 'haar' eens tot
de grote Bruiloft van het Lam
waartoe Gij 't kruis op aarde nam.
't Is welbehagen, 't is gena
Als 'k in Uw armen slapen ga.
Gij waakt dan over dit mijn stof -
mijn ziel zingt dan al eeuwig lof.

Behalve ds. M. Baan en ds. J.G. van Minnen spraken verder nog de predikanten ds. C. Smits, ds. J.C. van Ravenswaaij en ds. G. Blom. Maar ook uit andere kerken woonden velen de begrafenis bij. Ds. Baan zei: "De ware oecumene vonden wij bij het sterfbed van ds. Bakker."

Gereformeerde Bijbelstichting

In het najaar van 1965 werd de 'Gereformeerde Bijbelstichting' opgericht. Deze stichting kwam op voor de belangen van de Statenvertaling, een vertaling die steeds meer verdrongen dreigde te worden door de Nieuwe Vertaling, die gereed kwam in 1951. Vanaf het eerste uur zette ds. Van Minnen zich in voor deze stichting en maakte tot zijn overlijden deel uit van het bestuur. De stichting verenigde heel wat broeders die nog maar kort geleden van elkaar gescheurd waren uit allerlei kerkverbanden tot één geheel. Er werden brochures uitgegeven en er kwam ook een blad 'Standvastig'.  

Reformatorisch Dagblad

Een andere wens was de verschijning van een betrouwbaar dagblad. Het initiatief leidde tot de verschijning van het Reformatorisch Dagblad. Ds. Van Minnen maakte deel uit van de raad van toezicht.  

Levenseinde (1968-1971)

De laatste jaren van zijn leven kenmerken zich door verwijdering van de hechte band die er was met de gemeente en de kerkenraad van Delft. De gemeente waar hij tussen 1956-1965 predikant is en in 1967 naar terugkeert vanuit Hoofddorp. Problemen in het persoonlijke vlak leiden tot een definitieve breuk. Het is niet te zeggen welk een pijn en verdriet dit voor alle partijen opgeleverd heeft. Ds. Salomons probeert vanuit Terneuzen een verzoenende rol te spelen en steekt zijn handen voor zijn 'wapenbroeder' in het vuur: "Ziet, beste broeders, er kan dan in bijkomstige dingen wel eens verschil van inzicht zijn tussen ds. Van Minnen en mij, maar in al die jaren, dat wij elkander kennen heb ik hem nooit op enige onwaarheid betrapt. Ik acht hem veeleer een Nathaniël, in wien geen bedrog is." Aanvankelijk twijfelt ds. Salomons sterk of de kerkenraad van Delft het wel bij het rechte eind heeft:  "Zijn uw gronden wel Bijbels en naar onze D.K.O?" Dat ds. Van Minnen bij zijn aantreden enkele instructies vanuit de kerkenraad t.a.v. een aantal 'onwelwillende catechisanten' niet nagekomen is, acht ds. Salomons heel verstandig. "Denk aan het verleden van ds. Van Minnen die eens een zeer gewaardeerd schoolonderwijzer was, menige bestudeerde dominee kan daar soms niet tegenaan. (..) Ds. van Minnen is begonnen met onderwijs geven, zonder te spreken over wat voor zijn tijd geschied is, dus wat voorbij is. M.i. heel verstandig van uw voorganger, want wil men de jeugd wegstoten, verwijderen van de catechisatie althans kopschuw maken voor het godsdienstonderwijs, dan moet men oude koeien uit de sloot halen, flinke reprimandes geven. enz. En dat is niet de taak van een catecheet. Maar ds. van Minnen had toch beloofd aan het verlangen van de kerkenraad te voldoen? Helaas ja, al kon hij er later bij de leerlingen niet toe komen. Hier schuilt dus een fout bij ds. Van Minnen. Misschien, heel misschien had ik op uw verzoek dat wel gedaan, maar zeker had ik de bittere pillen in suiker gewikkeld, zodat het bittere niet zo gevoeld werd, maar later bij ernstig nadenken er toch wel enige schaamte bij de lieve? jeugd ontstond. Nu is ds. Van Minnen geen pillendraaier, houdt niet van versuikerde medicijnen, maar ondergetekende is dat wel en heeft daar menig conflict door voorkomen. Ds. van Minnen is dus fout geweest? M.i. toch niet, al meent u soms van wel." Ds. van Minnen heeft tegen gemeenteleden gezegd dat één van de broeders ouderling onbekwaam zou zijn om godsdienstonderwijs te geven. "Foei ds. Van Minnen! Daarover moet de dominee door de kerkenraad met ernst vermaand worden (..) in het besef dat wie in woorden niet struikelt een volmaakt man is." "Dat hebt u zeker gedaan (..) en wat deed ds. Van Minnen? Lachte hij om uw vermaan? Ging hij toen als een briesende leeuw tekeer, die naar geen rede wilde luisteren? Nee! hij verloochende zichzelf, bekende zijn fouten, ja erkende zelfs, dat hij voor honderd procent verkeerd was."


Terrneuzen, 14 juli 1968

Aan de kerkenraad der Christelijke Gereformeerde Gemeente in Nederland gevestigd te Delft.

Eerwaarde broeders,
Uw kort briefje van 20 juli heb ik gelezen en herlezen. Laat mij beginnen met volmondig te erkennen dat een oud en wijs man, zoals u hem tenminste noemt, betaamt had, eerst nadere inlichting bij u in te winnen, voor aleer hij een oordeel velde. Daarin ben ik voor 100 procent fout geweest.  Kunt u zich echter niet indenken, dat ik bijzonder met ds. Van Minnen te doen heb, die al zoveel ellende op kerkelijk gebied heeft meegemaakt, bij zijn vertrek in Hoofddorp en nu weer in Delft? Ziet, beste broeders, er kan dan in bijkomstige dingen wel eens verschil van inzicht zijn tussen ds. Van Minnen en mij, maar in al die jaren, dat wij elkander kennen heb ik hem nooit op enige onwaarheid betrapt. Ik acht hem veeleer een Nathaniël, in wien geen bedrog is.  Het [had] mij meer bevredigd, als u dan geschreven had, waarom ds. Van Minnen eigenlijk geschorst is. Heel de gemeente van Delft weet dat nu, maar, die tot nog toe voor ds. Van Minnen meent te moeten opnemen, behoeft dat niet te weten! In opgemelde ernstige situatie is dat m.i. eenzijdig en onbroederlijk. Met hoge en grote woorden komen wij inzake gewenste verzoening geen stap verder.
Zolang ik niets positiefs inzake de beschuldiging jegens ds. Van Minnen van u verneem, meen ik dat de grond waarop ik mijn advies bouw volledig in overeenstemming is met Gods Woord, namelijk dat wij vergevingsgezind moeten zijn jegens elkander, inzonderheid bij broeders onderling.  Ook ds. Van Minnen heeft evenals ik tegen u gezegd, broeders ik ben voor honderd procent fout geweest. Reeds de sterke band, die u zegt aan ds. Van Minnen te hebben moeten u nopen deze schuldbekentenis van uw herder en leraar voor waar en bondig te houden. Ja, ja, dat is pas grond om op te staan, dat is naar het Woord van God: elkanders lasten te dragen.  Met u verlang ik zeer naar een oplossing van het geschil te Delft, niet alleen voor ds. Van Minnen, maar ook voor de kerkenraad te Delft. Als de waarheid in liefde betracht wordt, al verschillen dan misschien de inzichten en methoden om het gewenste doel te bereiken, gebiedt de Heere daarover zijn zegen. Ik twijfel daar niet aan, aangezien ik mij verzekerd houd, dat de kerkenraad van Delft alles wil doen om de zaak in het reine te brengen. Mocht de kerkenraad van Delft het met de hoofdinhoud van dit schrijven niet eens zijn, och beste broeders, dan wil een oud man, die zelfs van deze correspondentie slapeloze nachten bekomt het overgeven aan Dien, die rechtvaardigt oordeelt, en gaarne vergeeft.
Uw bedroefde en verontruste medebroeder in de bediening,
Ds. Salomons


Ondanks de uiterste inspanningen van ds. Salomons blijkt het, na verloop van tijd, dat het moeilijk is om een ieder weer tot elkaar genegen te krijgen. Gaandeweg erkent ds. Salomons dat ook ds. Van Minnen zo te kampen heeft met zijn persoonlijke gebreken. "Uw oud herder en leraar is een zeer emotioneel man. Wat jammer, dat ds. Van Minnen, die in mijn hart geschreven staat, zo spoedig in vuur en vlam staat. Br. was er danig van geschrokken, maar ik toch niet zo heel erg, ik weet wat voor vlees ik in de kuip heb. (..) Aangezien dat karakter nu niet [meer] in toom wordt gehouden door het corrigerende gezag van Gods Woord." "Ik wil u wel eerlijk bekennen dat ik nog liever met de oplopend, balsturige, halsstarrige, uit het lood geslagen ds. Van Minnen op heb, dan met die lieve, z.g. bescheiden, voorkomende heer Den Boer [de Driebergse zakenman G. den Boer die enige tijd theologisch onderwijs van ds. Van Minnen en ds. Salomons genoot], bij wien m.i. de eerlijkheid niet één van zijn deugden is."

"Hoe gemakkelijk ik soms het Woord te Delft mag bedienen, het is en blijft mij een smart aan het hart, dat ds. Van Minnen, die toch een kind en eens geroepen knecht van God is, zich zelf zo onmogelijk gemaakt heeft. (..) Nu schrijf ik dit niet van af een zekere hoogte, alsof ik beter ben dan ds. Van M[innen] want ik heb helaas een zekere tijd beleefd, dat ik ook zo onevenwichtig was, al nam die onevenwichtigheid andere vormen aan, maar dat kwam omdat ik de zonde aan de hand hield, en niet wilde buigen onder God. Zo zitten er wat patiënten in een sanatorium, ikzelf ben daar ook geweest en ik geloof, dat het mij ten zegen is geweest." "Draagt elkanders lasten, dat zijn ook elkaars gebreken en vervult alzo de wet van Christus. Mijn lichamelijk gestel laat vooral de laatste weken niet toe, dat ik ga reizen, hetzij per trein, hetzij per auto, anders zou ik naar u toevliegen, u allen om Christus wil omarmen en dringen, ja smeken in de Naam des Heeren: Laat toch geen wortel van bitterheid onder ulieden opschieten."

CGG Delft
CGG Delft
Ds. J.G. van Minnen
Ds. J.G. van Minnen

Het moment van hereniging lijkt nabij als, op advies van ds. Salomons, ds. Van Minnen op 7 september 1970 aan de kerkenraad van Delft een brief schrijft, waarin hij de wens uitte om in de gunst van de Heere opnieuw tot eenheid te komen. Ds. Salomons laat aan de kerkenraad van Delft weten dat hij hoopt op deze verzoening: ''Alhoewel ik geen huilebalk ben en tranen liever inslik dan dat ik ze zien laat, toch mogen we ons broederlijk gevoel niet wegduwen in deze zaak, die zo hoogst ernstig is.'' ''Ik wens van harte, dat psalm 122: 3 (berijmd) (..) beleefd mag worden, en dat we in waarheid en liefde elkaar vinden mogen.''

De hereniging is helaas nooit meer een feit geworden. Als de kerkenraad op 24 februari 1971 bijeen komt ligt het bericht op tafel van het overlijden van ds. Van Minnen op 6 januari 1971. Ds. E. Venema spreekt bij het geopende graf van ds. Van Minnen de betekenisvolle woorden: "Van Minnen is van Van Minnen verlost." Al het zondige en het menselijke blijft hier achter, en wat de Heere gewerkt heeft zal eeuwig juichen tot Zijn eer. Wat een wonder dat de Heere nog zulke mensen wil gebruiken in Zijn dienst. Daar zal een iedere oprecht gemaakte ja op zeggen.




Verzamelde citaten ds. J.G. van Minnen:


Christus en Zijn christenen

 Je hoort steeds: "Christusprediking en vooral geen christenprediking." Maar wat is Christus zonder Zijn christenen? Een lichaam zonder Hoofd. Als men Schriftuurlijk-bevindelijk predikt dat Christus in al Zijn noodzakelijkheid, algenoegzaamheid en dierbaarheid moet worden uitgestald, dan moet daaraan, mijn inziens, ook onlosmakelijk verbonden zijn het antwoord op de vraag: hoe Christus, door de Heilige Geest en het Woord, in het hart van de zondaar functioneert.


De oudtestamentische Kerk en Christus

Dichters en profeten uit het Oude Testament hebben, door het geloof, vaak dichterbij Christus gestaan en eruit geput en er door geleefd en Hem verheerlijkt dan het Christendom van nu.


Legkaartpuzzel

Als God begonnen is met Zijn genade; op welke leeftijd ook, dan zult u die bekommering bemerken, al kunt u niet alles zo verklaren. Gods werk is geen legkaart puzzel.


Objectiveren van geestelijke dingen

"Met een objectiveren der geestelijke dingen gaat de kerk de nacht tegemoet."



De grote zaak

De 'grote zaak' voor een zondaar hier, is deze: dat hij weet, of hij van dood levend is geworden, van een pure zichzelf zoeker een Godzoeker is geworden.


Eenheid

Ik erken het ideale van het allen één zijn, maar te gemakkelijk wordt vergeten, dat dit één zijn uit het Johannes Evangelie allereerst ziet op de apostelen: dat zij allen één zijn in de prediking van Jezus Christus en Dien gekruisigd, waarop de Nieuwtestamentische kerk gebouwd zal worden.

Noten

(1) Ds. J.H. Velema in: Oude Paden, 1 december 2001. Wie is de man naast ds. E. du Marchie van Voorthuijzen? Het verhaal van ds. Velema luidt als volgt: De vijfde man op de gepubliceerde foto is ds.J.G. van Minnen, die in oktober 1937 bevestigd werd in Huizen. Daarna vertrok hij naar Delft en vervolgens keerde hij terug naar Huizen en diende hij de gemeente van 1948 tot 1952. Van Minnen was een geliefd prediker. Een man met dichterlijke gaven. Hij woonde dicht bij Hilversum en verzorgde verschillende bijbellezingen voor de NCRV. Een bundel meditaties, voor de microfoon uitgesproken, verscheen in druk. Deze vier broeders waren geestelijke vrienden. Ze bewogen zich op de rechterflank van de Christelijke Gereformeerde Kerken en zouden vandaag behoord hebben tot 'Bewaar het pand' dat in 1965 is opgericht. In mijn studententijd (1935-1939) was het al bekend dat deze vier veel met elkaar optrokken. Het is opmerkelijk dat drie van hen de kerk, waarin zij ambtelijk gevormd werden, hebben verlaten. Ds. Van der Bijl voegde zich bij de Gereformeerde Gemeenten, ds. Du Marchie van Voorthuijsen werd Oud Gereformeerd, ds. Van Minnen bleef zelfstandig opereren en had in Delft en ook in Hoofddorp gemeenten die hij diende. Hij had dus de Christelijke Gereformeerde Kerken verlaten en noemde zijn Verband' de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland.'
(2) Brief,
(3) Maarten van Minnen,
(4) Israël Middel, geboren 7 april 1829-1896, zoon van ds. H.H. Middel uit het boek Gods menigvuldige reddingen uit de grootste noden. Werd op 19 juni 1853 door zijn vader als predikant bevestigd in zijn eerste gemeente Vlaardingen.
(5) Korstiaan Kleinendorst (1820-1892), Hij was een bekend en geliefd predikant binnen de oude Christelijke Gereformeerde Kerk (1869-1892). In Vlaardingen was hij tussen 1871 en 1879 predikant. Kleinendorst streed met zijn collega Littooy (Middelburg) over de vraag of ook de kinderen van de gemeente wezenlijk tot het Genadeverbond behoren en met zijn collega W.H. Gispen over de vraag of het wenselijk is om ook gezangen in de erediensten te zingen. Op beide vragen gaf Kleinendorst een ontkennend antwoord.
(6) Klaas Schilder,
(7) De Vrije Gereformeerde Gemeente in Vlaardingen ontstond na het vertrek van ds. Kleinendorst in 1879. Men kon het niet eens worden over de nieuw te beroepen predikant.
(8) Cornelis Densel, geboren 1872, voorheen predikant in Lemmer. Op 4 december 1909 nam hij afscheid en vertrok naar Amerika.
(9) Pieter van der Heijden, geboren 1865, voorheen predikant o.a. in Lemmer, Enkhuizen, Rijssen en Kampen.
(10) Arie de Blois, in 1887 in Vlaardingen geboren en werd aanvankelijk voor de bouwvak opgeleid. Op 30-jarige leeftijd werd hij tot ouderling gekozen in de Vrije Gereformeerde Gemeente waar toen ds. P. van der Heijden predikant was. Tijdens een ziekte van ds. Van der Heijden ging de Blois vele malen als lerend-ouderling in de kerkdiensten voor. Ook heeft ds. Van der Heijden hem privé onderwijs gegeven in de grondbeginselen van de oude talen en de geloofsleer. Ds. De Blois had een sterk kerkelijk besef en ijverde voor aansluiting bij het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten dat in 1907 was gevormd. De Blois wilde zijn arbeid - nadat de gemeente bij het kerkverband van de gereformeerde gemeente was aangesloten, zijn arbeid als lerend ouderling weer neerleggen en een zaak met levensmiddelen beginnen. Korte tijd later werd hij aangenomen als theologisch student. Bij ds. den Hengst in Leiden zette hij zijn studie voort. Na zijn studie nam hij het beroep van Vlaardingen aan, waar hij door ds. den Hengst werd hij bevestigd. Na 6 jaar in Vlaardingen werkzaam te zijn geweest vertrok hij in 1925 naar Dirksland. Ds. De Blois behoorde dus tot de eerste generatie van predikanten die de Gereformeerde Gemeenten hebben gediend, waartoe ook behoren ds. Fraanje, ds. Hofman, ds. Kersten Sr. en ds. Verhagen. In deze vorige generatie van predikanten was hij een man die zich kenmerkte door een eigen visie op vele kerkelijke problemen en met een eigen stijl van prediken. Ook in die jaren toen het kerkelijk leven in de Gereformeerde Gemeenten onder grote invloed stond van Ds. Kersten en Ds. Fraanje heeft hij toch steeds zijn eigen karakter bewaard. Ds. de Blois was niet zonder kanselgaven, zijn preken waren belijnd zijn woordkeuze was zorgvuldig en werden met helderheid van stem uitgesproken. Later diende ds. De Blois nog de gemeente Gouda (1935) en Rotterdam-Zuid (1945). Ds. de Blois schreef veel artikelen in het jeugdblad Daniël. In een brief aan ds. K. de Gier schreef hij: "De Heere mocht Zich over onze gemeenten ontfermen en de reformatorische beginselen meer en meer doen zegevieren. Want anders trekt het beste deel weg en met de praktijk der godzaligheid loopt het dan droevig uit", Zie: De Saambinder, 11 februari 1971, ds. K. de Gier.
(11) Het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten ontstond in 1907. Zij hadden voornamelijk hun wortels liggen in enkele kruisgemeenten die in 1869 afzijdig gebleven waren  na de vereniging van 1869 tussen de Christelijke Afgescheiden Gemeenten  en de Gereformeerde Kerk onder het kruis. Rond ds. E. Franssen ontstond een nieuw kerkverband. In oktober 1899 waren er elf gemeenten die zich de Gereformeerde Gemeenten in Nederland noemden. Ds. Franssen had een sterke  afkeer van een theologische opleiding voor aanstaande predikanten. Dergelijke opleidingen leverde volgens hem slechts 'letterknechten' op. Ook onder de Ledeboerianen met wie men in 1907 verenigde, was het de gewoonte geworden dat een predikant niet studeerde maar bij voorkeur preek en tekst op de kansel kreeg. Onder leiding van ds. G.H. Kersten kwam er na de vereniging in 1907 van deze groeperingen tot de Gereformeerde Gemeenten meer aandacht voor de opleiding van predikanten en de handhaving van de kerkorde. Ook schroomde ds. Kersten  niet om aandacht te besteden aan de ontsporingen rondom het bevindelijke leven.
(12) Citaat
(13) Mededeling dhr. A. Bel uit Vlaardingen: Oude Vlaardingers hoorde ik wel over 'Jaap van Minnen en Nico de Jong', de latere ds. N. de Jong. Zij waren boezemvrienden.
(14) Nico de Jong,
(15) Mededeling dhr. A. Bel uit Vlaardingen: "Mijn vader, hij was geboren in 1920, heeft ds. Van Minnen nog als zondagsschoolmeester meegemaakt. Op een jubileum van onze zondagsschool heb ik hem wel eens meegemaakt."
(16) In de branding/krant interview
(17) De Stichtse Kerkbode/ De Wekker
(18) Mededeling A. Bel uit Vlaardingen
(19) Mededeling A.W. Langstraat (1914-1993) via B. Lodewijk. Deze overlevering luidt als volgt: Ds. J.D. Barth weigert zegen op de gemeente van Vlaardingen te leggen alvorens genomen maatregelen tegen Van Minnen opgeheven zijn.
(20) Mededeling A. Bel uit Vlaardingen: "Ik moet (..) een foto hebben (helaas van slechte kwaliteit) die in 1936 gemaakt werd toen de jongelingsverenging 25 jaar bestond. Ds. B. van Neerbos en ds. J.G. van Minnen zitten daar broederlijk naast elkaar, ik meen dat ds. De Blois er ook op staat." (Helaas is deze foto nog niet gevonden, maar hij bestaat dus wel aldus dhr. Bel.) 
(21) W.C. den Breems, in: 100 Jaar Christelijke Gereformeerde Kerk Vlaardingen (2008), pag. 38
(22) In de Branding/ Open Brief Van der Schuit.
(23) C.M. van Driel, brieven Prof. J.W. Geels.
(24) Notulen classis Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland.
(25) Gereformeerde Bijbelstichting, opgericht 1966
(26) Ds. J.H. Velema zei over verschillen in de Christelijke Gereformeerde Kerk: "Dit heeft onze kerken dus altijd al gekenmerkt. Toen ik nog in Apeldoorn studeerde, zaten twee jaar boven mij de studenten E. du Marchie van Voorthuysen, J. G. van Minnen en H. Visser Mzn. - die later allen uit onze kerken zijn gegaan. In hetzelfde jaar als ik zaten J. C. Maris, W. Ruiter en J. M. Visser. Wij voelden toen al wel aan dat zij niet op dezelfde lijn zaten." Reformatorisch Dagblad 3-11-2005
(27) In de Branding
(28) Verslag bevestiging ds. Van Minnen in Huizen
(29) De Wekker, Geef ons profeten
(30) En daarom zijn wij uitgetreden, Gereformeerd Weekblad/ Huizer Courant
(31) Ds. C. van der Zaal (1893-1976): Er is geen reden om bijzonder geschokt te zijn. Er is wel eens een groter aantal met minder misbaar uit onze rijen verdwenen, Maar ontstellend is het, dat een predikant zijn eed aan God breekt, omwille van één centimeter haar..", Trouw, 1952] Deze voorstelling van zaken doet ernstig tekort aan de context van de situatie. Zowel uit de houding en reacties van Prof. G. Wisse en de classis Dordrecht bij monde van ds. M. Baan en H.C. van der Ent blijkt dat het uittreden van ds. Van Minnen, hoewel discutabel, niet op zichzelf stond. Genoemde predikanten benoemen dezelfde zaken en roepen op tot verootmoediging en wederkeer tot de aloude beginselen.
(32) Open brief en antwoord van Prof. J.J. van der Schuit
(33) En daarom zijn wij uitgetreden, Gereformeerd Weekblad/ Huizer Courant
(34) Open brief en antwoord van Prof. J.J. van der Schuit
(35) En daarom zijn wij uitgetreden, Gereformeerd Weekblad/ Huizer Courant
(36) Rapport classis Dordrecht, in: Acta handelingen der Synode Christelijke Gereformeerde Kerken 1953
(37) Joh. de Rijke, in: Gerard Wisse, een profetisch prediker pag.
(38) De Wekker,
(39) In Delft en Drachten vormen groepen bezwaarden Christelijke Gereformeerde Gemeenten (1954). Door ds. Van Minnen worden aldaar plaatselijke gemeenten geïnstitueerd. Het gaat hen voornamelijk om de voorwerpelijke prediking waarin gemis aan bevinding wordt ervaren. Ds. P. van der Bijl gaat in 1956 naar de Gereformeerde Gemeenten.
(40) Notulen classis Christelijke Gereformeerde Gemeenten.
(41) Notulen classis Christelijke Gereformeerde Gemeenten.
(42) Contra, C.X. Bax. "Rond het jaar 1964 meldde ds. Van Minnen zich weer bij de Christelijke Gereformeerde Kerken, maar tot weder opname is het nooit gekomen", Reformatorisch Dagblad 18-02-1984. In het boek '100 jaar Christelijke Gereformeerde Kerk Vlaardingen' (pag. 178) is deze bewering overgenomen, alhoewel daar het jaar 1968 wordt vermeld. In het herdenkingsboekje 75 jaar Christelijke Gereformeerde Kerk Delft vinden we een andere variant: "door het verscheiden van ds. Van Minnen is van wederopname in de Christelijke Gereformeerde Kerk of terugkeer naar onze kerken nooit gekomen." Voor geen van deze beweringen is enkele grond gevonden. Zowel in 1966 (in een openbaar gepubliceerde 'werkelijk gevoerde correspondentie') als in 1969 (in een antwoord per brief aan ds. G. Salomons) laat ds. Van Minnen nadrukkelijk weten zich in geen geval opnieuw bij de Christelijke Gereformeerde Kerken aan te willen sluiten, die hij destijds naar eigen overtuiging heeft verlaten.
(43) Brief,
(44) Brief,
(45) Brief, 14 april 1969
(46) Brief, 14 juli 1968
(47) Brief, 10 juli 1969
(48) Brief, 14 april 1969
(49) Brief, 10 juli 1969
(50) Brief, 23 september 1970


Uit: De Open Deur, Geschiedenis Christelijke Gereformeerde Gemeente in Nederland te Delft. H. 1.3, 2.1, 2.2, 3.1 

Laatst herzien en uitgebreid maart 2020

Samenstelling: E. Lodewijk