Deel 3

Jacob Gerardus van Minnen (1900-1971)

Biografische schets


"Wanneer dus Gods kind door het geloof uit de bediening van de Heilige Geest geestelijk ziet (wat dan ook en in welke graad dan ook) gaat het niet op te antwoorden met: "Zien is nog geen hebben." Het is zelfs zo: Het waarachtig zien door ontdekkend genadelicht van onze zonden en schuld; van onze onheiligheid en Gods heiligheid; van onze onwaardigheid en doemwaardigheid, dat is ook hebben."

J.G. van Minnen


"Er zijn er al Boven, waarvoor mensen hun schouders ophaalden. Dit is vooral beslissend. Is de vrucht van het nieuwe leven op aarde gezien. Ranken zonder vrucht worden afgehouden en in het vuur geworpen. Nee, niet die zonder meer oreert en getuigt van - en over grote geestelijke stukken komt - of is thuisgekomen. Maar laat God ook hier het laatste woord spreken, in Romeinen 8: 1 "Zo is er dan geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest." Hoe eenvoudig, hoe duidelijk, hoe waarschuwend! Dat is het goudmerk van het goud des geloofs, en der genade."

J.G. van Minnen


Is dat alles waar wat u zegt?

In een artikelenserie onder deze titel toetste ds. Van Minnen ingeburgerde termen zoals 'zien is nog geen hebben' en 'achter de zaak staan.' Hij legde uit, dat veel van deze termen geen Schriftuurlijke grond hebben. "De bekering is een doorgaand proces" (..) "Hoe ver ook gevorderd in het geestelijke leven, hoe geoefend in het geloof en al heeft men ervaren en kent men het welwezen des geloofs (de zekerheid der schuldvergeving), - het blijft hier voor een ieder die het nieuwe leven deelachtig is en door God Drie-enig nog altijd bekeerd wordt, bij de voortduur:" Twist mijne twistzaak"; dat is: "Twist met mijn twisters Hemelheer!" En zolang de Heere onze, dat is Zijn zaak, in ons nog te twisten heeft staan we er nog lang niet achter. Zeker, daar zijn verschillende dingen in het geestelijke leven, waar men achter komt, en steeds weer nieuwe dingen waar men achterstaande, dan het licht er over ziet. Maar met dat al gaat de zaak van het proces der bekering als het goed is steeds door. En eens, aan de overzijde van het graf staat men achter de zaak van ons zalig worden (proces vanaf de geestelijke geboorte tot het stervensuur). Voor het overige blijft het: 

Ziet dit zijn maar uiterste einden Zijner wegen; en wat een klein stukje der zaak hebben wij van Hem gehoord? (Job 26 : 14a)"

Zien is nog geen hebben

"De uitdrukking 'zien is nog geen hebben' wordt (zoals we reeds aanstipten) veel en juist dan als antwoord gebruikt op het getuigenis van iemand, die iets van zijn geestelijk leven meedeelt. En die iemand staat volgens de antwoord-gever nog maar als een 'bekommerde ziel' voor 'de grote zaak.' We zeggen nogmaals dat we deze uitdrukking noch vinden in Gods Woord en noch in Gods Woord iets vinden, waarin deze uitdrukking rechtvaardiging vindt om als antwoord te dienen tegen die z.g. bekommerde zielen. Het woord zien heeft juist in de Heilige Schrift rijke betekenis, als het gaat over het geestelijk geloofs-zien. Ik denk hier aan het heerlijk getuigenis dat de Heilige Geest geeft in Hebreeën 11 aangaande Mozes. Hoe deze door het geloof geweigerd heeft een zoon van farao's dochter genaamd te worden

"verkiezende liever met het volk Gods kwalijk behandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonden te hebben, achtende de versmaadheid van Christus grotere rijkdom te zijn, dan de schatten van Egypte, want hij zag op de vergelding des loons." 

Zouden we soms tegen Mozes moeten zeggen: zien is nog geen hebben? Ik zou liever zeggen: zulk een zien is zo'n kwaad ding nog niet en als je zo mag zien heb je wel wat. Dan heb je geestelijke geloofsogen en functionerende geloofsogen en dat is een kostbaar genade-bezit. En die had Mozes en daardoor zag Mozes. En dat zien was een getuigenis van zijn hebben, namelijk van het zaligmakend-functionerend geloof. En door dat geloof zag hij op de vergelding des loons, kon hij Egypte en z'n cultuur en cultuurschatten loslaten; kon hij om het eens in onze sprake te zeggen: er van af zien te promoveren in de hoogste Egyptische wetenschappen; kon hij een wederspannig volk leiden, een volk dat misschien nooit begrepen heeft, wat hun grote leider (en lijder) daarvoor heeft moeten loslaten; kon hij met een volk verkeren dat van huis uit een herders-volk - nu gedegradeerd was tot steenbakkers." (..) 


"Ja, maar ik sta nog voor eigen rekening! Dat zegt soms juist één, waarmee God in en door genade begonnen is. Zeker, het kan zo zijn. Of het schijnt zo in de waarneming van donkerheid en strijd in eigen hart. Maar dat wil niet zeggen, dat het zo bij een aldus klager of klaagster is. Zeker, en sta er veel naar om te weten dat de rekening vereffend is. Dat is een grote troost, die de grote Trooster, de Heilige Geest u schenken kan. Vooral in de weg van het gebed. In: een gebed om een gebed. Maar 't begint niet met de wetenschap dat de rekening vereffend is. Wel met het kindschap dat leert: "vergeef mij al mijn zonden." Met het kindschap beschreven in Gods Woord: "Tenzij gij niet wordt als een kindeke." 't Grondwoord nepioi bedoelt hier: een kind dat amper lopen en praten kan. Hoe schoon; hoe aantrekkelijk! Moeder hoort dat gebrabbel, dat gestamel van die kleine wel; en begrijpt wat het daarmee bedoelt. Ook vangt ze het waggelende kind vaak op als 't dreigt te vallen. Dat is: de Heere hoort en verstaat het gestamel van de allerkleinste en zwakte zijner kinderen. En Hij strekt zijn handen uit, als dat kindeke klaagt en roept: "schraag op dat spoor mijn wankelende schreden. Hoe schoon die taal, dat gebroken taaltje uit een gebroken hart."

J.G. van Minnen


"Wanneer dus Gods kind door het geloof uit de bediening van de Heilige Geest geestelijk ziet (wat dan ook en in welke graad dan ook) gaat het niet op de antwoorden met: "Zien is nog geen hebben." Het is zelfs zo: Het waarachtig zien door ontdekkend genadelicht van onze zonden en schuld; van onze onheiligheid en Gods heiligheid; van onze onwaardigheid en doemwaardigheid, dat is ook hebben. Geen hebben van blijdschap, rust, zekerheid en vrede, maar het hebben van smart, onrust, onzekerheid en onvrede. Dat leert roepen om het hebben van vertroostende, rust - vrede - en blijdschap gevende genade. Uit zulk zien en hebben wordt de noodroep geboren; of er nog en weg is om die straf te ontgaan en weder tot genade te komen. Zie, dat roept alleen hij of zij uit die zijn schuld, nood, kortom zijn ellende bevindelijk ziet door het hebben van ontdekkende genade. Van zulk zien en hebben weet de wereld niets; ook de godsdienstige wereld niet die zonder God leeft."

J.G. van Minnen
J.G. van Minnen
9 augustus 1947
9 augustus 1947