Deel 2

Jacob Gerardus van Minnen (1900-1971) 

Biografische schets

Uit de beroepen die kandidaat Van Minnen ontving nam hij dat van Huizen aan. De kerkenraad had hem per acclamatie beroepen want er waren banden gevallen. De gemeente was kort daarvoor ontstaan en telde nog geen 100 leden. Tijdens zijn eerste ambtelijke periode groeide de gemeente tot ruim 300. Sinds enige jaren had de gemeente ook een eigen kerkgebouw. De eerste steen van dit gebouw was gelegd door ds. G. Salomons. Huizen was evenals Vlaardingen een karakteristieke vissersplaats. Dit zou vanaf jaren de jaren dertig geleidelijk veranderen.

Huizen, 19 en 20 oktober 1937

"Het was dinsdag voor de Chr. Ger. Kerk alhier een blijde dag. De nog jonge gemeente werd 's-Heeren belofte vervuld: "Uwe ogen zullen uwen leraar zien." Met toestemming van de consulent, ds. Baan van Bussum, was ds. C. Smits van Sliedrecht tot bevestiging van de beroepen ds. J. G. van Minnen overgekomen."

"Na samenzang van Psalm 103: 1 deed ds. Smits het inleidend gebed en sprak het votum uit, waarna gelezen werd Jesaja 52. Vervolgens richtte ds. Smits een welkomstwoord tot de nieuwe predikant en de gemeente. Hij wees op de blijken van 's-Heeren trouw daarin. Voorts dankte hij de consulent, dat hij deze avond dit dienstwerk mocht verrichten en wees de gemeente op de grootheid van Gods genade. De nieuwe leraar zal niets anders  te brengen hebben dan de boodschap van de loutere genade Gods, waarom hij voor deze ure tot tekst had gekozen Jesaja 52: 7 "Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten dergenen, die het goede boodschapt, die den vrede doet horen; desgenen, die goede boodschap brengt van bet goede, die heil doet horen: desgenen, die tot Sion zegt: Uw God is Koning." Na het uitspreken van gebed en het zingen van Ps. 99 werkte ds. Smits in een gloedvolle, ernstige rede de volgende punten uit:

Thema: De dienaar een brenger van goede boodschap.

1. De verkondiger van die boodschap.

2. De inhoud van die boodschap.

3. De ontvanger van die boodschap.

"Nadat gezongen was Psalm 65: 3, werd het bevestigingsformulier gelezen en de gebruikelijke vragen gesteld, waarop ds. van Minnen staande antwoordde: "Ja, ik van ganser harte." Toen knielde de nieuwe leraar en had de handoplegging door ds. Smits en ds. Baan van Bussum plaats, waarbij twee ouderlingen van de gemeente de kanselbijbel boven het hoofd van ds. Van Minnen hielden en de gemeente hem Ps. 132: 5 en 6 toezong. De plechtige ure werd besloten met het dankgebed met inlassing van het Onze Vader en het zingen van Ps. 126 vers 2. Na de dienst was gelegenheid de predikant de hand te drukken."


"Dinsdagavond het kerkgebouw vol, niet minder was dit woensdagavond het geval, toen Ds. van Minnen zijn intrede deed. Ook waren aanwezig de ambtsbroeders ds. Baan van Bussum, de bevestiger ds. Smits, ds. van Doorn en ds. du Marchie van Voorthuysen, benevens de studenten H. van Leeuwen en P. van der Bijl."

"Onder het zingen van Psalm 123: 1 werd ds. van Minnen door zijn bevestiger, ds. Smits van Sliedrecht, tot de kansel geleid. Na votum en zegengroet werd voorgelezen Hand. 9: 1 - 16, waarna ds. van Minnen zijn intree tekst las en wel het zesde vers van het voorgelezen Schriftgedeelte en daaruit de woorden: "Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal."

"Ds. Van Minnen wees erop dat allerwege wapenschouwingen en legerdagen gehouden worden. Dit voorspelt niet veel goeds. Hij wees op de ondergang, het einde der dagen, het toenemen van de zonde, op het komen van de antichrist. Het is daarom goed te wijzen hoe ook in het rijk der genade van die wapenschouwingen worden gehouden. Hij noemde in dit verband Ps. 68 en 110. Een troost is het voor de kerk op aarde, dat Christus is staande ter rechterhand Gods."

Tot thema voor zijn preek koos ds. Van Minnen "Saulus' vraag om een nieuwe lastbrief" en werkte vervolgens de volgende punten uit:

1. Waarin zelfhandhaving Gods schittert;

2. Waarin zelfovergave openbaar wordt;

3. Waarop zelfverloochening beoefend is.

Na samenzang van Ps. 89: 8 en 9 werkte ds. van Minnen deze 3 punten in een eenvoudige, schone, ernstige rede uit, die met grote aandacht werd beluisterd. Vervolgens werd gezongen Ps. 118 vers 8 en 9 en hield ds. Van Minnen toespraken tot zijn bevestiger, ds. Smits, de kerkenraad, de ambtsbroeders ds. Baan, ds. van Doorn, ds. Salomons, tot de vertegenwoordigers van het burgerlijk bestuur van de gemeente Huizen, zijn studiemakker E. du Marchie van Voorthuysen, aanstaand predikant van de gemeente van Urk, tot de aanwezige studenten van Apeldoorn en ten slotte tot zijn gemeente. De toegesprokenen beantwoordden daarop nog met een kortwoord, waarna op verzoek van ouderling Lindeboom de gemeente de nieuwe predikant de zegenbede uit Ps. 134 toezong. Na het zingen van Ps. 97: 7, het dankgebed en zegen werd de dienst beëindigd."

Uit: Verslag bevestiging en intrede ds. Van Minnen


Ambtsjubileum ds. N. de Jong (1944)

In 1944 sprak ds. Van Minnen tijdens het 12,5 jaar jubileum van ds. N. de Jong. Ds. Van Minnen en ds. N. de Jong waren met elkaar bevriend vanaf hun Vlaardingse tijd. Op 25 april 1944 stond de gemeente 's-Gravenhage met ds. de Jong, zijn gezin en wederzijdse ouders stil bijeen ter herdenking van zijn ambtsjubileum. De avond stond onder leiding van ds. M.W. Nieuwenhuijze die de jubilaris in hartelijke bewoordingen toesprak. Ouderling Meulenberg feliciteerde namens gemeente en kerkenraad en getuigde van de gunst en zegen van de Heere die ds. de Jong op zijn arbeid mocht ervaren. "Behalve uiterlijke zegeningen hebben wij ook het innerlijke werk des Geestes mogen zien en horen." Als afgevaardigde van de Classis sprak ds. J.A. Riekel. Ds. L.S. den Boer, ds. W.F. Laman en ds. C. Smits waren aanwezig als studievriend. Nadat ds. Van Minnen als persoonlijk vriend van ds. De Jong zijn felicitaties uitgebracht had, kreeg ds. Janssen de veldprediker het woord. Br. Beken bedankte ds. Nieuwenhuijze voor het leiden van de avond en sprak de wens uit ds. N. de Jong ook zijn 25 jarig jubileum van als predikant van Gravenhage West, mocht beleven. Deze hartelijke wens vond merkbaar instemming. Hierna werd de bijeenkomst gesloten en eindigde ds. Riekel met dankgebed. Op Zondag 30 April jl. hield ds. de Jong een gedachtenis rede uit1 Samuel 7 : 12. "Eben Haëzer, tot hiertoe heeft ons de Heere geholpen". In zijn preek sprak ds. De Jong uit "dat het hem een grote vreugde was dat er zondaren getrokken waren uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht."


Ds. J.G. van Minnen
Ds. J.G. van Minnen

Engelendienst

"Eenzaam lag de weg naar Muiden voor hem. Slechts 't geluid van zijn voetstappen verstoorde de stilte. Maar dan... hoorde hij het goed? Voetstappen achter hem. Waar hij op de weg anders nooit hinder van had, was nu wel 't geval. Hij werd onrustig van binnen. En hij had nogal wat geld bij zich van de verkochte vis. 't Was net of een stem hem waarschuwde voor de voetstappen die achter hem klonken. Geld, roof, moord, deinde 't door hem heen. Gejaagd zag hij om. Tegen het licht van de maan zag hij de silhouet van een forse gestalte op nog geen honderd meter achter hem, aan dezelfde kant van de weg. Al spoedig bemerkte hij, dat 't geluid der voetstappen niet nader kwam, op dezelfde afstand bleef. En toen hij overstak naar de andere zijde van de weg en daarna weer angstig omzag, ontwaarde hij tot zijn schrik, dat die gestalte hetzelfde gedaan had.'t Op een lopen zetten? Neen, dan zou hij z'n vrees verraden. Hij zou gezien zijn leeftijd en de forse gestalte achter hem 't toch niet kunnen volhouden. Blijven staan, die vreemde opwachten, samen verder gaan, dit leek hem n ieder geval nog het beste. Wijgert bleef dus staan. Doch die ander bleef nu ook staan, 't Zweet brak hem uit. Dat loopt mis, dat verraadt zeker minder goede bedoelingen. Weer kwam 't als een angst over hem: 't is om uw geld of om uw leven te doen." (…) 

Het botboertje wordt nu bepaald bij Ps. 118:3 berijmd en loopt met een kalm gemoed door. Later verneemt hij dat de man achter hem inderdaad van plan was geweest om hem te overvallen, maar daarvan tot zijn grote teleurstelling moest afzien, omdat er ineens twee mannen naast de oude botboer liepen, mannen die Wijgert zelf beslist niet had opgemerkt. In dit verhaal komt naar voren de betekenis van de engelen in het leven van Gods kinderen. Het verhaal werd meerdere malen gepubliceerd. In 1963 verscheen het (zonder naamsvermelding) in het Gereformeerd Weekblad en in 1968 in het blad Bewaar het Pand.  Ook verscheen het in het blad Open Vensters. Het verhaal is waarschijnlijk al eerder door ds. van Minnen geschreven in de periode dat hij predikant was in Huizen. De engelendienst heeft binnen de gereformeerde theologie een plaats. Dit moet echter wel onderscheiden worden van de roomse opvatting van een persoonlijke beschermengel.

Het botboertje
Het botboertje


C. Smits in collegezaal bij Wisse (tweede van links)
C. Smits in collegezaal bij Wisse (tweede van links)
Studenten H. van Leeuwen, P. van der Bijl met echtgenote, E. du Marchie van Voorthuysen en ds. J.G. van Minnen
Studenten H. van Leeuwen, P. van der Bijl met echtgenote, E. du Marchie van Voorthuysen en ds. J.G. van Minnen

Bezoek van ds. P.J.M. de Bruin (1943)

Ds. Van Minnen voelde zich in Huizen op zijn plaats. Hij ontmoette daar veel mensen met een oprecht geestelijk leven. De predikant had regelmatig te kampen met perioden van ziekte. In 1943 is hij ziek en krijgt bezoekt van zijn oud docent ds. P.J.M. de Bruin. Deze vertelde hierover het volgende: "De vorige maal schreef ik over mijn prediking in Haarlem en het aangenaam verblijf op 9 augustus 1943. De volgende zondag 15 augustus was ik in Gouda. (...) Tijdens mijn bezoek aan Gouda was ik in Zuid-Holland en het is geen wonder, dat in mijn hart de begeerte opkwam om van Gouda naar Voorschoten te reizen, naar mijn geboorteplaats, waar ik nog enkele familieleden had en dit mocht ik dan ook maandag 16 augustus doen. (...) Toen ik thuis kwam lag aldaar een brief uit Huizen met het dringend verzoek om aldaar zondag 22 augustus te zijn, daar ds. van Minnen een maand rust moest houden. Hij had Zondag vóór een week voorbereiding gepreekt en nu was het dringend verzoek om 22 augustus het Heilig Avondmaal te bedienen. Wat moest ik doen? Ik durfde niet weigeren, al was het nu al vele malen dat ik zondags uit preken was geweest. Ik kwam 21 augustus in Huizen, waar ik in een mooi kerkgebouw preekte, tijdens het pastoraat van ds. van Minnen gebouwd en daarnaast een keurige pastorie, waarin ik logeerde. Wat was het mij aangenaam aan het bed van Ds. van Minnen te vertoeven en met hem te spreken over zijn arbeid in de gemeente en de daden van de Heere onder Gods volk. Ook zondagsavond was het mij goed daar te zijn, toen enige vrouwen uit de gemeente kwamen, en er over het aanzitten aan de Heilige dis werd gesproken. Een zuster uit de gemeente, die uit schuchterheid nooit aan de tafel was gegaan, had de vrijmoedigheid verkregen om de dood des Heeren te verkondigen, waarbij de kritiek van een 'moeder in Israël' niet ontbrak. Maandag 23 augustus moest ik weer scheiden van ds. van Minnen en zijn gezin."

"Zo heb ik dan in mijn langdurige ambtstijd 314 maal het Heilig Avondmaal mogen bedienen en ik dacht dat ik dit nimmermeer doen zou. Maar nu kwam voor enkele weken uit Huizen in Noord-Holland, waar mijn oud leerling ds. van Minnen arbeidt, het dringend verzoek om aldaar het Heilig Avondmaal te bedienen, omdat hun leraar zes weken rust moest hebben op advies van de geneesheer. Met blijdschap nam ik dat dringend verzoek aan en zo mocht ik een week voor mijn gouden jubileum op 22 augustus met zeer veel genot met Gods volk aldaar niet alleen aanzitten aan de Heilige dis, maar ook het brood breken en de beker geven, die de gemeenschap is met het bloed van de Heere Jezus. Zo mocht ik dus 315 maal het heerlijk werk verrichten aan de tafel des Heeren. Menselijker wijze gesproken, zal het wel de laatste maal in mijn leven zijn, maar dat ik dit nu na 13 november 1937 te Hasselt, nog één maal mocht doen en dan met ervaring van 's Heeren bijzondere gunst en genade en met krachtige ondersteuning des Heeren naar ziel en lichaam is mij een wonder, dat ik niet naar waarde kan peilen noch uitspreken."


P.J.M. de Bruin


Bevrijdingsdag zaterdag 5 mei 1945

De bevrijding werd in Huizen uitbundig gevierd. De Huizerbevolking had ernstig honger geleden omdat de visvangst steeds door de Duitsers in beslag was genomen. Al waren er geen huizen of gebouwen verwoest, ze waren wel ernstig beschadigd of door de Duitsers uitgewoond. Veel Huizer mannen die gedwongen in Duitsland moesten werken kwamen in erbarmelijke staat uit Duitsland terug. Ze hadden enkel nog wat lompen om het lijf. Op 5 mei 1945 kwam de Huizer Courant uit met een in Oranje omlijste beeltenis van koningin Wilhelmina. 3,5 jaar had het blad moeten zwijgen. Rondom de foto van koningin Wilhelmina, stonden meditaties van twee dominees uit Huizen, namelijk ds. J. Snoei, predikant van de Gereformeerde Kerk en ds. J.G. van Minnen  van de Christelijke Gereformeerde Kerk. Hetgeen ds. Van Minnen toen geschreven heeft volgt nu:

Gij hebt Uw land, o Heer, die gunst betoond. Dat Jacobs zaad opnieuw in vrijheid woont. Psalm 85 (berijmd).

Koesterend straalde de Zon van Gods gunst weer over Israël, over Babel's ballingen uit deportatie weggevoerd. Dat was Gods schuldvergevende genade uit en om de belofte aan de vaderen. Zeventig jaar had het volk gezucht onder het despotisme van een der voorlopers van de antichrist. Hoe hadden er in de donkere en drukkende dagen in het vreemde land, zwaar van spraak en heidens van zede, geroepen: "Laat Uw hand in tegenspoen, Israël verlossing zenden." En die verlossing is gekomen. Ze zijn verlost. God heeft hen welgedaan. Koesterend straalt de zon van Gods gunst weer over Nederland. Ons land is weer vrij van vreemde heerschappij. God heeft verhoord 't gebed: Laat Uw hand in tegenspoen, Nederland verlossing zenden. En waarom heeft God het gedaan? Om zoveel braafheid in Nederland!? Om zoveel goeds in Zijn volk!? Wis niet. Zeker, de Heere gaf gebed en heeft verhoord. Hij heeft zich laten verbidden. 't Heeft Gode behaagd 't gebed te stellen als één van de schakels waardoor Hij zijn raad uitvoert. En gewis, óók in deze verlossing gaan het ten principale om de kerk van Christus in ons vaderland. Een aan die Kerk heeft God Zijn eed en verbond geschonken en Jezus Christus in Wien alle beloften en gebeden ja en amen zijn. Maar uiteindelijk heeft God verlost om Zijns grote Naams wil. Want uit Hem en door Hem, en vergeet dit niet in de feeststemming "tot hem" is ook deze verlossing. Al wat Hij wrocht zal juichen tot Zijn eer. Verliezen we ons dan niet in het schepsel, al sluiten we onze ogen volstrekt niet voor de middelen, die God heeft willen gebruiken en zijn we er zeer dankbaar voor. Maar geve God uit Zijn genadevolheid ons in Christus Jezus door de Heilige Geest Hem alleen de eer te geven. Dat geve Heere aan ons geliefd en doorluchtig Oranjehuis en beminde vorstin met allen die haar troon omringen; dat geve Hij aan het volk van Nederland; aan Zijn begenadigd volk; aan Zijn dienaren in Zijn huis. Dan is er weer verwachting voor Bilderdijk's: Holland bloeit weer, Holland groeit weer, Holland zal weer Holland zijn. En zie dan temidden van 't feestgedruis Gods vinger waarschuwend in deze psalm: "Mits hij niet weer op 't spoor der dwaasheid tree." Vier dan uw feest in God; want die God vreest kan pas echt feestvieren. Soli Deo Gloria



Predikant in Delft (1945-1948)

Op woensdagavond 19 december 1945 werd ds. Van Minnen als predikant in Delft bevestigd door ds. J.A. Riekel met een preek naar aanleiding van Johannes 21: 15. Donderdagavond 20 december deed ds. Van Minnen zijn intrede met een preek naar aanleiding van Johannes 14: 27a


Op dinsdag 4 juni 1946 werd ds. M. Baan door ds. Van Minnen in Dordrecht bevestigd met een preek over 2 Timotheüs 4: 2-5.


Bondsdag Chr. Geref. JV 1946

"Ds. J.G. van Minnen van Delft sprak de opwekkende rede uit over: "En nu: tegen stroom, maar met de wind in de zeilen." Ik wou dat al onze jongeren en ouderen dat hadden gehoord! Warm, belijnd en degelijk. Ds. Van Minnen wees de juiste weg tussen verbondsoverschatting en -onderschatting. Intellectualisme en lijdelijkheid werden fel gestriemd, en in klare taal de weg Gods voorgesteld."

De Wekker, 16 augustus 1946


Schooldag (1947)

Op de Schooldag van 1947 sprak ds. Van Minnen over het onderwerp 'Geef ons profeten!' Met een profeet wordt niet bedoeld iemand die toekomst voorspellende gaven heeft, maar wel iemand die een boodschap van God moet overbrengen aan de gemeente. Opnieuw waarschuwt hij voor twee uitersten: "koud intellectualisme; door een eenzijdige Christus-prediking; die Christus boven Zijn gemeente zweven laten, los van Zijn gemeente." "De Heere beware ook zijn Kerk voor een andere karikatuur verschijning'' (...) "We huiveren voor de profeet, die een warme, zwoele, geladen atmosfeer schept, vol spannende emotie, sensatie. Die de dierbaarheid en al genoegzaamheid van Christus bedekt laat voor een ongelukkige door Gods Geest ontdekte zondaar." Ds. J.C. Maris (1910-2000) schreef in het jaarboek van 1948:  "met afwijzingen ter linker- en ter rechterhand werd opgekomen voor de levende Schriftuurlijke verkondiging die waarlijk strekt tot stichting der gemeente."

"Apeldoorn was in de Pinksterweek het centrale punt van ons kerkelijk leven. Nadat wij op woensdag 28 Mei onze predikanten-vergadering mochten houden - wat waren daar vele broeders saam, die echt gezellig en leerrijk tot het late avond uur saam gebleven zijn - kwam op de stralende Juni dag 29 Mei, ons volk bijeen om zijn Schooldag te vieren. Wat een liefde voor de School golft er toch door de ziel van ons Christelijke Gereformeerde volk. Als wij zulk een grote schare zien vereend, dan komt soms zo sterk het verlangen bij ons op: dat hadden nu onze oude voortrekkers Wisse en van Lingen nog eens mee moeten maken! Wat hebben zij dat tere stekje - de Theologische School - met zorgzame hand en met voorbeeldige trouw gekweekt. En nu na jaren staat daar een boom, die in de hitte des daags, die in de branding van de kerkelijke strijd zijn schaduw wijd en zijd verspreidt.(..) Zo zag de Heere ons op de blijde en dankbare Schooldag opgekomen om te gedenken, wat ons in de School der Kerken gegeven is. Maar DEZE Schooldag heeft ons aller verwachting verre, verre, overtroffen. Toen om half elf de Rector, prof. Geels de schare de psalm op de lippen legde: Men zag welhaast een grote schaar, Met klanken van de blijdste maar, Vervullen berg en velden was de schare reeds zo groot, dat het zo ruime kerkgebouw aan de Brinklaan deze niet meer kon bevatten. Opgepakt stonden de mensen in de paden! Op de gaanderij werd het zo vol, dat op een ogenblik de vloer bezweek en de grond onder de voet wegzakte tot op de bintlaag toe. En nog stroomde de mensen toe, en nog was er geen eind aan de bussen, die kwamen aanrollen uit alle oorden van ons land. Uit het verre Zeeland, waar men reeds 's morgens om vier uur was ingestapt, waren ze tegenwoordig, zo goed als uit het hoge Noorden, en diep uit Friesland en Groningen waren ze gekomen onze trouwe Schoolvrienden. En daar stonden ze nu voor een te vol kerkgebouw.(..) Ook hier mag met grote dank worden genoemd onze br. van der Gronden, ouderling van de gemeente Apeldoorn, die dadelijk alles heeft gedaan om nog een oplossing te vinden. Naar de grote Hervormde Kerk op de Loolaan, was zijn woord. Ik twijfelde eraan, of dit direct lukken zou. Immers, de kerkvoogdij had geen tijd saam te komen en hoe zou het anders, zonder haar toestemming. Maar dank zij de activiteit broeders, en dank zij de bereidwilligheid van de voorzitter der kerkvoogdij, was het in een kort tijdsbestek voor elkaar en ds. Westerloo kon bekend maken, dat wij om half drie zouden samenkomen in de Herv. kerk op de Loolaan. Een applaus ging op uit de grote schare. Hoe heerlijk is er op de Schooldag gesproken(..) Nu ga ik niet verhalen wat er gesproken is. Het was alles even schoon. Het prachtige gedegen woord van Ds. Westerloo, de schone, pakkende ontwikkeling van Ds. van Minnen. Het rijke woord van Ds. Kremer, die de middagvergadering opende, en het zo gepaste afscheidswoord van Ds. Henstra, de Voorzitter van het Curatorium. Het was alles, alles even schoon als leerrijk. Wat een aanblik, overweldigend, toen de grote Kerk aan de Loolaan vol stroomde. In die kerk, die meer dan 2000 mensen kan bevatten, was bijna geen plaatsje onbezet. Hier en daar op de gaanderij was nog een plekje te vinden. Een aangrijpend gezicht zulk een grote schare bijeen!"

J.J. van der Schuit

Levi twist gij wel? (1948)

In een verhandeling met onder de titel 'Levi twist gij wel?' ging ds. Van Minnen in op redenen waardoor de prediking van het Woord verknoeid kan worden. Hij legt uit wat er met het woord twist wordt bedoeld. Twisten is geen ruzie maken maar wijst op de twist des Heeren met de mens. Die hebben de profeten (dienaren van het Woord) te voeren. In zijn verhandeling gaf hij aan te willen aansluiten op een aantal artikelen van ds. L.H. van der Meiden in De Wekker 'De prediking in deze tijd'. Ds. Van der Meiden bracht hierin het volgende naar voren:

1. Indien een gemeente een bepaalde ligging vertoont en in haar midden een bepaalde richting openbaar wordt, dan heeft de prediking ermee te maken."

2. Wanneer zielen verkeerd geleid worden, of verleid worden, is dit heel erg. De kerk van Jezus Christus heeft hier ernstig te waken.

Ds. Van der Meiden is ook scherp naar de hoorders: "Zonder aarzeling moet het vonnis geveld worden over alle criticasters, die de prediking alleen beoordelen naar hun bekrompen en enghartig theologisch begrip, die alleen afkeuren wat in het kader van geliefkoosde meninkjes niet past, die iedere prediker met het vlijmscherpe mes van hun kritiek bewerken, maar de zelfkritiek vergeten; die zonder gebed een lichtvaardig oordeel uitspreken over het uitnemendste werk van Christus' dienaren, die het geestelijk voedsel verwerpen, omdat zij geen honger hebben."

"Criticasters [die] het onder het gezonde Woord niet [kunnen] uithouden; dulden het gezag van dat Woord op hun leven niet. Deze mensen zijn niet ongodsdienstig, maar zij willen andere wegen gaan, dan het Woord Gods wijst; zij willen niet beslist gebonden zijn aan het Woord des Heeren. Zij verwerpen het Woord niet bruut, maar stellen hun eigen inzicht en mening boven het Woord. Zij willen niet luisteren naar dat Woord en naar de zuivere bediening van dat Woord, maar zij willen horen wat zij zelf begeren. Hun eigen ik is norm voor de prediking." "Wanneer wij een en ander lezen over verbondsmatige preken en soms bemerken, dat er in zulke preken veel is, dat verontrust en absoluut vreemd is aan de Heilige Schrift, dan verwerpen wij wel een zekere richting, maar wij zeggen dan allerminst, dat er niet verbondsmatig moet worden gepreekt. Al verwerpen wij het allegorische in de prediking, het zogenaamde vergeestelijken, dat willen wij niet vergeten, dat er goed geestelijk moet worden gepreekt. En al verzetten wij ons krachtig tegen alle subjectivisme, dat handhaven wij met klem, dat in elke preek het bevindelijk element moet uitkomen. Er is een mystiek in de Schrift, welke uit God is. In de zuivere Bijbelse prediking zal dit blijken. Men is niet klaar, wanneer men uit de hoogte de prediking van de zogenaamde onderwerpelijken veroordeelt als christenprediking en gemoedelijk praten." "Velen missen wat zij bij bepaalde onderwerpelijke predikers, zoals zij het uitdrukken, horen. Bij de door hen gezochte predikers vinden zij het bevindelijke leven gepreekt; zij horen hun hart verklaren; zij horen spreken over de weg, dien zij ook kennen, of niet kennen, maar met hun gehele hart zoeken; zij horen de standen in het geestelijke leven verklaren en beluisteren dan hoe ver zij geleid zijn of wat zij nog missen." (...) Dat alles wordt bij de predikers, die alleen wat letterkennis hebben, of slechts een voorwerpelijke verklaring van de waarheid geven, gemist. Het is niet tegen te spreken, dat vele preken dor zijn; zij zijn geen preek, maar een soort verhandeling of opstel. De gemeente krijgt niet de indruk, dat er een boodschapper van Jezus Christus het Woord bedient en in de naam van zijn Zender biddend het evangelie der genade predikt, wel en wee doet horen. De leegte gaapt ons uit vele preken aan. Vele preken missen geheel of gedeeltelijk de applicatie ten opzichte van het geestelijke leven. Het werk van de Heilige Geest, zoals dat openbaar wordt in de bearbeiding van de zielen tot zaligheid, naar het Woord, dus in het Woord beschreven, wordt niet verklaard. Het is dan te begrijpen, dat velen zich zetten onder het praten van een bekeerde kruidenier of schoenmaker inplaats van onder de ambtsdrager die een droog vertoog voorleest. In de preken van vele onderwerpelijke predikers horen de luisteraars de taal van het zielenleven van Gods kinderen, zoals zij die ook lezen in de oude schrijvers. Daartegenover merkt men soms de vlam van afkeer tegen deze beschrijving. De oude schrijvers worden soms veroordeeld op een wijze, welke inderdaad doet denken aan haat tegen het geestelijke leven. Laat men toch niet vergeten, dat er in de oude schrijvers schatten van praxis piëtatis verborgen liggen. Laten de studenten dit ter harte nemen en iedere prediker zich onderzoeken of hij niet schuldig staat aan de verarming van de kerk des Heeren. Het kostelijke moet wel van het snode worden gescheiden. Het is niet eenvoudig om dit te betrachten. Vast staat ook, dat onder onderwerpelijke prediking vaak verstaan wordt een allegorische prediking, of een prediking, welke geen Woordbediening is, maar, naar aanleiding van een tekst, een vertellen hoe God een mens bekeert. Over het allegoriseren leze men, wat wij elders schreven. In vele zogenaamde onderwerpelijke prediking is een element van lijdelijkheid, dat niet uit God is. Niemand verwarre dus dit lijdelijkheids element met het zuivere werk des Geestes, hetwerk van Gods genade. Als men de eis van de bekering niet laat horen, als men het volle evangelie niet rijk predikt en de verantwoordelijkheid van de mensen niet laat uitkomen, dan is men niet getrouw. "Vele mensen willen van deze dingen niets weten, en dáárom zoeken zij die piëtistische predikers, in wier preken beluisterd wordt, wat zij graag horen en waardoor zij uit de ernst en de angst van de verantwoordelijkheid kunnen wegsluipen. Zij willen gerust de kerk uitgaan." Tot zover ds. L.H. van der Meiden.

De verhandeling van ds. Van Minnen, die op bepaalde plaatsen scherp van toon is, heeft twee belangrijke pijlers:

1. Als predikers niet de volle boodschap van Gods Woord brengen, kweken ze een geslacht dat de gezonde leer niet meer kan verdragen. Een geslacht dat slechts gestreeld wil worden en van geen zondekennis of persoonlijke schuld wil weten. Hij wijst daarom een Christusprediking die louter voorwerpelijk en intellectueel van karakter is pertinent af. Tegen zulk een prediking moet in 's-Heeren kracht een dam worden opgeworpen.

2. Aan de andere zijde wijst hij af een prediking waarbij de Persoon van de Middelaar bedekt blijft voor een daadwerkelijk door Gods Geest behoeftig gemaakte ziel.  Hier ontstaat een  klimaat vol eigengerechtigheid waarbij geen mens het meer van een ander kan geloven. Wat het uiterlijk van de gemeente betreft, het draagt een waardig orthodox kleed. Haar gang is voor de wereld ingetogen. Maar het wezen van de godzaligheid ontbreekt.


"De leegte gaapt ons uit vele preken aan. Vele preken missen geheel of gedeeltelijk de applicatie ten opzichte van het geestelijke leven. Het werk van de Heilige Geest, zoals dat openbaar wordt in de bearbeiding van de zielen tot zaligheid, naar het Woord, dus in het Woord beschreven, wordt niet verklaard."

 "Laat men toch niet vergeten, dat er in de oude schrijvers schatten van praxis piëtatis verborgen liggen. Laten de studenten dit ter harte nemen en iedere prediker zich onderzoeken of hij niet schuldig staat aan de verarming van de kerk des Heeren."


L.H. van der Meiden

"In vele zogenaamde onderwerpelijke prediking is een element van lijdelijkheid, dat niet uit God is. Niemand verwarre dus dit lijdelijkheids element met het zuivere werk des Geestes, hetwerk van Gods genade. Als men de eis van de bekering niet laat horen, als men het volle evangelie niet rijk predikt en de verantwoordelijkheid van de mensen niet laat uitkomen, dan is men niet getrouw."

L.H. van der Meiden

"Hier begeven we ons tussen de gevaarlijke klippen met aan de ene zijde het oppervlakkige geloof, dat Christus aanneemt als Verlosser zonder ooit geleerd te hebben persoonlijk verloren te liggen en aan de andere zijde een zwaar geloof dat sterk ageert tegen al het oppervlakkige geloof en een sterk genoegen heeft in
de oude waarheid, maar eveneens nog nooit persoonlijk iets heeft doorleefd."


J.G. van Minnen

[*] Met twisten wordt geen ruzie maken bedoeld. Het woord wijst op aanklagen en/of overtuigen. "Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met de mens." (Genesis 6: 3a) "Hoort des HEEREN Woord, gij kinderen Israëls, want de HEERE heeft een twist met de inwoners des lands, omdat er geen trouw, noch weldadigheid, noch kennis Gods in het land is." (Hosea 4 : 1)

Is dat alles waar wat u zegt?

In een artikelenserie onder deze titel toetste ds. Van Minnen enkele ingeburgerde termen zoals 'zien is nog geen hebben' en 'achter de zaak staan.' Hij legt uit dat veel van deze termen geen Schriftuurlijke grond hebben. "De bekering is een doorgaand proces" (..) "Hoe ver ook gevorderd in het geestelijke leven, hoe geoefend in het geloof en al heeft men ervaren en kent men het welwezen des geloofs (de zekerheid der schuldvergeving), - het blijft hier voor een ieder die het nieuwe leven deelachtig is en door God Drie-enig nog altijd bekeerd wordt, bij de voortduur:" Twist mijne twistzaak"; dat is: "Twist met mijn twisters Hemelheer!" En zolang de Heere onze, dat is Zijn zaak, in ons nog te twisten heeft staan we er nog lang niet achter. Zeker, daar zijn verschillende dingen in het geestelijke leven, waar men achter komt, en steeds weer nieuwe dingen waar men achterstaande, dan het licht er over ziet. Maar met dat al gaat de zaak van het proces der bekering als het goed is steeds door. En eens, aan de overzijde van het graf staat men achter de zaak van ons zalig worden (proces vanaf de geestelijke geboorte tot het stervensuur). Voor het overige blijft het: Ziet dit zijn maar uiterste einden Zijner wegen; en wat een klein stukje der zaak hebben wij van Hem gehoord? (Job 26 : 14a)"

"Er zijn er al Boven, waarvoor mensen hun schouders ophaalden. Dit is vooral beslissend. Is de vrucht van het nieuwe leven op aarde gezien. Ranken zonder vrucht worden afgehouden en in het vuur geworpen. Nee, niet die zonder meer oreert en getuigt van - en over grote geestelijke stukken komt - of is thuisgekomen. Maar laat God ook hier het laatste woord spreken, in Romeinen 8: 1 "Zo is er dan geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest." Hoe eenvoudig, hoe duidelijk, hoe waarschuwend! Dat is het goudmerk van het goud des geloofs, en der genade."

J.G. van Minnen


"Ja, maar ik sta nog voor eigen rekening! Dat zegt soms juist één, waarmee God in en door genade begonnen is. Zeker, het kan zo zijn. Of het schijnt zo in de waarneming van donkerheid en strijd in eigen hart. Maar dat wil niet zeggen, dat het zo bij een aldus klager of klaagster is. Zeker, en sta er veel naar om te weten dat de rekening vereffend is. Dat is een grote troost, die de grote Trooster, de Heilige Geest u schenken kan. Vooral in de weg van het gebed. In: een gebed om een gebed. Maar 't begint niet met de wetenschap dat de rekening vereffend is. Wel met het kindschap dat leert: "vergeef mij al mijn zonden." Met het kindschap beschreven in Gods Woord: "Tenzij gij niet wordt als een kindeke." 't Grondwoord nepioi bedoelt hier: een kind dat amper lopen en praten kan. Hoe schoon; hoe aantrekkelijk! Moeder hoort dat gebrabbel, dat gestamel van die kleine wel; en begrijpt wat het daarmee bedoelt. Ook vangt ze het waggelende kind vaak op als 't dreigt te vallen. Dat is: de Heere hoort en verstaat het gestamel van de allerkleinste en zwakte zijner kinderen. en Hij strekt zijn handen uit, als dat kindeke klaagt en roept: "schraag op dat spoor mijn wankelende schreden. Hoe schoon die taal, dat gebroken taaltje uit een gebroken hart."

J.G. van Minnen