Ds. J.A. Riekel 1869-1949

Ds. H. van der Ham

We komen nu bij de boeiende figuur van dominee Riekel. Zijn ouders behoorden tot de Roomse Kerk en woonden in Groningen. Op 30 juli 1869 werd er een zoon geboren, die de naam Johannes Adamus ontving. Deze Johannes leefde naar het goeddunken van zijn eigen hart. Voor een Goddelijk gericht behoefde hij niet bang te zijn. De biecht garandeerde hem immers volkomen vergeving van zonden!?

Hij werd van beroep loodgieter, 's Zondags liep hij met zijn gereedschapkistje en hij zong een hymne. Op een keer zei iemand tegen hem: "Als je meent wat je zingt, dan ga je meteen naar huis. Dan ga je niet 's zondags werken." Riekel zei: "Maar ik meen het!"

Zijn militaire diensttijd bracht Johannes door in Den Haag. Daar ontmoette hij een protestants meisje: Antje ter Burg. Hij meende dat hij dit meisje hebben moest. Antje zei: "Alles goed en wel, maar ik word niet Rooms." Riekel zei: "Dan word ik protestant." Zo is het gebeurd. Riekel vertelde er zelf van: "Nu had ik een ander pakje aan, maar ik diende nog dezelfde koning."

Bekering

Toch is dat meisjes (later zijn vrouw) door haar standvastigheid het middel geweest tot zijn bekering, hoewel zij zelf de Heere nog niet kende. Jaren later mocht Ds. Riekel omgekeerd het middel zijn voor haar bekering. Op 18 september van het jaar 1895 traden ze in het huwelijk en vestigden zich in Den Haag, waar ze een ijzerwinkel begonnen.

De Heere werkte door in het leven van Johannes Riekel. Zelf uit de dienst van de zonde tot God bekeerd, verlangde hij Gods Woord te mogen verkondigen. Maar hij sprak nog met niemand over dit geheim. Hij had alleen de lessen op de lagere school gevolgd. Het zat er niet in, dat hij ooit predikant zou kunnen worden. Op een keer werd hij bepaald bij Habakuk 1:5b - "Ik werk een werk in ulieder dagen, hetwelk gij niet geloven zult, als het verteld zal worden." Dit was een bemoediging voor hem.

De Heere riep hem krachtdadig tot het ambt met de woorden: "Weidt de kudde Gods" 1 Petr. 5:2a. Zijn roeping was duidelijk, maar er rezen vele bezwaren. Hij was gehuwd en inmiddels vader van zes kinderen.

Bovendien had hij geen geld om de studiekosten te betalen. Riekel probeerde er onderuit te komen.

Nu kreeg hij te maken met tegenslag. Zijn klanten winkelden elders. Alles werd hem bij de handen afgebroken. Mevrouw Riekel werd ziek. En op één middag moesten er zelfs vier kinderen naar het ziekenhuis gebracht worden. Dit heeft ertoe mogen leiden, dat hij boog voor de Heere en zich onvoorwaardelijk aan Hem overgaf. Het verdroot hem, dat hij zo onwillig geweest was. De Heere wees hem op de woorden: "Zie het Lam Gods Dat de zonde der wereld wegneemt." Dit was een hartsterkende troost voor hem.

Studietijd

Uiteraard zag hij tegen het admissie examen erg op, met name tegen "wetenschappelijke" vragen. In het curatorium zaten onder anderen de predikanten J.W. Geels en H. Janssen. Wat ze echter van Riekel te horen kregen moet ontroerend geweest zijn. Ds. Janssen verklaarde: "We hebben een geestelijk bad gehad."

Johannes Riekel werd nu ingeschreven als student aan de Theologische School. Het gezin verkeerde dikwijls in heel grote financiële zorgen. Op maandagochtend moest hij naar de Theologische School. Geld was er niet. Zijn vrouw zei: Ja, jij gaat maar weer naar de School. Maar ik blijf hier achter met het gezin. Hoe moet dat?

Riekel kreeg het door deze opmerking zeer benauwd. Hij kroop in een klein schuurtje en daar heeft hij de Heere zijn nood bekend gemaakt. Hij ging terug naar zijn vrouw en zei: "Vrouw, we gaan aan tafel." Ze gingen het karig maal nuttigen. En terwijl ze aan tafel zaten, kwam er een ouderling uit Dordrecht. Hij zei: "Meneer Riekel, we hebben besloten u wat geld te brengen." De ontroerde Riekel zei: "Vrouw eer zij roepen zal Ik antwoorden. Toen ik in het schuurtje worstelde met God, was deze ouderling al onderweg."

Aan de Theologische School heeft Riekel zes jaar ijverig gestudeerd. In het j aar 1915 slaagde hij voor het kandidaatsexamen en werd beroepbaar gesteld.

Veenendaal

Nadat de broeders van de Christelijke Gereformeerde Kerk te Veenendaal enkele preken van hem hadden beluisterd, brachten zij een beroep op hem uit. Riekel schreef, dat hij het beroep aannam en vroeg of docent De Bruin hem mocht bevestigen. Bovendien vroeg hij of hij in plaats van vijf, zes vrije zondagen kon krijgen. De kerkeraad stemde daarin toe. Het tractement werd vastgesteld op ƒ 72,- per maand.

Er kon voordelig een pastorie voor het domineesgezin gehuurd worden. Op hervormingsdag, zondag 31 oktober 1915 leidde docent De Bruin hem tot zijn ambtswerk in met een preek over de tekstwoorden: "Weidt de kudde Gods." De bevestiger sprak over het werk van de herder in de gemeente. Het trof Riekel, dat de tekst van de bevestigingspreek dezelfde was waarmee de Heere hem geroepen had. 's Avonds deed kandidaat Riekel zijn intrede met een preek over 1 Kor. 1:23a - "Doch wij prediken Christus, de Gekruisigde." Slotzang was:

Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen;
Men loov ' Hem vroeg en spâ;
De wereld hoor', en volg' mijn zangen,
Met Amen, Amen, na.

Het kerkgebouw stond aan 't Zand. Er is nog een fraaie foto van. In die tijd moesten ze allemaal te voet naar de kerk. De viering van het Heilig Avondmaal werd uitgesteld totdat de predikant de gemeente was doorgeweest, zodat hij enigszins de mensen had leren kennen.

In de zomer van 1916 volgde Riekel ook nog spraakles. Hij was pastoraal bewogen en zocht de mensen op. Met een broeder die zondagsarbeid verrichtte bij de P.T.T. werd gesproken. De predikant vertelde hem enkele voorbeelden uit zijn eigen leven tot lering.

De kerkeraad had geen vrijmoedigheid een overigens meelevende mevrouw als lid aan te nemen. De broeders vonden het beter dat zij eerst de "lidmatencatechisatie" ging volgen, hetgeen ze in overweging nam.

De kerkeraad gaf Ds. Riekel toestemming zesmaal per jaar gebruik te maken van een rijtuig dat gehuurd moest worden op kosten van de kerk. Als hij een zondag ergens elders preekte, las men preken van Smytegelt of Hellenbroek. Op 31 oktober werd een hervormingspreek gehouden.

Op de kerkeraadsvergadering van november 1917 werd met algemene stemmen besloten dominee honderd gulden duurtetoeslag te geven. Het was immers de tijd van de Eerste Wereldoorlog. In maart 1918 werd het tractement van de predikant op negentig gulden gebracht. In januari 1919 werd het ƒ 110,-.

In augustus 1919 achtte Riekel het noodzakelijk, dat de kerkeraad uitgebreid werd. Zelf kon hij onmogelijk alles nalopen. De ouderlingen moesten twee aan twee de gemeente in en zo het opzicht over de gemeente uitoefenen. De kerkeraad deelde dit gevoelen. Het gebeurde soms dat hij bij een ernstig ziek kind knielde en vroeg: "Zullen wij samen bidden?" De gemeente telde in die tijd ongeveer 370 leden. Ook waren er in die jaren reeds bouwplannen voor een nieuwe kerk met pastorie. Riekel stimuleerde de oprichting van een Jongelings-vereniging. In maart 1920 kon er in Wageningen een "station" opgericht worden. Op de zondag werden er twee diensten gehouden en preken van oudvaders gelezen. De opkomst was goed. Door de week kwam er af en toe een predikant een avonddienst verzorgen.

Beroep

In mei 1920 ontving Riekel een beroep van de Christelijke Gereformeerde Kerk te Zaandam. Daar was een meisje dat bad, of hij het beroep mocht aannemen én of hij het middel mocht zijn voor haar bekering. Beide gebeden zijn verhoord. Hij nam het beroep inderdaad aan. Op de kerkeraad vroeg hij aan ieder, of hij "in broederliefde" afscheid kon nemen. Allen zeiden: Ja! Zondagavond 18 juli nam hij afscheid van Veenendaal met de woorden uit 1 Petr. 5:10 - "De God nu aller genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben, Dezelve volmake, bevestige, versterke en fundere ulieden." In de vakante tijd las men in Veenendaal catechismuspreken van onder anderen Bemardus Smytegelt.

Zaandam

In zijn tweede gemeente Zaandam werd hij bevestigd door docent De Bruin en wel met de woorden uit Jes. 62:6 en 7 - "O Jeruzalem! Ik heb wachters op uw muren besteld, die geduriglijk al de dag en al de nacht niet zullen zwijgen. O gij, die des Heeren doet gedenken, laat geen stilzwijgen bij ulieden wezen! En zwijgt niet stil voor Hem, totdat Hij bevestige, en totdat Hij Jeruzalem stelle tot een lof op aarde." De bevestiger sprak over de wachters op Sions muren. De punten waren:

1. de gewichtige taak
2. de moeilijke plaats
3. de krachtige steun
4. de heerlijke verwachting.

De weerstanden van de wereld kunnen de kerk Gods benauwen, maar de grote Wachter zal haar krachtig ondersteunen. Na de preek volgde de bevestiging en Riekel beantwoordde de vragen met een plechtig: "Met Gods hulp, ja." 's Avonds hield hij een intreepreek over Psalm 40:10a "Ik boodschap de gerechtigheid in de grote gemeente." De nieuwe dominee maakte duidelijk wat de gerechtigheid was en het heil dat daaruit de gemeente ten deel valt.

Met de kerkeraad hoopte hij in liefde samen te werken tot uitbreiding van Gods koninkrijk. Tot de gemeente zei hij: "Wij behoeven niet te wanhopen voor de toekomst als we het samen maar biddend van de Heere alleen verwachten."

Het kerkgebouw stond aan de Herengracht. Riekel hoefde niet naar woorden te zoeken. Zijn preken droegen een heel eigen stempel. Hij, die uit de Roomse kerk was voortgekomen, kon het soms zeer "smoutig" zeggen wanneer hij over de paapse mis preekte. "In de Roomse Kerk hebben ze alle dagen mis", sprak hij dan, daarmee bedoelende dat ze het elke dag bij het verkeerde einde hadden. Hij was één van die figuren, die op de preekstoel meer mocht zeggen dan ieder ander. "Dat was weer echt iets van Ds. Riekel", hoorde men na de dienst vaak de kerkgangers tegen elkaar zeggen.

Mede doordat er in die jaren nog geen Gereformeerde Gemeente in Zaandam was, kwamen velen bij Riekel naar de kerk. In 1922 werd het kerkgebouw dan ook uitgebreid en aan de voorzijde kwam een portaal. Het orgel werd boven de preekstoel geplaatst.

In hetzelfde jaar werd de mannen vereniging "Onderzoekt de Schriften" opgericht. Na 3*/2 jaar met zegen in Zaandam gearbeid te hebben, nam hij op zondagavond 17 februari 1924 afscheid met de woorden: "Barmhartigheid en vrede en liefde zij u vermenigvuldigd." Ds. Riekel preekte, uit Judas 2, over de zegenbede van de scheidende leraar aan zijn gemeente, haar toebiddende

1. barmhartigheid van God de Vader
2. vrede verworven door Jezus Christus
3. liefde onderling door de Heilige Geest.

Maarssen

In Maarssen werd Riekel door zijn eigen schoonzoon Ds. J. Reesink tot het predikantswerk ingeleid. De tekst van de bevestigingspreek was uit Ex. 4:20 "En Mozes nam de staf Gods in zijn hand." Na de bevestiging zong de gemeente Psalm 20:1.

Aan de avond van dezelfde dag verbond Ds. Riekel zich aan de gemeente met een preek over Kol. 1:28 "Christus Dewelken wij verkondigen, vermanende een iegelijk mens, en lerende een iegelijk mens in alle wijsheid, opdat wij zouden een iegelijk mens volmaakt stellen in Christus Jezus." Riekel preekte Christus en Die gekruisigd.

1. Hij is van de Vader gegeven
2. is in de heilige Schrift geopen baard
3. Hij wordt de verloren zondaar aangeboden
4. wordt door Gods volk bevindelijk gekend

Met grote aandacht werd deze preek beluisterd.

Riekel mocht in Maarssen veel werk verrichten en zocht bij dagen en bij nachten het geestelijk welzijn van de gemeente. Hij bracht een radicale prediking van zonde en genade. Hierdoor werd de gemeente dieper gegrondvest op het fundament van de vrije souvereine genade van God. De prediking had een practicale inslag.

Riekel sprak: "Het gaat (onthoud het altijd) en het mag niet gaan om de Hemel. Wat zullen wij in de Hemel doen, zonder met een Drieënige God verzoend te zijn? Maar de God des Hemels, daar moet het om gaan: Om de God des hemels."

Op de 19e september 1925 ontving hij een beroep van de Christelijke Gereformeerde Kerk te Sliedrecht. Dit beroep werd aangenomen. Zondagavond 29 november 1925 nam hij afscheid van Maarssen met een preek over Deut. 33:27 "De eeuwige God zij u een woning, en van onder eeuwige armen; en Hij verdrijve de vijand voor uw aangezicht, en zegge: Verdelg!" Riekel sprak over de heilbede van de scheidende Leraar en bepaalde zijn gehoor bij een drietal punten:

1. God Zelf zij u een eeuwige woning
2. Zijn dragende en zorgende liefde op uw weg
3. Zijn overwinnende kracht in uw strijd.

Staande werd dominee en zijn gezin toegezongen Psalm 121:3 en 4.

Sliedrecht

Op zondag 6 december 1925 bevestigde ds. Reesink zijn schoonvader tot predikant van de Christelijke Gereformeerde Kerk te Sliedrecht. Reesink preekte over Joh. 1:7 "Deze kwam tot een getuigenis, om van het Licht te getuigen, opdat zij allen door hem geloven zouden."

In de avonddienst verbond Ds. Riekel zich aan de gemeente met een preek over Exodus 25:22 "En aldaar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel af, van tussen de twee cherubim, die op de ark der getuigenis zijn zullen, alles, wat Ik u gebieden zal aan de kinderen Israels." Het thema was: Het spreken van Jehova tot Zijn bondsvolk.

In Sliedrecht nam de belangstelling vooral bij de jonge mensen voor de belijdeniscatechisatie sterk toe. Riekel sprak op de man af. Men begreep wat hij bedoelde. Hij zei tegen de meisjes van 14, 15 jaar: "Gods barmhartigheid is zo groot! Daar kunnen we allemaal wel in." Ze waren wat de diepere levenszin betrof, zeer met hem ingenomen. Ook het verenigingsleven floreerde. In november 1932 kon de meisjesvereniging "Debora" opgericht worden.

In het begin van maart 1931 werd een nieuw orgel met electrische windvoorziening in gebruik genomen. Bij deze gelegenheid preekte Riekel over Psalm 150:6 "Alles, wat adem heeft, love de Heere! Hallelujah!" De orgeltrappers kwamen nu uiteraard zonder werk, maar zij vonden het goed zo.

In een preek zei hij eens: "Vergeet nooit één van Zijn weldadigheden; vergeet ze niet; 't is God, die z' u bewees. Waarom toch altijd weer in herinnering brengen, dat wij zulke vergeetachtige schepselen zijn? Daarom: wij vergeten God zo gemakkelijk. Wij vergeten 's morgens niet onze boterham. Niet? Nee! jongen, nee. Maar wij vergeten God zo licht. En voornamelijk, als God geen plaats in ons hart heeft ontvangen. Dan grijpen wij naar veel en wij denken aan van alles en nog wat, maar aan God niet! En Hij is de Bron van alle goede gaven en volmaakte giften!"

Boeiende prediking

Eens preekte hij over David in Ziklag. Hij begon met te ruiken, te snuiven, te snuiven en nog eens.... "Brand!!", riep hij. Daarmee werd aller aandacht getrokken.

In een andere preek luidt het: "Als gemeente vormen we één geheel, maar als lidmaten lopen we ver uiteen. Gelijk de ene ster van de andere verschilt, zo ook hier. In uw midden zullen ongeregelden zijn, die het in de wandel niet zo nauw nemen. Dan komt de vermaning tot hen: Verlaat de slechtigheden en treedt op de weg des verstands!

Misschien zijn er ook zelfgenoegzamen. Men is geboren uit Christelijke ouders, men is gedoopt, Christelijk opgevoed, heeft belijdenis gedaan, soms aan het Heilig Avondmaal aangezeten en zeer wel ingenomen met zichzelf. Arme mens. Ge wandelt op valse grond naar de eeuwigheid. Want de Christus Die ge belijdt, moet uw bezit worden. Trouw Hem te volgen. Niet van uzelf te zijn, maar van uw getrouwe Zaligmaker Jezus Christus, Die u met Zijn dierbaar bloed heeft gekocht.

In uw midden zijn er misschien met farizese gronden. Die waarlijk nog blijven bij de wet van Mozes. Dit doen en dat laten. Die zich krommen gelijk een bieze. Eigengerechtigheid kan voor God niet bestaan. De Schrift leert u: Uit de werken der wet zal geen vlees gerechtvaardigd worden.

In uw midden zijn anderen die steunen op bedrieglijke gronden. Geen groter vijand dan het tijdgeloof. Het spreekt ook over ervaring en indrukken. Maar het mist de blijdschap en het zoete woord Gods te proeven. We hebben de kracht der toekomende eeuw ervaren en daar is u voor opzij gegaan en bekeerde u niet. Totdat God de Heilige Geest u aangrijpt om in uw ziel de zaden van genade in Christus Jezus te strooien. Want armen vervult hij met goederen. Rijken zendt Hij ledig henen. Vervuld van het ware werk Gods. Niets in ons, al in Hem. Zo komt men tot Jezus.

Er is in ons midden, naar ik hoop, Gods lieve volk. Kan 't zijn: veel. Vraagt naar de heilgeheimen, zoals we zingen in Psalm 25

't Heilgeheim wordt aan Zijn vrinden,
Naar Zijn vreêverbond, getoond.

Weet ge het wel, geliefden, begenadigde mensen zijn soms bezet met de grootste dwalingen. Dat is niet mooi van een kind des Heeren. Waartoe heeft God Zijn kinderen verkoren? Hiertoe, om Zijn lof te verkondigen."

Riekel getuigde: "Wij hebben nooit getracht met schone woorden, met prachtige bloemrijke zinnen en sierlijke wendingen enz. u Gods Woord te verkondigen. Wij hebben getracht zo laag mogelijk af te dalen. Wij hebben getracht in onze prediking u Christus te tonen, te laten zien als die Parel van grote waarde. Als daar een licht op valt van Godswege, geliefden, bekijk dan die Parel van welke zijde dan ook. Dan zult ge de schoonheid leren verstaan. Al wat daarin is, is gans begeerlijk."

Ruim acht jaar heeft hij te Sliedrecht mogen arbeiden. De gemeente bloeide op en breidde uit. Meer dan eens gebeurde het, dat geheel onkerkelijke mensen tot God bekeerd werden. "Ds. Riekel maakte geen onderscheid tussen de mensen. Voor hem was ieder een gelijk: kerklid, socialist en communist. Een ieder had een ziel voor de eeuwigheid. Ook heeft Ds. Riekel geëvangeliseerd op de begraafplaats. Hij stond daar tachtig maal aan de groeve der vertering. Zijn stem galmde dan over het kerkhof. Men kon hem op straat horen en voorbijgangers bleven dan staan luisteren, onder wie ook onkerkelijke mensen."

Afscheid van Sliedrecht

In maart 1933 was hij een weinig overspannen. Op medisch advies moest hij enige tijd rust nemen. Met Pasen mocht hij weer het Woord bedienen.

In het najaar van 1933 kwam er een beroep uit Delft. Riekel wist dat hij erheen moest, maar hij had het er moeilijk mee en hij bad: "Heere, neem Gij de dingen van deze gemeente (Sliedrecht) over. Laat haar niet herderloos achter."

De Heere kwam over en zei: "Ik heb uw aangezicht aangenomen." Zo mocht hij het beroep met vrijmoedigheid aannemen.

Op 20 december 1933 schreef hij aan de kerkeraad van Delft: "Eerwaarde Broeders, na lang en gedurend overwegen, heb ik het beroep naar de gemeente te Delft op mij uitgebracht, biddend neergelegd voor het aangezicht des Heeren. Het is mij in die weg duidelijk geworden dat ik uw beroep niet mag afwijzen.... Uw toekomstige herder en leraar Ds. J.A. Riekel."

Op donderdagavond 15 maart 1934 nam hij afscheid met een preek over 1 Petrus 5:10 en 11 - "De God nu aller genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben, Dezelve volmake, bevestige, versterke en fundere ulieden. Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen."

Na de afscheidspreek sprak hij de onderwijzers en onderwijzeressen toe: "De Heere bekwame u, om de eerste zaden te mogen zaaien in de jonge harten, die zo ontvankelijk zijn. O, zaai goed zaad!"

Tegen de kerkeraad zei Riekel: "Broeders ouderlingen en diakenen, weemoed vervult ons hart. We hebben jaren samen gearbeid onder biddend opzien tot God. We hebben geen jabroer gespeeld. Ieder kon zijn mening uiten. Onze arbeid lag open en eerlijk voor God."

En tot de gemeente: "Voortaan staan we niet meer voor uw aangezicht. Toch zullen we Sliedrecht nooit vergeten. Daar is teveel voor gebeurd. Wij vergeten niet één van de gemeenten die we hebben gediend en waar we niet zolang hebben mogen staan als hier, zouden we dan u vergeten? We hopen u te blijven gedenken voor de troon der genade, gelijk wij altijd de noden bij morgen en bij avond op de knieën voor God hebben neergelegd en Zijn genade hebben afgesmeekt."

Delft

Op dinsdagavond 20 maart 1934 bevestigde Ds. L.H. van der Meiden hem tot predikant van Delft. De tekst van de bevestigingspreek was 1 Thess. 5:12 en 13 - "En wij bidden u, broeders, erkent degenen, die onder u arbeiden, en uw voorstanders zijn in de Heere, en u vermanen; en acht hen zeer veel in liefde, om huns werks wil. Zijt vreedzaam onder elkander." Van der Meiden sprak over de houding van de gemeente tegenover haar dienaar. Op donderdagavond 22 maart deed Ds. Riekel zijn intrede met een preek over Kol. 1:28. Het thema was: De getrouwe Christusprediking van de dienaar geëist.

1. de rijke stof daarin gegeven

2. de gepaste wijze waarop zij wordt gebracht

3. het verheven doel daarin voorgesteld.

Riekel sprak: "De Christusprediking is een heerlijke prediking, maar er wordt zo ontzaglijk veel voor vereist. Vergeet niet de eisen aan de prediker gesteld. En die zijn niet weinige. Ge zit daar stillekens neer en zegt misschien de ene tijd: "De dominee was er vanmorgen bij", de andere tijd: "Hij was dor en droog."

Hoe gaan we meestal op? 's Zondags blijven we maar liggen slapen en dan is het haast je rep je en hoe komen we dan onder de Christusprediking? Hebben we thuis ons voorbereid om Gods woord te ontvangen? Buigt ge u voor Gods Woord? Gods Woord te ontvangen, eist voorbereiding, geliefden."

Na de intredepreek zei hij tegen de kerkeraad: Geliefde broeders ouderlingen en diakenen van Delft, wanneer wij de arbeid verrichten, moeten we gedenken dat de gemeente er niet is voor ons, maar wij voor de gemeente, en dat wij in dienende liefde op onze harten te dragen hebben dit deel van Gods wijngaard."

Ds. J.A. Riekel met de meisjesvereniging van Delft
Ds. J.A. Riekel met de meisjesvereniging van Delft

In de zomer van 1933 had de gemeente een nieuw kerkgebouw in gebruik mogen nemen. En nu, na meer dan tien jaar vacant geweest te zijn, mocht men weer een eigen herder en leraar ontvangen uit Gods Hand.

De kerkeraad besloot op regelmatige tijden de jongelingsvergadering te bezoeken. In 1935 werd er een knapenvereniging opgericht. Er kon een nieuw orgel in gebruik worden genomen. In Delft was hij helemaal op zijn plaats en hij heeft er met veel zegen mogen arbeiden. Onder andere kwamen twee Roomse dames tot bekering. De broeders letten erop, wie aan het Heilig Avondmaal deelnamen. In juli 1938 werd een brief verzonden aan burgemeester en wethouders van Delft waarin werd geprotesteerd tegen de opvoering van een openluchtspel op zondag. De kerkeraad vermaande de gemeente Delft "zich toch verre te houden van de goddeloze en Godonterende vermakelijkheden der wereld, die niet anders ten gevolge kunnen hebben dan het opwekken van de toom Gods en de verzwaring der oordelen."

Mevrouw Riekel was hartpatiënt. 3 Oktober 1939 lag ze dood naast haar man in bed. Ds. Riekel zei: De Heere heeft vannacht mijn vrouw thuis gehaald. Dat haar heengaan vrede was, troostte hem in zijn smart.

Tweede Wereldoorlog

Op 5 mei 1940 brak de Tweede Wereldoorlog uit. Het kerkgebouw van Delft kon niet voldoende verduisterd worden. Hierdoor kon de Bijbellezing op woensdagavond, in het winterhalfjaar, geen doorgang vinden. Nu kwam men samen op woensdagmiddag om drie uur. In 1941 werden de benodigde schoonmaakartikelen schaars.

Riekel preekte vaak op woensdagavond in Katwijk aan Zee in de achterzaal van Casa Cara. Het zaaltje was mudvol; de mensen moesten zelf een klapstoel meebrengen, 's Zomers stonden ze buiten. Doordat de ramen en deuren open stonden, konden ze de preek toch beluisteren.

Rondom het spreekgestoelte stonden allemaal stoelen. Na de dienst kon Riekel er niet door. Eerst moesten al die stoelen weg. Op een keer was er een vrouw innerlijk geroerd door het gepredikte woord. Riekel klopte na de dienst haar op de schouder en zei:

Hoopt op den Heer gij vromen;
Is Israel in nood,
Er zal verlossing komen!

In juli 1942 besloot de kerkeraad Ds. Riekel, in verband met zijn leeftijd, zoveel mogelijk vrij te stellen van het afleggen van huisbezoek. Onder de druk van de oorlogsomstandigheden nam de nood onder de gemeenteleden toe. Vooral de alleenstaande oudere leden waren hiervan het slachtoffer. De kerkeraad deed wat zij kon om de nood te helpen verlichten.

Ds. Riekel preekte: Je kunt gemakkelijk geloven hoor! als je de broodtrommei vol hebt en een warme kachel. Dan zing je: Geloofd zij God, met diepst ontzag! Maar als je niks hebt..... Riekel zelf en zijn huishoudster behoefden in Delft in het geheel geen honger te lijden. Tuinders uit het Westland brachten bloemkool, bonen etc. Een boer uit de gemeente zorgde voor melk, boter en kaas. Een dochter woonde in Den Haag. Regelmatig kon de huishoudster een koffer vol etenswaren naar Den Haag brengen. Dan werd de visite dubbel waardevol. De vorige keer hoorden we één en ander uit de Delftse jaren van Ds. Riekel. Hij moest er zijn vrouw verliezen. Ook heeft hij er de oorlogsjaren doorgebracht.

Afscheid van Delft

Op woensdag 9 augustus 1944 ging Ds. Riekel met emeritaat en hij preekte bij die gelegenheid over Hand. 20:31 en 32 - "Daarom waakt, en gedenkt, dat ik drie jaren lang, nacht en dag, niet opgehouden heb een iegelijk met tranen te vermanen. En nu, broeders, ik beveel u Gode, en den woorde Zijner genade, Die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden." Riekel preekte over: Des herders afscheid van zijn gemeente.

Hij sprak: "Daar zullen er ook geweest zijn, die Paulus' woorden in de wind hebben geslagen. Praat maar door, preek maar raak! Ach, het waren toen mensen, die Paulus' prediking te Efeze hoorden, mensen gelijk als wij." En even verder: "Ook in uw midden heb ik meermalen mijn zonde geboet en gevraagd: o God, waarom zo weinig vrucht, waarom zo weinig bekering, waarom zo weinig doorbraak in het genadeleven, waarom zo weinig opwassen in de genade en de kennis van onze Heere Jezus Christus? Want dat is het. Al het andere? Wel, lieve mensen, ja, ik zal niet zeggen, dat het er niet bij hoort, maar dat is timmeren aan de buitenkant. Het gaat om het innerlijke."

In zijn afscheidspreek sprak hij: "Wel geliefden, ik heb in uw midden ruim 10 jaren mogen arbeiden. Ik was blij met de blijden, bij geboorten en trouwdagen. Ik weende met de wenenden in sterfhuizen en bij rouw. Ik heb door genade de kranken mogen vertroosten, de achtergeblevenen in de sterfhuizen tot steun mogen zijn; de jeugd der gemeente heb ik mogen onderwijzen; velen uit ons midden heb ik belijdenis des geloofs mogen afnemen. Zo is er veel, geliefden, waarop wij kunnen wijzen. En als ik u nu vertel, dat toen wij tien jaar geleden hier kwamen, telde de gehele gemeente 161 zielen, mannen, vrouwen en kinderen, waarvan ik er veertig naar het graf heb gebracht, ruim 60 a 70 zijn met attestatie vertrokken en als wij nu mogen zeggen, dat door Gods genade de gemeente gegroeid is tot bij de 500 zielen, dan schrijven wij dat niet toe aan onze bekwaamheid. Nee, God de Heere de eer."

Aan het einde van zijn preek sprak hij: "God weet het, hoe gij altijd, de ene tijd meer, de andere tijd minder, altijd in mijn gedachten zijt geweest, niet alleen overdag, ook niet alleen als wij hier vergaderden, maar 's nachts wanneer de slaap ver van onze ogen was, dan weet God, dat ik u, bekeerd en onbekeerd, opdroeg aan God met uw noden en behoeften."

Na de preek sprak hij de catechisanten toe: "Geliefde catechisanten, wat wij u altijd voorgehouden hebben, dat godsdienst zonder wedergeboorte iemand nooit binnen Jeruzalem brengt - zult ge dat altijd onthouden? Zoek de Heere in uw jeugd, opdat, als ge oud zult zijn, de God aller genade uw deel moge zijn in leven en in sterven." Riekel bleef voorlopig nog in Delft wonen en preekte er nu twee zondagen per maand.

Huizen

Hij preekte ook weleens in Huizen. Daar zeiden ze: "Hier staat die grote pastorie leeg. Kom toch hier wonen." De ledenvergadering van de Christelijke Gereformeerde Kerk te Huizen besloot nu Riekel te vragen als hulpprediker. Deze ging erop in en 7 april 1946 verbond hij zich aan de gemeente met een preek over Jozua 1:6 - "Wees sterk en heb goede moed! want gij zult dit volk dat land erfelijk doen bezitten, dat Ik hun vaderen heb gezworen hun te geven."

De gemeente van Huizen had nog schuld ten gevolge van de bouw van een kerk en pastorie. Maar financieel ging het nu goed.

Op een keer werd zijn huishoudster ernstig ziek en men vreesde voor haar leven. Ja, de huisarts verklaarde dat ze ging sterven. Riekel mocht echter weten, dat ze zou herstellen en hij zei dat ook. De dokter keek meewarig, maar ze herstelde.

Riekel heeft ook Ds. R van der Bijl bevestigd als predikant van de Christelijke Gereformeerde Kerk te Katwijk aan Zee. Hij begon de bevestigingspreek met: "Spinazie, spinazie, een pan vol! Wat schiet er over? Zo'n klein beetje." Hij zei tegen Van der Bijl: Je bent nu nog jong. Die nu "Hosanna" roepen, schreeuwen straks "Kruis hem!" Je zult best nog eens moeilijkheden krijgen in je gemeente. Riekel was niet zo sterk meer, maar als hij op de preekstoel kwam, knapte hij helemaal op. Dan had hij nergens last van. Hij preekte zo vurig en sloeg soms met de vuist op de rand van de preekstoel. In april 1948 moest hij, wegens ouderdom en lichaamszwakte, zijn werk in Huizen neerleggen. Zelf wilde hij naar Den Haag, maar hij kon daar niet zo snel terecht. Het was immers kort na de oorlog. Hij voelde zich net een zwerver.

Lerend ouderling M.S. Roos te Naarden zei: Je kunt voorlopig wel bij ons in. Riekel was hier dankbaar voor. In Naarden is hij ziek geworden. Maandagmiddag 7 maart 1949 kwam het einde. Roos zei tegen hem: "Nog even, en dan gaat u naar huis." Met duidelijke stem antwoordde hij: "Ja!" En hij was thuis.

Bron: Bewaar het Pand