'Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen'.

Biografische schets Ds. G. Salomons (1890-1975)


Jeugd en opleiding

Gerard Salomons werd geboren op 18 april 1890 in Baarn, als zoon van de kruidenier en kleermaker Gerrit Salomons en diens echtgenote Johanna Frederika Köhler. Het gezin behoorde tot de Gereformeerde Kerken in Nederland, een in die jaren groot toonaangevend kerkverband, in 1892 aaneengesmeed uit 339 afgescheiden gemeenten en 310 doleantiegemeenten onder leiding van dr. A. Kuyper. Salomons groeide op onder de prediking van ds. W. H. Gispen Jr. die in de Gereformeerde Kerk van Baarn stond van 1899 tot 1906. Onder diens prediking werd hij, naar zijn eigen zeggen, getroffen door een 'pijl'  van de Heere, waardoor hij het voor God moest verliezen en zeggen: 'draag mij uit het leger, want ik ben dodelijk verwond.' De Heere wilde Zichzelf echter in liefde en genade aan hem openbaren.



Geref. Kerk Baarn
Geref. Kerk Baarn

Dominee Gispen was een zoon van de bekende ds. W. H. Gispen sr. 1832-1909  die jarenlang in De  Bazuin ontwikkelingen in kerk en samenleving schreef in de vorm van 'Brieven aan een vriend in Jeruzalem'. Hij was tevens de vader van de latere hoogleraar W.H. Gispen van de Vrije Universiteit in Amsterdam. Laatstgenoemde werd op 7 augustus 1900 in Baarn geboren en in 1925 predikant te Hazerswoude. Tussen 1928 en 1945 was hij predikant van de Gereformeerde Kerk in Delft. Op 1 oktober 1945 werd hij buitengewoon hoogleraar in de theologie en gewoon hoogleraar in de faculteit van de letterkunde en wijsbegeerte voor Bijbelse archeologie, Hebreeuws en Aramees, Assyrisch en Arabisch. Dit was hij  tot zijn emeritaat in 1970. Als zodanig heeft hij meegewerkt aan de "Korte verklaring van de Heilige Schrift" en was ook medewerker aan de Bijbelvertaling 1951 van het Oude Testament in opdracht van het Nederlands Bijbelgenootschap.


Omdat Salomons het uiteindelijk niet meer kon vinden in de Gereformeerde Kerken door het gemis aan een Schriftuurlijk-bevindelijke prediking, ging hij over naar de Christelijke Gereformeerde Kerk, een klein kerkverband dat eveneens bestond sinds 1892. Het betrof eigenlijk een smaldeel van de oude Christelijke Gereformeerde Kerk, in 1869 door een vereniging van twee groeperingen voortgekomen uit de Afscheiding van 1834: de Christelijke Afgescheiden Gemeenten en de Gereformeerde Kerken onder het Kruis. Doordat de vereniging van 1892 bij velen achteraf toch niet erg voldeed, bloeide de aanvankelijk zeer kleine Christelijke Gereformeerde Kerk spoedig op. In 1909 werd Salomons aangenomen, samen met de studenten J. Talsma en J.A. Riekel, aan de Theologische School van de Christelijke Gereformeerde Kerk, toen nog in Rijswijk. Deze opleiding bestond sinds 11 september 1894. De opening vond plaats op een locatie in Den Haag door ds. J. Schotel. Kort daarop verhuisde men in 1899 naar Rijswijk, totdat de school definitief in Apeldoorn werd gevestigd. De eerste docenten waren ds. F.P.L.C. van Lingen en ds. J. Wisse Czn. In 1905 kwam er een derde docent bij in de persoon van ds. P.J.M. de Bruin. In 1909 werd ds. A. van der Heijden als docent aangesteld in plaats van Van Lingen die zijn arbeid in datzelfde jaar moest neerleggen wegens zijn hoge leeftijd. Later kwamen daar nog ds. H. Janssen en ds. F. Lengkeek bij.

Villa Nuova in Rijswijk, Theologische School CGK
Villa Nuova in Rijswijk, Theologische School CGK
Docenten Van der Heijden, Lengkeek en De Bruin
Docenten Van der Heijden, Lengkeek en De Bruin

Onderscheiden behandeling der verschillende kranken


(..) Christus zelf was de grote Pastor tegenover de ellendigen en innerlijk met ontferming bewogen. Toch kan troosten niet voor elke kranken gelden. Er zijn kranken die veel eer[der] in plaats van troost ontdekking nodig hebben van hun jammerlijke toestand en daarom moet [men] bij verschillende kranken ook onderscheiden handelen.

Alleen waar [een] beginsel [van] genade en geloof aanwezig is, daar kan getroost worden. Bij begenadigden die in bestrijding verkeren over hun staat, hier mag de pastor troosten door te wijzen op 't geen de Heere gedaan heeft en op de vruchten des geloofs die openbaar gekomen zijn. Heeft de kranke daaraan niet genoeg, hij wijze er op dat de vrucht des geloofs hoezeer ook grond tot troost geen grond is van de vergeving der zonden welke alleen op Christus Borgwerk gegrond is. De pastor mag alzo het gekrookte riet niet verbreken, maar hij trachtte ook niet het gekrookte ongekrookt te maken, maar wijze op Christus als de volle Zaligmaker. Hij wijze de bekommerde ziel op 't voorwerp des geloofs, die 't goede werk door Hem begonnen, niet laat varen (Fil. 1: 6)

De pastor kan ook komen bij kranken die verzekerd zijn van hun genadestaat, doch op 't ziekbed in verlatenheid of dorheid verkeren. Hij wekke den kranke op tot onderzoek of er ook redenen zijn waarom de Heere Zijn aangezicht verbergt, doch wijze er tevens op dat de Heere vrij is om ook zonder bijzondere oorzaken Zijn volk in duister te doen brengen. Dan mag de pastor troosten, met de verzekering, dat daarna de verwisseling zoveel te heerlijker zal zijn en de beloften uit Gods Woord voorhouden aangaande het toekomende leven. (..)

Tevens kan de pastor kinderen Gods aantreffen die, al vrezen ze niet om te komen, toch erg tegen het sterven opzien en daardoor de blijdschap des harten missen. Hij troostte dan niet, met de blijdschap die achter het sterven ligt, maar hij wijze dan op Christus, die ook tegen het sterven opzag in Gethsemané en uit die vreze des doods is verhoord Hebr. 5: 7, en dat die verhoring ook vrucht afwerpt voor zijn volk. Ook kan de pastor wijzen op de trouw des Heeren in Psalm 23 door David bezongen, ook als de hij gaat door 't dal van de schaduwen des dood, dat voor hem niet de dood, maar de schaduwen vreze baart en de schaduw zal verdwijnen door 't opgaan in 't volle licht. En op Paulus triomflied 1 Kor. 15: 55-58.

Bij aardsgezinde wordt ook de pastor geroepen. Men wil dan voorbede vooral ter genezing des lichaams. Spoedig zal de pastor na enig spreken duidelijk worden dat het meer behoud des levens dan de nood der ziel naar de pastor deed verlangen. Hier heeft hij moeilijk werk. Hij vindt geen ware boetvaardigheid, zelfs geen ernstige gedachte aan de eeuwigheid, maar slechts verlenging des levens. De pastor wijze erop dat verlenging des levens zo weinig betekent, de dood toch weldra komt en de eeuwigheid aanstaande is. De ernst van het oordeel moet aangezegd worden en de ongenoegzaamheid van uitwendige godsdienst, kerkgaan, christelijk leven zolang onze deugden geen zonden voor God geworden zijn. Dikwijls stemmen de kranken dit toe, maar met de wens om daarom hersteld te worden om dan na genezing God te gaan zoeken. In de grond is dit niets dan uitvlucht der aardsgezindheid, want men wil blijven leven en niet Gode gaan leven. (...)

Bij eigengerechtigden is des pastors taak zeer zwaar. Overtuigen van zonde en ongerechtigheid kan alleen de Heilige Geest. Doch de pastor moet toch als dienaar des Heeren wijzen op de zonde en inzonderheid op de grote zonde van ongerechtigheid. Deze woont in ieders hart. Gods kinderen zijn er zelfs niet van verlost, maar bij sommige onbekeerden is zij hoofdzonde en wel onder schijn van ootmoed. Bij sommigen hoort de pastor bij het naderen van het ziekbed al roepen: O, dominee ik ben zo'n groot zondaar, doch bij onderzoek waarin dit bestaat en nader vragen wat zonden toch wel het geweten bezwaren hoort men al spoedig veel dat naar eigen roem zweemt. Bekend is 't verhaal van de pastor die bij een kranke komende haar hoorde belijden zo'n groot zondares te zijn en die na 't antwoord dat hij zulks van haar buurvrouw had vernomen zich hoorde roepen: Wat heeft dat slechte wijf van mij wel te zeggen. Sommigen zijn zo eigengerechtigd dat zij de pastor hun deugd voorhouden. Hier moet de pastor erop wijzen dat Christus niet voor gezonden, maar voor zieken gekomen is en dat alleen voor armen plaats is in het Koninkrijk Gods.

Anderen zijn fijner in hun eigengerechtigheid. Zij erkennen natuurlijk mensen te zijn, die nooit zich aanmatigden zich onder Gods kinderen te rekenen, niet op valse gronden naar de eeuwigheid willen, daarom bij getrouwe leraars te hebben gekerkt, Gods kinderen gaarne in hun huis ontvingen, afkeer hadden van hen die op deugd en plicht bouwden, veel gelezen in Oude Schrijvers, in één woord zo gereformeerd menen te zijn, dat de pastor hun toch wel enige hoop op de zaligheid zal schenken. Ook hier moet de pastor erop wijzen, dat zulks te licht is in de weegschaal van Gods recht. Hij spreke echter niet te lang, daar zulke zielen door redenering zich toch niet laten overtuigen. Een predikant onzer kerk hoorde zich eens toevoegen: gij zult mij toch niets ontnemen. waarop deze pastor antwoordde, dat is zo, want hier is niets te ontnemen, opdat ge nog niets bezit dat gegrond is. Liever bidde de pastor bij de zieke en legge hem in de mond wat hij eigenlijk in het hart moest hebben, namelijk belijdenis van zonde en bede om ontdekking door de Heilige Geest." (..)

Aantekeningen G. Salomons gemaakt op de Theologische School


Predikantschap voor de Tweede Wereldoorlog (1915-1939)

Na zijn studie nam kandidaat Salomons het beroep van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Bussum aan. Nadat hij eerst op 28 oktober 1915 met Daatje Driessen, (geboren op 14 april 1891; zij was een zuster van ds. D. Driessen) in het huwelijk was getreden, werd hij enkele dagen daarna, op 31 oktober 1915 door docent A. van der Heijden als predikant bevestigd in Bussum, met een preek uit 1 Korinthe 3: 9a: 'Want wij zijn Gods medearbeiders; Gods akkerwerk, Gods gebouw, zijt gij.' Ds. Salomons preekte bij zijn intrede over de tekst Lukas 8 : 5a. 'Een zaaier ging uit, om zijn zaad te zaaien'



CGK Bussum
CGK Bussum


Ds. A. van der Heijden
Ds. A. van der Heijden

Bevindelijk en begaafd prediker

In 1923 nam ds. Salomons een beroep aan naar Amersfoort. Hier zorgde zijn verblijf voor een forse uitbreiding van deze gemeente. Ds. Salomons ontwikkelde zich tot een echte kanselredenaar. Als predikant in Amersfoort was ds. Salomons betrokken bij de oprichting van een gemeente in Soest. De eerste diensten in Soest werden gehouden in een koeienstal. Doordeweeks werd een gastpredikant uitgenodigd. Deze gemeente had in de eerste periode van haar bestaan nogal te kampen met financiële problemen. De collecten bleken dikwijls niet toereikend. Genoeg reden dat de kerkenraad besluit: bij voorkeur dominees uit te nodigen die het volk trekken, 'dat zijn dominees die de zuivere en bevindelijke waarheid brengen zoals ds. Salomons, Bijleveld, De Boer, Van Ree, Van der Meiden en Van Brummen.' (1)

Synode Christelijke Gereformeerde Kerk 1934. Linksonder zit ds. G. Salomons (met de hand bij het oor). Daarboven is zichtbaar ds. J.A. Riekel (met de hand bij kin). Recht tegenover hem ds. L.H. van der Meiden.


Salomons was theologisch uitstekend onderlegd. Regelmatig verschenen er voor de Tweede Wereldoorlog publicaties van hem in 'De Wekker' over allerlei uiteenlopende onderwerpen. Ook buiten het kerkverband was hij actief voor de Staatkundig Gereformeerde Partij. Ds. J.H. Velema over Salomons: 'Hij was een begaafd prediker; grondige exegese en bevindelijke toepassing.' (2) Hij behoorde zonder meer tot de best onderlegde predikanten, die in de kerkelijke pers menige serie over een actuele stroming, sekte of theologie schreef. (3) In 1924 werd ds. Salomons door de Algemene Vergadering van de 'Staatkundig Gereformeerde Partij' benoemd tot lid van een commissie, die een publicatie moest voorbereiden over de betekenis van artikel 36 van de Nederlandse geloofsbelijdenis, naast ds. G.H. Kersten, ds. P. Zandt en ds. W. Den Hengst. (4)

In 1929 nam ds. Salomons een beroep naar 's-Gravenzande aan. Maandag 16 Mei 1932 nam ds. Salomons afscheid van 's-Gravenzande met een preek over Mattheus 28 : 20 en sprak over 'de belofte van den scheidende Heiland.' Dinsdag 24 Mei 1932 werd hij in Amsterdam-West door ds. A.M. Berkhoff bevestigd met een preek over Lucas 12: 3. 3 'Daarom, al wat gij in de duisternis gezegd hebt, zal in het licht gehoord worden; en wat gij in het oor gesproken hebt, in de binnenkamers, zal op de daken gepredikt worden.' Donderdag 26 Mei 1932 deed ds. Salomons zijn intrede met een preek over Handelingen 8: 35 'En Philippus deed zijn mond open en beginnende van die Schrift verkondigde hem Jezus'. Hoofdgedachte was: 'Philippus' Jezus-verkondiging aan de Moorman.'

CGK Amersfoort
CGK Amersfoort
CGK 's-Gravenzande
CGK 's-Gravenzande

Toen hij vier maanden in Amsterdam West verbleef werd hij door het overlijden van ds. F. Lengkeek als docent aan de theologische School in Apeldoorn benoemd. Deze benoeming sloeg hij af. (5)

In Amsterdam-West waren gemeenteleden die sympathie hadden voor de opvattingen van ds. Berkhoff aangaande leer van het 'duizendjarig rijk', waarvoor deze predikanten uiteindelijk ook vrijwillig het kerkverband zou verlaten. De kerkenraad verwachtte van ds. Salomons, dat hij deze opvattingen stevig zou gaan bestrijden, maar ds. Salomons besloot dit niet te doen. Binnen korte tijd was er nauwelijks meer iets over te horen in de gemeente. In deze tijd waren er goede contacten met Prof. Wisse, die toen in Amsterdam-Oost stond. Wisse zei met de hem kenmerkende humor als hij bij ds. Salomons op bezoek kwam: 'Hier komt de dominee op artikel 8 bij professor Salomons.'

Prof. F. Lengkeek
Prof. F. Lengkeek
Ds. G. Salomons
Ds. G. Salomons
Ds. L.H. van der Meiden
Ds. L.H. van der Meiden
Ds. G. Wisse
Ds. G. Wisse

Hoe was ds. Salomons als predikant in zijn jonge jaren? Een oud-gemeentelid die ds. Salomons uit deze periode nog kon herinneren schreef in 1975 het volgende: (...) 'Neen, wijlen ds. Salomons kan ik nimmer vergeten, maar ik spreek dus van de tijd dat hij nog jong christelijk gereformeerd predikant was. Hij was toen geen man van een gemakkelijk karakter (wat ik er zo nog van weet), maar zijn prediking was lieflijk, duidelijk en klaar, uitnodigend, onderwijzend, vertroostend, wat ik als jongeman heb ondervonden. Deze herinneringen binden mij dus op de één of andere wijze nu aan u allen, daar de overleden leraar zich de laatste jaren van zijn leven in uw midden heeft bevonden en heeft mogen getuigen. Een kind van God en een knecht des Heeren ook, dat is duidelijk.'(6)

Tijdens de donkere oorlogsjaren

In 1939 legde ds. Salomons echter op eigen initiatief en geheel onverwachts zijn ambt neer. Ds. Salomons zei later: 'Ik stond te schreeuwen op de preekstoel, maar van binnen was ik zo dood als een pier.' Op 3 januari 1940 werd zijn huwelijk ontbonden. Op 21 augustus 1940 hertrouwde hij met Neeltje van Ree, geboren op 11 oktober 1898 te Hilversum. Geestelijk volgde er voor ds. Salomons een zeer donkere periode. Het  oud-gemeentelid die later zelf dominee geworden is, deelt ons hierover het volgende mee: 'In de oorlogsjaren heb ik ds. Salomons eens teruggezien en ontmoet op een station perron in het Gooi, toen hij daar uit dezelfde trein stapte als ik en ik hem als tegen het lijf liep. Ik greep zijn hand en zei: 'dag ds. Salomons'. Maar mij niet meer kennende, antwoordde hij: ik ben niet ds. Salomons. Spontaan zei ik: U bent en blijft voor mij ds. Salomons. Toen hebben we daar op het station ergens in een hoek een langdurig en diepgaand geestelijk gesprek gehad en heb ik hem in zijn hopeloosheid en strijd, die hij mij vrij openbaarde mogen bemoedigen. Hij zei o.a.: het komt nooit meer goed, en het kan niet meer...'(7)

Maar de Heere zocht Zijn kind en knecht op. Hij gebruikte hiervoor een preek van ds. L.S. den Boer.8) Deze predikant had zijn preek in de achterliggende week maar niet 'af' kunnen krijgen. Wat hij ook probeerde, de dominee kon er niet inkomen, totdat hij bepaald werd bij Psalm 40 het 2de en 3de vers. Over deze tekst besloot hij zijn preek te houden. Bij het betreden van de kansel viel de blik van ds. Den Boer op iemand die hij onmiddellijk herkende: ds. Salomons. En onder deze preek over Psalm 40: 2, 3 'Ik heb de HEERE lang verwacht; en Hij heeft Zich tot Mij geneigd, en mijn geroep gehoord. En Hij heeft mij uit een ruisende kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld', kwam de Heere over. Ds. Salomons heeft schuld beleden in de kerk waarin hij die schuld gemaakt heeft, in Amsterdam, in Utrecht, voor de consulent en ouderling Lindeboom uit Soest. (9)

Ds. Joh. van der Poel
Ds. Joh. van der Poel

Ds. Salomons zat nadien eens bij de oudgereformeerde ds. Joh. van der Poel in de kerk. Deze dominee met een eigen authentieke stijl had weinig opleiding genoten en kon amper schrijven. Hij had echter een groot hart en kerkmuren bestonden voor hem niet. Voor ds. Salomons had hij een zwak en daarom zei hij zomaar opeens vanaf de preekstoel: 'Hier zit er één mensen, die diep gevallen is, maar de Heere heeft hem eruit gehaald!' Ds. Salomons had de bekwaamheid van een theoloog, maar kon spreken met het meest eenvoudige volk van God. Bij dat volk werd ds. Salomons dan ook niet afgeschreven. Vanuit de Christelijke Gereformeerde Kerk werden soms hatelijke opmerkingen gemaakt, maar toch waren ook daar predikanten zoals ds. P. Sneep, ds. M. Geleijnse, ds. C. Smits, ds. F. Bakker, ds. Van Minnen met wie goed contact bleef bestaan.

In het ambt hersteld

Ds. Salomons heeft zelf geen pogingen ondernomen om opnieuw in enig kerkverband dominee te worden (10). Toch heeft ds. Salomons wel weer gepreekt en is ook in zijn ambt hersteld, zo vertelt ook de briefschrijver in het vervolg: 'Maar 's - Heeren wegen met zijn kinderen en knechten zijn nu eenmaal wonderbaar. Jaren later, kort in Nederland vertoevende, heb ik hem mogen beluisteren in een kerkdienst in Bussum. Hij herkende me en knikte me vanaf zijn kansel, hij was weer predikant en samen hebben we na die dienst de Heere gedankt, hem die in arme zondaarsharten wonderen werkt, Israël zijn volk versterkt en zijn dienstknechten roept en bekwaam maakt en ondersteunt waar ds. Salomons, in zekere zin als mijn leermeester, en ik als leerjongere, beide voor- en onderwerp, levende getuigen van waren. Deze laatste ontmoeting was naar ik meen in 1953, dus 22 jaar geleden...' (11)


Hoe was dit mogelijk geworden? In 1950 werd ds. Salomons gevraagd de kerkdiensten van de Vrije Gereformeerde Gemeente van Arnhem te leiden. Deze gemeente was ontstaan naar aanleiding van de schorsing van ds. R. Kok in de Gereformeerde Gemeenten. Salomons stemde daarin toe en begon met de behandeling van de Heidelbergse Catechismus. Later keerde deze gemeente weer terug naar het verband van de Gereformeerde Gemeenten. Ds. Joh van der Poel wilde ds. Salomons graag als voorganger voor de Oud Gereformeerde Gemeente in Nederland hebben.  Ds. Salomons schrijft daarover het volgende: 'Ik denk nog wel eens aan mijn eerste optreden in Arnhem, na jarenlang ambteloos te zijn geweest in een kring die aansluiting wilde zoeken met de Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Maar nadat ik eerst de verschillende voorgangers dier kerk beluisterd had, kwam ik tot de conclusie dat ik mij nooit thuis zou gevoelen op hun eilandje. Ik brak dan ook volkomen met die groep om aansluiting bij opgemelde kerken te zoeken. Dominee van der Poel vond dat heel jammer, al wilde hij c.s. die groep ook niet meer aanvaarden. Ik stond toen weer buiten alle kerkverband, maar bezwaarde christelijke gereformeerden uit Bussum nodigden mij uit, zonder dat ik direct of indirect om gevraagd had, bij hen voor te gaan, en u weet dat ik toen op raad van ds. Van Minnen, na instituering van opgemelde groep weer in het ambt ben gekomen.' (12)

Een groep bezwaarde leden uit Bussum vormt een Christelijke Gereformeerde Gemeente en ds. J.G. van Minnen bevestigd hem hier in op 9 september 1952 opnieuw in het ambt. Van buitenaf komt hierop de nodige kritiek. Ds. Van Minnen verklaarde over zijn optreden het volgende: 'Ik heb stille vrede over het bevestigen van ds. Salomons. De zegen op de prediking van ds. Salomons in zijn gemeente, de eerbied hem betoond door het beslag dat God geeft en veel meer nog een bevestiging des Heeren van zijn wederbevestiging in de gunste Gods. Een bevestiging waarvoor de Heere mij een objectieve grond in Zijn Woord deed vinden een personele drang en opdracht ook door Zijn Woord en Geest mij gaf. Een bevestiging na een waar schuld belijden, dat men zelden hoort in deze tijd. Een bevestiging na een zeer lange tijd, waarin de vrucht van zijn schuld openbaar kwam in het belijden voor God en de mensen.'(13)

Levenseinde

Na enige tijd in Bussum werkzaam geweest te zijn, is hij nog enige jaren predikant in Hoofddorp. In 1961 gaat hij met emeritaat en gaat in Terneuzen wonen. Als zodanig gaat hij nog wel regelmatig in Delft voor.

Ds. G. Salomons op de preekstoel in Hoofddorp
Ds. G. Salomons op de preekstoel in Hoofddorp

Gezien de grote waardering voor de arbeid van Salomons doet de kerkenraad van Delft het voorstel of de predikant niet met zijn vrouw in Delft wil komen wonen. Op 11 mei 1971 bericht ds. Salomons dat hij de pastorie in Delft niet meer meent te moeten betrekken, vanwege zijn gezondheid. De pastorie aan de Hof van Delftlaan werd daarom verkocht. Tot het einde van zijn leven heeft ds. Salomons nog in de Delftse gemeente gepreekt. In mei 1971 schreef hij: 'Lichamelijk gaat het nog niet al te best met mij, het suikergehalte in mijn bloed is zo toegenomen, dat ik dikke voeten en benen heb en mijn ogen het daglicht niet kunnen verdragen, maar de Heere geeft mij genade om Gode te zwijgen en soms heb ik het zo goed voor mijn hart, dat ik me maar verwonderen moet, dat God in de grote Zaligmaker zo ontfermend Zich nederbuigt naar zo'n schuldig en walgelijk zondaar als ik ben. (..) Hoewel er nu nog geen schijn van kans is, dat we naar Delft kunnen komen om er een zondagje het Woord te bedienen is het toch mijn verwachting, dat de Heere mij nog in de gelegenheid zal stellen om het sacrament des doops te bedienen.' (14) In oktober 1974 preekte ds. Salomons nog over Hooglied 8:6-7 'Zet mij als een zegel op Uw hart, als een zegel op Uw arm; want de liefde is sterk als de dood; de ijver is hard als het graf; haar kolen zijn vurige kolen, vlammen des HEEREN. Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen; ja, de rivieren zouden ze niet verdrinken; al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem te enenmale verachten.' Hierin was het leven van ds. Salomons getekend. Deze liefde heeft hij door genade mogen leren kennen in zijn leven. Een grote zorg was de toenemende dementie van mevrouw Salomons, waardoor ze soms in het donker door Terneuzen dwaalde. Uiteindelijk kon hij niet meer voor haar zorgen. Ds. Salomons rekende het zichzelf alles tot schuld. Hij zei ervan: 'Dat de Heere zijn boosheid op zijn hoofd deed wederkeren.'  (15) Ook moeilijkheden op het kerkelijk erf betrok ds. Salomons op zichzelf:  'Wat mijn zielsgesteldheid betreft; ik spreek niet zo dikwerf en vlot over mijzelf. Vroeger wel, maar sinds jaren niet meer. Altijd doemt het donker verleden bij mij op en dat beneemt mij alle blijmoedigheid. Als de vergeving mijner zonden, hierin moet bestaan, dat men, na inkeer en herstel voortaan weer blijmoedig door het leven gaat, dan vrees ik, dat mij de zonde niet is vergeven. En ja, dan komen ook nog daarbij de bange vragen: had je wel weer je in het ambt moeten begeven; (...) Werkelijk dan kan ik er niet uitkomen. In gesprek en preek houd ik dit alles achter mijn kiezen, want ik vind dat de gemeente Delft daardoor niet gesticht wordt, maar van binnen....?' (16)

Ds. P. Sneep
Ds. P. Sneep

Op 24 februari 1975 is ds. Salomons overleden. De begrafenis vond plaats op zaterdagmiddag 1 maart 1975 in Terneuzen. De begrafenis werd geleid door ds. D.J. van Vuuren,  predikant van de Christelijke Gereformeerde Kerk in Zaamslag. Ds. Salomons kerkte ten tijde van ds. P. Sneep regelmatig in de Christelijke Gereformeerde Kerk van Zaamslag. Vanuit Terneuzen reden hij en zijn vrouw mee met mevrouw Bakker-Dieleman, de weduwe van ds. F. Bakker. (17) Na vertrek van ds. Sneep  werd ds. Van Vuuren diens opvolger. Ook deze kwam regelmatig thuis bij ds. Salomons. Ds. Van Vuuren sprak op de begrafenis van ds. Salomons de aanwezigen toe uit Romeinen 8: 31 tot 39. 'Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt. Wie is het die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt. Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard? Gelijk geschreven is: Want op Uwentwil worden wij de ganse dag gedood; wij zijn geacht schapen der slachting. Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft. Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Heere.' Hierna sprak ouderling A.W. Langstraat van Delft de aanwezigen toe. In zijn toespraak benadrukte hij dat ds. Salomons niet als een dominee is gezaligd, maar als een zondaar. (18)


Fragmenten uit brieven van ds. G. Salomons:


Du fond buskruit

"Als ik soms zo rekkelijk en verdraagzaam schijn, is dat niet volgens mijn karakter, maar vanwege mijn schuldig verleden ik de moed mis om zelf flink op te treden, waar dit wel moest. En denk nu niet, dat zoiets prijzenswaardige ootmoed van mij is, zoals wijlen ds. Van Minnen en misschien Arie Langstraat van mij dacht en denkt, dat is louter mijn minderwaardigheidsgevoel dat mij parten speelt en met genade niets te maken heeft. Du fond [ten diepste] ben ik louter buskruit! (19)


De grote Magneet

Ds. [P.] Sneep is bij ons geweest. Hij kwam afscheid nemen van ons en we hebben samen een zeer aangenaam gesprek gehad over de eeuwige dingen in ons persoonlijk leven. Een oud mens wordt wel eens achterdochtig en meent, dat alle mensen hem maar vergeten, omdat hij oud en gebrekkig is, maar dat wantrouwen was verkeerd van mij. Maar wat is er nu eens niet verkeerd van mij? Trouwens, het is een geheilige zaak om ons vertrouwen op geen enkel mens te stellen, maar dan ook tegelijk de Heere volkomen te vertrouwen voor tijd en eeuwigheid. Ik schreef verleden week aan een vriend van mij in Amersfoort, die zijn vrouw heeft verloren, dat ik maar oud roest ben. Als echter de grote Magneet Jezus Christus weer 't verweerde ijzer van mijn hart tot zich trekt, ja dan mopper ik niet, dan ontwaar ik zoveel ruimte om zalig te worden en gemeenschap met de Heere te hebben, dat de hele wereld weer voor mij vergaan is. Vat u dat? Ik hoop van wel. Leert een mens met smart zeggen: nu kunnen alle mensen zalig worden behalve ik, dan zegt hij: nu kunnen alle mensen zalig worden en Gode zij dank ook ik." (20)


Achterom zien

Nu lazen we laatst een meditatie van wijlen ds. L. Vroegindeweij. [Dit] trof ons toch heel bijzonder: op voor hem heel tere manier schetste hij de blijvende droefheid over de begane afwijkingen. En dan wijst hij op wat Christus zegt van die man, die daar achterom te zien scheve voren in de akker trekt, en Vroegindeweij raadt aan de hand van de tekst, om toch niet immer naar een donker verleden om te zien, maar biddend berouwvol opwaarts te zien en hoopvol uit te zien naar voren over de akker Gods en alzo de ploeg te hanteren. Een onderwijzend, waarschuwend en toch weer bemoedigend woord was dat voor ons als ik in de put zat dat telkens weer boven en bewaart mij voor doffe onheilige wanhoop. Ja, dan kan ik toch weer voort en D.V. met de paasdagen ook in Delft preken!! (21)


Mildelijk geeft

'Weest allen hem bevolen, Die mildelijk schenkt en niet verwijt. Want, ja, wat heeft Hij ons te verwijten, onze ontrouw, aardse bekommering, jeugd en ouderdomszonden, ongeloof en ondankbaarheid. Er staat in de Jacobusbrief, dat hij eigenlijk "zo maar geeft" voor mildelijk, dus zonder ons te laten beloven, dat we beter op zullen passen, zonder ons de pin op de neus te zetten en te zeggen: "dit is de laatste keer hoor, dat Ik je help en doorhelp". Is dat niet groot, is dat niet rijk?' (22)


Lichaam van Christus niet begrensd door het instituut

"We moeten niet denken als zelfs het bestaande instituut der gemeente zou verdwijnen, daarmee Gods Kerk als organisme weg zou zijn. Het 'lichaam van Christus' wordt toch niet begrensd door het instituut. Toen wijlen ds. Van der Schuit jong was heeft hij mij deze voorstelling kwalijk genomen, maar op zijn oude dag is hij dezelfde gedachte gaan voeden." (23)


Vrij-evangelischen

"Ik kreeg ongevraagd en onverwacht van bevriende zijde weer het een en ander te horen over ds. Arntzen. Eigenaardig, hij legt zijn ambt neer, maar blijft voorlopig lid van de Gereformeerde Kerken, raadt de bezwaarden in de Gereformeerde Kerken desnoods te gaan kerken bij de Gereformeerde Gemeenten, Gereformeerd Vrijgemaakten Christelijk Gereformeerden, Gereformeerde Bonders en ..... vrij evangelischen. Nu zijn er lieve zielen onder, die bij hun dood vast bevorderd worden tot heerlijkheid, maar van 'personele verkiezing' en 'radicale doodstaat des mensen' moeten zij meestal niet veel hebben. Althans hun meeste voorgangers niet. Ik heb destijds een leeruitspraak van een van hun voormannen gelezen, die wel wilde weten van een z.g. 'volksverkiezing', maar niet van een 'personele verkiezing', net als de remonstranten uit de dagen van Dordt. Ik heb een ds. [W.E.] van Petegem eens zo sterk horen fulmineren tegen de verkiezing, dat zelfs de meest lichte christelijke gereformeerde ambtsdrager zijn afzetting zou gevraagd hebben."

"Hoe heeft wijlen ds. Berkhof, mijn persoonlijke vriend, in zijn afwijkende doodlopende weg zijn ziel in opgemelde gemeenschap [vrij-evangelische gemeenten] gekweld! Ik weet dat persoonlijk van hem, maar er was geen weg meer [terug]. En de heer Artnzen?? Hij raadt, nog wel desnoods bij die dwaalgeesten ter kerke te gaan. (..) Hij is toch geen onkundige zoekende ziel, die zelfs wel een tijdlang het in het heilsleger kan uithouden?" (24)


Roeping en genadestaat

"In hart en nieren blijf ik van z.g. 'vier en dertig' al kan ik tot op zekere hoogte waardering voor andere kerken opbrengen. En vooral na 1892 werd eerst en allermeest gevraagd naar genadestaat en roeping, dat deden we zelfs bij de overkomst van wijlen ds. G. Wisse." (25)


Van boven geleerd

"Kan (...) als hij eenmaal in onze kerkelijke kring is opgenomen (...) van ons niet leren hoe hij bevindelijk preken moet? Dat heeft men destijds ook van een zekere dominee Thymes [ds. J. Thijmes, in 1936 overgekomen vanuit de Gereformeerde Kerken E.L.] gezegd en ook van anderen. Maar de hoorders, die horen konden, hebben het ook wel gemerkt, dat het ook op z.g. bevindelijk gebied maar wouwelaars en papagaaien waren."

"Schriftuurlijk bevindelijk preken moet van boven geleerd worden, dus door Woord en Geest, en die er maar een weinigje van geleerd hebben, achten zichzelf nog maar broddelaars en sukkelaars. (...) Nou, nou dat hadden we van die oude meegaande man toch niet gedacht. Denkt hij soms, dat hij zo goed preekt? Leg die vraag maar aan Gods troon neer, daar zijn afdoende antwoorden te verkrijgen. Een mens denkt soms dat hij gering van zichzelf denkt, terwijl het louter minderwaardigheidsgevoel is, dat hem beheerst." (26)


Wetenschapsvragen

"Vanmorgen ontving ik van bevriende zijde een bundeltje tijdschriften, kerkbladen etc.. Daarin trachten wetenschappelijke mensen op wetenschappelijke gronden aan te tonen, hoe onhoudbaar die z.g. wetenschappelijke conclusies zijn van geleerden om het bijbels verhaal omtrent schepping, enz. in twijfel te trekken. Toen ik er een poosje in gelezen had heb ik het maar aan de kant gelegd; dat alles interesseert mij niet meer, Als oud man leef ik veelmeer bij het verleden, dan bij het heden: het gevolg daarvan is, dat mijn preken veel minder dan destijds in Amsterdam, waar [ds.] Buskes nog al wat van onze bestudeerde mensen jonge mensen trok, up to date zijn. De kerkenraad moet maar goed voor ogen stellen, dat jongelui van andere kerken in mijn preken geen enkel antwoord op hun wetenschapsvragen krijgen (..) dat misschien de niet ontwikkelde oudjes nog wel wat gesticht kunnen worden." (27)


Nieuwe Vertaling

"Ik merk uit uw schrijven, dat u de betogingen van sommigen inzake de m.i. gegronde bezwaren tegen de Nieuwe Vertaling nu niet met zo'n groot genoegen geluisterd hebt, nu dat zou ik ook niet gedaan  hebben. Ik heb ds. van der Poel en Mieras e.a. wel meermalen horen preken, en dan verliet ik de kerk, zeg maar met gemengde gevoelens. Er wordt van die zijde door sommigen wel wat al te veel geschetterd met grote woorden en afkeurende gezegden, die ook geen kant nog wal raken, maar opgemelde sprekers doen zelfs met hun beste bedoelingen m.i. niet veel goed aan de zaak. Verder moeten we maar denken: ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is en het gehoor moet proberen met onderscheidingsgave te luisteren, zowel naar de voorstanders als naar de tegenstanders van de Nieuwe Vertaling. Of het gehoor, dat in die kerk aanwezig was, dat kon opbrengen weet ik niet. Ja de Gereformeerde Gemeenten, vooral synodaal hebben de wind in de zeilen en m.i. is echter ook het gezegde van toepassing: wie de naam heeft van vroeg opstaan, komt nooit te laat." (28)


Verschillen

'Het is waar dat zelfs in kringen en in kerken die zo dicht bij elkander moeten staan groot wantrouwen en verdeeldheid heerst. Hier in Terneuzen is een grote gemeente van de richting Dr. Steenblok en een kleinere van de z.g. synodale Gereformeerde Gemeenten. In Woord en geschrift bestrijden ze elkander zo hevig en met zoveel hartstocht, dat de eene kerk van de andere zegt dat ze een dwaalleer aanhangt en zelfs de zaligmakende genade aantast. Ze zijn heel blij, dat ze gescheurd zijn (*), ze spreken van verkapte drieverbonders, n.l. dat zijn de synodalen andersom verwijten ze elkander ziekelijkheid en doordrijverij. Van hoe andere gezindheid was toch wijlen ds. [F.] Bakker. Alhoewel oorspronkelijk van de Gereformeerde Gemeenten, die nu onlangs hebben uitgesproken, dat vereniging met de Christelijke Gereformeerde Gemeenten [Kerken] niet kan, omdat die kerk de drieverbondenleer aanvaart was ds. Bakker een uitgesproken drie-verbonder. en daarom bleef hij liever Christelijk Gereformeerd dan ooit naar de Gereformeerde Gemeenten over te gaan. In onze veelvuldige gesprekken was hij het met ons gematigd twee-verbonder zijn niet eens en toch bleven wij... vrinden. Inzake de korte-haar kwestie was hij het niet met ons eens, want hij zag in [1] Korinthe [11] geen absoluut gebod van de Heere aan Zijn kerk, wat ook de Gereformeerde Gemeenten niet doen en toch bleven wij vrinden. Hier in Terneuzen [in de Gereformeerde Gemeente] zitten veel jongere en oudere vrouwen met soms zeer kort haar in de kerk, maar met een hoedje op. Daar draait het in deze kerk weer om dat hoedje. De oude blinde ds. Juch [Jacob Juch 1819-1883. Groeide op in Den Helder, waar hij op 28 mei 1850 werd aangesteld als catechiseermeester en krankenbezoeker. Op de Algemene Vergadering van de Gereformeerde Gemeenten onder het Kruis  op 7 oktober 1851 in Oosterend werd Juch volgens artikel 8 van de D.K.O. toegelaten tot het ambt van herder en leraar, Zie 'Predikanten en Oefenaars' (1988), deel I blz. 113-116. Bijdrage J. Mastenbroek.] van de Kruisgemeenten van weleer, zei eens in een preek, inzake al die verschillen: best mogelijk dat de gezaligden in de hemel elkander glimlachend aankijken en zeggen: waar hebben we ons druk over gemaakt?"(29)


Pluriformiteit

"Nog altijd krijgen wij in de zomermaanden veel bezoek van oude kennissen en vrienden; onlangs is oud-zendeling Geleijnse  [* Maarten Geleijnse, geboren 17 maart 1893 te Zierikzee geboren. Op 11 november 1930 werd ds. Geleijnse te Hoogeveen in het ambt van missionair dienaar des Woords bevestigd. Vanuit Hoogeveen werd hij uitgezonden naar het eerste zendingsterrein van de Christelijke Gereformeerde Kerken: Torajaland E.L.] nog een maandagmorgentje geweest. Des zondags preekte hij in Zaamslag en we hebben hem met genoegen beluisterd; een bevindelijk spreker, maar helemaal niet z.g. doorgezakt. Wat heeft die man daar in Celebes ontzaglijk veel meegemaakt. Hij en zijn vrouw, drie jaar in het Jappenkamp gezeten, ver van elkander verwijderd en in zeven jaar elkander niet gezien. Hij is menigmaal door rebellen met de dood bedreigt en toch wonderlijk door de Heere uit gered en bewaard. Hij is nu al boven de zeventig en preekt nog fors en opgeruimd. De schotjes-geest tussen kerken en kerkjes zoals hij dat in ons land waarneemt trekt hem niet aan, al is hij wel sterk voor een kerkelijk geordend leven. Maar daar op de zendingsvelden verdraagt en waardeert men elkander meer en zoekt voor zover dat kan ook naar gemeenschap. Eerlijk gezegd, net een man naar mijn hart, erkennend de pluriformiteit in de openbaring van het ene lichaam van Christus." (30)


Eenheid van Gods kinderen

"Ik ben het eens met wat wijlen Ds. De Lind van Wijngaarden [**] ergens schreef: met vele lieve kinderen van God zullen we eenmaal in de hemel gezamenlijk Gods lof verkondigen, maar hier op aarde met ze samen te leven, ook kerkelijk, dat is nu eenmaal vanwege het feit der zonde gewoonweg onmogelijk." (31)


In de zee van Gods ontferming

"Zie ik ben zelf ook niet zo'n hoog-kerkelijk mens; ik geloof zelf dat de Heere wonen en werken wil in kerken en kringen, waar ik mij niet thuis zou voelen (...) Ik denk altijd maar weer aan mijn preek als student in Amersfoort, verschillende kerken en groepen van uitgesproken rechtzinnige belijdenis hebben als eilandjes in de oceaan gezamenlijk een zelfde bodem, diep, heel diep in de zee van Gods ontferming." (32)



Noten

(1) D. van Arkel, Ds. J. Slagboom, J.C. Westeneng, Van Trouw en Genade, Herdenkingsboekje Chr. Geref. Kerk Soest ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de gemeente (1998)
(2) Oude Paden, 01 juni 2000
(3) C.M. van Driel, Het volk zonder applaus: De receptie van Karl Barth in hervormd-gereformeerde en christelijk-gereformeerde kring, pagina 166.
(4) In het Spoor, nr. februari 2012, Artikel over ingestelde SGP commissie artikel 36
(5) Zie voor een uitgebreide beschrijving van de hoogleraarsbenoeming in de vacature Lengkeek het boek Consolidatie en crisis, De Christelijke Gereformeerde Kerk tussen 1918 en 1945, blz. 187-203 (C.M. van Driel, 2018)
(6) Brief, 1 maart 1975
(7) Brief, 1 maart 1975
(8) Lieven Stoffel den Boer, geboren 30 april 1898 in Middelharnis. Werd predikant in 1931 in Leerdam. In 1934 werd hij predikant in Arnhem en in 1940 werd hij de opvolger van ds. Salomons in Amsterdam-West. Hier verbleef hij tot zijn vertrek in 1946 naar Den Haag. Zijn laatste gemeente was Sassenheim. Hij overleed in het Bethel-ziekenhuis in Delft in 1979. Door de jaren heen veranderde ds. Den Boer theologisch enigszins van kleur. Evenals Prof. Wisse wist hij van zichzelf dat hoogmoed hem regelmatig behoorlijk parten speelde. Ds. Den Boer had een verstandelijk beperkt kind. Als hoogmoed hem kwelde bracht God hem door middel van dit kind weer aan de grond naar zijn eigen zeggen.
(9) Brief, ds. Van Minnen aan ds. Visser Mzn. (1959)
(10) Contra J.P. Neven, In koninklijke dienst, red. L. Vogelaar (2017), pagina 162.
(11) Brief, 1 maart 1975
(12) Brief,
(13) Brief, ds. Van Minnen aan ds. H. Visser Mzn. (1959)
(14) Brief,
(15) Mededeling ds. D.J. van Vuuren
(16) Brief,
(17) Mededeling ds. D.J. van Vuuren
(18) Verslag begrafenis ds. Salomons
(19) Brief,
(20) Brief,
(21) Brief, 4 maart 1970
(22) Brief,
(23) Brief,
(24) Brief, 4 maart 1971
(25) Brief,
(26) Brief,
(27) Brief, 4 maart 1971
(28) Brief,
(29) Brief,
(30) Brief,
(31) Brief,


Uit: De Open Deur, Geschiedenis Christelijke Gereformeerde Gemeente in Nederland. H. 2.2. en 3.2. 

Laatst herzien en uitgebreid maart 2020

Samenstelling E. Lodewijk