Deel 2

Gerard Salomons (1890-1975)

Biografische schets

"Het spreekwoord zegt: 'Actie werkt reactie.' Nu geloof ik nog niet, dat ik daarom wat weg heb van dat beest met die lange oren; trek je hem aan de staart, dan loopt hij vooruit, trek je hem aan zijn lange oren, dan wil hij achteruit. Maar gesprekken in broederlijke zin laten toch wat na, al was het maar om eigen standpunt wederom ernstig onder het licht van Gods Lamp te onderzoeken. Zulk een onderzoek kan een mens aantonen dat hij fout is, maar het kan ook een bevestiging zijn van het gevoelen dat men reeds jaren had."


G. Salomons


"Vandaag aan de dag is dat woord 'tijdgebonden' een echt modewoord geworden van vele hedendaagse theologen, om aan de betekenis van het sabbatsgebod te knagen en om te kunnen verdedigen, zogenaamd met de Schrift in de hand, dat het zelfs de roeping der kerk is, om de vrouw in de kerk tot de ambtelijke bediening toe te laten. Zo stelen die theologische vossen de rechte betekenis van de uitspraken van Gods Woord weg en wat houdt men dan over van het eeuwig blijvende Woord van God? De kaft, beste lezers, niets anders."


G. Salomons

Het kerkgebouw aan de Lauriergracht in Amsterdam-West
Het kerkgebouw aan de Lauriergracht in Amsterdam-West

Dinsdagmorgen, 30 Juni, vergaderden Curatoren met Hoogleraren in verband met de examina. Bij ontstentenis van een President en Vicepresident (Ds. J. van den Berg was emeritaat verleend en Ds. A. M. Berkhoff was uit het ressort der Part. Synode van het Midden vertrokken), opende de secretaris de vergadering met gebed en het lezen van Psalm 25. waarvan ook het 2e vers was gezongen. Den Broeders werd een hartelijk welkom toegeroepen, inzonderheid Ds. W. Bijleveld, die door de Part. Synode van het Midden, en Ds. G. Salomons, door de Part. Synode van het Zuiden tot Curatoren benoemd. Dankbaar werd gememoreerd de jarenlange arbeid der afgetreden Curatoren en inzonderheid over Ds. J. v.d. Berg het goede des Heeren begeerd in verband met lichaamszwakte, waardoor Z. Eerw. aan de ambtelijke bediening is onttrokken. Het moderamen wordt thans saam gesteld. Tot president wordt Ds. P.J. de Bruin van Veenendaal aangewezen, terwijl Ds. L. de Bruyne als assessor optreedt. Het scribaat wordt weer toevertrouwd aan Ds. J.W. Geels, die in Ds. A.H. Hilbers zijn adjunct ontvangt.


De Wekker, 10 juli 1931


Over een veelheid aan onderwerpen heeft ds. Salomons geschreven: over zending, evangelisatie, Bijbelvertaling etc. In jaarboekje van 1936 schreef hij over 'de zin van het leven.'

De zin van het leven

"Ons hart is onrustig in ons, totdat het ruste in U, o God!" (Augustinus) De gevallen mens, afgesneden van de oorsprong des levens, dolend buiten de gemeenschap met God, heeft nu eenmaal een driekanthart, dat met deze ronde wereld nimmer te vervullen is. Geef de mens, zoals nu, al de schatten van de cultuur en de beschaving, dan nog, ja des te meer, gevoelt hij zich arm, leeg, ongelukkig; hunkerend naar hetgeen hij derft. Dat was zo, dat is zo en dat blijft zo tot aan het einde der wereld. (...) Er rijst voor de mens, die de achtergrond van zijn leven, d.i. God, en wel God in Christus, niet kent grote twijfel aan de zin van het leven. (...) De mens, die met God gebroken heeft, heeft geen inzicht meer in de zinvolle samenhang van eigen leven, omdat hij God niet erkent als laatste grond des levens en als doel des levens. (...) Als de zin van het leven het leven zelf is, en er geen hogere diepere bedoelingen met het leven bestaan, welnu, dan kan de moderne wereld-mens tevreden zijn. Maar zijn twijfel vraag: 'Is er wel een zin van het leven?', zijn levensangst, verraden, dat de mens meer is dan vlees en bloed, dat hij ook nog geest is, dat hij oorspronkelijk van hoge komaf, van Gods geslacht is, dat hij een oneindige bestemming heeft." (...) 'Kom en zie!' (Filippus tot Nathaniël) deze nodiging houdt in... de mens aan te tonen zijn grote nood buiten Jezus, hem te prediken het waarachtig geluk in Jezus. (...) Het enige wat de mens, die de zin van het leven niet meer kent, redden kan is radicale, principiële levensvernieuwing. Geen zedelijke verbeteringen, geen godsdienstige stemmingen, ook geen zielswringingen, noch humanistische, dus louter menselijke strevingen, maar waarachtige bekering tot God is het medicamentum probatum." [*] 


"Jezus zond zijn discipelen de wereld niet in om te disputeren, maar om te getuigen. Ze moesten spreken als mensen, die er bij geweest waren. Waar bij geweest? Wel, bij Jezus, bij Jezus' wonderdaden, bij Zijn genade-betoon. Zo moet nog de evangelist getuigen als een, die er bij is geweest, dat wil zeggen, als een, die 't niet van "horen zeggen" of door een uit het hoofd geleerde les heeft, maar die persoonlijk de Heere Jezus door het geloof in het gewaad van Zijn Woord ontmoet heeft en Hem nog gedurig ontmoet." G. Salomons [*]
"Jezus zond zijn discipelen de wereld niet in om te disputeren, maar om te getuigen. Ze moesten spreken als mensen, die er bij geweest waren. Waar bij geweest? Wel, bij Jezus, bij Jezus' wonderdaden, bij Zijn genade-betoon. Zo moet nog de evangelist getuigen als een, die er bij is geweest, dat wil zeggen, als een, die 't niet van "horen zeggen" of door een uit het hoofd geleerde les heeft, maar die persoonlijk de Heere Jezus door het geloof in het gewaad van Zijn Woord ontmoet heeft en Hem nog gedurig ontmoet." G. Salomons [*]

Misschien moeten wij in onze preken en geschriften en onderlinge gesprekken menige voorstelling herzien, dat wij van 't woord bevinding gegeven hebben. Maar wellicht wordt bij de betrachting dezer dingen, onze godsdienst wat minder zoetsappig en week. Misschien gaan we daardoor, wat minder met onze z.g. bevinding dwepen! Werkelijk, dat zou winst zijn, al moeten we veel van hetgeen wij liefkoosden door verliezen. Want we gaan de catechismus verstaan, die spreekt van een verzekerd worden uit de vruchten des geloofs. (..) Onderzoek zelf het verband maar eens tussen Romeinen 5 en opgemelde gedachte van onze catechismus. Deugd het woord bevinding niet in het raam van Romeinen 5? Dat zou ik niet graag beweren. Als men met het woord bevinding maar bleef binnen de grenzen van zijn betekenis. Bevinden w.z. iets als resultaat van een waarneming, een onderzoek vast stellen (zie van Dale's woordenboek), bevinding is dus de uitkomst van een onderzoek. Bevinding in het godsdienstig leven is dus een zich bewust worden van de echtheid, de beproefdheid van het geloof. En deze zielstoestand verkrijgt men uit de standvastigheid des geloofs en wordt gewerkt door de Heilige Geest, die ons in de spiegel des Woords aantoont, wat de genade Gods in en aan ons vermocht. Maar zo verstaan wordt de bevinding niet het relaas van allerlei niet te controleren gemoedstoestanden, nog minder het fundament van de zaligheid. Wel is en blijft de bevinding tot het subjectieve deel van onze godsdienst behoren, maar dan toch zo, dat ze haar inhoud en stem ontleent aan de objectieve gegevens van de Heilige Schrift. Had men maar goed op de betekenis van het woord bevinding gelet, de valse mystiek zou het niet binnen haar terrein gebracht hebben. Wel is er geen geestelijk leven zonder mystiek, en derhalve ook niet zonder bevinding, maar wat wij bij onszelve bevinden, moet zijn naar de Schrift, en uit het geloof in de openbaring Gods.

G. Salomons


Historisch materialisme

"Het historisch materialisme, in de grond van de zaak atheïsme, wil niet weten van een onsterfelijke geest, die op God aangelegd is. De dwaas zegt in zijn hart: daar is geen God! De z.g. indruk van God is teruggang naar de onbeschaafde tijden. De z.g. kennis van God is een fictie. De hemelen vertellen niet meer Gods eer, noch het uitspansel zijner handen werk; zij spellen veeleer de namen van Newton en Laplace, beroemde wis- en sterrenkundigen, die ons geholpen hebben het oog naar de zichtbare dingen te richten. Boven de sterren is voor ons niets. Dus ons ideaal is en blijft beneden de sterren. En ziet, beneden de sterren vinden we toch niet, wat ons hunkerend hart bevredigen kan. Is 't wonder, dat de mens pessimist wordt."[*]


G. Salomons

Hyperbeschaving

"Sociale ontevredenheid vindt men zelfs bij de meeste primitieven, die van de vruchten der beschaving weinig afweten, maar men vindt haar toch het meest en dan wel zeer geraffineerd bij hen, die in de vruchten der beschaving delen. Vooral in de dagen van hyperbeschaving openbaart ze zich het meest."[*] 


G. Salomons



Noten

[*] Jaarboekje Christelijke Gereformeerde Kerk 1936

[*] Evangelisatie VI, De Wekker 12 januari 1934

[*] Sociale ontevredenheid, De Wekker 7 december 1934

[*] Sociale ontevredenheid, De Wekker 7 december 1934

Oude schrijvers

Naar aanleiding van een onderzoek dat ds. Salomons deed naar hetgeen gelezen werd door de wat oudere jeugd schreef hij het volgende: "Leest men onder ons weinig geschiedenis, nog veel minder worden de z.g. oude schrijvers gelezen. Ik bedoel met oude schrijvers de stichtelijke natuur en meer dogmatisch getinte werken van mannen als Comrie, Boston, Erskine, Marshal, Owen, Lampe, enz., enz., te veel om op te noemen. Er zijn maar enkele lijsten, waarop namen als Bunyan, Boston, Huntington e a. voorkwamen. Het blijkt èn uit de lijsten èn uit mondeling onderhoud, dat onze jonge mensen de z. g. n. oude schrijvers niet kennen, en daarom wellicht niet beminnen! Wat moet men van zo iets nu denken? Directweg veroordelen? Zo maar zeggen: dat komt, omdat de jongere generatie zo licht, zo oppervlakkig, zo geestelijk dood is? Dat is natuurlijk de gemakkelijkste weg, om uit enkele gegevens maar één conclusie te trekken, maar of die conclusie daarom wel de juiste is? 

Laat ik beginnen met te zeggen, dat het lezen van oude schrijvers altijd niet datgene oplevert, wat u er van verwacht. Velen dwepen met de oude schrijvers, alhoewel ik mij afvraag: Kennen zij ze wel, lezen zij ze wel waarlijk? Men roemt ze, omdat anderen ze roemen. Men prijst ze, omdat het degelijk, zwaar op de hand schijnt. Ook ontmoet ik wel eens door en door lijdelijke christenen, die de werken van Owen en Erskine roemen, alhoewel de auteurs zich in hun werken op alle mogelijke manier tegen lijdelijkheid verzetten. Werken van Lampe en Teelinck bieden eigenlijk veel meer aan dergelijke eenzijdige christenen. 

Velen lezen de oude schrijvers door hun eigen bril, en leggen bedoelingen in hun gezegden, die van de lezers, maar niet van de schrijvers zijn. Vooral hier in de omtrek ontmoet ik nog al eens van die mensen. Uit preken van Groenewegen lezen ze, dat thans de z.g.n. bediening des Geestes is opgehouden; uit de werken van Brakel, dat alle verenigingsleven uit de boze is; uit de werken van Love, dat er geen kerk meer is. Hoe ter wereld is het mogelijk, dergelijks nonsens uit bovengenoemde schrijvers te distilleren? Onze jongelui komen met dergelijke knoeiers in aanraking, horen de oude schrijvers aanhalen, en .....halen de schouders op! Geen wonder, dat men smalend spreekt over hetgeen mannen als Comrie en Brakel eens schreven. In zoverre is onze jonge-mensen niets te wijten.

Het is echter wat anders, wanneer men bovengenoemde werken gelezen heeft en dan verachtelijk er over spreekt. Dat verraad m.i. toch een tekort aan geestelijke diep gang. Zulke mensen ontmoet ik ook! Ze hebben alle oude schrijvers op de rommelzolder geborgen. Ik vrees, dat dezulken de zware kon niet verdragen kunnen; ze hebben liever vervalste melk, melk met wat water er bij. 

"Maar, domine," zo hoor ik iemand zeggen, "het lezen van ellenlange verhandelingen en geestelijke verklaringen vergt toch al te veel van onze gejaagde en nooit tijd hebbende mensen." Dat geef ik toe. Met name onze vaders, levend ten tijde van de trekschuit, vergen ontzaglijk veel van uw geduld. En als u de preken van Erskine voor u neemt, waarvan sommige over de honderd bladzijden tellen, ja, hoor, dan wordt ge wel eens even kriebelig en zucht bij 't voorlezen: "nog al meer." De eigenlijke Schriftverklaring is bij sommige schrijvers o zo pover, de z.g.n. toepasselijke uitwijding verbazend breed. Dat is een wezenlijk gebrek bij velen der ouden. 

Daar staat echter tegenover, dat het z.g. bevindelijk element echte kost is voor een mens, die door genade geleerd heeft, dat de lijdzaamheid bevinding werkt. Over Gods ontmoetingen, over geloofsonderhandelingen en -oefeningen schrijven onze tegenwoordige schrijvers maar al te weinig. Het z.g.n. standelijk leven der gelovigen met zijn eb en vloed, met zijn trappen schakeringen, verschijningsvormen, zie... dat wordt tegenwoordig niet meer beschreven Trouwens, daaraan schijnen de meeste christelijke lezers, ook uit onze kringen, niet de minste behoefte te hebben.

Ds. G. Salomons
Ds. G. Salomons

"Het z.g.n. standelijk leven van de gelovigen met zijn eb en vloed, met zijn trappen schakeringen, verschijningsvormen, zie... dat wordt tegenwoordig niet meer beschreven Trouwens, daaraan schijnen de meeste christelijke lezers, ook uit onze kringen, niet de minste behoefte te hebben."

"Ze hebben alle oude schrijvers op de rommelzolder geborgen. Ik vrees, dat dezulken de zware kon niet verdragen kunnen; ze hebben liever vervalste melk, melk met wat water er bij."


Dat blijkt ook wel uit de gesprekken. Als het gaat over allerlei beuzelachtige dingen, desnoods over politiek en kerkelijke dingen, ja, dan komt men nog even in actie, maar.... spreek eens over het zalige en zoete omgangsleven met God! Opeens staat de wagen stil, 't gesprek verstomt, en men ziet u aan, alsof ge een mens uit de vorige eeuw bent. Is het wonder, dat zulke kringen de oude schrijvers niet kennen en ze maar 't liefst niet willen kennen daarbij? Nog eens, het gaat niet aan, ons maar avond aan avond over die zware folianten gebogen te zitten. Daar hebben onze jonge mensen geen tijd voor. De voorbereiding voor de komende levenstaal eist al zo ontzaglijk veel. (...) 

Vergeet echter niet, dat vele stichtelijke werken reeds uit een oudere druk in de tegenwoordige spelling zijn overgezet: dat er toch ook kleinere geschriften zijn, die u in een avond of wat gemakkelijk kunt uitlezen. Werkjes van Gray, van Boston, van Binning, van Bunyan, enz. enz. zijn er toch ook. Ze lezen prettig en geven u iets kostelijks voor de ziel. (...) 

Als iemand geen trek heeft in de oude schrijvers, moet u ze nooit aan hem opdringen; laat hem de nieuwere schrijvers, mits ze niet schadelijk voor de ziel zijn gerust lezen. Alleen maar... stelt hem wel in de gelegenheid om de ouderen te lezen; laat uw verenigingsbibliotheek ze toch vooral niet opdoeken: als u jeugdleider bent, leg een keur voor ze aan, onder de oude schrijvers en spreek met de jonge mensen over 't nut, dat u ziet in die boeken. Toon ze aan, waarom en in welke zin de oude wijn boven de nieuwe te verkiezen is. Er mocht in onze kringen wel wat meer liefde gekweekt worden voor het boek der ouden."[*]  


Noten

[*] Wat leest gij?, De Wekker 3 juli 1925 

Bijbelvertaling 

De vraag naar een nieuwe vertaling [kan] niet maar stilzwijgend voorbijgegaan. De wenselijkheid van een nieuwe vertaling sprak enkele jaren geleden in de Gereformeerde Kerken reeds zo luid, dat de synode van deze kerken een commissie benoemde, die zich ten doel gesteld zag een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheid van een nieuwe vertaling. De commissie kwam o.m. tot de conclusie, dat zeggen en doen twee zijn. Zij oordeelde, dat niet alleen wetenschappelijke voorbereiding, maar ook geestelijke rijpheid en vrome inspiratie nodig is voor zulk een groots werk. Heel veel verder is men dus in de Gereformeerde Kerken nog niet gekomen. Moge er al veel wetenschappelijke voorarbeid verricht worden, denk slechts aan de serie: 'Korte verklaring der Heilige Schrift, met nieuwe vertaling', bewerkt door verschillende gereformeerde theologen, een synodale bijbel hebben ook de Gereformeerde Kerken nog niet. De Christelijke Gereformeerden komen ook in deze gelegenheid weer een beetje achteraan. Laat men ons daaromtrent nu niet al te hard vallen, want zoiets behoort misschien tot de gebreken onzer deugden. Wij willen nu eenmaal niet te haastig zijn. Gelukkig indien we daarbij ook niet te traag zijn. Want dat er aan een nieuwe Bijbelvertaling nog heel wat vast zit, zeggen alle mannen die ter zake kundig mogen genoemd worden. Afgedacht van de vraag, of het wenselijk is, dat omtrent deze kwestie de kerken van gereformeerde gezindheid elkander nader verstaan, om zodoende tot een meer gemeenschappelijk werk te komen, liggen op dit terrein nog andere moeilijkheden, waarover men niet met een paar zevenmijlslaarzen aan kan heenstappen. Wil men kerkelijk een nieuwe vertaling invoeren, dan zal men toch iets moeten aanbieden, wat werkelijk beter is dan de oude vertaling. Ter wille van een kleine verbetering mag geen kerk zulk een verantwoordelijk werk op de hals halen. Als ik wijs op de moeilijkheden voor een nieuwe vertaling, ga ik u niet vertellen van de wetenschappelijke literaire moeilijkheden, die er zijn. Wellicht zou ik gaan in Sauls kleding, die mij toch niet paste. Wie daar meer over wil weten, lezen maar eens bladzijde 86 en 87 uit het prachtige boek van dr. Wielenga 'De Bijbel als boek van schoonheid'. (..) 

Als wij onze tijd vergelijken bij dien, toen de Statenvertalers aan de arbeid togen, dan moeten we toch een grote achterstand constateren. Mogen we op wetenschappelijk gebied zeer vooruit zijn gegaan, op godsdienstig gebied, met name op het terrein van de godzaligheid reiken we toch niet tot aan de heup onder vaderen. Ik weet wel, toen was het ook niet al goud wat er blonk, ook duurde dat z.g. bloeitijdperk maar o zo kort. De krachtige invloed van de reformatie liet zich echter gelden. Daarom is voor opgemeld werk nodig een nieuwe reformatie. Er is ongetwijfeld nodig een buitengewone werking van de Heilige Geest in de harten der theologen, ja, maar ook van het gewone volk. In de harten van de Bijbelvertalers, opdat zij een wetenschappelijk en geestelijk contact krijgen met de ziel van de Oosterse taal waarin het de Heere beliefde, Zijn heilige mannen te laten schrijven. Anders zouden we een Bijbel krijgen, die als letterlijke vertaling zeer nauwkeurig is, maar waarin niet de geest ademde, die nog duidelijk merkbaar is in onze Statenbijbel. Maar ook het gewone volk in kerkelijk Jeruzalem zal een innerlijke reformatie moeten meemaken, anders vindt de beste en meest godvruchtige vertaling geen ingang in de harten des volks. 

Men heeft omtrent de al of niet noodzakelijkheid van uitbreiding van de belijdenis gezegd en geschreven, dat een belijdenis niet moet gemaakt, maar geboren worden. In nog veel strenger zin, mag dit wel van een nieuwe, door de kerk gegeven of gesanctioneerde Bijbelvertaling gezegd worden. Zulk een nieuwe vertaling moet geboren worden. Hij moet een kind zijn van bange weeën, voortgebracht uit de godvruchtige moederschoot van Jezus' kerkbruid. Anders zal zulk een vertaling, als de kerk er haar kerkelijk zegel op drukt, wel verwarring, maar geen verheldering, wel tweedracht maar geen eendracht te weeg brengen. Eigenlijk pleit het dus niet voor ons, dat een nieuwe kerkelijke Bijbeluitgave met nieuwe vertaling m.i. nog niet wel mogelijk is. Het spreekt van onze zonde en ellendigheid. Onze geesteloosheid, onze verachtering in de genade, onze kleur- en fleurloosheid, onze enghartigheid en verdeeldheid, m.a. w.... wij zelf, staan zulk een gewenste nieuwe vertaling in de weg. 

Nu kan, dat spreekt van zelf, ook een ander groot lichaam ons een nieuwe Bijbelvertaling bezorgen. Het Bijbelgenootschap kan kundige en godvruchtige mannen aanzoeken voor dit werk. Zo goed als zij den bijbel in het Maleisch liet vertalen, enz. kan zij of een bestaande nieuwe vertaling aanvaarden of iets heel oorspronkelijks tot stand laten brengen. Ik ben echter niet terzake kundig genoeg om te beoordelen of dit direct tot haar competentie behoort. Wel blijft het m.i. een open vraag, of de kerken genegen zullen zijn zulk een vertaling maar voetstoots te aanvaarden. Ook zou de kwestie van al of niet kerkelijke medewerking met het Bijbelgenootschap onder 't oog moeten gezien. Voorts kan men vragen, welke kerken zullen hier kunnen meewerken en kan het werk van vogels van zo diverse pluimage wel ooit door, zeg maar, de gereformeerde gezindheid aanvaard worden. Doch genoeg. Vragen stapelen zich hier op vragen. Dat echter binnen afzienbaren tijd elke kerk, dus ook de onze, voor dergelijke vragen gesteld zal worden, is m.i. geen denkbeeldige zaak. Als het zover komt, moge het hart dan bereid zijn om alleen dien weg te willen bewandelen, die het meest strekt tot de vernedering van al wat uit het vlees (ook uit het vrome vlees) is, en die tevens leidt tot de echte godvruchtige grootmaking van 's Heeren naam.
Voorshands make men zich echter niet nodeloos ongerust, alsof we met onze Statenvertaling in een z.g. noodstand verkeren. Wie overdrijft, schaadt de zake van 's Heeren kerk. Ook met de Statenvertaling wil de Heere door Zijnen Geest zondaarsharten trekken en godvruchtige zielen vertroosten. Maar in die Statenvertaling staat ook: Zo dan, mijne geliefde broeders, zijt standvastig, onbeweeglijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in den Heere.

Noten

[*] De Wekker, 8 november 1929 - 27 december 1929

Jezus wenende

Ds. G. Salomons

"En als Hij nabij kwam en de stad zag, weende Hij over haar, zeggende: Och, of gij ook bekende, ook nog in deze uw dag, hetgeen tot uw vrede dient. Maar nu is het verborgen voor uw ogen." Lucas 19:41,42

In zijn lijdensprofetie heeft Jesaja ons de Heiland voor ogen gesteld als een Man van smarten en verzocht in krankheden. Als een Man van smarten - zo is Hij gezien, toen Hij op Golgotha aan het vloekhout hing, beladen met de zonde der wereld. Als een Man van smarten - zo hebben de drie vertrouwelingen Hem zien kruipen als een worm in het stof van Gethsemané. Maar als Man van smarten is Hij ook gezien, toen Hij op Palmzondag over de groene heuvels, omstuwd door een jubelende schare naar Jeruzalem trok. Onderwijl de schare Jezus met luide hosanna's begroet, komt er een deputatie uit de farizeeën van Jeruzalem met het ernstig verzoek: "Meester, bestraf uwe discipelen!" Hun verbeten woede kan het niet aanhoren, dat Jezus zoveel hulde ontvangt, maar zij doen het voorkomen, alsof ze het voor Jezus' veiligheid opnemen. Ze willen zeggen: "als de discipelen u, in de schaduw van de Romeinse burcht in onze stad, zo luid als koning uitroepen, wordt de achterdocht van de vreemde overheerser gaande en zou de Romein u wel eens als oproerling tegen zijn gezag kunnen beschouwen en dan zijn voor u en de uwen, ja voor ons allen de gevolgen niet te overzien." Jezus onderkent hun geveinsdheid en ziet in de waarschuwing van de farizeeën een voorteken van wat niet de Romein, maar de Jood te Jeruzalem Hem doen zal. En als Hij nabij de stad kwam en de stad zag, weende Hij over haar. Jezus heeft wel meer geweend tijdens zijn omwandeling op aarde. Als Hij bij Lazarus' graf staat, weent Hij ook. Toen, bij dat graf van zijn vriend, waren het stille tranen, die de ene na de andere, langs de bleke wangen lekten. Maar nu breekt Jezus in heftig snikken los, zoals de grondtaal ons zegt. Geweldig is Jezus' smart. Zoals men weent bij het sterfbed van een dierbaar pand. Een smart, waarbij het hart dreigt te breken van droefheid. Hij weende over haar! Over zijn eigen leed heeft Jezus niet geweend, naar wij weten.

Hij is geslagen, bespot, gegeseld, gekruisigd, maar geen tranen sprongen uit zijn ogen. Als wenende vrouwen Hem nalopen naar Golgotha heen, wijst Hij haar tranenvloed zelfs af met het: "weent niet over Mij, maar over uzelf." Maar over Jeruzalem heeft Hij geweend.

Hij heeft niet geweend, toen Galilea Hem verwierp. Hij heeft niet geweend, toen Chorazim Hem verwierp. Maar, toen Hij Jeruzalem zag, toen weende Hij. Waarom wel over Jeruzalem? Jeruzalem is de koningsstad. Daar heeft Davids troon gestaan. Daar staat de Tempel, daar klopt het hart van het alleszins godsdienstige volk. En nu komt daar Davids Zoon en Heere, de wettige Koning en ware Tempel der Godsgemeenschap, maar Jeruzalem wil Hem niet, begeert Hem niet. Hoe vaak heeft Hij haar kinderen willen bijeen vergaderen onder de schaduwen zijner vleugelen, gelijk een hen haar kuikens, maar ze weigerde tot Hem de toevlucht te nemen. Verworpen, verstoten, straks smadelijk ten kruisdood verwezen, dat ziet Jezus Jeruzalem met Hem doen. Nog is het verborgen voor haar ogen. Alles jubelt, alles zingt - één slechts weent, de Koning zelf. Een jubelend volk en een wenende Koning!

Mijn lezer, wat denkt u, als Jezus ook vandaag tot het kerkelijk Jeruzalem komt, wat doet Hij dan? Ontdekt Jezus' oog in dat Jeruzalem van onze dagen soms ook een brede schare, die misschien wel met de ware aanbidders en volgelingen meezingen: "hosanna, den zone Davids!", maar wier hart toch nog even vijandig is als dat van de farizeeën? Die wel luid hun lied aanheffen in kerk en huis, omdat ook de anderen het doen, omdat 't nu eenmaal zo behoort? Schijn, maar geen wezen? En dan weent Jezus. Niet over vloekers, niet over spotters. Maar over belijders, maar die slechts mondchristenen zijn.

Is het zo ook nog bij u, mijn lezer? U komt niet met uw zonden tot Christus, omdat u uw zonden niet ziet. U bidt niet "ziende te mogen worden", omdat u niet weet, niet gelooft, dat u blind bent. Het is verborgen voor uw ogen.

Mijn lezer, zou 't ook kunnen, dat Jezus ook over u weent? Dat Jezus' wenen over u, u ook eens aan het wenen mocht brengen. Aan het wenen over uw vervreemding van God? Zie, dan komt er zeker een glimlach op zijn gelaat. En als uw wenend oog dan opblikt naar het aangezicht van de Heiland, krijgt u hoop op ontferming en terwijl de tranen nog in uw ogen staan, zingt het reeds in uw hart: "Gods vriendelijk aangezicht heeft vrolijkheid en licht, voor alle oprechte harten!" Trouwens, Jezus doet meer dan wenen. Hij bidt ook! Hij breidt nog zijn armen naar Jeruzalem uit als Hij zegt: "Och, of gij bekende ook in dezen uwen dag, wat tot uw vrede is dienende." Jeruzalem, het Salem van weleer is de stad van vrede. Maar haar heerlijke naam is een bespotting. De vrede is niet in Jeruzalem, trots haar tempel en altaren. Wat tot vrede dient - het is niet het pijnlijk-stipt nakomen van allerlei menselijke inzetting, maar wat tot vrede dient - het is van Christus, het Lam Gods begeren, dat zijn bloed de schuld bedekke, dat Zijn Geest het leven wékke. O, ja, dan gaat de valse vrede er aan; dan is er geen vrede meer met de wereld en met de zonde en allerminst met uzelf. Maar in die heilige onvrede daalt de heilige vrede van Christus neer, als Hij u door het geloof vrede met God schenkt. Reeds vaak heeft Jezus op de vroegere feesten Jeruzalem op die vrede gewezen. Nu is het de laatste maal - straks sterft Hij. Nu is het de elfde ure - straks wordt Jeruzalem verwoest. Maar ook nog in de elfde ure staat Jezus daar biddend: "och, of gij bekende!" Ook terwijl gij dit leest staat Jezus aan de gesloten poort van het zondaarshart. Misschien is het ook voor u de laatste maal, evenals voor Jeruzalem. Is het dan ook voor uwe ogen verborgen? Wat is verborgen voor Jeruzalems ogen? Wat is misschien ook voor uw ogen verborgen? Dat Jezus tot Jeruzalem komt als Vredekoning. Hoe komt het, dat dit voor Jeruzalems ogen verborgen is? Is het niet, omdat het blind is? Blind voor de vrede? Ja, maar ook blind voor de onvrede des harten? Jeruzalem waant  vrede te hebben. Wat zal het dan met de Vredevorst doen?

Zeker, de in waarheid onderwezen mens kan dit alles z.g. verstandelijk toestemmen, maar het is geen realiteit voor het oog van zijn ziel geworden. Wie is van die blindheid de schuld? Als het Jeruzalems schuld niet was, zou Jezus er niet zo om geweend hebben. Jeruzalem heeft niet gewild, maar u, hebt u wel gewild? Dat uw schuldige blindheid u eens ter harte mocht gaan. Dat u toch niet langer van uw onwil uw onmacht kon maken. Werkelijk, die dit verstaat, kent de bede: "Heere, dat ik toch ziende mag worden!" En die zo smeken, zien! Juist hun levendig klagen is een bewijs, dat Jezus bezig is het bewindsel des aangezichts weg te nemen. Zij zien Jezus wenen, ook als Borg en Middelaar. Zij zien in Jezus' tranen schuldbetalende tranen.

In sommige handschriften is dit stuk weggelaten. De afschrijvers vonden het blijkbaar niet passend voor de Heiland, te vermelden, dat Hij geweend heeft. Maar ik ben blij, dat ook zo Zijn beeld ons aan de ingang van de lijdensweg wordt getekend. In zijn priesterlijke ontferming is Hij immers de schoonste onder de mensenkinderen? Zo wenend doet Hij immers verzoening en over ons niet kunnen wenen, waar wij wenen moesten en over ons wenen, waar wij niet wenen mochten. Zijn tranen reinigen ook onze tranen. Ik weet wel, het gaat niet zonder tranen, maar zelfs de tranen opgeweld uit een verbroken hart, zijn dadelijk reeds ais ze in het oog komen, bezoedeld met het stof der zonde Jezus neemt door zijn borgtochtelijk wenen bij ons de bezoedeling er uit en stelt onze tranen (n.l. de ware tranen) aan de Vader voor als een bron uit de bewaterden hof des harten. Daarom vallen onze tranen (tenminste zulke tranen) niet naast, maar in Gods fles.

En als Jezus de stad zag, weende Hij over haar! Nee, nu wordt het anders. Door zijn wenen, door zijn liefde - anders! En als Jezus zijn stad zag, verblijdde Hij zich over haar! Als de stad zich in haar- blindheid verblijdt, weent Jezus. Als de stad, omdat zij ziet, weent, verblijdt zich Jezus! Totdat.... ja, en de stad en Jezus zich verblijden! Welnu, mijn lezer, mocht in deze lijdensweken de wenende en lijdende Heiland aan uw zielsogen voorbijgaan. Dan is er koninklijke intocht bij een van de burgers van Jeruzalem. Dat immers is de vervulling van de profetie: Zegt der dochter Sions: "Zie uw Koning komt tot u."

Noten