Komt zonder geld en zonder prijs

Ds. B. van den Berg

"O, alle gij dorstigen komt tot de wateren en gij die geen geld hebt, komt en eet, wijn en melk, zonder geld en zonder prijs." Jesaja 55 : 1.

Het een liefelijk Evangelie, dat wij in onze tekstwoorden beluisteren. Onder het beeld, ontleend aan het koopmansleven, biedt de Heere hier Zijn genadeweldaden aan. Men heeft daarom hier wel eens gesproken van de markt van vrije genade! En dat terecht! Immers! als we deze tekst eens wat nader bezien, bemerken wij, dat gesproken wordt van een milde Verkoopheer. Dat Hij mild is zal blijken, als we zien, Wie deze, tot kopen nodigende, is. 't Is niemand minder dan de Drieénige Verbonds-God, de Heere der heirscharen! Hij stelt Zich Zelf in deze tekst voor, als Dengene, Die geestelijke waren aan de zondaar heeft aan te bieden. Want, of wij deze nodiging, gelijk sommigen, doen uit gaan van God de Vader, of zoals anderen willen, van Christus Jezus, het is toch immer de Getrouwe Verbonds-God, Die hier optreedt, als de Grote Koopman. Mild mag Hij genoemd worden, als we zien, hoe die Verkoopheer nodigt. Hij doet het in de eerste plaats dringend. Immers! zo zegt Hij: "O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, komt, koopt en eet!" Het is dus een drievoudige nodiging, die van Hem tot de kopers uitgaat. Er schijnt Hem wel veel aan gelegen te zijn om zijn geestelijke koopwaren kwijt te raken.


Tot tweemaal toe nodigt Hij de kopers om toch te komen en niet van Hem weg te blijven. Ja! de Heere nodigt nog dringender dan een aardse koopman. Hoe menigmaal doet Hij in zijn Woord deze roepstem tot zondaren uitgaan. Nu eens heet het: Wendt u tot Mij, o alle gij einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer! Dan eens weer: "Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven."


Hebben wij naar Die Hemelse Verkoopheer al eens gehoord, lezer? Immers ook tot ons is Hij al zo dikwijls gekomen met die nodiging. En ook nu komt Hij weer bij vernieuwing tot ons. Ach! hoevelen zijn er, die er geheel geen acht op slaan. Die meer acht geven op de vergankelijke dingen, die op de markt van dit leven aangeboden worden, dan op de geestelijke weldaden, die op de markt van vrije genade aangeboden worden, O, daarom, let er eens op, als u er tot nog toe geen acht op sloeg.

Die nodiging toch is niet slechts dringend, maar ook uitlokkend. Zo luidt het: Komt, koopt! De Heere wil dus, dat wij niet slechts tot Hem komen, maar ook van Hem kopen zullen. In het dagelijkse leven is een aards koopman niet met kijkers alleen tevreden. Hij ziet ook uit naar kopers. Maar zo is het nu ook met de hemelse Verkoopheer. Deze wenst ook, dat wij niet slechts het oog even op de geestelijke waren zullen slaan, orn ons dan weer te verwijderen! Nee! Hij begeert dat wij van Hem kopen zullen. Helaas! hoevelen worden er gevonden, die slechts kijkers, maar geen kopers zijn op de markt van vrije genade. Zij zijn op de nodiging van de Heere tot zijn marktplaats gekomen, maar zij hebben nog nooit iets van Zijn kostelijke koopwaar gekocht. Ach! Hoevelen vergenoegen zich met onder de nodiging tot, en de aanbieding des heils te verkeren, zonder ooit uit de behoefte van het hart te vragen: O, Heere! geef ook mij het door U aangeboden heil. Jaar en dag verkeren zij onder de bediening des Woords, zonder ooit uit behoefte als een schuldige en verlegene tot het heil in Christus de toevlucht te nemen. Maar niet de hoorders, de daders des Woords worden zalig! Daarom begeert de Heere Zelf, dat wij naar Zijn nodiging zullen horen. O, mocht het ons maar een behoefte van het hart worden, dat de Heere zelf ons door Zijn wederbarende Geest bekwamen mocht om van Zijn geestelijke waar te kopen. Ja! wat meer zegt er van te eten. Want de Hemelse Koopheer wenst niet slechts, dat wij van Zijn waar zullen kopen, maar er ook van zullen eten. Zo toch roept Hij: Komt, koopt en eet! Is het een aardse koopman vrijwel onverschillig, als we iets van hem gekocht hebben, of wij het gebruiken of niet. Zo is het bij de Hemelse Verkoopheer niet. Deze wenst ook, dat wij de gekochte waar gebruiken zullen. Daarom nodigt Hij zo vriendelijk: Komt, koopt en eet.

Wat een uitlokkende nodiging mag dit genoemd worden voor allen, die waarlijk hongerig en dorstig geworden zijn naar de gerechtigheid. Het wordt hun niet slechts vergund om van het geestelijke brood te eten! Nee! de Heere nodigt om er van te eten. Mag u dat geen vrijmoedigheid geven, hongerende naar het brood des levens, om toch niet alleen te komen, maar ook te eten? Ach! u staat menigmaal met een hunkerende ziel op de markt van genade, maar u durft niet te eten, omdat u uzelf zo onwaardig gevoelt? Maar hoor dan, hoe de Heere u zelf nodigt om niet slechts te kopen, maar ook te eten van het manna dat de Heere aanbiedt. Dat mag u vrij doen. O vraag, of de Heere u zelf de bekwaamheid er toe mag verlenen. Daartoe zult u vrijmoedigheid ontvangen, als u ziet, wat deze Hemelse Verkoopheer beweegt, om zo zijn waren aan te bieden. Een aards koopman wordt gedreven door de hoop op winst, om zijn kopers te lokken. Dat is de achtergrond van al dat nodigen door reclame en advertentie, om toch tot kopen te bewegen. Maar daar is het de hemelse Verkoopheer niet om te doen.


Deze heeft hoegenaamd geen winst voor Zichzelf nodig, naardien Hij een volheid bezit, die nooit uitgeledigd wordt. Hij heeft geen schepsel nodig, omdat Hij als de Volzalige in Zich zelf aan allen het leven, de adem en alle dingen geeft. Al het vee op duizend bergen en al het goud en zilver is het Zijne. Daarom behoeft Hij niet van mensenhanden gediend te worden als iets behoevende.


Nee! als de Heere nodigt om te kopen en te eten, doet Hij dat niet om er Zelf winst mee te behalen, maar slechts uit vrije ontferming tot de zondaar. Dat leren de kopers en eters van de geestelijke gaven recht verstaan. Zij belijden het met hun hele hart: "Heere! U hebt mij niet nodig, maar ik heb U nodig. Ik kan U niets toebrengen, maar ik moet alles van U ontvangen."

Welgelukzalig, als wij zo gestemd mogen zijn, en door ontdekkende en onderwijzende genade geleerd hebben, dat God ons niet nodig heeft, en wij Hem niets toe kunnen brengen. Van nature leeft de mens in de waan, dat God hem nodig heeft, en dat de Heere hem wel dankbaar mag zijn, als de mens tot God wil komen, en naar zijn waan, Hem wil dienen. De natuurlijke mens beeldt zich in, dat wij geen schuldenaar zijn tegenover God, maar dat God eigenlijk onze schuldenaar is. Hoe dwaas is de mens! Hoe verblind door de zonde! Gelukkig! die het door genade heeft leren verstaan, welk een wonder van genade het is, dat de Heere, als de Hemelse Verkoopheer tot zondaren wil naderen. Dan zullen wij begeren om bij de kopers van Zijn waren te behoren! Wat zijn het echter voor kopers, die de Heere nodigt? O, het zijn geen verzadigden, maar behoeftigen. Geen bezittenden, maar niet bezittenden. Hoor het maar uit de nodiging. O alle gij dorstigen, komt tot de wateren." Dat wij dit dorstigen niet in letterlijke, maar overdrachtelijke zin op moeten vatten, is uit onze tekst wel duidelijk. Hier is geen sprake van lichamelijke, maar van geestelijke dorst. Het zijn de dorstigen, niet naar het goed en genot der wereld, maar de dorstigen, die naar geestelijke lafenis hebben leren uitzien; die hebben leren dorsten naar de gerechtigheid! En dat is de mens van nature niet. O het is waar, dat elk mens door de zonde een dorstende geworden is. Maar dorstende naar God, worden we pas, als God ons als verloren zonen en dochteren aan ons zelf ontdekt heeft, ons de nietigheid en het onverzadigbare van het aardse goed heeft doen kennen; ons de schuld van onze verlating van God waarlijk tot schuld heeft gemaakt en tot de belijdenis heeft gebracht: "Ik zal opgaan en tot mijn Vader gaan en ik zal zeggen: Vader! ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen U, ik ben niet meer waardig uw zoon genoemd te worden; maak mij als een van uw huurlingen." Ziet! dan zijn wij waarlijk zulken geworden, die het woord van de Psalmist in het binnenste van hun ziel hebben leren verstaan: "Mijn ziel dorst naar God, naar de Levende God! Wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?" Dan behoren wij bij de, door de Heere Zelf, genodigde kopers.

Wel u, als u uzelf zo een dorstende gevoelt. Dan is er bij God door Christus verzadiging voor uw dorst te ontvangen. Maar u zegt dat u uzelf zo arm, zo niets bezittend gevoelt! O, dat mag voor ons een bezwaar zijn, maar voor de Heere is dat geen bezwaar. Zulken nodigt Hij juist. Hij roept hen, die geen geld hebben! D.w.z. die alle eigen gerechtigheid en alle eigen deugd die de mens van nature als koopgeld tot de zaligheid, meent God te kunnen aanbieden, geheel verloren hebben, die niets dan schuld hebben, en geen penning om iets aan God te kunnen betalen, O, kent u uzelf als zulk een? Wel u dan! Dan behoort u ook bij degenen, die geen geld hebben. Dan nodigt de Heere ook u met dit woord: O, alle gij dorstigen, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, wijn en melk, niet met geld en niet met prijs, zoals er eigenlijk staat. Ja 't is een kopen! Maar niet met geld! Waarmee dan? Met niet anders dan een ruiling van onze ongerechtigheid voor de gerechtigheid Gods, verworven door Christus Jezus! Klinkt u dat vreemd? O wij kunnen het begrijpen! En toch is het zo. Ook hier hebben wij met een kostelijke, ja met een Goddelijke beeldspraak te doen. Wat toch is kopen? Kopen is niet anders dan een ruilen van bezitting. Oudtijds bestond de verkoop in niets anders dan ruiling. En dat ruilen werd "kopen" genoemd. Welnu! zo moet er ook een ruiling plaats hebben tussen God en de zondaar.


De zondaar moet zijn ongerechtigheid aan God geven en God zijn gerechtigheid aan de zondaar, n.l. de gerechtigheid verworven door Christus. Gelukkig, als we dat ruilen, dat kopen door de onderwijzing des Geestes geleerd hebben. Dat ruilen, dat kopen, verstond Luther, toen hij zeide: Heere Jezus! ik ben uwe zonde, maar o wees Gij mijn gerechtigheid."


Ziet, dat wonderlijk kopen, in onze tekst bedoeld, dat ruilen, leert de Heere zelf aan de ontdekte zondaar, door zijn Geest. Ja, dat is een wonderlijk kopen, waarbij alle eigenwaarde en eigen verdienste wegvalt. Wordt er toch in het dagelijks leven gekocht of geruild met gelijkwaardige dingen; in het geestelijke wordt gekocht (geruild) met ongelijkwaardige grootheden. Als wij in 't aardse leven wat kopen, moeten wij iets geven, dat gelijkwaardig geschat wordt, aan hetgeen wij ontvangen. Maar in 't geestelijke is het juist andersom. Daar wordt gekocht met de meest ongelijkwaardigste zaken. Wat toch is meer ongelijkwaardig dan de ongerechtigheid en de gerechtigheid. En toch! dat is de ruiling, de koping, die tussen God en de zondaar moet plaats hebben. De zondaar moet zijn ongerechtigheid aan God geven, zijn schuld voor God belijden. Dan ontvangt de zondaar uit genade, de gerechtigheid van Christus, de wijn en melk van Gods genade, die de ziel verzadigt tot het eeuwige leven.

O wonderlijk! zalig hopen! Dat mag met recht genoemd worden, een kopen zonder geld en zonder prijs! Daarin behoeft en kan de zondaar niets toebrengen, maar ontvangt hij het brood en water des levens uit loutere genade!

Kent u reeds dat kopen, lezer? Hebt u reeds uw ongerechtigheid aan de Heere leren geven met de bede om Christus gerechtigheid er voor in plaats te ontvangen? Nog niet? O! haast u dan! Daar moet het komen, zal het wel zijn voor tijd en eeuwigheid. Mocht u daar bij aanvang begerig naar zijn? Wel u dan! De Heere Zelf leert het de dorstigen om zonder geld en zonder prijs te kopen. Zalig daarom, die bij aan en voortgang dorsten naar de gerechtigheid van Christus, want (zo heeft de mond der waarheid zelf gezegd) "zij zullen verzadigd worden."

Mijn Verlosser leeft

"Want ik weet mijn Verlosser leeft." ​Job 19 : 25a.

Het is een wonderheerlijk woord, lezers dat door de grote lijder van de oudheid in het diepst van zijn lijdensweg werd uit gesproken, 't Is de Nieuw-Testamentische Paasjubel onder de Oudtestamentische dag! In dat woord: Ik weet, ligt al het heil van een zondaar voor tijd en eeuwigheid opgesloten. Immers, het spreekt van een heerlijke wetenschap, die alleen door het geloof geleerd en verstaan wordt.

Velen beroemen er zich op, dat zij de wetenschap bezitten van allerlei aardse dingen.
Hoewel nu ook deze wetenschap niet te verachten is, toch is de mens arm, nameloos arm, die alleen de aardse wetenschap bezit. Maar al wist de mens alle aardse wetenschap, al is hij van vele dingen van deze aarde onkundig, als hij weten mag dat zijn Verlosser leeft, is hij onschatbaar rijk. Want dat is de hoogste wetenschap, waartoe iemand kan geraken. Immers, dat is allereerst een onbedrieglijke wetenschap!


Naar waarheid heeft iemand gezegd: Wat ons de wijzen van heden verkonden! Straks komt een wijzer, die het wegredeneert! Maar zo is het met de wetenschap van Job niet. Hij kon naar waarheid zeggen: Ik weet! 't Is een wetenschap, die de eeuwen heeft getrotseerd, en die nooit beschamen zal. Gelukkig, die deze wetenschap mag bezitten.


Bezit u die wetenschap reeds, dat uw Verlosser leeft? Immers, wij allen hebben de Verlosser nodig om te redden uit de schuld en de ellende, waarin wij ons zelf gebracht hebben! Dat leren wij pas recht verstaan als Gods Geest ons aan ons zelf ontdekt en onze dood en doemwaardige toestand ons voor ogen stelt. Dan wordt de behoefte aan den Opgestane en Levende Verlosser geboren en de kreet geslaakt: Is er nog een weg om de welverdiende straf te ontgaan en wederom tot genade te komen? En als de Heere een zondaar met zijn zielsgevaar bekend maakt leidt Hij hem niet slechts uit de wereld, vermaant Hij hem niet slechts uit de wereld te gaan om zijn behoudenis te zoeken, maar wenst hem ook de enige weg des behouds aan. Vrijmachtig heeft de Heere voor schuldigen en verlorenen in zijn geliefden Zoon deze schuilplaats aangewezen en de zondaar toegeroepen: Behoud u naar Jezus heen!

En gelukkig de zondaar, die aan deze roepstem door de bekwaammaking van de Geest gehoor mag geven. Hij zal te zijner tijd mogen getuigen: Mijn Verlosser leeft! En welgelukzalig de zondaar, die daar komen mag en Jezus als zijn Borg en Middelaar mag begeren en aannemen door het geloof! En dan vinden zij in Hem een veilige schuilplaats! Ja de schuilplaats die wij ons zelf tegen de oordelen Gods zoeken zal eens gelijk zijn aan een huis van de spin, wier ragfijne draden bij de minste aanraking breken! Maar de schuilplaats die God ons ontsluit, in Jezus Christus, is gelijk aan een rotsgebergte, waar het vuur wel kan vallen, maar zelfs niet zengen kan, waar de waterstromen wel tegenaan kunnen bruisen, maar niet wegstormen, omdat Hij blijft tot in alle eeuwigheid! Want Hij is de door God gegeven Verlosser. En gelukkig die Hem door de genade des Geestes tot zijn Verlosser mag zoeken en vinden, en roemen mag: Ik weet mijn Verlosser leeft!


Welgelukzalig de mens die op goede gronden getuigen mag: Mijn Verlosser leeft! Hij mag zich met lot en weg in alles aan Hem toebetrouwen. Die als de Verlosser voor tijd en eeuwigheid door de Vader gegeven is om schuldige zondaren voor tijd en eeuwigheid te zaligen.


Zo wordt de levende hoop in de ziel geboren, als de Heilige Geest ons zielsoog voor de van God gegeven Verlosser ontsluit! Die dood geweest is en weder levend is geworden op de derden dag, waaraan het Paasfeest ons herinnert. Driewerf gelukkig mijn lezer of lezeres, als u die wetenschap in meerdere of mindere mate in beginsel bezit. Immers dan is het voor u geworden een persoonlijke wetenschap, gelijk bij Job. Hij kon zeggen: Ik weet, mijn Verlosser leeft! Gelukkig, die zo met toeëigenend geloof mag spreken. Het is waar dat allen die de wedergeboorte deelachtig zijn, ook in beginsel de geloofswetenschap van Job bezitten. Door genade hebben zij geleerd dat er een Verlosser is. Maar als u nu vraagt: Zullen allen, die in beginsel het geloof bezitten, ook de geloofswetenschap van Job bezitten? Zullen nu allen die zaligmakend geloof bezitten ook die toon der verzekering aanslaan? En dan moeten wij zeggen dat niet alle begenadigden zo ruim durven spreken. Daar zijn onder Gods kinderen toevluchtnemende gelovigen, en anderen die wat verder geleid zijn, en ook welverzekerde gelovigen. Dat wil echter niet zeggen dat deze drie trappen streng gescheiden zijn. O nee! De toevluchtnemende kent ook de ogenblikken van zalig mijnen, en de verzekerde kent tijden, dat hij als een arme en geslingerde weer in toevluchtnemend geloof tot de Heere moet vluchten. Zie het maar in de Psalmen van Gods heiligen, waar de toon van de heerlijkste verzekering afwisselt wordt met de innigste smeking uit de diepte van verlorenheid. Hoewel nu, evenals bij Job in allen de wortel der zaak gevonden wordt, toch moet bij velen de plant van het geloofs nog opwassen tot de hoogte van Jobs belijdenis: Want ik weet mijn Verlosser leeft! En dat opwassen gaat niet als Jona's wonderboom.

Sommigen hebben, zoals iemand gezegd heeft, hun leven lang nodig om dat woordje mijn uit de Jobsbelijdenis te leren spellen. Maar hoe lang het ook duurt; vóór zij met Job kunnen zeggen: Ik weet, mijn Verlosser leeft, toch komen zij daar allen. Wel gaat dat niet altijd langs aangename wegen, maar dikwijls langs bittere en smartvolle. De wetenschap van het geloof groeit, evenals de Palmboom, onder de verdrukking. Ja, in diepe wegen brengt de Heere de zijnen menigmaal pas tot de geloofsklaarheid van Job. Een groot voorrecht als de Heere ons, zij het dan in beginsel, iets van die Jobsbelijdenis heeft leren verstaan.

Dat het ons maar bij aan en voortgang mocht aandringen om steeds meer de genade aan Job, verheerlijkt ook aan ons, verheerlijkt te mogen zien! Dan zal er bij al de donkerheden, die Gods kind op de reisweg naar Sion passeeren moet, toch ook steeds meer de bede zijn om tot de zielszekerheid van Job te klimmen: Want ik weet, mijn Verlosser leeft!

Ds. B. van den Berg

in leven Christelijk-Gereformeerd predikant in Vlissingen, Sneek, Den Helder, Maassluis, Kampen (emeritus).