Dient de Heere

Ds. F. P. L. C. van Lingen

Zijt vurig van geest, dient de Heere.  Romeinen 12: 11b.

Van de Sofist Prodicus is ons alleen bekend de mooie fabel van "Hercules op de tweesprong." Dat verhaal van de tijdgenoot en vriend van Socrates is nog wel de herinnering waard. Toen, zo luidt het, Hercules van de kinderleeftijd tot de jongelingsjaren overging, zat hij in de eenzaamheid te peinzen, welke weg des levens hij zou inslaan. Nu naderden hem twee jeugdige vrouwen, de één in eenvoudige, zedige schoonheid, de andere opgepronkt met al wat het bontlievend Oosten schoons en prachtigs heeft. De eerste, de deugd, wilde de jongeman aanspreken, toen de andere, de ondeugd, zich voor haar drong. Zij beloofde met verleidelijke stem en gebaren een gelukkig lot in wellust en overdaad, zonder moeite of bezwaar; maar de deugd toonde hem een andere weg, lang en bezwaarlijk, vol moeite en strijd, maar leidende tot geluk. "Zonder arbeid en zonder inspanning," zo sprak zij, "geven de goden aan de mens geen waar goed." Beslist voor het pad der deugd keerde Hercules van de Kithairon terug, en hij leefde en streed op een wijze, dat de heiden hem een plaats onder de halfgoden waardig keurde. Neemt uit dit verhaal wat tot het heidendom behoort weg, en u hebt een waarheid, welke in christelijke vorm en geest de Heilige Schrift u op zovele bladzijden lezen doet.

Wat in de woestijn van Quarantania door [Christus] het Hoofd van de Kerk werd ondervonden, is zeker, enigermate tenminste, de gedurig terugkerende geschiedenis van de verzoeking van de kerk van Christus. Terwijl voor het vuur van de hel een gordijn wordt gehangen, wordt u brood verzekerd in plaats van honger, eer van engelen voor smaad van mensen, en septer in plaats van kruis. Liefelijk is de gedaante van dien, die zich als engel des lichts heeft vermomd, zoet klinken de liederen, waarmede de wereld lokt, overtuigend voor vlees en bloed zijn de redeneringen van de wijsheid van het ongeloof. Op die brede weg is alles licht en genot en vrijheid. Daarentegen die andere weg is zo donker, zo somber, zo smal. Zo wordt u gedurig het lied tegen de Heere en Zijn Gezalfde voorgezongen: "Laat ons hunne banden verscheuren en hun touwen van ons werpen." Geheel andere klanken worden aan de poort van het koninkrijk der hemelen gehoord. Er is geen enkele toon, welke vlees en bloed bekoren kan; integendeel het Evangelie is niet naar de mens. Wie de Heere Jezus wil volgen hoort zich voorgehouden: "De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd op nederlegge."

De geroepene, die eerst afscheid nemen wil van zijne huisgenoten, krijgt ten antwoord: "Niemand, die zijn hand aan de ploeg slaat, en ziet naar hetgeen achter is, is bekwaam tot het koninkrijk Gods." Hij, die gekomen is om zondaren te redden en zalig te maken, roept: "Meent niet, dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen maar het zwaard. Want Ik ben gekomen, om den mens tweedrachtig te maken tegen zijnen vader, en de dochter tegen hare moeder, en de schoondochter tegen hare schoonmoeder. En zij zullen des mensen vijanden worden, die zijn huisgenoten zijn. Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig, en die zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig. En die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waardig. Die zijn ziel vindt, zal dezelve verliezen, en die zijn ziel zal verloren hebben, om Mijnentwil, zal dezelve vinden."

En waarin [de Nederlands dichter-predikant Dirk Rafael Camphuysen (1586-1627)] ook heeft gedwaald, zeker niet in het bekende:
"De weg is smal, de poort is eng;
Des Meesters eerste les luidt streng:
Verlaat, verzaakt, trekt harten af
Van wat de wereld geeft of gaf,
Van wat u lief is op deez' aard!
Die zo niet komt is Mijns niet waard !
Die zo niet komt is onbekwaam
En nog niet waard eens leerlings naam."

En toch mijn geliefden, al is de Christus' stem waarheid, al is de weg van elk kind van God een weg van lijden en kruisdragen, toch aarzelen wij niet een iegelijk met het oude Israël toe te roepen: "Kom, ga met ons, en doe als wij," want, is de weg doorweekt van tranen, hij is het niet meer door tranen van smarten dan door tranen van dank en vreugde. Aan de ingang mogen de eerste meer worden gevonden, hoe verder u komt, des temeer de laatste, Het juk is zacht, de last is licht. Het kruis is omwonden met rozen en het pad loopt hemelwaarts. De verleidende taal des duivels is leugen, maar al moet een Paulus spreken van verdrukkingen en noden en benauwdheden, van slagen, gevangenis en beroerten, van arbeid, waken en vasten, hij getuigt naar waarheid in naam van alle kinderen Gods: "stervende en ziet wij leven, getuchtigd maar niet gedood, droevig doch altijd blijde, arm doch velen rijk makende, niets hebbende en nochtans alles bezittende." En in hun naam roepen wij u toe: wij hebben, helaas! de wereldvreugd gezocht, maar de beker der zwijmeling bevatte enkel bitterheid; wij hebben door Gods genade de weg des heils gevonden en: "het is mij goed, mijn zaligst lot, nabij te wezen bij mijn God."

En wat meer zegt: niet ik geef u slechts de raad om de weg van de Heere te kiezen; niet slechts de gemeente van Christus op aarde en de totale wolk van getuigen, welke wij om ons hebben liggen dringt u tot diezelfde keuze, maar de Heilige Geest zelf, de onbedriegelijke, de waarachtige roept het u toe, dat de vloek ligt op elke weg buiten God, en zegen vloeit uit de fonteinen tegen de ongerechtigheid en de zonde.

Maar zoals wij alleen door Gods licht het licht zien, en genade voor genade is, zo is elk luisteren naar de raad van de Heere en elk volbrengen van de eis van de Heere alleen door Hem. Daarom zij onze bede, dat de Heere ons niet alleen raad maar de volheid van genade geve!

Tekst: Romeinen 12: 11b. Zijt vurig van geest, dient den Heere.

Wie nog enigszins mocht twijfelen of het leggen in Paulus mond van: "Laat ons het kwade doen, opdat het goede daaruit kome" laster was, of wie nog kon denken, dat de leer, in 't bijzonder door Paulus in Romeinen 9 gepredikt, goddeloze en zorgeloze mensen maken zou, moet het tweede deel van zijn brief lezen. De macht van Sinaï's vloek, niet van Sinaï's eis is voor hem, die zijn Golgotha en opstandingsmorgen vond, geknakt. Geen van Gods woorden mag op de aarde vallen, maar wij hebben een vermaak in de wet Gods naar de inwendige mens, als in plaats van stenen harten, vlesen harten zijn gegeven en in die vlesen harten God, de Heilige Geest, zijn wet heeft geschreven. Het: "Gij zult den Heere, uwen God, aanbidden, en Hem alleen dienen," was niet alleen een zwaard des Geestes tegenover Satans verzoeking voor de Heere, het: "dient den Heere" staat ook voor de discipel van Satans Overwinnaar geschreven.
Leest u onze tekst na in de vertaling van Luther: u vindt daar een ander woord dan hier, namelijk, "Schikt u naar den tijd." In het oorspronkelijke is slechts een zeer klein verschil nodig, om tot deze overzetting te komen (kairooi-kuriooi). Onze Statenvertalers, die zich hielden aan de meeste en beste en oudste handschriften, verdienen ook wederom hier te worden gevolgd, hoewel ook in de kanttekeningen de andere lezing niet wordt verzwegen.

Over het verband hebben wij niet meer te zeggen dan dit: als een godzalige vader, en een godvrezende moeder aan hun kinderen schrijven, dan zijn er velerlei zorgen, en die bezorgdheden geven menige waarschuwing te lezen. Nu is het dit, en dan weder iets anders, dat voor de aandacht der liefde komt, en waartoe moet worden vermaand. Zo is ook de Apostel voor zijn kinderen in Christus. Van alle zijden, hij weet het, loert de vijand, en terwijl men op zijn hoede is tegen een aanval aan de ene zijde, wordt men van de andere zijde besprongen. Bij zulk een onverwachte en onverhoedse aanval bezweek zo menigeen. Daarom richt de Apostel nu rechts dan links zijn oog, en de veelheid van gevaren, die zich voor zijn gedachten verdringen, noodzaakt hem met een kort woord hiertegen te waarschuwen, en met een enkel woord daartegen te wapenen. Dit moet hij herinneren, dat op het hart drukken.

Zo is het bij de Apostel, als hij dit hoofdstuk schrijft, en onder verschillende vermaningen vangt Tertius uit zijn mond op, wat hij neerschrijven moet aan de geliefden Gods en de geroepene heiligen, die te Rome zijn: "Dient den Heere!"
Het is dus niet slechts een woord aan de kinderen van deze wereld, dat hen vermaant, aan duivel en wereld en eigen vlees de dienst op te zeggen, en zich neder te leggen aan de voeten van de Heere Jezus; het is niet slechts een woord, tot de twijfelaars, die in de Pilatus-slingeringen niet weten, wie zij zich zullen toewijden; het is een woord, dat wel inzonderheid tot de "geliefden Gods" komt om hen te waarschuwen het welbehagen van hun Koning te doen, alle vreze voor mensen af te leggen, alle berekeningen ter zijde te laten, alle slaapzucht te bestrijden, in een woord volijverig te zijn in het hun aanbevolen werk.

Juist het korte van de uitspraak maakt haar zo veel omvattend. Het bevat de eis Gods op staatkundig en maatschappelijk, op kerkelijk en huiselijk gebied; het heeft betrekking op uw zichtbaar en verborgen leven. Op de vraag "waar?" is het antwoord: "Overal." Vraagt u "wanneer;" het antwoord "ten allen tijde." Het "hoe" en "waarmede" krijgt geen ander antwoord dan "in alles" en "met alles". Nee! U zegt dan niet: "het is overbodig," noch vraagt "waarom dit tot mij ?" Gij, die immers weet, dat u vernieuwd moet worden van dag tot dag, die weet, dat in u, dat is in uw vlees geen goed woont, die het lied van de oude Kerk nog nazingt: "ik ben aan 't zinken, en tot hinken ieder ogenblik gereed," u zegt niet: "dat weet ik ook wel," maar bidt daarentegen: "Heere schrijf dat woord op de tafelen van mijn hart. Geef dat ik het nooit vergete! Laat bij dat woord kracht van U uitgaan, opdat bij elk bevel, bij iedere roeping mijn woord zij: "Spreek Heere! hier ben ik. Spreek; uw dienstknecht, uw dienstmaagd hoort."

De mens is geschapen niet om gediend te worden, maar om te dienen. Hij is een schepsel, en dat woord sluit reeds elk denkbeeld uit van heersen of om voor zichzelf te bestaan. U werpt mij tegen, dat hij in het paradijs een onderkoning was, dat hij geroepen werd aan de dieren de namen te geven, en God tot onze eerste voorouders heeft gezegd: "Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels, en al het gedierte, dat op de aardbodem kruipt." Ik stem het u toe. De Heere God heeft alles onderworpen aan de mens, maar opdat de mens met alles aan God onderworpen zou zijn, met alles God zou dienen. Wij zijn schepselen. De werkman vormt zijn werk, opdat het hem in enig opzicht tot nut of tot veraangenaming zijns, levens zal zijn; hij geeft zich die moeite en getroost zich zijn arbeid niet om hetgeen hij maakt, hij maakt het "om zijn zelfswil".

Zo heeft de Schepper ook Zijn schepsel geformeerd, opdat het Hem zou dienen, in alles wat Hij wil, niet om een macht buiten Hem of nevens Hem te zijn, of een bestaan te leiden buiten zijn Schepper. 'Die eigenschap van dienstbaarheid is ons ingeboren. Dat ingeschapene is onuitwisbaar; willens of onwillens, wetende of onwetende openbaart zich dat karakter. De convolvulus mag los gerukt worden van de stam, waarbij de hovenier haar plaatste; zij kruipt langs de grond en zoekt, en slaat haar ranken, al is het om doorn- struik of distel. De hond kan niet buiten een meester; heeft hij zijn wettige eigenaar verloren, hij zal zoeken tot hij er weder een heeft gevonden, aan wie hij zich kan hechten, en die hem aannemen wil, al zal hij dan ook tot een trekhond worden gemaakt. Niets anders brengt de aard des mensen mede. In het paradijs was de wijnstok geplant, om zich vast te hechten aan den Levensboom. Zijn God was Zijn Meester, en zijn plicht dien Schepper en Koning te gehoorzamen; de hof te bebouwen en te bewaren was de inhoud van het gebod; zich te onthouden van den boom der kennis was de inhoud van het verbod. Dat was geen wet, waarbij behoefde geklaagd te worden: wie kan die inzettingen houden? Noch is 't gebod op gebod, regel op regel. Die last was licht, dat juk was zacht. En toch het was nog te zwaar voor de mens, sinds het oor aan de stem des verleiders werd geleend. Hij had een Meester, die in de gift van een Eden had getoond dat Hij geen hard Gebieder was, een Heer, in wiens hand geen slavenketenen waren, maar enkel koorden van liefde, en toch het was voor de hoogmoed, eenmaal opgewekt, nog te veel om zich voor dezen in aanbidding te buigen, te veel om om de God van hemel en aarde te vragen: "Wat wilt Gij, dat ik doen zal?"

De band, die aan God verbond, werd losgescheurd. De grote revolutie was begonnen, die van geslacht tot geslacht zich in steeds ijselijker vormen openbaren zou. Met vrijheidskreten werd sinds dit ogenblik de lucht vervuld, en door dat uitbundig geschreeuw werd het rammelen verdoofd van de ketenen der hel. Gelijk de ontuchtige waardin de tedere moederzorgen voor haar dochter een ondragelijk juk noemt, en die dochter verleidt tot haar vrijheid in die woning, waar onder zijde en satijn niet alleen de boeien zijn verborgen, maar ook de wroeging huist en de krankheid verteert en de ellende verwoest, zo is ook de dochter Gods listig ontvoerd uit de Vaderlijke omhelzing, om van nature met al haar geslacht dienstknechten des duivels, rampzalige slaven der zonde, opgeschrevenen ten dode te zijn. Die God niet dient, dient den afgod.

De afgodendienaar neemt een stuk hout, en het ene deel werpt hij in het vuur en warmt zich en zegt: ik ben warm geworden, en van het andere deel maakt hij een gesneden beeld, hij knielt er voor neder, en buigt zich en bidt het aan, en zegt: "Red mij, want Gij zijt mijn God". Israël geeft zijn sieraden voor zijn gouden kalf; een Achaz laat zijn zonen door het vuur gaan, de Javaan laat zich verpletteren onder zijn Juggernaut.4 De wellusteling "wordt door zijn begeerlijkheid voortgejaagd en of het zijn naam, zijn rust, zijn geld, zijn gezondheid kost, hij kan niet anders, hij moet voort. De dronkaard, tot bezinning gekomen, rukt de haren uit zijn hoofd, en vervloekt de drank maar nauwelijks spreekt degene, die hem meester is, of hij moet onverbiddelijk weer voort. Voorwaar, die de zonde doet, is een dienstknecht, is een slaaf der zonde!
Ook de kinderen Gods is het woord ter waarschuwing. Een Simon Petrus staat daar als het sprekend bewijs, dat, als eenmaal de schaamte voor de ware vorst in het ogenblik van verzoeking in het harte is opgewekt, straks de loochening, en na nog een stap de vervloeking volgt. Ik noemde "openbaringen van ontzettende zonden, maar ook de Mammon is meester bij de rijke jongeling, die meent dat nog maar weinig hem van een ereplaats ín het hemelrijk scheidt, en de blinde ijver om Gode een dienst te doen, jaagt een Saul naar Damaskus heen.

Als het enig Hoofd der Kerk is verlaten, en van de volstrekte gehoorzaamheid aan Hem eenmaal is afgeweken, dan kiest men de slavendienst van priesterhiërarchie, en synodale wet drijft onverbiddelijk van 't een op 't ander voort, tot allerlei ontrouw en ontheiligen van het heilige, tot het verklagen der broederen, tot laster en vervolging. En dat alles, dansende om de vrijheidsboom, en gelijk aan de Israëliet, die roemen durfde: "Wij zijn Abrahams zaad, en hebben nooit iemand gediend", terwijl de Romeinse adelaar op de berg Sion was opgericht. Die God niet die dient in waarheid, dient de zonde; een derde is onmogelijk!

En acht hoe wreed is die dienst buiten God. Daar is geen vrede in het hart, maar onrust, maar gejaagdheid, maar vreze. Nieuwe zonden moeten die onrust verdoven, en opgewondenheid en toorn en boosheid openbaren de treurige stemming des harten. Bij dien meester is geen hulpe in nood. Het woord van Hosea wordt dan bewaarheid: "Uw kalf, o Samaria! heeft u verstoten". Ja, zelfs de afgod begraaft onder zijn puin zijn dienaar.O, Hoort dan, alle gij afgewekenen in welk opzicht ook, het woord des Heeren: "Keert weder, gij afkerige kinderen! en Ik zal uwe afkeringen genezen". De goddeloze verlate zijn weg, maar ook de Israëls moeten naar Bethel, om daar de afgoden uit hun huis te gaan begraven. Hoort allen wat des Heeren woord ons heden zegt: "Dient den Heere !"

Door de nood gedrongen, heeft Israëls koning al het volk verzameld op de Karmel. Een plechtige stilte heerst, als de boetprofeet daar staat op de hoogte en zijn stem verheft. "Hoelang hinkt gij op twee gedachten?" zo vraagt hij: "Zo de Heere God is, volgt Hem na, en zo het Baäl is, volgt hem na". Wat zal het antwoord zijn? Ach, de Heilige Schrift geeft de treurige getuigenis "maar het volk antwoordde hem niet één woord".

Mijne hoorders, ik acht nog u nog mijzelf verheven boven de raad van onze tekst. Integendeel! "Ik heb een woord aan u," sprak de jongeling van de profeet tot Jehu, en dat woord was: "Alzo zegt de Heere de God Israëls". Ik heb ook een woord Gods aan u, en dat woord is: "Dient den Heere", en dat woord wordt u, kinderen Gods! gebonden op het hart. En opdat wij zelfbeproeving niet overbodig achten, zo bedenkt met mij, wat dat woord inhoudt. Als wij de 45ste Zondag van onze Heidelbergse Catechismus na lezen, dan zult u daarin vinden, dat tot een Gode aangenaam gebed behoort, dat wij alleen een enige ware God, die Zich in zijn Woord geopenbaard heeft, van harte aanroepen". Er is afgoderij met Baäls en Astharoths, met Molochs en Melechets. Afgoderij is de aanbidding van het grote gouden beeld in Dura's dal en evenzeer het kleine beeldje van hout, waarvan Jesaja spreekt. 't Is afgoderij als het beeld zichtbaar voor u staat, maar niet minder als het slechts in uw voorstelling leeft. Een God, aan wiens rechtvaardigheid wordt tekort gedaan, om een liefde als van Eli op de voorgrond te stellen, een God, wiens eenheid naar menselijke gedachte wordt voorgesteld, en als de onbegrijpelijke God, een God, die geen woord heeft gegeven, maar stom is als Karmels Baäl, of wiens woord de mens het recht heeft te bedillen en te schiften, een God, die niet naar zijn eeuwig raadsbesluit regeert, maar van menselijke wil het einde afhankelijk stelt, die is niet de God der Heilige Schrift, niet de enig Waarachtige, die Zich in zijn Woord geopenbaard heeft.

Geliefden Dient u de Heere? Er is meer. Geen Samaritanen-dienst kan de Heere behagen. Al leert ook een van Israëls priesters hun, hoe men de Heere moet vrezen, dan is de Samaritaan nog Israël niet ingelijfd, Al staat er geschreven (2 Kon. 17: 33): "Zij vreesden den Heere, en dienden ook hunne goden naar de wijze der volkeren", dan verklaart het volgende vers dit met het woord: "Zij vreesden den Heere niet". "Niemand kan twee heren dienen, of hij zal de ene aanhangen en de anderen verachten. Gij kunt niet God dienen en den Mammon".

Och dat hier al een andere Jozua in uw midden stond om u toe te roepen: "Vreest den Heere en dient Hem in oprechtheid en in waarheid, en doet weg de goden. Kiest u, wien gij dienen wilt; maar aangaande mij en mijn huis, wij zullen den Heere dienen"; een andere Jozua, die op uw antwoord: "het zij verre van ons, dat wij den Heere verlaten zouden, om andere goden te dienen: want de Heere is onze God; Hij is het, die ons uit het diensthuis heeft opgebracht", u waarschuwde: "Gij zult den Heere niet kunnen dienen, want Hij is een heilig God, Hij is een ijverig God".

Zo min de echtgenoot het hart van zijn echtgenote verdeeld wil zien, veel minder wil de Heere in uw hart wonen, tenzij het Hem geheel alleen toebehoort. Geen uitwendig dienen is voor Hem, die niet aanziet wat voor ogen is, voldoende. De "ouden" onder Israël gaven verklaringen van de geboden naar de letter. Daartegen trad onze Heiland op, en riep van de berg der zaligsprekingen : "Gij hebt gehoord, dat van de ouden gezegd is, maar Ik zeg u en verscherpte het gebod en wees op de inwendige gezindheden des harten. Geen ogendienst, maar hartendienst wil van u uw God. Zegt, als u psalmen zingt, is het uw ziele die zingt, en als u bidt, is het dan in waarheid, dat u bidt? Ik zou kunnen voortgaan met zulke vragen, maar reeds slaan wij de ogen neer en zucht ons hart: "genade!"

Het is gemakkelijk om te dienen, als het bevel naar onze eigen begeerte is; maar niet alleen als Hij langs liefelijke wateren en op grazige weiden voert, wil de Heere gediend zijn, ook als Hij zijn volk ín woestijnen leidt, en het kruis op de schouders legt. De Heere eist gehoorzaamheid van Abraham, als Hij tot hem zegt: "ga naar Moria", van Israël, als Hij door Mozes beveelt om voort te trekken in de wateren der zee; van Gideon, als slechts 300 overblijven; van Petrus, als hij na de aankondiging van de dood waarmede hij God zal verheerlijken, roept: "volg Mij".

Een hond kruipt ook naar de voeten van de meester, als die met vertoornde blik en met opgeheven roede hem roept. Gij zegt met de profeet, dat menig leraar gelijk is aan honden, die niet bassen kunnen, is ons misschien dat kruipend dier ter beschaming? Een dienstknecht, die eigen wegen gaat, of altijd aan 's meesters gebod wat wat verandert, bijvoegt of er aan te kort de doet, is een onbruikbare, knecht. Geen eigenwillige godsdienst verkrijgt de goedkeuring van de Heere Wij hebben niet te redeneren, en, niet te berekenen, niet te filosoferen, maar, te volgen en zijn wil te doen, opdat het niet zij: "te vergeefs eren zij Mij, lerende leringen; die geboden van mensen zijn, Psalm 123 moet onze psalm zijn: "Ik hef mijne ogen op tot U, die in de hemelen zit. Zie, gelijk de ogen des knechten zijn op de hand zijns Heeren, gelijk de ogen der dienstmaagd zijn op de hand harer vrouw, alzo zijn onze ogen op den Heere, onzen God, totdat Hij ons genadig zij".

Er is tweeërlei dienen: in slaafse geest en in kinderlijke gezindheid, een dienen omdat men moet en een dienen omdat men wil, een dienen om loon en een dienen uit liefde. Tot onbekeerden van harte zouden wij zeggen: "indien het tweede niet is, laat dan ten minste het eerste zijn", maar met de bijvoeging: het is niet wat de Heere begeert, maar doe het of het u uit genade mocht gegeven worden u te gewennen aan de Heere en vrede te hebben. Tot de kinderen Gods komt het woord: reeds staat boven de decaloog: "Ik ben de Heere uw God, die u uit Egypteland; uit het diensthuis heb uitgeleid", opdat Israël zou weten, dat dankbaarheid tot het houden van die geboden dringen moest.

Gij dan, die door de verhoogde Middelaar verlost bent uit de banden van zonde, dood en hel; u, die gekocht bent door de dure prijs van Christus' bloed, zal u niet dankbaarheid en liefde dringen? De beweldadigde zegt soms tot de mens, als hij een wens verneemt: "ik ben blij, dat ik iets voor u kan doen", Geredde zondaren! moet het niet tot de Heere opgaan: "mijne vreugde zal het zijn te mogen arbeiden in Uw wijngaard? " Daar mag geen sprake zijn van loon. Daar vraagt de knecht naar, niet de zoon; voor deze is er slechts met het gehele gezin één belang. Hoort, dit is de toon, die in de gemeente klinkt: "Eer ik het wist, zette zich mijne ziel op de wagens van zijn vrijwillig volk", en wederom: "Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten".

Gelijk bij het "Onze Vader" het "die in de hemelen zijt" is gevoegd, zo voegt ook de Heilige Schrift bij het gebod van uit liefde te dienen het woord: "Dient den Heere met vreze". Het kinderlijk ontzag mag nimmer wijken. 't Is de hoge God, met wien de worm dezer aarde, het is de Heilige, met wien de arme zondaar te doen heeft. Daarom roept ons de Apostel Paulus ook toe "weest mijne navolgers, broeders!" ook als hij van zichzelven te Milete voor de ouderlingen van Efeze getuigt, dat hij de ganse tijd bij hen is geweest, "dienende den Heere met alle ootmoedigheid". Bij dat kinderlijk dienen, bij dat leven der liefde alleen kan de opgeruimdheid op het gelaat te lezen zijn, zelfs waar zware last ons drukt; daar alleen kan met vreugde de last op de schouders worden genomen. Die psalmzingende zijn arbeid verricht of zijn weg bewandelt, levert in de regel dubbel werk, en vermoeienis vertraagt zijn tred niet. Laat mij u daarom herinneren aan Psalm 100: "Gij ganse aarde! Juich den Heere, Dient den Heere met blijdschap. Komt voor zijn aangezicht met vrolijk gezang. Weet, dat de Heere is God; Hij heeft ons gemaakt (en niet wij) zijn volk en de schapen zijner weide. Gaat in tot Zijne poorten met lof, in zijne voorhoven met lofgezang. Looft Hem, prijst Zijnen naam, Want de Heere is goed; zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid en zijne getrouwheid van geslacht tot geslacht". Een leger marcheert het gemakkelijkst, als het onder vrolijke muziek loopt in één pas naar het bevel van de overste. Soms zien wij op ons dorp een schare uitgaan naar de akker onder geleide van één hoofd, al zingende, en 's-avonds wordt nog het gezang van de terugkerende jeugdige menigte gehoord.

De Heere wijst ons op de voorzichtigheid van de kinderen dezer wereld, ook wij mogen immers hierop de kinderen des lichts wel wijzen, opdat zij "in hun geslacht" naar de wijze van hun God, desgelijks de weg verkorten, den arbeid verlichten. Of anders, hoort het woord des Heeren Heeren, dat Hij door zijnen profeet Zefanja aan Israël horen deed: "Gewisselijk, Ik zal tot de volken een reine spraak wenden, opdat zij allen den naam des Heeren aanroepen, opdat zij Hem dienen met eenparige schouder". En als u dat woord verder leest, dan zult gij vinden: "De Heere, uw God, is in het midden van u, een Held, die verlossen zal" en wederom: "Ik zal ze stellen tot een lof, en tot een naam in het ganse land, waar zij beschaamd zijn geweest". "Met eenparige schouder". Op den Pinksterdag waren de discipelen "eendrachtig" bijeen. De eerste Christenen waren dagelijks "eendrachtelijk" volhardende. Toen deed de Heere dagelijks tot de gemeente, die zalig werden. In Samaria hielden de scharen zich "eendrachtelijk" aan hetgeen van Filippus werd gezegd, en er werd grote blijdschap in die stad. Wij herinneren u dit, en bidden u met de Apostel Paulus toe "dat de God der lijdzaamheid en der vertroosting u geve, dat u eensgezind zijt onder elkander naar Christus Jezus; opdat gij eendrachtelijk, met Één mond, moogt verheerlijken den God en Vader van onze Heere Jezus Christus".
Wat vreê heeft elk, die Uwe Wet bemint!
Zij zullen aan geen hinderpaal zich stoten.
Ik, Heer, die al mijn blijdschap in U vind,
Hoop op Uw heil met al Uw gunstgenoten;
'k Doe Uw geboôn oprecht en welgezind;
Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.

Ps. 119 : 83.

Niet alleen bidden wij u toe, dat de Heere u dit geve, maar dat Hij u alles geve, wat tot dat ware, oprechte, onafgebrokene dienen behoort; want gelijk het geloof niet uit ons is, zo is ook het dienen des Heeren wel eis, maar het te mogen, te kunnen doen, is genade alleen. Wat dunkt u, daar is een arme slaaf, die door de harden meester wordt gejaagd en met geselen geslagen, die slechts zoveel van de harde broodkorsten en de zwijnendraf krijgt, als eigenbelang ingeeft. Ontvleesd is de rug, vermagerd het gelaat; nog een korte tijd slechts en dan bezwijkt de arme. Daar komt een weldadige, die medelijden heeft, in wiens hart het is, het koste wat het koste, die ongelukkige te redden. Hij koopt hem tot zijn eigendom, de wonden worden verbonden en in 't huis van de nieuwe meester is overvloed, is liefde. Wat, denkt u, zal in het hart van die geredde zijn? Zal hij er zich op beroemen, dat hij de dienaar van die heer heeft willen worden, of spreken van genade? Zal het niet in zijn hart moeten zijn, om zulk een meester nooit te verlaten? Zal hem, gedachtig aan vroeger lijden en uitzicht, ooit enige opdracht te zwaar zijn?

Maar wat gelijkenis zullen wij toepassen op de hardheid van de werelddienst en zijn vreselijk einde? En al ware daarvoor nog een beeld te vinden, zeker niet voor de liefde van onze Ontfermer, zeker niet voor de prijs van dat dierbaar bloed, zeker niet voor de reddende kracht van de Verlosser, en de zaligheden, in de dienst des Heeren Jezus gesmaakt. Genade is het tot Hem gekomen te zijn en het antwoord, in onze eerste Zondag te lezen, het onze te mogen maken; [Wat is uw enige troost, beide in het leven en sterven? Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven niet mijn maar mijns getrouwen Zaligmakers JEZUS CHRISTUS eigen ben, die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomenlijk betaald en mij uit alle heerschappij des duivels verlost heeft en alzo bewaart, dat zonder den wil mijns hemelse Vader geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja ook, dat mij alle ding tot mijn zaligheid dienen moet, waarom Hij mij ook door Zijn Heilige Geest van het eeuwige leven verzekert, en Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt] maar niet minder is het genade, die ons vasthoudt en bewaart.

Hoe dikwijls moeten wij niet weder gebracht worden tot dat schuldbesef, hoe dikwerf van zijpaden en dwaalwegen worden teruggeleid. Gebrek moet de afgedwaalde van het Vaderhuis vaak weder tot bezinning brengen en doen getuigen: "De huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood, en ik verga van honger. Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan". De grote Herder der schapen moet zo dikwijls het schaap, dat onbedacht zijn Herder had verloren, uit de doornen en distelen terughalen en op de schouders wederbrengen. De Hogepriester moet bidden voor Zijn Simons, als Satan hen zoekt te ziften als de tarwe.

Wie van ons buigt niet het schuldige hoofd, als de Heere spreekt (Jer. 3: 1): "Zo een man zijne huisvrouw verlaat en wordt eens anderen mans, zal hij ook tot haar wederkeren? Zou datzelve land niet grotelijks ontheiligd worden? Gij nu hebt met vele boeleerders gehoereerd, keer nochtans weder tot Mij, spreekt de Heere". "Waarlijk, gelijk een vrouw trouwelooslijk scheidt van haar vriend, alzo hebt gijlieden trouwelooslijk tegen Mij gehandeld". Ja, als onze God den eis laat horen: "Dient den Heere", dan gevoelen wij ons schuldig, maar gelukkig, als dan ook mag worden getuigd: "Er is een stem gehoord op de hoge plaatsen, een geween en smekingen der kinderen Israëls, omdat zij hun weg verkeerd en de Heere, hun God, vergeten hebben". Gelukkig, als op de stem van Hem, die getrouw blijft: "Keert weder, gij afkerige kinderen, Ik zal uwe afkeringen genezen", ons antwoord is: "Zie hier zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt de Heere onze God!

Waarlijk, te vergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte der bergen; waarlijk, in de Heere, onze God, is Israëls heil". Gij acht het immers niet een vernederende naam, dat woord: "dienaar"? Alles hangt af van hetgeen daarbij te voegen is: dienaar der wellust, der wereld, des duivels te heten, ja, dat is schande; maar zoudt u het beneden u achten, of niet veel eer, te hoge eer voor u, "minister" d.i. dienaar des konings te worden genoemd? Staat zulk een niet juist bovenaan in de rij der eere? Hoger rijst de waarde van die naam, als het is: "dienaar des goddelijke Woords", hoger, als het is: "dienaar des levenden Gods", Dat geeft gemeenschap met de zaligen daarboven, van wie een Daniël zegt: "Duizendmaal duizenden dienden Hem en tienduizendmaal tienduizenden stonden voor Hem". Klinkt het u niet begeerlijk toe, als de Heere zegt: "Den engelen gelijk"; en wat zijn de engelen anders dan: "Gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden", en hebben zij niet den Heere Jezus gediend in de woestijn?

Of meent u, dat die dienst moeilijk en smartelijk is? Nee waarlijk, mijn geliefden wij behoeven het woord van Maleachi niet tot het onze te maken: "het is te vergeefs God te dienen", en, zo onze dwaasheid soms al een ogenblik klaagt met Asaf, het duurt slechts tot wij het heiligdom ingaan, dan zingen wij weer met hem: "Wien heb ik nevens U omhoog"; en als de Heere, vraagt wanneer de Demassen de tegenwoordige wereld liefkrijgen: "Wilt gijlieden dan ook niet heengaan"? dan antwoorden wij: "Gij hebt mij, naar Uw Woord, mijn oren doorboord, en 't lichaam toegerust".

Wij ontkennen het niet: vele zijn de wederwaardigheden der vromen, maar zelfs in de wederwaardigheden ligt zegen. Als de vijand tegen Stefanus woedt, dan opent God voor hem de hemel, en in 't land van de ballingschap vond meer dan één Johannes een Patmos der openbaringen Gods. Een Van Lodensteijn kon als gevangene in het fort Nieuw Rees in Cleefsland zingen:
's Hemels Geest, dat dierbaar pand,
's Hemels Geest ontziet geen band,
Hoor des hemels lievelingen
Paulus en zijn reisgezel
In de wrede boeien zingen,
's Hemels Geest kent geen gekwel.

Dat dienen is voorbereiding voor het leven in de hemel, waar de heiligen zich geen rust gunnen nacht en dag om Hem te verheerlijken. Ja, reeds dat dienen op aarde is eeuwig leven.

Zo dan, zijt de mensen gelijk, die op hun Heere wachten, opdat als Hij komt en klopt, zij Hem terstond mogen opendoen. "Zalig zijn de dienstknechten, welke de Heer, als Hij komt, zal wakende vinden. Gij dan zijt ook bereid, want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des mensen komen" [Lukas 12: 37]. Maar "indien iemand dient, die diene als uit kracht, die God verleent; opdat God in alles geprezen worde door Jezus Christus, welken toekomt de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid.
AMEN.

Slotzang Ps. 97: 7.


Gods vriend' lijk aangezicht,
Heeft vrolijkheid en licht
Voor all' oprechte harten,
Ten troost verspreid in smarten.
Juicht, vromen, om uw lot;
Verblijdt u steeds in God;
Roemt, roemt Zijn heiligheid;
Zo word' Zijn lof verbreid
Voor al dit heilgenot.

Ds. F.P.L.C van Lingen

In leven grondlegger van de Christelijke Gereformeerde Kerk na 1892 en Theologische School Apeldoorn.