De mirten in de diepte

Ds. P.J.M. de Bruin

"Ik zag des nachts, en ziet, een Man rijdende op een rood paard, en Hij stond tussen de mirten, die in de diepte waren; en achter Hem waren rode, bruine en witte paarden." Zacharia 1: 8

In het tweede jaar van Darius Hystaspes geschiedde het Woord des Heeren tot Zacharia, de zoon van de priester Berechja. Hij was het hoofd van een van de priestergeslachten, die met Zerubbabel en Jozua uit Babel waren teruggekeerd. Hij volgde zijn grootvader in de priesterlijke waardigheid op en werd tevens als profeet van de Heere geroepen om Zijn mond tot het volk en die van het volk tot God te zijn.

Droeve tijden had Israël doorgemaakt vanwege de tuchtiging van de Allerhoogste en nog was het in alles geen zegen en vrede. Waar de vorige profeten, bij de troostredenen, de bazuin van de godsgerichten aan de mond hadden gezet, zo wordt Zacharia opgedragen om de balsemfles ter hand te nemen. "Mijn huis zal gebouwd worden" was de last des Heeren. Ook zijn voorganger had die blijde boodschap al verkondigd, maar hoe verschillend waren zij beiden in hun mededeling. Haggai bleef meer bij de uitwendige bouw van de tempel staan. Zijn opwekkend woord was arm in taal en uitwerking en kwam veel overeen met het uitwendige van de tempel, die gebouwd werd, welke zich ook zo arm en gering trots allen tegenstand zou verheffen. Maar deze profeet verdiept zich met diepzinnige blik in de beschouwing van de inwendige heerlijkheid van het nieuwe heiligdom. Hij ziet daarin een symbool van het godsrijk, dat als een hemels en eeuwig gebouw zich te Sion verheft, waartegen alle stormen van tegenstand verbroken zullen worden.

In dit hoofdstuk bewijst hij, waarom dat overblijfsel zo onoverwinbaar is en waarom Gods zaak, zo nietig voor het oog, toch de eeuwen zal verduren.

Misschien zult u vragen: waarom spreekt u van het volk van de Heere, en niet van de kerk, daar deze wordt afgebeeld in haar droeve staat en haar leden in kommer zuchten. "Kerk" is enkelvoudige benaming en daarop passen dan ook enkelvoudige beelden, als: woonstede des Allerhoogsten, als: het Sion welks poorten beminnelijker zijn, of liever de woningen Jacobs overtreffen. Zij wordt voorgesteld als een dochter, een bruid, een vrouw, in haar liefdesbetrekking tot de Heere. Verkeert zij in de druk, dan wordt zij genoemd een nachthut in de komkommerhof of een belegerde stad. Maar hier spreken wij van 's Heeren volk. "Volk" is een verzamelwoord, dat wil zeggen: een massa wordt daardoor verstaan. Dergelijke beeldspraak vindt men wel meer omtrent het erfdeel des Heeren, als "eikenbomen der gerechtigheid", "lelien der dalen", en hier "mirten in de diepte". Wel hebben sommigen gedacht aan het land van Juda, een bij de Heere dierbaar en liefelijk land, maar de meesten passen het toe op het rijk des Heeren en de toestand van Zijn volk.

U kent vast de dagen van Zacharia de zoon van Iddo. Het waren dagen van druk en smart, hoewel de Heere verademing had gegeven. Wel had Hij ze uitgevoerd uit het land van Babel met een sterke hand en grote verlossing evenals voor eeuwen uit het land van Egypte, maar de vijanden verhieven zich toch nog met alle macht.

Waar waren de dagen van David en Salomo, als de Heere Zijn heerlijkheid in het midden van hen stelde. Die tijd was een gouden eeuw, waarbij het spreekwoordelijk was geworden "te zitten onder zijn wijnstok en vijgeboom". Nu werden die stad en tempel, weleer tot de grond verwoest, zo dikwijls in bouwen gestremd. Gedurig was het woord van toepassing: de kracht der dragers is vervallen. Het volk van de Heere zuchtte in deze weg. Hoe hartelijk begeerden zij dat de Heere eens volkomen rust mocht schenken en dat de uiterlijke openbare godsvereering eens mocht bloeien. Vurig wensten zij dat Hij Zijn heerlijkheid aan hen mocht openbaren, Zijn naam groot maken onder de heidenen. Daarom was de grondtoon van hun bede tot de troon "Zeg tot Jeruzalem: word gebouwd: en tot den tempel: word gegrond."

In deze toestand verschijnt de Heere nu op een bijzondere wijze aan Zacharia, zoals Hij ook onderscheiden Zijn knechten leidt in het binnenste heiligdom. Hier was het nacht, de donkerheid had het licht verdreven, de duisternis was als een kleed over het aardrijk verspreid. Hij was wakende en in een zelfbewuste toestand. Zijn ziel werd ontdaan van de banden van het lichaam en door een heilige verrukking werd hij aangegrepen. Zo iets had voorzeker ook een Elihu ondervonden, als hij zegt: "In de gezichten des nachts openbaart Hij het voor de oren der lieden", ja hij deelt zijn ervaring mee, hoe de haren zijns hoofds ten berge rezen, als de geest van het verleden zijn schuldregister voor de aandacht plaatste en uitriep: zou een mens rechtvaardig zijn voor God? Zou een schepsel reiner zijn dan zijn Maker?"

Zo werd Zacharia nu weggeleid in de geest en door de gedachten werd hij vervoerd en geplaatst in een dal. Daar zag hij in de diepte een mirtenbosje gelegen. Een mirtenbosje. Ook wij mogen met de man Gods wel vragen: mijn Heere wat zijn deze? En moge die enige Leraar uit duizend ook ons antwoorden: "Ik zal u tonen wat deze zijn". Komt volgt ons met uw aandacht, want onder dit beeld komt nu het volk van de Heere hier voor.

Een mirt is klein van geboomte, zij is althans niet hoog, maar groeit meer laag bij de grond. Zo is het volk van de Heere klein en gering in eigen schatting. Als het geloof mag zegepralen of zij in de Heere worden aangemerkt, dan zijn zij groot en zeer verheven. Dan is de kerk als een stad boven op een berg van verre te aanschouwen, dan is het volk van de Heere als de cederen Gods op de Libanon, maar in eigen schatting zijn zij weinig van betekenis.

Hoe kan dat zijn, wilt u vragen, daar een mens zich gewoonlijk verheft en op zijn daden roemt. Als hij kon, zou hij de aarde omkeren en het doek des hemels wenden, doordat de slangentaal hem telkens te binnen fluistert "Gij zult God gelijk zijn, kennende het goede en het kwade." Wat de oorzaak is? Deze moet men zoeken in de rechte ontdekking aan zichzelf door de Heilige Geest. In het recht gezicht van schuld en zonden, van de diepe aard en wortel van het kwaad, waardoor God is beledigd. Zijn hoogheid geschonden. In de zuivere overtuiging bij de voortgang van zwakheid en onvermogen, in natuur en in genade, zodat men zich niet roeren noch bewegen kan, buiten Gods wil. In afhankelijkheid van God en Zijn genade, dat de ziel Hem in alles en tot alles onmisbaar nodig heeft. In de zuivere hoogschatting van de Heere in Zijn dienenswaardigheid en heerlijkheid. Die hoogheid Gods wordt op het hart gebonden, de kinderlijke vreze in de ziel gelegd. Het past hun te zwijgen, te gehoorzamen, achteraan te kleven, gelijk de dichter daarvan spreekt, en zich toe te vertrouwen. Zo hoort men van de een: "Ik zal mijn mond niet meer opendoen, want Gij hebt het gedaan", of een ander: "Geef mij 't pad van uw geboden te lopen", of een derde "Trek mij, Heere, dan zal ik u nalopen" of eindelijk: ,,Op u o Heere, betrouw ik, laat mij niet beschaamt worden".

Is een mirt in zijn soort niet hoog, zo is ook de aard van het geestelijk leven: de genade maakt geen hoge mensen. Waar de Heilige Geest zich in het hart openbaart, daar vertoont zich ook de vrucht in eenvoudigheid gelijk God ook de eenvoudigen zal gadeslaan In geringheid, gelijk David zegt: Ik zal mij nog geringer aanstellen dan alzoo. Zij zijn niet hooggevoelend, maar vrezen. En zeker, als zij zo gesteld zijn, zal het hen niet ledig, noch onvruchtbaar laten. 't Is waar, er zijn vele dorre, dodige tijden, waarin de heerlijkheid is vergaan en de glans verwelkt, maar zijn zij zo voor het aangezicht van de Heere en buigen zij ootmoedig voor God, dan zijn zij als groene planten in den hof des Heeren.

De mirt verliest ook zijn bladeren niet en blijft altijd groen. Zo kan het ook bij de gelovigen niet anders, of dat als de genade aanwezig is en de Heilige Geest door Zijn levendmakende en vernieuwende kracht de sappen van uit de rechten stam laat toevloeien, de Heere wordt in de openbaring verheerlijkt. De bladeren van de belijdenis ontbreken niet, en dat zijn geen dorre, waaromtrent het niet veel schelen kan of zij er aan zijn of dat zij er zijn afgevallen, want zo is het maar gelegen met de belijdenis in de mond van een onherborene, maar hier is door de kracht van het innerlijk leven, door het welzaligend geloof, door 's Heeren gemeenschap, dat zij frisch en schoon zijn voor het oog. Zo behoudt des Heeren volk bij moeilijken strijd nog haar heerlijk groen der genade. Dan is de behoefte levendig, dan heeft men God meer bepaald en volstrekt noodig. Ja waar de grootste ellende soms middellijke oorzaak is van den grootsten zegen en bloei, zoo vertoonen soms die lage mirten hun heerlijkst groen in den strengsten geestelijken wintertijd der kerk.

De mirt is ook een symbool van vrede. Deze kan dan ook niet uitblijven, als het volk van de Heere in eigen schatting gering is en de kracht van de genade ondervindt aan het hart. Het een is aan het andere verbonden en kan van elkaar niet worden gescheiden. Wij zeggen daarmee niet, dat het altijd vrede is, menigmaal is het roerige strijd, of murmurering van het hart, maar als het beeld van de mirt in het hart wordt afgespiegeld, dan genieten zij een vrede, die hart en zinnen bewaart. Een vrede Gods, die alle begrip  van de mensen overtreft. Dan, als tot Zijn discipelen, zegt de Heere: "Mijnen vrede geef ik u. Mijnen vrede laat ik u, niet gelijkerwijs de wereld hem geeft, geef ik hem u, uw hart worde niet ontroerd." Wat dan genoten wordt, is in geen woorden uit te drukken, dewijl men gevoelt, dat het goddelijk en hemels is. De uitlating van Gods gunst geeft stilheid des harten. De kracht van Zijn getuigenis door de Heilige Geest schenkt gelatenheid onder God met een levende hoop, waarbij alle ontroering wijkt, met een stil vertrouwen, dat de Heere het einde kronen zal. Temidden van alle tegenstand en vervolging hoort men: "Doch gij mijn ziel, het ga zoo het wil, stel u gerust, zwijg Gode stil. Ik wacht op Hem, Zijn hulp zal blijken!" Ja Zijn hulp zal blijken, want de mirt wordt ook beschouwd als bet teken der overwinning. Als ten tijde van de Grieken en Romeinen in de loopbaan een prijs was verkregen of men met een renwagen in de circus had overwonnen, of in het worstelperk gezegevierd, dan werden de hoofden der verschillende helden met mirten en lauweren omkranst. 

Maar de lauwerkransen van de aarde zullen verwelken, de takken van de mirten zijn spoedig verdord. Maar de gezegende en eeuwige Borg is een grond voor al Zijn volk: zelf overwonnen en van de Vader gekroond, zal Hij ook de Zijnen doen zegepralen. Toen Hij zelf nog voor het grote werk stond, n.l. voor Zijn borgtochtelijk werk, sprak Hij vol troost: "Hebt goede moed, ik heb de wereld overwonnen."

De overwinnaar worden in het boek der openbaring allerlei dierbare beloften geschonken. Maar waarlijk, van hen is niets te verwachten. Zelf kunnen en willen zij niet standvastig zijn noch getrouw blijven tot het einde, maar alleen door 's Heeren genade en kracht. En hoewel de Heere nu het begin, midden en einde is, zo schrijft Hij de daad der overwinning op hun rekening, alsof zij het zelf volbracht hadden. Dat is een daad van tedere liefde. Verkeren zij nu in de druk of in smartvolle wegen, dan zeggen zij: in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem die ons heeft liefgehad. Al worden de vijanden ook vermenigvuldigd, de Heere zal hen niet begeven noch verlaten, naar al hun vijanden aan hunne voeten onderwerpen. Al treden zij in of door de schaduwen des doods, in de nabijheid van den gezegende Borg en door de kracht des geloofs dagen zij den laatsten vijand uit met Paulus' woord: Dood! waar is uw prikkel? Hel waar is uwe overwinning? Ja al breekt de onherroepelijke eeuwigheid aan, die toekomst kunnen zij onverschrokken verwachten en door de genade mogen zij de toevlucht nemen tot dien nooit beschamende Rotsteen wiens werk volkomen is, om den zegezang op de lippen te nemen: "Wij zullen de eerkroon dragen door U, door U alleen om het eeuwig welbehagen." Ziedaar het volk van de Heere als mirten beschouwd. Waarlijk, dan ziet het er nog zo slecht niet uit, want dan vindt men boetvaardigheid, genade en vrede door Jezus Christus onze Heere. Maar wij zullen ook zien in welke plaats zij zich bevinden. Het mirtenbosje is gelegen in een dal. Van het land der belofte zegt Mozes: "gij weet het, dat een land vol bergen en dalen is." Nu dan, die donkergroene, lieflijk geurige mirten vinden in de vallei een hoogst aangename plaats. Zij groeien bijzonder graag in vochtige streken. In dalen en aan rivieren zijn zij het meest voorspoedig. 't Is waar, de plaats is meer verborgen, onopgemerkt en afgezonderd, zodat deze minder in 't oog valt van de meer onverschillige reiziger, maar toch vinden wij hier een wijs beleid van de Schepper aller dingen, die al het geschapene naar zijn aard volkomen heeft geformeerd. Het dal is de uitverkorene plaats, want de mirt groeit niet op de droge, hoge heuvelen, maar in de diepte verheerlijkt hij op zijne wijze de grootheid van de Schepper. En waarom in de diepte? Wel hij is zo teer en krachteloos, zodat hij de verzengende Oostenwind niet kan verdragen noch ook het bulderen van de Sirocco en Samoen, die de cederen van de Libanon met kracht ter aarde werpen. Oefent de stormwind zijn kracht uit op de rotsachtige toppen van den Hermon, Karmel of Bazan, daarginds omlaag bij de rivieren bloeien de mirten aan stille wateren, ongedeerd voor de woedende wind. Zo wordt hier in beeldspraak de rechte plaats voor het volk van de Heere aangegeven. De rechte plaats, zeker, want zij bevinden zich ook altijd niet waar zij wezen moeten, en het is ongelukkig genoeg dat zij het op verkeerde bodem zolang kunnen uithouden. Maar als zij hun gebrek en gemis ontwaren, kan het hun niet aangenaam in die toestand zijn. Om 't zo uit te drukken gelijkt het dan een huilende wildernis waarin geen geestelijke verkwikking is te vinden. Men vindt geen groei en wasdom, maar veeleer een kwijnen en verachteren in de genade. Zij zijn omringd van het onrein en hatelijk gevogelte, de wereld en de zonde, die niet alleen onrein zijn op zichzelf, maar ook 't gemoed bezoedelen. Maar al te lang kunnen zij dolen over allerlei bergen en heuvelen, maar in hun omzwerven zijn zij ver van de plaats waar zij de Heere kunnen ontmoeten. Door benauwde wegen worden zij soms terecht gebracht.

Maar hier in het woord van onze tekst wordt het volk van de Heere niet voorgesteld als in een woestijn, want de Heere is voor de Zijnen geen woestijn noch een land van uiterste donkerheid. Zij dwalen hier niet over de bergen, maar bevinden zich in de vallei. Wilde de Heere daar menigmaal Zijn knechten de profeten inleiden in de godsgeheimen en de verborgen raad van Zijn wil, de vallei wordt ook als een schone plaats aangewezen voor het volk van de Heere. De profeet stond als op een berg en zij in de vallei, als in de diepte. De naam van de plaats is ons onbekend, maar dat doet aan de zaak ook minder toe. Toch willen wij bij gelijkenis enige dalen aanwijzen waar mirten groeien.

Hebt u  nooit gehoord van het dal van ootmoed? Die ootmoed wordt gekend bij de overtuiging van zonde, als men de ellende gevoelt waarin men verkeert. 't Is waar, er is een overtuiging die een droefheid ten dode werkt, een overtuiging die verhardt in plaats van verbrijzelt. Maar als God door de kracht Zijns Geestes te sterk wordt, dan wordt men ook verlegen en beschaamd. De in zichzelf veroordeelde ziel wist het niet, maar door de ommengselen van Gods goedertierenheid wordt zij gebracht op de plaats waar God haar hebben wil. Daar knielt zij in het stof, daar vertoont zij een gebroken en verslagen hart, daar leert zij ootmoedig smeken om genade en geen recht. Die ootmoed ontstaat door den indruk van Gods hoogheid en majesteit, gelijk Jesaja zegt: "Wee mij, ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben, en woon in 't midden van een volk dat onrein van lippen is." Dit riep hij uit als hij Gods heerlijkheid zag. Die ootmoed ontstaat, als men een rechte blik mag werpen op de ontvangen zegeningen, als men met die zegeningen in God mag eindigen. Als men ziet dat zij zovele zijn tegenover onze zonde en schuld, dat zij oneindig meer zijn, dan wij verdiend hebben, dan wij waardig zijn of ook kunnen verantwoorden. Wat groot, als wij God daarin mogen ontmoeten, of in de kleinste weldaad een bijzondere gunst mogen opmerken. Jacob zegt: "Ik ben geringer dan alle deze weldadigheden en trouw aan mij bewezen" en David roept uit: "Wat zal ik de Heere vergelden voor alle Zijn weldaden." Die ootmoed ontstaat door de uitlating van Gods gunst en liefde. Dan wordt het hart volkomen ingenomen, dan is er rechte gemeenschapsoefening, die onverklaarbaar is. Toen de man naar Gods hart daarin deelde, sprak hij: "Wat zal David nog meer tot U zeggen? Want Gij kent uwen knecht wel, Heere Heere!" Wat was hij nederig gesteld! Wat was hij gering in eigen ogen! Waarlijk dat is een goede plaats, in dat dal moet des Heeren volk zich gedurig bevinden.

Het tweede dal, is het dal des gerichts of het dal van hoop. U kent zeker de treurige geschiedenis van Israël, als het volk tussen Jericho en Ai voor het aangezicht van hun vijanden geslagen werd. Er was een ban in het leger, maar door de bijstand van de Heere is deze ontdekt. Achan werd om zijn dieverij gestenigd en verbrand en de plaats der terechtstelling genoemd: "het dal van Achor." Daarop wijst nu de profeet Hosea, als hij des Heeren volk troost temidden der ellende. "Alzo zegt de Heere: Ik zal naar haar hart spreken, en ik zal haar geven hare wijngaarden van daar af, en het dal Achor tot een' deur der hope, en aldaar zal zij zingen als in de dagen harer jeugd. "Nu weet gij zeker, dat de uitdrukking "dal der hope" of "deur in het dal der hope" zodoende gewettigd is in de ervaring van des Heeren volk. Het wordt bijgebracht als de zondaar recht zijn schuld en zonden mag zien en gevoelen, zodat hij vastelijk meent dat hij geheel verloren is, en krachtens Gods heiligheid en recht zal uitgestoten worden. Van zijn zijde is alle hope verloren, maar daar hoort men hem klagen: "Wees mij genadig, o God! naar uwe goedertierenheid, en delg mijne overtreding uit naar de grootheid Uwer barmhartigheden." En waarlijk! daar belieft het God, de eerste lichtstraal in de duisternis te doen verschijnen, de eerste opening van den kerker zijner ziel. De eerste hope wordt in de ellende geboren, als hij den Christus aanschouwt in Zijne voortreffelijkheid en dierbaarheid, als Borg en Middelaar. Nu is hij nog niet gered, maar ziet het middel van behoud in Christus om tot Hem met zijn noden en ellenden de toevlucht te nemen. Dat gericht, die opening schenkt vrede en blijdschap.

Het derde dal is het dal van smart of Bahadal. Ook 't gelovig volk uit Zacharia's dagen was in de druk. Ziet op de uitdrukking van de dichter: "Als zij door het Bahadaldal doorgaan, stellen zij Hem tot een fontein, ook zal de regen hen gans rijkelijk overdekken." Wat al druk en tegenheden worden er ervaren. Wat al moeite en kommer wordt er door gemaakt, 't Is waar, wij zijn afkerig en vijandig van smart, vandaar soms de klacht bij een kind van God: mijn weg is voor den Heere verborgen en mijn recht gaat als van mijn God voorbij. Maar daar komen van die ogenblikken dat zij buiten den Heere niet langer kunnen omzwerven, van die ogenblikken dat zij Hem bepaald nodig hebben. Dan vluchten zij om hulp en onderstand. Dan smeken zij om genade en zeggen met David: O Heere! mijne hope is op U. Maar ook dan zal de zegen der genade en die des Geestes hen rijkelijk overdekken. Maar al kennen zij nu ook die ootmoed, al gaf de hoop uitzicht op redding, al hebben zij vele wederwaardigheden doorgemaakt, bij de voortgang zal 't blijven: "door Uwe verootmoediging hebt Gij mij groot gemaakt. Bij de voortgang blijft het: "Vele wederwaardigheden en rampen zijn des vromen lot." Bij de voortgang, al had men de grootste genade, blijft het dat men slechts in hope zalig is. In zulk een dal zijn die mirten meer verborgen. Het volk van de Heere wordt door de wereld minder opgemerkt, zij worden niet geteld noch meegerekend. Een mirt is al te eenvoudig, niets bijzonders wordt er aan gevonden. Zij zijn verborgen, want door die verootmoediging, door die druk, door die begeerte verbergen zij in hun binnenkamer, om hun hart voor God eens uit te storten. Wat zij dan voor mensen niet graag zouden openbaren, wordt de Heere bekend gemaakt.

Voor mensen is het soms nodig zich kloek en dapper te vertonen, terwijl de ziel schreit tot God. Maar in het verborgen ontsluiten zij dan oprecht, ongekunsteld en eenvoudig hun hart. Al zijn het dan gebroken klanken, al ontbreekt het dan aan woorden, de Heere slaat de eenvoudigen gade.

In die dalen zijn vele mirten bij elkaar. Daar althans kan het volk van de Heere elkaar recht ontmoeten, met elkaar omgaan, zodat de een de ander is tot troost en bemoediging. Op de weg van ootmoed vindt men rechte vereniging, daar kunnen zij elkander verstaan. In smart en kommer hebben zij elkander nodig. Het is ook een hoop die door God de Heiligen Geest in het hart gewrocht is. Daar in die dalen kunnen zij groeien en bloeien aan de stromen van de genadewateren. De wortelen van het geestelijk leven geraken vaster en dieper, het leven openbaart zich in werkzaamheid, het geloof in zijn oefening, zodat zij ook het genot van het leven smaken en vruchten voortbrengen. Dan is de gelovige als een boom geplant aan waterbeken, die zijn vrucht heeft op zijn tijd en welks blad niet afvalt. Dan zegt de dichter: "Gij voert mij aan zeer stille wateren en verkwikt mijne ziel." Dat zijn nu de mirten waarvan de Heere zegt: "Zij zijn een planting Mijner handen en een werk Mijner vingeren, waarin Ik verheerlijkt word."Niet dat zij die vastigheid van zich zelf bezitten. O nee, maar nu is de verschoning des Heeren over hen. Zo zal de Heere Zijn arm volk bewaren en niet laten verzocht worden boven vermogen, maar met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat God in Zijn eigen werk verheerlijkt worde.


Ds. P.J.M. de Bruin

In leven Christelijk-Gereformeerd predikant in Apeldoorn. Docent Theologische School Apeldoorn.