Belijdenis


Van het begin van de wereldgeschiedenis af is er geen land, geen enkele stad en geen enkel huis geweest dat de godsdienst kon missen. Daarin ligt een stilzwijgende erkentenis, dat in aller hart een bewustzijn van het Godsbestaan is ingeschreven. Sommigen hebben beweerd dat de godsdienst is uitgedacht door sluwe volksmenners om het volk in de band te houden. Toegegeven, op het gebied van de godsdienst is zeer veel verzonnen, om daardoor het eenvoudige volk bang en volgzamer te maken, maar dit zou niet gelukt zijn als die zielen niet reeds tevoren de overtuiging omtrent het Godsbestaan bezaten, waaruit als een kiem de neiging tot godsdienst opschiet. 

 J. Calvijn


Met de uitdrukking 'openbaring' wordt bedoeld: alle werken die van God uitgaan om de mens te brengen en te houden in relatie tot Hem. Openbaring heeft de onderstelling, dat er twee werelden zijn, een bovennatuurlijke en een natuurlijke, een hemelse en een aardse. Ieder mens wordt geroepen om te bedenken de dingen die boven zijn (lees Colossenzen 3: 2). Door veel mensen in onze tijd wordt het bovennatuurlijke ontkend. Zij gaan uit van het hier en nu en hebben een z.g. gesloten wereldbeeld. De Reformatoren, met name Calvijn, heeft benadrukt dat de mens door de zonde zó verduisterd is in zijn verstand, dat hij uit de algemene openbaring (waaronder de zichtbare werkelijkheid om ons heen) nooit God kan leren kennen. Gods bijzondere openbaring is noodzakelijk: d.i de Bijbel. Deze bijzondere openbaring wordt door Calvijn met een bril vergeleken. Maar alleen een bril is niet voldoende om te kunnen zien. Het oog van het geloof is daarbij onmisbaar (Marcus 8: 23, 24). 


De Reformator Calvijn zegt in het eerste boek van zijn Institutie dat ieder mens, die ware wijsheid bezit, twee zaken kent: 1. God en 2. zichzelf. Het is moeilijk te zeggen welke van deze twee voorop gaat, aldus Calvijn, want niemand kan zichzelf in waarheid kennen, of hij richt zich direct op tot God. Anderzijds: zal een mens nooit tot zuivere kennis van zichzelf komen, tenzij hij eerst gezien heeft Wie God is. 


Een volledige definitie te geven wie God is, is onmogelijk; juist omdat Hij God is: in Zichzelf oneindig en gaat dus alle begrip en beschrijving te boven. Over God spreken kunnen wij alleen in zoverre Hij Zich geopenbaard heeft.


"Wij moeten God kennen in Zijn deugden, als heerlijk in heiligheid, rijk in barmhartigheid en getrouw in Zijn beloften. Wij moeten Hem kennen in Zijn Zoon. Zoals een gezicht vertoond wordt in een spiegel, zo zien wij in Christus als in een heldere spiegel Gods schoonheid en liefde schitteren."

Th. Watson


"De ware christen is de enige gelukkige mens, omdat hij vrede in zijn geweten heeft. Die geheimzinnige getuige voor God, die zo genadig in ons geplaatst is, is volkomen voldaan en tevreden gesteld. Hij ziet in het bloed van Christus een volkomen afwassing van alle schuld. Hij ziet in het priesterschap en het middelaarschap van Christus een volkomen antwoord op al zijn angsten. Hij ziet dat door het offer en de dood van Christus God nu rechtvaardig kan zijn en toch de goddeloze kan rechtvaardigen. Hij kan achterom zien en vooruit kijken. Hij heeft een schat die niet door de mot of roest verdorven kan worden; hij heeft een huis dat nooit kan worden afgebroken. Genade zet alles in zo'n hart op de juiste plaats. Christus regeert over de hele mens en daarom functioneert hij weer zoals hij moet functioneren. Het nieuwe hart is het enige werkelijke vrolijke hart, want het is het enige hart dat op orde is."


J.C. Ryle


Zo is er dan geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn. Wat een blijde overwinningsklank! Wat een vrede en zaligheid! Geen verdoemenis! Ja, maar er zijn weinig teksten in de Bijbel, die zo scherp het tweevoudig pad boodschappen als deze jubel. Geen verdoemenis, zeker, maar alleen voor degenen die in Christus Jezus zijn. Dit is dus heel beperkt; dit trekt een harde scheidslijn onder de mensen; dit zegt dat er wel verdoemenis is voor degenen die niet in Christus Jezus zijn en niet in Hem geloven; zij gaan verloren, en...laat nu in geen enkele prediking, ook niet in de evangelisatie woorden deze kant achterwege blijven. Zeker, deze rede klinkt hard, maar onze Heiland, Die als geen ander kon zeggen: Leert van mij dat Ik zachtmoedig ben, heeft deze hardheid nooit vermeden; Hij die roept: Komt allen tot Mij, laat in hetzelfde hoofdstuk (Mattheus 11) het verschrikkelijk wee u over Galilea's steden voorafgaan, en zijn rede in Kapernaum is hard (Johannes 6), omdat Hij, Die gekomen is om vuur op te aarde te werpen, de crisis voltrekt, en met heilige keur het snode van het kostelijke scheidt. Durven wij dit aan in Jezus naam? Of zijn we daarvoor te lief geworden? Zijn wij getrouw als het hier op aankomt? Er is wel reden voor de vrees dat menigeen zich aan deze stoffen niet meer waagt; we moeten immers bij die stoffen scherpe lijnen trekken; we lopen dan gevaar een farizese koers in te varen, we veroordelen dan licht tal van mensen, die hartelijk religieus zijn maar van de Bijbelse waarheden weinig of niets moeten hebben; we stoten dan af, we krijgen zo'n slechte naam, we worden in het slop van de bekrompenen geplaatst, en .. is het niet verstandiger deze 'donders' te bewaren totdat de mensen, de bekeerde mensen, de gefundeerde mensen ze verdragen kunnen? Zo redeneert men, terwijl men zonder veel moeite het antwoord kan vinden in Gods Woord. Want niet het gehoor of het publiek bepaalt de inhoud van de prediking, maar de grote Zender zelf en Hij heeft ons als het boek van Zijn openbaring zijn Woord gegeven. Dat geeft de norm en de toon aan, en dat spreekt ook van gericht. Daarom zwijgt Paulus niet van Gods oordeel noch in Athene, noch tegenover Felix, en dat hij beide malen geen gehoor vindt ligt niet aan de methode van zijn prediking, maar aan het ongeloof van zijn hoorders. Onze vaderen hebben in hun Confessie geen andere geloofstaal laten horen. Wij staan nog op dezelfde confessionele grondslag. Hier zij gewezen op artikel 37 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, zondag 2-4 en 19 van onze Catechismus, en o.a. in par. 4, 15, 15 van artikel 1 van de Dordtse Leerregels. 

K. Dijk (In leven hoogleraar aan de Theologische school in Kampen) in: Het gericht in de prediking des Woords, Delft 1952


Algemene of oecumenische belijdenisgeschriften

Tot de algemene of oecumenische belijdenisgeschriften behoren: (worden wereldwijd erkend door de christelijke kerken).

1. De Apostolische geloofsbelijdenis (of de 12 artikelen van het algemeen, ongetwijfeld, christelijk geloof. Niet door de apostelen opgesteld, maar in overeenstemming met de apostolische leer. Leidraad is de doopsformule: Vader, Zoon en Heilige Geest.

2. De geloofsbelijdenis van Nicea (325 Nicea: Godheid van Christus verdedigd en dwalingen weerlegd).

3. De geloofsbelijdenis van Athanasius Niet door Athanasius opgesteld, maar wel in zijn geest. Athanasius heeft de leer van de Goddelijke Drie-eenheid krachtig verdedigd tegenover Arius.)


De uitvoering van Gods Raad van eeuwigheid in de tijd begint met de schepping. Ze is de aanvang en grondslag van de Openbaring Gods en het fundament van alle religieuze en ethische leven 

H. Bavinck


Bijzondere (gereformeerde) belijdenisgeschriften

Bijzondere belijdenisgeschriften (of Drie Formulieren van Enigheid) worden specifiek erkend door alle christelijke kerken in Nederland, die willen staan op gereformeerde grondslag. Deze belijdenisgeschriften zijn geen verbeteringen van de algemene belijdenisgeschriften alsof deze iets tekort zouden doen aan de waarheid. Echter tijdens de Middeleeuwen was de christelijke kerk in de vorm van de Rooms Katholieke Kerk erg verbasterd geraakt. Een grote onkunde van de Bijbelse leer was onder geestelijken en leken aan de orde van de dag. Mannen als Maarten Luther en Johannes Calvijn hebben de aanzet gegeven tot de kerkhervorming. Hun leerlingen hebben nieuwe belijdenisgeschriften opgesteld, die opkomen tegen de dwalingen van de Rooms Katholieke Kerk, de wederdopers (een radicale stroming tijdens de Reformatie) en later de Remonstranten.

1. Nederlandse Geloofsbelijdenis (37 artikelen opgesteld door Guido de Brès. Voor het ontwerp ervan maakte hij gebruik van de Franse geloofsbelijdenis. In 1561 kwam deze geloofsbelijdenis in onze taal gereed). Achterliggende gedachte was dat de onderdrukkende Roomse overheid een goed beeld kreeg van de inhoud van de gereformeerde leer, en niet werd verward met de opvattingen van de radicale wederdopers.


Het Nieuwe Testament is verborgen in het Oude en het Oude Testament komt openbaar in het Nieuwe 

Augustinus


2. Heidelbergse Catechismus In 1563 opgesteld door Zacharias Ursinus en Caspar Olevianus. In onze taal overgezet door Petrus Datheen. De gewoonte om iedere zondag een keer uit de Heidelbergse Catechismus te preken ontstond al vrij snel na de Reformatie.


"Zo ver, het humanisme verwijderd is van het ware christendom, zo weinig heeft deze zogenaamde humaniteit losgemaakt van de eerste tafel van de wet, met waarachtige naastenliefde te maken."


3. Dordtse Leerregels (of vijf artikelen tegen de Remonstranten), namelijk: 1. Van de Goddelijke Verkiezing en Verwerping (God verkiest uit vrije wil en niet op basis van een vooruitzien geloof). 2. Van de dood van Christus en de verlossing van de mensen daardoor (geen algemene verzoening, maar particuliere genade).  3 en 4. van de menselijke verdorvenheid en bekering tot God alsmede de wijze waarop dit plaatsvindt. (Mens heeft geen vrije wil meer om te kiezen voor God. Zijn wil is volkomen verdorven. De Heilige Geest bearbeidt de mens, slechts goddelijke genade is de mens genoeg) 5. Van de volharding (het zaligmakend geloof verliezen is onmogelijk).


We mogen de leer van de verkiezing niet op één lijn stellen met fatalisme. Dan hebben we een verkeerd beeld van dit onderdeel van de geloofsleer. Calvijn noemt dit geloofsstuk het hart van de kerk. Aan de leer van de verkiezing laat de belijdenis de roeping vooraf gaan. En die roeping in het evangelie is een welgemeende roeping.


Het valt niet te ontkennen dat er tussen de Bijbelse leer en het autonome denken van de mens knelpunten liggen. Met een Bijbels begrip als 'zonde' kunnen wij als moderne mensen niets meer, omdat we gewend geraakt zijn alle normen uit Gods Woord te relativeren naar eigen goeddunken. Bovendien gaan de meeste mensen ervan uit dat de mens in zichzelf goed is, en op het goede gericht is. 

"Buiten de Bijbel heeft ons geweten veel van een klok weg, die nu eens voor en dan eens achter loopt, want deze klok heeft geen regulateur. Er is geen onfeilbaar controle-boek voor het menselijk geweten buiten de bijzondere openbaring."


"Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele; Doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen ten dele is, te niet gedaan worden. Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik te niet gedaan hetgeen eens kinds was. Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben. En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde." (1 Korinthe 13 : 9-13)