De belijdenisgeschriften

In een wereld vol on- en bijgeloof, on- en eigengerechtigheid, ontstond de christelijke kerk aan het begin van onze jaartelling. Toen was het de volheid des tijds, waarvan Paulus spreekt in Galaten 4: 4. Het was Gods tijd om Zijn Koninkrijk helderder tot openbaring te brengen. In de periode van het Oude Testament (de oude bedeling) was er ook een Kerk, maar nog veel meer verborgen en versluierd. Tot volle openbaring en ontplooiing is het Koninkrijk van de Heere Jezus Christus echter nog altijd niet gekomen. Dit zal pas gebeuren bij de voleinding van deze wereld. Bij Zijn Hemelvaart had Christus gezegd: "Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders, en des Zoon, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb. En zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot aan de voleinding van deze wereld" (Mattheus 28: 19, 20). Op allerlei manier is geprobeerd om de christelijke kerk ten onder te brengen of af te leiden van de waarheid. In eerste instantie gebeurde dit vooral door middel van hevige vervolgingen van de christenen door joden en heidenen. Vele apostelen en andere christenen zijn er toen als martelaren vanwege hun belijdenis omgekomen. In een andere vorm gebeurde dit meer van binnenuit, door dwalingen die ingang vonden in de kerk. Hiervan lezen we reeds in het boek Handelingen en de brieven van Paulus maar ook in de kerkgeschiedenis van de eeuwen daarna. Maar wanneer de kerk, ondanks dit alles, toch bleef toenemen en in het geloof stand bleef houden, zocht men de weg van de kritiek en de belastering.

Niets kon de groei van het christendom echter weerhouden. Tot ver over de landsgrenzen en de middellandse Zee heen ontstond een wijdt vertakte  kerk die uiteindelijk in de hele romeinse wereld erkend en tot staatsgodsdienst verheven werd. Onmiddellijk ontstonden echter nieuwe gevaren. Er verschenen allerlei wonderlijke legenden over heiligen en er kwam een systeem van hiërarchie in de kerk. Oorspronkelijk lagen hier volstrekt goede bedoelingen aan ten grondslag, om de mensen te wijzen op goede voorbeelden voor een godvruchtig leven en het systeem van de bisschoppelijke hiërarchie was bedoeld om de wacht te houden over de waarheid. Maar deze methoden konden ook weer ontaarden.

De meeste dwalingen die de kerk dreigden te overmeesteren kwamen op vanuit goede bedoelingen. Men zocht een weg om het christelijk geloof naar buiten toe te verwoorden. Dit moest zo aantrekkelijk mogelijk gebeuren en waar mogelijk, in overeenstemming gebracht worden met de menselijke redelijkheid. In werkelijkheid vond echter een vermenging plaats van de heidense godsdiensten met het christelijk geloof. Marcion wilde vanuit goede bedoelingen de Bijbel aanvaardbaar maken voor de samenleving door deze te ontdoen van lastige passages waaraan de heidenen aanstoot zouden kunnen nemen. Met het Oude Testament had Marcion helemaal niets. Hij stelde zichzelf een God van liefde voor en meende dat deze God in het Oude Testament niet gevonden werd. Uiteindelijk hield hij nog een hele dunne Bijbel over (namelijk een klein deel van het Nieuwe Testament). Een ander, Montanus, wilde het christendom wat meer prikkelend maken en ontdoen van het stoffige imago. Er kwam door zijn toedoen meer aandacht voor extase en tongentaal. Ook dit idee sloot wel goed aan op de sensatiezucht dat mensen van nature eigen is.

Ondanks alles hadden deze ketterijen toch een goed doel. Want zo werd de tijd rijp gemaakt om vast te stellen wat wel de waarheid was en wat niet. Een eerste eenvoudige geloofsbelijdenis werd opgesteld. Ook kwam er een canon van de Bijbelboeken waardoor er onderscheid kwam tussen de boeken die de kerk als geïnspireerd beschouwde door de Heilige Geest en welke boeken niet. Niet dat niet reeds vast stond, hetgeen men geloofde en welke boeken wel of niet tot de canon behoorde, maar men zag de noodzaak in van officiële documenten waaraan de kerk zich steeds weer kon meten. Zo kwam de kerk tot haar geloofsbelijdenissen of 'symbolen' die gegrond zijn op de Bijbel.

Deze geloofsbelijdenissen geven de kernwaarheden van het christelijk geloof weer en zijn tegelijk opgesteld om dwalingen en misverstanden rond het christelijk geloof weg te nemen.

Al in de dagen van Paulus kwamen er dwaalleraars voor (1 Timotheüs 1: 20, Openbaringen 2: 6, Openbaringen 2: 14). De apostelen hadden de Godheid van Christus heel duidelijk beleden, maar in de eerste eeuwen na Christus kwamen er invloedrijke geestelijken op die er toe overgingen om de Godheid van Christus te ontkennen of deze leer een andere invulling te geven. Christus zou wel het eerste en voornaamste Schepsel zijn van de Vader, maar niet gelijk wezens aan de Vader. Anderen meenden dat hij niet evenals God de vader van eeuwigheid zou zijn, maar zijn geadopteerd en daarom Gods Zoon worden genoemd.

De Godheid van Christus en daarmee de Drie-enigheid van God is echter de hoofdslagader van het christelijk geloof. De ontkenning van dit leer- en geloofsstuk treffen we in onze tijd nog steeds aan, onder vrijzinnige theologen, de Jehovah-getuigen, de aanhangers van de Islam en helaas - hoewel de Christus uit hen is voortgekomen - ook nog steeds het Jodendom. Het was de kerkvader Athanasius die de verdediging van de leer van de Godheid van Christus op zich genomen heeft. In het jaar 325 werd op het concilie van Nicea de leer van Arius veroordeeld.

Echter nieuwe dwalingen rezen op. Deze keer was het Pelagius die de leer van de erfzonde en de verdorvenheid van de menselijke natuur ontkende. Ook dit leer- en geloofsstuk staat in het hart van het christelijk geloof. Indien deze leer immers niet waar zou zijn, het met de mens dus wel zou meevallen, zou een volkomen Zaligmaker die volkomen Mens en volkomen God is niet nodig zijn. Alleen een zodanig Iemand kon de schuld van de zonde en de vloek van de wet wegnemen. De ontkenning of afzwakking van dit leerstuk is eveneens nog actueel. Velen kunnen en willen er niet meer mee uit de voeten maar vinden dit een sombere en een deprimerende leer. De leer van Pelagius daarentegen is optimistisch en aantrekkelijk. Men bewondert Jezus en wil Hem navolgen. Het begrip van Gods geschonden rechtvaardigheid ontbreekt. Dat God de zonde zo ernstig neemt dat Hij ze aan Zijn Zoon gestraft heeft vind men bijna onbehoorlijk. Deze gedachte leeft binnen het vrijzinnig christendom en krijgt handen en voeten in de vorm van het christelijk-humanisme. Hier worden de eer en de rechten van God los gemaakt van het welzijn en de rechten van de mensen. Het is echter de vraag of dit nog wel een eerlijke boodschap is. Hierop maar ook op vele andere vragen geven de geloofsbelijdenissen antwoord op grond van de Bijbel. Het is de kerkvader Augustinus geweest die de dwaalleer van de pelagianen bestreden heeft.


Actueel voorbeeld: Schrijver Rutger Bregman schreef een boek: 'De meeste mensen deugen.' Dit boek werd één van de bestverkochte boeken van 2020 en vertaald in drieënveertig talen. De journalistiek schreef erover alsof hier een nieuwe blik op de mensheid ontworpen was.  Bregman ontkent het kwade niet, ook niet in de mens. Maar de mens heeft twee benen: een goed been en een kwaad been. Het gaat erom het goede been te trainen. In werkelijkheid is deze gedachte al zo oud als de mensheid zelf en heeft steeds in allerlei vormen en stelsels de kop op gestoken. Zoals Rutger Bregman deze leer in overeenstemming wil brengen met het evolutionisme, zo wilde Pelagius deze gedachte met het christelijk geloof in overeenstemming brengen. Het is echter Gods Woord (de Bijbel) die het anders leert. De christelijke kerk heeft deze leer dan ook officieel veroordeeld. Opmerkelijk is wel als blijkt dat sommige christenen nogal mild kunnen oordelen over dergelijke boeken. Zo schreef de bekende hoogleraar van de universiteit van Utrecht en belijdend christen Beatrice de Graaf: "Cynici en zwartkijkers kunnen inpakken. Een heerlijk boek voor iedereen die echt realistisch wil zijn." Is Gods Woord dan cynisch en de Heilige Geest een zwartkijker?


Een volgend leer- en geloofsstuk dat de eeuwen door niet minder onder grote druk heeft gestaan is de leer van de kerk. De Kerk heeft een zichtbare en een onzichtbare gestalte. De misvatting ontstond om deze openbaringsvormen te vereenzelvigen. Waar de zichtbare christelijke kerk en haar genademiddelen vereenzelvigd worden met het verborgen koninkrijk van God en de werking van de Heilige Geest, ontstaat een sacramentele kerk waarbij men opgaat in de vorm. Tussen beiden moet echter een groot onderscheid gemaakt worden. Het is zelfs zo dat al zou de zichtbare kerk geheel wegvallen blijft er een onzichtbare Kerk bestaan. Maar, zegt de belijdenis, het is ook verkeerd om de betekenis van de zichtbare kerk en de haar gegeven middelen te relativeren of te miskennen. De dwalingen met betrekking op de leer van de kerk zijn eveneens nog altijd springlevend. De zichtbare kerk is geroepen tot 'pilaar en vastigheid der waarheid' (1 Tim. 3: 15). Het is haar taak om de waarheid te behouden en te symboliseren te midden van een verworden tijd en samenleving. Individueel als christenen, maar ook collectief als gemeente in leer en prediking. Wel blijft de kerk een verzameling van zondaren en op haar akker groeit kruid en onkruid. Op aarde komt de kerk nooit tot een volmaakte gestalte.

Augustinus
Augustinus

Dan zijn daar nog het geloofsstuk van de Goddelijke verkiezing en de leer van de toepassing van het heil. De leer van de verkiezing is vooral verdedigd tegen de remonstranten in de 17e eeuw. De remonstranten zeiden: de mens wordt door God verkoren tot de zaligheid omdat hij gelooft. Deze leer wordt in onze tijd vaak uitgedragen in de vorm van: zet je hart maar open voor Jezus. Een geloof dus dat van de mens uit gaat. De belijdenis spreekt echter uit: de mens wordt verkoren tot het geloof. Het geloof gaat van God uit. In de verkiezing ligt de verklaring waarom de christelijke kerk nooit, zowel in haar zichtbare als onzichtbare vorm, ten onder gebracht zal kunnen worden. Er zullen altijd gelovigen zijn die door verkiezing, roeping en wedergeboorte haar tot openbaring willen brengen. Wel kan zij soms tot zeer klein geworden zijn. Er is geen geloofsstuk dat zoveel weerstand en misvatting heeft opgeroepen als de leer van de verkiezing. Met de laatste vragen rondom de  toepassing van het heil wordt bedoeld: Maar hoe krijgt een individueel mens nu deel aan de verlossing die door de Heere Jezus Christus verworven is? Want ook op die laatste vraag worden soms verschillende antwoorden gegeven.

De belijdenisgeschriften beantwoorden al deze vragen vanuit de Bijbel, het door God geïnspireerde Woord. Zij hebben officieel kerkelijk gezag gekregen op de synode van 1618/1619 gehouden te Dordrecht. Dit was een synode die op gezag van de Nederlandse overheid bijeengeroepen is. Behalve veel Nederlandse waren daar ook verschillende buitenlandse theologen bij aanwezig.


Algemene of oecumenische belijdenisgeschriften

Tot de algemene of oecumenische belijdenisgeschriften behoren: (worden wereldwijd erkend door de christelijke kerken).

1. De Apostolische geloofsbelijdenis (of de 12 artikelen van het algemeen, ongetwijfeld, christelijk geloof. Niet door de apostelen opgesteld, maar in overeenstemming met de apostolische leer. Leidraad is de doopsformule: Vader, Zoon en Heilige Geest.

2. De geloofsbelijdenis van Nicea (325 Nicea: Godheid van Christus verdedigd en dwalingen weerlegd).

3. De geloofsbelijdenis van Athanasius Niet door Athanasius opgesteld, maar wel in zijn geest. Athanasius heeft de leer van de Goddelijke Drie-eenheid krachtig verdedigd tegenover Arius.)

De Apostolische Geloofsbelijdenis

Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.

En in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon, onze Heere;

Die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria;

Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle;

ten derde dage wederom opgestaan van de doden;

opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods, des almachtigen Vaders;

Van waar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden.

ik geloof in de Heilige Geest.

Ik geloof één heilige, algemene, Christelijke Kerk, de gemeenschap der heiligen;

vergeving der zonden;

wederopstanding des vleses;

en een eeuwig leven.


Bijzondere (gereformeerde) belijdenisgeschriften

Bijzondere belijdenisgeschriften (of Drie Formulieren van Enigheid) worden specifiek erkend door alle christelijke kerken in Nederland, die willen staan op gereformeerde grondslag. Deze belijdenisgeschriften zijn geen verbeteringen van de algemene belijdenisgeschriften alsof deze iets tekort zouden doen aan de waarheid. Echter tijdens de Middeleeuwen was de christelijke kerk in de vorm van de Rooms Katholieke Kerk erg verbasterd geraakt. Een grote onkunde van de Bijbelse leer was onder geestelijken en leken aan de orde van de dag. Mannen als Maarten Luther en Johannes Calvijn hebben de aanzet gegeven tot de kerkhervorming. Hun leerlingen hebben nieuwe belijdenisgeschriften opgesteld, die opkomen tegen de dwalingen van de Rooms Katholieke Kerk, de wederdopers (een radicale stroming tijdens de Reformatie) en later de Remonstranten.

1. Nederlandse Geloofsbelijdenis (37 artikelen opgesteld door Guido de Brès. Voor het ontwerp ervan maakte hij gebruik van de Franse geloofsbelijdenis. In 1561 kwam deze geloofsbelijdenis in onze taal gereed). Achterliggende gedachte was dat de onderdrukkende Roomse overheid een goed beeld kreeg van de inhoud van de gereformeerde leer, en niet werd verward met de opvattingen van de radicale wederdopers.

2. Heidelbergse Catechismus In 1563 opgesteld door Zacharias Ursinus en Caspar Olevianus. In onze taal overgezet door Petrus Datheen. De gewoonte om iedere zondag een keer uit de Heidelbergse Catechismus te preken ontstond al vrij snel na de Reformatie.

3. Dordtse Leerregels (of vijf artikelen tegen de Remonstranten, namelijk: 1. Van de Goddelijke Verkiezing en Verwerping (God verkiest uit vrije wil en niet op basis van een vooruitzien geloof). 2. Van de dood van Christus en de verlossing van de mensen daardoor (geen algemene verzoening, maar particuliere genade).  3 en 4. van de menselijke verdorvenheid en bekering tot God alsmede de wijze waarop dit plaatsvindt. (Mens heeft geen vrije wil meer om te kiezen voor God. Zijn wil is volkomen verdorven. De Heilige Geest bearbeidt de mens, slechts goddelijke genade is de mens genoeg) 5. Van de volharding (het zaligmakend geloof verliezen is onmogelijk).