Belijdenis

De belijdenis spreekt zich op grond van Gods Woord uit over vele vragen zoals: Wie is God? Wie is Jezus Christus, Wat is de mens? Maar ook over de (heils)openbaring, over de kerk, over de verhouding van wet en evangelie etc. Doel van de belijdenis is niet om (b.v. het bestaan van God of de waarheid van het christelijk geloof) te bewijzen, maar om op ordelijke wijze in het openbaar uit te spreken wat het christelijk geloof belijdt. Bovendien gingen de meeste mensen, in de tijd dat de belijdenisgeschriften opgesteld werden, ervan uit dat er een God bestond. Of de Bijbel Gods Woord is daaraan twijfelde de opstellers van de belijdenis niet het minst.[*]


Godsdienst wordt in onze tijd door seculiere wetenschappers verklaard uit allerlei psychosociale of zelfs evolutionaire redenen. Mens voelt zich angstig in het grote heelal etc. Voor de mens die natuur en milieu naar zijn hand weet te zetten is godsdienst waardeloos geworden, of heeft hoogstens nut voor de persoon in kwestie die gelooft: weet er troost en geborgenheid uit te putten. Veel (ook huidige) religiebeoefening geeft ook wel reden om dit te denken. Het doet zich eerder voor als consumptieartikel toegesneden op de mens in plaats van Goddelijke heilsopenbaring: Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen (Lees 1 Korinthe 2: 7-10)[*]


Onder invloed van het postmodernisme (grote verhalen sinds de grote wereldoorlogen stukgelopen) zijn mensen van de eenentwintigste eeuw allergisch geworden voor kant-en-klare antwoorden. Zelfs binnen de kerk neemt deze invloed toe. Toch wil de kerk - als het goed is - met de belijdenis zich duidelijk blijven uitspreken over die zaken waar de Bijbel ook helder over spreekt. 


De christelijke leer is geheel en alleen gebaseerd op de Persoon en het werk van Jezus Christus. Jezus noemt Zichzelf de Waarheid (Johannes 14: 6, Johannes 18: 37) en Zijn discipelen erkennen dat (Johannes 6: 68,69 ).[*] De evangelisten, met name Mattheus, wijzen Hem aan als de beloofde Messias, de vervulling van het Oude Testament. (Mattheus 2: 1-5 e.v.)[*]


"In die tijd dat ik mijn aandacht aan de Bijbel begon te wijden, voelde ik niet, zoals ik nu spreek, maar zij scheen mij niet waardig om met de waarde van Cicero vergeleken te worden. Want mijn opgeblazenheid wilde niets weten van haar ingetogenheid en mijn scherpzinnigheid drong niet door tot haar innerlijk. Ik vond het beneden mijn waardigheid één der kleinen te zijn, en gezwollen van trots, vond ik mijzelf te groot. (..) Gij overtuigde mij ervan dat niet zij, die Uw boeken geloven, welke Gij bij bijna alle volkeren met zo groot gezag gevestigd hebt, maar zij die hen niet geloven te laken zijn. (..) Dat staat niet in die [heidense] boeken. Op die bladzijden staat niets over de gelaatstrekken van die godsvrucht, over de tranen van belijdenis, over Uw offeranden, een gebroken geest en een gebroken en een verslagen hart, over de redding uws volks, over de stad, toebereid als een bruid, over het onderpand des Heiligen Geestes, over de beker onzer verlossing. Niemand zingt daar: Zal mijn ziel niet stil zijn tot God? Want van Hem is mijn heil: immers Hij is mijn God en mijn heil, mijn toevlucht, ik zal niet meer wankelen." Niemand hoort daar Hem, die roept: "Kom herwaarts tot Mij, die vermoeid zijt." Zij verwaardigen zich niet van Hem te leren, dat Hij zachtmoedig is en nederig van hart. Want Gij hebt deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen en hebt dezelve de kinderkens geopenbaard." (Aurelius Augustinus)


Augustinus met zijn moeder Monica
Augustinus met zijn moeder Monica

De mens, hoe seculier hij zich ook voordoet, is ten diepste een religieus wezen. Dit blijkt als er ingrijpende dingen plaats vinden in het persoonlijke of maatschappelijke leven. Niet vreemd, want: "van het begin van de wereldgeschiedenis af is er geen land, geen enkele stad en geen enkel huis geweest dat de godsdienst kon missen. Daarin ligt een stilzwijgende erkentenis, dat in aller hart een bewustzijn van het Godsbestaan is ingeschreven. Sommigen hebben beweerd dat de godsdienst is uitgedacht door sluwe volksmenners om het volk in de band te houden. Toegegeven, op het gebied van de godsdienst is zeer veel verzonnen, om daardoor het eenvoudige volk bang en volgzamer te maken, maar dit zou niet gelukt zijn als die zielen niet reeds tevoren de overtuiging omtrent het Godsbestaan bezaten, waaruit als een kiem de neiging tot godsdienst opschiet." (Calvijn)


Er is een grote verscheidenheid aan religie. Wie zou uitmaken wat waarheid is? Alle religies die er op aarde geweest zijn onderzoeken is een onmogelijkheid. God Zelf moet die waarheid hebben bekendgemaakt (geopenbaard). Anders zou niemand met zijn gedachten tot die waarheid zijn opgeklommen. Met de uitdrukking 'openbaring' wordt bedoeld: "alle werken die van God uitgaan om de mens te brengen en te houden in relatie tot Hem." Openbaring heeft de onderstelling, dat er twee werelden zijn: een bovennatuurlijke (onzichtbare) en een natuurlijke (zichtbare), een hemelse en een aardse. Ieder mens wordt geroepen om "te bedenken de dingen die boven zijn" (lees Colossenzen 3: 2). Door veel mensen in onze tijd wordt het bovennatuurlijke ontkend. Zij gaan uit van het hier en nu en hebben een z.g. 'gesloten wereldbeeld.' De Reformatoren, met name Calvijn, hebben benadrukt dat de mens door de zonde zó verduisterd is in zijn verstand, dat hij uit de algemene openbaring (de zichtbare werkelijkheid om ons heen) nooit God kan leren kennen. Gods bijzondere openbaring is noodzakelijk: d.i het door God geïnspireerde Woord: de Bijbel (lees 2 Petrus 1).[*] Deze bijzondere openbaring wordt door Calvijn met een bril vergeleken. Maar alleen een bril is niet voldoende om te kunnen zien. Het oog van het geloof is daarbij onmisbaar (Marcus 8: 23, 24,25 ).[*]


Een volledige definitie te geven wie God is, is onmogelijk; juist omdat Hij God is: in Zichzelf oneindig en gaat dus alle begrip en beschrijving te boven. Over God spreken kunnen wij alleen in zoverre Hij Zich geopenbaard heeft. Hij is de Bron van het goede (Lees Psalm 136) [*]


Er is overal ordening in het heelal (de natuurwetten) te bespeuren, maar ook het leven op aarde heeft ordening nodig. Die orde heeft God in de schepping gelegd. "De uitvoering van Gods Raad van eeuwigheid in de tijd begint met de schepping. Ze is de aanvang en grondslag van de Openbaring Gods en het fundament van alle religieuze en ethische leven." (Bavinck)


Het bestaan van ieder mens roept talloze vragen op: Waar komen wij vandaan? Zijn wij product van het toeval? Hebben wij een hogere bestemming dan een tijdelijk verblijf op deze aarde? Zijn we slechts ons lichaam of een 'machine'? Wat is de essentie van de menselijke geest? Welke wezenlijke verschillen zijn er tussen mens en dier? (b.v. Een mens kan verantwoordelijk gehouden worden voor zijn daden en een dier niet). Een levensbeschouwing, waaronder de verschillende godsdiensten, houdt zich bezig met deze vragen. Volgens de christelijke antropologie (antropologie = leer van de mens) is de mens geschapen in relatie tot God, de Schepper. De seculiere antropologie ziet de mens los van God (Heeft God doodverklaard: speelt geen rol meer in deze wereld waarin wij mensen leven - hooguit zelf medelijdend - en wordt genegeerd in het debat hoe wij moeten leven). In zekere zin is de mens sinds de zondeval (Genesis 3)[*] inderdaad los van God komen te staan, maar dit betekent niet dat het schepsel (de mens) geen rekening meer hoeft te houden met de Schepper (God). Mens blijft verantwoordelijk ten opzichte van de Schepper. Gods oorspronkelijke scheppingsdoel met de mens is blijven staan. 


De Bijbel laat de eenheid van het menselijk geslacht zien (geen grond voor discriminatie op basis van etniciteit) en benadrukt dat de mens afzonderlijk van alle andere schepselen geschapen is als man en vrouw. Niemand minder dan Jezus Christus heeft dit laatste benadrukt (Mattheus 19:4) [*] en in navolging daarvan ook Paulus (1 Korinthe 11: 12).[*]


In tegenstelling tot het evolutionisme die de mens verlaagt tot een dier, benadrukt de Bijbel de hoge komaf van de mens (Lees Psalm 8).[*] Mens is geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Hij kende God, leefde in Zijn gemeenschap en de menselijke wil was volkomen in harmonie met Gods wil. Dit beeld Gods kan nooit meer geheel vernietigd worden, omdat het behoort tot de oorspronkelijke natuur van de mens. Wel blijkt juist op deze punten, sinds de zondeval, de menselijke degradatie: Verwrongen Godsbeeld (heidense afgodendienst, en ook moderne eenzijdige godsbeelden), Gemeenschap met God kwijt (verlangen mens naar geluk, naar liefde, vervulling etc.),  Mens stelt zichzelf als norm en maatstaf. 


"De Bijbel laat de mens zien zoals hij daadwerkelijk [geworden] is. Zij is behalve hoogste openbaring dus ook de helderste spiegel." (J.J. van Oosterzee).


De reformator Calvijn zegt in het eerste boek van zijn Institutie dat ieder mens, die ware wijsheid bezit, twee zaken kent: 1. God en 2. zichzelf. Het is moeilijk te zeggen welke van deze twee voorop gaat, aldus Calvijn, want niemand kan zichzelf in waarheid kennen, of hij richt zich direct op tot God. Anderzijds: zal een mens nooit tot zuivere kennis van zichzelf komen, tenzij hij eerst gezien heeft Wie God is. 


"Wij moeten God kennen in Zijn deugden, als heerlijk in heiligheid, rijk in barmhartigheid en getrouw in Zijn beloften. Wij moeten Hem kennen in Zijn Zoon. Zoals een gezicht vertoond wordt in een spiegel, zo zien wij in Christus als in een heldere spiegel Gods schoonheid en liefde schitteren." (Th. Watson).


Hoe moeten wij Jezus van Nazareth zien, de Persoon waarvan de meeste wetenschappers erkennen dat die daadwerkelijk aan het begin van onze jaartelling in Palestina geleefd heeft? Wij geloven dat: "de Persoon van Jezus Christus getekend als bevrijder van oorlogsgeweld, armoede en discriminatie (zoals de moderne theologie leert) niet anders is als een karikatuur.  Hij is de Verlosser van de zonde en schuld die wij bij God gemaakt hebben."


Een vriendelijke vorm van het christendom dat hand in hand gaat met het humanisme lijkt aantrekkelijker als het christendom van verzoening en voldoening. Het schijnt zo weinig verdraagzaam en liefdeloos. Toch: "zo ver, het humanisme verwijderd is van het ware christendom, zo weinig heeft deze zogenaamde humaniteit losgemaakt van de eerste tafel van de wet, met waarachtige naastenliefde te maken."


"Zo is er dan geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn. Wat een blijde overwinningsklank! Wat een vrede en zaligheid! Geen verdoemenis! Ja, maar er zijn weinig teksten in de Bijbel, die zo scherp het tweevoudig pad boodschappen als deze jubel. Geen verdoemenis, zeker, maar alleen voor degenen die in Christus Jezus zijn. Dit is dus heel beperkt; dit trekt een harde scheidslijn onder de mensen; dit zegt dat er wel verdoemenis is voor degenen die niet in Christus Jezus zijn en niet in Hem geloven; zij gaan verloren, en...laat nu in geen enkele prediking, ook niet in de evangelisatie woorden deze kant achterwege blijven. Zeker, deze rede klinkt hard, maar onze Heiland, Die als geen ander kon zeggen: Leert van mij dat Ik zachtmoedig ben, heeft deze hardheid nooit vermeden; Hij die roept: Komt allen tot Mij, laat in hetzelfde hoofdstuk (Mattheus 11)[*] het verschrikkelijk wee u over Galilea's steden voorafgaan, en zijn rede in Kapernaum is hard (Johannes 6)[*], omdat Hij, Die gekomen is om vuur op te aarde te werpen, de crisis voltrekt, en met heilige keur het snode van het kostelijke scheidt. Durven wij dit aan in Jezus naam? Of zijn we daarvoor te lief geworden? Zijn wij getrouw als het hier op aankomt? Er is wel reden voor de vrees dat menigeen zich aan deze stoffen niet meer waagt; we moeten immers bij die stoffen scherpe lijnen trekken; we lopen dan gevaar een farizese koers in te varen, we veroordelen dan licht tal van mensen, die hartelijk religieus zijn maar van de Bijbelse waarheden weinig of niets moeten hebben; we stoten dan af, we krijgen zo'n slechte naam, we worden in het slop van de bekrompenen geplaatst, en .. is het niet verstandiger deze 'donders' te bewaren totdat de mensen, de bekeerde mensen, de gefundeerde mensen ze verdragen kunnen? Zo redeneert men, terwijl men zonder veel moeite het antwoord kan vinden in Gods Woord. Want niet het gehoor of het publiek bepaalt de inhoud van de prediking, maar de grote Zender zelf en Hij heeft ons als het boek van Zijn openbaring zijn Woord gegeven. Dat geeft de norm en de toon aan, en dat spreekt ook van gericht. Daarom zwijgt Paulus niet van Gods oordeel noch in Athene, noch tegenover Felix, en dat hij beide malen geen gehoor vindt ligt niet aan de methode van zijn prediking, maar aan het ongeloof van zijn hoorders. Onze vaderen hebben in hun Confessie geen andere geloofstaal laten horen. Wij staan nog op dezelfde confessionele grondslag. Hier zij gewezen op artikel 37 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, zondag 2-4 en 19 van onze Catechismus, en o.a. in par. 4, 15, 15 van artikel 1 van de Dordtse Leerregels." (K. Dijk (In leven hoogleraar aan de Theologische school in Kampen)



Algemene of oecumenische belijdenisgeschriften

Tot de algemene of oecumenische belijdenisgeschriften behoren: (worden wereldwijd erkend door de christelijke kerken).

1. De Apostolische geloofsbelijdenis (of de 12 artikelen van het algemeen, ongetwijfeld, christelijk geloof. Niet door de apostelen opgesteld, maar in overeenstemming met de apostolische leer. Leidraad is de doopsformule: Vader, Zoon en Heilige Geest.

2. De geloofsbelijdenis van Nicea (325 Nicea: Godheid van Christus verdedigd en dwalingen weerlegd).

3. De geloofsbelijdenis van Athanasius Niet door Athanasius opgesteld, maar wel in zijn geest. Athanasius heeft de leer van de Goddelijke Drie-eenheid krachtig verdedigd tegenover Arius.)


Het Nieuwe Testament is verborgen in het Oude en het Oude Testament komt openbaar in het Nieuwe 

Aurelius Augustinus


De letter van het Oude Testament behoort aan de geest van het Nieuwe Testament getoetst te worden. 

J.J. van Oosterzee


Bijzondere (gereformeerde) belijdenisgeschriften

Bijzondere belijdenisgeschriften (of Drie Formulieren van Enigheid) worden specifiek erkend door alle christelijke kerken in Nederland, die willen staan op gereformeerde grondslag. Deze belijdenisgeschriften zijn geen verbeteringen van de algemene belijdenisgeschriften alsof deze iets tekort zouden doen aan de waarheid. Echter tijdens de Middeleeuwen was de christelijke kerk in de vorm van de Rooms Katholieke Kerk erg verbasterd geraakt. Een grote onkunde van de Bijbelse leer was onder geestelijken en leken aan de orde van de dag. Mannen als Maarten Luther en Johannes Calvijn hebben de aanzet gegeven tot de kerkhervorming. Hun leerlingen hebben nieuwe belijdenisgeschriften opgesteld, die opkomen tegen de dwalingen van de Rooms Katholieke Kerk, de wederdopers (een radicale stroming tijdens de Reformatie) en later de Remonstranten.

1. Nederlandse Geloofsbelijdenis (37 artikelen opgesteld door Guido de Brès. Voor het ontwerp ervan maakte hij gebruik van de Franse geloofsbelijdenis. In 1561 kwam deze geloofsbelijdenis in onze taal gereed). Achterliggende gedachte was dat de onderdrukkende Roomse overheid een goed beeld kreeg van de inhoud van de gereformeerde leer, en niet werd verward met de opvattingen van de radicale wederdopers.



2. Heidelbergse Catechismus In 1563 opgesteld door Zacharias Ursinus en Caspar Olevianus. In onze taal overgezet door Petrus Datheen. De gewoonte om iedere zondag een keer uit de Heidelbergse Catechismus te preken ontstond al vrij snel na de Reformatie.


'Gewone Catechismus'?

In 2019 verscheen van de hand van een drietal theologen, t.w. Th. Pleizier (Protestantse Kerk Nederland), Arnold Huijgen (Christelijke Gereformeerde Kerken) en Dolf te Velde (Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt) een z.g. 'Gewone Catechismus'. Deze 'Gewone Catechismus' dat ook in kerken van gereformeerde signatuur als leerboek gebruikt wordt, bevat ernstige afwijkingen ten opzichte van de oorspronkelijke Gereformeerde Belijdenisgeschriften. Het boek doet zich voor als 'eigentijdse verwoording' van het christelijke geloof, maar mist wezenlijke noties waardoor er dus niet meer gesproken kan worden van een gereformeerde verwoording van het christelijke geloof. In dit boek wordt de algemene verzoening omarmd. Men wil verschillen tussen christenen niet teveel aanroeren. Of de wereld door schepping en of evolutie ontstaan is laat men in het midden. Dit komt sympathiek over, maar dr. P. de Vries (HHK) vergelijkt de positie van de drie auteurs met dr. H. Berkhof in de Nederlandse Hervormde Kerk. [*] Berkhoff behoorde in zijn tijd tot de midden-orthodoxie die de orthodoxe gereformeerde leer met moderne westerse (seculiere) denkbeelden wilden verbinden. 


3. Dordtse Leerregels (of vijf artikelen tegen de Remonstranten), namelijk: 1. Van de Goddelijke Verkiezing en Verwerping (God verkiest uit vrije wil en niet op basis van een vooruitzien geloof). 2. Van de dood van Christus en de verlossing van de mensen daardoor (geen algemene verzoening, maar particuliere genade).  3 en 4. van de menselijke verdorvenheid en bekering tot God alsmede de wijze waarop dit plaatsvindt. (Mens heeft geen vrije wil meer om te kiezen voor God. Zijn wil is volkomen verdorven. De Heilige Geest bearbeidt de mens, slechts goddelijke genade is de mens genoeg) 5. Van de volharding (het zaligmakend geloof verliezen is onmogelijk).


We mogen de leer van de verkiezing niet op één lijn stellen met fatalisme. Dan hebben we een verkeerd beeld van dit onderdeel van de geloofsleer. Calvijn noemt dit geloofsstuk het hart van de kerk. Aan de leer van de verkiezing laat de belijdenis de roeping vooraf gaan. En die roeping in het evangelie is een welgemeende roeping.


Het valt niet te ontkennen dat er tussen de Bijbelse leer en het autonome denken van de mens knelpunten liggen. Met een Bijbels begrip als 'zonde' kunnen wij als moderne mensen niets meer, omdat we gewend geraakt zijn alle normen uit Gods Woord te relativeren naar eigen goeddunken. Bovendien gaan de meeste mensen ervan uit dat de mens in zichzelf goed is, en op het goede gericht is. 

"Buiten de Bijbel heeft ons geweten veel van een klok weg, die nu eens voor en dan eens achter loopt, want deze klok heeft geen regulateur. Er is geen onfeilbaar controle-boek voor het menselijk geweten buiten de bijzondere openbaring."


"Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele; Doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen ten dele is, te niet gedaan worden. Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik te niet gedaan hetgeen eens kinds was. Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben. En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde." (1 Korinthe 13 : 9-13)

Noten

[*] Al deze boeken alleen ontvangen wij voor heilig en canoniek, om ons geloof daarnaar te reguleren, daarop te gronden en daarmede te bevestigen. En wij geloven zonder enige twijfeling al wat daarin begrepen is; en dat niet zozeer omdat ze de Kerk aanneemt en voor zodanige houdt; maar inzonderheid omdat ons de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten dat zij van God zijn; en dewijl zij ook het bewijs daarvan bij zichzelven hebben: aangezien de blinden zelven tasten kunnen dat de dingen die daarin voorzegd zijn, geschieden. NGB art. 5

[*] Maar wij spreken de wijsheid Gods, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God tevoren verordineerd heeft tot onze heerlijkheid, eer de wereld was; Welke niemand van de oversten dezer wereld gekend heeft; want indien zij ze gekend hadden, zo zouden zij de Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben. Maar gelijk geschreven is: Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien die Hem liefhebben. Maar God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods. 

[*] Jezus zeide tot hem: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij. 

[*] Pilatus dan zeide tot Hem: Zijt Gij dan een Koning? Jezus antwoordde: Gij zegt dat Ik een Koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik der waarheid getuigenis geven zou. Een iegelijk die uit de waarheid is, hoort Mijn stem. 

[*] Simon Petrus dan antwoordde Hem: Heere, tot wien zullen wij heen gaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens. En wij hebben geloofd en bekend, dat Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. 

[*] Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem, gelegen in Judea, in de dagen van den koning Herodes, ziet, enige wijzen van het Oosten zijn te Jeruzalem aangekomen Zeggende: Waar is de geboren Koning der Joden? want wij hebben gezien Zijn ster in het Oosten, en zijn gekomen om Hem te aanbidden. De koning Herodes nu, dit gehoord hebbende, werd ontroerd, en geheel Jeruzalem, met hem. En bijeen vergaderd hebbende al de overpriesters en Schriftgeleerden des volks, vraagde van hen, waar de Christus zou geboren worden. En zij zeiden tot hem: Te Bethlehem, in Judea gelegen; want alzo is geschreven door de profeet:

 [*] LOOFT den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid. 

[*] Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn. 

[*] En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de Morgenster opga in uw harten. Dit eerst wetende, dat geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging; Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken.

[*] En de hand des blinden genomen hebbende, leidde Hij hem uit buiten het vlek en spoog in zijn ogen en legde de handen op hem en vraagde hem of hij iets zag. En hij opziende, zeide: Ik zie de mensen, want ik zie hen als bomen wandelen. Daarna legde Hij de handen wederom op zijn ogen en deed hem opzien. En hij werd hersteld en zag hen allen ver en klaar. 

[*] En Hij dreef de mens uit, en stelde cherubs tegen het oosten des hofs van Eden, en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren de weg van de boom des levens.

[*] Maar Hij antwoordende zei tot hen: Hebt gij niet gelezen, Die van de beginne de mens gemaakt heeft, dat Hij hen gemaakt heeft man en vrouw?

[*] Want gelijkerwijs de vrouw uit de man is, alzo is ook de man door de vrouw; maar alle dingen zijn uit God. 

[*] En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond

[*] Toen begon Hij de steden in dewelke Zijn krachten meest geschied waren, te verwijten, omdat zij zich niet bekeerd hadden: Want zo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied die in u geschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak en as bekeerd hebben. Maar Ik zeg u: Het zal Tyrus en Sidon verdraaglijker zijn in den dag des oordeels dan ulieden.

[*] Velen dan van Zijn discipelen, dit horende, zeiden: Deze rede is hard; wie kan dezelve horen? Jezus nu wetende bij Zichzelven dat Zijn discipelen daarover murmureerden, zeide tot hen: Ergert ulieden dit?