De belijdenisgeschriften

De christelijke kerk ontstond aan het begin van onze jaartelling te midden van een wereld vol ongeloof, bijgeloof, en eigengerechtigheid. Toen was het de volheid des tijds, waarvan Paulus spreekt in Galaten 4: 4. Het was Gods tijd om Zijn Koninkrijk helderder tot openbaring te brengen.  In de periode van het Oude Testament (de oude bedeling) was er ook een kerk, maar nog veel meer verborgen en versluierd. Tot de volle openbaring en ontplooiing is het Koninkrijk van Christus echter nog altijd niet gekomen. Dit zal pas gebeuren bij de voleinding van deze wereld.

Op allerlei manier is geprobeerd om de christelijke kerk ten onder te brengen of af te leiden van de waarheid. In de 1e periode na het ontstaan van de kerk gebeurde dit door middel van hevige vervolgingen. Vele martelaren zijn er toen vanwege hun standvastigheid en belijdenis omgekomen. In een 2e periode gebeurde dit van binnenuit, door dwalingen die ingang vonden in de kerk. Toen de kerk ondanks dit alles toch bleef groeien en toenemen en in het geloof stand bleef houden, zocht men de weg van de kritiek en de belastering.

Niets kon de groei van de kerk echter weerhouden. Tot ver over de landsgrenzen en de middellandse Zee heen ontstond een katholieke wijdt vertakte kerk die uiteindelijk in de hele romeinse wereld erkend werd en tot staatsgodsdienst verheven. Onmiddellijk ontstonden echter nieuwe gevaren. Er verschenen uitgaven met daarin bijzondere legenden over heiligen en er kwam een systeem van hiërarchie in de kerk. Oorspronkelijk lagen hier volstrekt goede bedoelingen aan ten grondslag, om de mensen te wijzen op goede voorbeelden van een godvruchtig leven en het systeem van de bisschoppelijke hiërarchie was bedoeld om de wacht te houden over de waarheid. Maar deze methoden konden ook ontaarden.

De meeste  dwalingen die de kerk dreigden te overmeesteren kwamen op vanuit goede bedoelingen. Men zocht een weg om het christelijk geloof naar buiten toe te verwoorden. Dit moest zo aantrekkelijk mogelijk gebeuren en waar mogelijk, in overeenstemming gebracht worden met de menselijke redelijkheid.  Wat gebeurde was echter een vermenging van de heidense godsdiensten en het christelijk geloof.

Marcion wilde vanuit goede bedoelingen de Bijbel aanvaardbaar maken voor de samenleving, door deze te ontdoen van lastige passages waaraan de heidenen zich zouden stoten. Hij hield uiteindelijk nog een zeer dunne Bijbel over.

Montanus wilde het christendom wat meer prikkelend maken en ontdoen van haar stoffige imago. Er kwam meer aandacht voor extase en tongentaal.

Zo werd de tijd rijp gemaakt voor de kerk om vast te stellen wat wel waarheid is en wat niet. Een eerste eenvoudige geloofsbelijdenis werd opgesteld. Ook kwam er een canon van de Bijbelboeken waardoor er onderscheid kwam tussen de boeken die de kerk als geïnspireerd beschouwde door de Heilige Geest en welke boeken niet. Niet dat niet reeds vast stond, hetgeen men geloofde en welke boeken wel of niet tot de canon behoorde, maar men zag de noodzaak in van officiële documenten waaraan de kerk zich steeds weer kon meten.


Augustinus
Augustinus

Zo kwam de  kerk tot haar geloofsbelijdenissen of 'symbolen' die gegrond zijn op de Bijbel. Deze geloofsbelijdenissen geven de kernwaarheden van het christelijk geloof weer en zijn tegelijk opgesteld om dwalingen en misverstanden rond het christelijk geloof weg te nemen.

Al in de dagen van Paulus kwamen er al dwaalleraars voor (zie 1 Tim. 1: 20, Openb. 2: 6, Openb. 2: 14). De apostelen hadden de Godheid van Christus heel duidelijk beleden, maar in de eerste eeuwen na Christus kwamen er invloedrijke geestelijken op die er toe overgingen om de Godheid van Christus te ontkennen of deze leer een andere invulling te geven. Christus zou wel het eerste en voornaamste Schepsel zijn van de Vader, maar niet gelijk wezens aan de Vader. Anderen meenden dat hij niet evenals God de vader van eeuwigheid zou zijn, maar zijn geadopteerd en daarom Gods Zoon worden genoemd.

De Godheid van Christus en daarmee de Drie-enigheid van God is echter de hoofdslagader van het christelijk geloof. De ontkenning van dit leer- en geloofsstuk treffen we in onze tijd nog steeds aan onder vrijzinnige theologen, de Jehovah-getuigen, de aanhangers van de Islam en helaas - hoewel de Christus uit hen is voortgekomen - ook nog steeds het Jodendom. Het was de kerkvader Athanasius die de verdediging van de leer van de Godheid van Christus op zich genomen heeft. In het jaar 325 werd op het concilie van Nicea de leer van Arius veroordeeld. Echter nieuwe dwalingen rezen op. Deze keer was het Pelagius die de leer van de erfzonde en de verdorvenheid van de menselijke natuur ontkende. Ook dit leer- en geloofsstuk staat in het hart van het christelijk geloof. Indien deze leer immers niet waar zou zijn, het met de mens dus wel zou meevallen, zou een volkomen Zaligmaker die volkomen Mens en volkomen God is niet nodig zijn. Alleen een zodanig Iemand kon de schuld van de zonde en de vloek van de wet wegnemen. De ontkenning of afzwakking van dit leerstuk is eveneens nog uiterst actueel. Veel mensen kunnen en willen er niet meer mee uit de voeten. Het is een sombere en deprimerende leer denkt men. De leer van Pelagius daarentegen is optimistisch en aantrekkelijk. Men bewondert Jezus en wil Hem navolgen. Een begrip van Gods geschonden rechtvaardigheid ontbreekt. Dat God de zonde zo ernstig neemt dat Hij ze aan Zijn Zoon gestraft heeft vind men bijna onbehoorlijk. Deze gedachte leeft volop binnen het vrijzinnig christendom en krijgt handen en voeten in de vorm van het christelijk-humanisme. Hier wordt de eer en de rechten van God los gemaakt van het welzijn en de rechten van de mensen. Het is echter de vraag of dit nog wel een eerlijke boodschap is. Hierop en op vele andere vragen geven de geloofsbelijdenissen antwoord op grond van de Bijbel. Het is de kerkvader Augustinus geweest die de dwaalleer van de pelagianen bestreden heeft. Een volgend leer- en geloofsstuk dat de eeuwen door niet minder onder grote druk heeft gestaan is de leer van de kerk. De kerk heeft een zichtbare en een onzichtbare gestalte. De misvatting ontstond om deze openbaringsvormen te vereenzelvigen. Waar de kerk en haar genademiddelen vereenzelvigd worden met het verborgen koninkrijk van God en de werking van de Geest, ontstaat een sacramentele kerk waar men opgaat in de vorm. Tussen beiden moet echter een groot onderscheid gemaakt worden. Het is zelfs zo dat al zou de zichtbare kerk geheel wegvallen blijft er een onzichtbare kerk bestaan. Maar, zegt de belijdenis, het is ook verkeerd om de betekenis van de zichtbare kerk en de haar gegeven middelen te relativeren of te miskennen. Deze gevaren en dwalingen met betrekking op de leer van de kerk zijn eveneens nog altijd springlevend. De zichtbare kerk is geroepen om te zijn de 'pilaar der vastigheid en der waarheid.' Het is haar taak om de waarheid te behouden en te symboliseren te midden van een verworden tijd of samenleving. Wel blijft de kerk een verzameling van zondaren en op haar akker groeit kruid en onkruid. Op aarde komt de kerk nooit tot een volmaakte gestalte. Dan is er nog het leerstuk van de Goddelijke verkiezing. Hier is de enige verklaring waarom de christelijke kerk nooit, zowel in haar zichtbare als onzichtbare vorm, ten onder gebracht zal kunnen worden. Er zullen altijd gelovigen zijn die door verkiezing en roeping haar tot openbaring zullen willen brengen. Wel kan zij soms tot zeer klein geworden zijn. Er is ook geen leer- en geloofsstuk dat zoveel weerstand en misvatting heeft opgeroepen als de leer van de verkiezing. Toch proberen de belijdenisgeschriften ook deze leer vanuit de Bijbel, als het door God geïnspireerde Woord, op evenwichtige wijze na te spreken.

Algemene of oecumenische belijdenisgeschriften

Tot de algemene of oecumenische belijdenisgeschriften behoren: (worden wereldwijd erkend door de christelijke kerken).

1. De Apostolische geloofsbelijdenis (of de 12 artikelen van het algemeen, ongetwijfeld, christelijk geloof. Niet door de apostelen opgesteld, maar in overeenstemming met de apostolische leer. Leidraad is de doopsformule: Vader, Zoon en Heilige Geest.

2. De geloofsbelijdenis van Nicea (325 Nicea: Godheid van Christus verdedigd en dwalingen weerlegd).

3. De geloofsbelijdenis van Athanasius Niet door Athanasius opgesteld, maar wel in zijn geest. Athanasius heeft de leer van de Goddelijke Drie-eenheid krachtig verdedigd tegenover Arius.)


De Apostolische Geloofsbelijdenis

Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.

En in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon, onze Heere;

Die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria;

Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle;

ten derde dage wederom opgestaan van de doden;

opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods, des almachtigen Vaders;

Van waar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden.

ik geloof in de Heilige Geest.

Ik geloof één heilige, algemene, Christelijke Kerk, de gemeenschap der heiligen;

vergeving der zonden;

wederopstanding des vleses;

en een eeuwig leven.


Bijzondere (gereformeerde) belijdenisgeschriften

Bijzondere belijdenisgeschriften (of Drie Formulieren van Enigheid) worden specifiek erkend door alle christelijke kerken in Nederland, die willen staan op gereformeerde grondslag. Deze belijdenisgeschriften zijn geen verbeteringen van de algemene belijdenisgeschriften alsof deze iets tekort zouden doen aan de waarheid. Echter tijdens de Middeleeuwen was de christelijke kerk in de vorm van de Rooms Katholieke Kerk erg verbasterd geraakt. Een grote onkunde van de Bijbelse leer was onder geestelijken en leken aan de orde van de dag. Mannen als Maarten Luther en Johannes Calvijn hebben de aanzet gegeven tot de kerkhervorming. Hun leerlingen hebben nieuwe belijdenisgeschriften opgesteld, die opkomen tegen de dwalingen van de Rooms Katholieke Kerk, de wederdopers (een radicale stroming tijdens de Reformatie) en later de Remonstranten.

1. Nederlandse Geloofsbelijdenis (37 artikelen opgesteld door Guido de Brès. Voor het ontwerp ervan maakte hij gebruik van de Franse geloofsbelijdenis. In 1561 kwam deze geloofsbelijdenis in onze taal gereed). Achterliggende gedachte was dat de onderdrukkende Roomse overheid een goed beeld kreeg van de inhoud van de gereformeerde leer, en niet werd verward met de opvattingen van de radicale wederdopers.

2. Heidelbergse Catechismus In 1563 opgesteld door Zacharias Ursinus en Caspar Olevianus. In onze taal overgezet door Petrus Datheen. De gewoonte om iedere zondag een keer uit de Heidelbergse Catechismus te preken ontstond al vrij snel na de Reformatie.

3. Dordtse Leerregels (of vijf artikelen tegen de Remonstranten, namelijk: 1. Van de Goddelijke Verkiezing en Verwerping (God verkiest uit vrije wil en niet op basis van een vooruitzien geloof). 2. Van de dood van Christus en de verlossing van de mensen daardoor (geen algemene verzoening, maar particuliere genade).  3 en 4. van de menselijke verdorvenheid en bekering tot God alsmede de wijze waarop dit plaatsvindt. (Mens heeft geen vrije wil meer om te kiezen voor God. Zijn wil is volkomen verdorven. De Heilige Geest bearbeidt de mens, slechts goddelijke genade is de mens genoeg) 5. Van de volharding (het zaligmakend geloof verliezen is onmogelijk).