Deel 2

Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland

In de periode 1952-1975

"We hebben de neiging om te denken, dat de Heere met ons alleen maar van kracht tot kracht voortgaat. Maar de wegen van de Heere zijn hoger dan onze wegen en Zijn gedachten hoger dan onze gedachten."


G. Salomons

"Ik ben het eens met wat wijlen Ds. De Lind van Wijngaarden [*] ergens schreef: met vele lieve kinderen van God zullen we eenmaal in de hemel gezamenlijk Gods lof verkondigen, maar hier op aarde met ze samen te leven, ook kerkelijk, dat is nu eenmaal vanwege het feit der zonde gewoonweg onmogelijk."

G. Salomons

Gebouw De Verborgen Schat in Delft
Gebouw De Verborgen Schat in Delft

Overlijden ds. G.J. van Vliet

Na een kortstondige ziekte (tuberculose) overleed ds. Van Vliet op 4 maart 1954. Zijn begrafenis werd geleid door ds. G. Salomons die sprak naar aanleiding van Hebreeën 13: 7. "Gedenkt uwer voorgangeren, die u het Woord Gods gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst hunner wandeling." Op de begraafplaats sprak ds. J.G. van Minnen de ruim duizend belangstellenden toe naar aanleiding van Psalm 43: 4 "En dat ik inga tot Gods altaar, tot den God der blijdschap mijner verheuging, en U met de harp love, o God, mijn God!" Vervolgens sprak ds. G.W. Alberts, emeritus predikant van de Christelijke Gereformeerde Kerk ter plaatse.

De gemeente van Drachten bracht het verzoek in dat er een oproep in de gemeenten zou uitgaan om hen die zich geroepen voelden om Gods Woord uit te dragen zich te melden. Dit voorstel werd aanvaard. Op de gehouden najaarsclassis van 6 oktober 1954 werd met een meerderheid van stemmen de heer Karel Christiaan Hoekstein uit Rijswijk, geboren 30 juni 1916 in Den Haag, toegelaten om opgeleid te worden tot dienaar des Woords met een voorlopige studietijd van drie jaar. Student H. Groen kreeg preekconsent voor 12 zondagen per jaar. Ds. Blankespoor zou alle vacante gemeenten het toekomende jaar 1 zondag dienen. Namens Delft waren vertegenwoordigd de br. A.W. Langstraat en K. Sjoer, beiden ouderling.

Op 13 april 1955 werd door ds. J. Blankespoor voorafgaand aan de classisvergadering de volgende dag een bidstond geleid.  In zijn preek riep ds. Blankespoor een ieder op om de Heere te zoeken in de weg van verootmoediging. "Dat de bede ons aller hart mocht vervullen: Heere wijs ons de weg, want wij weten de weg niet." De volgende dag bepaalde ds. G. Salomons de aanwezigen bij Efeze 4: 1-16 waarin het gaat over de eenheid van de gelovigen te Efeze in Christus. Die eenheid mag niet ten koste gaan van de leer der waarheid. Hij wenste de gemeente toe op te wassen in Christus zodat zij niet meer als kinderen heen en weer geslingerd werden op allerlei wind van leer. Beter is het als kerkgroep goed principieel weten wat we willen, dan dat we bang voor kerkbreuken zouden zijn. Wel vermaant de Apostel, aldus ds. Salomons, te handelen zoals er staat: waar voor God en daarom waar jegens elkander en alle anderen.  Op de agenda stond onder andere financiële steun aan weduwe ds. G.J. van Vliet. Verder telde het kerkverband inmiddels een tweetal studenten, waarvan er één vermaand moest worden wegens te weinig betrokkenheid op de studie als voorbereiding op het predikambt.[*] Student H. Groen werd door ds. Salomons op uiterst bekwame wijze geëxamineerd in de dogmatiek. Daarna hield student Groen een korte preek over Johannes 14: 19b en werd door hem tevens een schriftelijke exegese gegeven over Psalm 127. Ds. van Minnen stelde hem vragen over de vakken symboliek, homiletiek en catechetiek. Na een kort overleg werd met grote eenstemmigheid (één stem tegen) student H. Groen toegelaten tot de bediening van Woord en Sacramenten. Het was een ontroerend ogenblik toen in de kleine kerkelijke formatie voor de eerste maal de lastbrief door ds. Salomons werd uitgereikt.

Op 7 juni 1955 bevestigde ds. Van Minnen kandidaat Groen met een preek uit Ezechiël 2: 24b als predikant van de kleine gemeente in Drachten "Ik zend u tot hen, en gij tot hen zult zeggen: Zo zegt de Heere HEERE." Ds. Groen deed intrede met een preek over Mattheus 13: 3-9, de gelijkenis van de zaaier. Beiden diensten vond plaats in de doopsgezinde kerk

Brandende kwesties

In mei 1955 schreef ds. Blankespoor vanuit Zwolle een brief aan de kerkenraad van Delft waarin hij verzocht om enkele doordeweekse diensten in Delft te mogen vervullen. Dit schrijven werd positief beantwoord in die zin met de mededeling, dat dit in de resterende weken vóór de zomervakantie niet meer mogelijk was, maar in het najaar bij de vaststelling van het rooster van spreekbeurten met zijn verzoek rekening zou worden gehouden. In augustus 1955 kon wegens vakanties van de beheerders van het gebouw, waarin de diensten in Delft gehouden werden, nog geen afspraak gemaakt worden over een vaste dag in de week waarop het gebouw beschikbaar was. Vandaar dat er ook nog geen rooster opgesteld kon worden voor de doordeweekse diensten in de komende wintermaanden. Evenwel werd besloten door de Delftse kerkenraad op donderdag 1 september 1955 ds. J. Blankespoor uit Zwolle uit te nodigen om in die dienst voor te gaan.[*]

Intussen had ds. Salomons in 1954, na twee jaar in Bussum gearbeid te hebben, een beroep aangenomen naar Hoofddorp. De Bussumse gemeente bevond zich niet in de meest comfortabele positie, want destijds kon het gebeuren dat zowel ds. Salomons (Chr. Geref. Gem) als Prof. Wisse (Chr. Geref. Kerk) op hetzelfde moment in Bussum voorgingen. De Christelijke Gereformeerde Kerk van Bussum  werd destijds bediend door ds. J. Jongeleen en had evenals Huizen een nog overwegend behoudend karakter. Een brandende kwestie die na het vertrek van ds. Salomons uit Bussum begon op te spelen was de vraag of het geoorloofd was om óók sprekers van buiten het kerkverband uit te nodigen.  In Bussum was men er inmiddels toe overgegaan tot opbouw van de gemeente. Ook in Zwolle kwam dit voor. De kerkenraad van Huizen stuurde op 16 september 1955 voor de classicale vergadering van 6 oktober 1955  de volgende instructie in: "De kerkenraad der Christelijke Gereformeerde Gemeente van Huizen N.H. spreekt zijn verwondering uit, dat in twee onzer gemeenten sprekers buiten ons kerkverband optreden om het Woord Gods te bedienen en wel des zondags als in de week, dit buiten overleg en toestemming van respectievelijk de consulent en de classis. De kerkenraad bovengenoemd spreekt voorts uit: dat dit in strijd is met Gods Woord en de daarop gegronde Dordtse Kerkorde en verzoekt de classis inzake daaromtrent naar Gods Woord te handelen." Op 20 september 1955 schreef br. J.W. Hamelink "namens kerkenraad en gemeente van Bussum" een brief aan ds. Van Minnen, met de mededeling, dat men de band met het kerkverband verbrak. Aanleiding hiervoor waren een tweetal brieven van respectievelijk ds. G. Salomons en ds. H. Groen, waarvan de inhoud  tijdens een laatstgehouden ledenvergadering was voorgelezen. De toon van deze brieven die betrekking hadden op het voorgaan van ds. I.J. IJsselstein in de gemeente waren volgens Van Hamelink niet in de smaak gevallen. De broeders uit Bussum wilden de instructies van de gemeente van Huizen respecteren, maar waren van oordeel "dat de belangen van onze gemeente zwaarder wegen dan alle classisbesluiten, en gaat door met sprekers te verzoeken voor ons te willen optreden van wie getuigenis mag uitgaan dat zij God vrezen."  Expliciet werd hierbij nogmaals verwezen naar ds. I.J. IJsselstein (1904-1981)  "die nota bene ook in Veenwouden eens per maand voorgaat, en die wij al jaren kennen ook in Gouda als ouderling.""[*] [*] 

Het merkwaardige deed zich voor dat ds. Salomons in september 1959 weer enkele malen voorging in een gebouw aan de Landstraat in Bussum. Rond 1960 stopt dit weer en worden hier sprekers uitgenodigd als ds. Wijnmalen, dhr. Kruithof, ds. Haverkamp, ds. Lekkerkerker, etc.


Delft, 7 Maart 1955, verzoek ontvangen van de heer M.C. Kersten uit Den Haag om als predikant toegelaten te worden. De heer Kersten is lid van de Gereformeerde Kerk van Den Haag en voor de gemeenten geheel onbekend. Het verzoek wordt doorgezonden naar ds. G. Salomons die het op zijn beurt voorlegt aan ds. Van Minnen. Het verzoek van de heer Kersten wordt afgewezen, omdat aan zijn verzoek geen bezwaren ten opzichte van de Gereformeerde Kerken ten grondslag liggen, maar enkel het streven om predikant te worden. Margarethus Cornelis Kersten werd geboren op 15 augustus 1930 te Den Haag. Hij studeerde later theologie aan de VU in Amsterdam. Hij stond in Wissenkerke, Rotterdam-IJsselmonde, Zwolle en Scheveningen. Ds. Kersten ging in 1995 met emeritaat. Naast zijn werk in de gemeente heeft hij 15 jaar lang als docent gewerkt aan de pabo te 's-Gravenhage, waar hij kerkgeschiedenis en maatschappijleer gaf. Voor velen was hij een geliefd predikant die veel vertrouwen heeft genoten, maar er waren er ook die hem té gereformeerd vonden en moeite hadden met sommige opvattingen van hem. Hij wilde niet meegaan met stromingen, ideeën en praktijken die in strijd waren met zijn overtuiging. Zijn positie of ligging bleef altijd 'rechts van het midden'. Hij kwam voort uit een gezin waar men traditioneel gereformeerd dacht en voelde.

Voor de classisvergadering van 6 oktober 1955 waren vanuit Huizen als afgevaardigden aangewezen: ds. J.G. van Minnen en ouderling R. Bor (primi), H. van Effrink en T. Veerman (secundi) respectievelijk ouderling en diaken. Vanuit Zwolle waren afgevaardigd: ds. J. Blankespoor (predikant) en E. Kolk als ouderling. Vanuit Drachten: ds. H. Groen en J. Veenstra (ouderling), T. Jongsma (ouderling) als secundus. Vanuit Hoofddorp: ds. G. Salomons en ouderling K. den Breejen (primi) en ouderling D.J. Boot en diaken G. Verbeek (secundi). Vanuit Vlaardingen: A. Bakker en G. Wapenaar beiden ouderling.
Tijdens deze classisvergadering werd uitvoerig over deze zaak gesproken en alle gemeenten kregen middels hun vertegenwoordigers de gelegenheid zich over deze zaak uit te spreken. Een probleem voor sommige gemeenten is dat een deel van de mensen afhaakt als het leesdienst is. De vergadering is van oordeel dat men zich in deze niet door het gevoel mag laten leiden. De  gemeenten (Huizen, Delft, Vlaardingen, Drachten, Twijzelerheide) deelden allen de mening "dat het erom gaat wat de Heere van ons vraagt." Een afgevaardigde uit Vlaardingen liet weten, dat men in zijn gemeente trouw onder de leesdiensten opkwam.[*] Ook in Drachten bleek dit het geval te zijn, al was men maar met een kleine kern. Unaniem werd de houding van Bussum afgewezen. Groot was de teleurstelling toen ook de gemeente van  Zwolle zich naar aanleiding van deze discussie onttrok aan het nog prille kerkverband. Toen óók ds. J. Blankespoor, predikant in Zwolle zich nu genoodzaakt zag vanwege deze kwestie afscheid te nemen van de classis van Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland, wees ds. H. Groen hem op de ontstellende armoede van zijn argumenten. Bij dit alles bleef de broederlijke toon bewaard.

"Ik weet wel, dat de nu ook zalige Van Minnen er soms als de kippen bij was om contact te zoeken met uitgetredenen uit andere kerken. Wat heb ik hem dikwerf mondeling, telefonisch en schriftelijk gewaarschuwd om toch niet zo haastig te handelen. De zaak bij deze en gene eens te laten overwinteren, maar mijn wapenbroeder meende dat Salomons te wantrouwend jegens anderen was."

G. Salomons

Tijdens een ziekteperiode van ds. Van Minnen [*] werd op 12 april 1956 tijdens een classisvergadering in Huizen (voorzitter ds. G. Salomons en scriba ds. H. Groen) met algemene stemmen besloten, dat br. T. Kroon die het ambt van ouderling droeg in de gemeente Huizen, een voorlopig preekconsent zou krijgen naar artikel 3 DKO, terwijl tevens besloten werd dat ds. Van Minnen hem nader les zou geven in homiletiek en exegese, "daar gebleken is dat br. Kroon daar niet veel van af weet." Op de najaarsclassis zou dan, na het verslag van de gemeenten gehoord te hebben, besloten worden hoe verder moest worden gehandeld. De classis was van oordeel, dat artikel 3 wel tijdelijk gehandhaafd kon blijven voor br. Kroon, maar dat dit niet het einddoel mocht wezen. Voor artikel 8 DKO achtte de vergadering hem niet geschikt.

Op 2 augustus 1956 schreef ds. G. Salomons een brief aan alle gemeenten dat ds. Van Minnen in overleg met hem en ds. Groen zich genoodzaakt zagen gezien br. Kroon zijn preekconsent voorlopig weer te ontnemen. "U moet niet denken, dat ds. Groen en ondergetekende zich in deze zaak  hebben laten beïnvloeden door ds. Van Minnen, maar dat dit ons onafhankelijk oordeel is." "Dit schrijven namens ons drieën geschreven." [ds. J.G. van Minnen, ds. G. Salomons en ds. H. Groen] "Heilbiddend en br. groetend. Uwe u toegen. ds. G. Salomons."

In augustus 1956 nam ds. Van Minnen een beroep aan naar Delft.[*] Aan zijn tweede achtjarige verblijf in Huizen kwam hiermee een einde. Ds. Van Minnen nam afscheid van de gemeente in Huizen met een preek naar aanleiding van Psalm 31: 16 "Mijn tijden zijn in Uw hand."

[*] Ds. J.G. van Minnen schreef op 15 april 1955 aan student K.C. Hoekstein (1 dag na de classisvergadering) een brief met de mededeling "dat de classis de indruk heeft dat u zich niet innerlijk aan ons kerkverband verbonden voelt," en "als hier geen verandering in komt binnen al te lange tijd, zal de classis zich genoodzaakt zien de opleiding van u te beëindigen."

 [*] Hille & Vermeulen schrijven dat ds. J. Blankespoor niet werd uitgenodigd om een doordeweekse dienst in Delft te vervullen. In de Schaduw van het kerkelijk leven, p. 189. Dit is onjuist. Het was vanwege praktische redenen niet op korte termijn mogelijk.

[*] Isaac Jan IJsselstein werd op 17 mei 1904 in Gouda geboren. Hij kerkte bij ds. R. Kok in Gouda. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verkeerde IJsselstein enige tijd in krijgsgevangenschap. Hem waren toen de woorden voorgekomen uit Psalm 91: 7 "Aan uw zijde zullen er duizend vallen, en tienduizend aan uw rechterhand; tot u zal het niet genaken." Tijdens een bombardement in de omgeving waar hij gevangen zat, zag hij er inderdaad velen omkomen. Zelf mocht hij in mei 1945 na twee jaar krijgsgevangenschap in Tsjecho-Slowakije naar huis terugkeren. Kort daarop werd hij gekozen tot ouderling in de Gereformeerde Gemeente van Gouda. Intussen had hij ook werkzaamheden gekregen met het predikambt. Met een attestatie van de Goudse kerkenraad meldde hij zich verschillende malen bij het curatorium, maar werd afgewezen. Nadat moeilijkheden ontstaan waren tussen hem en dr. C. Steenblok bedankte hij in 1948 als lid en werd lid van de Oud Gereformeerde Gemeente van Krimpen aan den IJssel waar toen ds. M.A. Mieras predikant was. Op 27 juli 1948 werd hem op grond van artikel 8 DKO preekconsent verleend binnen de Oud Gereformeerde Gemeenten. Op 20 oktober 1949 werd hij als lerend ouderling in Apeldoorn bevestigd. In februari 1953 onttrok IJsselstein zich door een bepaalde kwestie met zijn gemeente aan het kerkverband van de Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Op 4 juni 1953 bevestigde ds. P. Overduin van de Gereformeerde Gemeente in Hersteld Verband hem tot predikant. Tevergeefs zocht hij opnieuw toelating als predikant binnen de Gereformeerde Gemeenten.  In 1959 vertrok hij naar een vrije Christelijke Gereformeerde Gemeente in Schiedam. Later zal ds. IJsselstein nog een keer ter sprake komen wanneer er, na het overlijden van ds. G. Salomons, nog enig contact geweest is tussen de gemeente van Delft en deze predikant. 

[*] In mei 1948 vertrokken Willem Hamelink  (1903-1983) en diens echtgenote Dirkje Neeltje Paans met hun 10 kinderen als doopleden vanuit Gouda naar Bussum. In Gouda waren zij dus evenals ds. I.J. IJsselstein daar tot 1948 lid geweest van de Gereformeerde Gemeente en vanwege moeilijkheden rond dr. Steenblok vertrokken. Als zodanig waren zij in de periode 1952-1955 in de Chr. Geref. Gemeente van Bussum terecht gekomen. Hamelink was ook actief in de SGP en werd gekozen als ouderling.

[*] Toch bleef dit een punt van discussie, want niet veel later ontstond ook in Vlaardingen het verlangen om sprekers van buiten het kerkverband uit te nodigen tot opbouw van de gemeente. De kerkenraad van Vlaardingen bracht voor de classisvergadering van 2 oktober 1957 in Huizen het verzoek in om meer preekbeurten toebedeeld te krijgen, bijvoorbeeld 12 keer per jaar, of indien dit niet mogelijk is in verband met de nood van de predikanten "toestemming om op zondag andere predikanten te laten voorgaan in onze gemeenten."

[*] Op 13 juni 1956 schreef ds. Van Minnen aan de kerkenraad van Delft: "Ik ben op medisch advies met gebruik van medicijnen voor enkele weken uitgegaan." [namelijk naar Katwijk waar de familie Pontier - moederszijde - woonde]

[*] Beroepsbrief aan ds. J.G. van Minnen, 16 augustus 1956

Huizen, 30 augustus 1956

Aan de kerkenraad der Christelijke Gereformeerde Gemeente te Delft

Eerw. broeders en gemeente,

Wanneer ik nu u schrijf dat ik 't beroep naar uw gemeente heb aangenomen, is dit geen opwelling van een moment, maar een zaak die reeds in december 1955 haar begin heeft gekregen: in verbinding aan uw gemeente en losmaking van eigen gemeente. Dit heeft thans zijn beslag gekregen in een beroep van uwentwege en aanvaarding daarvan mijnerzijds.

En laat ons verder geen grote woorden gebruiken, maar verwaardige de Heere ons allen te samen heel klein te zijn of te worden en diep te buigen en biddend af te smeken: of de Heere in onze overkomst naar u, Zijn Naam wil verheerlijken en ons te samen genadig wil zijn bij aanvang en voortgang. Genadig wil zijn in en door de grote Zender Zijner knechten en de enige Opperherder van arme dwaalzieke en hulpeloze schapen. Genadig wil zijn er nog toe te brengen tot de schaapskooi van Christus of er in te onderhouden of te leiden. De Heere brenge ons en houde ons door Zijn Woord en Heilige Geest op de knieën, in deze donkere tijden met de bede: Heere gedenk onzer naar de grootheid uwer barmhartigheid in de Zoon uwer liefde in Wien ook Uw recht opgeluisterd is. De Geest der genade en der gebeden lere ons voor en met elkander verkeren aan de troon der genade.

Met hartelijke groet, Gode in alles bevolen.

Uw D.V. toekomstige herder en leraar, die dit alleen kan zijn door Gods genade.

Ds. J.G. van Minnen

Vlaardingen, 4 oktober 1956

Op de classisvergadering van 4 oktober 1956 in Vlaardingen waren als afgevaardigden aanwezig de brs. A. Bakker, G. Wapenaar en Van den Bosch (Vlaardingen) vanuit Delft: de brs. A.W. Langstraat, P. Langstraat en J. Daamen, vanuit Drachten: K. Jongsma en Van der Gaag, vanuit Huizen: de brs. Van der Wal en J. Bos, vanuit Hoofddorp: D.J. Boon, de predikanten G. Salomons (assessor), J.G. van Minnen (scriba) en H. Groen (praeses). Ds. G. Salomons opende de vergadering met het zingen van Psalm 119: 9 en ging voor in gebed. Tijdens dit gebed werd in het bijzonder ds. H. Groen opgedragen waarvan inmiddels bekend was dat die ernstig ziek was. Hierna las ds. Salomons Amos 7: 1-13. De aanwezigen bepaalde hij bij de verzen 4 en 5 "Wijders deed mij de Heere HEERE aldus zien; en ziet, de Heere HEERE riep uit, dat Hij wilde twisten met vuur; en het verteerde een groten afgrond, ook verteerde het een stuk lands. Toen zeide ik: Heere HEERE! houd toch op; wie zou er van Jakob blijven staan; want hij is klein!"  


Twee opvolgers van ds. Van Minnen in Huizen: ds. C. den Hertog en ds. F. Bakker.
Twee opvolgers van ds. Van Minnen in Huizen: ds. C. den Hertog en ds. F. Bakker.

De datum van bevestiging van ds. Van Minnen in Delft werd vastgesteld op 17 oktober 1956, en wel door ds. G. Salomons in de Waalse Kerk. Ds. Salomons nam als tekst 1 Korinthe 4: 1 "Alzo houde ons een ieder mens, als dienaars van Christus, en uitdelers der verborgenheden Gods." Intrede van ds. Van Minnen volgde op 18 oktober 1956. Hij nam als tekst: "De bedroefden, om der bijeenkomst wil, zal Ik verzamelen, zij zijn uit u; de schimping is een last op haar." Er werden toespraken gehouden tot de bevestiger ds. G. Salomons, door ds. H. Groen namens de classis, door br. Van der Wal uit Huizen en tot de gemeente. Ouderling A.W. Langstraat van Delft besloot de plechtigheid en gaf Psalm 119: 9 op om in enigszins gewijzigde vorm te zingen:  

"Doe bij Uw knecht weldadigheid, o Heer', Opdat hij leev', Uw woorden moog' bewaren. En dat Uw Geest hem ware wijsheid leer'. Zijn oog verlicht', de nevels op doe klaren; Dat zijne ziel de wondren zie en eer', Die in Uw wet alom zich openbaren."


Waalse Kerk Delft
Waalse Kerk Delft

Herinnering H. Hille

"Door uittreding uit de Christelijke Gereformeerde Kerk van Delft ontstond een Christelijke Gereformeerde Gemeente in Nederland. Ds. J.G. van Minnen werd er predikant, maar had nog geen woning, dus hij had een logeeradres nodig. De meeste leden woonden in Den Hoorn of Schipluiden. Ds. Van Minnen had evenwichtsstoornissen en kon de wandeling vanuit die dorpen naar Delft moeilijk volbrengen. Daarom kregen mijn ouders -hoewel ze niet tot de gemeente behoorden- de vraag of de predikant bij ons kon logeren. Het zou maar voor korte tijd zijn, maar het duurde meer dan een jaar, want er was nog woningnood en het stadsbestuur werkte niet erg mee. (..) Het stimuleerde mijn belangstelling voor de kleine kerkgeschiedenis."

Terdege, 10 oktober 2012


A.W. Langstraat
A.W. Langstraat

Ds. Groen stelde voor om  voor de classis een vaste scriba te kiezen. Voorgesteld werd br. A.W. Langstraat van Delft die vervolgens met algemene stemmen als zodanig werd benoemd. Ds. Van Minnen deelde mee dat hij de gemeente van Huizen ging verlaten en een beroep had aangenomen naar Delft. De afgevaardigden uit Delft gaven aan een kleine gemeente te zijn, maar van harte verblijd te zijn met de komst van de predikant. De afgevaardigde uit Hoofddorp gaf aan dat alles in de gemeente wel was. Ds. G. Salomons mag deze gemeente momenteel dienen. In Drachten was men blij met ds. H. Groen die hier veel werk verricht. In Vlaardingen had men niet te klagen over de opkomst. "Bij preeklezen verootmoediging des harten waargenomen." In de gemeente Huizen waren helaas problemen gerezen, niet door tegenkanting van de plaatselijke Christelijke Gereformeerde Kerk, want de verhoudingen met ds. C. den Hertog en diens opvolger ds. F. Bakker, waren goed. De dreiging kwam echter van binnenuit. Deze kwestie kwam nu aan de orde. Ds. Van Minnen voerde hierover het woord. Ouderling T. Kroon, die tevens sinds kort preekconsent heeft ontvangen, was bij de zaak Huizen betrokken als bemiddelaar. Ds. Van Minnen die in deze periode te kampen kreeg met zijn gezondheid was voor enige tijd naar familie in Katwijk gegaan. Tijdens de afwezigheid van ds. Van Minnen zou het optreden van br. Kroon niet voor verbetering hebben gezorgd, maar de situatie zijn verergerd. Op grond van het steeds verbreken van zijn belofte tegenover de kerkenraad van Huizen en ds. Van Minnen werd br. Kroon voorlopig geschorst als kerkenraadslid en zijn preekconsent opgeschort tot aan de eerstvolgende classisvergadering. Net voordat dit aan br. Kroon zou worden meegedeeld bedankte hij prompt als lid. De rust was toen hersteld in de gemeente van Huizen, maar de schade was niet gering. De overgebleven leden en ambtsdragers wensten zich nu te scharen onder leiding van de kerkenraad van Hoofddorp. Huizen werd nu voorlopig een station van de gemeente Hoofddorp. Na enige tijd werd besloten aan deze situatie een  einde te maken en gingen de leden van Huizen over naar Hoofddorp. Alle giften die bestemd waren voor de kerkbouw in Huizen werden, voor zover bekend,  aan de gevers en geefsters teruggegeven.[*]

Door de gemeente van Drachten werd br. O van der Galiën gepresenteerd. Ds. Salomons gaf aan "dat deze zaak goed bekeken moest worden." "Reeds drie maal hebben wij een teleurstelling ondervonden. Veronderstel dat wij ja zeggen, dan moeten wij voorwaardelijk aanvaarden en in dat geval van jaar op jaar in de classis volgen en met voorbehoud altijd de vrijheid behouden om te weigeren." Toch oordeelde de vergadering uiteindelijk over deze broeder niet ongunstig. Bij stemming bleken alle broeders voor toelating. Ds. Van Minnen: "Ik heb weleens meerdere en grotere woorden gehoord, maar ook groter was de weg van de teleurstelling." Ds. Salomons gaf aan: "verblijd te zijn, niet teveel gehoord te hebben en geen grote stappen met zevenmijlslaarzen. De vreze Gods in beginsel." Ook de broeders ouderling Bakker en Wapenaar uit Vlaardingen gaven aan: "vrijmoedigheid te hebben om deze br. te aanvaarden." "Zijn geloof getuigt van kinderlijke eenvoud." Hierna brachten ook de anderen afgevaardigden hun stem uit en dit oordeel was vrijwel in dezelfde geest. Als begeleider tijdens de studie die drie jaar zou duren, werd ds. Groen aangewezen. Kandidaat van Galiën werd hierna toegesproken in hartelijke bewoordingen door ds. Van Minnen.

[*] Aan deze gemeente in Huizen kwam in 1958 een einde. Door de kerkenraad van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Huizen werden tot in de jaren zestig nog behoudende predikanten beroepen zoals N. de Jong, G. Blom, W.F. Laman e.d.

Overlijden van ds. H. Groen

Op 21 januari 1957 kwam het bericht binnen van het overlijden van ds. H. Groen, na een kortstondige maar ernstige ziekte. Ds. Groen werd slechts 39 jaar. Op zijn ziekbed had hij veel mogen getuigen. Gemeenteleden die hem bezochten waren onder de indruk van zijn vrij- en blijmoedigheid waarmee hij sprak over zijn aanstaand sterven. Het wegvallen van ds. Groen betekende een grote klap voor de prille gemeenten en het kerkverband. Ds. Groen had veel werk in Drachten en Twijzelerheide mogen verrichten.[ Ook was hij betrokken bij de opleiding van student van der Galiën.*] 

Op classisvergadering wijdde ds. Salomons er enige woorden aan. "Ds. Groen is ons door de dood ontvallen. De wegen van de Heere zijn voor ons soms zo onbegrijpelijk. We hebben de neiging om te denken, dat de Heere met ons alleen maar van kracht tot kracht voortgaat. Maar de wegen van de Heere zijn hoger dan onze wegen en Zijn gedachten hoger dan onze gedachten."

[*] Student van der Galiën besloot naar aanleiding van het overlijden van ds. Groen zijn studie te beëindigen: "Het overlijden van ds. Groen was zo'n klap dat mij alle moed ontviel. Daardoor heb ik de studie moeten afbreken."

Klaas van Twillert

Het werk voor ds. Salomons en ds. Van Minnen was door het overlijden van ds. Groen aanzienlijk toegenomen. De Friese gemeenten en in het bijzonder die van Drachten kwamen in een schrijnende situatie. Na enige tijd melde zich Klaas van Twillert afkomstig uit de Christelijke Gereformeerde Kerk van Bunschoten, alwaar hij nog door ds. K. Groen was gedoopt. Klaas van Twillert was een zoon van Jacobus van Twillert en Hendrikje Nagel. Rond 1937 was er een ommekeer in zijn leven voltrokken na een sterfgeval in de familie. De prediking van ds. J.H. Velema die stond in Bunschoten tussen 1946 en 1951 sprak hem aan. Hij noemde deze later "een christocentrisch prediker." Na een persoonlijke worsteling of hij wel daadwerkelijk geroepen was werd de roeping tot het predikambt hem als ware opgelegd met de woorden uit Jesaja 58: 1 "Roep uit de keel, houd niet in, verhef uw stem als een bazuin en verkondig mijn volk hun overtreding en het huis Jacobs hun zonden." Het was toen 26 oktober 1956.

Van Twillert, die nauwelijks enige opleiding genoten had en al meer dan 20 jaar als sigarenmaker werkzaam was, wenste via de route van artikel 8 DKO alsnog toegelaten te worden (singuliere gaven). Hierover besloot hij in gesprek te gaan met zijn eigen predikant ds. M. Vlietstra. Deze liet hem een proefpreek houden over Jesaja 55: 1, maar blijkbaar achtte Vlietstra hem voor artikel 8 niet rijp. De weg naar het predikambt leek hiermee dood te lopen, maar van een vriend kreeg Klaas van Twillert toen te horen dat hij naar ds. Van Minnen moest gaan. Hier zag hij erg tegenop. Ds. van Minnen had zich immers van de Christelijke Gereformeerde Kerken losgemaakt. Dit werd door velen gezien als een groot schandaal.  Moest hij naar zo'n iemand gaan? En bovendien, zou hij hier dan wel toegelaten worden? Zijn bezoek aan ds. Van Minnen bleek echter boven verwachtingen. Van Twillert verklaarde hierover het volgende: "Ik heb mijn verhaal aan hem verteld en met diepe ontroering zei hij dat God zijn gebeden verhoord had. Ik was de man die hij zocht! Die middag thuis jubelde mijn ziel! Mijn vrouw en ik waren zo verblijd in God!"

Ds. Van Minnen, voor wie het een gebedszaak geworden was om een nieuwe arbeider in de wijngaard, in het bijzonder door het wegvallen van ds. Groen, meende dat deze br. Van Twillert het antwoord was op zijn gebed. Dit paste ook wel bij zijn karakter: na een donkere uitzichtloze situatie kon hij kon zomaar opeens opveren als hij ergens Gods hand in meende te zien. Ds. Salomons was nuchterder en meer terughoudend. Voorgesteld werd om voorlopig te gaan studeren door zelfstudie.

Wie ook geen gat in de lucht sprongen waren de ouders van br. Van Twillert en verdere familie. Zij trokken zijn roeping in twijfel en vonden dat hij "te graag dominee had willen worden." En dat nog wel in het kerkverband van een dominee die de Christelijke Gereformeerde Kerken had verlaten. Het was een schande voor de familie! Ook de gehele kerkelijke gemeente van Bunschoten keek hem met de nek aan. Dit deed hem en zijn vrouw erg veel pijn. Kort daarop preekte Van Twillert voor het eerst - op verzoek van ds. Van Minnen - in Vlaardingen. Na deze eerste preken werd de proponent op meerdere plekken gevraagd. Ook sprak hij tijdens een bijeenkomst voor de SGP in de Gereformeerde Gemeente van Meeuwen. In het hoge Noorden - in Drachten en Twijzelerheide werden zijn preken niet zonder enige reserve ontvangen. Ook de weduwe van ds. H. Groen had bezwaren tegen zijn prediking. Ds. Salomons schreef naar aanleiding van deze bezwaren een brief waarin hij het advies gaf: "de kandidaat de tijd te gunnen en niet te vergelijken met wijlen ds. H. Groen." Dit advies werd ds. Salomons dusdanig kwalijk genomen dat geen van de predikanten nog in Twijzelerheide mocht voorgaan. Op 19 februari 1958 kwam op een kerkenraadsvergadering in Delft ter sprake, of het niet wenselijk was of 'student' Van Twillert ook eens in Delft, op één van de vrije zondagen van ds. Van Minnen, zou kunnen preken. Dit werd echter 'door omstandigheden' vooralsnog uitgesteld.

Klaas van Twillert is de jongen onderaan in het midden
Klaas van Twillert is de jongen onderaan in het midden

Op de classisvergadering van 16 september 1958 gehouden in Bussum werd van Klaas Twillert door de gemeente van Hoofddorp gepresenteerd "als lidmaat onzer gemeente om hem naar artikel 8 van onze kerkorde te onderzoeken naar genadestaat, roeping, geloofskennis en singuliere gaven om hem na gehouden onderzoek en gebleken geschiktheid tot het predikambt in onze kerk toe te laten." Vanuit Delft waren aangewezen als afgevaardigden: ds. J.G. van Minnen en ouderling A.W. Langstraat (primi), P. Langstraat en J.C. Hille (secundi). Vanuit Hoofddorp: ds. G. Salomons en ouderling K. den Breejen (primi), ouderling D.J. Boot en C. Verbeek (secundi). Vanuit Vlaardingen: G. Wapenaar en P.J. van Roon. Voorts waren aanwezig afgevaardigden uit Drachten. Na een gehouden onderzoek naar roeping en genadestaat, een preekvoorstel over Psalm 34: 7 en examinatie werd br. K. van Twillert op artikel 8 DKO beroepbaar gesteld.

Toch had Van Twillert nog steeds geen onverdeeld positieve basis binnen de gemeenten. Het beroepen van kandidaat van Twillert in Drachten 1958 had als gevolg dat een tweetal ambtsdragers Jongsma en Ozinga hun ambt neerlegden.

Van Twillert nam een beroep aan naar Vlaardingen[*] en werd hier door ds. Van Minnen bevestigd. Bij de bevestiging op 11 december 1958 in het kerkgebouw van de Gereformeerde Gemeente van Vlaardingen, zat de kerk vol met gemeenteleden, kerkenraden, zelfs familieleden die over hun schaduw waren heen gesprongen, en een bus vol met sigarenmakers. Ds. Van Minnen preekte opmerkelijk genoeg over dezelfde tekst als destijds bij Kandidaat Groen, uit Ezechiël 2: 4b "Ik zend u tot hen, en gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de Heere HEERE!"


[*] Vlaardingen telde op dat moment 64 belijdende leden en 74 doopleden. In januari 1956 had de gemeente ds. G. Salomons beroepen, maar deze bedankte. (H. Hille & J.M. Vermeulen In de Schaduw van het kerkelijk leven, p. 190 en 272).