Deel 1

Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland

in de periode 1952-1975


"Zie, ik ben zelf ook niet zo'n hoog-kerkelijk mens; ik geloof zelfs dat de Heere wonen en werken wil in kerken en kringen, waar ik mij niet thuis zou voelen; (..) Ik denk altijd maar weer aan mijn preek als student in Amersfoort, verschillende kerken en groepen van uitgesproken rechtzinnige belijdenis hebben als eilandjes in de oceaan gezamenlijk een zelfde bodem, diep, heel diep in de zee van Gods ontferming."


G. Salomons


"Wel is en blijft de bevinding tot het subjectieve deel van onze godsdienst behoren, maar dan toch zo, dat ze haar inhoud en stem ontleent aan de objectieve gegevens van de Heilige Schrift. Had men maar goed op de betekenis van het woord bevinding gelet, de valse mystiek zou het niet binnen haar terrein gebracht hebben. Wel is er geen geestelijk leven zonder mystiek, en derhalve ook niet zonder bevinding, maar wat wij bij onszelve bevinden, moet zijn naar de Schrift, en uit het geloof in de openbaring Gods."

G. Salomons


"Er zijn voorbeelden te noemen hoe zelfs Schriftverklaarders als Calvijn en anderen faalden in hun exegese. Wij moeten niet Bijbelcommentaren raadplegen en dit klakkeloos overnemen, maar nauwlettend onderzoeken of het ook naar de geest van Gods Woord is."


J.G. van Minnen


"Ik merk uit uw schrijven, dat u de betogingen van sommigen inzake de m.i. gegronde bezwaren tegen de Nieuwe Vertaling nu niet met zo'n groot genoegen geluisterd hebt, nu dat zou ik ook niet gedaan hebben. (..) Ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is en het gehoor moet proberen met onderscheidingsgave te luisteren, zowel naar de voorstanders als naar de tegenstanders van de Nieuwe Vertaling."


G. Salomons


"Ieder gelovige [is] geroepen naar artikel 27 [van de] geloofsbelijdenis zich daar te voegen, waar niet de volmaakte, maar dan toch een godvrezende openbaring van het lichaam van Christus wordt gevonden."

G. Salomons


Brief aan de kerkenraad van de Christelijke Gereformeerde Kerk Urk (1960), Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland in de periode 1952-1975, Brief uit Friesland (1946), Synode van 1947, Tussen de vuren: een nieuwe generatie treedt aan (ds. J.H. Velema), Ds. P. Westerloo op de Schooldag van 1947, Ds. J.G. van Minnen op de Schooldag van 1947, Terugblik Prof van der Schuit op de Schooldag van 1947, Terugblik op het kerkelijk jaar 1947 (ds. J.C. Maris), Woelderink als het juiste midden? Enigheid des Geloofs, Om het eeuwig welbehagen: ds. M. Baan op de Schooldag van 1949, Signalen van achteruitgang? Een levend geloof als eis, Eerste fase gesprekken 'vrijgemaakten' (1947-1951), Gesprekken met de vriendenkring ds. M. Baan (Dordrecht), ds. H. van Leeuwen (Delft), ds. C. Smits (Driebergen) en ds. N. de Jong (Middelharnis), De moeilijkheden binnen de classis Amsterdam (1950-1952),  Karaktereigenschappen, Huizen 27 juli 1952, Liturgische gewoonten, Reacties op uittreden van ds. Van Minnen, Een kleine exodus, Vlaardingen en Hoofddorp, Gerrit Jan van Vliet, Hendrik Visser Mzn. en Rotterdam-Zuid, Overeenstemming Huizen, Bussum, Vlaardingen en Hoofddorp, Synode Chr. Geref. Kerk 1953, Kanselboodschap (Prof. G. Wisse), Hessel Groen, Zwolle,  Mijdrecht (ds. R. Kok) naar Chr. Geref. Kerk
Drachten, Veenwouden, Jetse Hamstra, Delft 

Brief aan de kerkenraad van de Christelijke Gereformeerde Kerk Urk (1960)


Eerwaarde broeders,

Zoals we afgesproken hadden om contact op te vatten met enkele broeders predikanten der Christelijke Gereformeerde Kerk, zo hebben we het ook gedaan. Dus de zaak is lopende. Ge weet, dat er bij bedoelde broeders nog al wat aarzelen is; reeds ongeveer een jaar of twaalf. We hebben hun medegedeeld, dat Urk nu eens spoedig tot zaken wenst te komen. Tevens de grens gezet, dat we uiterst september dit jaar definitief een datum van vergaderen gesteld willen zien. Zodra we iets weten zullen we dit onmiddellijk melden. Geliefde broeders, mocht het ons vooral om de Heere te doen zijn. Dat Hij ons op de knieën brenge en vinden voor deze zaak. Niet om getal, niet om grootheid, geen berekening, geen aanzien hebben bij de verwereldlijkte kerk. Maar gunst bij God en zoals een weerloze duif onder Zijn vleugelen te mogen schuilen en tevens oprecht te zijn gelijk de duiven. De Heere is machtig te verlossen door velen, ook door weinigen, sprak Jonathan. En Jacob zeide tegen zijn zonen, wat ziet ge op elkander. O laat ons toch met elkaar op de Heere zien, dan is er geen listig zichzelf bedoelen, dan is het maar geen enkel berekenen, dan wordt het een levend geloof, ook nog in het laatste der dagen (hoe weinigen ook; 't is altijd een overblijfsel geweest): 'de bedroefden om der bijeenkomst wil, zal ik vergaderen.' (Zefanja 3: 18)

Met hartelijke groeten Gode in alles bevolen.

Uw. dw. ds. J.G. van Minnen

oud. A.W. Langstraat.

Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland in de periode 1952-1975 

Over het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland is al het nodige geschreven en bovendien was het klein in omvang. Toch is het zinvol om er iets aan toe te voegen, al was het slechts als aanvulling  en/of correctie op de  gegevens  die in  de diverse publicaties binnen de z.g. 'kleine kerkgeschiedenis' tot dusver verschenen zijn. De belangrijkste inspiratiebron echter voor het schrijven van dit overzicht, in samenhang met een tweetal biografische  schetsen, vormen brieven van ds. G. Salomons (1890-1975) die eerder nog niet allemaal bekend waren.  Ds. Salomons schreef vanuit Terneuzen, waar hij zich na zijn emeritaat in 1961 had gevestigd, regelmatig brieven naar de kerkenraad van Delft waaruit een hartelijke pastorale betrokkenheid blijkt met het reilen en zeilen van de Delftse gemeente. Ook over zijn persoonlijke levensloop komen af en toe (nieuwe) bijzonderheden naar voren en ontstaat een completer beeld. Een andere belangrijke vondst is een afschrift van een brief van ds. Van Minnen gericht aan ds. Salomons, waarin hij schrijft over  een vermeend terugkeren naar de Christelijke Gereformeerde Kerken rond 1968. Ds. Van Minnen weerspreekt dit gerucht met klem en legt in deze brief uit wat er precies gebeurd is tijdens zijn verblijf in Driebergen. Het was een sterke bevestiging op het reeds eerder gerezen vermoeden  dat dit 'feit' als zodanig geen historische grondslag heeft. De realiteit is echter wel dat dergelijke geruchten als 'feiten' opgenomen zijn in de diverse publicaties.[*]

Context

De context van deze geschiedenis is een periode waarin het gereformeerd kerkelijk leven in Nederland volop in beweging was. Het was een zoeken en tasten in een onzekere tijd. Veel zaken die wij nu als vanzelfsprekend beschouwen waren er nog niet. Er stond na de Tweede Wereldoorlog veel te gebeuren. Er heerste een geest van opbouw. De periode 1946-1950 is daarom ook wel aangeduid als een periode van vernieuwing en verwarring. Vernieuwing: er was een breukvlak met het verleden met een nieuwe generatie met nieuwe voornemens. Tegelijkertijd nam de verwarring toe. Op kerkelijk terrein waren er zoekende zielen, vaak ernstige mensen met veel eerbied voor de Nederlandse Hervormde Kerk als instituut, die in praktijk in een afgescheiden gemeente en/of evangelisatie kerkten, omdat men in de plaatselijke hervormde gemeente vanwege een gemis in de prediking niet terecht kon. Wrijvingen binnen en tussen de afgescheiden kerkverbanden, de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Gemeenten gaven ook de nodige onrust.  Het kerkelijk klimaat van rond de Tweede Wereldoorlog was een vruchtbare voedingsbodem voor vrije gemeenten en los-vaste bevindelijke kerkverbanden. Een tweede herziene en uitgebreide druk van het boekje 'Kerken in Nederland', dat uitkwam in 1949, noemt tal van namen van vrije gemeenten en kerkverbanden, waaronder de Gereformeerde Gemeenten in Hersteld Verband  (gebroeders Overduin) twee keer Nederduits Gereformeerde Gemeenten, de Christelijke Gereformeerde Gemeenten (ds. H. Visser Mzn), vrije Hervormde gemeenten, evenals 'Sterkenburg gemeenten' in Capelle aan den IJsel (ds. H. Vlot), Sliedrecht (ds. A. Bijkerk), Alblasserdam (oefenaar A.P. Verloop), Schiedam (ds. H. Hofman) Hendrik ido Ambacht (ds. B. van de Breevaart). In 1952 kwam hier de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland bij (ds. J.G. van Minnen) en in 1953 de Gereformeerde Gemeenten in Nederland (dr. C. Steenblok). Behalve toenemende kerkelijke verdeeldheid vond er weliswaar in deze periode ook nog een kerkelijke vereniging plaats van de Oud Gereformeerde Gemeenten (Boone gemeenten) met de Federatie van Oud Gereformeerde Gemeenten (ds. C. de Jonge). Hierdoor ontstonden de Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Dit kerkverband stelde echter aan haar gemeenten en voorgangers beduidend minder voorwaarden zodat ook wel gesproken werd van een rekverband, overigens voor ds. Joh. van der Poel een geuzennaam.

De beschrijving die hier volgt, spitst zich toe op het ontstaan van de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland rondom ds. J.G. van Minnen in 1952 en wat hiermee samenhangt. We volgen de kerkelijke ontwikkelingen tot ongeveer 1975, het jaar waarin de laatste predikant van dit kerkverband - ds. G. Salomons - overleed. Zeker is dat de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland rondom ds. Van Minnen zich wilden onderscheiden van kerkelijke groeperingen die van geen vaste kerkelijke structuren wilden weten. Dit betekende heel concreet: een kerkelijke keuze doen en kerkordelijk daarnaar te handelen. Men had de intentie om de oude beginselen van de Christelijke Gereformeerde Kerk voort te zetten. Ds. Van Minnen stond als voorganger in de traditie van de Afscheiding van 1834, waarbij hij de organisatie van de Nederlandse Hervormde Kerk (na 1816) als tegen Gods Woord en de belijdenis verwierp.[*] Hier konden alle mogelijke dwalingen verkondigd worden, zonder dat dit enige consequentie had.[*] In dit kerkelijk standpunt was hij geschoold bij Prof. P.J.M. de Bruin (1868-1946). Hierbij moet wel de kanttekening gemaakt worden dat de situatie in de Christelijke Gereformeerde Kerken anno 1952 niet vergeleken kon worden met de situatie in 1834 in de Nederlandse Hervormde Kerk. Toch lag de grondslag van het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland in de gesprekken met de bezwaarde christelijk-gereformeerde predikanten die in de periode 1950-1952 allen dezelfde gronden aanvaarden waarom ds. Van Minnen in 1952 de Christelijke Gereformeerde Kerken zou verlaten. De praktijk om eensgezind aan dit beginsel vast te houden bleek echter weerbarstig. Een deel van de bezwaarden binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken verenigde zich uiteindelijk in 1966 in de stichting 'Bewaar het Pand', een ander deel ging over naar de (Oud) Gereformeerde Gemeenten (in Nederland).

Heden

Uit een recent onderzoek bleek dat anno 2021 nog maar 13 procent van de Christelijke Gereformeerde Kerken zich rekent tot Bewaar het pand, oftewel zich verbonden voelt met de oorspronkelijke wortels van het kerkverband. Een groot deel rekent zich tot de z.g. orthodox-gereformeerden en een deel tot de evangelische richting. Uit dit onderzoek blijkt dat de invloed van de Bewaar-het-Pand-richting dus aan het afnemen is.[*]  Deze uitkomst komt niet als een verrassing. Bij het 40-jarig jubileum van Bewaar het Pand moest men concluderen: "De zorgen zijn alleen maar groter geworden." Met spijt stelde (al jaren geleden) iemand uit het middenveld, ds. J.H. Velema, vast dat de Christelijke Gereformeerde Kerken zich vanuit hun middenpositie naar de rand van de gereformeerde gezindte hebben gewerkt. Bij velen heerst echter het hardnekkige misverstand dat de bevindelijke richting binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken altijd maar een minderheid geweest is. Hiervan moeten we echter vaststellen dat dit vanaf het begin niet  zo is geweest. De Christelijke Gereformeerde Kerken telden oorspronkelijk heel wat bevindelijk-gereformeerde predikanten en gemeenten (vooral na 1892) en dat niet alleen in het zuiden, maar ook in het Noorden.[*] Daarom ook aandacht voor het kerkelijke klimaat van de Christelijke Gereformeerde Kerken voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Conclusie

Inmiddels is het stof van de naoorlogse kerkelijke zoektochten aardig neergedaald. De kerkelijke nakomelingen van deze 'bedroefden', voor zover hier ter sprake gekomen, kwamen terecht in één van de gevestigde kerkverbanden zoals we die nu kennen. In de periode waarin wij nu leven is er weer een verlangen (?) te bespeuren naar eenheid en zijn er weer nieuwe (?)  vragen. Wat is wezenlijk en waarin kan men van inzicht verschillen zonder kerkelijk van elkaar gescheiden te hoeven zijn? Voor sommigen ligt de grens bij een (min of meer formele) handhaving van de (gereformeerde) belijdenis. Anderen leggen de grens bij de (Schriftuurlijk-bevindelijke) prediking. In praktijk spelen echter nog veel meer factoren een rol. Zullen de 'bedroefden' die nu leven in Nederland, of in de komende generaties er zullen zijn, elkaar op aarde ooit kunnen vinden in één kerkverband? Misschien is de conclusie wel enigszins ontmoedigend, maar inderdaad wel het meest realistisch: Door het feit van de zonde is dit iets wat onmogelijk geworden is.

Noten

[*] Voorbeelden zijn: Stoppelenburg, Kerkhistorische kroniek: 75 jaar Christelijke Gereformeerde Kerken (1968); Spruijt, Christelijke Gereformeerde Kerk Delft (1899-1974) (1974); Bax, 'Terugblik op enkele decennia Christelijke Gereformeerde Gemeenten', in: Reformatorisch Dagblad, 18 februari 1984;  Hille, 'Verschenen en verdwenen, de geschiedenis van twee kleine kerkformaties', in: De Hoeksteen, kerkhistorisch tijdschrift, mei 1985;  Hille & Vermeulen, In de schaduw van het kerkelijk leven: de geschiedenis van de kleinste kerkverbanden binnen de gereformeerde gezindte in de twintigste eeuw (1995); Redactie bibliotheek van de kleine kerkgeschiedenis, Predikanten en oefenaars; Vermeulen 'Een veelbewogen leven' in: GezinsGids 9 juli 2020

[*] De gereformeerde kerk in de zestiende eeuw was geen pluriforme kerk. "Berichten dat de kerk van de zestiende eeuw een pluriform karakter had, waarbij meer en verschillende protestantse opvattingen in alle vrijheid geduld werden is onjuist. De kerkelijke besluitvorming laat hierover geen twijfel bestaan. Men zocht naar een zuivere verkondiging van het evangelie. Niet voor niets werd in de predikantenopleidingen zo veel waarde gehecht aan een grondige exegese van de Schrift. Er werd zeker geduldig en gematigd opgetreden tegen hen die in onschuld dwaalden. Maar wie willens en wetens zijn dwalingen publiek proclameerde, kreeg met de kerkelijke censuur te maken." (Huib Noordzij, Handboek van de Reformatie, Kampen 2012 p. 7, 623) Na 1816 werd deze structuur van de kerk doorbroken en groeide de Nederlandse Hervormde Kerk uit tot een pluriforme kerk waarin niet alleen allerlei dwalingen geduld werden, maar ook de belijders die vast hielden aan Schrift en Belijdenis onderdrukt. Dit alles leidde tot de Afscheiding van 1834. 

[*] De Nederlandse Hervormde Kerk hield per 1 mei 2004 op te bestaan door een fusie met de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch Lutherse Kerk. Uit deze fusie ontstond de Protestantse Kerk Nederland waarin vrijzinnige theologen overigens nog steeds een volle stem hebben. De meeste bezwaarde hervormden vonden in de Hersteld Hervormde Kerk een kerkelijk thuis.

[*] De afgescheidenen hadden ten opzichte van de Nederlandse Hervormde Kerk het standpunt: "uit dit alles tezamen genomen, is het nu meer als duidelijk geworden, dat de Nederlandse Hervormde Kerk niet de ware, maar de valse kerk is, volgens Gods Woord en artikel 29 van onze belijdenis."  Later onderstreepte de afgescheidenen dit standpunt op de synode van 1851 nog eens: "Indien wij dit in gemoede voor de Heere niet geloofd hadden, dan hadden wij ons, overeenkomstig onze Formulieren van Enigheid niet mogen afscheiden en zouden derhalve ons tegenwoordig standpunt verloochenen, hetwelk door ons bij deze niet mogelijk is, omdat wij van harte geloven, dat de Heere Jezus als koning der kerk zijn volk uit een valse kerk geliefd uit te leiden."

[*] 'CGK zijn uit elkaar gegroeid en spreken elkaars taal niet meer', Reformatorisch Dagblad 17 september 2021

[*] Dr. C.S.L. Janse schreef terecht in het proefschrift Bewaar het pand, de spanning tussen assimilatie en persistentie bij de emancipatie van de bevindelijk-gereformeerden (1985) "Wij zagen reeds dat in de Christelijke Gereformeerde Kerken in de loop der jaren aanzienlijke verschuivingen hebben plaats gehad. Zodanig zelfs, dat in tal van plaatsen de Christelijke Gereformeerde Kerk de bevindelijk gereformeerde signatuur die zij vroeger had, volstrekt verloren heeft."

Brief uit Friesland (1946) 

Is er anno 21ste eeuw nogal eens sprake van een Babylonische spraakverwarring: het niet meer kunnen of willen verstaan van elkaar op theologisch gebied, in 1946 paste dit nog niet bij het voorstellingsvermogen: het idee dat het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Kerk(en) in een dergelijke mate uiteen zou groeien. Onderstaand verslag van de Bondsdag van Christelijke Gereformeerde Jongelingsvereniging ademt een sfeer van opgeruimdheid en eensgezindheid.

[Ik was op] 6 en 7 Augustus in Utrecht op vergaderingen van onze Jongelingsbond. Je weet dat ik die een warm hart toedraag. Omdat ik jou echter niet zag, stel ik mij voor dat je er graag iets van weten wilt hoe ik het er gehad heb. Nu, het was er goed hoor! En een belangstelling. In één woord: geweldig! Het begon dinsdagavond al met een zo goed als geheel bezette kerk aan de Wittevrouwensingel..(...) Een pracht inleiding is op die avondvergadering gehouden door ds. J. H. Velema van Bunschoten over de vraag, hoe de houding van onze verenigingen moet zijn tegenover jeugdorganisaties uit andere kerken. Dat was klare taal! Echt afgescheiden hoor. 't Is te hopen, dat de verenigingen, die hier en daar wel eens wat te haastig zijn, zich aan deze lijnen houden (...) Woensdag was het de grote dag! Ver over de duizend jongeren bezochten deze toogdag. Wat een verheffend gezicht, die gevulde Oosterkerk aan de Maliebaan, welwillend afgestaan door de kerkenraad van de Ger. Kerk. Het podium prachtig met palmen en een keur van bloemen, geschonken door de Almeerse J.V. versierd. Nu een feestelijk karakter mocht deze dag wel dragen. Het was de eerste Bondsdag na de bevrijding en tegelijk de herinnering aan het 40-jarig jubileum van de Bond, dat in 1944 herdacht zou zijn, hadden de omstandigheden dat toegelaten. Ontroerend was de opening. Toen het Bondsbestuur het podium betrad rees de schare overeind en zong Ps. 66 : 6, 10. Daarin uitte zich de dankbare vreugde over wat God in de bevrijding, inzonderheid ook voor de jongeren gegeven had. Prof. v. d. Meiden - hij blijft jong, al wordt hij ouder - sprak een openingsrede uit onder de titel: "Krijg en kracht". (..) In de morgenvergadering deed ds. Kremer mededeling van het belangrijke besluit van de vorige avond, n.l. dat opgericht was het "Ds. H. Janssenfonds". Dit fonds bedoelt de herinnering levendig te houden, van wat ds. Janssen betekend heeft voor het jeugdleven van de kerk. Het wil dit doen, en dat is zijn hoofddoel, door het uitgeven van lectuur tot voorlichting van de jongeren over vragen, die voor hen als jonge leden van de Chr. Ger. kerk van groot belang zijn. (...) Kandidaat J. van Genderen gaf een prachtwoord over: "Het Eenheidsstreven". Het on-Bijbelse en antichristelijke daarin werd ontleed tot op de graat. En wat handig en smakelijk wist hij de vele vragen te beantwoorden. Ds. J.G. van Minnen van Delft sprak de opwekkende rede uit over: "En nu: tegen stroom, maar met de wind in de zeilen." Ik wou dat al onze jongeren en ouderen dat hadden gehoord! Warm, belijnd en degelijk. Ds. Van Minnen wees de juiste weg tussen verbondsoverschatting en -onderschatting. Intellectualisme en lijdelijkheid werden fel gestriemd, en in klare taal de weg Gods voorgesteld. Terugziende op deze vergaderingen mag gezegd, dat onze J.V.'s leiding krijgen in de echte afgescheiden geest. O, ik weet wel dat je zeggen zult: het is niet alles goud wat er blinkt! Ik zou willen antwoorden: Zwijgt gij stil, ik weet het ook wel. Maar ik weet ook 'dat er onder onze jongeren gelukkig een warme belangstelling is voor goede leiding. En die kan, onder de zegen Gods, van grote betekenis zijn. (...)

De Wekker, 16 augustus 1946

Synode van 1947

In de Wekker gaf ds. J.H. Velema een weerslag van de synode van 1947 waarbij hij eveneens continuïteit en eensgezindheid benadrukte. De meest grote veranderingen waren, dat sinds de laatst gehouden synode van 1944 de Tweede Wereldoorlog achter de rug lag en twee kenmerkende figuren uit de beginfase van de Christelijke Gereformeerde Kerk Prof. P.J.M. de Bruin en ds. H. Janssen 'van ons zijn heengegaan':

"Het Utrechtse Kerkgebouw aan de Wittevrouwensingel bevatte maandagavond vele afgevaardigden, een deel van de gemeente als ook belangstellenden uit naburige gemeenten. Vele handen worden gedrukt. De gemeente ziet predikanten in haar kerk, die ze nog nimmer gezien heeft. Er zijn oude bekenden en nieuwe gezichten. Het feit, dat ditmaal 48 afgevaardigden van de synode deel uitmaken, dank zij de nieuwe kerkelijke indeling, werkt mee aan een meer evenredige vertegenwoordiging van de kerk, zo dat in synode arbeid vergrijsde dienaren des Woords weer op de synode zijn, maar ook verschillende jongere predikanten voor de eerste maal de eer genieten de kerk te mogen dienen in de arbeid van de synode." 

"De praeses van de vorige synode, te Apeldoorn in 1944 gehouden, ds. Jongeleen, gaat voor in de dienst des Woords. Het gebed voor de arbeid van de synode wordt ingeleid door een prediking over de bekende bede van de Bruidkerk om de werking van de Heilige Geest, Hooglied 4: 16. We komen onder deze prediking direct in de sfeer, die voor deze synode nodig is. Diepe afhankelijkheid en tere ootmoed zijn de kenmerken van de kerk, die door haar Bruidegom zo liefelijk wordt aangesproken. Zij wordt niet hoogmoedig, spreekt ook niet tegen, maar wordt juist gedreven tot de bede: "Ontwaak, o Noordenwind." Ernstig waarschuwt de prediker, op de hem eigen wijze, tegen het gevaar van eenzijdigheid, dat steeds weer de kerk bedreigt. In een hartelijk gebed droeg ds. Jongeleen het werk van de synode aan de Heere op. 

Dinsdagmorgen begonnen de vergaderingen van de Synode. Het is bijna 30 jaren geleden, dat de generale synode in Utrecht vergaderde. Toch is de oude Bisschopsstad, in het leven van onze kerk niet onbekend. Hier kwamen 20 Juli 1892 de bezwaarden over de vereniging bijeen. In Utrecht begint het voortbestaan van de Chr. Geref. Kerk! (...) 

Om 9 uur laat de voorzitter van de roepende gemeente de hamer vallen. De psalm, die hij laat zingen is de psalm voor deze vergadering: Ps. 122: 3 "Dat vreed' en aangename rust en milde zegen u verblijd." Hij spreekt het volgende openingswoord: Weleerwaarde en Eerwaarde Broeders afgevaardigden, Weleerwaarde Hooggeleerde Heren Hoogleraren der Theol. School, Hooggewaardeerde Prae-adviseurs, Geliefde Broeders, Het is mij een grote vreugde namens de roepende Gemeente van Utrecht U allen in dit voor ons kerkelijk leven zo welbekende kerkgebouw een hartelijk welkom toe te roepen.(...) 

Het was te Utrecht, dat op 20 Juli 1892 enkele leden van de Kerk der Afscheiding samenkwamen, die verklaarden "met droefheid van de vereniging van de Christelijke Gereformeerde Kerk met de Nederlandse Gereformeerde Kerken te hebben vernomen" en besloten te blijven, wat men tot 17 Juni 1892 was, nl. de wettige voortzetting van de aloude Gereformeerde Kerk in deze landen, onder de naam van de Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland. Hoewel de eerste officiële synode van de voortbestaande Chr. Ger. Kerk werd gehouden op 3 en 4 Jan, 1893 in Den Haag, werd de volgende synode op 25 t/m 27 Juli van dat jaar gehouden in Utrecht. Nadien heeft de synode tot aan 1919 onafgebroken ieder jaar in Utrecht en tevens in dit kerkgebouw vergaderd." (..)

"De synode, waarin u nu samenkomt, is de eerste van onze kerk na de Tweede Wereldoorlog. Zware stormen zijn over ons land en volk gegaan, maar de Heere heeft nog geen voleindiging willen maken. In Zijn oneindige goedheid en lankmoedigheid heeft Hij het licht van de bevrijding weer over ons doen opgaan. En juist daarom is het temeer zo droevig, dat we bij ons volk in plaats van een terugkeer tot God en Zijn geboden een steeds verdergaande geestelijke en zedelijke achteruitgang moeten constateren. Met name ook voor de jeugd van onze kerk brengt dit in onze naoorlogse wereld bijzondere verleidingen en gevaren met zich. En daarom zal de kerk meer dan ooit zich moeten bezinnen op haar taak ten opzichte van haar jeugd en het kan mij niet anders dan verblijden, dat u ook in deze dagen in de hoogste vergadering onzer Kerk tot die taak geroepen wordt. Lieflijk heeft de Heere Zijn Kerk willen doorhelpen door de branding van de oorlog. Wel heeft ook onze Kerk haar offers moeten brengen, maar het is slechts weinig in vergelijking met wat God ons heeft doen behouden. Nu mogen we als kerk zijn, die we zijn, om de banier der Waarheid en het beginsel van de Afscheiding hoog te houden. Nog hebben we onze Theologische School en God heeft haar rijk gezegend, zodat thans het aantal studenten hoger is dan ooit tevoren. En op ons zendingsveld mag nu de arbeid haar voortgang vinden en werden ds. Bikker en ds. Geleijnse met hun gezinnen wonderlijk gespaard. En nu mag onze kerk voor de eerste maal na de oorlog in synodale vergadering bijeen zijn. We mogen wel met de dichter zeggen: Loof de Heere, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden."

"Oude en nieuwe gezichten ontdek ik onder u. En dat is begrijpelijk. Immers is de samenstelling van een Synode altijd wisselend en voorts nemen jongeren de plaatsen van de ouderen in. Dat wordt ook vandaag gezien."



"Hoe moeilijk toch om het midden? Nee, het juiste midden te houden nietwaar? Wat een voorbeeldig apostel is toch Paulus geweest. Hij werd de joden een Jood en de Grieken een Griek, al striemde hij tegelijkertijd hun eigengerechtigheid en hun ijdele filosofie. En hoe moest zijn mede apostel Petrus het in het openbaar zelfs flink ontgelden."

G. Salomons


"Toch missen we op deze eerste Synode na de oorlog twee geliefde broeders node. Ik bedoel: Prof. Pieter Johannes Marie de Bruin, in leven hoogleraar aan de Theologische School en ds. Hektor Janssen, in leven Leger- en Vlootpredikant in algemene dienst. Bijna een halve eeuw waren zij onafscheidelijk aan de synodale vergaderingen van onze kerk verbonden en we mogen en kunnen ze ook nu nog niet vergeten, waarom ik u verzoek ze staande te gedenken."

"Pieter Johannes Marie de Bruin, geboren op de eerste Februari 1868 te Voorschoten, heeft heel zijn leven gewijd aan de kerk der scheiding. Toen op 17 Juni 1892 werd besloten tot de vereniging van de Chr. Ger. Kerk met de Ned. Ger. Kerken, zag hij daarin een verloochening van het beginsel der Afscheiding en durfde en kon hij niet meegaan, waarom hij met een kleine groep van getrouwen bleef wat hij was. Nadat hij op de zomer-synode van 1893 tot de dienst des Woords en der Sacramenten in de voortbestaande Chr. Ger. Kerk was onderzocht en toegelaten, heeft hij tot aan zijn dood op de 13 de Juli 1946 zijn liefde en zijn krachten aan zijn kerk gewijd. Op geen enkele synodale vergadering onzer kerk heeft hij ooit ontbroken en immer had hij op die vergaderingen een belangrijke plaats. Zeven maal diende hij de synode als tweede scriba, 3 maal als tweede voorzitter, en in 1897 en 1901 diende hij haar als haar voorzitter. Drie maal werd de synode door hem geopend, in 1888 en 1902 en in 1906. Na zijn benoeming als docent aan de theologische school in 1905 diende hij de synode onafgebroken als prae-adviseur en nog op de laatste synode was hij aanwezig en toonde hij met al de liefde van zijn hart nog de gang van ons kerkelijke leven te volgen."

"Nu hebben we de eerste synode van onze kerk zonder Prof. De Bruin. We hebben het gevoel of een vader van ons is heengegaan. Op elke synode was hij een gewild persoon en zijn adviezen hadden betekenis en invloed. Vooral door zijn gedegen kennis van het kerkrecht waren zijn adviezen op de hoogste vergadering van onze Kerk bijna onontbeerlijk. Nu is hij niet meer. Hem is een hoger eer beschoren. Toch kunnen wij hem niet vergeten en u kunt hem in deze hoogste vergadering van onze Kerk niet beter gedenken dan door te wandelen in zijn voetstappen en evenals hij pal te staan voor de kerk en het beginsel van 1834."



Noten

[*] De Wekker, 12 september 1947

"Evenals Prof. de Bruin was ook Ds. Hektor Janssen een bekende figuur op onze synodale vergaderingen. Geboren op 6 januari 1872 in Tholen, koos ook hij in 1892 welbewust voor de Chr. Ger. Kerk, zoals die zich in enkelen voortzette. Op 6 november 1898 werd hij predikant in Amsterdam en van 1899 t/m 1914 was hij steeds als afgevaardigde op de synode aanwezig en was in 1904, 1906 en 1911 haar voorzitter. Na zijn benoeming als Leger- en Vlootpredikant in 1914 heeft hij als adviserend lid menige synode met zijn adviezen gediend, die alle getuigden van een bijzondere begaafdheid en scherpzinnigheid. Zijn warme stem en gedegen adviezen moeten we thans ook missen en we gevoelen de vergankelijkheid van het leven. Ouden gaan heen, maar één troost blijft, nl. deze dat de Heere dezelfde blijft en u ook nu wil schenken, wat u nodig hebt. Op u rust de taak om met dezelfde liefde tot de kerk der scheiding als zij te strijden "voor waarheid en recht".


"Zo bent u dan heden in synodale vergadering bijeen. Een hoogst gewichtige taak is u opgedragen. Een belangrijke agenda ligt voor u en over diep ingrijpende zaken wordt uw beslissing gevraagd. Zoek niet uzelf of anderen. Laat u niet leiden door antipathieën of sympathieën. U wordt geroepen om de eer van God en het heil van de Kerk te zoeken. Laat het bij u allen zijn als bij de dichter van Psalm 122:  "Om des huizes des Heeren, onzes Gods wil, zal ik het goede voor u zoeken." (…) 


Na dit openingswoord wordt de wettigheid van de vergadering vastgesteld, Eén primusafgevaardigde is slechts vervangen door zijn secundus. De verkiezing van het moderamen neemt ons dan in beslag. Wie zullen ons leiden? De praeses is spoedig gekozen: Ds. W. Kremer. We weten, dat de voorzittershamer bij hem in veilige handen is. Hij hanteerde haar ook reeds in 1941. Zijn wijze en rustige leiding is in de kerk bekend. Graag schikken we ons onder zijn regiment. Tot assessor wordt bij 3e stemming Ds. Tamminga aangewezen. Het scribaat wordt natuurlijk opgedragen aan Ds. J. Hovius. Zo menig keer verzorgde hij reeds de Acta van de Synode. Zijn verkiezing is zo vanzelfsprekend, dat niemand de moeite neemt de stemming op te nemen. (...)"



Ds. J.H. Velema
Ds. J.H. Velema
Ds. J.C. Maris
Ds. J.C. Maris
Ds. J. Tamminga
Ds. J. Tamminga
Ds. W. Kremer
Ds. W. Kremer

'Tussen de vuren' een nieuwe generatie treedt aan (ds. J.H. Velema)

Een nieuwe generatie nam de fakkel over. Door het wegvallen van gezagsdragers zoals Prof. de Bruin die altijd een grote plaats binnen het kerkverband heeft ingenomen, kan er ruimte ontstaan voor een zekere richtingenstrijd. Nieuwere stromingen die hun kansen zien liggen en bovendien onrust bij degenen die ongewenste ontwikkelingen zien. Zijn allen nog net zo eensgezind als in 1892? De openbare verslagen doen vermoeden van wel. De christelijk-gereformeerden hadden sinds de polemiek met de Gereformeerde Kerken en later met de Gereformeerde Gemeenten een zekere middenpositie aangenomen binnen het kerkelijke spectrum. Maar wat is het juiste midden en hoe dit te bewaren? De nog jonge, maar begaafde ds. J.H. Velema, een rijzende ster binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk (die in 1947 de naam Christelijke Gereformeerde Kerken aannamen) deed verschillende pogingen om nieuwe antwoorden te formuleren. In 1946 had hij de brochure 'Tusschen de Vuren' doen verschijnen. Het boekje ging over de positie van de Christelijk Gereformeerde Kerk ten opzichte van het conflict in de Gereformeerde Kerken in Nederland, en de kerkscheuring die hierop gevolgd was in 1944. Bezinning op de nieuwe kerkelijke groepering dus, de gereformeerd-vrijgemaakten, die toen de naam droegen Gereformeerde Kerken onderhoudende art. 31 D.K.O. In 1947 publiceerde Velema de brochure 'Wat is Christelijk Gereformeerd?'

Ds. P. Westerloo op de Schooldag van 1947

In september 1947 spraken op de schooldag ds. P. Westerloo en ds. J.G. van Minnen. Twee predikanten die eveneens, ieder vanuit een bepaalde invalshoek, 'het juiste midden' als thema hadden. Ds. Westerloo, die enkele jaren daarvoor was overgekomen vanuit de Gereformeerde Kerken, sprak over het belofte-karakter van het heil Gods, die hij noemde "een zeer voornaam stuk van het Evangelie van Jezus Christus." (..) "Heel de verkondiging is heilsverkondiging, maar het wordt ons geschonken in de belofte." "In dat opzicht is het goed, dat wij weer meer aansluiting zoeken aan de tijd van de Reformatie. Immers heel de prediking en het werk van de hervormers werd daardoor gekenmerkt, dat men uitging van het belofte-karakter van het heil." Ds. Westerloo knoopte in zijn toespraak aan bij een publicatie van de hervormd-gereformeerde dr. J.G. Woelderink: 'Belofte en Werkelijkheid', waarin deze benadrukte, dat het in de strijd met Rome niet allereerst ging over de bron van rechtvaardiging, maar over de weg van rechtvaardiging. "Men was het er wel over eens, dat Christus' gerechtigheid alleen onze gerechtigheid voor God is. Maar langs welke weg wordt zij ons deel? Zie en hier ging men uiteen. De Reformatie beleed hier tegenover Rome, die sprak van een daadwerkelijke mededeling van Christus' gerechtigheid, dat zij ons alleen geschonken wordt in de belofte van het evangelie en daarom ook alleen door het geloof ons eigendom wordt. En zo is het niet alleen met de gerechtigheid van Christus, zo is het met alle heil, met alle weldaden van Christus; ze worden ons geschonken in de belofte. Laten we daarop onze prediking maar gerust concentreren. Dan wijken wij niet af van de reformatorische lijn; integendeel, dan zijn we echte zonen der reformatie..... Mits wij het maar Schriftuurlijk doen. En hiermee breng ik u midden in de strijd, welke de Gereformeerde kerk beroert en in tweeën heeft doen scheuren. Eigenlijk beweegt zich heel die strijd om dat éne woord: belofte," aldus ds. Westerloo [*]

Ds. Van Minnen op de Schooldag van 1947

"Wanneer in blauwe lentelucht witte wolken drijven; wanneer een veelkleurig bloemtapijt zich spreidt over akkers en velden; wanneer de zee ruist, de rivier kabbelt en de beekjes murmelen; 't vogelenlied in lente vreugde schalt...... dan brengt de onbezielde schepping het er beter af, dan 't pronkjuweel der schepping, de mens, die als profeet Gods naam en grote deugden te eren en te  verkondigen heeft. Anders zal dit worden als door wedergeboorte en bekering zijn profetenziel weer gloeien gaat door Geesteslicht; spreken en zingen moet. Door Goddelijk genadelicht is dan óók geleerd, dat we geen profeet meer kunnen zijn; dat de profetenziel, de profetenharp des harten hopeloos stuk is. Wanneer de grootste en enigste aller profeten zijn Geest in ons werken doet, dan kan men niet meer buiten dien geheel enige profeet, Christus Jezus. Die, hoewel opgevaren naar de hemel tot de Vader, toch als de grote Profeet door ambtelijke profeten als levende instrumenten op aarde Zijn volk genade schenkt en genade vermenigvuldigt."(..)

"Geen gemeente is te klein om een profeet [predikant] te ontvangen. De belofte Gods is waarachtig: Uwe ogen zullen uwe leraars zien. Is ons geloof niet vaak te klein en te zwak? Zijn we er biddend werkzaam mee vanwege de nood van onze ziel? Is 't ons daarin om God te doen, gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen? Is de Koning der Kerk niet de machtige om profeten uit te stoten in Zijn wijngaard? Leeft uw ziel in de begeerte een profeet te ontvangen om nabij God te zijn en Hem te stellen tot 't hoogste van uw blijdschap; tot 't hoogste van uw aanbidding, eer en dankb 're lofgezangen? (..) Wanneer God de zondaar wederbaart wordt deze in beginsel weer een profeet door de profetische bediening van Christus. Gaat 't licht over en in hem op. Ziet hij dat hij door de zonde een karikatuur-profeet geworden is, die zich zelven inplaats van zijn Schepper bezingt."(..)

"Godverheerlijkend profeet is de mens, die als een arm zondaar voor God buigt; niet alleen voor 't eerst, maar steeds weer als hij 't lied der verlossing zingt, dat Christus de Verlosser in 't middelpunt zet. Als hij de drie-enige God steeds meer leert kennen in de openbaring aan zijn ziel door Woord en Geest. Wanneer 't lied der dankbaarheid opstijgt uit een verbroken hart en een verslagen geest, zowel dit bij een zuigeling- als bij een vader in de genade. 't Profetisch lied der dankbaarheid, dat niet vastgelopen is in 't stereotype: Vader in de hemel wij danken u, maar dat zich nog menigmaal openbaart in de gestalte van 't O , God, wees mij de zondaar genadig!" Ja, profeet zijn om Gods Naam en deugden te verheerlijken."(..) "We hebben ambtelijke-profeten nodig, opdat Gods kind alweer z'n profetische roeping zal verstaan en beleven. Ambtelijke profeten door God geroepen en begenadigd. Dan is de school een onmisbaar instituut voor de vorming van zulke profeten. Dan is de school geen fabriek die aan de lopende band modellen aflevert naar één vast cliché. Ongelukkig waar dit zo is, als de persoonlijkheid weggewalsd wordt en geplet wordt tot een zielloos éénheidsfabricaat." (..) "Zeg niet met 't oog op Jezus' jongeren, dat de school niet nodig is. Als er ooit leerlingen geweest zijn, die een bijzondere opleiding genoten hebben, waren 't de discipelen wel. Daar haalt geen universiteit het bij of Theologische School. Regelrechte vorming en onderwijs hebben ze ontvangen van de Profeet, door Wien alle profeten gesproken hebben en nog spreken. 

Profeet zijn in de dienst des Woords is geen mirakel dat even onder aan de voet van de kansel gebeurt en dat op de kansel uit de mouw geschud wordt. Dat wordt niet in vadsige rust en luie sluimering geleerd. Dat doet de Koning der Kerk in de weg van vorming en onderwijs. 't Zij via de school of langs de weg van art. 8 DKO. Aan zulke van God geroepenen heeft de Kerk behoefte; gevormd in de weg van de middelen; gestuwd door de kracht van de Heilige Geest. Aan geen profeten, die je ziel doen bevriezen door een koud intellectualisme; door een eenzijdige Christus-prediking; die Christus boven zijn gemeente zweven laten, los van Zijn gemeente. Wat is Christus zonder Zijn gemeente en zijn gemeente zonder haar Christus? God beware ons voor zulken, al hadden ze dan de doctorsgraad."(..) "De Heere beware ook zijn Kerk voor een andere karikatuurverschijning; even gevaarlijk, misleidend, verderfelijk als de eerst genoemde categorie. (..) We huiveren voor de profeet, die een warme, zwoele, geladen atmosfeer schept, vol spannende emotie, sensatie, de rillingen de hoorders op 't lijf jaagt met hel en verdoemenis of de tranen alleen uit 't oog perst en niet uit 't hart; die de dierbaarheid en algenoegzaamheid van Christus bedekt laat voor een ongelukkige door Gods Geest ontdekte zondaar. (..) Ouderlingen hebben dan ook wel veel profetisch licht nodig en profetische kloekmoedigheid om hun ambt naar 't Heeren bevel te vervullen."(..)

Terugblik op het kerkelijk jaar 1947 (ds. J.C. Maris)

"Wij hebben de strijd op alle fronten. Voortdurend moet gewezen worden op eenzijdigheden in de ene of de andere richting, juist omdat men uit reactie zo licht in uitersten vervalt. Onverzwakt dient gewaakt te worden tegen alles, wat met miskenning van waarachtige bevinding, tevreden is met een uitwendig godsdienstig leven. Wie niet ernstig begeert te kennen de verborgen omgang met God in de Heere Jezus Christus, maar meent met een geestelijk minimum te kunnen volstaan, heeft reden zich af te vragen, of hij niet op zandgrond bouwt. Het blijve de ere van onze Christelijke Gereformeerde Kerken, om in prediking en zielszorg te wijzen op de noodzakelijkheid en heerlijkheid van de werking des Heiligen Geestes, Die het uit Christus neemt en Hem verheerlijkt. Een ander uiterste was het verschijnsel van allegorische prediking, dat zich een enkele maal voordeed en waartegen Prof. Van der Meiden heeft gewaarschuwd. Gelukkig betrof het slechts een enkel geval en is de afwijzing van dergelijke prediking onder de predikanten zo goed als algemeen, maar het kan een bedenkelijk symtoon zijn, als het volk hiervan gediend is. (...) In deze lijn lag ook het optreden van ds. H. Visser Mzn. te Rotterdam-Zuid, die met onschriftuurlijke en ongereformeerde onderscheidingen ten aanzien van het zaligmakend geloof de classis Rotterdam heel wat werk bezorgde."

"Met grote aandacht hebben we geluisterd naar de heldere uiteenzetting van ds. P. Westerloo over: Belofteprediking, een onderwerp dat nauw verband houdt met de discussie tussen de Gereformeerde Kerken en die onderhoudende artikel 31 D.K.O, alsmede naar de klemmende oproep van ds. J.G. van Minnen: Geeft ons profeten!, waarin met afwijzingen ter linker- of ter rechterhand werd opgekomen voor de levende Schriftuurlijke verkondiging die waarlijk strekt tot stichting der gemeente."

J.C. Maris (Kerkelijk overzicht 1947)


"Wanneer God de zondaar wederbaart wordt deze in beginsel weer een profeet door de profetische bediening van Christus. Gaat 't licht over en in hem op. Ziet hij dat hij door de zonde een carricatuur-profeet geworden is, die zich zelven inplaats van zijn Schepper bezingt."


"Verantwoordelijk, moeilijk en zwaar is de taak om profeet te zijn; waarachtig profeet. Die mensengunst zoeken vinden zulks niet; (..) God werve en vorme door uw arbeid in getrouwe bediening des Woords Zich profeten. Hij zal 't doen. Hij doet het, zolang de aarde nog staat."



"Profeet zijn, dat is eigen stijl hebben; dat is geen na-aperij. Dat is receptief zijn; hart en ziel open leggen voor God om te ontvangen. Dat is God de Heilige Geest beslag laten leggen op al je vermogens, op je gehele persoonlijkheid; die gebruiken in Zijn dienst. Dan wordt de persoonlijkheid niet uitgeschakeld. Wat Ezechiël aanschouwde, datzelfde aanschouwde Jesaja ook; maar Ezechiël zag het als een man uit een dorp, die de Koning ziet, Jesaja als een residentiebewoner die de Koning ziet. Amos blijft z'n persoonlijkheid behouden; probeert niet in koninklijke stijl van Jesaja te spreken, maar is daarom niet minder boeiend al verloochent hij z'n afkomst niet en zegt: "Ik was geen Profeet en ik was niet eens Profeten zoon, maar ik was een ossenherder en las wilde vijgen af, maar de Heere nam mij van achter de kudde en de Heere zeide tot mij; Ga heen, profeteer tot mijn volk Israël.." (..)

"Verantwoordelijk, moeilijk en zwaar is de taak om profeet te zijn; waarachtig profeet. Die mensengunst zoeken vinden zulks niet; (..) God werve en vorme door uw arbeid in getrouwe bediening des Woords Zich profeten. Hij zal 't doen. Hij doet het, zolang de aarde nog staat. Mozes' verzuchting zij de uwe: Och dat al het volk profeten waren. Profeten om de lof des Heeren te verkondigen. (..) Want morgen, dat is de toekomst, zal op de nieuwe aarde waarop gerechtigheid woont, zal in de nieuwe hemel, de Internationale hulde opstijgen voor de troon van 't Lam; de hulde van alle profeten Gods uit alle geslachten, talen, tongen en natiën: Gij hebt ons Gode gekocht met uw dierbaar bloed." [*]

J.G. van Minnen.



Terugblik Prof. Van der Schuit op de Schooldag van 1947

"Apeldoorn was in de Pinksterweek het centrale punt van ons kerkelijk leven. Nadat wij op woensdag 28 Mei onze predikanten-vergadering mochten houden - wat waren daar vele broeders saam, die echt gezellig en leerrijk tot het late avond uur saam gebleven zijn - kwam op de stralende Juni dag 29 Mei, ons volk bijeen om zijn Schooldag te vieren. Wat een liefde voor de School golft er toch door de ziel van ons Christelijke Gereformeerde volk. Als wij zulk een grote schare zien vereend, dan komt soms zo sterk het verlangen bij ons op: dat hadden nu onze oude voortrekkers Wisse en van Lingen nog eens mee moeten maken! Wat hebben zij dat tere stekje - de Theologische School - met zorgzame hand en met voorbeeldige trouw gekweekt. En nu na jaren staat daar een boom, die in de hitte des daags, die in de branding van de kerkelijke strijd zijn schaduw wijd en zijd verspreidt.(..) Zo zag de Heere ons op de blijde en dankbare Schooldag opgekomen om te gedenken, wat ons in de School der Kerken gegeven is. Maar DEZE Schooldag heeft ons aller verwachting verre, verre, overtroffen. Toen om half elf de Rector, prof. Geels de schare de psalm op de lippen legde: Men zag welhaast een grote schaar, Met klanken van de blijdste maar, Vervullen berg en velden was de schare reeds zo groot, dat het zo ruime kerkgebouw aan de Brinklaan deze niet meer kon bevatten. Opgepakt stonden de mensen in de paden! Op de gaanderij werd het zo vol, dat op een ogenblik de vloer bezweek en de grond onder de voet wegzakte tot op de bintlaag toe. En nog stroomde de mensen toe, en nog was er geen eind aan de bussen, die kwamen aanrollen uit alle oorden van ons land. Uit het verre Zeeland, waar men reeds 's morgens om vier uur was ingestapt, waren ze tegenwoordig, zo goed als uit het hoge Noorden, en diep uit Friesland en Groningen waren ze gekomen onze trouwe Schoolvrienden. En daar stonden ze nu voor een te vol kerkgebouw.(..) Ook hier mag met grote dank worden genoemd onze br. van der Gronden, ouderling van de gemeente Apeldoorn, die dadelijk alles heeft gedaan om nog een oplossing te vinden. Naar de grote Hervormde Kerk op de Loolaan, was zijn woord. Ik twijfelde eraan, of dit direct lukken zou. Immers, de kerkvoogdij had geen tijd saam te komen en hoe zou het anders, zonder haar toestemming. Maar dank zij de activiteit broeders, en dank zij de bereidwilligheid van de voorzitter der kerkvoogdij, was het in een kort tijdsbestek voor elkaar en ds. Westerloo kon bekend maken, dat wij om half drie zouden samenkomen in de Herv. kerk op de Loolaan. Een applaus ging op uit de grote schare. Hoe heerlijk is er op de Schooldag gesproken(..) Nu ga ik niet verhalen wat er gesproken is. Het was alles even schoon. Het prachtige gedegen woord van Ds. Westerloo, de schone, pakkende ontwikkeling van Ds. van Minnen. Het rijke woord van Ds. Kremer, die de middagvergadering opende, en het zo gepaste afscheidswoord van Ds. Henstra, de Voorzitter van het Curatorium. Het was alles, alles even schoon als leerrijk. Wat een aanblik, overweldigend, toen de grote Kerk aan de Loolaan vol stroomde. In die kerk, die meer dan 2000 mensen kan bevatten, was bijna geen plaatsje onbezet. Hier en daar op de gaanderij was nog een plekje te vinden. Een aangrijpend gezicht zulk een grote schare bijeen!"

J.J. van der Schuit, de Wekker 6 juni 1947


Noten

[*] Ds. P. Westerloo, 'Schriftuurlijke Belofteprediking', De Wekker, 20 juni 1947 en 4 juli 1947. (Met een deel van zijn gemeente Thesinge kwam ds. Westerloo in 1940 over vanuit de Gereformeerde Kerken. Ds. Westerloo diende de Christelijke Gereformeerde Kerk(en) tussen 1940 en 1950. Hierna legde hij zijn ambt neer na moeilijkheden in zijn gemeente omdat hij weigerde een kind uit de gemeente de doop toe te dienen.)

[*] Ds. J.G. van Minnen 'Geef ons profeten', De Wekker, 30 mei 1947 en 6 juni 1947 

Woelderink als het juiste midden?

In 1939 verscheen van ds. J.G. Woelderink (hervormd-gereformeerd) een publicatie over het doopsformulier. Deze verschijning werd met gemengde gevoelens in kerkelijk Nederland ontvangen. In hervormd-gereformeerde en christelijke-gereformeerde kringen klonk waardering maar ook zware kritiek. Ook in de Gereformeerde Kerken waren de reacties verschillend. Zo plaatste Prof. F.W. Grosheide (1881-1972) kritische kanttekeningen bij het boek van Woelderink, terwijl ds. W.H. van der Vegt in het blad De Reformatie (onder redactie van Prof. dr. K. Schilder) erg positief was. Binnen de Gereformeerde Gemeenten werd ronduit negatief gereageerd: "Wij kunnen tegen deze leer van ds Woelderink niet ernstig genoeg waarschuwen. Dit boek kome in onze gezinnen niet."

Ook Prof. J.J. van der Schuit schreef opmerkelijk positief: "Dit boek mag in geen bibliotheek van een Christelijke Gereformeerde predikant ontbreken. Wat Ds. Woelderink hier vertolkt is naar principieel zijde ook de leer des doops, die de Christelijke Gereformeerde Kerk steeds heeft voorgestaan. Al zouden wij hier en daar de dingen eens wat anders hebben belicht, dat doet niets af aan de materieel waarde en inhoud van dit werk, dat wij gaarne in veler handen wensen. Het geeft in een zestal hoofdstukken een schoon inzicht in de reformatorische belijdenisschriften. Na eerst een breed historisch overzicht te hebben gegeven, komt Woelderink tot de meer thetische uiteenzetting. Hier is hij in zijn kracht, en kiest positieve positie tegenover de leer der Gereformeerde Kerken, wier uitspraken van 1905 hij aan een ernstige en leerrijke kritiek onderwerpt. (..) Ook de Gereformeerde Gemeenten met haar leer van een verbond, alleen met uitverkorenen opgericht, worden mede getoetst aan de waarheid van Schrift en belijdenis. Woelderink zegt ervan blz. 117: "tegen deze geestesstrooming te waarschuwen acht ik mijn dure plicht, en ik zal, als God de Heere mij daarvoor de krachten geeft, daarvan niet aflaten, al word ik dan ook van deze en gene zijde verdacht gemaakt als een Remonstrant." (..) Wij zijn ds. Woelderink dankbaar voor dit boek. Met dezulken voelen wij ons één, ook al zijn wij kerkelijk gescheiden."[*] 

In 1947 besteedde Prof. Van der Schuit in De Wekker opnieuw aandacht aan de publicatie van J.G. Woelderink, een tweede druk van diens publicatie over het doopsformulier. Opnieuw constateerde Van der Schuit dat Woelderink zowel de opvatting van de Gereformeerde Kerken als de Gereformeerde Gemeenten onder vuur nam. Ten aanzien van de Gereformeerde Gemeenten schreef Woelderink: "Alles wordt hier op losse schroeven gezet. Wat men bij de doop van het kind uit het doopsformulier heeft voorgelezen, wordt later geheel ontkend. De kinderen zijn niet in het genadeverbond begrepen, de doop, waarmede zij gedoopt zijn, is geen enkel bewijs, dat zij onder het genadeverbond zijn, eerst als zij later kenmerken van genade in zich bevinden, mogen zij op grond daarvan besluiten, dat zij aan het genadeverbond deel hebben." En ten aanzien van de Gereformeerde Kerken wordt gezegd; "al zeggen mijn ouders en de kerk mij misschien tienmaal, dat zij mij voor wedergeboren houden, kan dat den grond van mijn geloof en betrouwen uitmaken? Dit oordeel is immers feilbaar, zij kunnen zich vergissen." Woelderink maakt het heel concreet: Is er een woord van genade van Godswege voor mij? Mag ik geloven, dat de beloften, die God aan Zijn kerk heeft gedaan, ook voor mij zijn? Is de doop waarmede ik gedoopt ben, een zegel van Godswege, dat die beloften waarachtig zijn, en ook mij zijn geschonken?" Woelderink legt grote nadruk op Gods beloften die wij mogen bezitten, als wij het zegel van Zijn beloften in de doop hebben mogen ontvangen. Woelderink schrijft ook over de noodzakelijkheid van de wedergeboorte. De veronderstelde wedergeboorte wijst hij nadrukkelijk af." Het enthousiaste van Van der Schuit lijkt nu enigszins getemperd als hij constateert:  Wat wedergeboorte dan wel precies is daarover blijft Woelderink erg onduidelijk. Bedoelde hij de wedergeboorte in de zin van de scheppende daad Gods of de werking van de bekering (ook wel de dagelijkse bekering genoemd). Woelderink blijkt moeite te hebben met de onderscheiding in wedergeboorte in engere en ruimere zin. Van der Schuit concludeert: "de vrees voor de wedergeboren mens als fundering voor geestelijk leven is bij Woelderink wel heel groot."[*] 


Enigheid des geloofs

Woelderink was ook betrokken bij het blad Enigheid des Geloofs, een blad dat ten doel had de eenheid in de gereformeerde gezindte te bevorderen. In de redactie van het blad zaten behalve dr. J.G. Woelderink, dr. G.J. Streeder (Hervormd, confessionele vereniging), ds. S.G. de Graaf (Gereformeerde Kerken), ds. W. Heerma (Christelijk Gereformeerd) en ds. J. Meester (Gereformeerde Kerken). In 1961 verscheen dit blad nog steeds, toen met de ondertitel: orgaan van de vereniging tot herstel van de kerkelijke eenheid der gereformeerde belijders. Vanuit de Christelijke Gereformeerde Kerken hadden toen in de redactie zitting: Prof. dr. J. van Genderen en ds. M.W. Nieuwenhuijze.


Ds. J.G. Woelderink
Ds. J.G. Woelderink

Prof. J.J. van der Schuit
Prof. J.J. van der Schuit
Ds. L.H. van der Meiden
Ds. L.H. van der Meiden

Ds. L.H. v.d. Meiden schreef in het blad Luctor et Emergo in de periode februari - april 1939 vijf artikelen over Woelderinks boek Het doopsformulier. Hierin beoordeelde hij Woeldrinks opvattingen heel wat kritischer dan Prof. Van der Schuit.


Op de schooldag van 1948 sprak ds. J.H. Velema over "Frontverschuivingen....maar de oude strijd!" en Prof. G. Wisse over "de Alpha en de Omega", terwijl ook ds. W.F. Laman en ds. L.S. den Boer het woord voerden.


In De Reformatie schreef ds. C. Veenhof (vrijgemaakt) dat hij Woelderink graag over een eigen blad zag beschikken. "Levendig staan mij nog voor den geest de diepe vreugde over het grote geschenk Gods dat Hij in een boek als Woelderink's doopsformulier aan zijn volk had gegeven. Wat waren we toen gelukkig! Met welk een ontroering beleefden we het wondere gebeuren, dat God ons vooral ook door Woelderink 's werk van een atavisme [een wil tot terugkeer] van scholastiek, holle verstandelijkheid en piëtisme verloste, en ons deed verstaan wat het betekent te leven uit de belofte! Ik wil mij graag leerling van Woelderink noemen en dank God voor wat Hij ook mij in hem heeft gegeven. En zou ik dan niet graag zien, dat hij een eigen orgaan heeft, waarin zijn reformatorische boodschap tot ons komen kan?" De Reformatie, 7 december 1946

Ook Prof. J. Severijn (gereformeerde bond) zag het blad met enige hoopvolle verwachting tegemoet: Hij schreef: "Alle synoden in ons vaderland, die staan op den grondslag der Drie Formulieren van Enigheid behoorden als voornaamste taak van hun hoogst verantwoordelijke roeping te verstaan, dat zij zonder uitstel elkander zoeken en vinden tot een gemeenschappelijk getuigenis tegen de innerlijke verdeeldheid, tegen de valse theologie, tegen den geest van een nieuw modernisme en tegen den geest dezer eeuw." De Waarheidsvriend, 6 februari 1947

Niettemin attendeerde Prof. van der Schuit in De Wekker van 17 januari 1947 op het feit dat er in dit blad negatief over de Afscheiding werd geschreven "op een manier, die elke zoon der Scheiding kan grieven, omdat men den zin der Afscheiding en de roeping des geloofs van deze afgescheidenen totaal miskent." (Waartegen ds. W. Heerma weliswaar als redactielid had geprotesteerd aldus Prof. J.J. van der Schuit in De Wekker van 28 februari 1947)

Binnen de Gereformeerde Gemeenten werd negatief over de inhoud van dit blad geoordeeld. "Mij dunkt, om enigheid des geloofs te beoefenen moet er toch een juiste ondergrond zijn. Wijlen dr. Abraham Kuyper sprak zelfs over eenheid des geloofs met Rome: "stoelen op een en dezelfde wortel des geloofs". De werkelijke eenheid zal op zo'n wijze nooit gevonden worden. (...) Het blad draagt de titel "voor de gehele gereformeerde gezindte". Maar er ontbreken nog al wat gereformeerden aan. Ik mis b.v. de groep predikanten van ds. I. Kievit te Baarn. Van hen komen de namen er niet op voor. Ook niet van onze Gereformeerde Gemeenten al heeft men geprobeerd die er bij te slepen. Van een zoeken naar eenheid des geloofs op een wijze als bij herhaling in dit blad voorkomt, moeten we maar afzijdig staan." Daniel, 13 augustus 1948

In 2000 promoveerde de vrijgemaakte predikant H.J.C.C.J. Wilschut op de theoloog Woelderink met een gedegen proefschrift, getiteld: J.G. Woelderink: om de vaste grond des geloofs. Dr. H.J.C.C.J. Wilschut: "Mijn prille interesse in theologie dateert uit de tweede helft van de jaren veertig van de vorige eeuw. Afkomstig uit een bevindelijk milieu met sterke nadruk op de innerlijke weg tot bekering, zag ik uit naar pastorale handreikingen die mij werkelijk verder zouden helpen. Mij werd gewezen op het nog vrij nieuwe blad Enigheid des Geloofs. Ik abonneerde mij, mede aangetrokken door een soort natuurlijk besef van oecumene. Mijn blikveld was beperkt. Het reikte niet verder dan de gereformeerde gezindte. Enigheid des Geloofs opereerde binnen die gezindte. Menige bijdrage in dit blad heeft mijn visie verscherpt en mijn keuzen bepaald. Maar de pastorale gids die ik zocht was toch wel met name dr. J.G. Woelderink (1886 - 1956). In tal van hoofdartikelen, theologisch en pastoraal van aard, gaf hij zijn door jarenlang studeren en mediteren gerijpte visie op verbond en verkiezing, geloof en bevinding, kerk en orde, doop en avondmaal, wet en evangelie, hervormd en gereformeerd. (...) Met mij hebben velen zich door Woelderink laten inspireren, zij het niet met slaafse volgzaamheid. (...) Zijn geschriften waren voor menigeen verhelderend, corrigerend of aanvullend. Door de pastorale inslag waren zij ook dikwijls bevruchtend voor het persoonlijke geloofsleven en voor een prakticale geloofsbeleving. (…)" Wapenveld, J.G. Woelderink: om de 'vaste grond des geloofs'. (2001) p. 43-46.



Op 23 augustus 1948 werd de Wereldraad van Kerken opgericht in Amsterdam. 

Is het niet een opmerkelijk verschijnsel, dat de moderne religie wel gewaagt van Christus als Heer, maar dat bijna nooit van de Zaligmaker wordt gesproken. (Prof. J.J. van der Schuit) 



Noten

[*] De Wekker, 20 januari 1939

[*] De Wekker, 21 november 1947

Om het eeuwig welbehagen 

(Ds. M. Baan op de Schooldag van 1949) 

Ds. M Baan met de kerkenraad in Bussum
Ds. M Baan met de kerkenraad in Bussum

"Uit genade zijt gij zalig geworden, door het geloof en dat niet uit u, het is Gods gave." Gods gave!" Zo valt in het stuk van zalig worden niet in de mens, maar alleen in God te roemen. "Zo is het niet desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods." "Opdat het zij, gelijk geschreven is: die roemt roeme in de Heere." 1 Kor. 1:31. 

Deze leer van het eeuwig welbehagen is niet naar de mens. Daar is geen leerstuk te noemen, dat de mens dieper vernedert dan dit. Het ontneemt hem al zijn grootheid. Het druist lijnrecht in tegen zijn zelfverheffing. Het breekt heel zijn ingebeelde rechtspositie. Het slaat de laatste grond van zijn wettische werkheiligheid weg, en zo kan er niet anders overblijven dan genade, vrije genade alleen. Geen van de andere Bijbelse waarheden heeft daarom zoveel tegenspraak ontmoet als juist dit leerstuk. Dit verwondere ons niet. Buiten onwederstandelijke genade zoekt een mens zichzelf! (..) 

Alleen wanneer Gods Geest zijn hoogmoed breekt, de verdorven bronnen van zijn bestaan ontdekt, zal hij genade leren kennen om te leren roemen in vrije gunst alleen. Hoeveel bestrijding dit leerstuk in de loop van de eeuwen echter heeft gehad en nu nog heeft, toch is dit leerstuk nog steeds het "cor ecclesiae", het hart der kerk. Slaat deze harte-slag van de kerk niet zuiver, de kerk is niet op haar plaats. Slaat deze harte-slag hoegenaamd helemaal niet meer, daar blijft van de kerk niet anders over dan een kerk misschien met veel vormendienst, maar innerlijk is toch alles de dood. Waar het niet kan ontkend, dat we ondanks veel uiterlijk vertoon, in een dorre oppervlakkige tijd met elkaar leven, zou het dan niet wenselijk zijn op onze jaarlijkse Schooldag eens te luisteren naar de hart-slag van de kerk? (..) 

Reeds onder het Oude Verbond [zien we] dat de gouden draad van het eeuwig welbehagen dwars door de kerk gaat. Datzelfde zien wij onder het Nieuwe Verbond. Christus Zelf heeft de scheidingslijn getrokken tussen: maagden en maagden; belijders en belijders, schapen en bokken; koren en kaf; geroepenen en uitverkorenen. Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. Vraagt u naar de verklaring? Naar het waarom? Daar is maar één antwoord op: "Ja, Vader alzo is geweest het welbehagen voor U." Zo stelt de Schrift het welbehagen Gods als de diepste grond én van de verkiezing én van de verwerping en dan zegt onze Belijdenis in art. 16: "Wij geloven dat het gehele geslacht van Adam door de zonde des eersten mensen in verderfenis en ondergang zijnde, God zichzelven zodanig bewezen heeft als Hij is, te weten: Barmhartig en Rechtvaardig." (..) 

Barmhartig! doordien dat Hij uit deze verderfenis trekt en verlost degenen, die Hij in zijn eeuwige en onveranderlijke raad uit enkel goedertierenheid uitverkoren heeft in Jezus Christus onze Heere, zonder enige aanmerking van hun werken. Rechtvaardig! doordien Hij de anderen laat in hun val en verderf, waar zij zichzelf in geworpen hebben. Zo stelt onze Belijdenis deze verkiezing en verwerping dus niet naar het Supra-standpunt boven of los van de val, maar naar het Infra-standpunt in verband met de val. (..) 

Slaan wij een blik in onze kerkhistorie, zien wij op de kerk door alle eeuwen heen, met haar worsteling om de waarheid, dan blijkt al dadelijk dat de loochening van het leerstuk van de verkiezing steeds nauw verband hield met de loochening van de totale verdorvenheid van de mensen. Denk aan Pelagius en aan de later naar hem genoemde Pelagianen, Semi-Pelagianen, Arminianen of Remonstranten. Pelagius, en heel zijn aanhang kennen wij, als verdedigers van de vrije wil. Tot het wezen van 's mensen natuur zou ten allen tijde behoren, dat hij voor het goede kan kiezen en het kwade kan verwerpen. Mitsdien dat hij ook vóór de zaligheid kan kiezen en (of) de zaligheid kan verwerpen. De radicale verdorvenheid des mensen wordt ontkend. De particuliere verkiezing wordt verworpen. Niet God, maar de mens zelf beslist over zijn eeuwig lot. Niet God maar de mens zelf beslist of hij zalig zal worden of niet. Tegenover deze leer, die wij een grote dwaalleer moeten noemen, zien wij mannen in hét strijdperk treden als Augustinus, Luther, Calvijn. (..) 

De edelste daden van de heidenen komen voort uit eerzucht. Hun deugden zijn blinkende ondeugden, want een slechte boom kan geen goede vrucht voortbrengen. Het is dan ook onmogelijk, dat de zondaar zichzelf van de dood redt. Zijn werken verdienen de zaligheid niet. God moet hem verlossen, en wanneer Zijn barmhartigheid in Christus niet tot ons afdaalt, zijn wij voor eeuwig verloren." Dit leerde Luther. Dit leerde ook Calvijn. (..) 

De historie der kerk geeft het bewijs, dat wanneer de kerk uit deze belijdenis leeft, wanneer het hart der kerk zuiver klopt, dan alleen is er opbloei, ware godsvrucht, gemeenschap met God. Terecht spreken wij ook daarom over de bloeitijd der Reformatie. De psalm van vrije genade werd in de kerken van de Reformatie Zondag op Zondag gehoord. "Uw vrije gunst alleen wordt de ere toegebracht." (..) Met het loslaten, of met het op de achtergrond stellen van het leerstuk van de verkiezing, kwam de kerk in verval. In mannen als Brakel, Smijtegelt, Holtius, Brahe en Comrie zien we het licht der Reformatie nog navonken en ook in Nicolaas Schotsman, predikant te Leiden. Denk slechts aan zijn "Erezuil ter gedachtenis van de voor tweehonderd jaar te Dordrecht gehouden Nationale Synode". 

Maar toch 't was in het laatst van de 18e en in het begin van de 19e eeuw in de kerk donker. De belijders van de eeuwige verkiezing zaten in de binnenkamer, in de gezelschappen totdat op Gods tijd mede door het werk van de Afscheiding het leerstuk van de verkiezing weer met kracht op de voorgrond werd geplaatst. "Neem de verkiezing weg, zo sprak De Cock, en ge ontkent de doodsstaat van de mens, en stelt in hem een vrije wil ten goede". Door genade had De Cock het goed geleerd. Hij had de oude Kuipinga leren verstaan: "zou ik een nagelschrapsel, één zucht tot mijn zaligheid moeten toebrengen 't zou voor eeuwig verloren zijn". (..)   

Werpen wij een blik op het heden, dan laat het heden onmiskenbaar zeker, duidelijke kentekenen zien van verval. Bij een uiterlijk belijden van de leer der vrije genade is er o zo weinig beleving. Bij een uiterlijk belijden van des mensen doodsstaat voor God, is er toch een zodanig verstandelijk redeneren van de dingen dat men zichzelf in één, twee, drie tellen midden in de hemel zet. Men belijdt. Men gelooft. Men neemt aan. Men zingt, men jubelt, men is gerechtvaardigd, men is geheiligd . . . . maar 't hart der kerk, de onbegrepen onverklaarbare verkiezende liefde Gods, klopt er niet in. 't Is een uiterlijk belijden maar geen wezenlijk beleven van het zalig worden in de weg van het wonder, van het wonder van Gods vrije gunst alleen. Daarbij komt een onheilig twisten vaak over de verhouding van Verkiezing en Verbond. Verkiezing en Evangelieverkondiging. Verkiezing en 's mensen verantwoordelijkheid. Ik zeg een onheilig twisten, waarbij vaak veel te veel wordt besproken en veel te weinig wordt beleefd, veel te veel wordt geformuleerd met het verstand en veel te weinig wordt geloofd met het hart. (..) 

Daarom stellen wij ten laatste de vraag: Wat vraagt het heden, dan kunt u het antwoord zelf reeds geven. Het heden vraagt van ons zonen en dochteren van de Afscheiding vooral: Bezinning. Bezinning op eigen kerkelijk leven. Bezinning op eigen gemeentelijk leven. Bezinning ook, ja vooral, op eigen persoonlijk leven. (..) De kerk van het heden diene zich te bezinnen, te wapenen, aan te gorden tot de strijd tegen het steeds voortwoekerende Pelagianisme, Semi-Pelagianisme, Remonstrantisme zoals dat tot openbaring komt bij de Roomsen, Luthersen, Ethische, Vrij Evangelischen, en voorts in allerlei richtingen en sekten van deze tijd. Maar vooral diene het oog gericht op eigen kerkelijk leven, en dan dient gewaakt tegen een koude dorre dode leertheologie enerzijds en tegen een zwoele onschriftuurlijke gevoelspsychologie anderzijds. Dan dient gewaakt tegen het scheeftrekken van de lijnen Verkiezing en Verbond, Verkiezing en Evangelieverkondiging, Verkiezing en 's mensen verantwoordelijkheid. 

Trekken wij de lijnen zuiver tussen Verkiezing en Verbond dan stellen wij de leer van het Genadeverbond niet onder de beheersing van de verkiezing, maar wij stellen de verkiezing onder de beheersing van 't genadeverbond. Dan wordt niet het Genadeverbond in de verkiezing, maar wel de verkiezing in het Genadeverbond gerealiseerd, d.w.z. tot volle werkelijkheid, tot ware beleving gebracht. (..) 


Dan houden we het verschil goed in het oog tussen de werkelijkheid van Gods belofte en de verwerkelijking dezer belofte, tussen het zijn van een kind des toorns en het moeten worden in de weg van vrije genade, of wilt ge in de weg van waarachtige wedergeboorte, tot een kind van God. Zo alleen valt ook het rechte licht over: Verkiezing en Evangelieverkondiging. De Schrift immers leert beide. Enerzijds de leer van de eeuwige verkiezing, anderzijds het genade-aanbod voor allen die onder het Evangelie mogen komen. Dat genade-aanbod voor allen, zo zegt onze Belijdenis, is ook welmenend. 

"Doch zovelen als er door het Evangelie geroepen worden, zo lezen wij, die worden ernstiglijk geroepen. Want God betoont ernstiglijk en waarachtiglijk in Zijn Woord wat Hem aangenaam is, n.l. dat de geroepenen tot Hem komen, Hij belooft ook met ernst allen die tot Hem komen en geloven de rust der zielen en het eeuwige leven." Dat er velen door de bediening des Evangelies geroepen zijnde, niet komen en niet bekeerd worden daarvan is de schuld niet in het Evangelie, noch in Christus door het Evangelie aangeboden zijnde, noch in God die door het Evangelie roept, en zelfs ook die hij roept verscheidenen gaven mededeelt, maar in degenen die geroepen worden."

Zo kunnen we de boodschap van de Koning der Kerk ook gaan verstaan die ondanks het leerstuk der Verkiezing zijn bevel heeft gegeven: het Evangelie te prediken aan alle creaturen, ja zelfs om uit te gaan naar de heggen en stegen om te dwingen tot de feesttafel der genade te komen. 

Nee, de bedenking behoeft hier niet te rijzen, dat het offer van de Heere Jezus niet genoegzaam zou zijn voor de zonde zelfs van het ganse menselijke geslacht. Had Christus bij wijze van spreken de zaligheid moeten verdienen voor het ganse menselijk geslacht dan had er geen druppel bloeds meer behoeven te worden gestort. Onze Catechismus zegt dan ook zo duidelijk dat Christus de toorn Gods gedragen heeft, ontstoken tegen de zonde van het ganse menselijke geslacht. En dan zegt onze Belijdenis: "Doch dat velen door het Evangelie geroepen zijnde zich niet bekeren, noch in Christus geloven, maar in ongeloof vergaan, zulks geschiedt niet door gebrek of ongenoegzaamheid van de offerande van Christus aan het kruis geofferd, maar door hunne eigene schuld." Zo tekent Schrift en Belijdenis ook duidelijk de richtlijnen voor wat wij noemden: Verkiezing en 's mensen verantwoordelijkheid. 
Al te gemakkelijk en al te verstandelijk kan vaak worden gezegd: maar wat baat mij nu al mijn bidden, al mijn kerkgaan. al mijn luisteren naar de Evangelieverkondiging als ik niet uitverkoren ben. Ben ik uitverkoren dan kom ik er zeker. Ben ik niet uitverkoren, dan kom ik er zeker niet. Velen bevinden zich daarom het beste in alles maar lijdelijk afwachten. Maar zo stelt de Schrift de dingen niet. 


Stelt de Schrift enerzijds de uitverkiezing, anderzijds stelt de Schrift in duidelijke bewoordingen de verantwoordelijkheid van de mens. Stelt de Schrift enerzijds de uitverkiezing, anderzijds stelt de Schrift het rijke, ruime, welmenende aanbod van genade, vastgelegd, betekend en verzegeld zelfs in het Verbond der genade, met de belofte dat zal zalig worden een iegelijk die gelooft. En dan staat van dat oude Bondsvolk Israël opgetekend: zij hebben niet in kunnen gaan vanwege hun ongeloof. 

Hoe nodig daarom de voortdurende bede om al was het maar een korreltje te mogen ontvangen van dat echte ware zaligmakende geloof. 't Ongeloof dat hebben wij van onszelf, maar het geloof, het echte ware geloof, dat is een geschenk van God de Heilige Geest. En om dat geschenk wil de Heere nog gebeden zijn. 

De prediking van de verkiezing en het aanbod van genade vergeleek een prediker eens met het uitwerpen van een zilveren koord. 't Ene eind van dat koord hangt heel hoog. Dat ligt vast in het besluit Gods. 't Is het zilveren koord der Verkiezing. Het andere eind hangt heel laag. 't Is het zilveren koord van. het rijke aanbod der genade. 't Is één koord maar heeft twee einden. 

O probeer dan niet langer te grijpen naar dat koord dat zo hóóg hangt, maar leer grijpen, biddend, worstelend op gebogen knieën grijpen naar dat koord wat zo laag hangt. Naar dat reddingskoord van vrije genade, dat u ook vandaag op deze Schooldag zelfs wordt voorgehouden. Want hoe zult u eenmaal ontvlieden, zo u op een zo grote zaligheid gelijk God u in Zijn Woord openbaart, geen acht zoudt geven. 

Zo roept alles ons ten slotte op dat we ons bezinnen vooral op eigen persoonlijk leven. "Benaarstig u" zo zegt de apostel Petrus, "om uw roeping en verkiezing vast te maken, want dat doende zult ge nimmermeer struikelen. Want alzo zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwige koninkrijk van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus." Wat stelt de apostel hier de orde weer zuiver. Niet verkiezing en roeping, maar roeping en verkiezing. De apostel redeneert hier niet van God uit, maar van de mens uit, en dan stelt hij de roeping voorop omdat de roeping de eerste weldaad of vrucht mag heten in de tijd de zondaar geschonken. "Want die Hij te voren verordineerd heeft, die heeft Hij ook geroepen, en die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd, en die Hij gerechtvaardigd heeft die heeft Hij ook verheerlijkt." 

Zo zouden wij én de roeping én de rechtvaardigmaking van de verkiezing mogen noemen. Hellenbroek spreekt over geloof, hoop en liefde, en zo is het mogelijk, zo zegt hij vervolgens, om uit de vruchten van de verkiezing verzekerd te worden. 

O hoe nodig om te midden van der tijden donkerheid naar deze zekerheid te staan. Deze zekerheid der verkiezing geeft een kind van God de beste waarborg eenmaal in te mogen gaan in dat eeuwige onbeweeglijke koninkrijk van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus. Deze zekerheid geeft ook troost. Troost in een tijd van geestelijke verflauwing, van geestelijke afdwaling. (..) 

Wat een troost ligt hierin voor alle arbeiders in Gods Koninkrijk. Voor het werk van Zending en Evangelisatie. Niemand immers is er die van nature naar God zoekt, niemand die naar God vraagt, alle mensen zij zijn te samen afgeweken en onnut geworden, het bedenken des vlezes is vijandschap tegen God. Maar nu is er het stuk van de verkiezing en daarom zal gans Israël zalig worden. Daar zal niemand achter blijven. Al de ingeschrevenen in het Boek des levens en des Lams ze komen zeker thuis. Dit zal, kind des Heeren, straks uw troost ook kunnen zijn op uw stervenssponde. 

En nu denk ik aan die Christen op z'n sterfbed die 't eenmaal uitriep: "Heere als ik verloren zou moeten gaan dan is dat erger voor u dan voor mij. Want ga ik verloren dan ben ik m'n arme ziel kwijt, maar dan zijt gij uw eer kwijt, want in de stilte der eeuwigheid hebt gij mijn naam reeds ingeschreven in het boek des levens en des Lams." Zalig zo te mogen sterven. Zo met de hand op dat boek der Verkiezing, te mogen opvaren naar boven, te mogen aanzitten aan de ronde tafel van de bruiloft des Lams. Ere zij dan God de Vader, Ere zij dan God de Zoon, Ere zij dan God de Heilige Geest. Ere zij dan God-Drie-enig te loven en te prijzen tot in der eeuwen eeuwigheid.

Wij steken 't hoofd omhoog en zullen de eerkroon dragen,
Door U en door U alleen om 't eeuwig welbehagen.

Dordrecht, M. Baan[*]


Johannes Adams Riekel (1869-1949)

Op 7 maart 1949 overleed ds. Johannes Adams Riekel. Ds. M.S. Roos was bij hem in zijn laatste ogenblikken en zei: "Nog even, en dan gaat u naar huis". Riekel gaf met heldere, duidelijke stem antwoord: "Ja" en hij was thuis. Ds. Riekel was een man met singuliere gaven. Hij is velen tot zegen geweest.
Op 7 maart 1949 overleed ds. Johannes Adams Riekel. Ds. M.S. Roos was bij hem in zijn laatste ogenblikken en zei: "Nog even, en dan gaat u naar huis". Riekel gaf met heldere, duidelijke stem antwoord: "Ja" en hij was thuis. Ds. Riekel was een man met singuliere gaven. Hij is velen tot zegen geweest.

Lutze Baas (1879-1949)

Op 25 augustus 1949 overleed ds. Lute Baas, geboren 3 augustus 1879 in Veenoord. Tijdens zijn militaire dienst kwam hij onder de prediking van ds. J. Schotel. "Hier hoorde hij, wat voor hem nodig was tot zaligheid en begon hij met ernst de Heere te zoeken. Hij deed belijdenis in de Christ. Geref. Kerk, maar was daarbij innerlijk overtuigd, dat dit belijdenis doen niet genoeg was tot zaligheid. Zijn ziel was nog niet gered. Meer en meer werd hij overtuigd van zijn zonde, totdat op 22 november 1901 de Borg Zich aan zijn ziel openbaarde." Op 1 december 1903 werd hij aangenomen aan de Theologische School in Den Haag.
Op 25 augustus 1949 overleed ds. Lute Baas, geboren 3 augustus 1879 in Veenoord. Tijdens zijn militaire dienst kwam hij onder de prediking van ds. J. Schotel. "Hier hoorde hij, wat voor hem nodig was tot zaligheid en begon hij met ernst de Heere te zoeken. Hij deed belijdenis in de Christ. Geref. Kerk, maar was daarbij innerlijk overtuigd, dat dit belijdenis doen niet genoeg was tot zaligheid. Zijn ziel was nog niet gered. Meer en meer werd hij overtuigd van zijn zonde, totdat op 22 november 1901 de Borg Zich aan zijn ziel openbaarde." Op 1 december 1903 werd hij aangenomen aan de Theologische School in Den Haag.

Noten

[*] De Wekker, 1 juli 1949 - 15 juli 1949

Signalen van achteruitgang?

We nemen nu een aanloop naar de op zichzelf droevige scheuring in 1952. Drie zaken speelden hierbij een rol:

1. Gesprekken met de vriendenkring ds. M. Baan (Dordrecht), ds. H. van Leeuwen (Delft), ds. C. Smits (Driebergen) en ds. N. de Jong (Middelharnis)

2. De moeilijkheden binnen de classis Amsterdam

3. Persoonlijke karaktereigenschappen


Voorbeelden van discussies of ontwikkelingen die een rol speelden bij toenemende verwarring en verdeeldheid in de jaren vijftig en zestig afzonderlijk te onderscheiden in  hoofd en bijzaken, oorzaak en gevolgen:

Verschil van gevoelen ten opzichte van de verhouding van de objectieve geloofsleer ten opzichte van de toepassing van het heil (de subjectieve beleving).[*]

Fundamentele vragen rondom verbond, de doop, belijdenis en avondmaal[*] 

Van buitenaf wordt op plaatselijk niveau door de Gereformeerde Kerken o.h. artikel 31 (Vrijgemaakten) regelmatig contact gezocht. Men wil in gesprek. Kerkenraden gaan hier in praktijk verschillend mee om.[*] 

Invloed maatschappij speelt een belangrijke rol. Hoe moet de kerk hierop reageren? Er wordt in toenemende mate verschillend gedacht over zaken als het dragen van een hoofddeksel door vrouwen en meisjes tijdens de dienst des woords. En ook over (korte) haardracht en het dragen van 'mannenkleding' (de broek) bij vrouwen en meisjes ontstaan discussies. In 1937 gaf de Christelijke Gereformeerde Kerk een rapport uit dat de bovengenoemde zaken afwees[*] Een daadwerkelijke cultuuromslag in de maatschappij voltrok zich in de jaren zestig. De jaren vijftig waren het preludium. 

Liturgische vernieuwing in hoeverre is dit wenselijk? In 1937 gaf de Christelijke Gereformeerde Kerk een rapport uit waarin het volgende stond geschreven: "Tegen de invoering van gezangen zoals de Gereformeerde Kerken deden in 1933 heeft de Christelijke Gereformeerde Kerk ook bezwaar. Zij oordeelt als de Christelijke Gereformeerde Kerk van 1836 die uitsprak: In de bijeenkomsten der gemeente zal men gebruik blijven maken van de gewone berijming der 150 psalmen en der liederen die men in de Bijbel vindt, nalatende en werende uit de openbare vergaderingen der gemeente de menselijke gezangen, welke niet in de Bijbel gevonden worden, opdat het werk der mensen niet worde gelijkgesteld met het werk van mannen die gesproken hebben, gedreven door de Heilige Geest. Acta 1836, artikel 67.[*] 


Een levend geloof als eis

Sommigen zijn van mening dat Prof. P.J.M. op de synode van 1913 het pleit verloren heeft t.o.v. Prof. J.J. van der Schuit inzake de vraag over het doen van belijdenis. Er werd toen echter geen nieuwe uitspraak gedaan, maar de synode handhaafde toen het besluit van 1846 "dat op grond van Gods Woord en de Belijdenisschriften der kerk een levend geloof als eis Gods bij het afleggen van geloofsbelijdenis gevorderd moet worden." De Wekker schreef het volgende over het besluit op de synode van 1913:

"De Synode handhavende het besluit der Synode van 1846, gehoord de toelichting van de instructie van de Classis 's-Gravenhage: "De Synode geve een nadere verklaring van de uitdrukking "belijdenis des geloofs" in de Notulen van 1911 art. 13", spreekt uit, dat op grond van Gods Woord en de Belijdenisschriften der kerk een levend geloof als eis Gods bij het afleggen van geloofsbelijdenis gevorderd moet worden; zij erkent nochtans, dat mens niet kan aanzien, wat in het van den belijder voor God is, zodat zij niet meer eist van de belijder dan wat de mond belijdt, indien het leven zulks niet tegenspreekt". Hierna stelt de voorzitter docent P.J.M. de Bruin, die niet langer ter Synode blijven kan, in de gelegenheid, de broeders toe te spreken. Z. Eerw. zegt, met bezwaren naar Utrecht te zijn gekomen. Maar thans mag hij heengaan met verlicht en verblijd hart en wenst voorts in hartelijke bewoordingen de broeders Gods zegen toe voor hun persoon en gezinnen en bij al hun arbeid." [*] 

De Bruin (hoewel bezwaard daar naar toe gekomen) kon dus instemmen met hetgeen door de synode van 1913 besloten werd, terwijl hij zijn mening ten aanzien van de opvattingen van Prof. Van der Schuit nooit veranderd heeft. Het was volgens hem dan ook niet verkeerd om te spreken van een levend geloof als eis Gods. 



"Maar die eis of dat bevel des geloofs zegt niet wat de mens kan, maar wat hem betaamt en wat voor hem nodig is ter zaligheid. Die eis dient om de mens van zijn verdorvenheid en onmacht te overtuigen en hem tot de Heere te doen vluchten met de bede dat God zelf wat Hij eist maar ook tevens belooft, uit genade ook schenke. Luidt b. v. de eis des Heeren: "Besnijdt de voorhuid uws harten en verhardt uwen nek niet meer," die zelfde God belooft ook: "De Heere uw God zal uw hart besnijden", en evenzo gebiedt God in Ezechiël 18: "maakt u een nieuw hart en een nieuwen geest" en belooft Hij in hoofdstuk. 36: "Ik zal u een nieuw hart geven en zal u en een nieuwe geest geven in het binnenste van u." Het gebod tot geloof moet dus leiden tot gebed om geloof. Kon de mens uit zichzelf geloven of door helpende genade zichzelf redden, dan ware de bede niet nodig: "Heere, bekeer ons tot u, zo zullen wij bekeerd zijn," en hadden de discipelen niet behoeven te bidden: "Heere, vermeerder ons het geloof." (..)

"Wij geloven wel dat God door zijn genade jonge kinderen, vóór het gebruik der rede, door Zijn H. Geest het geloof in het hart kan planten zonder de prediking des Woords als middel, daar zij nog onbewust zijn van zichzelven, gelijk de Heere dat doet in de harten van die kleine kinderen des Verbonds, die God naar Zijn vrijmacht heeft uitverkoren, en zonder hetwelk zij, vroeg stervende, anders niet zalig zouden worden; maar groeien zij op en heeft God vóór het gebruik der rede de hebbelijkheid des geloofs in het hart geplant, dan zal zich dat bij het opwassen ook openbaren, en zullen zulke kindertjes zich onderscheiden in het zich afkeren van de zondige vermaken, in het liefhebben der godzaligen, in het schreien om de Heere Jezus, in het zoeken van verborgen plaatsjes om de Heere aldaar te bidden, enz. Zulke kinderen doen dan soms vragen naar geestelijke dingen of klagen over de boosheid van hun hart, terwijl dat bij andere kinderen van hun leeftijd niet gevonden wordt. Een levend geloof, hoe klein ook, brengt vruchten voort en ligt niet stil." [*] 



"Wanneer Christus zegt: Zijt dan voorzichtig als de slangen en oprecht als de duiven, betracht men vaak uitermate zeer de voorzichtigheid der slangen maar ten koste van de oprechtheid der duiven. (..) 'T is meer dan eens opgevallen en gebleken, dat er met die oprechtheid op 't kerkelijk erf zeer gesold wordt; dat er zeer veel voorzichtigheid betracht wordt in de prediking en omgang met mensen, die een voorzichtigheid is, welke volstrekt niet gericht is op het heiligen van Gods Naam en de komst van Zijn Koninkrijk."

J.G. van Minnen  


Eerste fase gesprekken 'vrijgemaakten' (1947-1951)

Na de vrijmaking in 1944 wendde de eerste synode van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (onderhoudende art. 31) zich tot de synode van de Chr. Geref. Kerken. De synode van 1947 benoemde deputaten om met de deputaten van de bovengenoemde kerken samen te spreken. Na schriftelijke voorbereiding werden samensprekingen gehouden in 1950 en 1951. De intellectualistische benadering van de geestelijke zaken wekt binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken weerstand op. Anderzijds groeien op plaatselijk niveau langzaam maar zeker de contacten.


Gereformeerd Gezinsblad, 22 september 1951
Gereformeerd Gezinsblad, 22 september 1951
De vrijgemaakte ds. D. van Dijk
De vrijgemaakte ds. D. van Dijk

 "Als ik gedoopt wordt zegt de Heere daarmee tegen mij: Mijn kind, Ik geef u in Christus de vergeving der zonden. Ik neem u aan tot Mijn kind. Ik maak u een erfgenaam van het eeuwige leven.  Nu heb ik daar alleen maar amen op te zeggen. Als ik naar de vergeving der zonden verlang, naar het eeuwige leven, dan heb ik niets anders te doen dan te zeggen: Vader, dat hebt U mij beloofd. Ik aanvaard dat. Op die belofte vertrouw ik. En als ik straks voor Gods aangezicht sta in het oordeel en God zou tegen mij zeggen: geen plaats voor u, dan zeg ik, Heere, dat mag niet, dat kunt ge niet doen. U hebt het mij beloofd en ik heb het geloofd"[*]

         Ds. D. van Dijk (1887-1985) 


"Zou er wel een zaak ter wereld zijn, waarover meer wordt getwist, maar waarin ook meer wordt gedwaald, dan over de vraag: wat is een oprecht geloof? Duizenden bij duizenden hebben hier misgetast, en onnoemelijk zijn de velen die menen een oprecht geloof te bezitten en toch bedrogen zullen uitkomen. Een bloot toestemmen van de waarheid toch is niet genoeg. Men moet door de waarheid tot Christus komen, en dezelve moet aan het hart geheiligd worden door den Geest der genade. Het oprechte geloof heeft aan de Waarheid, hoe dierbaar dat Woord ook is, niet genoeg, maar het gaat door het Woord tot de Heere Jezus, die in het Woord wordt voorgesteld. Onze oude godgeleerden spraken dan ook van een historisch geloof, dat niet slechts in trap, maar ook in aard en wezen van het zaligmakende of oprechte geloof verschilt. Het historisch geloof beschouwt en beaamt dan ook het Woord des Heeren slechts verstandelijk, neemt het als waar aan, zonder dat echter het hart er door aangedaan en er mede werkzaam wordt. Zulk een verstandelijk geloof had Agrippa, tot wien de Apostel Paulus zei: "Gelooft gij, o koning Agrippa, de Profeten? Ik weet dat gij ze gelooft". De apostel Jacobus zegt ons, dat zelfs de duivelen zulk een verstandelijk geloof hebben, als hij schrijft in zijn brief, hoofdstuk 2 vs. 19: "Gij gelooft dat God een enig God is; gij doet wèl: de duivelen geloven het ook en zij sidderen". De duivel kende zelfs zo goed de Schrift, dat hij met dezelve in zijn mond tegen de Heere Jezus streed bij de verzoeking in de woestijn, hoewel hij daar de waarheid uit zijn verband rukte en er iets afliet. Hoe nodig nu ook zulk een geloof is, het is niet het zaligmakende. Het zetelt alleen in de hersenen, het is een dor lettergeloof. Het reinigt het hart niet, het overwint de wereld niet, het brengt geen vruchten voort van waarachtige bekering. Zulk een verstandelijk geloof laat den mens zoals hij is, een vijand van God, een vreemdeling van het leven der genade." (...) Het tijdgeloof daarentegen is een werk van den mens zelf. Het heeft eigenlijk geen grond, want het is een geloof zonder bekering, het is een drieste toe-eigening van de zaligheid, een vrijpostige aanmatiging van de genadestaat, vaak met veel ophef gepaard. (..) De grond des harten is bij hen die slechts een tijdgeloof bezitten, niet omgeploegd, het gesteente is blijven zitten. Het scherpsnijdende zwaard des Woords, dat eerst de ziel moet doorwonden, zal er ware behoefte aan de Geneesmeester Israëls komen, dat Woord der waarheid heeft hen niet neergeslagen, maar zij hebben het terstond met vreugde, zelfs wel met uitgelatenheid aangenomen, in plaats dat er een droefheid naar God ontstond, die een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt. Hun hart is niet verbroken door smart over de zonde, alles is bij hen oppervlakkig en geen zieldoordringend werk. Zij zien in Jezus wel wat heerlijkheid en doen een ijverige aanloop, maar worden ras moede: komt er verzoeking, moeten zij hun leven, hun geld, hun eer er aan geven, dan wijken zij af en worden geërgerd."(..) Het tijdgeloof heeft dan ook de volgende kentekenen. Het is, evenals Jona's wonderboom, in één dag groot; het is van buiten wel schoon, maar inwendig krank aan de wortel; het bemint voorspoed, en wil om Jezus niet lijden; het heeft zijn beminde zonde, die niet aangeraakt wil zijn. Wordt die boezemzonde bestraft door een ander, men wordt boos, men bemantelt, verschoont of verkleint die zonde, en wat het ergste is, het tijdgeloof durft die zonde voor God niet belijden, terwijl het ware geloof bidt: Doorgrond en ken mijn hart, o Heere, en zie of er nog een schadelijke weg is."

           De Wekker, 28 maart 1905


Noten

[*] Zie o.a. Prof. G. Wisse, De ambtelijke bediening van Christus in de gelovigen (1937); L.H. van der Meiden, Het bevindelijk element in de prediking, referaat gehouden op predikantenvergadering der Chr. Geref. Kerk te Apeldoorn. 

[*] Een verschil over de betekenis van het doen van belijdenis des geloofs en de relatie met toegang tot het Heilig Avondmaal ontstond in 1912 tussen ds. P.J.M. de Bruin en ds. J.J. van der Schuit. Zie: 'Belijdenis, geloof en avondmaal', De Wekker 22 november 1912-13 december 1912. De Bruin: "In de Gereformeerde Kerken [1892-2004] gaat men uit van de onderstelling dat alle belijdende gemeenteleden als ware gelovigen aangemerkt en behandeld moeten worden. Zij beroepen zich daarbij op Paulus, want Paulus schrijft immers aan de gemeente en noemt de leden: geroepene heiligen, uitverkorenen en beminden Gods enz. Zó moeten ook wij volgens hen de gemeente beschouwen. Arme gemeente, arme predikant! Onze oude Gereformeerde godgeleerden gingen niet uit van zulke onderstellingen. In hun preken lieten zij getrouw uitkomen dat er altijd kaf onder het koren is en zij onderscheidden steeds het kostelijke van het snode. (..) Maar hoe kan dan de Apostel, die de gemeente zoals ze zich zichtbaar openbaart in levende en onbekeerde leden, die gemeente zoals b.v. te Korinthe, aanspreken als geheiligden in Christus Jezus en geroepen heiligen? Kon Paulus althans veronderstellen dat in Korinthe allen wedergeboren waren? Paulus spreekt van de gemeente naar haar wezen, de geroepen heiligen, omdat deze toch feitelijk de gemeente uitmaken en de anderen door de Heere niet als [ware] leden van de kerk worden erkend. Ds. P.J.M. De Bruin, De Wekker 12 maart 1912

Van der Schuit wees op de droevige praktijk "dat het doen van belijdenis des geloofs bij velen niet zwaar weegt. Allerlei nietszeggende redenen zijn menigmaal de drijfveren, waardoor deze en gene tot zulk een gewicht volle stap overgaat. Nu eens begint de catechisatie te vervelen, dan weer denkt men over een huwelijk en acht men het in dit geval beter belijdenis gedaan te hebben, elders meent men, dat men nu toch oud genoeg is; die vriend of vriendin, die kennis heeft het ook wel gedaan - waarom ik ook niet. Zo redeneert men en daarbij: het staat zo onfatsoenlijk, zo onwellevend, zoo werelds om nergens te behoren. (..) In zulke kringen spreekt men dan niet van belijdenis des geloofs, maar met een zekere voorliefde van belijdenis der waarheid d. w. z. van de objectieve (voorwerpelijke) waarheid zoals de Heere aangaande Zichzelf in Zijn Woord heeft geopenbaard. Ieder gevoelt aanstonds waar dit op uitloopt." (..) Volgens Van der Schuit "moeten [wij] vasthouden, dat het in die heilige ure van belijdenis doen niet gaat over het geloof in de voorwerpelijke, maar in de onderwerpelijke zin van 't woord. Er moet, hoe klein ook, toch aanwezig zijn een levend geloof. Ds. J.J. van der Schuit, De Wekker 23 augustus 1912. 

Prof. dr. W. van 't Spijker koos later voor de lijn van Van der Schuit. Want "het gaat hier niet over de prediking, die nimmer de eis van het zelfonderzoek mag laten varen en die helder en klaar moet aanwijzen wat de vruchten van het geloof zijn, en hoe een mens tot geloof komt, waartoe hij opgeroepen wordt van Godswege. Dat geschiedt in de prediking. Maar bij de belijdenis van het geloof hebben we niet met de prediking te maken, maar met het beleid van de kerkenraad inzake de toelating van het Heilig Avondmaal. En wie hier de eis van het waarachtig geloof laat vallen levert de kerk des Heeren over aan een massa, waarvan ieder openlijk zegt, dat zij onbekeerd zijn." En toch niet verteerd, p. 129. De visie van Van der Schuit en Van 't Spijker werd al eerder weerlegd door De Bruin die stelde: "De kritiek van de Labadisten was dat de kerk bestond uit te veel onbekeerden die ook toegelaten werden tot het Heilig Avondmaal. De kerk moest volgens hen meer een vergadering van wedergeborenen zijn. Alleen zij mochten tot het lidmaatschap van de kerk worden toegelaten van wie de wedergeboorte kenbaar was, althans met grond mocht verondersteld worden. Daar nu de kerk toeliet degenen, die de waarheid beleden en in wandel onberispelijk waren, achtten de Labadisten dat de Gereformeerde kerk zo bedorven was, dat men uit dezelve moest gaan om een gemeente van wedergeborenen naast de kerk te stichten." De Wekker, 21 april 1911

[*] In november 1947 richtte de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt van Delft zich tot de Christelijke Gereformeerde Kerk ter plaatse. De kerkenraad wees het verzoek tot samenspreking af. 

[*] Acta van de Generale Synode der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland, gehouden te Hilversum van 31 augustus - 2 september 1937, pp. 191-195

[*] Acta van de Generale Synode der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland, gehouden te Hilversum van 31 augustus - 2 september 1937, pp. 164-170

[*] De Wekker, 8 augustus 1913

[*] De Wekker, 2 mei 1905

[*] 'Geen kenmerkenprediking in de ware kerk', Reformatorisch Dagblad 11 januari 1978. De visie van ds. D. van Dijk hing ook sterk samen met het vrijgemaakte kerkbegrip. Zij verafschuwden de z.g.' volkskerkgedachte' waardoor de belijdenis van 'de vergadering der gelovigen' verdrongen werd en ook consequenties voor de prediking heeft. Zij beschouwen de kerkelijke gemeente als 'de kudde van Goede Herder waarin ook hypocrieten zijn'. In de periode van de Nadere Reformatie is de Schriftuurlijke visie op de gemeente door het grote aantal uitwendige belijders en de prediking van de Nadere Reformatoren vrijwel verloren gegaan volgens hen. De gemeente is gedevalueerd tot een groep van saam gekomenen onder wie ook enkele kinderen Gods zijn. Zie ook: dr. K. Dijk, Het gericht Gods in de prediking des Woords, Delft 1952 

Gesprekken met de vriendenkring ds. M. Baan (Dordrecht), ds. H. van Leeuwen (Delft), ds. C. Smits (Driebergen) en ds. N. de Jong (Middelharnis 

Ds. Van Minnen (inmiddels weer predikant in Huizen) sprak zich rond 1950 in een interview openlijk uit over signalen van achteruitgang in het kerkelijke leven. Hierover voert hij ook besprekingen met een kring van geestverwanten, bestaande uit de predikanten M. Baan, N, de Jong, H. van Leeuwen en C. Smits. De bezwaren spitsten toe op het terrein van de prediking en de kerkelijke eenheid. Er zijn ook zorgen over de koers van de theologische school, met name vanwege een tekort aan kandidaten waarin men zich kan herkennen. Op de achtergrond spelen maatschappelijke ontwikkelingen een rol. De vraag is hoe de kerk hierop moet reageren.

"De Christelijke Gereformeerde Kerk welke ik dien en liefheb heeft te waken voor verbondsverstarring. Wij zijn tegen verbondsoverschatting en -onderschatting, maar staan een zuivere verbondsprediking voor naar Schrift en belijdenis. Wee ons als we daarbij vergeten de nadruk te leggen op de verbondsbeleving in de weg van wedergeboorte en dagelijkse bekering." "Je hoort steeds: Christus-prediking en vooral geen Christen-prediking. Maar wat is Christus zonder Zijn Christenen? Een Hoofd zonder lichaam! En wat zijn Christenen zonder Christus? Een lichaam zonder Hoofd! En daar juist ligt 't gevaar; de verarming, de verobjectivering in de prediking. Als men, jawel, de Christus predikt in Zijn noodzakelijkheid, algenoegzaamheid en dierbaarheid - moet daaraan onlosmakelijk verbonden zijn het antwoord op de vraag hoe Christus door de Heilige Geest en het Woord in het hart van de zondaar functioneert. Als dit laatste gemist wordt in de prediking is er een groot mankement. Er is dan in feite een halve prediking en zoiets is een onding."(..)

"Verschillende zwammen en woekeringen hebben de kerk aangetast. Ik denk aan de verlammende greep van het defaitisme." [de neiging om de strijd maar op te geven, of een toestand van moedeloosheid.] "Het verzwakken van de handhaving van de tucht doet de tuchteloosheid nog sterker toenemen. Als Walter Luthi schrijft dat wij niet een week, maar een buigzaam en meegaand Christendom zijn geworden, een christendom van aanpassen, dan moet ik hem helaas gelijk geven."(..)

"Met dit alles waarover ik mijn mening gegeven wil ik ook betuigen dat wij ten opzichte van de nieuwe gehoorzaamheid, ook in de prediking van het Woord, toch nog slechts een klein beginsel hebben."

J.G. van Minnen

Ds. J.G. van Minnen
Ds. J.G. van Minnen

Moeilijkheden binnen de classis Amsterdam

De kerkelijke vergaderingen die ds. Van Minnen meemaakte als predikant binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk stelden hem teleur. Er werd veel gepraat maar tot daden kwam het niet zodat de spot gedreven werd met de eigen kerkelijke vergaderingen. Dat hij weigerde op grond van Gods Woord meisjes met kort haar belijdenis te laten doen werd op de classis Amsterdam gebracht en daar bespottelijk gemaakt. Zo gaf ds. A. Bikker (destijds predikant in Amsterdam-West) als zijn mening te kennen, dat vrouwen en meisjes in Afrika allemaal kort gekruld haar hebben, en dat we lange haardracht daarom bij vrouwen niet als norm kunnen  hanteren. Als de kerkenraad van Huizen er toch moeite mee had werd het de meisjes met kort haar aanbevolen dan maar in een andere gemeente belijdenis te doen. Omdat hij op deze wijze zijn ambtelijk werk niet meer kon doen en er een afdrijving was in leer en leven en een doordrijving van de verbondsgedachte, zag hij zich genoodzaakt zich los te maken van de Christelijke Gereformeerde Kerken. 


Amsterdam, 4 april 1951

classisvergadering

Art. 1. Opening. Ds. Jongeleen opent de vergadering als consulent van de roepende gemeente Naarden, zingen ps. 79 : 4
en 7. Gebed. Schriftlezing Jac. 5 : 7-11. Welkomstwoord.
Art. 2. Onderzoek lastbrieven. Alle gemeenten van de classis zijn wettig vertegenwoordigd.
Art. 3. Verkiezing moderamen. Gekozen worden Ds. J. Jongeleen tot praeses. Ds.
J. G. van Minnen tot Assessor, Ds. Biesma tot Quaestor, Ds. Bikker tot Scriba.
Art. 4. Notulen. Gelezen en goedgekeurd.
Art. 5. Ingekomen stukken:
a. Verslag Commissie tot het verlenen van bijstand aan de gemeente Huizen bij de gerezen moeilijkheden
aldaar. Het rapport van deze commissie en de daarin gedane voorstellen worden
door de classis aangenomen.

Amsterdam, 3 oktober 1951

classisvergadering

1. Opening namens de roepende kerk Ouderkerk a. d. Amstel, door de consulent Ds. A. Bikker.

2. Onderzoek lastbrieven; alle gemeenten zijn wettig vertegenwoordigd.
3. Moderamen: Ds. v. Minnen: praeses; Ds. Jongeleen: assessor; Ds. Biesma: quaestor; Ds. Boertien: scriba.
4. Notulen gelezen en goedgekeurd.
5. Examen Cand. C. den Hertog: de vereiste stukken blijken in orde te zijn,
preekvoorstel over Rom. 5: 20, 21 wordt gelezen. Na beraadslaging voortzetting
van het examen. Examinatoren zijn de classispredikanten.
6. Na de middagpauze; verslagen naar art. 41 D.K.O.; deze zijn over het
algemeen gunstig. Het examen wordt voortgezet. Na comitévergadering wordt
medegedeeld dat Cand. den Hertog met algemene stemmen is toegelaten tot het ambt
van Dienaar des Woords; de lastbrief wordt uitgereikt; voorzitter van classis en deputaten spreken.
7. In comité-vergadering worden enige ingekomen stukken behandeld.
8. Verslagen, instructies en regeling vacature beurten uitgesteld tot volgende
vergadering, te houden op 2 April 1952; roepende kerk: Urk. Ds. den Hertog
wordt aangewezen als correspondent voor de Theologische School.
9. In openbare vergadering worden, onder leiding van de assessor, enige bezwaarschriften uit Huizen behandeld.
10. Tijdens de rondvraag wordt besloten dat Ds. v. Minnen en oud. Post (uit Zaandam) de classis zullen vertegenwoordigen bij de intrede van Ds. den Hertog.
11. De assessor eindigt met dankzegging. Sluiting om plm. 7.30 n.m.



Ds. A. Bikker
Ds. A. Bikker
Uit: Kleine kracht en grote zegen (100 jaar CGK Zwolle) 1995
Uit: Kleine kracht en grote zegen (100 jaar CGK Zwolle) 1995

Karaktereigenschappen

Ds. van Minnen raakte betrokken in diverse kerkelijke conflicten. Op welke wijze speelden karaktereigenschappen hierbij een rol? Over hem bestaan enkele min of meer uiteenlopende referenties: Volgens studiegenoot, oud-collega en opponent ds. J.H. Velema (1917-2017) was ds. Van Minnen "een geliefd prediker. Een man met dichterlijke gaven."[*] Ds. K. Boersma (1927-2017) kon zich later ds. van Minnen nog goed herinneren in diens "spreken vanuit de Schrift" en pastorale bewogenheid met jonge mensen.[*] Hij benoemde heel duidelijk wat het niet was, maar ook wat het wel was. Ds. G. Salomons noemde zijn wapenbroeder "een Nathaniël in wien geen bedrog is", waarmee hij wilde aangeven dat deze niet bekend stond als iemand die af en toe een loopje met de waarheid nam. "In al die jaren dat wij elkander kennen heb ik hem nooit op een onwaarheid betrapt." Ook omschreef hij hem als "een zeer emotioneel man."[*] Dhr. A. Bel uit Vlaardingen meende zich te herinneren dat ds. Van Minnen van jongs af aan "nogal rechtlijnig" was.[*] Het oordeel van D. Koole, ambtsdrager in de Christelijke Gereformeerde Kerk in Den Haag en Amsterdam luidde: "Goed voor stevige standpunten, harde uitspraken, onverpakte oordelen, militante oproepen en verstrekkende beslissingen."[*]

Jacob Gerardus van Minnen (1900-1971) was in de periode 1937 tot 1952 predikant binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk(en). Binnen dit kerkverband positioneerde hij zichzelf niet bij voorbaat als rechtsbuitenbeentje. Hij nam het totale kerkverband voor lief en voelde zich er aanvankelijk ook thuis. En anderen zeiden ook: Jij hoort bij ons! Duidelijk is dat hij zijn principes aan strategische keuzes vooraf liet gaan en dat dit met een zekere resoluutheid gepaard ging.  Vrij van menselijke zwakheden en zonden is hij niet geweest. Omgaan met kritiek was niet zijn sterkste punt. In bepaalde discussies kon hij behoorlijk doordraven. Neemt niet weg dat achter dit alles een oprecht bewogen hart klopte. 

Maarten Baan, geboren op 8 augustus 1905 in Sliedrecht werd op 17 november 1935 door Prof. G. Wisse bevestigd. Na Rijnsburg volgde Bussum, Dordrecht en Zeist. Ds. Baan was een man van de oude stempel en iedereen wist waar hij voor stond. Alleen in de handhaving van de oude lijn zag hij toekomst voor de Christelijke Gereformeerde Kerken; in de vernieuwingsdrift een verkeerde geest en haar ondergang. Ds. Baan was onverzettelijk in zijn mening, tegelijkertijd had hij ook iets bedachtzaams en vreesachtigheid. 

Hendrik van Leeuwen (1906-1988) werd geboren op 10 mei 1906 in De Haag. Hier was hij werkzaam op een handelskantoor. Na zijn studie aan de Theologische hogeschool in Apeldoorn werd hij op 3 juli 1940 bevestigd door Prof. L.H. van der Meiden als predikant in Ermelo. Hierna stond hij in Tholen (1946), Delft (1949), Zaamslag (1952), Arnhem (1955),  Rotterdam-West (1962), Urk (1968), Elburg (1973). Op 4 juni 1979 ging hij met emeritaat. Ds. Van Leeuwen was een sympathieke prediker, een man des vredes. De arbeid van ds. Van Leeuwen was erop gericht dat de Christelijke Gereformeerde Kerken bewaard zou blijven bij haar oude gereformeerde beginselen. Hoewel niet kerkistisch van aard was ds. Van Leeuwen volbloedig christelijk-gereformeerd.

Cornelis Smits groeide op in de Christelijke Gereformeerde Kerk van Nieuw-Vennep. Op 6 november 1932 werd hij door docent P.J.M. de Bruin in het ambt bevestigd in de Christelijke Gereformeerde Kerk van Nieuwpoort. Hij diende hierna tot 1952 de gemeenten Sliedrecht (1934), Dordrecht (1942), Driebergen (1945), Sliedrecht (1952). Ds. Smits nam geen blad voor de mond en preekte overal waar hij gevraagd werd binnen of buiten het kerkverband. Op zondag 23 mei 1948 deelde ds. Smits aan zijn gemeente mee dat hij het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Kerken wilde verlaten. Hij werd hiervan toen op het allerlaatste moment weerhouden. De onvrede van Smits over ontwikkelingen binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken werd echter niet weggenomen.

Nicolaas de Jong, geboren in 1899 in Vlaardingen werd in 1931 predikant in Rijnsburg. Hierna stond hij tot 1952 in 's-Gravenhage-West (1934), Middelharnis (1946) en Katwijk aan Zee (1952). Rond 1946 signaleerde ds. De Jong "verslappingen en een slaperige houding" en wees op "de noodzaak van de Schriftuurlijk-bevindelijke prediking." Hij zag alleen toekomst voor de Christelijke Gereformeerde kerken in het blijven bij deze prediking."

Noten

[*] Oude Paden, 1 december 2001

[*] De Wekker, 14 juli 1989

[*] Brief ds. G. Salomons aan de kerkenraad van Delft

[*] Schriftelijke mededeling dhr. A. Bel, 9 september 2008

[*] Reformatorisch Dagblad, 4 januari 2007

Huizen, 27 juli 1952

Op zondag 27 juli 1952 deelde ds. Van Minnen aan zijn gemeente  in Huizen mee, niet langer in het verband van de Christelijke Gereformeerde Kerken te blijven. Hij deed dit met de volgende verklaring: 

"Gezien de huidige situatie in de Christelijke Gereformeerde Kerken, waarin ten opzichte van de prediking een almeer verstarde verbondsprediking en verbondsobjectivering zich openbaart. 

Gezien een voorwerpelijke Christusprediking, waarin almeer gemist wordt de kennis onzer diepe ellende. 

Gezien de avondmaalspraktijk van een al meer stelselmatig dwingen om na de belijdenis, ten avondmaal te komen, uit een ideaalnemend belijdenis doen. 

Gezien het zoeken naar samensprekingen, met de Gereformeerde Kerken synodaal en artikel 31 (vrijgemaakt), waarin onmogelijk een profetische roeping van de kerk gezien kan worden. 

Gezien het zoeken naar nieuwe vormen voor ons kerkelijk leven in liturgie, psalmberijming, ritmisch zingen, belijdenisvragen voor nauwer contact tussen belijdenis en avondmaal. 

Gezien de studenten die van de Theologische School komen bitter teleur stellen. 

Gezien de openbaring van de classis Amsterdam in haar belemmeringen van de uitvoering der kerkelijke tucht en haar belemmering in het trachten een dam op te werpen tegen de wereldgelijkvormigheid. 

Gezien het mij in de gemeente hier onmogelijk gemaakt wordt mijn ambt te bedienen naar de last en opdracht van mijn Zender in prediking, sacrament en tucht. 

Gezien de ondergraving van mijn ambt door voortdurende laster. 

Gezien de revolutionaire geest, die mede door de classis en de consulent gekweekt is geworden: heeft een deel van de kerkenraad, te weten de diakenen T. Veerman en T. Visser en de predikant zich losgemaakt van de Christelijke Gereformeerde Kerken in ons land en hier te plaatse. 

Overtuigd van onze gebreken en tekort, zelf in de allerheiligste verrichtingen is de alwetende God bekend, dat de bittere en pijnlijke strijd gestreden werd voor de beginselen van het Woord des Heeren, dat blijft tot in der eeuwigheid. 

Om Christelijk Gereformeerd te blijven naar de praktijk en de prediking van hen die ons daarin zijn voorgegaan, zoals wijlen ds. Schotel, ds. Van der Vegt, docent van der Heijden en meerderen, treden we uit deze Christelijke Gereformeerde Kerk onder de naam Christelijke Gereformeerde Gemeente. Geen wrok noch haat vervult onzer ziel."[*] 


"Die nu voor een waar gelovige wordt gehouden op grond van zijn belijdenis, moet ten Avondmaal, gaan. In "de Gereformeerde Kerken" wordt dan ook den belijders die verplichting opgelegd; immers hunne belijdenis onderstelt het zaligmakend geloof. Wij komen dan, evenals bij de onderstelde wedergeboorte bij den doop, ook bij het Avondmaal op het gebied der onderstellingen en wij halen de neo-gereformeerde leer, welke onze Kerk verwerpt, door een achterdeur weer binnen."

P.J.M. de Bruin



"Het trof mijn aandacht dat in een persverslag van de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken (Augustus 1952) vermeld stond, als zou Prof. v.d. Schuit (in 1949) gezegd hebben, dat de Gereformeerde Kerken niet de veronderstelde wedergeboorte zouden leren. Voor twee jaar is dit ook zo gepubliceerd, en er is een rectificatie over gegeven. Hoe kan het ook anders! Want Prof. van der Schuit heeft dit niet kunnen zeggen, aangezien de Gereformeerde Kerken dit wel leren. Wat Prof. v.d. Schuit dan wel gezegd heeft? Dat de Gereformeerde Kerken niet leren dat de veronderstelde wedergeboorte zou zijn de grond voor de kinderdoop.  Dat is geheel wat anders. Ik hoop dat men deze legende over Prof. v.d. Schuit nu niet te kwade ure ga vernieuwen. Breke de dag nog eens aan, dat men naar recht kan zeggen: De Gereformeerde Kerken hebben de leer van de veronderstelde wedergeboorte als zodanig niet als minder juist, maar als bepaald onjuist verworpen. Eer kunnen we niet spreken over ver- (her) -eniging. En de Christelijke Gereformeerde Kerken moge er steeds voor blijven waken, dat deze veronderstelling, uitgeworpen bij de doop door de voordeur, nu door de achterdeur bij het avondmaal niet binnen worde gesmokkeld."  

G. Wisse


Noten

[*] Gereformeerd Weekblad, 2 augustus 1952

Liturgische gewoonten 

"Als het gaat over de vraag naar herziening van de psalmberijming, en het ritmisch zingen maken we er geen zware kwestie van",  "Wel valt er te vragen, al is het waar dat onze vaderen vroeger ritmisch zongen, of men nu ritmisch wil zingen uit geestelijke bloei of uit geestelijk verarming. Onomwonden zeg ik: uit geestelijke verarming."(..)

"Het gaat er niet om, te beweren dat er geen schone zielsontroerende, naar Gods Woord door de Heilige Geest bezielde liederen zijn. Zowel in vroeger eeuwen als tegenwoordig zijn er zulke. Welke geest bezield ons met de vraag naar gezangen? In de kern gaat het hierom: We houden tenslotte alleen nog over wat van de mens is na zijn val - als God zelf willen wezen en zelf uitmaken wat goed en kwaad is. Men gebruikt wel als argument, dat de Psalmen onderdeel zijn van het Oude Testament, waarin de heilsopenbaring nog duister is en men zo verhinderd wordt de Naam van de Heere Jezus Christus in het lied te noemen. Maar in artikel 9 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis staat niet: "Nog duister", maar "Wat duister is". Dat is een aangrijpend verschil. Nog duister, dat is geen licht. Wat duister, daar is licht; klaarder nog in het Nieuwe Testament. Zo is het ook in het nieuwe Testament, ten opzichte van de tweede komst van Christus Wat de hoofdlijnen betreft zo helder als glas, maar niet tot in de details van Christus wederkomst. Maar wie heeft dan het recht te spreken van "nog duister?"(..)

Prof. J. Severijn
Prof. J. Severijn

"Bij veel gezangen wordt vaak gemist: de grondtoon van nood - ellende - schuld - smart -angst - terwijl in de psalmen, soms in één psalm, het geestelijk leven, zoals God dat werkt door Zijn Woord en Heilige Geest zo helder naar voren komt, namelijk de ellende, verlossing en dankbaarheid. In de bijeenkomsten van de gemeenten zal men gebruik blijven maken van de gewone berijming van de 150 psalmen Davids en liederen, die men in de Bijbel vindt, nalatende en werende uit de openbare vergaderingen van de gemeente de menselijke gezangen, welke niet in de Bijbel gevonden worden, opdat het werk van mensen niet worde gelijkgesteld met het werk van mannen, die gesproken hebben, gedreven door de Heilige Geest, [Acta Chr. Geref. Kerk 1836, artikel 67, artikel 69 DKO] Voor- en tegenstanders van het vrije lied erkennen, dat er geen bewijs is, dat het vrije lied in de eerste christelijke gemeente is ingevoerd. Teksten als 1 Korinthe 14: 26; Efeze 5: 19 en Kol. 3: 16 leveren geen bewijs van het vrije lied. De historie bewijst, dat de roep om het vrije lied uitging van hen, die ketterse gevoelens aanhingen. Daarom keerde de kerk zich er ook tegen. (Laodicea 360 en Braga 563). Calvijn ijverde voor de Psalmen en wel op principiële gronden. De Gereformeerde Kerken in verschillende landen volgden Calvijns voetspoor. Later werden er gezangen ingevoerd. Maar die invoering was mee een gevolg van de verslappende geest van het Calvinisme (zie o.a. Prof. J. Severijn over de Gezangen). Deze schrijver schreef zo kernachtig: De voorkeur voor de psalmen, die het calvinisme eigen is, wortelt in het geestelijke leven, dat zich verwant weet aan datgene, waaruit de Psalmen zijn geboren. Het is de levens-relatie, die het Calvinisme aan de Psalmen bindt. Hetzelfde leven, dat het in eigen boezem ervaart, ruist door de psalmen heen en stelt tot richtsnoer, waaraan het geloofsleven zich toetst, sterkt, vertroost, en één weet met dat der heiligen Gods. "De drang naar gezangen, ging uit van hen, die van een andere geest waren."

J.G. van Minnen

Gaarne worden o.a. op Efeze 5:19; Col. 3:16 geciteerd om te bewijzen dat de kerk in haar vroegste periode "gezangen" zong. Vroeger schreven wij de brochure "De Menselijke Gezangen''. In die brochure hebben wij ook geschreven over die teksten. Bewezen is het m.i. nog niet dat de Nieuwtestamentische kerk gezangen zong. Ook 1 Cor. 1:26 is nog geen bewijs. (..) Wij wilden er nog eens aan herinneren dat het Psalmen zingen in en door de kerk werkelijk geen bewijs is vrijwillig armoede te lijden.(..) Reeds Calvijn schreef dat goed zingen van een Psalm niet gaat, tenzij de Psalm ons eigendom geworden is en wij die zingen kunnen als sproot hij uit onze eigen ziel.(..) Wij denken aan de Oudtestamentische kerk en horen de levende kerk zingen in de kracht des geloofs. In het geloof van de vergeving der zonden (32, 85). In het geloof dat de HEERE in haar midden is en zij staande blijft midden in de stormen van het leven. Wij denken aan David, de dichter van vele Psalmen en aan Asaf, die zong uit de heiligdommen Gods. Welk een bezieling en welk een kracht openbaarden zij. Kracht kenden zij voor heel het leven. Maar de Psalmen waren hun eigendom geworden. Zij sproten uit hun ziel voort. En de dichters werden geïnspireerd door de Heilige Geest. (..) Met klem en met ernst wijzen wij er op dat wij de Psalmen in haar onontbeerlijke functie moeten leren kennen. Dan zullen wij "de worsteling om het leven uit het Woord van God" verstaan. Dan doorleven wij het "geroep uit de diepte tot de levende God" (Ps. 130). (..) Augustinus merkte op: Er is geen boek zo diep in het hart gedrongen, zo van geslacht op geslacht als een schat bewaard als de Psalmen. Het goddelijk handboek, met geen ander boek te vergelijken. Een klassiek boek, vol van kracht, die stenen harten in tranen doet smelten. (..) Wij hoorden wijlen Dr. Colijn eens een rede houden. Aan het slot sprak hij: Men heeft mij gevraagd waar ik de kracht uit put om staande te blijven en voort te arbeiden bij alle smaad en strijd. Toen sprak hij: Ik zou het zó kunnen zeggen: ZO IK NIET HAD GELOOFD..De duizenden stonden op en zongen .... Ps. 27:7. Och, kende ons geslacht de kracht van de Psalmen eens meer in de volle rijkdom en zegen. (..)

L.H. van der Meiden, De Wekker 23 mei 1958

Reacties op uittreden van ds. Van Minnen 

In 1952 meende ds. C. Van der Zaal (1893-1976) de zaak af te moeten doen als een kwestie van "één centimeter haar". Prof. J.J. van der Schuit, die ds. van Minnen wel een warm hart toedraagt "en aan wien ik zoveel dankbare herinneringen bewaar" zei in een reactie, "dat er een dreiging is van wereldgelijkvormigheid, die onze jeugd niet voorbijgaat." Maar hij benadrukt "dat deze dingen (...) toch niet mogen gerekend worden als een reden, wettige reden, om het verband met de Kerk te verbreken." Gans anders echter is het, wanneer het zaken betreft als prediking en Heilig Avondmaal, door u genoemd. Van der Schuit wijst Van Minnen er op, dat ook deze zaken niet nieuw zijn: Hij citeert uit de acta van 1846: "Door sommigen is geleerd, dat het niet noodzakelijk is, dat iemand, die oprecht tot den Heere de toevlucht zal nemen alvorens overtuigd worde van zijn schuld en onmacht volgens de praktijk van den Heidelbergse Catechismus, maar dat iedereen tot omhelzing van Christus, ook zonder die voorbereiding, geroepen wordt. De vergadering oordeelt: dat de Heere Jezus nimmer noodzakelijk noch dierbaar kan zijn, tenzij de zondaar eerst door den Heiligen Geest overtuigd zij van zijn doem waardigheid en onmacht, en dat bovengenoemde stelling aanleiding geeft om inbeelding voor een oprecht geloof te houden. Niemand zal ook tot den Heere Jezus willen komen, dan die alvorens van zijn ellendige staat in zichzelven overtuigd is, zonder dat wij hierdoor de vrijheid van de werking des Heiligen Geestes beperken, maar alleen de gewone wijze zijner werking opgeven in opzicht tot maat en trap van overtuiging". Van der Schuit roept op om via de kerkelijke weg op de aanstaande synode: "misverstanden weg te nemen, om moeilijkheden op te heffen, om zoo veel mogelijk tegen den geest dezer eeuw het klaar getuigenis te geven van den rechten weg des Heeren, waarop gij en wij te wandelen hebben." "Bedroef dan dien Geest Gods niet, door welken ook gij geroepen zijt tot het ambt van Dienaar des Woords. Bedroef de kerk des Heeren niet, die U tot Dienaar des Woords gesteld heeft, door welke Kerk Gij van Gods wege de bevestiging van Uw roeping hebt ontvangen. Bedroef den broederkring niet, die U nog wacht. wij hopen - wij wachten - wij bidden. 

Uw Heil wensende Broeder in Christus."

Dijksteeg in Vlaardingen waar zich het kerkje van ds.G.J.  van Vliet bevond.
Dijksteeg in Vlaardingen waar zich het kerkje van ds.G.J. van Vliet bevond.

Een kleine exodus

In 1952 onttrokken behalve ds. Van Minnen en een deel van zijn gemeente Huizen (115 leden en doopleden) ook op andere plaatsen gemeenteleden en voorgangers zich aan het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Kerken. In Eindhoven 100 leden en doopleden, de gemeente Nieuwleusen (met voorganger F. Luitjes), Puttershoek (200 leden en doopleden), Leersum (237 leden en doopleden met voorganger E. du Marchie van Voorthuysen). Het werd geen massale uittocht, maar wel werd duidelijk dat er onvrede op meerdere plaatsen aan de oppervlakte kwam. De laatst genoemde groepen zochten aansluiting bij de Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Een groep van 125 leden en doopleden afkomstig uit de Christelijke Gereformeerde Kerk van Bussum brachten een beroep uit op hun oud herder en leraar ds. G. Salomons. Op 9 september 1952 kwam het tussen Huizen en Bussum tot een afzonderlijk kerkelijk samenleven. Ds. H. Visser Mzn. van Rotterdam-Zuid zocht in augustus 1952 eveneens toenadering tot ds. Van Minnen.

Vlaardingen en Hoofddorp

In januari 1953 sloten twee kleine gemeenten in Hoofddorp en Vlaardingen zich bij Huizen en Bussum aan. Op de kerkenraadsvergadering van 7 oktober 1952 in Vlaardingen opende ds. G.J. van Vliet met het zingen van psalm 119: 83. Hij vroeg een zegen en las  1 Thessalonicenzen 5. Ds. Van Vliet deelde aan zijn kerkenraad mee, bestaande uit de broeders L. Breuchel, G. Naastepad en A. Bakker, een schrijven te hebben ontvangen van ds. J.G. van Minnen van Huizen, waarin gevraagd werd op maandag 13 oktober 1952 met elkaar te vergaderen. De gemeente van ds. L. Franke (1875-1942) in Hoofddorp, die in contact stond met de gemeente van Vlaardingen, had al laten blijken bereid te zijn zich te verenigen met ds. Van Minnen. Deze zou hier eind november 1952 op een woensdagavond voor het eerst een preekbeurt vervullen. Op 4 december 1952 deelde ds. Van Vliet aan zijn kerkenraad mee vergaderd te hebben in Huizen en dat deze vergadering zeer aangenaam was geweest. Ds. Van Minnen had inmiddels ook in de Vlaardingse gemeente een preekbeurt vervuld en de preken waren in de smaak gevallen. Ds. Van Vliet legde nu de vraag aan zijn gemeente voor hoe zij erover dacht om met elkaar te gaan samenwerken. Allen stemden hiermee in. Op 23 februari 1953 deelde ds. Van Vliet mee een schrijven van ds. Van Minnen te hebben ontvangen in verband met de naamsverandering van de gemeente.

Gerrit Jan van Vliet

Het levensverhaal van Gerrit Jan van Vliet begon in Vlaardingen op 7 december 1885. Hij was een zoon van Joost van Vliet (1861-1928) en Neeltje Holster. Het gezin van Vliet behoorde evenals de familie Van Minnen tot de Vrije Gereformeerde Gemeente in Vlaardingen. In 1906 werd Vader van Vliet een van de oprichters van de Christelijke Gereformeerde Kerk te Vlaardingen. Op 17 april 1913 werd hij hier door ds. J. van der Vegt bevestigd als lerend ouderling. Na een tijdelijk verblijf binnen de Gereformeerde Gemeenten werd vader van Vliet later predikant binnen de Federatie van Oud Gereformeerde Gemeenten. 

Zoon Gerrit Jan huwde op 31 december 1905 in Vlaardingen met Johanna de Herder. Uit dit huwelijk werden zes kinderen geboren: Neeltje (1905), Adrianus (1911), Hendrika (1919), David (1921), Gerrit Jan (1923), Johannes (1925). Op 2 juli 1933 overleed zijn eerste echtgenote in Vlaardingen. Op 21 april 1937 hertrouwde hij met Hendrina Klos. Hij werkte een tijdlang als zakkendrager in de suikerfabriek en ook als zeevisser. Door zelfstudie wist Van Vliet veel kennis te vergaren. Rond 1927 was hij ouderling-scriba in de Christelijke Gereformeerde Kerk van Vlaardingen. In deze periode werd hij werkzaam met een roeping tot het predikambt. 

In 1927 hield hij in een zaaltje aan de Dijksteeg in Vlaardingen [*] zijn eerste preek over Jesaja 40: 1-10. "Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen. Spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des HEEREN dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden." Het gehoor van ds. van Vliet werd aanvankelijk gevormd door mensen die eerder nooit een kerk van binnen hadden gezien. 

Op 3 maart 1933 vond een instituering plaats van een zelfstandige Nederlands Gereformeerde Gemeente door ds. D.C. van Stempvoort van Rotterdam, die Van Vliet als lerend ouderling bevestigde. De gemeente van ds. Van Vliet vormde toen met de Rotterdamse gemeente de Nederlands (of Nederduits) Gereformeerde Gemeenten. Op 2 juli 1933 vier maanden na zijn bevestiging tot lerend ouderling overleed zijn eerste vrouw. Financieel had van Vliet het niet breed. Een groot traktement genoot hij niet. Op 8 oktober 1935 werd van Vliet door ds. Van Stempvoort tot predikant bevestigd met de tekst: 2 Korinthe 4: 5 "Want wij prediken niet onszelven, maar Christus Jezus, de Heere; en onszelven, dat wij uw dienaars zijn om Jezus' wil." Op 9 oktober 1935 deed ds. Van Vliet zijn intrede met de tekst Handelingen 10: 33 "Zo heb ik dan van stonde aan tot u gezonden, en gij hebt welgedaan, dat gij hier gekomen zijt. Wij zijn dan allen nu hier tegenwoordig voor God, om te horen al hetgeen u van God bevolen is." 

Over de prediking van ds. Van Vliet werd verschillend geoordeeld, hoewel overwegend waarderend. Sommigen waren van mening, "dat hij alleen voor Gods volk sprak." Anderen "dat het afsnijdende element niet voldoende naar voren kwam in zijn preken."[*] Vast stond, dat hij in ieder geval niet 'lijdelijk' was. Van Vliet verkeerde eens op een gezelschap waar het in de gesprekken neigde naar een verkeerde lijdelijkheid. Van Vliet zei: "Weet u wat God doet als hij een mens bekeert, dan haalt Hij de handen uit de zakken en maakt er gevouwen handen van.[*]


Ds. Hendrik Visser Mzn en Rotterdam-Zuid 

Ds. H. Visser Mzn. bracht op 19 augustus 1952 een bezoek aan ds. Van Minnen in Huizen, waarbij hij meedeelde dat hij zijn stelling van 'een goddelijk geloof der wet, en een zaligmakend geloof van het evangelie' zo niet bedoelde als algemeen wordt opgevat, maar zoals ds. Van Minnen dit formuleert, namelijk, door één geloof tweeërlei reactie, t.w. wanneer het geloof zich richt op de wet of op het evangelie. Een gevolg van dit onderhoud was, dat beide predikanten overeen kwamen dat ds. Van Minnen een lezing zou houden in de gemeente van ds. Visser tot nader contact. Van de kerkenraad van Rotterdam-Zuid werd echter een schrijven ontvangen waarin het houden van de lezing werd afgezegd, waarbij als motivering diende, ''dat ds. Salomons op 9 september 1952 door ds. Van Minnen opnieuw in het ambt bevestigd was en men de mening had, dat het tweede huwelijk dat ds. Salomons was aangegaan niet wettig was voor God."[*]

De aangekondigde lezing van ds. J.G. van Minnen in Rotterdam-Zuid
De aangekondigde lezing van ds. J.G. van Minnen in Rotterdam-Zuid

Ds. H. Visser Mzn

In 1947 was er nog een ander kerkverband uit de Chr. Geref. Kerk ontstaan (nl. de Christelijke Gereformeerde Gemeenten rondom ds. H. Visser Mzn.) echter vanwege wezenlijk andere redenen. Ds. Visser was geschorst vanwege een leergeschil.[*]

Ds. Hendrik Visser Meliszn geboren op 23 januari 1911 in Strijen studeerde omstreeks dezelfde periode als ds. Van Minnen in Apeldoorn. Op 7 november 1937 was hij door Prof. P.J.M. de Bruin in Bunschoten als predikant bevestigd. Deze gemeente diende hij tot 1940. Hij werd toen predikant in Middelharnis. In 1945 nam hij een beroep naar Rotterdam-Zuid aan. Hier rezen bezwaren tegen zijn prediking: hij zou allegoriseren en vanwege zijn opvattingen ten aanzien van een 'tweeërlei geloof'. Ds. Visser zou stellen dat hetgeen geleerd wordt door een aan zichzelf ontdekte zondaar in de zondagen 2 tot 6 van de Heidelbergse Catechismus behoorde tot de noodzakelijke (maar niet zaligmakende) voorbereiding, oftewel het goddelijk geloof der wet.

De Wekker van 30 mei 1947 vermeldde het volgende over de kwestie: "De genoemde scheiding, die gemaakt wordt tussen Wet en Evangelie, tussen het Goddelijk geloof der Wet gewerkt door den Geest Gods en het zaligmakend geloof des Evangelies gewerkt door den Geest van Christus, is in onze kerkelijke pers sterk bestreden. Ds. L.S. den Boer, ds. J.G. van Minnen, ds. W. Kremer e.a. signaleerden dit kwaad in hun kerkbodes. Prof. L.H. van der Meiden gaf keurige voorlichting in ons Jeugdblad. Deze scheiding van Wet en Evangelie, zoals zij [ds. H. Visser o.a.] in prediking en geschriften van de laatste tijd opgeld trachtte te doen, is één doorlopende miskenning van des Heeren heilsopenbaring ons in de Schrift gegeven."


Ds. G. Salomons
Ds. G. Salomons

Overeenstemming Huizen, Bussum, Vlaardingen en Hoofddorp

De vier gemeenten Huizen, Bussum, Vlaardingen en Hoofddorp besloten als kerkverband samen verder te leven nadat overeenstemming gekomen was over de volgende punten: 1. De grondslag: De Heilige Schrift (vervat in de Drie Formulieren van Enigheid) 2. De kerkorde: De Dordtse Kerkorde (behalve datgene wat in onbruik geraakt is) 3. De leer der twee en der drie verbonden: Men zal zich hoeden voor uitwassen. Men zal elkaar niet stipt voorschrijven wat men moet voorstaan, mits men zich houdt aan de gedachte (wat de Schrift betreffende deze dingen leert) dat in het genadeverbond het vredeverbond wordt gerealiseerd'. 4. De Heilige doop: Het standpunt, dat de Heidelbergse Catechismus inzake dit sacrament inneemt in zondag 26, 27 van de Heidelbergse Catechismus 5. Het Heilig avondmaal: In de prediking zal ten volle benadrukt worden het onderscheid tussen het goddelijke recht en het kerkelijke recht. 6. Belijdenis des geloofs: Men zal de nadruk leggen op de ernst van deze dingen, opdat - zo mogelijk - voorkomen zal worden, dat kwade praktijken ingang vinden. 7. De tucht: Om wereldgelijkvormigheid te weren met verstand en teerheid de tucht handhaven. 8. De naam van het kerkverband: Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Men koos voor de toevoeging: in Nederland: "Wij distantiëren ons van de kerkgroepering van ds. H. Visser Mzn, die in 1947 uit de Christelijke Gereformeerde Kerken is getreden maar om andere redenen. Zolang hij zijn onschriftuurlijke stellingen niet herroept, zal men zich onder geen beding met deze gemeenten verenigen."[*] Ook ds. F. Luitjes en diens gemeente Klundert werden niet in het verband opgenomen.[*]


Synode 1953

In september 1953 werd de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken gehouden in Apeldoorn. Op tafel lag een indringend rapport uit de classis Dordrecht. Volgens het rapport was de situatie in de Christelijke Gereformeerde Kerken zo ernstig "dat dringende maatregelen noodzakelijk zijn". In de eerste plaats wezen de rapporteurs (ds. M. Baan en ds. H.C. van der Ent) op "de onrust in het kerkelijke leven wat bleek uit het schrijven in de kerkelijke pers, op de kerkelijke vergaderingen en door het uittreden van ds. Van Minnen en ds. Van Voorthuysen en enkele gemeenten in geen geringe mate was toegenomen." 

Maar de rapporteurs gaven ook hun eigen visie op de stand van zaken: "Bij de Christelijke Gereformeerde Kerken valt een bedenkelijke afglijding waar te nemen van de oude lijn der Afscheiding." 

Zij gaven een ernstige en laatste waarschuwing: "Al is uw commissie bevreesd, dat haar stem zal zijn als een roepende in de woestijn, toch ziet zij het als haar roeping, met alle klem dit getuigenis te laten horen, en zou met een variatie op een woord van de bezwaarden broeders in 1892 willen zeggen tot de generale synode: 

"Broeders, om 's-Heeren wil, wacht u er voor toch geen gevaarlijke stappen te doen! Lees dit rapport niet alleen met scherpe kritiek, maar laat het u een oorzaak zijn tot ernstige bezinning en terugkeer tot de oude lijn der Afscheiding. Met bijzondere klem dringt uw commissie er bij de particuliere en generale synode op aan, dit schrijven niet te onderschatten, ook de bezwaarden niet met een compromis gerust te stellen, door allerlei nieuwe dingen straks in te voeren zogenaamd alles overlatende aan de vrijheid der kerke, want zou de komende generale synode door voeren wat nu bezwarend moet worden genoemd en naar de stem van de bezwaarden zou hoegenaamd niet worden gehoord, dan zal de generale synode ook verantwoordelijk zijn voor alles wat de gevolgen daarvan kunnen zijn."


Kanselboodschap (Prof. G. Wisse)

Na het verschijnen van de Kanselboodschap in 1953 behandelde Prof. G. Wisse het getuigenis door zijn bijdragen in 'De Wekker'.

Wisse schreef: "dat hij zich verbonden voelt met het voor 'ouderwets' versleten soort" hetwelk nog kan spreken uit de bevinding, niet enkel dat er een hel en hemel is, of ook wel dat er een volkomen Zaligmaker is voor een verloren zondaar; maar dat er ook van weet te "getuigen, hoe die twee, als genade verheerlijkt wordt, bij elkander komen en met elkaar omgaan. Kortom ge begrijpt mij wel hoop ik; zo niets van die nieuwe koers, waarbij je uit de koers raakt,(..) men van het bevindelijke leven vijandig is, (..) nieuwerwetse vroomheid die zich zo vitaal en zo kerngezond acht. Vaak een verkapt Barthiaanse richting met grootdoenerij, maar waarbij alle diep geestelijk inzicht gemist wordt. Meest allemaal hoogstaande juich-mensen, maar zonder kennis van Ps. 130, of van Ps. 6. etc. Het is gevaarlijker nog dan puur modernisme of atheïsme, want men meent dan nog "Schriftuurlijk" te zijn op de koop toe." 

De Wekker, 12 augustus 1955


10 september 1953, tweetal in Delft ds. M. Baan en ds. M.S. Roos, hoogleraarsbenoemingen in Apeldoorn
10 september 1953, tweetal in Delft ds. M. Baan en ds. M.S. Roos, hoogleraarsbenoemingen in Apeldoorn

Hessel Groen

De opleiding van aanstaande predikanten kreeg al spoedig de aandacht. "Onze reformatorische vaderen waren voorstander van een gedegen opleiding om het Woord Gods recht te kunnen snijden en de dwalingen te weerleggen." Op de classisvergadering van 5 mei 1953 werd een broeder uit Bussum met instemming van de classis toegelaten tot de opleiding. Het betrof de heer H. Groen, ouderling in de gemeente Bussum. Hessel Groen werd op 25 juli 1917 geboren in Bunschoten. Hij was een zoon van de bekende ds. K. Groen, onder meer predikant in Rotterdam-West en Jannetje ter Brug. Ds. Groen sr. overleed in 1943 in Ameide op de leeftijd van 60 jaar. Ds. J.A. Riekel, die goed met ds. Groen sr. overweg kon, leidde diens begrafenis en sprak toen over 2 Timotheüs 4: 7 en 8. Op het kerkhof spraken ds. N. de Jong, ds. D. Driessen en een tweetal ouderlingen van de Chr. Geref. Kerk in Rotterdam-West en Centrum. Ook De Saambinder besteedde aandacht aan diens overlijden. Ds. Groen had volgens dit blad "onder Gods volk vele vrienden. Zijn heengaan is voor de zijnen en voor zijn gemeente een groot verlies, maar wie hem gekend hebben, mogen geloven, dat dit hem ten eeuwige winst geworden is. Onder ons was hij geen onbekende door de artikelen, die hij in De Banier geschreven heeft." Zoon Hessel groeide op in Rotterdam, maar na zijn huwelijk op 23 mei 1946 met Gerda Knevel, geboren op 22 november 1914 in Hilversum, vestigde hij zich in Bussum. Hij was eerder werkzaam als drogist en vertegenwoordiger. Tijdens het onderzoek naar roeping en genadestaat deelde de heer Groen het één en ander aangaande deze zaken mee, wat bij alle aanwezigen zodanige instemming had, dat niemand bezwaren had om hem toe te laten tot de opleiding.


De predikanten J. van Vliet en K. Groen
De predikanten J. van Vliet en K. Groen
De predikanten G.J. van Vliet en H. Groen
De predikanten G.J. van Vliet en H. Groen

Noten

[*] Sinds 1935 huurde ds. G.J. van Vliet een boven een wagenmakerij gelegen ruimte voor het houden van kerkdiensten. Deze kerkzaal met consistorie was eerder op verzoek van ds. A.W. de Rover gerealiseerd  voor de door hem opgerichte Hersteld Vrije Gereformeerde Gemeente. Er kwam een kansel, enkele banken en de overige ruimte werd opgevuld met tientallen stoelen en de kerk was klaar! Als kerkzaal was de ruimte in gebruik tot september 1929, want toen liet ds. De Rover een eigen kerkgebouw met pastorie bouwen in de Van Riebeeckstraat. In 1968 is het gebouw gesloopt. Tijdschrift historische vereniging Vlaardingen, juni 2002

[*] Dit oordeel over de prediking van ds. Van Vliet was vooral afkomstig uit kringen waar een sterke nadruk werd gelegd op één bijzonder moment als zijnde de beleving van de rechtvaardigmaking. Dit zag men dan als begin van het geestelijke leven: het z.g. 'moment van afsnijding'. Ds. Van Minnen heeft echter tegen opvatting als zijnde een misvatting gestreden. Ds. F. Mallan sprak met waardering over ds. Van Vliet.

[*] Vanuit een hele andere kijk op de zaak zijn er uiteraard ook andere (negatief bedoelde) getuigenissen: "Bij de regenpijp links af en je stond voor een grote haldeur van een wagenmakerij. "Daar boven werd gekerkt. Via een hevig krakende trap ging je naar een zolder waar ds. van Vliet iedere zondag zware preken hield over hel en verdoemenis. Hij wist zijn gemeente tot tranen toe te bewegen. Als kleine jongen keek ik wel eens hoe velen met zakdoeken en eau de cologne hun gezichten zaten te deppen." In: Historisch Vlaardingen: 'Zware preken en lachdagen in de Dijksteeg', 23 februari 2017.

[*] Hille & J.M. Vermeulen schrijven (In de schaduw van het kerkelijk leven p. 155) "dat op de classisvergadering in 1954 de vraag werd gesteld naar de mogelijkheid van het leggen van contact met ds. J.G. van Minnen, die in 1952 eveneens uit de Christelijke Gereformeerde Kerken was getreden. De classis had toen gemeend een afwachtende houding aan te moeten nemen." In feite was er dus al contact geweest met ds. H. Visser Mzn. en de kerkenraad van Rotterdam-Zuid in augustus 1952 maar het struikelblok voor hen vormde de bevestiging ds. G. Salomons.

[*] H. Hille & J.M. Vermeulen schrijven (In de schaduw van het kerkelijk leven p. 151) "Jarenlang leefde bij ds. Visser sterk de verwachting, dat ook andere bezwaarde christelijke gereformeerde predikanten zouden uittreden, zodat met hen een nieuw kerkverband gevormd zou kunnen worden"  "Het moet een teleurstelling geweest zijn dat andere bezwaarde christelijke gereformeerde predikanten die uittraden zich niet bij zijn gemeenten aansloten." De meeste (bevindelijke) predikanten uit de Christelijke Gereformeerde Kerken verwierpen de visie van ds. H. Visser Mzn. ten aanzien van een scheiding te maken tussen de zondagen 2 tot 6 en zondag 7 van de H.C. Voor ds. Van Minnen was dit de reden om zich in eerste instantie van hem te distantiëren. Ds. J. Brons benoemt het verschil tussen de beide kerkelijke groeperingen van ds. H. Visser Mzn. en ds. J.G. van Minnen niet. (Licht en schaduw van het Urker kerkelijk leven, p. 57). Hij schrijft terecht dat er weerstand was tegen het optreden van ds. H. Visser Mzn.

[*] J.M. Vermeulen schrijft ten onrechte dat ds. F. Luitjes enige tijd deel uitmaakte van de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland, 'Een veelbewogen leven', Gezinsgids 9 juli 2020

Zwolle 

Ondertussen werd uitgezien naar uitbreiding van het kerkverband. Op 23 juli 1953 waren op de classisvergadering in Bussum enkele afgevaardigden uit Zwolle aanwezig. De bezoekers brachten de hachelijke situatie van de vele hervormde evangelisaties ter sprake. In verband met doop en avondmaal konden zij geen evangelisatie blijven. Bij hen zou echter de naam 'christelijk-gereformeerd' kunnen afschrikken wat een belemmering zou vormen om zich te verenigen met de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Met de grondslag van het kerkverband ging men geheel akkoord. Ds. Salomons gaf aan dat 'christelijk-gereformeerd' niet iets nieuws is, maar al in de tijd van de Reformatie in gebruik was. "We hebben juist naar deze naam teruggegrepen om ons beginsel aan te duiden." De broeders uit Zwolle waren overtuigd en hierop sloot een deel van een Zwolse evangelisatie 'Elim', waar ds. P. Zandt vroeger veelvuldig kwam, zich aan bij het kerkverband. De heer J. Blankespoor (1906-1973)[*]  werd door de classis onderzocht op roeping en genadestaat en aanvaard op artikel 8 DKO. Nadat door ds. Van Minnen in Zwolle een gemeente geïnstitueerd was, werd br. Blankespoor op 2 september 1953 in Zwolle als predikant bevestigd. Tijdens de classicale vergadering op 8 oktober 1953 werd besloten om student H. Groen op 2de kerstdag in de gemeente Vlaardingen te laten voorgaan.


Mijdrecht (ds. R. Kok) naar CGK

Naar wij vernemen is de Gereformeerde Gemeente te Mijdrecht in haar geheel overgegaan naar het verband van de Chr. Geref. Kerken. Deze aan gelegenheid heeft haar beslag gekregen op de laatstgehouden vergadering van de classis Utrecht der Chr. Geref. Kerken. De Geref. Gemeente van Mijdrecht telde volgens het kerkelijk jaarboekje der Geref. Gemeenten van 1953 25 belijdende en 41 doopleden.

Trouw, 14 januari 1954


Drachten

In februari 1954 onttrok een zeer kleine groep zich aan de Christelijke Gereformeerde Kerk van Drachten en sloot zich aan bij ds. Van Minnen. Deze Drachtenaren leefden in praktijk mee met Veenwouden waar weekdiensten werden bijgewoond. De Drachtenaren brachten in korte tijd tienduizend gulden bijeen en bouwden zelf een kerkje, waarvan ds. Van Minnen op 24 september 1954 de eerste steen legde met de tekst uit 2 Kron. 6: 20a 'Dat Uw ogen open zijn, dag en nacht, over dit huis'. Bij de latere verkoop van het gebouw is deze steen meegenomen en bevindt zich nog altijd in het huidige kerkgebouw van de Gereformeerde Gemeente te Drachten.[*]

Kerkje van Drachten
Kerkje van Drachten

Veenwouden

In mei 1954 trad het merendeel van de gemeente Veenwouden uit de Christelijke Gereformeerde Kerken (in de volksmond het Bijlsmakerkje) en vormde een Christelijke Gereformeerde Gemeente buiten verband. Volgens het dagblad Trouw neigde de kerkenraad van Veenwouden al geruime tijd naar de 'oud-gereformeerde richting'. Ook wenste zij niet alle Chr. Geref. predikanten op de kansel te zien. Zo zou ds. P. op den Velde als classispredikant zelfs de toegang tot de kansel zijn geweigerd. 

Tijdens de jaren veertig en begin vijftig gingen in Veenwouden predikanten voor zoals ds. K. Groen, ds. W.F. Laman, ds. J.G. van Minnen, ds. P. de Smit, ds. C. Smits, ds. J.C. van Ravenswaaij, ds. M.S. Roos, Prof. L.H. van der Meiden, ds. G.W. Alberts, ds. J.A. Riekel, ds. J. Tolsma, ds. G. Rijksen, ds. G.A. Zijderveld en ds. K. Zuidersma. De gemeente werd jarenlang gediend door J. Hamstra (1900-1977) als ouderling, die in 1950 naar Canada emigreerde. 

Veenwouden werd in 1917 als een vrije gereformeerde evangelisatie opgericht. In juli 1920 werd opdracht gegeven om een kerkje met 300 zitplaatsen te bouwen. Ook besloot men de evangelisatie om te zetten in een vrije Gereformeerde Gemeente. Op 20 okt. 1930 trad de gemeente van Veenwouden toe tot de Christelijke Gereformeerde Kerk. Ouderling J. Hamstra (1900-1977) die deze gemeente als zodanig ruim 16 jaar diende emigreerde na de Tweede Wereldoorlog naar Canada.


Jetse Hamstra 

Jetse Hamstra werd geboren op 27 september 1900 in het dorp Veenwouden, Friesland. Het was speciaal in die jaren, dat hij bekend werd met de werken van Theodorus van der Groe, Justus Vermeer, Brakel, Smytegelt, Van Reenen enz, alsook met de geschriften en gezangen van Ledeboer, Groenewegen, Lodenstein en Da Costa. (..) Hij had een grossierderij en kruidenierszaak en veel tijd moest hij voor zijn zaak op de weg doorbrengen. Wanneer hij voor zaken op stap was, kon Hamstra niet zwijgen omtrent de dingen betreffende het geestelijk welzijn. Hij was altijd vol van de liefde van God in zijn hart en in het spreken met zijn klanten over die liefde, wat Christus kon doen en wilde doen voor een arm en ellendig zondaar, vond hij zijn vermaak. (..) Hamstra diende de gemeente van Veenwouden gedurende 16 jaren getrouw als ouderling en catechiseermeester. Na de Tweede Wereldoorlog besloot de familie Hamstra, evenals zovele anderen, naar Canada te emigreren. (..)

In de vroege lente van 1950 verhuisden de Hamstra's naar de omgeving van Dundas in Ontario. In Grand Rapids was aan Mr. Hamstra na onderzoek toestemming gegeven om te dienen als lerend ouderling. Op 12 februari 1950 sprak Mr. Hamstra voor de eerste keer een stichtelijk woord tot ongeveer 19 personen. Op 24 april 1950 werd onze gemeente, de kerk van Dundas, geinstitueerd. Op 28 juli 1954 werd op de classicale vergadering te Dundas aan Rev. Hamstra toestemming verleend om de gemeenten te dienen in de volle bediening van Woord en sacramenten overeenkomstig art. 8 van de K.O. van Dordrecht (niet art. 3 zoals in het artikel staat).

Uit:  jaarboek 1977 van de Free Reformed Church of North America.


Bijlsmakerkje in Veenwouden
Bijlsmakerkje in Veenwouden


CHR. GEREF. GEMEENTEN IN NEDERLAND


Naar wij vernemen heeft een deel van de Chr. Geref. Kerk van Delft het verband met deze kerk verbroken en zich onder leiding van ds. J. G. Minnen te Huizen geïnstitueerd als een afzonderlijke Chr. Geref. Gemeente. Ds. Van Minnen had tot deze instituering mandaat ontvangen van classis der Chr. Geref. Gemeenten in Nederland land, waarbij de Chr. Geref. Gemeente te Delft zich heeft aangesloten. Het aantal leden en doopleden bedraagt thans 48.


Trouw, 1 juni 1954

Delft 

In Delft legden in mei 1954, na het vertrek van ds. H. Van Leeuwen die in 1952 een beroep aannam naar Zaamslag, de ouderlingen A.W. Langstraat en K. Sjoer hun ambt als ouderling neer. Verder vroegen een tiental gezinnen hun lidmaatschap van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Delft op. Op zondag 23 mei 1954 kwam men voor het eerst bijeen in een zaaltje aan de Verwersdijk: 'De Verborgen Schat.' Er werden preken gelezen van ds. G. van Reenen over Jeremia 33: 3a en Jeremia 33: 3b. Op 27 mei 1954 (Hemelvaartsdag) werd een gemeente geïnstitueerd door ds. J.G. van Minnen. 

De volgende zondag werden opnieuw preken gelezen van ds. G. van Reenen over Jeremia 33: 3c en zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus. De catechismusverklaring van Justus Vermeer werd door de broeders unaniem als heel goed beschouwd, maar aan het lezen in de kerk kleefden volgens hen enige bezwaren: talloze onderverdelingen en verouderd taalgebruik. Ook van het lezen van Oude Schrijvers uit de tijd van de Nadere Reformatie werd om dergelijke praktische redenen afgezien. Ook werden preken gelezen uit de serie 'Uit de Levensbron' van christelijk-gereformeerde predikanten. Vrijwel de gehele serie tot ver in de jaren 70 behoorde tot de kerkelijke bibliotheek. In juni 1955 werd besloten tot de aanschaf van preken van J.C. Philpot en de catechismuspreken van ds. G.H. Kersten bij de firma Van Tol te Dordrecht. De belijdeniscatechisanten kregen van de kerkenraad een tweetal boeken aangeboden: 'De droefheid naar God' en 'Uit het zielenleven' van Prof. G. Wisse.[*] 

Gebouw De Verborgen Schat in Delft
Gebouw De Verborgen Schat in Delft

Inmiddels was er in Delft gelijktijdig nog een andere gemeente ontstaan. Deze gemeente sloot zich aan bij het landelijke verband van de Gereformeerde Gemeenten en kwam aan het Oosteinde. Men begon onder leiding van de heer A. Vlasblom met het lezen van dezelfde preken: die van ds. G. van Reenen. Sommige leden die hierbij betrokken waren kerkten ten tijde van ds. J.A. Riekel eveneens in de Christelijke Gereformeerde Kerk van Delft. Anderen waren thuislezers en/of waren lid van de Gereformeerde Gemeente in Den Haag. Vanaf 1948 vormde men een afgescheiden groep als afdeling van de gemeente Den Haag. Op 21 oktober 1954 werd door ds. K. de Gier een gemeente geïnstitueerd. De eerste preken die gelezen werden waren beide van ds. G. van Reenen 's-morgens Johannes 18: 1-11 en 's-middags Heidelbergse Catechismus zondag 1. De Gereformeerde Gemeente van Delft heeft nooit een eigen predikant gehad. Wel zijn er beroepen uitgebracht op de kandidaten G.J. van den Noort (1965) en Chr. van Poel (1968).[*] 



Huizen, 17 mei 1954

Geachte br. Langstraat, 

Even in haast een enkel woord om nog net op tijd te kunnen posten. Met veel instemming en goed verstaan uw schrijven gelezen. De Heere breidde Zijn vleugelen over ulieden uit, dan kunnen we veel hebben, maar dan hebben we ook veel van de Heere; verrassend soms. 

Even zakelijk nu: D.V. zou ik op Hemelvaartsdag 's-avonds willen komen om te spreken. In deze week hoort u nog wel meer; aangezien we a.s. donderdag in Huizen kerkvisitatie hebben en de predikanten dan bij elkaar zijn. 

Noten

[*] Ds. P. de Vries vertelde over ds. J. Blankespoor de volgende anekdote: "In mijn eerste gemeente hoorde ik wel van de oudere generatie over de godsdienstonderwijzer Jan Blankespoor, die daar aan het eind van de jaren veertig en begin van de jaren vijftig van de vorige eeuw had gewerkt. Ik beperkte wel dat hij een originele Godsgezant was geweest. (..) Doordeweeks ging hij regelmatig op uitnodiging van plaatselijke comités ook elders voor. Toen hij bij zo'n gelegenheid voor de dienst de bestuurskamer binnenstapte, zei één van de bestuursleden zenuwachtig dat er een vrouw was binnengekomen zonder hoofddeksel, helemaal opgemaakt. "Dat kunnen we toch niet zomaar laten gaan?" Ds. Blankespoor gaf aan dat hij het ermee eens was en beloofde de vrouw aan te spreken. Dat heeft hij ook aan het einde van de dienst gedaan. Hij richtte zich tot de bewuste vrouw en zei: "Mevrouw, ik zie dat u niet gewend bent samenkomsten zoals deze te bezoeken en juist daarom ben ik zo blij dat u hier bent, U bent volgende week weer welkom en u mag al uw vriendinnen meenemen. Want iedereen mag horen dat Christus verlorenen zoekt." (GezinsGids, 19 november 2009)

[*] De vermelding in Reformatorisch Dagblad 18 februari 1984 'Enkele decennia Chr. Geref. Gemeenten', dat "ds. Salomons de eerste steen legde van de kerk in Drachten" is niet correct.

[*] De Open Deur, Geschiedenis van de Christelijke Gereformeerde Gemeente in Nederland te Delft (2010) 

[*] Historisch overzicht ontstaan Gereformeerde Gemeente Delft in extra uitgave Mededelingenblad oktober 2004