Deel 1

Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland

in de periode 1952-1975

"Zie, ik ben zelf ook niet zo'n hoog-kerkelijk mens; ik geloof zelfs dat de Heere wonen en werken wil in kerken en kringen, waar ik mij niet thuis zou voelen; (..) Ik denk altijd maar weer aan mijn preek als student in Amersfoort, verschillende kerken en groepen van uitgesproken rechtzinnige belijdenis hebben als eilandjes in de oceaan gezamenlijk een zelfde bodem, diep, heel diep in de zee van Gods ontferming."


G. Salomons

"Er zijn voorbeelden te noemen hoe zelfs Schriftverklaarders als Calvijn en anderen faalden in hun exegese. Wij moeten niet Bijbelcommentaren raadplegen en dit klakkeloos overnemen, maar nauwlettend onderzoeken of het ook naar de geest van Gods Woord is."


J.G. van Minnen

"Ik merk uit uw schrijven, dat u de betogingen van sommigen inzake de m.i. gegronde bezwaren tegen de Nieuwe Vertaling nu niet met zo'n groot genoegen geluisterd hebt, nu dat zou ik ook niet gedaan hebben. (..) Ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is en het gehoor moet proberen met onderscheidingsgave te luisteren, zowel naar de voorstanders als naar de tegenstanders van de Nieuwe Vertaling."


G. Salomons

"Ieder gelovige [is] geroepen naar artikel 27 [van de] geloofsbelijdenis zich daar te voegen, waar niet de volmaakte, maar dan toch een godvrezende openbaring van het lichaam van Christus wordt gevonden."


G. Salomons


Aan de kerkenraad van de Christelijke Gereformeerde Kerk Urk (1960)

Eerwaarde broeders,

Zoals we afgesproken hadden om contact op te vatten met enkele broeders predikanten der Christelijke Gereformeerde Kerk, zo hebben we het ook gedaan. Dus de zaak is lopende. Ge weet, dat er bij bedoelde broeders nog al wat aarzelen is; reeds ongeveer een jaar of twaalf. We hebben hun medegedeeld, dat Urk nu eens spoedig tot zaken wenst te komen. Tevens de grens gezet, dat we uiterst september dit jaar definitief een datum van vergaderen gesteld willen zien. Zodra we iets weten zullen we dit onmiddellijk melden. Geliefde broeders, mocht het ons vooral om de Heere te doen zijn. Dat Hij ons op de knieën brenge en vinden voor deze zaak. Niet om getal, niet om grootheid, geen berekening, geen aanzien hebben bij de verwereldlijkte kerk. Maar gunst bij God en zoals een weerloze duif onder Zijn vleugelen te mogen schuilen en tevens oprecht te zijn gelijk de duiven. De Heere is machtig te verlossen door velen, ook door weinigen, sprak Jonathan. En Jacob zeide tegen zijn zonen, wat ziet ge op elkander. O laat ons toch met elkaar op de Heere zien, dan is er geen listig zichzelf bedoelen, dan is het maar geen enkel berekenen, dat wordt het een levend geloof, ook nog in het laatste der dagen (hoe weinigen ook; 't is altijd een overblijfsel geweest): 'de bedroefden om der bijeenkomst wil, zal ik vergaderen.' (Zefanja 3: 18)

Met hartelijke groeten Gode in alles bevolen.

Uw. dw. ds. J.G. van Minnen

oud. A.W. Langstraat.

Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland in de periode 1952-1975

Over het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland is al het nodige geschreven en bovendien was dit kerkverband klein in omvang. Toch is het zinvol om er iets aan toe te voegen al was het slechts als aanvulling  en/of correctie op de  gegevens  die in de diverse publicaties binnen de z.g. 'kleine kerkgeschiedenis' tot dusver verschenen zijn. De bronnen voor dit overzicht bestaan voornamelijk uit kerkenraads-, classisnotulen en brieven geschreven door ds. J.G. van Minnen, ds. G. Salomons, door de kerkenraad van Delft of andere partijen. Deze bronnen zijn vrijwel nooit eerder in het onderzoek meegenomen. In 2010 kwamen in  'De Open Deur geschiedenis van de Christelijke Gereformeerde Gemeente in Nederland van Delft' sommige zaken al aan de orde, maar omdat dit boekje vooral gericht was op de situatie in Delft moesten veel zaken blijven liggen. Wat betreft de informatie over het bredere verband kan dit boekje beschouwd worden als een onderliggend prematuur. De belangrijkste inspiratiebron echter voor het schrijven van dit overzicht vormen de brieven van ds. G. Salomons die destijds nog niet allemaal bekend waren. Een andere belangrijke vondst is een afschrift van een brief van ds. Van Minnen gericht aan ds. Salomons, waarin hij schrijft over het gerucht van een mogelijk terugkeren naar de Christelijke Gereformeerde Kerken rond 1968. Ds. Van Minnen weerspreekt dit gerucht met klem en legt in deze brief  uit wat er precies gebeurd is tijdens zijn verblijf in Driebergen. De realiteit is echter dat dergelijke geruchten wel als 'feiten' opgenomen zijn in diverse publicaties.[*] Het leek ons goed om ook deze en andere onjuistheden voor het licht te halen en in een compleet overzicht recht te zetten.

Context

De context van deze geschiedenis is een periode waarin het gereformeerd kerkelijk leven in Nederland volop in beweging was. Het was een zoeken en tasten in een onzekere tijd. Veel zaken die wij nu als vanzelfsprekend beschouwen waren er destijds nog niet. Er stond na de Tweede Wereldoorlog veel te gebeuren. Er heerste een geest van opbouw. De periode 1946-1950 is daarom ook wel aangeduid als een periode van vernieuwing en verwarring. Vernieuwing: er was een breukvlak met het verleden, een nieuwe generatie met nieuwe voornemens. Tegelijkertijd nam de verwarring toe. Op kerkelijk terrein waren er zoekende zielen, vaak ernstige mensen met veel eerbied voor de Nederlandse Hervormde Kerk als instituut, die in praktijk in een afgescheiden gemeente en/of evangelisatie kerkten, omdat men in de plaatselijke hervormde gemeente vanwege een gemis in de prediking niet terecht kon. Wrijvingen binnen en tussen de afgescheiden kerkverbanden, de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Gemeenten gaven ook de nodige onrust.  Het kerkelijk klimaat van rond de Tweede Wereldoorlog was een vruchtbare voedingsbodem voor vrije gemeenten en los-vaste bevindelijke kerkverbanden. Een tweede herziene en uitgebreide druk van het boekje 'Kerken in Nederland', dat uitkwam in 1949, noemt tal van namen van vrije gemeenten en kerkverbanden, waaronder de Gereformeerde Gemeenten in Hersteld Verband  (gebroeders Overduin) twee keer Nederduits Gereformeerde Gemeenten, de Christelijke Gereformeerde Gemeenten (ds. H. Visser Mzn), vrije Hervormde gemeenten, alsmede 'Sterkenburg gemeenten' in Capelle aan den IJsel (ds. H. Vlot), Sliedrecht (ds. A. Bijkerk), Alblasserdam (oefenaar A.P. Verloop), Schiedam (ds. H. Hofman) Hendrik ido Ambacht (ds. B. van de Breevaart). In 1952 kwam hier de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland bij (ds. J.G. van Minnen) en in 1953 de Gereformeerde Gemeenten in Nederland (dr. C. Steenblok). Behalve toenemende kerkelijke verdeeldheid vond er weliswaar in deze periode ook nog een kerkelijke vereniging plaats van de Oud Gereformeerde Gemeenten (Boone gemeenten) met de Federatie van Oud Gereformeerde Gemeenten (ds. C. de Jonge). Hierdoor ontstonden de Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Dit kerkverband stelde echter aan haar gemeenten en voorgangers beduidend minder voorwaarden zodat ook wel gesproken werd van een rekverband, overigens voor ds. Joh. van der Poel een geuzennaam.

De beschrijving die hier volgt spitst zich toe op het ontstaan van de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland rondom ds. J.G. van Minnen in 1952 en wat hiermee samenhangt. We volgen de kerkelijke ontwikkelingen tot ongeveer 1975, het jaar waarin de laatste predikant van dit kerkverband - ds. G. Salomons - overleed. Zeker is dat de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland rondom ds. Van Minnen zich wilden onderscheiden van kerkelijke groeperingen die van geen vaste kerkelijke structuren wilden weten. Dit betekende heel concreet: een kerkelijke keuze doen en kerkordelijk daarnaar te handelen. Men had de intentie om de oude beginselen van de Christelijke Gereformeerde Kerk voort te zetten. Ds. Van Minnen stond als voorganger in de traditie van de Afscheiding van 1834, waarbij hij de organisatie van de Nederlandse Hervormde Kerk als tegen Gods Woord en de belijdenis verwierp. Hier konden alle mogelijke dwalingen verkondigd worden, zonder dat dit enige consequentie had.[*] In dit kerkelijk standpunt was hij geschoold bij Prof. P.J.M. de Bruin (1868-1946). Hierbij moet wel de kanttekening gemaakt worden dat de situatie in de Christelijke Gereformeerde Kerken anno 1952 niet vergeleken kon worden met de situatie in 1834 in de Nederlandse Hervormde Kerk. Toch lag de grondslag van het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland in de gesprekken met de bezwaarde christelijk-gereformeerde predikanten die in de periode 1950-1952 allen dezelfde gronden aanvaarden waarom ds. Van Minnen in 1952 de Christelijke Gereformeerde Kerken zou verlaten. De praktijk om eensgezind aan dit beginsel vast te houden bleek echter weerbarstig. Een deel van de bezwaarden binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken verenigde zich uiteindelijk in 1966 in de stichting 'Bewaar het Pand', een ander deel ging over naar de (Oud) Gereformeerde Gemeenten (in Nederland).

Heden

Uit een recent onderzoek bleek dat anno 2021 nog maar 13 procent van de Christelijke Gereformeerde Kerken zich rekent tot Bewaar het Pand, oftewel zich verbonden voelt met de oorspronkelijke wortels van het kerkverband. Een groot deel rekent zich tot de z.g. orthodox-gereformeerden en een deel tot de evangelische richting. Uit dit onderzoek blijkt dat de invloed van de Bewaar het Pand richting dus aan het afnemen is. Deze uitkomst komt niet als een verrassing. Bij het 40-jarig jubileum van Bewaar het Pand moest men reeds concluderen: "De zorgen zijn alleen maar groter geworden." Met spijt stelde (reeds jaren geleden) iemand uit het middenveld, ds. J.H. Velema, vast dat de Christelijke Gereformeerde Kerken zich vanuit hun middenpositie naar de rand van de gereformeerde gezindte hebben gewerkt. Bij velen heerst echter het hardnekkige misverstand dat de bevindelijke richting binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken altijd maar een minderheid geweest is. Hiervan moeten we echter vaststellen dat dit vanaf het begin niet  zo is geweest. De Christelijke Gereformeerde Kerken telden oorspronkelijk heel wat bevindelijk-gereformeerde predikanten en gemeenten (vooral na 1892), en dat niet alleen in het Zuiden maar ook in het Noorden. Daarom ook aandacht voor het kerkelijke klimaat van de Christelijke Gereformeerde Kerken voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Inmiddels is het stof van de naoorlogse kerkelijke zoektochten aardig neergedaald. Veel van deze 'bedroefden', voorzover hier ter sprake gekomen, kwamen terecht in één van de gevestigde kerkverbanden zoals we die nu kennen. In de periode waarin wij nu leven is er weer een verlangen (?) te bespeuren naar eenheid en zijn er weer nieuwe (?)  vragen. Wat is wezenlijk en waarin kan men van inzicht verschillen zonder kerkelijk van elkaar gescheiden te hoeven zijn? Zullen de 'bedroefden' die nu leven in Nederland, of in de komende generaties er zullen zijn, elkaar op aarde ooit kunnen vinden in één kerkverband? Misschien is de conclusie wel enigszins ontmoedigend maar inderdaad wel het meest realistisch: Door het feit van de zonde is dit iets wat onmogelijk geworden is.

[*] Voorbeelden zijn: Stoppelenburg, Kerkhistorische kroniek: 75 jaar Christelijke Gereformeerde Kerken (1968); Spruijt, Christelijke Gereformeerde Kerk Delft (1899-1974) (1974); Bax, 'Terugblik op enkele decennia Christelijke Gereformeerde Gemeenten', in: Reformatorisch Dagblad, 18 februari 1984;  Hille, 'Verschenen en verdwenen, de geschiedenis van twee kleine kerkformaties', in: De Hoeksteen, kerkhistorisch tijdschrift, mei 1985;  Hille & Vermeulen, In de schaduw van het kerkelijk leven: de geschiedenis van de kleinste kerkverbanden binnen de gereformeerde gezindte in de twintigste eeuw (1995); Redactie bibliotheek van de kleine kerkgeschiedenis, Predikanten en oefenaars; Vermeulen 'Een veelbewogen leven' in: GezinsGids 9 juli 2020

[*] De Nederlandse Hervormde Kerk hield per 1 mei 2004 op te bestaan door een fusie met de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch Lutherse Kerk. Uit deze fusie ontstond de Protestantse Kerk Nederland waarin vrijzinnige theologen overigens nog steeds een volle stem hebben. De meeste bezwaarde hervormden vonden in de Hersteld Hervormde Kerk een kerkelijk thuis.

[*] De afgescheidenen hadden ten opzichte van de Nederlandse Hervormde Kerk het standpunt: "uit dit alles tezamen genomen, is het nu meer als duidelijk geworden, dat de Nederlandse Hervormde Kerk niet de ware, maar de valse kerk is, volgens Gods Woord en artikel 29 van onze belijdenis."  Later onderstreepte de afgescheidenen dit standpunt op de synode van 1851 nog eens: "Indien wij dit in gemoede voor de Heere niet geloofd hadden, dan hadden wij ons, overeenkomstig onze Formulieren van Enigheid niet mogen afscheidenen zouden derhalve ons tegenwoordig standpunt verloochenen, hetwelk door ons bij deze niet mogelijk is, omdat wij van harte geloven, dat de Heere Jezus als koning der kerk zijn volk uit een valse kerk geliefd uit te leiden."

Synode van 1947

In de Wekker gaf ds. J.H. Velema een weerslag van de synode van 1947 waarbij hij continuïteit en eensgezindheid benadrukte. De meest grote veranderingen waren, dat sinds de laatst gehouden synode van 1944 de Tweede Wereldoorlog achter de rug lag en twee kenmerkende figuren uit de beginfase van de Christelijke Gereformeerde Kerk Prof. P.J.M. de Bruin en ds. H. Janssen 'van ons zijn heengegaan':

"Het Utrechtse Kerkgebouw aan de Wittevrouwensingel bevatte maandagavond vele afgevaardigden, een deel van de gemeente als ook belangstellenden uit naburige gemeenten. Vele handen worden gedrukt. De gemeente ziet predikanten in haar kerk, die ze nog nimmer gezien heeft. Er zijn oude bekenden en nieuwe gezichten. Het feit, dat ditmaal 48 afgevaardigden van de synode deel uitmaken, dank zij de nieuwe kerkelijke indeling, werkt mee aan een meer evenredige vertegenwoordiging van de kerk, zo dat in synode arbeid vergrijsde dienaren des Woords weer op de synode zijn, maar ook verschillende jongere predikanten voor de eerste maal de eer genieten de kerk te mogen dienen in de arbeid van de synode." De praeses van de vorige synode, te Apeldoorn in 1944 gehouden, ds. Jongeleen, gaat voor in de dienst des Woords. Het gebed voor de arbeid van de synode wordt ingeleid door een prediking over de bekende bede van de Bruidkerk om de werking van de Heilige Geest, Hooglied 4: 16. We komen onder deze prediking direct in de sfeer, die voor deze synode nodig is. Diepe afhankelijkheid en tere ootmoed zijn de kenmerken van de kerk, die door haar Bruidegom zo liefelijk wordt aangesproken. Zij wordt niet hoogmoedig, spreekt ook niet tegen, maar wordt juist gedreven tot de bede: "Ontwaak, o Noordenwind." Ernstig waarschuwt de prediker, op de hem eigen wijze, tegen het gevaar van eenzijdigheid, dat steeds weer de kerk bedreigt. In een hartelijk gebed droeg ds. Jongeleen het werk van de synode aan de Heere op. Dinsdagmorgen begonnen de vergaderingen van de Synode. Het is bijna 30 jaren geleden, dat de generale synode in Utrecht vergaderde. Toch is de oude Bisschopsstad, in het leven van onze kerk niet onbekend. Hier kwamen 20 Juli 1892 de bezwaarden over de vereniging bijeen. In Utrecht begint het voortbestaan van de Chr. Geref. Kerk! (...) Om 9 uur laat de voorzitter van de roepende gemeente de hamer vallen. De psalm, die hij laat zingen is de psalm voor deze vergadering: Ps. 122: 3 "Dat vreed' en aangename rust en milde zegen u verblijd." Hij spreekt het volgende openingswoord: Weleerwaarde en Eerwaarde Broeders afgevaardigden, Weleerwaarde Hooggeleerde Heren Hoogleraren der Theol. School, Hooggewaardeerde Prae-adviseurs, Geliefde Broeders, Het is mij een grote vreugde namens de roepende Gemeente van Utrecht U allen in dit voor ons kerkelijk leven zo welbekende kerkgebouw een hartelijk welkom toe te roepen.(...) Het was te Utrecht, dat op 20 Juli 1892 enkele leden van de Kerk der Afscheiding samenkwamen, die verklaarden "met droefheid van de vereniging van de Christelijke Gereformeerde Kerk met de Nederlandse Gereformeerde Kerken te hebben vernomen" en besloten te blijven, wat men tot 17 Juni 1892 was, nl. de wettige voortzetting van de aloude Gereformeerde Kerk in deze landen, onder de naam van de Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland. Hoewel de eerste officiële synode van de voortbestaande Chr. Ger. Kerk werd gehouden op 3 en 4 Jan, 1893 in Den Haag, werd de volgende synode op 25 t/m 27 Juli van dat jaar gehouden in Utrecht. Nadien heeft de synode tot aan 1919 onafgebroken ieder jaar in Utrecht en tevens in dit kerkgebouw vergaderd." (..)

"De synode, waarin u nu samenkomt, is de eerste van onze kerk na de Tweede Wereldoorlog. Zware stormen zijn over ons land en volk gegaan, maar de Heere heeft nog geen voleindiging willen maken. In Zijn oneindige goedheid en lankmoedigheid heeft Hij het licht van de bevrijding weer over ons doen opgaan. En juist daarom is het temeer zo droevig, dat we bij ons volk in plaats van een terugkeer tot God en Zijn geboden een steeds verdergaande geestelijke en zedelijke achteruitgang moeten constateren. Met name ook voor de jeugd van onze kerk brengt dit in onze na-oorlogse wereld bijzondere verleidingen en gevaren met zich. En daarom zal de kerk meer dan ooit zich moeten bezinnen op haar taak ten opzichte van haar jeugd en het kan mij niet anders dan verblijden, dat u ook in deze dagen in de hoogste vergadering onzer Kerk tot die taak geroepen wordt. Lieflijk heeft de Heere Zijn Kerk willen doorhelpen door de branding van de oorlog. Wel heeft ook onze Kerk haar offers moeten brengen, maar het is slechts weinig in vergelijking met wat God ons heeft doen behouden. Nu mogen we als kerk zijn, die we zijn, om de banier der Waarheid en het beginsel van de Afscheiding hoog te houden. Nog hebben we onze Theologische School en God heeft haar rijk gezegend, zodat thans het aantal studenten hoger is dan ooit tevoren. En op ons zendingsveld mag nu de arbeid haar voortgang vinden en werden ds. Bikker en ds. Geleijnse met hun gezinnen wonderlijk gespaard. En nu mag onze kerk voor de eerste maal na de oorlog in synodale vergadering bijeen zijn. We mogen wel met de dichter zeggen: Loof de Heere, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden. Oude en nieuwe gezichten ontdek ik onder u. En dat is begrijpelijk. Immers is de samenstelling van een Synode altijd wisselend en voorts nemen jongeren de plaatsen van de ouderen in. Dat wordt ook vandaag gezien.


"Hoe moeilijk toch om het midden? Nee, het juiste midden te houden nietwaar? Wat een voorbeeldig apostel is toch Paulus geweest. Hij werd de joden een Jood en de Grieken een Griek, al striemde hij tegelijkertijd hun eigengerechtigheid en hun ijdele filosofie. En hoe moest zijn mede apostel Petrus het in het openbaar zelfs flink ontgelden."


G. Salomons

Toch missen we op deze eerste Synode na de oorlog twee geliefde broeders node. Ik bedoel Prof. Pieter Johannes Marie de Bruin, in leven hoogleraar aan de Theologische School en ds. Hektor Janssen, in leven Leger- en Vlootpredikant in algemene dienst. Bijna een halve eeuw waren zij onafscheidelijk aan de synodale vergaderingen van onze kerk verbonden en we mogen en kunnen ze ook nu nog niet vergeten, waarom ik u verzoek ze staande te gedenken. Pieter Johannes Marie de Bruin, geboren op de eerste Februari 1868 te Voorschoten, heeft heel zijn leven gewijd aan de kerk der Scheiding. Toen op 17 Juni 1892 werd besloten tot de vereniging van de Chr. Ger. Kerk met de Ned. Ger. Kerken, zag hij daarin een verloochening van het beginsel der Afscheiding en durfde en kon hij niet meegaan, waarom hij met een kleine groep van getrouwen bleef wat hij was. Nadat hij op de zomer-synode van 1893 tot de dienst des Woords en der Sacramenten in de voortbestaande Chr. Ger. Kerk was onderzocht en toegelaten, heeft hij tot aan zijn dood op de 13 de Juli 1946 zijn liefde en zijn krachten aan zijn kerk gewijd. Op geen enkele synodale vergadering onzer kerk heeft hij ooit ontbroken en immer had hij op die vergaderingen een belangrijke plaats. Zeven maal diende hij de synode als tweede scriba, 3 maal als tweede voorzitter, en in 1897 en 1901 diende hij haar als haar voorzitter. Drie maal werd de synode door hem geopend, in 1888 en 1902 en in 1906. Na zijn benoeming als docent aan de theologische school in 1905 diende hij de synode onafgebroken als prae-adviseur en nog op de laatste synode was hij aanwezig en toonde hij met al de liefde van zijn hart nog de gang van ons kerkelijke leven te volgen. Nu hebben we de eerste synode van onze kerk zonder Prof. De Bruin. We hebben het gevoel of een vader van ons is heengegaan. Op elke synode was hij een gewild persoon en zijn adviezen hadden betekenis en invloed. Vooral door zijn gedegen kennis van het kerkrecht waren zijn adviezen op de hoogste vergadering van onze Kerk bijna onontbeerlijk. Nu is hij niet meer. Hem is een hoger eer beschoren. Toch kunnen wij hem niet vergeten en u kunt hem in deze hoogste vergadering van onze Kerk niet beter gedenken dan door te wandelen in zijn voetstappen en evenals hij pal te staan voor de kerk en het beginsel van 1834.


"Heden hebben we de eerste synode van onze kerk zonder Prof. De Bruin. We hebben het gevoel of een vader van ons is heengegaan. Op elke synode was hij een gewild persoon en zijn adviezen hadden betekenis en invloed. Vooral door zijn gedegen kennis van het kerkrecht waren zijn adviezen op de hoogste vergadering van onze kerk bijna onontbeerlijk. Nu is hij niet meer. Hem is een hoger eer beschoren. Toch kunnen wij hem niet vergeten en u kunt hem in deze hoogste vergadering van onze kerk niet beter gedenken dan door te wandelen in zijn voetstappen en evenals hij pal te staan voor de kerk en het beginsel van 1834."

Indrukwekkend was de gebeurtenis tijdens de laatste schooldag die hij beleefde in de zomer van 1946. Op verzoek van ds. W. Kremer - de toenmalige predikant van Apeldoorn - liepen bijna alle bezoekers in de middagpauze langs de woning waar De Bruin verpleegd werd, terwijl zij hem Ps. 134: 3 toezongen. Door het opgeschoven raam lispelde zijn zwakke stem nog de Aaronitische zegen over de schare'. In de vroege morgen van 13 juli I946 overleed hij, nog vrij onverwacht, in de leeftijd van ruim 78 jaar.

"Evenals Prof. de Bruin was ook Ds. Hektor Janssen een bekende figuur op onze synodale vergaderingen. Geboren op 6 januari 1872 in Tholen, koos ook hij in 1892 welbewust voor de Chr. Ger. Kerk, zoals die zich in enkelen voortzette. Op 6 november 1898 werd hij predikant in Amsterdam en van 1899 t/m 1914 was hij steeds als afgevaardigde op de synode aanwezig en was in 1904, 1906 en 1911 haar voorzitter. Na zijn benoeming als Leger- en Vlootpredikant in 1914 heeft hij als adviserend lid menige synode met zijn adviezen gediend, die alle getuigden van een bijzondere begaafdheid en scherpzinnigheid. Zijn warme stem en gedegen adviezen moeten we thans ook missen en we gevoelen de vergankelijkheid van het leven. Ouden gaan heen, maar één troost blijft, nl. deze dat de Heere dezelfde blijft en u ook nu wil schenken, wat u nodig hebt. Op u rust de taak om met dezelfde liefde tot de kerk der scheiding als zij te strijden "voor waarheid en recht". Zo bent u dan heden in synodale vergadering bijeen. Een hoogst gewichtige taak is u opgedragen. Een belangrijke agenda ligt voor u en over diep ingrijpende zaken wordt uw beslissing gevraagd. Zoek niet uzelf of anderen. Laat u niet leiden door antipathieën of sympathieën. U wordt geroepen om de eer van God en het heil van de Kerk te zoeken. Laat het bij u allen zijn als bij de dichter van Psalm 122:  "Om des huizes des Heeren, onzes Gods wil, zal ik het goede voor u zoeken." (...) Na dit openingswoord wordt de wettigheid van de vergadering vastgesteld, Eén primusafgevaardigde is slechts vervangen door zijn secundus. De verkiezing van het moderamen neemt ons dan in beslag. Wie zullen ons leiden? De praeses is spoedig gekozen: Ds. W. Kremer. We weten, dat de voorzittershamer bij hem in veilige handen is. Hij hanteerde haar ook reeds in 1941. Zijn wijze en rustige leiding is in de kerk bekend. Graag schikken we ons onder zijn regiment. Tot assessor wordt bij 3e stemming Ds. Tamminga aangewezen. Het scribaat wordt natuurlijk opgedragen aan Ds. J. Hovius. Zo menig keer verzorgde hij reeds de Acta van de Synode. Zijn verkiezing is zo vanzelfsprekend, dat niemand de moeite neemt de stemming op te nemen. (...)"


"Zo bent u dan heden in synodale vergadering bijeen. Een hoogst gewichtige taak is u opgedragen. Een belangrijke agenda ligt voor u en over diep ingrijpende zaken wordt uw beslissing gevraagd. Zoek niet uzelf of anderen. Laat u niet leiden door antipathieën of sympathieën. U wordt geroepen om de eer van God en het heil van de Kerk te zoeken. Laat het bij u allen zijn als bij de dichter van Psalm 122: "Om des huizes des Heeren, onzes Gods wil, zal ik het goede voor u zoeken."


Tussen de vuren: een nieuwe generatie treedt aan.

Een nieuwe generatie neemt de fakkel over. Door het wegvallen van gezagsdragers zoals Prof. de Bruin die altijd een grote plaats binnen het kerkverband heeft ingenomen, kan er ruimte ontstaan voor een zekere richtingenstrijd. Nieuwere stromingen die hun kansen zien liggen en tevens onrust bij degenen die ongewenste ontwikkelingen zien. Zijn allen nog net zo eensgeestes als in 1892? De openbare verslagen doen vermoeden van wel. De christelijk-gereformeerden hadden sinds de polemiek met de Gereformeerde Kerken en later met de Gereformeerde Gemeenten een zekere middenpositie aangenomen binnen het kerkelijke spectrum. Maar wat is het juiste midden en hoe dit te bewaren? De nog jonge maar begaafde ds. J.H. Velema, een rijzende ster binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk (die in 1947 de naam Christelijke Gereformeerde Kerken aannemen) deed verschillende pogingen om nieuwe antwoorden te formuleren. In 1946 had hij de brochure 'Tusschen de Vuren' doen verschijnen. Het boekje ging over de positie van de Christelijk Gereformeerde Kerk ten aanzien van het conflict in de Gereformeerde Kerken in Nederland, en de kerkscheuring die hierop gevolgd was in 1944. Bezinning op de nieuwe kerkelijke groepering dus, de gereformeerd-vrijgemaakten, die toen de naam droegen Gereformeerde Kerken onderhoudende art. 31 D.K.O. In 1947 publiceerde Velema de brochure 'Wat is Christelijk Gereformeerd?'

In september 1947 spraken op de schooldag ds. P. Westerloo en ds. J.G. van Minnen. Twee predikanten die eveneens, ieder vanuit een bepaalde invalshoek, 'het juiste midden' als thema hadden. Ds. Westerloo, die enkele jaren daarvoor was overgekomen vanuit de Gereformeerde Kerken, sprak over het belofte-karakter van het heil Gods, die hij noemde "een zeer voornaam stuk van het Evangelie van Jezus Christus." (..) "Heel de verkondiging is heilsverkondiging, maar het wordt ons geschonken in de belofte." "In dat opzicht is het goed, dat wij weer meer aansluiting zoeken aan de tijd van de Reformatie. Immers heel de prediking en het werk van de hervormers werd daardoor gekenmerkt, dat men uitging van het belofte-karakter van het heil." Ds. Westerloo knoopte in zijn toespraak aan bij een publicatie van de hervormd-gereformeerde dr. J.G. Woelderink: "Belofte en Werkelijkheid", waarin deze benadrukte, dat het in de strijd met Rome niet allereerst ging over de bron van rechtvaardiging, maar over de weg van rechtvaardiging. "Men was het er wel over eens, dat Christus' gerechtigheid alleen onze gerechtigheid voor God is. Maar langs welke weg wordt zij ons deel? Zie en hier ging men uiteen. De Reformatie beleed hier tegenover Rome, die sprak van een daadwerkelijke mededeling van Christus' gerechtigheid, dat zij ons alleen geschonken wordt in de belofte van het evangelie en daarom ook alleen door het geloof ons eigendom wordt. En zo is het niet alleen met de gerechtigheid van Christus, zo is het met alle heil, met alle weldaden van Christus; ze worden ons geschonken in de belofte. Laten we daarop onze prediking maar gerust concentreren. Dan wijken wij niet af van de reformatorische lijn; integendeel, dan zijn we echte zonen der reformatie..... Mits wij het maar Schriftuurlijk doen. En hiermee breng ik u midden in de strijd, welke de Gereformeerde kerk beroert en in tweeën heeft doen scheuren. Eigenlijk beweegt zich heel die strijd om dat éne woord: belofte," aldus ds. Westerloo [*]

Fragmenten uit de rede van ds. Van Minnen tijdens de Schooldag van 1947:

"Wanneer in blauwe lentelucht witte wolken drijven; wanneer een veelkleurig bloemtapijt zich spreidt over akkers en velden; wanneer de zee ruist, de rivier kabbelt en de beekjes murmelen; 't vogelenlied in lente vreugde schalt...... dan brengt de onbezielde schepping het er beter af, dan 't pronkjuweel der schepping, de mens, die als profeet Gods naam en grote deugden te eren en te  verkondigen heeft. Anders zal dit worden als door wedergeboorte en bekering zijn profetenziel weer gloeien gaat door Geesteslicht; spreken en zingen moet. Door Goddelijk genadelicht is dan óók geleerd, dat we geen profeet meer kunnen zijn; dat de profetenziel, de profetenharp des harten hopeloos stuk is. Wanneer de grootste en enigste aller profeten zijn Geest in ons werken doet, dan kan men niet meer buiten dien geheel enige profeet, Christus Jezus. Die, hoewel opgevaren naar de hemel tot de Vader, toch als de grote Profeet door ambtelijke profeten als levende instrumenten op aarde Zijn volk genade schenkt en genade vermenigvuldigt."(..)

"Geen gemeente is te klein om een profeet [predikant] te ontvangen. De belofte Gods is waarachtig: Uwe ogen zullen uwe leraars zien. Is ons geloof niet vaak te klein en te zwak? Zijn we er biddend werkzaam mee vanwege de nood van onze ziel? Is 't ons daarin om God te doen, gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen? Is de Koning der Kerk niet de machtige om profeten uit te stoten in Zijn wijngaard? Leeft uw ziel in de begeerte een profeet te ontvangen om nabij God te zijn en Hem te stellen tot 't hoogste van uw blijdschap; tot 't hoogste van uw aanbidding, eer en dankb 're lofgezangen? (..) Wanneer God de zondaar wederbaart wordt deze in beginsel weer een profeet door de profetische bediening van Christus. Gaat 't licht over en in hem op. Ziet hij dat hij door de zonde een karikatuur-profeet geworden is, die zich zelven inplaats van zijn Schepper bezingt."(..)

"Godverheerlijkend profeet is de mens, die als een arm zondaar voor God buigt; niet alleen voor 't eerst, maar steeds weer als hij 't lied der verlossing zingt, dat Christus de Verlosser in 't middelpunt zet. Als hij de drie-enige God steeds meer leert kennen in de openbaring aan zijn ziel door Woord en Geest. Wanneer 't lied der dankbaarheid opstijgt uit een verbroken hart en een verslagen geest, zowel dit bij een zuigeling- als bij een vader in de genade. 't Profetisch lied der dankbaarheid, dat niet vastgelopen is in 't stereotype: Vader in de hemel wij danken u, maar dat zich nog menigmaal openbaart in de gestalte van 't O , God, wees mij de zondaar genadig!" Ja, profeet zijn om Gods Naam en deugden te verheerlijken."(..) "We hebben ambtelijke-profeten nodig, opdat Gods kind alweer z'n profetische roeping zal verstaan en beleven. Ambtelijke profeten door God geroepen en begenadigd. Dan is de school een onmisbaar instituut voor de vorming van zulke profeten. Dan is de school geen fabriek die aan de lopende band modellen aflevert naar één vast cliché. Ongelukkig waar dit zo is, als de persoonlijkheid weggewalsd wordt en geplet wordt tot een zielloos éénheidsfabricaat." (..) "Zeg niet met 't oog op Jezus' jongeren, dat de school niet nodig is. Als er ooit leerlingen geweest zijn, die een bijzondere opleiding genoten hebben, waren 't de discipelen wel. Daar haalt geen universiteit het bij of Theologische School. Regelrechte vorming en onderwijs hebben ze ontvangen van de Profeet, door Wien alle profeten gesproken hebben en nog spreken. Profeet zijn in de dienst des Woords is geen mirakel dat even onder aan de voet van de kansel gebeurt en dat op de kansel uit de mouw geschud wordt. Dat wordt niet in vadsige rust en luie sluimering geleerd. Dat doet de Koning der Kerk in de weg van vorming en onderwijs. 't Zij via de school of langs de weg van art. 8 DKO. Aan zulke van God geroepenen heeft de Kerk behoefte; gevormd in de weg van de middelen; gestuwd door de kracht van de  Heilige Geest. Aan geen profeten, die je ziel doen bevriezen door een koud intellectualisme; door een eenzijdige Christus-prediking; die Christus boven zijn gemeente zweven laten, los van Zijn gemeente. Wat is Christus zonder Zijn gemeente en zijn gemeente zonder haar Christus? God beware ons voor zulken, al hadden ze dan de doctorsgraad."(..) "De Heere beware ook zijn Kerk voor een andere karikatuurverschijning; even gevaarlijk, misleidend, verderfelijk als de eerst genoemde categorie. (..) We huiveren voor de profeet, die een warme, zwoele, geladen atmosfeer schept, vol spannende emotie, sensatie, de rillingen de hoorders op 't lijf jaagt met hel en verdoemenis of de tranen alleen uit 't oog perst en niet uit 't hart; die de dierbaarheid en algenoegzaamheid van Christus bedekt laat voor een ongelukkige door Gods Geest ontdekte zondaar. (..) Ouderlingen hebben dan ook wel veel profetisch licht nodigen profetische kloekmoedigheid om hun ambt naar 't Heeren bevel te vervullen."(..)

"Profeet zijn, dat is eigen stijl hebben; dat is geen na-aperij. Dat is receptief zijn; hart en ziel open leggen voor God om te ontvangen. Dat is God de Heilige Geest beslag laten leggen op al je vermogens, op je gehele persoonlijkheid; die gebruiken in Zijn dienst. Dan wordt de persoonlijkheid niet uitgeschakeld. Wat Ezechiël aanschouwde, datzelfde aanschouwde Jesaja ook; maar Ezechiël zag het als een man uit een dorp, die de Koning ziet, Jesaja als een residentiebewoner die de Koning ziet. Amos blijft z'n persoonlijkheid behouden; probeert niet in koninklijke stijl van Jesaja te spreken, maar is daarom niet minder boeiend al verloochent hij z'n afkomst niet en zegt: "Ik was geen Profeet en ik was niet eens Profeten zoon, maar ik was een ossenherder en las wilde vijgen af, maar de Heere nam mij van achter de kudde en de Heere zeide tot mij; Ga heen, profeteer tot mijn volk Israël.." (..)

"Verantwoordelijk, moeilijk en zwaar is de taak om profeet te zijn; waarachtig profeet. Die mensengunst zoeken vinden zulks niet; (..) God werve en vorme door uw arbeid in getrouwe bediening des Woords Zich profeten. Hij zal 't doen. Hij doet het, zolang de aarde nog staat. Mozes' verzuchting zij de uwe: Och dat al het volk profeten waren. Profeten om de lof des Heeren te verkondigen. (..) Want morgen, dat is de toekomst, zal op de nieuwe aarde waarop gerechtigheid woont, zal in de nieuwe hemel, de Internationale hulde opstijgen voor de troon van 't Lam; de hulde van alle profeten Gods uit alle geslachten, talen, tongen en natiën: Gij hebt ons Gode gekocht met uw dierbaar bloed."

J.G. van Minnen.

Ds. J.H. Velema (1948)
Ds. J.H. Velema (1948)

"Wanneer God de zondaar wederbaart wordt deze in beginsel weer een profeet door de profetische bediening van Christus.
Gaat 't licht over en in hem op. Ziet hij dat hij door de zonde een carricatuur-profeet geworden is, die zich zelven inplaats van zijn Schepper bezingt."

"Verantwoordelijk, moeilijk en zwaar is de taak om profeet te zijn; waarachtig profeet. Die mensengunst zoeken vinden zulks niet; (..) God werve en vorme door uw arbeid in getrouwe bediening des Woords Zich profeten. Hij zal 't doen. Hij doet het, zolang de aarde nog staat."

"Apeldoorn was in de Pinksterweek het centrale punt van ons kerkelijk leven. Nadat wij op woensdag 28 Mei onze predikanten-vergadering mochten houden - wat waren daar vele broeders saam, die echt gezellig en leerrijk tot het late avond uur saam gebleven zijn - kwam op de stralende Juni dag 29 Mei, ons volk bijeen om zijn Schooldag te vieren. Wat een liefde voor de School golft er toch door de ziel van ons Christelijke Gereformeerde volk. Als wij zulk een grote schare zien vereend, dan komt soms zo sterk het verlangen bij ons op: dat hadden nu onze oude voortrekkers Wisse en van Lingen nog eens mee moeten maken! Wat hebben zij dat tere stekje - de Theologische School - met zorgzame hand en met voorbeeldige trouw gekweekt. En nu na jaren staat daar een boom, die in de hitte des daags, die in de branding van de kerkelijke strijd zijn schaduw wijd en zijd verspreidt.(..) Zo zag de Heere ons op de blijde en dankbare Schooldag opgekomen om te gedenken, wat ons in de School der Kerken gegeven is. Maar DEZE Schooldag heeft ons aller verwachting verre, verre, overtroffen. Toen om half elf de Rector, prof. Geels de schare de psalm op de lippen legde: Men zag welhaast een grote schaar, Met klanken van de blijdste maar, Vervullen berg en velden was de schare reeds zo groot, dat het zo ruime kerkgebouw aan de Brinklaan deze niet meer kon bevatten. Opgepakt stonden de mensen in de paden! Op de gaanderij werd het zo vol, dat op een ogenblik de vloer bezweek en de grond onder de voet wegzakte tot op de bintlaag toe. En nog stroomde de mensen toe, en nog was er geen eind aan de bussen, die kwamen aanrollen uit alle oorden van ons land. Uit het verre Zeeland, waar men reeds 's morgens om vier uur was ingestapt, waren ze tegenwoordig, zo goed als uit het hoge Noorden, en diep uit Friesland en Groningen waren ze gekomen onze trouwe Schoolvrienden. En daar stonden ze nu voor een te vol kerkgebouw.(..) Ook hier mag met grote dank worden genoemd onze br. van der Gronden, ouderling van de gemeente Apeldoorn, die dadelijk alles heeft gedaan om nog een oplossing te vinden. Naar de grote Hervormde Kerk op de Loolaan, was zijn woord. Ik twijfelde eraan, of dit direct lukken zou. Immers, de kerkvoogdij had geen tijd saam te komen en hoe zou het anders, zonder haar toestemming. Maar dank zij de activiteit broeders, en dank zij de bereidwilligheid van de voorzitter der kerkvoogdij, was het in een kort tijdsbestek voor elkaar en ds. Westerloo kon bekend maken, dat wij om half drie zouden samenkomen in de Herv. kerk op de Loolaan. Een applaus ging op uit de grote schare. Hoe heerlijk is er op de Schooldag gesproken(..) Nu ga ik niet verhalen wat er gesproken is. Het was alles even schoon. Het prachtige gedegen woord van Ds. Westerloo, de schone, pakkende ontwikkeling van Ds. van Minnen. Het rijke woord van Ds. Kremer, die de middagvergadering opende, en het zo gepaste afscheidswoord van Ds. Henstra, de Voorzitter van het Curatorium. Het was alles, alles even schoon als leerrijk. Wat een aanblik, overweldigend, toen de grote Kerk aan de Loolaan vol stroomde. In die kerk, die meer dan 2000 mensen kan bevatten, was bijna geen plaatsje onbezet. Hier en daar op de gaanderij was nog een plekje te vinden. Een aangrijpend gezicht zulk een grote schare bijeen!"

J.J. van der Schuit


[*] Met een deel van zijn gemeente Thesinge kwam ds. Westerloo in 1940 over vanuit de Gereformeerde Kerken. Ds. Westerloo diende de Christelijke Gereformeerde Kerk(en) tussen 1940 en 1950. Hierna legde hij zijn ambt neer na moeilijkheden in zijn gemeente omdat hij weigerde een kind uit de gemeente de doop toe te dienen.

Woelderink als het juiste midden?

In 1947 besteedde Prof. Van der Schuit in De Wekker aandacht aan een publicatie van J.G. Woelderink, namelijk een tweede druk van diens publicatie over het doopsformulier. Van der Schuit constateerde dat Woelderink zowel de opvatting van de Gereformeerde Kerken als de Gereformeerde Gemeenten onder vuur nam. Eveneens richtte Woelderink zijn pijlen op zijn eigen kring [de gereformeerde bond] waar ook niet eensluidend gedacht werd. Ten aanzien van de Gereformeerde Gemeenten schreef Woelderink: "Alles wordt hier op losse schroeven gezet. Wat men bij den doop van het kind uit het doopsformulier heeft voorgelezen, wordt later geheel ontkend. De kinderen zijn niet in het genadeverbond begrepen, de doop, waarmede zij gedoopt zijn, is geen enkel bewijs, dat zij onder het genadeverbond zijn, eerst als zij later kenmerken van genade in zich bevinden, mogen zij op grond daarvan besluiten, dat zij aan het genadeverbond deel hebben." En ten aanzien van de Gereformeerde Kerken wordt gezegd; "al zeggen mijn ouders en de kerk mij misschien tienmaal, dat zij mij voor wedergeboren houden, kan dat den grond van mijn geloof en betrouwen uitmaken? Dit oordeel is immers feilbaar, zij kunnen zich vergissen." Woelderink maakt het heel concreet: Is er een woord van genade van Godswege voor mij? Mag ik geloven, dat de beloften, die God aan Zijn kerk heeft gedaan, ook voor mij zijn? Is de doop waarmede ik gedoopt ben, een zegel van Godswege, dat die beloften waarachtig zijn, en ook mij zijn geschonken?" Woelderink legt grote nadruk op Gods beloften die wij mogen bezitten, als wij het zegel Zijner beloften in doop hebben mogen ontvangen. Woelderink schrijft ook over de noodzakelijkheid van de wedergeboorte. De veronderstelde wedergeboorte wijst hij nadrukkelijk af. Maar wat wedergeboorte dan wel precies is daarover bleef Woelderink volgens Van der Schuit erg onduidelijk. Bedoelde hij de wedergeboorte in de zin van de scheppende daad Gods of de werking van de bekering (ook wel de dagelijkse bekering genoemd). Woelderink blijkt moeite te hebben met de onderscheiding in wedergeboorte in engere en ruimere zin. Van der Schuit concludeerde: "de vrees voor de wedergeboren mens als fundering voor geestelijk leven is bij Woelderink wel heel groot."

Enigheid des geloofs

Dezelfde Woelderink was ook betrokken bij het blad Enigheid des Geloofs, een blad dat ten doel had de eenheid in de gereformeerde gezindte te bevorderen. In de redactie van het blad zaten behalve dr. J.G. Woelderink, dr. G.J. Streeder (Hervormd, confessionele vereniging), ds. S.G. de Graaf (Gereformeerde Kerken), ds. W. Heerma (Christelijk Gereformeerd) en ds. J. Meester (Gereformeerde Kerken). In 1961 verscheen dit blad nog steeds, toen met de ondertitel: orgaan van de vereniging tot herstel van de kerkelijke eenheid der gereformeerde belijders. Vanuit de Christelijke Gereformeerde Kerken hadden toen in de redactie zitting: Prof. dr. J. van Genderen en ds. M.W. Nieuwenhuijze.

Woelderink maakt het heel concreet: Is er een woord van genade van Godswege voor mij? Mag ik geloven, dat de beloften, die God aan Zijn kerk heeft gedaan, ook voor mij zijn? Is de doop waarmede ik gedoopt ben, een zegel van Godswege, dat die beloften waarachtig zijn, en ook mij zijn geschonken?"

In de Reformatie schreef ds. C. Veenhof (vrijgemaakt) dat hij Woelderink graag over een eigen blad zag beschikken. "Levendig staan mij nog voor den geest de diepe vreugde over het grote geschenk Gods dat Hij in een boek als Woelderink's doopsformulier aan zijn volk had gegeven. Wat waren we toen gelukkig! Met welk een ontroering beleefden we het wondere gebeuren, dat God ons vooral ook door Woelderink 's werk van een atavisme [een wil tot terugkeer] van scholastiek, holle verstandelijkheid en piëtisme verloste, en ons deed verstaan wat het betekent te leven uit de belofte! Ik wil mij graag leerling van Woelderink noemen en dank God voor wat Hij ook mij in hem heeft gegeven. En zou ik dan niet graag zien, dat hij een eigen orgaan heeft, waarin zijn reformatorische boodschap tot ons komen kan?" De Reformatie, 7 december 1946

Ook Prof. J. Severijn (gereformeerde bond) zag het blad met enige hoopvolle verwachting tegemoet: Hij schreef: "Alle synoden in ons vaderland, die staan op den grondslag der Drie Formulieren van Enigheid behoorden als voornaamste taak van hun hoogst verantwoordelijke roeping te verstaan, dat zij zonder uitstel elkander zoeken en vinden tot een gemeenschappelijk getuigenis tegen de innerlijke verdeeldheid, tegen de valse theologie, tegen den geest van een nieuw modernisme en tegen den geest dezer eeuw." De Waarheidsvriend, 6 februari 1947

Niettemin attendeerde Prof. van der Schuit in de Wekker van 17 januari 1947 op het feit dat er in dit blad negatief over de Afscheiding werd geschreven "op een manier, die elke zoon der Scheiding kan grieven, omdat men den zin der Afscheiding en de roeping des geloofs van deze afgescheidenen totaal miskent." (Waartegen ds. W. Heerma weliswaar als redactielid had geprotesteerd aldus Prof. J.J. van der Schuit in de Wekker van 28 februari 1947

Binnen de Gereformeerde Gemeenten werd negatief over de inhoud van dit blad geoordeeld. "Mij dunkt, om enigheid des geloofs te beoefenen moet er toch een juiste ondergrond zijn. Wijlen dr. Abraham Kuyper sprak zelfs over eenheid des geloofs met Rome: "stoelen op een en dezelfde wortel des geloofs". De werkelijke eenheid zal op zo'n wijze nooit gevonden worden. (...) Het blad draagt de titel "voor de gehele gereformeerde gezindte". Maar er ontbreken nog al wat gereformeerden aan. Ik mis b.v. de groep predikanten van ds. I. Kievit te Baarn. Van hen komen de namen er niet op voor. Ook niet van onze Gereformeerde Gemeenten al heeft men geprobeerd die er bij te slepen. Van een zoeken naar eenheid des geloofs op een wijze als bij herhaling in dit blad voorkomt, moeten we maar afzijdig staan." Daniel, 13 augustus 1948

In 2000 promoveerde de vrijgemaakte predikant H.J.C.C.J. Wilschut op de theoloog Woelderink met een gedegen proefschrift, getiteld: J.G. Woelderink: om de vaste grond des geloofs. Dr. H.J.C.C.J. Wilschut: "Mijn prille interesse in theologie dateert uit de tweede helft van de jaren veertig van de vorige eeuw. Afkomstig uit een bevindelijk milieu met sterke nadruk op de innerlijke weg tot bekering, zag ik uit naar pastorale handreikingen die mij werkelijk verder zouden helpen. Mij werd gewezen op het nog vrij nieuwe blad Enigheid des Geloofs. Ik abonneerde mij, mede aangetrokken door een soort natuurlijk besef van oecumene. Mijn blikveld was beperkt. Het reikte niet verder dan de gereformeerde gezindte. Enigheid des Geloofs opereerde binnen die gezindte. Menige bijdrage in dit blad heeft mijn visie verscherpt en mijn keuzen bepaald. Maar de pastorale gids die ik zocht was toch wel met name dr. J.G. Woelderink (1886 - 1956). In tal van hoofdartikelen, theologisch en pastoraal van aard, gaf hij zijn door jarenlang studeren en mediteren gerijpte visie op verbond en verkiezing, geloof en bevinding, kerk en orde, doop en avondmaal, wet en evangelie, hervormd en gereformeerd. (...) Met mij hebben velen zich door Woelderink laten inspireren, zij het niet met slaafse volgzaamheid. (...) Zijn geschriften waren voor menigeen verhelderend, corrigerend of aanvullend. Door de pastorale inslag waren zij ook dikwijls bevruchtend voor het persoonlijke geloofsleven en voor een prakticale geloofsbeleving. (…)"

"Als Walter Luthi schrijft dat wij niet een week, maar een buigzaam en meegaand Christendom zijn geworden, een christendom van aanpassen, dan moet ik hem helaas gelijk geven. De Christelijke Gereformeerde Kerk welke ik dien en liefheb heeft te waken voor verbondsverstarring. Wij zijn tegen verbondsoverschatting en -onderschatting, maar staan een zuivere verbondsprediking voor naar Schrift en belijdenis."

Signalen van achteruitgang?

We nemen nu een aanloop naar de op zichzelf droevige scheuring in 1952. Drie zaken speelden hierbij een rol:

1. Gesprekken met de vriendenkring ds. M. Baan (Dordrecht), ds. H. van Leeuwen (Delft), ds. C. Smits (Driebergen) en ds. N. de Jong (Middelharnis)

2. De moeilijkheden binnen de classis Amsterdam

3. Persoonlijke karaktereigenschappen

Ds. Van Minnen (inmiddels weer predikant in Huizen) sprak zich rond 1950 in een interview openlijk uit over signalen van achteruitgang in het kerkelijke leven. Hierover voert hij ook besprekingen met een kring van geestverwanten, bestaande uit de predikanten M. Baan, N, de Jong, H. van Leeuwen en C. Smits. De bezwaren spitsten zich met name toe op de kerkelijke eenheid en de prediking. Van Minnen pleitte op grond van Gods Woord eerder voor een gezonde kerk in leer en leven, (niet een volmaakte kerk) als voor een z.g. 'ziekenhuiskerk' waar de gezonde leer ter discussie staat of allerlei vreemde leringen gedoogd worden.
"Verschillende zwammen en woekeringen hebben de kerk aangetast. Ik denk aan de verlammende greep van het defaitisme." [de neiging om de strijd maar op te geven, of een toestand van moedeloosheid.] "Het verzwakken van de handhaving van de tucht doet de tuchteloosheid nog sterker toenemen. Als Walter Luthi schrijft dat wij niet een week, maar een buigzaam en meegaand Christendom zijn geworden, een christendom van aanpassen, dan moet ik hem helaas gelijk geven."(..)
"De Christelijke Gereformeerde Kerk welke ik dien en liefheb heeft te waken voor verbondsverstarring. Wij zijn tegen verbondsoverschatting en -onderschatting, maar staan een zuivere verbondsprediking voor naar Schrift en belijdenis. Wee ons als we daarbij vergeten de nadruk te leggen op de verbondsbeleving in de weg van wedergeboorte en dagelijkse bekering. Je hoort steeds: Christus-prediking en vooral geen Christen-prediking. Maar wat is Christus zonder Zijn Christenen? Een Hoofd zonder lichaam! En wat zijn Christenen zonder Christus? Een lichaam zonder Hoofd! En daar juist ligt 't gevaar; de verarming, de verobjectivering in de prediking. Als men, jawel, de Christus predikt in Zijn noodzakelijkheid, algenoegzaamheid en dierbaarheid - moet daaraan onlosmakelijk verbonden zijn het antwoord op de vraag hoe Christus door de Heilige Geest en het Woord in het hart van de zondaar functioneert. Als dit laatste gemist wordt in de prediking is er een groot mankement. Er is dan in feite een halve prediking en zoiets is een onding."(..)
"Met dit alles waarover ik mijn mening gegeven wil ik ook betuigen dat wij ten opzichte van de nieuwe gehoorzaamheid, ook in de prediking van het Woord, toch nog slechts een klein beginsel hebben."

Maarten Baan, geboren op 8 augustus 1905 in Sliedrecht werd op 17 november 1935 werd hij hier door Prof. G. Wisse bevestigd. Na Rijnsburg volgde Bussum, Dordrecht en Zeist.  Ds. Baan was een man van de oude stempel en iedereen wist waar hij voor stond. Alleen in de handhaving van de oude lijn zag hij toekomst voor de Christelijke Gereformeerde Kerken; in de vernieuwingsdrift een verkeerde geest en haar ondergang. Ds. Baan was onverzettelijk in zijn mening, tegelijkertijd had hij ook iets bedachtzaams en vreesachtigheid.



"Geestelijke groei betekent voorts geen geestelijke grootheid. Gods kinderen groeien niet in de hoogte, maar wel in de diepte. Hoe meer genade, hoe kleiner voor God. Bekend is de uitdrukking: "minder zonden doen en groter zondaar worden". Al Gods kinderen, zo heeft eens iemand gezegd, gaan achteruit naar de hemel. Achteruit en toch vooruit. Geestelijke groei immers is een stervend-léven!" "Ik ben met Christus gekruisigd, zegt Paulus, en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij."


M. Baan


Hendrik van Leeuwen (1906-1988) werd in 1940 bevestigd door Prof. L.H. van der Meiden als predikant in Ermelo. Hierna stond hij tot 1952 in Tholen (1946), Delft (1949) en Zaamslag (1952). Ds. Van Leeuwen was een sympathieke prediker, een man des vredes. De arbeid van ds. Van Leeuwen was erop gericht dat de Christelijke Gereformeerde Kerken bewaard zou blijven bij haar oude gereformeerde beginselen. Hoewel niet kerkistisch van aard was ds. Van Leeuwen volbloedig christelijk-gereformeerd.


Cornelis Smits groeide op in de Christelijke Gereformeerde Kerk van Nieuw-Vennep. Op 6 november 1932 werd hij door docent P.J.M. de Bruin in het ambt bevestigd in de Christelijke Gereformeerde Kerk van Nieuwpoort. Hij diende hierna tot 1952 de gemeenten Sliedrecht (1934), Dordrecht (1942), Driebergen (1945), Sliedrecht (1952). Ds. Smits nam geen blad voor de mond en preekte overal waar hij gevraagd werd binnen of buiten het kerkverband. Op zondag 23 mei 1948 deelde ds. Smits aan zijn gemeente mee dat hij het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Kerken wilde verlaten. Hij werd hiervan toen op het allerlaatste moment weerhouden. De onvrede van Smits over ontwikkelingen binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken werd echter niet weggenomen.


"'t Is erg als wij de jeugd kwijt raken, maar 't is nog veel erger als wij God in de bediening van Zijn Geest, door middel van zijn Woord, kwijt raken. Vergeten wij maar niet, dat de gevolgen van de nieuwe vertaling zich niet alleen betrekken op een andere lezing van de Schrift, maar ook op een niet meer begrijpen van de geestelijke waarden, die in de woorden van onze Statenvertaling, en in onze belijdenisschriften tot uitdrukking komen. Vandaar de roep om verandering van onze belijdenisschriften; om verandering van onze formulieren; om verandering van onze psalmbundel. De roep om gezangen. De roep om meer liturgie. (..) HET Evangelie, dat niet naar de mens is wordt wegvertaald en dan houden wij een lege schaal over. Dat voert tot nihilisme".

M. Baan


Nicolaas de Jong, geboren in 1899 in Vlaardingen werd in 1931 predikant in Rijnsburg. Hierna stond hij tot 1952 in 's-Gravenhage-West (1934), Middelharnis (1946) en Katwijk aan Zee (1952). Rond 1946 signaleerde ds. De Jong "verslappingen en een slaperige houding" en wees op "de noodzaak van de Schriftuurlijk-bevindelijke prediking." Hij zag alleen toekomst voor de Christelijke Gereformeerde kerken in het blijven bij deze prediking."


Amsterdam, 4 april 1951

classisvergadering

Art. 1. Opening. Ds. Jongeleen opent de vergadering als consulent van de roepende gemeente Naarden, zingen ps. 79 : 4
en 7. Gebed. Schriftlezing Jac. 5 : 7-11. Welkomstwoord.
Art. 2. Onderzoek lastbrieven. Alle gemeenten van de classis zijn wettig vertegenwoordigd.
Art. 3. Verkiezing moderamen. Gekozen worden Ds. J. Jongeleen tot praeses. Ds.
J. G. van Minnen tot Assessor, Ds. Biesma tot Quaestor, Ds. Bikker tot Scriba.
Art. 4. Notulen. Gelezen en goedgekeurd.
Art. 5. Ingekomen stukken:
a. Verslag Commissie tot het verleenen van bijstand aan de gemeente Huizen bij de gerezen moeilijkheden
aldaar. Het rapport van deze commissie en de daarin gedane voorstellen worden
door de classis aangenomen.

Amsterdam, 3 oktober 1951

classisvergadering

1. Opening namens de roepende kerk Ouderkerk a. d. Amstel, door de consulent Ds. A. Bikker.

2. Onderzoek lastbrieven; alle gemeenten zijn wettig vertegenwoordigd.
3. Moderamen: Ds. v. Minnen: praeses; Ds. Jongeleen: assessor; Ds. Biesma: quaestor; Ds. Boertien: scriba.
4. Notulen gelezen en goedgekeurd.
5. Examen Cand. C. den Hertog: de vereiste stukken blijken in orde te zijn,
preekvoorstel over Rom. 5: 20, 21 wordt gelezen. Na beraadslaging voortzetting
van het examen. Examinatoren zijn de classispredikanten.
6. Na de middagpauze; verslagen naar art. 41 D.K.O.; deze zijn over het
algemeen gunstig. Het examen wordt voortgezet. Na comitévergadering wordt
medegedeeld dat Cand. den Hertog met algemene stemmen is toegelaten tot het ambt
van Dienaar des Woords; de lastbrief wordt uitgereikt; voorzitter van classis en deputaten spreken.
7. In comité-vergadering worden enige ingekomen stukken behandeld.
8. Verslagen, instructies en regeling vacature beurten uitgesteld tot volgende
vergadering, te houden op 2 April 1952; roepende kerk: Urk. Ds. den Hertog
wordt aangewezen als correspondent voor de Theologische School.
9. In openbare vergadering worden, onder leiding van de assessor, enige bezwaarschriften uit Huizen behandeld.
10. Tijdens de rondvraag wordt besloten dat Ds. v. Minnen en oud. Post (uit Zaandam) de classis zullen vertegenwoordigen bij de intrede van Ds. den Hertog.
11. De assessor eindigt met dankzegging. Sluiting om plm. 7.30 n.m.



Op zondag 27 juli 1952 deelde ds. Van Minnen aan zijn gemeente  in Huizen mee, niet langer in het verband van de Christelijke Gereformeerde Kerken te blijven. Hij deed dit met de volgende verklaring: "Gezien de huidige situatie in de Christelijke Gereformeerde Kerken, waarin ten opzichte van de prediking een almeer verstarde verbondsprediking en verbondsobjectivering zich openbaart. Gezien een voorwerpelijke Christusprediking, waarin almeer gemist wordt de kennis onzer diepe ellende. Gezien de avondmaalspraktijk van een al meer stelselmatig dwingen om na de belijdenis, ten avondmaal te komen, uit een ideaalnemend belijdenis doen. Gezien het zoeken naar samensprekingen, met de Gereformeerde Kerken synodaal en naar artikel 31 (vrijgemaakt), waarin onmogelijk een profetische roeping van de kerk gezien kan worden. Gezien het zoeken naar nieuwe vormen voor ons kerkelijk leven in liturgie, psalmberijming, ritmisch zingen, belijdenisvragen voor nauwer contact tussen belijdenis en avondmaal. Gezien de studenten die van de Theologische School komen bitter teleur stellen. Gezien de openbaring van de classis Amsterdam in haar belemmeringen van de uitvoering der kerkelijke tucht en haar belemmering in het trachten een dam op te werpen tegen de wereldgelijkvormigheid. Gezien het mij in de gemeente hier onmogelijk gemaakt wordt mijn ambt te bedienen naar de last en opdracht van mijn Zender in prediking, sacrament en tucht. Gezien de ondergraving van mijn ambt door voortdurende laster. Gezien de revolutionaire geest, die mede door de classis en de consulent gekweekt is geworden: heeft een deel van de kerkenraad, te weten de diakenen T. Veerman en T. Visser en de predikant zich losgemaakt van de Christelijke Gereformeerde Kerken in ons land en hier te plaatse. Overtuigd van onze gebreken en tekort, zelf in de allerheiligste verrichtingen is de alwetende God bekend, dat de bittere en pijnlijke strijd gestreden werd voor de beginselen van het Woord des Heeren, dat blijft tot in der eeuwigheid. Om Christelijk Gereformeerd te blijven naar de praktijk en de prediking van hen die ons daarin zijn voorgegaan, zoals wijlen ds. Schotel, ds. Van der Vegt, docent van der Heijden en meerderen, treden we uit deze Christelijke Gereformeerde Kerk onder de naam Christelijke Gereformeerde Gemeente. Geen wrok noch haat vervult onzer ziel."


Liturgische gewoonten 

"Als het gaat over de vraag naar herziening van de psalmberijming, en het ritmisch zingen maken we er geen zware kwestie van",  "Wel valt er te vragen, al is het waar dat onze vaderen vroeger ritmisch zongen, of men nu ritmisch wil zingen uit geestelijke bloei of uit geestelijk verarming. Onomwonden zeg ik: uit geestelijke verarming."(..)

"Het gaat er niet om, te beweren dat er geen schone zielsontroerende, naar Gods Woord door de Heilige Geest bezielde liederen zijn. Zowel in vroeger eeuwen als tegenwoordig zijn er zulke. Welke geest bezield ons met de vraag naar gezangen? In de kern gaat het hierom: We houden tenslotte alleen nog over wat van de mens is na zijn val - als God zelf willen wezen en zelf uitmaken wat goed en kwaad is. Men gebruikt wel als argument, dat de Psalmen onderdeel zijn van het Oude Testament, waarin de heilsopenbaring nog duister is en men zo verhinderd wordt de Naam van de Heere Jezus Christus in het lied te noemen. Maar in artikel 9 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis staat niet: "Nog duister", maar "Wat duister is". Dat is een aangrijpend verschil. Nog duister, dat is geen licht. Wat duister, daar is licht; klaarder nog in het Nieuwe Testament. Zo is het ook in het nieuwe Testament, ten opzichte van de tweede komst van Christus Wat de hoofdlijnen betreft zo helder als glas, maar niet tot in de details van Christus wederkomst. Maar wie heeft dan het recht te spreken van "nog duister?"(..)

Prof. J. Severijn
Prof. J. Severijn

"Bij veel gezangen wordt vaak gemist: de grondtoon van nood - ellende - schuld - smart -angst - terwijl in de psalmen, soms in één psalm, het geestelijk leven, zoals God dat werkt door Zijn Woord en Heilige Geest zo helder naar voren komt, namelijk de ellende, verlossing en dankbaarheid. In de bijeenkomsten van de gemeenten zal men gebruik blijven maken van de gewone berijming van de 150 psalmen Davids en liederen, die men in de Bijbel vindt, nalatende en werende uit de openbare vergaderingen van de gemeente de menselijke gezangen, welke niet in de Bijbel gevonden worden, opdat het werk van mensen niet worde gelijkgesteld met het werk van mannen, die gesproken hebben, gedreven door de Heilige Geest, [Acta Chr. Geref. Kerk 1836, artikel 67, artikel 69 DKO] Voor- en tegenstanders van het vrije lied erkennen, dat er geen bewijs is, dat het vrije lied in de eerste christelijke gemeente is ingevoerd. Teksten als 1 Korinthe 14: 26; Efeze 5: 19 en Kol. 3: 16 leveren geen bewijs van het vrije lied. De historie bewijst, dat de roep om het vrije lied uitging van hen, die ketterse gevoelens aanhingen. Daarom keerde de kerk zich er ook tegen. (Laodicea 360 en Braga 563). Calvijn ijverde voor de Psalmen en wel op principiële gronden. De Gereformeerde Kerken in verschillende landen volgden Calvijns voetspoor. Later werden er gezangen ingevoerd. Maar die invoering was mee een gevolg van de verslappende geest van het Calvinisme (zie o.a. Prof. J. Severijn over de Gezangen). Deze schrijver schreef zo kernachtig: De voorkeur voor de psalmen, die het calvinisme eigen is, wortelt in het geestelijke leven, dat zich verwant weet aan datgene, waaruit de Psalmen zijn geboren. Het is de levens-relatie, die het Calvinisme aan de Psalmen bindt. Hetzelfde leven, dat het in eigen boezem ervaart, ruist door de psalmen heen en stelt tot richtsnoer, waaraan het geloofsleven zich toetst, sterkt, vertroost, en één weet met dat der heiligen Gods. "De drang naar gezangen, ging uit van hen, die van een andere geest waren."

J.G. van Minnen

Een kleine exodus

In 1952 onttrokken behalve ds. Van Minnen en een deel van zijn gemeente Huizen (115 leden en doopleden) ook op andere plaatsen gemeenteleden en voorgangers zich aan het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Kerken. In Eindhoven 100 leden en doopleden, de gemeente Nieuwleusen (met voorganger F. Luitjes), Puttershoek (200 leden en doopleden), Leersum (237 leden en doopleden met voorganger E. du Marchie van Voorthuysen). Het werd geen massale uittocht maar wel werd duidelijk dat de onvrede op meerdere plaatsen aan de oppervlakte kwam drijven. De laatst genoemde groepen zochten aansluiting bij de Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Een groep van 125 leden en doopleden afkomstig uit de Christelijke Gereformeerde Kerk van Bussum brachten een beroep uit op hun oud herder en leraar ds. G. Salomons. Op 9 september 1952 kwam het tussen Huizen en Bussum tot een afzonderlijk kerkelijk samenleven.

Vlaardingen en Hoofddorp

In januari 1953 sloten twee kleine gemeenten in Hoofddorp en Vlaardingen zich bij Huizen en Bussum aan. Op de kerkenraadsvergadering van 7 oktober 1952 in Vlaardingen opende ds. G.J. van Vliet met het zingen van psalm 119: 83. Hij vroeg een zegen en las  1 Thessalonicenzen 5. Ds. Van Vliet deelde aan zijn kerkenraad mee, bestaande uit de broeders L. Breuchel, G. Naastepad en A. Bakker, een schrijven te hebben ontvangen van ds. J.G. van Minnen van Huizen, waarin gevraagd werd op maandag 13 oktober 1952 met elkaar te vergaderen. De gemeente van ds. L. Franke (1875-1942) in Hoofddorp, die in contact stond met de gemeente van Vlaardingen, had al laten blijken bereid te zijn zich te verenigen met ds. Van Minnen. Deze zou hier eind november 1952 op een woensdagavond voor het eerst een preekbeurt vervullen. Op 4 december 1952 deelde ds. Van Vliet aan zijn kerkenraad mee vergaderd te hebben in Huizen en dat deze vergadering zeer aangenaam was geweest. Ds. Van Minnen had inmiddels ook in de Vlaardingse gemeente een preekbeurt vervuld en de preken waren in de smaak gevallen. Ds. Van Vliet legde nu de vraag aan zijn gemeente voor hoe zij erover dacht om met elkaar te gaan samenwerken. Allen stemmen hiermee in, zodat hiertoe besloten werd. Op 23 februari 1953 deelde ds. Van Vliet mee een schrijven van ds. Van Minnen te hebben ontvangen in verband met de naamsverandering van de gemeente.

Gerrit Jan van Vliet

Het levensverhaal van Gerrit Jan van Vliet begon in Vlaardingen op 7 december 1885. Hij was een zoon van Joost van Vliet (1861-1928) en Neeltje Holster. Het gezin van Vliet behoorde evenals de familie Van Minnen tot de Vrije Gereformeerde Gemeente in Vlaardingen. In 1906 werd Vader van Vliet een van de oprichters van de Christelijke Gereformeerde Kerk te Vlaardingen. Op 17 april 1913 werd hij hier door ds. J. van der Vegt bevestigd als lerend ouderling. Na een tijdelijk verblijf binnen de Gereformeerde Gemeenten werd vader van Vliet later predikant binnen de Federatie van Oud Gereformeerde Gemeenten. Zoon Gerrit Jan huwde op 31 december 1905 in Vlaardingen met Johanna de Herder. Uit dit huwelijk werden zes kinderen geboren: Neeltje (1905), Adrianus (1911), Hendrika (1919), David (1921), Gerrit Jan (1923), Johannes (1925). Op 2 juli 1933 overleed zijn eerste echtgenote in Vlaardingen. Op 21 april 1937 hertrouwde hij met Hendrina Klos. Hij werkte een tijdlang als zakkendrager in de suikerfabriek en ook als zeevisser. Door zelfstudie wist Van Vliet veel kennis te vergaren. Rond 1927 was hij ouderling-scriba in de Christelijke Gereformeerde Kerk van Vlaardingen. In deze periode werd hij werkzaam met een roeping tot het predikambt. Een korte periode studeerde hij in Apeldoorn. Deze studie moest hij echter afbreken. In 1927 hield hij in een zaaltje aan de Dijksteeg in Vlaardingen zijn eerste preek over Jesaja 40: 1-10. "Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen. Spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des HEEREN dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden." Het gehoor van ds. van Vliet werd aanvankelijk gevormd door mensen die voorheen nooit een kerk van binnen hadden gezien. Op 3 maart 1933 vond een instituering plaats van een zelfstandige Nederlands Gereformeerde Gemeente door ds. D.C. van Stempvoort van Rotterdam, die Van Vliet als lerend ouderling bevestigde. De gemeente van ds. Van Vliet vormde toen met de Rotterdamse gemeente de Nederlands (of Nederduits) Gereformeerde Gemeenten. Op 2 juli 1933 vier maanden na zijn bevestiging tot lerend ouderling overleed zijn eerste vrouw. Financieel had van Vliet het niet breed. Een groot traktement genoot hij niet. Op 8 oktober 1935 werd van Vliet door ds. Van Stempvoort tot predikant bevestigd met de tekst: 2 Korinthe 4: 5 "Want wij prediken niet onszelven, maar Christus Jezus, de Heere; en onszelven, dat wij uw dienaars zijn om Jezus' wil." Op 9 oktober 1935 deed ds. Van Vliet zijn intrede met de tekst Handelingen 10: 33 "Zo heb ik dan van stonde aan tot u gezonden, en gij hebt welgedaan, dat gij hier gekomen zijt. Wij zijn dan allen nu hier tegenwoordig voor God, om te horen al hetgeen u van God bevolen is." Over de prediking van ds. Van Vliet werd verschillend geoordeeld, hoewel overwegend waarderend. Sommigen waren van mening, "dat hij alleen voor Gods volk sprak." Anderen "dat het afsnijdende element niet voldoende naar voren kwam in zijn preken."[*] Vast stond, dat hij in ieder geval niet 'lijdelijk' was. Van Vliet verkeerde eens op een gezelschap waar het in de gesprekken neigde naar een verkeerde lijdelijkheid. Van Vliet zei: "Weet u wat God doet als hij een mens bekeert, dan haalt Hij de handen uit de zakken en maakt er gevouwen handen van.[*]

Ds. H. Visser Mzn

In 1947 was er nog een ander kerkverband uit de Chr. Geref. Kerk ontstaan (nl. de Christelijke Gereformeerde Gemeenten rondom ds. H. Visser Mzn.) echter vanwege wezenlijk andere redenen. Ds. Visser was geschorst vanwege een leergeschil.[*]

Ds. Hendrik Visser Meliszn geboren op 23 januari 1911 in Strijen studeerde omstreeks dezelfde periode als ds. Van Minnen in Apeldoorn. Op 7 november 1937 was hij door Prof. P.J.M. de Bruin in Bunschoten als predikant bevestigd. Deze gemeente diende hij tot 1940. Hij werd toen predikant in Middelharnis. In 1945 nam hij een beroep naar Rotterdam-Zuid aan. Hier rezen hier bezwaren tegen zijn prediking: hij zou allegoriseren en vanwege zijn opvattingen ten aanzien van een 'tweeërlei geloof'. Ds. Visser zou stellen dat hetgeen geleerd wordt door een aan zichzelf ontdekte zondaar in de zondagen 2 tot 6 van de Heidelbergse Catechismus behoorde tot de noodzakelijke (maar niet zaligmakende) voorbereiding, oftewel het goddelijk geloof der wet.

De Wekker van 30 mei 1947 vermeldde het volgende over de kwestie: "De genoemde scheiding, die gemaakt wordt tussen Wet en Evangelie, tussen het Goddelijk geloof der Wet gewerkt door den Geest Gods en het zaligmakend geloof des Evangelies gewerkt door den Geest van Christus, is in onze kerkelijke pers sterk bestreden. Ds. L.S. den Boer, ds. J.G. van Minnen, ds. W. Kremer e.a. signaleerden dit kwaad in hun kerkbodes. Prof. L.H. van der Meiden gaf keurige voorlichting in ons Jeugdblad. Deze scheiding van Wet en Evangelie, zoals zij [ds. H. Visser o.a.] in prediking en geschriften van de laatste tijd opgeld trachtte te doen, is één doorlopende miskenning van des Heeren heilsopenbaring ons in de Schrift gegeven."

Ds. H. Visser Mzn.

Ds. H. Visser Mzn. bracht op 19 augustus 1952 een bezoek aan ds. Van Minnen in Huizen, waarbij hij meedeelde dat hij zijn stelling van 'een goddelijk geloof der wet, en een zaligmakend geloof van het evangelie' zo niet te bedoelde als algemeen wordt opgevat, maar zoals ds. Van Minnen dit formuleert, namelijk, door een geloof tweeërlei reactie, t.w. wanneer het geloof zich richt op de wet of op het evangelie. Een gevolg van dit onderhoud was, dat beide predikanten overeen kwamen dat ds. Van Minnen een lezing zou houden in de gemeente van ds. Visser tot nader contact. Van de kerkenraad van Rotterdam-Zuid werd echter een schrijven ontvangen waarin het houden van de lezing werd afgezegd, waarbij als motivering diende, ''dat ds. Salomons op 9 september 1952 door ds. Van Minnen opnieuw in het ambt bevestigd was en men de mening had, dat het tweede huwelijk dat ds. Salomons was aangegaan niet wettig was voor God."[*]

Synode 1953

In september 1953 werd de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken gehouden in Apeldoorn. Op tafel lag een indringend rapport uit de classis Dordrecht. Volgens het rapport was de situatie in de Christelijke Gereformeerde Kerken zo ernstig "dat dringende maatregelen noodzakelijk zijn". In de eerste plaats wezen de rapporteurs (ds. M. Baan en ds. H.C. van der Ent) op de onrust in het kerkelijke leven wat bleek uit het schrijven in de kerkelijke pers, op de kerkelijke vergaderingen en door het uittreden van ds. Van Minnen en ds. Van Voorthuysen en enkele gemeenten in geen geringe mate was toegenomen. Maar de rapporteurs gaven ook hun eigen visie op de stand van zaken: "Bij de Christelijke Gereformeerde Kerken valt een bedenkelijke afglijding waar te nemen van de oude lijn der Afscheiding." Zij gaven een ernstige en laatste waarschuwing: "Al is uw commissie bevreesd, dat haar stem zal zijn als een roepende in de woestijn, toch ziet zij het als haar roeping, met alle klem dit getuigenis te laten horen, en zou met een variatie op een woord van de bezwaarden broeders in 1892 willen zeggen tot de generale synode: Broeders, om 's-Heeren wil, wacht u er voor toch geen gevaarlijke stappen te doen! Lees dit rapport niet alleen met scherpe kritiek, maar laat het u een oorzaak zijn tot ernstige bezinning en terugkeer tot de oude lijn der Afscheiding. Met bijzondere klem dringt uw commissie er bij de particuliere en generale synode op aan, dit schrijven niet te onderschatten, ook de bezwaarden niet met een compromis gerust te stellen, door allerlei nieuwe dingen straks in te voeren zogenaamd alles overlatende aan de vrijheid der kerke, want zou de komende generale synode door voeren wat nu bezwarend moet worden genoemd en naar de stem van de bezwaarden zou hoegenaamd niet worden gehoord, dan zal de generale synode ook verantwoordelijk zijn voor alles wat de gevolgen daarvan kunnen zijn."

Kanselboodschap

Na het verschijnen van de Kanselboodschap in 1953 behandelde Prof. G. Wisse het getuigenis door zijn bijdragen in 'De Wekker'.

Wisse schreef: "dat hij zich verbonden voelt met het voor 'ouderwets' versleten soort" hetwelk nog kan spreken uit de bevinding, niet enkel dat er een hel en hemel is, of ook wel dat er een volkomen Zaligmaker is voor een verloren zondaar; maar dat er ook van weet te "getuigen, hoe die twee, als genade verheerlijkt wordt, bij elkander komen en met elkaar omgaan. Kortom ge begrijpt mij wel hoop ik; zo niets van die nieuwe koers, waarbij je uit de koers raakt,(..) men van het bevindelijke leven vijandig is, (..) nieuwerwetse vroomheid die zich zo vitaal en zo kerngezond acht. Vaak een verkapt Barthiaanse richting met grootdoenerij, maar waarbij alle diep geestelijk inzicht gemist wordt. Meest allemaal hoogstaande juich-mensen, maar zonder kennis van Ps. 130, of van Ps. 6. etc. Het is gevaarlijker nog dan puur modernisme of atheïsme, want men meent dan nog "Schriftuurlijk" te zijn op de koop toe."

Hessel Groen

De opleiding van aanstaande predikanten kreeg al spoedig de aandacht. "Onze reformatorische vaderen waren voorstander van een gedegen opleiding om het Woord Gods recht te kunnen snijden en de dwalingen te weerleggen." Op de classisvergadering van 5 mei 1953 werd een broeder uit Bussum met instemming van de classis toegelaten tot de opleiding. Het betrof de heer H. Groen, ouderling in de gemeente Bussum. Hessel Groen werd op 25 juli 1917 geboren in Bunschoten. Hij was een zoon van de bekende ds. K. Groen, onder meer predikant in Rotterdam-West en Jannetje ter Brug. Ds. Groen sr. overleed in 1943 in Ameide op de leeftijd van 60 jaar. Ds. J.A. Riekel, die goed met ds. Groen sr. overweg kon, leidde diens begrafenis en sprak toen over 2 Timotheüs 4: 7 en 8. Op het kerkhof spraken ds. N. de Jong, ds. D. Driessen en een tweetal ouderlingen van de Chr. Geref. Kerk in Rotterdam-West en Centrum. Ook De Saambinder besteedde aandacht aan diens overlijden. Ds. Groen had volgens dit blad "onder Gods volk vele vrienden. Zijn heengaan is voor de zijnen en voor zijn gemeente een groot verlies, maar wie hem gekend hebben, mogen geloven, dat dit hem ten eeuwige winst geworden is. Onder ons was hij geen onbekende door de artikelen, die hij in De Banier geschreven heeft." Zoon Hessel groeide op in Rotterdam, maar naar zijn huwelijk op 23 mei 1946 met Gerda Knevel, geboren op 22 november 1914 in Hilversum, vestigde hij zich in Bussum.  Hij was ondermeer werkzaam als drogist en vertegenwoordiger. Tijdens het onderzoek naar roeping en genadestaat deelde de heer Groen het één en ander aangaande deze zaken mee, wat bij alle aanwezigen zodanige instemming had dat niemand bezwaren had om hem toe te laten tot de opleiding.

De predikanten J. van Vliet en K. Groen
De predikanten J. van Vliet en K. Groen
De predikanten G.J. van Vliet en H. Groen
De predikanten G.J. van Vliet en H. Groen

Overeenstemming

De vier gemeenten Huizen, Bussum, Vlaardingen en Hoofddorp besloten als kerkverband samen verder te leven nadat overeenstemming gekomen was over de volgende punten: 1. De grondslag: De Heilige Schrift (vervat in de Drie Formulieren van Enigheid) 2. De kerkorde: De Dordtse Kerkorde (behalve datgene wat in onbruik geraakt is) 3. De leer der twee en der drie verbonden: Men zal zich hoeden voor uitwassen. Men zal elkaar niet stipt voorschrijven wat men moet voorstaan, mits men zich houdt aan de gedachte (wat de Schrift betreffende deze dingen leert) dat in het genadeverbond het vredeverbond wordt gerealiseerd'. 4. De Heilige doop: Het standpunt, dat de Heidelbergse Catechismus inzake dit sacrament inneemt in zondag 26, 27 van de Heidelbergse Catechismus 5. Het Heilig avondmaal: In de prediking zal ten volle benadrukt worden het onderscheid tussen het goddelijke recht en het kerkelijke recht. 6. Belijdenis des geloofs: Men zal de nadruk leggen op de ernst van deze dingen, opdat - zo mogelijk - voorkomen zal worden, dat kwade praktijken ingang vinden. 7. De tucht: Om wereldgelijkvormigheid te weren met verstand en teerheid de tucht handhaven. 8. De naam van het kerkverband: Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Men koos voor de toevoeging: in Nederland omdat: "Wij [ons] distantiëren van de kerkgroepering van ds. H. Visser Mzn, die in 1947 uit de Christelijke Gereformeerde Kerken is getreden maar om andere redenen. Zolang hij zijn onschriftuurlijke stellingen niet herroept, zal men zich onder geen beding met deze gemeenten verenigen."[*]

Dijksteeg in Vlaardingen waar zich het kerkje van ds.G.J.  van Vliet bevond.
Dijksteeg in Vlaardingen waar zich het kerkje van ds.G.J. van Vliet bevond.

[*] Hille & J.M. Vermeulen schrijven (In de schaduw van het kerkelijk leven p. 155) "dat op de classisvergadering in 1954 de vraag werd gesteld naar de mogelijkheid van het leggen van contact met ds. J.G. van Minnen, die in 1952 eveneens uit de Christelijke Gereformeerde Kerken was getreden. De classis had toen gemeend een afwachtende houding aan te moeten nemen." In feite was er dus al contact geweest met ds. H. Visser Mzn. en de kerkenraad van Rotterdam-Zuid in augustus 1952 maar het struikelblok voor hen vormde de bevestiging ds. G. Salomons.

[*] H. Hille & J.M. Vermeulen schrijven (In de schaduw van het kerkelijk leven p. 151) "Jarenlang leefde bij ds. Visser sterk de verwachting, dat ook andere bezwaarde christelijke gereformeerde predikanten zouden uittreden, zodat met hen een nieuw kerkverband gevormd zou kunnen worden"  "Het moet een teleurstelling geweest zijn dat andere bezwaarde christelijke gereformeerde predikanten die uittraden zich niet bij zijn gemeenten aansloten." De meeste (bevindelijke) predikanten uit de Christelijke Gereformeerde Kerken verwierpen de visie van ds. H. Visser Mzn. ten aanzien van een scheiding te maken tussen de zondagen 2 tot 6 en zondag 7 van de H.C. Voor ds. Van Minnen was dit de reden om zich in eerste instantie van hem te distantiëren.

[*] Dit oordeel over de prediking van ds. Van Vliet was vooral afkomstig uit kringen waar een sterke nadruk werd gelegd op één bijzonder moment als zijnde de beleving van de rechtvaardigmaking. Dit zag men dan als begin van het geestelijke leven: het z.g. 'moment van afsnijding'. Ds. Van Minnen heeft echter tegen opvatting als zijnde een misvatting gestreden. Ds. F. Mallan sprak met waardering over ds. Van Vliet.

[*] De laatst vermelde anekdote over ds. Van Vliet komt voor in een preek van ds. G. Salomons en wordt ook vermeld in het boekje 'De Open Deur, Geschiedenis Christelijke Gereformeerde Gemeente in Nederland te Delft' (2010), p. 77. Vanuit een hele andere kijk op de zaak zijn er uiteraard ook andere (negatief bedoelde) getuigenissen: "Bij de regenpijp links af en je stond voor een grote haldeur van een wagenmakerij. "Daar boven werd gekerkt. Via een hevig krakende trap ging je naar een zolder waar ds. van Vliet iedere zondag zware preken hield over hel en verdoemenis. Hij wist zijn gemeente tot tranen toe te bewegen. Als kleine jongen keek ik wel eens hoe velen met zakdoeken en eau de cologne hun gezichten zaten te deppen." In: Historisch Vlaardingen: Zware preken en lachdagen in de Dijksteeg, 23 februari 2017.

Zwolle 

Ondertussen werd uitgezien naar uitbreiding van het kerkverband. Op 23 juli 1953 waren op de classisvergadering in Bussum enkele afgevaardigden uit Zwolle aanwezig. De bezoekers brachten de hachelijke situatie van de vele hervormde evangelisaties ter sprake. In verband met doop en avondmaal konden zij geen evangelisatie blijven. Bij hen zou echter de naam 'christelijk-gereformeerd' kunnen afschrikken wat een belemmering zou vormen om zich te verenigen met de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Met de grondslag van het kerkverband ging men geheel akkoord. Ds. Salomons gaf aan dat 'christelijk-gereformeerd' niet iets nieuws is, maar al in de tijd van de Reformatie in gebruik was. "We hebben juist naar deze naam teruggegrepen om ons beginsel aan te duiden." De broeders uit Zwolle waren overtuigd en hierop sloot een deel van een Zwolse evangelisatie 'Elim', waar ds. P. Zandt vroeger veelvuldig kwam, zich aan bij het kerkverband. De heer J. Blankespoor (1906-1973) [*]  werd door de classis onderzocht op roeping en genadestaat en aanvaard op artikel 8 DKO. Nadat door ds. Van Minnen in Zwolle een gemeente geïnstitueerd was, werd br. Blankespoor op 2 september 1953 in Zwolle als predikant bevestigd. Tijdens de classicale vergadering op 8 oktober 1953 werd besloten om student H. Groen op 2de kerstdag in de gemeente Vlaardingen te laten voorgaan.

Veenwouden en Twijzelerheide

In 1953 trad het merendeel van de gemeente Veenwouden uit de Christelijke Gereformeerde Kerken (in de volksmond het Bijlsmakerkje) en vormde een Christelijke Gereformeerde Gemeente buiten verband. Men ging als bezwaarden in twee wegen uiteen. Onder leiding van ouderling A. Bijlsma en diaken D. Robijn werd een Christelijke Gereformeerde Gemeente in Nederland geïnstitueerd in Twijzelerheide. Ds. H. Groen en ds. J.G. Van Minnen gingen hier voor en dit werd gewaardeerd. In 1966 nam men in Twijzelerheide een eigen kerkje in gebruik.

Drachten

In februari 1954 onttrok een zeer kleine groep zich aan de Christelijke Gereformeerde Kerk van Drachten en sloot zich aan bij ds. Van Minnen. Deze Drachtenaren leefden in praktijk mee met Veenwouden waar weekdiensten werden bijgewoond. Tijdens de jaren veertig en begin vijftig gingen in Veenwouden predikanten voor zoals ds. K. Groen, ds. W.F. Laman, ds. J.G. van Minnen, ds. P. de Smit, ds. C. Smits, ds. J.C. van Ravenswaaij, ds. M.S. Roos, Prof. L.H. van der Meiden, ds. G.W. Alberts, ds. J.A. Riekel, ds. J. Tolsma, ds. G. Rijksen, ds. G.A. Zijderveld en ds. K. Zuidersma. De Drachtenaren brachten in korte tijd tienduizend gulden bijeen en bouwden zelf een kerkje, waarvan ds. Van Minnen op 24 september 1954 de eerste steen legde met de tekst uit 2 Kron. 6: 20a 'Dat Uw ogen open zijn, dag en nacht, over dit huis'. Bij de latere verkoop van het gebouw is deze steen meegenomen en bevindt zich nog altijd in het huidige kerkgebouw van de Gereformeerde Gemeente te Drachten.[*]

Delft

In Delft legden in mei 1954, na het vertrek van ds. H. Van Leeuwen die in 1952 een beroep aannam naar Zaamslag, de ouderlingen A.W. Langstraat en K. Sjoer hun ambt als ouderling neer. Verder vroegen een tiental gezinnen hun lidmaatschap van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Delft op. Op zondag 23 mei 1954 kwam men voor het eerst bijeen in een zaaltje aan de Verwersdijk: 'De Verborgen Schat.' Er werden preken gelezen van ds. G. van Reenen over Jeremia 33: 3a en Jeremia 33: 3b. Op 27 mei 1954 (Hemelvaartsdag) werd een gemeente geïnstitueerd door ds. J.G. van Minnen. 

De volgende zondag werden opnieuw preken gelezen van ds. G. van Reenen over Jeremia 33: 3c en zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus. De catechismusverklaring van Justus Vermeer werd door de broeders unaniem als heel goed beschouwd, maar aan het lezen in de kerk kleefden volgens hen enige bezwaren: talloze onderverdelingen en verouderd taalgebruik. Ook van het lezen van Oude Schrijvers uit de tijd van de Nadere Reformatie werd om dergelijke praktische redenen afgezien. Ook werden preken gelezen uit de serie 'Uit de Levensbron' van christelijk- gereformeerde predikanten. Vrijwel de gehele serie tot ver in de jaren 70 behoorde tot de kerkelijke bibliotheek. In juni 1955 werd besloten tot de aanschaf van preken van J.C. Philpot en de catechismuspreken van ds. G.H. Kersten bij de firma Van Tol de Dordrecht. De belijdeniscatechisanten kregen van de kerkenraad een tweetal boeken aangeboden: 'De droefheid naar God' en 'Uit het zielenleven' van Prof. G. Wisse. 

Veenwouden werd in 1917 als een vrije gereformeerde evangelisatie opgericht. In juli 1920 werd opdracht gegeven om een kerkje met 300 zitplaatsen te bouwen. Ook besloot men de evangelisatie om te zetten in een vrije Gereformeerde Gemeente. Op 20 okt. 1930 trad de gemeente van Veenwouden toe tot de Christelijke Gereformeerde Kerk. Ouderling J. Hamstra (1900-1977) die deze gemeente als zodanig ruim 16 jaar diende emigreerde na de Tweede Wereldoorlog naar Canada.

Jetse Hamstra werd geboren op 27 september 1900 in het dorp Veenwouden, Friesland. Het was speciaal in die jaren, dat hij bekend werd met de werken van Theodorus van der Groe, Justus Vermeer, Brakel, Smytegelt, Van Reenen enz, alsook met de geschriften en gezangen van Ledeboer, Groenewegen, Lodenstein en Da Costa. (..)

Hij had een grossierderij en kruidenierszaak en veel tijd moest hij voor zijn zaak op de weg doorbrengen. Wanneer hij voor zaken op stap was, kon Hamstra niet zwijgen omtrent de dingen betreffende het geestelijk welzijn. Hij was altijd vol van de liefde van God in zijn hart en in het spreken met zijn klanten over die liefde, wat Christus kon doen en wilde doen voor een arm en ellendig zondaar, vond hij zijn vermaak. (..)

Hamstra diende de gemeente van Veenwouden gedurende 16 jaren getrouw als ouderling en catechiseermeester. Na de Tweede Wereldoorlog besloot de familie Hamstra, evenals zovele anderen, naar Canada te emigreren. (..)

In de vroege lente van 1950 verhuisden de Hamstra's naar de omgeving van Dundas in Ontario. In Grand Rapids was aan Mr. Hamstra na onderzoek toestemming gegeven om te dienen als lerend ouderling. Op 12 februari 1950 sprak Mr. Hamstra voor de eerste keer een stichtelijk woord tot ongeveer 19 personen. Op 24 april 1950 werd onze gemeente, de kerk van Dundas, geinstitueerd. Op 28 juli 1954 werd op de classicale vergadering te Dundas aan Rev. Hamstra toestemming verleend om de gemeenten te dienen in de volle bediening van Woord en sacramenten overeenkomstig art. 8 van de K.O. van Dordrecht (niet art. 3 zoals in het artikel staat).

Uit:  jaarboek 1977 van de Free Reformed Church of North America.

Inmiddels was er in Delft gelijktijdig nog een andere gemeente ontstaan. Deze gemeente sloot zich aan bij het landelijke verband van de Gereformeerde Gemeenten en kwam aan het Oosteinde. Men begon onder leiding van de heer A. Vlasblom met het lezen van dezelfde preken: die van ds. G. van Reenen. Sommige leden die hierbij betrokken waren kerkten ten tijde van ds. J.A. Riekel eveneens in de Christelijke Gereformeerde Kerk van Delft. Anderen waren thuislezers. Vanaf 1948 vormde men een afgescheiden groep als afdeling van de gemeente Den Haag. De Gereformeerde Gemeente van Delft heeft nooit een eigen predikant gehad. Wel zijn er beroepen uitgebracht op de kandidaten G.J. van den Noort (1965) en Chr. van Poel (1968).



[*] Ds. P. de Vries vertelde over ds. J. Blankespoor de volgende anekdote: "In mijn eerste gemeente hoorde ik wel van de oudere generatie over de godsdienstonderwijzer Jan Blankespoor, die daar aan het eind van de jaren veertig en begin van de jaren vijftig van de vorige eeuw had gewerkt. Ik beperkte wel dat hij een originele Godsgezant was geweest. (..) Doordeweeks ging hij regelmatig op uitnodiging van plaatselijke comités ook elders voor. Toen hij bij zo'n gelegenheid voor de dienst de bestuurskamer binnenstapte, zei één van de bestuursleden zenuwachtig dat er een vrouw was binnengekomen zonder hoofddeksel, helemaal opgemaakt. "Dat kunnen we toch niet zomaar laten gaan?" Ds. Blankespoor gaf aan dat hij het ermee eens was en beloofde de vrouw aan te spreken. Dat heeft hij ook aan het einde van de dienst gedaan. Hij richtte zich tot de bewuste vrouw en zei: "Mevrouw, ik zie dat u niet gewend bent samenkomsten zoals deze te bezoeken en juist daarom ben ik zo blij dat u hier bent, U bent volgende week weer welkom en u mag al uw vriendinnen meenemen. Want iedereen mag horen dat Christus verlorenen zoekt." (GezinsGids, 19 november 2009)

[*] S.C. Bax vermelde in Reformatorisch Dagblad 18 februari 1984 'Enkele decennia Chr. Geref. Gemeenten', "dat ds. Salomons de eerste steen legde van de kerk in Drachten." Dit is onjuist.