De bedroefden om der bijeenkomst wil

Geschiedenis van het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland in de periode 1952-1975

Geschiedenis Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland
Geschiedenis Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland

Samenstelling: E. Lodewijk

© 2020 Beheerstichting Christelijke Gereformeerde Gemeente in Nederland Delft


Inleiding

Context van de geschiedenis.

Vanaf het najaar van 1952 werden besprekingen gevoerd met een drietal vertegenwoordigers - ds. Van Minnen (1900-1971), ds. G. Salomons (1890-1975) en ds. G.J. van Vliet (1885-1954) van een viertal gemeenten - Huizen, Bussum, Vlaardingen en Hoofddorp. Uit deze gemeenten werd een klein kerkverband gesmeed, namelijk de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland. De geschiedenis valt in een periode waarin het gereformeerd kerkelijk leven in Nederland volop in beweging was. Het was een zoeken en tasten in een onzekere tijd, om de waarheid zoals overgeleverd vanuit de dagen vanouds - van Reformatie, Nadere Reformatie en Afscheiding - vast te houden. De hoop van genoemde voorgangers en gemeenten, dat meer behoudende gemeenten en predikanten vanuit de Christelijke Gereformeerde Kerken tot het kerkverband zouden overkomen, was heel reëel. Daarnaast waren er in die dagen vele zoekenden, ook vanuit de Hervormde Kerk. Dit waren (vaak ernstige) mensen met veel eerbied voor de Hervormde Kerk als instituut, maar hier vanwege de waarheid niet meer konden kerken. Het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten stond eveneens onder grote spanning. Na de scheuring in 1953 is er meer rust in dit kerkverband gekomen. Maar het aantal vrije gemeenten en losse bevindelijke kerkverbanden was in deze periode nog enorm. Een eerste inkijk op de geschiedenis van deze groepen en kerkelijke contacten geeft het boek geschreven door de auteurs H. Hille en J.M. Vermeulen: 'In de schaduw van het kerkelijk leven, de geschiedenis van de kleinste kerkverbanden binnen de gereformeerde gezindte in de twintigste eeuw', (1995). Hoewel met name ds. Salomons al vanaf het beginstadium opriep wat betreft deze laatste groepen "niet al te overhaast te werk te gaan". Na het overlijden van de gewaardeerde ds. H. Groen (1917-1957) meldde zich - meestal niet via de kerkelijke weg - maar persoonlijk via ds. Van Minnen nogal eens heren die een weg zochten om dominee te worden. We laten ds. Salomons weer aan het woord: "Wat heb ik hem dikwerf mondeling, telefonisch en schriftelijk gewaarschuwd om toch niet zo haastig te handelen. De zaak bij deze en gene eens te laten overwinteren, maar mijn wapenbroeder meende dat Salomons te wantrouwend jegens anderen was."

Publicaties kleine kerkgeschiedenis.

De diverse publicaties van de z.g. 'kleine kerkgeschiedenis' geven tot op heden een onvolledig, eenzijdig of zelfs onjuist beeld wat betreft de geschiedenis van de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland en de predikanten ds. J.G. van Minnen (1900-1971) en ds. G. Salomons (1890-1975)  Dit komt grotendeels omdat men geen gebruik heeft kunnen maken van de primaire bronnen die aan dit historisch overzicht wel ten grondslag liggen. Dit geven de auteurs van het boek 'In de Schaduw van het kerkelijk leven' in hun verantwoording ook ruiterlijk toe. Ze spraken daarbij tevens de wens uit dat hun boek een stimulans zal vormen voor anderen om nieuw onderzoek te doen. 

Omdat we het jammer vinden als het eenzijdige beeld van deze geschiedenis in de officiële literatuur bleef bestaan willen we daarom alsnog de moeite nemen om een uitgebreidere beschrijving te geven. Voor biografische details over de predikanten Jacob Gerardus Van Minnen (1900-1971) en Gerard Salomons (1890-1975) zijn twee afzonderlijke pagina's aangemaakt. Dit geldt ook voor de plaatselijke geschiedenis van Delft. Op het reeds eerder genoemde boek 'In de schaduw van het kerkelijk leven' hopen we op deze pagina, voorzover dit de geschiedenis van de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland betreft, uitgebreid terug te komen. De zaken die in dit boek naar voren worden gebracht willen we hier bespreken en vanuit de bronnen nader toelichten en duiden. Voorzover er nog andere zaken in openbare publicaties besproken worden, bijvoorbeeld in de serie 'Predikanten en Oefenaars' en de serie 'In Koninklijke dienst', worden ook deze gebeurtenissen beschreven vanuit de bronnen. Deze bronnen bestaan voornamelijk uit: de kerkenraadsnotulen van de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland, de notulen van de classis van de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland, brieven uit het archief geschreven door ds. J.G. van Minnen, ds. G. Salomons, door de kerkenraad van Delft of andere partijen. De notulen van de classis Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland zijn voornamelijk geschreven door ouderling A.W. Langstraat (1914-1993) die als scriba van de classis fungeerde. De notulen van de kerkenraad van de gemeente Delft zijn - wat betreft de gebeurtenissen vanaf 1960-1975 - op gedetailleerde en nauwkeurige wijze geschreven door ouderling A. Deijs (1927-1995). Hierin wordt ook veel informatie gegeven over het verloop van de gebeurtenissen binnen de classis (waardoor deze beschrijvingen elkaar overlappen) en de kerkelijke contacten met de bezwaarde christelijke gereformeerde predikanten die in de diverse officiële publicaties van de kleine kerkgeschiedenis ook niet aan de orde komen.

Intentie van het kerkverband.

De grondslag van het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland lag in de gesprekken met de bezwaarde christelijke gereformeerde predikanten die in de periode 1950-1952 allen dezelfde gronden aanvaarden waarom ds. Van Minnen in 1952 de Christelijke Gereformeerde Kerken zou verlaten. Het was de intentie van de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland om de oude lijn van de Christelijke Gereformeerde Kerk (1892) voort te zetten naar de praktijk en prediking van wijlen ds. J. Schotel, ds. H.M. van der Vegt sr., docent A. van der Heijden en meerderen. Dit betekende heel concreet: een kerkelijke keuze doen en kerkordelijk daarnaar te handelen. Het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland wilde zich in dit opzicht onderscheiden van vrije groeperingen die van geen vaste kerkordelijke structuur wilde weten. Hieronder volgt stapsgewijs vanuit de bronnen het verdere verloop van de geschiedenis van het kleine kerkverband. Uit dit verhaal - dat nog in ontwikkeling is - blijkt gaandeweg dat het kerkverband, zoals deze 'bedroefden' zich voor ogen gesteld hadden, er niet zou komen. Een deel van de bezwaarden verenigde zich in 1966 in de stichting 'Bewaar het Pand', anderen gingen naar de Gereformeerde Gemeenten (in Nederland) Deze behoudende christelijke gereformeerden hebben de dogmatische verschillen met de Gereformeerde Gemeente en de Gereformeerde Gemeente in Nederland niet zwaarwegend genoeg gevonden om vast te houden. Met vond elkaar in de bevindelijke prediking en dit betekende vaak een overgang tot deze kerkververbanden zonder meer. Alleen de Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland kennen geen formele dogmatische uitspraken waardoor men vrijheid ten deze in dit kerkverband wel kon behouden. Ds. Smits bleef in de periode 1948-1971 voorstander van uittreding en vorming van een nieuw kerkverband, maar ging uiteindelijk -toen dit nog mogelijk bleek- over naar de Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Ds. Van Minnen was toen inmiddels al overleden en het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland bestond als zodanig niet meer. We laten hier de beschrijving echter doorlopen tot het jaar 1975 toen ds. G. Salomons als laatste officiële predikant van het kerkverband overleed.

Betekenis voor het heden.

Inmiddels is het stof van deze naoorlogse periode van kerkelijke zoektochten aardig neergedaald. Veel van deze 'bedroefden om der bijeenkomst wil', voorzover hier ter sprake gekomen, kwamen terecht in één van de gevestigde kerkverbanden zoals we die nu kennen. In de periode waarin we nu leven is er weer een verlangen te bespeuren naar elkaar en staan we weer voor nieuwe uitdagingen. Wat is nu wezenlijk en waarin kunnen we van inzicht verschillen zonder kerkelijk van elkaar gescheiden te moeten blijven? Zullen 'de bedroefden om der bijeenkomst wil' die nu leven elkaar ooit terugvinden in één bevindelijk-gereformeerd kerkverband? Misschien is de uitspraak van ds. De Lind van Wijngaarden, die ds. Salomons in één van zijn brieven aanhaalt, wel enigszins ontmoedigend voor degenen die nu ijveren voor kerkelijke eenheid, maar wel het meest realistisch: "Met vele lieve kinderen van God zullen we eenmaal in de hemel gezamenlijk Gods lof verkondigen, maar hier op aarde met ze samen te leven, ook kerkelijk, dat is nu eenmaal vanwege het feit der zonde gewoonweg onmogelijk."

Deze schets over de geschiedenis van de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland is een voorlopig overzicht en wordt D.V. nog verder uitgebreid.


Het beginsel van de Christelijke Gereformeerde Kerk

Volgens ds. Van Minnen waren de voorgangers ds. J. Schotel (1825-1914), ds. H.M. van der Vegt (1831-1915) en ds. A. van der Heijden (1865-1927) belangrijke vertegenwoordigers van de beginselen van de Christelijke Gereformeerde Kerk (1892). Er zouden er meer aan dit rijtje toe te voegen zijn: ds. F.P.L.C. van Lingen (1832-1913), ds. J. Wisse Czn (1843-1921), ds. P.J.M. de Bruin (1868-1946), allen mannen van het eerste uur. Prof. G. Wisse (1873-1957) noemen we in dit verband bewust niet, omdat deze voorganger pas in 1920 vanuit een ander kerkverband overkwam (vanuit de Gereformeerde Kerken in Nederland). Ook omdat het nogal eens zo wordt voorgesteld dat de bevindelijke richting binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken slechts om deze voorganger (G. Wisse) zou hangen of aanvankelijk slechts een smalstroom binnen het geheel was. (  ) Reden genoeg om eerst kort op het leven en het gedachtegoed van bovengenoemde voorgangers te oriënteren. (Ds. P.J.M. de Bruin en Prof. G. Wisse worden besproken op de biografische pagina van ds. Van Minnen).


Ds. J. Schotel

'Schotel van Haarlem' werd hij wel genoemd. In deze stad stond hij geruime tijd als predikant en maakte hij ook de vereniging van 1892 mee. Ds. Schotel hoorde bij degenen die hier achteraf spijt van kregen. Naar zijn mening had de vroegere Christelijke Gereformeerde Kerk (1869-1892) zich zwaar bezondigd, 'verlatende de weg waarop de Heere haar gezet en groot gemaakt had'. Door gebrek aan licht had hij eerst geen vrijmoedigheid de Gereformeerde Kerken te verlaten. Een meerderheid van zijn kerkenraad was het ook niet met hem eens. Toen de kerkenraad van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Utrecht hem beriep besloot hij dit aan te nemen en ging over.  In 1896 werd Schotel weer aan Haarlem verbonden toen daar inmiddels weer een Christelijke Gereformeerde Kerk ontstaan was.  Ds. Schotel schreef regelmatig in het jaarboekje en gaf enkele prekenbundels uit. Hij overleed op 89-jarige leeftijd op 9 april 1914.

wordt vervolgd


Ds. H.M. van der Vegt (1831-1915).

Ds. H.M. van der Vegt
Ds. H.M. van der Vegt

Het zal niet toevallig geweest zijn, dat ds. Van Minnen deze Hendrik Marinus van der Vegt noemde als zijn voorbeeldfiguur. Er zijn verschillende raakvlakken. Ten eerste was deze predikant - geboren op 12 september 1831 in Zwolle - evenals hem zijn loopbaan begonnen als onderwijzer. Ook was hij erg betrokken op de jeugd en heeft veel als één van de weinigen van zijn tijd voor hen geschreven. Daarnaast had ds. Van der Vegt een bewogen kerkelijk leven. Tweemaal maakte hij een vereniging mee: de vereniging van 1869 tussen de Kruisgemeenten en Christelijk afgescheidenen en de vereniging van 1892: nu met de dolerenden rondom dr. A. Kuyper. In deze laatste vereniging was ds. Van der Vegt echter spoedig teleurgesteld en daarom gaf hij in 1895 een brochure uit waarin hij zijn zorgen uitte. Ds. Van der Vegt was een bevindelijk predikant. Sommigen hadden ook wel kritiek op hem. Hij was te bevindelijk in hun ogen. Onder de afgescheidenen was vanouds al een voorwerpelijke stroming. Ds. Van der Vegt is voor ds. J.D. Barth (1872-1943) van grote betekenis geweest. En Van Minnen had op zijn beurt weer goede contacten met ds. Barth in Vlaardingen. Twee zonen van ds. Van der Vegt werden trouwens ook predikant in de Christelijk Gereformeerde Kerk: Jan (1863-1929) en Johannes (1875-1938).

wordt vervolgd


Ds. A. van der Heijden

Adam van der Heijden werd op 10 mei 1865 geboren in Waddinxveen. Rond zijn achttiende levensjaar kwam hij tot bekering. "Het Godsgemis werd gekend en de schuld der zonde klaagde hem aan, maar onder dit alles vertroostte de Heere hem met liefelijke genade." Na een kerkelijke zoektocht via de 'Vrienden der waarheid' in de Hervormde Kerk en de Ledeboerianen kwam hij terecht bij de Christelijke Gereformeerde Kerk zoals zij was voor 1892. Na een zware strijd of hij van God daadwerkelijk geroepen was meldde hij zich voor het admissie-examen maar werd helaas de eerste maal afgewezen. Na de vereniging van 1892 was er slechts een heel klein deel van de Christelijke Gereformeerde Kerk overgebleven. Van der Heijden besloot zich bij dit kleine deel te voegen dat het beginsel trouw was gebleven. In mei 1893 schreef hij aan zijn vriend kandidaat P.J.M. de Bruin: "Gaarne zou ik u ontmoeten, want uw begeerte om onder het volk des Heeren te verkeren, is ook de begeerte van mijn ziel."

wordt vervolgd

De Christelijke Gereformeerde Kerk na 1892.

Slechts een klein gedeelte bleef in 1892 over dat christelijk-gereformeerd wilde blijven. Er waren in 1892 heel wat bezwaarden, maar het was niet gemakkelijk hiervoor publiekelijk uit te komen. De bezwaarden werden verdacht gemaakt als scheurmakers. Hun goede bedoelingen werden in twijfel getrokken. Zij moesten niet zo hard roepen dat het de verkeerde kant opging. Maar volgens Prof. Van der Meiden was het Bijbelse plicht om luid te protesteren wanneer een dwaalleer binnen de muren van de kerk wordt verkondigd en gedoogd. De Gereformeerde Kerken in Nederland lieten een leer toe die faliekant in strijd was met de Heilige Schrift. Waar ging het in 1892 om? Om kerkrechtelijke bezwaren dat ook, maar niet het minst om bezwaren tegen ernstige confessionele dwalingen waaronder de veronderstelde wedergeboorte. Deze leer werd genoemd: "een doodsleer", "een sofistische dwaalleer." 

Op 20 juli 1892 werd in Utrecht een vergadering gehouden van bezwaarden die geopend werd door ds. F.P.L.C. van Lingen. De vergadering sprak haar afkeuring uit over de handelswijze van de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerk in Amsterdam in juni 1892. De ingediende bezwaren waren feitelijk gewoon aan de kant gelegd. "En waar nu geen hoger appel mogelijk is en de synode der Christelijke Gereformeerde Kerk door haar genomen besluiten zich zelf heeft opgelost en daarmee feitelijk zegt, dat die kerk voortaan niet meer bestaat, blijft geen weg open dan een uittreden uit het verband, waarin men onder dwang is ingelijfd, om onder biddend opzien tot de Heere te blijven, wat men tot 17 juni was: wettige voortzetting der aloude Gereformeerde Kerk in Nederland, wettig bij Koninklijk Besluit erkend. De gemeenten Zierikzee, Noordeloos en De Teuge besloten bijna geheel christelijk-gereformeerd te blijven. Op 3 en 4 januari 1893 werd de eerste synode gehouden in Den Haag. Voorzitter van deze synode was ds. J. Wisse Czn. De synode sprak uit dat de Kerk door haar vertegenwoordigd niet is een nieuwe stichting, maar zuivere voortzetting der aloude Christelijke Gereformeerde Kerk, zoals zij in de dagen van de Afscheiding is herleefd. Acht gemeenten waren op deze synode vertegenwoordigd waarbij afgevaardigden uit Zierikzee wegens omstandigheden niet aanwezig konden zijn. De beginperiode van het kerkverband was moeilijk. Smaad, laster en leugen werd van buitenaf naar het hoofd geworpen. Ook binnen de muren was het niet alles koek en ei. Toch groeide het aantal gemeenten weer aan en ook het aantal predikanten. In 1934 waren er 130 gemeenten, 62 predikanten, 10 emerituspredikanten waarvan 1 leger en vlootpredikant en een lid van de Tweede Kamer.

In 1894 werd besloten tot het stichten van een Theologische School. Ds. F.P.L.C. van Lingen werd de eerste docent. Een bescheiden geleerde die een grote kennis had van de klassieke talen. Een lezenwaardige levensschets - evenals van ds. J. Wisse Czn - is te vinden in het boek 'Ambtsbroeders' door ds. H. van der Ham (2016). Hieruit blijkt dat de Schriftuurlijk-bevindelijke prediking het wezenskenmerk was van het beginsel van de Christelijke Gereformeerde Kerk na 1892. Prof. L.H. van der Meiden deed in 1934 de volgende oproep: "Wij moeten ten volle handhaven de "gronden der vaderen". Hier mag niet geduld worden de minste afwijking, noch in leer, noch in eredienst, noch in leven. Het verlaten dezer gronden is ondergraven van het fundament. Vergeten wij nooit, dat het in het kerkelijke leven, in de diepste grond, gaat om de verheerlijking des Heeren, om de gehoorzaamheid aan de Koning der Kerk en het onvoorwaardelijk buigen onder Gods Woord. Christelijke Gereformeerde Kerk, verloochen uw beginsel niet. Verlaat de gronden der vaderen nooit. Sta er bij stil en gedenk de daden des Heeren. Waak over het pand u toebetrouwd en wees getrouw in alles tot in de dood!"

In de levensschetsen van ds. J.G. van Minnen en ds. G. Salomons wordt verder ingegaan op de beginperiode van de Christelijke Gereformeerde Kerk en de ontwikkelingen daarna. Daarom gaan we nu direct door met de situatie zoals die ontstaan was in 1952.


1952. Ds. Du Marchie van Voorthuijzen

Terug naar 1952, toen behalve ds. Van Minnen en een deel van zijn gemeente Huizen (totaal 115 leden en doopleden) er datzelfde jaar ook op andere plaatsen gemeenteleden en voorgangers zich aan het kerkverband van de sinds 1947 Christelijke Gereformeerde Kerken onttrokken: in Eindhoven (100 leden en doopleden), de gemeente Nieuwleusen (met voorganger F. Luitjes), Puttershoek (200 leden en doopleden), Leersum (237 leden en doopleden met voorganger E. du Marchie van Voorthuijzen), maar deze groepen zochten aansluiting bij de Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Kennelijk zat men dus hier (als uitgetredenen) toch ook niet geheel op één lijn. Ook hier willen we nog nader op ingaan.  

Verschillen ten aanzien van het kerkelijk standpunt en het geestelijke leven.

Het bevindelijk-gereformeerde volksdeel wordt nogal eens vereenzelvigd met ds. G.H. Kersten, de Staatkundig Gereformeerde Partij alsmede met het kerkverband van de (Oud) Gereformeerde Gemeenten (in Nederland). Het gaat dan veelal om studies die gedaan worden aan de Vrije Universiteit in Amsterdam waar dit beeld vooral in stand gehouden wordt. Ds. Kersten wist echter bij de oprichting van de Staatkundig Gereformeerde Partij in 1918 een volksdeel te mobiliseren dat zich ver buiten de grenzen van de Gereformeerde Gemeenten uitstrekte. Toch wil dit niet zeggen dat de gehele bevindelijk-gereformeerde richting vervolgens hierin besloten was. Er waren er nog altijd die lange tijd trouw gebleven zijn aan de oorspronkelijke Anti-Revolutionaire Partij. Hierbij speelde mee, dat lang niet alle 'persoonlijkheden' even goed met ds. Kersten overweg konden. (  ) Zelfs in eigen kring had ds. Kersten verzet tegen zijn persoon en optreden te verduren. (  ) Dit geeft al aan dat het bevindelijk-gereformeerde volksdeel nooit één laken en pak is geweest. Er zijn ook altijd onderliggende stromingen geweest die niet behoorden tot één kerkverband, maar bevonden zich in allerlei kerkverbanden. In sommige van deze onderhuidse kringen ontbrak het  bijvoorbeeld aan elk kerkelijk besef. In de Christelijke Gereformeerde Kerk was dit kerkelijk besef heel sterk aanwezig. Hierop werd met name in de beginfase van dit kerkverband - inmiddels is dit besef vrijwel verdwenen - heel sterk de nadruk gelegd. Dit was zeker niet verkeerd, maar kon ook weer kon leiden tot de andere kant: kerkelijke hoogmoed. Ds. G.H. Kersten heeft in zijn kerkverband: de Gereformeerde Gemeenten ook een zware strijd moeten leveren voor een gezond kerkelijk besef. Wat dit betreft - en ook wat betreft vele andere zaken - staan we dus geheel aan de kant van ds. G.H. Kersten en óók de Christelijke Gereformeerde Kerk zoals zij was na 1892.

Ds. Van Minnen had ook een sterk kerkelijk besef. Hij is alleen te begrijpen als voorganger die stond in de traditie van de Afscheiding, waarbij hij de organisatie van de Hervormde Kerk (sinds 1834) als onschriftuurlijk en tegen Gods Woord en de belijdenis verwierp. Hier kunnen alle mogelijke dwalingen verkondigd worden, zonder dat dit enige consequentie heeft. In dit kerkelijk standpunt was hij geschoold bij Prof. P.J.M. de Bruin die dat beginsel ook van harte toegedaan was. Ds. G.H. Kersten was hier minder stellig in. De grote moeilijkheid was, dat er nog vele (bevindelijke) gelovigen waren die hiervan bepaald niet overtuigd waren. Zij hadden eerbied voor het instituut van de Hervormde Kerk als zijnde in hun ogen 'de vaderlandse kerk', maar konden hier vaak niet kerken vanwege gemis aan de waarheid. In praktijk kerkte men dan in één van de afgescheiden kerken. Kwam er echter weer een 'goede dominee' op de kansel in het betreffende dorp of stad, kon het gebeuren dat men weer ging kerken in de Hervormde Kerk. Dit leidde dus weleens tot problemen. Nadat ds. Van Minnen uit de Christelijke Gereformeerde Kerken was getreden kwam hij in aanraking met personen en kringen die volledig dreven op het gevoel en van geen kerkordelijk samenleven wilden weten. Dit is hetgeen ds. Van Minnen met de vorming van zijn kerkverband niet voor ogen gehad heeft. (  ) Het bevindelijke leven was binnen deze kringen ook vaak (niet altijd) afwijkend. Sommigen legden een sterke nadruk op één bijzonder moment als beleving van de rechtvaardigmaking. Dit zag men dan als begin van het geestelijke leven. Na het moment van afsnijding kon je pas echt zeggen dat je bekeerd was. Ds. Van Minnen heeft tegen al deze zaken op zijn eigen wijze als in zijn ogen misvattingen en tegen Gods Woord gestreden.

De rechtvaardigingmaking of rechtvaardiging wordt nogal eens genoemd de ziel van de gereformeerde geloofsleer. Wij die van nature (door geboorte) schuldig staan voor God moeten gerechtvaardigd worden, d.i. vrijgesproken worden van schuld en straf. Valt dit ons in dit leven niet ten deel zullen we voor eeuwig onder Gods recht verloren moeten gaan. Moe hoe werkt dit nu in de praktijk van het geestelijke leven? In 1947 deed ds. Van Minnen de volgende ontboezeming: "Daar is een schromelijke onkunde ten opzichte van de leer van de rechtvaardigmaking. Voor velen is de verzekering een plofmatig iets. En dan komt het: op een zekere dag of nacht krijgt men een tekst, soms één die er niets mee te maken heeft en men is gerechtvaardigd. Nu heeft men de rust gevonden. Zou het waar zijn? Och, die bevestigde Paulus weet er nog niets van met zijn klacht: "Wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods." Men verlegt dan het accent van de rechtvaardigmaking geheel in wat men noemt 'de verzekering', dat is dus, als men voor eigen bewustheid, door het geloof, weten mag, een vrij gesprokene vanschuld en straf te zijn. En wanneer men die zekerheid heeft is men pas een gerechtvaardigde. Is dit naar het Woord Gods? Nee! Naar Gods Woord luidt het in Romeinen 8: 30 "En die Hij tevoren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt." Gods Woord leert, dat de rechtvaardigmaking samenvalt, in het ogenblik van de levendmaking. Dáár en dán wordt de uitverkoren zondaar vrijgesproken van schuld en straf, zoals dit dan genoemd wordt: in de vierschaar Gods. Daarbij, als we letten hoe de Kerk des Heeren merendeels bekommerd sterft, zou dit deel als verloren beschouwd moeten worden. Zeer zeker willen we toestemmen, dat de verzekering des geloofs betreffende de vergeving der zonde en vrijspraak ook een daad Gods is. Wat is in het geloofsleven in de geloofsoefening geen daad Gods!? Hij toch is in alles en allen, altijd de eerste en de laatste."

 Ds. Van Minnen vervolgde: "Daarbij willen we niet poneren, dat één die levend gemaakt is en gerechtvaardigd, gelijk de preventie voert een gerechtvaardigde te zijn. In tegendeel. Zulk één is het juist te doen om de wetenschap des geloofs, door God gerechtvaardigd te zijn.

't Moge paradoxaal klinken: juist een gerechtvaardigde staat  naar de wetenschap of hij gerechtvaardigd is. En toch van meet af aan, van de wedergeboorte af aan, krijgt zulk één met zijn rechtvaardigmaking te doen, al is het nog zo'n zwakke openbaring daarvan.

Want alleen een wederomgeborene, een gerechtvaardigde in de vierschaar Gods, begint door het geloof en de trekking des Vaders, in de weg van smeking en klacht zich aan de troon der genade vast te klemmen. Zoekt bij de Heere vergeving. En dat door het geloof, dat er alleen bij Hem vergeving is. Dat is al een door het geloof omhelzen van zijn rechtvaardigmaking in de vierschaar Gods in die van zijn geweten. Want de weg van de rechtvaardigmaking in de vierschaar Gods, tot de volle omhelzing daarvan in het geweten, door het geloof, is een stervensweg. En meest dan een weg der geleidelijkheid. Dat men als grond alles en nog eens alles moet verliezen: zijn gebed, tranen, gestalten, beloften, ontmoetingen, om gefundeerd te worden alleen op de gerechtigheid van Jezus Christus en Die gekruisigd. In de weg van tere heiligmaking, in de weg van sterven aan zichzelf, in de weg van al meer kindeke te worden, komt men tot de verzekering van de rechtvaardigmaking, en dit weer bijzonder door de prediking des Woords en 't gebruik van de sacramenten."

"De bekering is een doorgaand proces", aldus ds. Van Minnen. "Hoe ver ook gevorderd in het geestelijke leven, hoe geoefend in het geloof en al heeft men ervaren en kent men het welwezen des geloofs (de zekerheid der schuldvergeving), - het blijft hier voor een ieder die het nieuwe leven deelachtig is en door God Drie-enig nog altijd bekeerd wordt, bij de voortduur: "Twist mijne twistzaak"; dat is: "Twist met mijn twisters Hemelheer!" En zolang de Heere onze, dat is Zijn zaak, in ons nog te twisten heeft staan we er nog lang niet achter. Zeker, daar zijn verschillende dingen in het geestelijke leven, waar men achter komt, en steeds weer nieuwe dingen waar men achterstaande, dan het lichter over ziet. Maar met dat al gaat de zaak van het proces der bekering als het goed is steeds door. En eens, aan de overzijde van het graf staat men achter de zaak van ons zalig worden (proces vanaf de geestelijke geboorte tot het stervensuur). Voor het overige blijft het: "Ziet dit zijn maar uiterste einden Zijner wegen; en wat een klein stukje der zaak hebben wij van Hem gehoord?" (Job26 : 14a)

Want welke zaken we op geestelijk gebied beleven, 't is al uit Hem door Zijn openbaring aan ons door Zijn Woord en Heilige Geest, slechts als een fluisteren in Gods openbaring in het veel tongig en veel tonig orkest der natuur.

Als God eens voluit zou gaan spreken; wij, wij, die al door dat fluisteren overweldigd worden, zouden wij niet wegzinken, als de donder Zijner mogendheden zich openbaarde? Wat prutserig, stuntelig is het dan als mensen zó spreken over "de grote zaak", dat zou dan de volle verzekerdheid des geloofs zijn; de wetenschap van de zonden in de zee van eeuwige vergetelheid; dat je dan eindelijk eens mag pronken met de Vadernaam om kleine 'broertjes' en 'zusjes' de ogen uit te steken. En dan rentenieren op dat rusthofje! Ach mens, die zó spreekt en denkt van de 'grote zaak', wat hebt u nog weinig van God leren kennen. Hoe menigmaal blijkt het bij de meesten, die het zo druk hebben over de 'grote zaak', dat ze het geringste van God nog niet hebben ontmoet. De' grote zaak' voor een zondaar hier, is deze: dat hij weet, of hij van dood levend is geworden, van een pure zichzelfzoeker een Godzoeker is geworden. En als God ons dat leert in de openbaring van zijn Majesteit en Heiligheid enerzijds; en anderzijds in de betoning van Zijn grondeloze barmhartigheid, dan blijft er niet veel over als een verschrompelde ziel, die uitroept: "O, God treedt niet in het gericht; aan mijn zijde is het een verloren zaak." De hele zaak van ons gaat er dan aan. Dan staan we geheel zonder zaak; bij een uitgebrande winkel; bij de ruïne van onze vrome zaakjes, die God in puin heeft gebombardeerd, die Hij failliet heeft laten verklaren, door de krachtige en onweerstaanbare werking des Heiligen Geestes. En dan wordt het zaak, dat onze 'ongelukkige zaak', in de Heere Jezus een pleitbezorger krijgt, die naar Job's getuigenis als Die Scheidsman Zijn hand op ons beide legt; op u dedood en doemschuldige en op de rechtvaardige God." Ds. Van Minnen zegt verder heel nadrukkelijk: "Let er op: hier op aarde is de ellende nog niet voor goed weg; welk kind des Heeren ook. Strijd, aanvechtingen, donkerheid, twijfelingen, uit de resterende verdorven aard en aanvallen op het nieuwe leven blijven afwisselen met vrede en vreugd uit de ontmoetingen met de Heere en het leven door en voor de Heere."

1952. Ds. H. Visser Mzn.

In 1947 was er nog ander kerkverband uit de Chr. Geref. Kerk ontstaan (nl. de Christelijke Gereformeerde Gemeenten rondom ds. H. Visser Mzn.) echter vanwege wezenlijk andere redenen. Ds. Visser was geschorst vanwege een leergeschil.

De stelling van het tweeërlei geloof.

Ds. Hendrik Visser Meliszn geboren op 23 januari 1911 in Strijen studeerde omstreeks dezelfde periode als ds. Van Minnen in Apeldoorn. Op 7 november 1937 was hij door Prof. P.J.M. de Bruin in Bunschoten als predikant bevestigd. Deze gemeente diende hij tot 1940. Hij werd toen predikant in Middelharnis. In 1945 nam hij een beroep naar Rotterdam-Zuid aan. Er rezen hier bezwaren tegen zijn prediking: hij zou allegoriseren en zijn opvattingen ten aanzien van een 'tweeërlei geloof'. Ds. Visser zou stellen dat hetgeen geleerd wordt door een aan zichzelf ontdekte zondaar in de zondagen 2 tot 6 van de Heidelbergse Catechismus behoorde tot de noodzakelijke (maar niet zaligmakende) voorbereiding, oftewel het goddelijk geloof der wet. Door dit geloof geloven wij dat wij: 1e. zondaar zijn in leven, hart en natuur; 2e. verloren zondaar zijn en onder de vloek der wet liggen; 3e. gestaltelijk dood zijn, gans machteloos en krachteloos om ons te herstellen. Slechts het geloof van het evangelie, behoorde volgens ds. H. Visser tot het zaligmakend geloof, het geloof dat met Christus verenigt. Dit geloof bestond uit het geloof van Christus algenoegzaamheid, echter niet zondermeer. Tot zover kon het volgens ds. Visser nog een algemeen geloof aan het evangelie zijn. De duivelen geloven immers ook en zij sidderen (Jacobus 2: 19). Er hoorden nog een aantal andere elementen bij: het geloof van de aanbieding van het evangelie n.l. dat Jezus Christus mij wordt aangeboden, een derde element: het geloof van ons recht op Christus en ten slotte ten vierde het geloof van een bijzonder vertrouwen op de zaligheid. Een kerkenraadslid uit Rotterdam-Zuid diende een klacht in, maar na een onderzoek sprak de classis uit dat ds. H. Visser niet leerde of geleerd heeft waarvan hij beschuldigd werd, maar dat hij, door zich niet duidelijk uit te drukken, aanleiding had gegeven tot verkeerde conclusies. De classis droeg de Rotterdamse predikant op van de kansel bekend te maken dat ook de zondagen 2 tot 6 behoorden bij de beleving van het zaligmakend geloof. Kort daarop verscheen echter een preek van ds. H. Visser 'Elia bij den Horeb' waarin hij het indertijd door hem teruggenomen punt alsnog handhaafde. In het voorjaar van 1947 kwam het daarom alsnog tot een schorsing. Doordat ds. H. Visser zich toen weer beloofde te conformeren werd de schorsing na een week ongedaan gemaakt. In mei 1947 was de classis wederom genoodzaakt maatregelen te nemen. De kerkenraad van Rotterdam-Zuid weigerde toen echter medewerking. De classis besloot de weigerachtige kerkenraadsleden te schorsen, maar een dag daarna onttrokken zeven van de elf kerkenraadsleden zich plotseling met hun predikant aan het kerkverband.


Het is niet naar de Schrift noch naar de belijdenis om het stuk der ellende van onze Heidelbergse Catechismus tot het niet-zaligmakend werk van de Heilige Geest te rekenen. Het is Christus, die door de belofte en gezonden Trooster, het harde en dode zondaarshart door middel van het Woord Gods gaat overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel, opdat dit levendgemaakte hart getrokken zal worden aan Zijn voeten. Het is niet alleen maar een noodzakelijke voorbereiding, maar een wezenlijk deel van zijn bekering als de verloren zoon uit de gelijkenis tot zichzelf komt: de engelen in de hemel verheugen zich als een tollenaar van verre staande schuldverslagen leert bidden: wees mij zondaar genadig. De wet is niet in het werkverbond gegeven tot verdoemenis maar in het genadeverbond ter behoudenis. Ook het schuldverslagen hart, het waarlijk vanwege zijn zonde bekommerde leven kent de aanvangen van dat geloof dat tot de volheid zal komen in Hem die het gekrookte riet niet verbreekt en de rokende vlaswiek niet zal uitblussen.

De Wekker 18 november 1960


Een twijfelachtig koers.

In diens optreden bleek dat ds. H. Visser Mzn. anders van aard en zin was als zijn collega ds. J.G. van Minnen. Ds. Visser Mzn. bleek een berekennaar te zijn met een twijfelachtige koers die zijn woorden terugnam maar even later weer net zo gemakkelijk uitsprak. Dit bleek ook uit zijn tweesporen beleid om enerzijds een nieuw kerkverband te vormen en anderzijds proberen weer tot de Christelijke Gereformeerde Kerken terug te keren. Dit bleek ook uit zijn handelen rond het verkrijgen van het kerkgebouw in Rotterdam-Zuid tot de rechtbank toe en later door het in handen krijgen van de zojuist nieuw gebouwde kerk met pastorie van Urk waarvoor hij ds. Van Minnen op een onzuivere wijze voor zijn karretje wist te spannen. Dit bleek ook uit zijn draaiende houding tegenover ds. G. Salomons voorzover hem dit voordelig of nadelig uitkwam. Hoe men ook denkt over de stap van ds. Van Minnen uit de Christelijke Gereformeerde Kerken, van een dergelijk geslepen handelen was bij hem niets te bespeuren. Zijn principes - ook met betrekking tot ds. Salomons - gingen voor en hij was bereid daar de consequenties voor te dragen: wel of geen meerderheid in de kerkenraad, wel of geen behoud van kerkgebouw of pastorie, wel of geen uitbreiding van het kerkverband.

1952. Ds. H. Visser Mzn. Eerste contact.

Op 19 augustus 1952, dus kort na de uittreding uit de Christelijke Gereformeerde Kerken van ds. Van Minnen, stond ds. H. Visser reeds bij zijn collega en oud-studiegenoot in Huizen op de stoep. Ds. Visser wilde in contact treden, waarbij hij opnieuw meedeelde dat hij zijn gewraakte stelling van 'een goddelijk geloof der wet en een zaligmakend geloof des evangelies' niet bedoelde, als algemeen werd opgevat, maar zoals ds. Van Minnen dit formuleerde, namelijk door één geloof tweeërlei reactie t.w. wanneer het geloof zich richt op de wet of op het evangelie. Een gevolg was dat ds. van Minnen werd uitgenodigd een lezing te houden in de gemeente van ds. Visser in Rotterdam-Zuid tot nader contact. (  )

1952. Ds. G. Salomons en Bussum

Op 9 september 1952 kwam het tot een kerkelijk samenleven met een groep van (125 leden en doopleden) afkomstig uit de Christelijke Gereformeerde Kerk van Bussum. Zij hadden hun oud-voorganger G. Salomons beroepen (echter sinds 1939 niet meer in het ambt) en deze werd door ds. Van Minnen (her)bevestigd. De predikanten Van Minnen en Salomons met ontstaan van de gemeente Huizen en Bussum kwamen uitgebreider in afzonderlijke hoofdstukken reeds ter sprake, daarom gaan we hier direct door met enige informatie te geven over de volgende betrokken predikant: ds. G. J. van Vliet (1880-1954) met de gemeenten Vlaardingen en Hoofddorp.

1953. Ds. G.J. van Vliet met de gemeente Vlaardingen en Hoofddorp

Ds. G.J. Van Vliet was een zoon van de predikant Joost van Vliet (1861-1928) (3) en diens echtgenote Neeltje Holster. Vader van Vliet werd op 17 april 1913 door ds. J. van der Vegt bevestigd als lerend ouderling van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Vlaardingen. Later was hij predikant binnen de Federatie van Oud Gereformeerde Gemeenten. (4) Zoon, Gerrit Jan van Vliet was enige tijd ouderling-scriba van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Vlaardingen en hield in 1927 in zijn eigen gemeente zijn eerste preek over Jesaja 40: 1-10. Rond de jaren dertig trad hij meer evangeliserend op en begon hij met preken in een zaaltje aan de Dijksteeg in Vlaardingen. Op 3 maart 1933 vond een instituering van een zelfstandige Nederlands Gereformeerde Gemeente plaats door Ds. D.C. van Stempvoort van Rotterdam, die Van Vliet als oefenaar bevestigde. Op 8 oktober 1935 werd hij - eveneens door ds. Van Stempvoort - bevestigd tot predikant met de tekst: 2 Korinthe 4: 5 'Want wij prediken niet onszelven, maar Christus Jezus, den Heere; en onszelven, dat wij uw dienaars zijn om Jezus' wil.' Na het lezen van het bevestigingsformulier en nadat de heer Van Vliet op de gestelde vragen geantwoord had, hielden ds. van Stempvoort en drie ouderlingen de Statenbijbel omgekeerd boven het hoofd van de geknielde predikant. Hierna werd hij toegesproken door ouderling Maarseveen, die liet zingen Ps. 87 : 3 en 4. Op 9 oktober 1935 deed ds. Van Vliet zijn intrede met de tekst Handelingen 10: 33 'Zo heb ik dan van stonde aan tot u gezonden, en gij hebt welgedaan, dat gij hier gekomen zijt. Wij zijn dan allen nu hier tegenwoordig voor God, om te horen al hetgeen u van God bevolen is.' De bediening van ds. Van Vliet is moeizaam geweest maar vruchtbaar. Hij had een talrijk gezin en heeft het financieel niet altijd gemakkelijk gehad. Hij was een geliefd prediker. Voor het geestelijke leven van ds. Van Vliet hadden kerkelijke mensen en onkerkelijke mensen over het algemeen respect. (8) Over zijn prediking waren sommigen van mening, 'dat hij alleen voor Gods volk sprak' in andere kringen was men van mening dat 'het afsnijdende element' niet voldoende in zijn prediking naar voren kwam. Ds. F. Mallan (1925-2010), die deze voorganger in zijn jonge jaren nog had meegemaakt, sprak waarderend over ds. Van Vliet.(6) Vast stond, dat hij in ieder geval niet 'lijdelijk' was. Van Vliet verkeerde eens op een gezelschap waar het in de gesprekken neigde naar een verkeerde lijdelijkheid. Van Vliet zei:

Weet u wat God doet als hij een mens bekeert, dan haalt Hij de handen uit de zakken en maakt er gevouwen handen van. (7)

Ds. G. J. van Vliet
Ds. G. J. van Vliet
De Dijksteeg in Vlaardingen waar het kerkgebouw van ds. Van Vliet zich bevond
De Dijksteeg in Vlaardingen waar het kerkgebouw van ds. Van Vliet zich bevond

Op de kerkenraadsvergadering van 7 oktober 1952 opende ds. G.J. van Vliet de vergadering met het zingen van psalm 119: 83. Hij vroeg een zegen en las vervolgens 1 Thessalonicenzen 5. Ds Van Vliet deelde mee aan zijn kerkenraad bestaande uit de broeders L. Breuchel, G. Naastepad en A. Bakker een schrijven te hebben ontvangen van ds. Van Minnen van Huizen waarin gevraagd werd op maandag 13 oktober 1952 met elkaar te vergaderen. De gemeente van ds. L. Franke (1875-1942) in Hoofddorp - die in contact stond met Vlaardingen - gaf in een schrijven aan Vlaardingen te kennen ook bereid te zijn zich te verenigen met ds. Van Minnen, ds. Salomons en ds. Van Vliet. Ds. Van Minnen preekte daarop in Hoofddorp eind november 1952 op een woensdagavond voor het eerst. Ds. Van Vliet deelde op 4 december 1952 mee aan zijn kerkenraad reeds vergaderd te hebben in Huizen en dat deze vergadering zeer aangenaam was geweest. Ds. Van Minnen heeft enkele weken geleden ook in de Vlaardingse gemeente een preekbeurt vervuld en zijn preken waren hier in de smaak gevallen. Ds. Van Vliet had de vraag aan de gemeente voorgelegd hoe die erover dacht om met elkaar te gaan samenwerken. Allen stemden hiermee in, zodat hiertoe besloten werd. Op 23 februari 1953 deelde ds. Van Vliet mee een schrijven van ds. Van Minnen te hebben ontvangen in verband met de naamsverandering van de gemeente.

Rotterdam-Zuid haakt af

Van de kerkenraad van Rotterdam-Zuid werd echter een schrijven ontvangen waarin het houden van de lezing door ds. J.G. van Minnen werd afgezegd, waarbij als motivering diende, dat ds. Salomons na een tweede (in hun ogen onwettig) huwelijk door ds. Van Minnen opnieuw in het ambt bevestigd was.

1953. Overeenstemming

In januari 1953 kwamen de gemeenten Huizen, Bussum, Hoofddorp en Vlaardingen tot overeenstemming over de volgende punten:
1. De grondslag: De Heilige Schrift (vervat in de Drie Formulieren van Enigheid)
2. De kerkorde: De Dordtse Kerkorde (behalve datgene wat in onbruik geraakt is)
3. De leer der twee en der drie verbonden: Men zal zich hoeden voor uitwassen. Men zal elkaar niet stipt voorschrijven wat men moet voorstaan, mits men zich houdt aan de gedachte (wat de Schrift betreffende deze dingen leert) dat in het genadeverbond het vredeverbond wordt gerealiseerd'.
4. De Heilige doop: Het standpunt, dat de Heidelbergse Catechismus inzake dit sacrament inneemt in zondag 26, 27 van de Heidelbergse Catechismus
5. Het Heilig avondmaal: In de prediking zal ten volle benadrukt worden het onderscheid tussen het goddelijke recht en het kerkelijke recht.
6. Belijdenis des geloofs: Men zal de nadruk leggen op de ernst van deze dingen, opdat - zo mogelijk - voorkomen zal worden, dat kwade praktijken ingang vinden.
7. De tucht: Om wereldgelijkvormigheid te weren met verstand en teerheid de tucht handhaven.
8. De naam van het kerkverband: Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland. De naam christelijk-gereformeerd was in de bloeitijd van de Reformatie al in gebruik. Wij distantiëren ons van de kerkgroepering van ds. H. Visser Mzn, die in 1947 uit de Christelijke Gereformeerde Kerken is getreden maar om andere redenen. Zolang hij zijn onschriftuurlijke stellingen niet herroept, zal men zich onder geen beding met deze gemeenten verenigen.

1953. Hessel Groen

Ook de opleiding van aanstaande dienaren des Woords kreeg de aandacht. "Onze reformatorische vaderen waren voorstander van een gedegen opleiding om het Woord Gods recht te kunnen snijden en de dwalingen te weerleggen." Aanstaande predikanten zouden (voorlopig) in drie jaar tijd onderwezen worden in: Dogmatiek en Ethiek (door ds. Salomons) Exegese, Symboliek, Nederlandse Taal en Letterkunde (door ds. Van Minnen). Op de classisvergadering van 5 mei 1953 werd een broeder uit Bussum met instemming van de classis toegelaten tot de opleiding. Het betrof de heer H. Groen, ouderling in de gemeente Bussum. Hessel Groen was een zoon van ds. K. Groen en werd op 25 juli 1917 geboren in Bunschoten. Hij huwde op 23 mei 1946 in Bussum met Gerda Knevel. Tijdens het onderzoek naar roeping en genadestaat deelde de heer Groen het één en ander aangaande deze zaken mee, wat bij alle aanwezigen zodanige instemming had dat niemand bezwaren had om hem toe te laten tot de opleiding.

1953. Zwolle

Ondertussen werd uitgezien naar uitbreiding van het kerkverband. Op 23 juli 1953 zijn op de classisvergadering in Bussum enkele afgevaardigden uit Zwolle aanwezig. De bezoekers brengen de hachelijke situatie van de vele hervormde evangelisaties ter sprake. In verband met doop en avondmaal kunnen zij geen evangelisatie blijven. Bij hen zou echter de naam 'christelijk-gereformeerd' kunnen afschrikken wat een belemmering zou vormen om zich te verenigen met de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Met de grondslag van het kerkverband ging men geheel akkoord.

Ds. Salomons gaf aan dat christelijk-gereformeerd niet iets nieuws is, maar al in de tijd van de Reformatie in gebruik was. We hebben juist naar deze naam teruggegrepen om ons beginsel aan te duiden. 

De broeders uit Zwolle waren overtuigd en hierop sloot een deel van een Zwolse evangelisatie 'Elim', waar ds. P. Zandt vroeger veelvuldig kwam, zich aan bij het kerkverband.  De heer J. Blankespoor (1906-1973)  werd door de classis onderzocht op roeping en genadestaat en aanvaard op artikel 8 D.K.O. Nadat door ds. Van Minnen in Zwolle een gemeente geïnstitueerd was, werd br. Blankespoor op 2 september 1953 hier als predikant bevestigd. Ds. Blankespoor bleek een man van goede wil te zijn, maar - zo bleek spoedig - had weinig kerkelijk besef.

Op 8 oktober 1953 classicale vergadering te Bussum. Besloten werd om de heer Groen op 2de kerstdag 1953 in de gemeente Vlaardingen te laten voorgaan.


1953. Kanselboodschap

Mede doordat de Synode van 1953 erin slaagde vooralsnog alle neuzen dezelfde kant op te krijgen en een eenparig getuigenis liet uitgaan dat opriep om te blijven bij de oude Gereformeerde beginselen, alsmede de toelichtende artikelen in 'De Wekker' van  Prof. G. Wisse bleef het enige tijd rustig.

wordt vervolgd

1954. Drachten

Op 14 februari 1954 institueerde ds. Van Minnen in Drachten een gemeente. De kerkenraad bestond uit J. Veenstra en Tj. Jongsma als ouderling en Th. de Boer en W. Woudwijk als diaken.

In Drachten waren al enige tijd problemen met betrekking tot de prediking. De Christelijke Gereformeerde Kerk van Drachten werd sinds de oprichting in 1909 gediend door de predikanten ds. A.H. Hilbers, ds. W. Vos, ds. H. Velema, ds. J. P. Geels, ds. B. J. Oosterhoff, ds. M. Drayer en ds. J.W. Geels. Met name vanaf ds. Oosterhoff (de latere professor) zien we dat een nieuwe lijn wordt uitgezet. De bezwaarden achten de prediking echter te 'voorwerpelijk' en te weinig 'bevindelijk'. Daarom werden weekdiensten bijgewoond in het naburige Veenwouden waar in de jaren veertig en begin vijftig predikanten voorgingen zoals ds. K. Groen, ds. W.F. Laman, ds. J.G. van Minnen, ds. P. de Smit, ds. C. Smits, ds. J.C. van Ravenswaaij, ds. M.S. Roos, Prof. L.H. van der Meiden, ds. G.W. Alberts, ds. J.A. Riekel, ds. J. Tolsma, ds. G. Rijksen, ds. G.A. Zijderveld, ds. K. Zuidersma. 

Ds. P. de Smit
Ds. P. de Smit
Ds. J. Tolsma
Ds. J. Tolsma
Ds. K. Zuidersma
Ds. K. Zuidersma
Ds. G. Rijksen
Ds. G. Rijksen

In februari 1954 een groep zich onttrok uit de Christelijke Gereformeerde Kerk van Drachten en zich aansloot bij ds. Van Minnen. De Drachtenaren brachten in korte tijd tienduizend gulden bijeen en bouwden zelf een kerkje, waarvan ds. Van Minnen op 24 september 1954 de eerste steen legde met de tekst uit 2 Kron. 6: 20a 'Dat Uw ogen open zijn, dag en nacht, over dit huis'. Bij de latere verkoop van het gebouw is deze steen meegenomen en bevindt zich nog altijd in het huidige kerkgebouw van de Gereformeerde Gemeente te Drachten.


Veenwouden en Twijzelerheide

Veenwouden werd in 1917 als een vrije gereformeerde evangelisatie opgericht. In juli 1920 werd opdracht gegeven om een kerkje met 300 zitplaatsen te bouwen. Ook besloot men de evangelisatie om te zetten in een vrije Gereformeerde Gemeente. Op 20 okt. 1930 trad de gemeente van Veenwouden toe tot de Christelijke Gereformeerde Kerk. Ouderling J. Hamstra (1900-1977) die deze gemeente als zodanig ruim 16 jaar diende emigreerde na de Tweede Wereldoorlog naar Canada. 

Kerkgebouw Veenwouden
Kerkgebouw Veenwouden

Ds. J. Hamstra

Gedenkt uwer voorgangeren die U het woord Gods gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst van hun wandel. Hebr. 13 : 7.

Dit vers komt in onze gedachten nu we willen trachten een korte samenvatting te geven van het leven van onze vroegere geliefde pastor en herder Ds. J. Hamstra.

Ds. Jetse Hamstra werd geboren op 27 september 1900 in het dorp Veenwouden, Friesland. De naam van zijn vader was Jacob Hamstra en de naam van zijn moeder Jantje Bottinga. Zijn vader en moeder waren allebei Godvrezende mensen. Zijn moeder stierf toen Jetse een jaar oud was. Zijn vader kreeg genade, zodat hij na de dood van zijn vrouw vaak kon zingen Psalm 103 : 8: Gelijk het gras is ons kortstondig leven en Psalm 106 : 3: Geef dat mijn oog het goed' aanschouw. Jacob Hamstra trad na tien jaar weer in het huwelijk. De kinderen werden opgevoed in de vreze des Heeren en onderwezen in de leer noodzakelijk tot zaligheid.Toen Jetse een tiener was, zei zijn vader als hij ergens heenging dikwijls tot hem: kom, mijn jongen, laten we eerst onze knieën gaan buigen en de Heere vragen om onze ogen af te wenden van de ijdelheid. Leer de jongen de eerste beginselen naar de eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn zal hij daarvan niet afwijken. Spreuken 22 : 6.

Jetse bracht in zijn jonge jaren veel tijd door met lezen. Het was speciaal in die jaren, dat hij bekend werd met de werken van Theodorus van der Groe, Justus Vermeer, Brakel, Smytegelt, Van Reenen enz, alsook met de geschriften en gezangen van Ledeboer, Groenewegen, Lodenstein en Da Costa. Vele van hun gezangen en gedichten leerde hij van buiten en dat was hem en zijn hoorders in later jaren tot nut. Wanneer hij preekte over het innerlijke zieleleven van Gods kinderen haalde hij dikwijls uit Groenewegen aan:

Ja ziel, al had gij al de zonden
Van Adams nakroost 'zaam gebonden,
Mijn bloed wist alle zonden uit.
Werp uwe ziel in die fonteine,
Zo wordt gij zuiver, wit en reine,
Als Mijne opgesierde bruid.

Bij verschillende gelegenheden haalde hij Da Costa en anderen aan.

Op 17 mei 1922 trad hij in het huwelijk met Aukje de Vries. De Heere was goed voor hen en gedurende bijna 54 jaren hield Hij hen in Zijn tedere zorg samen. Zij waren niet alleen bevoorrecht door de vereniging in de band van het huwelijk, maar bovenal in de vereniging met Christus, de Heere en Zaligmaker.

Hun huwelijk werd gezegend met zes kinderen. Hij had een grossierderij en kruidenierszaak en veel tijd moest hij voor zijn zaak op de weg doorbrengen. Wanneer hij voor zaken op stap was, kon Hamstra niet zwijgen omtrent de dingen betreffende het geestelijk welzijn. Hij was altijd vol van de liefde van God in zijn hart en in het spreken met zijn klanten over die liefde, wat Christus kon doen en wilde doen voor een arm en ellendig zondaar, vond hij zijn vermaak. En bijzonder als er een gewillig en een luisterend oor was, dan werd de tijd vaak vergeten. In die vroeger dagen gebruikte de Heere hem al als een instrument om troost te brengen aan bedroefden van hart. Zieke mensen wachtten elke week op zijn bezoek, dat hun troost bracht. Hamstra diende de gemeente van Veenwouden gedurende 16 jaren getrouw als ouderling en catechiseermeester. De eeuwigheid zal openbaren voor hoevelen hij tot geestelijke zegen is geweest.

Na de tweede wereldoorlog besloot de familie Hamstra, evenals zovele anderen, naar Canada te emigreren. Wat waren de redenen? We weten het niet. Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des Heeren en Hij weegt al zijn gangen. Als we terugzien kunnen we vaak zien hoe in Gods voorzienigheid onze toekomst is bepaald. Dit was zeker, dat de Heere een groot werk voor Mr. Hamstra in Canada had te doen. Het feit, dat zij zoveel geestelijke broeders en zusters in Holland hadden en vooral toen zij hoorden, dat het geestelijk leven in Canada niet best gesteld was, maakte het vertrek moeilijk.Het was in Gods voorzienigheid, dat de familie Hamstra in augustus 1948 veilig in Canada landde. Een gehuwde zoon met zijn vrouw en een klein kind emigreerden gelijk met hen.

In de vroege lente van 1950 verhuisden de Hamstra's naar de omgeving van Dundas in Ontario. In Grand Rapids was aan Mr. Hamstra na onderzoek toestemming gegeven om te dienen als lerend ouderling. Op 12 februari 1950 sprak Mr. Hamstra voor de eerste keer een stichtelijk woord tot ongeveer 19 personen. Zijn tekst was Psalm 119 : 54: Uw inzettingen zijn mij gezangen geweest, ter plaatse mijner vreemdelingschappen. Op 24 april 1950 werd onze gemeente, de kerk van Dundas, geinstitueerd. Op 28 juli 1954 werd op de classicale vergadering te Dundas aan Rev. Hamstra toestemming verleend om de gemeenten te dienen in de volle bediening van Woord en sacramenten overeenkomstig art. 8 van de K.O. van Dordrecht (niet art. 3 zoals in het artikel staat).

Uit: In memoriam, geschreven door M. de Graaf, en opgenomen in het jaarboek 1977 van de Free Reformed Church of North America.

Op de classicale vergadering van 28 juli 1954 te Dundas werd aan de heer J. Hamstra vergunning verleend om de gemeenten als bedienaar van het Woord en de Sacramenten te dienen volgens de Dordtse Kerkorde, art. 8.

Op 19 augustus 1954 werd de heer J. Hamstra op een ledenvergadering met meerderheid van stemmen gekozen uit een tweetal met Ds. Verhage en toen werd er een officieel beroep op hem uitgebracht door onze kerkeraad, welk beroep hij op 6 september 1954 aannam.

Op 18 november werd ds. J. Hamstra bevestigd door ds. C. Smits, die als tekst koos Jesaja 51 : 16: "En Ik leg Mijn woorden in uw mond, en bedek u onder de schaduw Mijner hand; om de hemel te planten en om de aard.e te gronden en om te zeggen tot Sion: Gij zijt Mijn volk." Ds. J. Hamstra deed toen intrede in de gemeente als officiële dominee met de woorden uit 2 Corinthe 13 vers 9, het laatste gedeelte, deze woorden: "En wij wensen ook dit, namelijk uw volmaking."

Uit: Bewaar het Pand, 27 oktober 1977


In 1953 trad het merendeel van de gemeente Veenwouden uit en vormde een Christelijke Gereformeerde Gemeente buiten verband. Verschillende vrije voorgangers gingen er daarna voor. Ook hier ging men als bezwaarden in twee wegen uiteen. Onder leiding van ouderling A. Bijlsma en diaken D. Robijn werd een Christelijke Gereformeerde Gemeente in Nederland geïnstitueerd in Twijzelerheide. Ds. H. Groen en ds. J.G. Van Minnen gingen hier voor en dit werd gewaardeerd. In 1966 nam men in Twijzelerheide een eigen kerkje in gebruik. Momenteel is het een Vrije Evangelisatie. Het overige deel van de gemeente van Veenwouden sloot zich in 1960 aan bij de Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland.

1954. Delft

Ouderling A.W. Langstraat
Ouderling A.W. Langstraat

In Delft legden in 1954, na het vertrek van ds. H. Van Leeuwen die in 1952 een beroep aannam naar Zaamslag, de ouderlingen A.W. Langstraat en K. Sjoer hun ambt als ouderling neer. Verder vroegen een tiental gezinnen hun lidmaatschap van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Delft op. Op zondag 23 mei 1954 kwam men voor het eerst bijeen in een zaaltje aan de Verwersdijk: 'De Verborgen Schat'. Er werden preken gelezen van ds. G. van Reenen over Jeremia 33: 3a en Jeremia 33: 3b. Op 27 mei 1954 (Hemelvaartsdag) werd een gemeente geïnstitueerd door ds. J.G. van Minnen. De kerkenraad bestond uit: A.W. Langstraat en K. Sjoer als ouderling en J. Harperink als diaken. De volgende zondag werden opnieuw preken gelezen van ds. G. van Reenen over Jeremia 33: 3c en zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus. De catechismusverklaring van Justus Vermeer werd door de broeders unaniem als heel goed beschouwd, maar aan het lezen in de kerk kleven enige bezwaren: talloze onderverdelingen en verouderd taalgebruik. Ook van het lezen van Oude Schrijvers uit de tijd van de Nadere Reformatie werd om dergelijke praktische redenen afgezien. Er werden ook preken gelezen uit de serie 'Uit de Levensbron' van christelijke gereformeerde predikanten. Vrijwel de gehele serie tot ver in de jaren 70 behoorde tot de kerkelijke bibliotheek. In juni 1955 werd besloten tot de aanschaf van preken van J.C. Philpot en de catechismuspreken van ds. G.H. Kersten bij de firma Van Tol de Dordrecht. De belijdeniscatechisanten kregen van de kerkenraad een tweetal boeken aangeboden: 'De droefheid naar God' en 'Uit het zielenleven' van Prof. G. Wisse.  


'De Verborgen Schat' aan de Verwersdijk Delft
'De Verborgen Schat' aan de Verwersdijk Delft

Van br. K. Sjoer is een persoonlijke brief bewaard gebleven. De brief is gedateerd 25 januari 1954, enkele maanden voor de uittreding:

Delft, 29 januari 1954


Lieve moeder,

Ouderling K. Sjoer
Ouderling K. Sjoer

Vanmorgen heb ik uw brief ontvangen en was blij weer iets te vernemen. Wij zien wel, dat u nog steeds op die akker van Boaz verkeert en nog wel eens vrucht van Die meerdere Boaz ontvangen mag. Blijf daar maar, want Hij is een beloner van degenen die Hem zoeken.
En nu mag ik u niet langer onbekend laten hetgeen mij geschied is, want de Heere is overgekomen. De Heere heeft mij alles afgenomen en laten zien wat de wereld is: de dood en nog eens de dood; ik kwam diep in de schuld, omdat ik zag, wie ik zolang gediend had, en tot het werk van mijn handen gezegd had, "gij zijt mijn god." Ik was geen zoeker van de Heere, voortvloeiend uit de zonde in het paradijs, ik had God verlaten, Zijn wacht niet waargenomen en mij gevoed met draf. O, wat was dat vreselijk - ik riep daarin tot de Heere, maar er kon geen gebed door en ik moest de toorn van de Heere over mijn zonden dragen. Ik had als Jona geslapen in het schip; nu gingen mijn ogen open, voor hetgeen ik gedaan had. - mijn leven was één schuldregister en de hemel was op mijn roepstem gesloten. Het was alsof ik in een diepe kuil geworpen was, waarin ik voor eeuwig moest omkomen, banden van de dood hadden mij omvangen en het was een schrik van rondom. Ik brulde, want ik kon voor de Heere niet bestaan. Benauwdheid was nabij en er was geen uithelper. Maar toen heeft Hij mijn ogen ontsloten voor Golgotha met de lijdende Borg en ik mocht mij stervend aan Zijn voeten neerwerpen. Ik kan u niet zeggen Wie Hij voor mij was: een Springader van het leven voor dode zondaren. Ik moest maar pleiten op Zijn Woord "Wie tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen", en ik mocht uitroepen "Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk, zulk Een is mij dierbaar." Hier kreeg ik het leven uit de dood terug en mocht me in Hem verlustigen, en met Jakob zeggen: "Gewis de Heere is aan deze plaats en ik heb het niet geweten, dit is de poort van de hemel." Ik kan u niet schrijven hoe mijn leven in Gods Woord verklaard werd, ik wist niet wat ik het eerst moest lezen, er was zoveel in dat mij paste. En nu mag ik mij geheel aan Hem overgeven en heb wat mijn ziekte aangaat niets meer te eisen. Want het zijn Gods goedertierenheden, dat ik niet vernield ben - dat heb ik rechtvaardig verdiend - dan is het goed wat de Heere doet. Hij die voor mijn ziel zorgt, zal ook voor mijn lichaam zorgen. Maar als de Heere Zijn aangezicht weer verbergt worden wij verschrikt. Wat is het een strijd om in te gaan door de enge poort, waarbij hoop en vrees elkaar afwisselen. Dan voel ik, dat we nodig hebben geheel door Hem overgenomen te worden zodat we beleven: "Hij is de mijne en ik ben de Zijne." Maar we mogen aan Gods genade niet twijfelen; geve de Heere, dat wij maar achter Hem aankomen. "Ik zal mij doen overblijven een arm en ellendig volk." - en zie dat willen wij nu niet; wij willen liever bezitten, maar de wegen van de Heere zijn hoger dan onze wegen. Ik zie nu ook hoe ik altijd verkeerd gebeden heb, altijd eisend. Nee, wij kunnen niet toebrengen, anders zouden we nog de eer van God roven.
Ik moet nog twee weken liggen en mag dan proberen op te staan maar ik moet dan opnieuw leren lopen. Ik weet nu ook waartoe dit ziekbed is en zeg: ''Dank u, Heere.''
Begrijpt u dat?

Uw liefhebbende zoon Karel.


Christelijke Gereformeerde Gemeente in Nederland Delft, geinstitueerd op 27 mei 1954
Christelijke Gereformeerde Gemeente in Nederland Delft, geinstitueerd op 27 mei 1954
Gereformeerde Gemeente Delft, geinstitueerd op 21 oktober 1954
Gereformeerde Gemeente Delft, geinstitueerd op 21 oktober 1954

Inmiddels was er in Delft nog een andere gemeente ontstaan, namelijk de Gereformeerde Gemeente. Zij sloten zich aan bij het landelijke verband. Deze gemeente die samen kwam aan het Oosteinde en begon onder leiding van de heer A. Vlasblom, opmerkelijk genoeg met het lezen van dezelfde preken: die van ds. G. van Reenen. Op het ontstaan en de geschiedenis van deze gemeente gaan we (later) verder in op de afzonderlijke pagina over de plaatselijke geschiedenis van Delft. Ook in Delft bleken dus bezwaarden in twee wegen uiteen te gaan want br. Vlasblom en de leden die hierbij betrokken waren kerkten ten tijde van ds. J.A. Riekel eveneens in de Christelijke Gereformeerde Kerk van Delft. Vanaf 1948 vormde men reeds een afgescheiden groep als afdeling van de gemeente Den Haag. In ieder geval blijkt wederom dat ook in de groep van z.g. 'bevindelijken' soms door aanleg of karakter, verschillen van inzicht, het geestelijke leven en dogmatische kwesties ook veel kerkelijke verdeeldheid is ontstaan. De kerkelijke verdeeldheid beperkt houden tot alleen wezenlijke verschillen - leert de praktijk - is niet mogelijk vanwege de gebrokenheid in deze wereld en het beperkte kennen (zie inleiding). De Gereformeerde Gemeente van Delft heeft nooit een eigen predikant gehad. Wel zijn er beroepen uitgebracht op de kandidaten G.J. van den Noort (1965) en Chr. van Poel (1968).

1954. Overlijden ds. G.J. Van Vliet

Na een kortstondige ziekte was er onverwachts een einde aan het leven van een geliefd prediker ds. G.J. Van Vliet gekomen. Zijn begrafenis werd geleid door ds. G. Salomons die sprak naar aanleiding van Hebreeën 13: 7. 'Gedenkt uwer voorgangeren, die u het Woord Gods gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst hunner wandeling.' Ds. Salomons wees op taak van voorgangers in vroegere tijden tot op heden en de rol die zij hebben te vervullen in het geestelijke leven, waarbij zij vooral geen dode wegwijzers mogen zijn. Hierna voerde ouderling Bakker van de gemeente Vlaardingen het woord en sprak bemoedigende woorden tot de gemeente van ds. Van Vliet. Op de begraafplaats sprak ds. J.G. van Minnen de ruim duizend belangstellenden toe naar aanleiding van Psalm 43: 4 4 'En dat ik inga tot Gods altaar, tot den God der blijdschap mijner verheuging, en U met de harp love, o God, mijn God!'  Vervolgens sprak ds. G.W. Alberts, emeritus predikant van de Christelijke Gereformeerde Kerk ter plaatse. Het slotwoord sprak de heer K.C. Hoekstein namens het sanatorium Sonnevanck.  Dit sanatorium was in de gereformeerde gezindte een begrip. Bijna tienduizend tuberculose patiënten kuurden hier tussen 1907 en 1974 soms maanden, - soms jarenlang om van deze gevreesde ziekte af te komen. Het aantal dodelijke slachtoffers aan deze zieke was enorm.

1955. Bidstond

Op 13 april 1955 werd door ds. J. Blankespoor een bidstond geleid voorafgaand aan de classisvergadering die de volgende dag gehouden zou worden.

In zijn preek riep ds. Blankespoor een ieder op om de Heere te zoeken in de weg van verootmoediging. Dat de bede ons aller hart mocht vervullen: Heere wijs ons de weg, want wij weten de weg niet.

1955. Classisvergadering en bevestiging ds. H. Groen

Tijdens de classisvergadering op 14 april 1955 bepaalde ds. G. Salomons de aanwezigen bij Efeze 4: 1-16 waarin het gaat over de eenheid van de gelovigen te Efeze in Christus.

Die eenheid mag niet ten koste gaan van de leer der waarheid. Hij wenste de gemeente toe op te wassen in Christus zodat zij niet meer als kinderen heen en weer geslingerd werden op allerlei wind van leer. 

Beter is het als kerkgroep goed principieel weten wat we willen dan dat we bang voor kerkbreuken zouden zijn. Wel vermaant de Apostel, aldus ds. Salomons, te handelen zoals er staat: waar voor God en daarom waar jegens elkander en alle anderen.  Student H. Groen werd door ds. Salomons op uiterst bekwame wijze geëxamineerd in de dogmatiek. Daarna hield student Groen een korte preek over Johannes 14: 19b en werd door hem tevens een schriftelijke exegese gegeven over Psalm 127. Ds. van Minnen stelde hem vragen over de vakken symboliek, homiletiek en catechetiek. Na een kort overleg werd met grote eenstemmigheid (met slechts één stem tegen) student H. Groen toegelaten tot de bediening van Woord en Sacramenten. Het was een ontroerend ogenblik toen in de kleine kerkelijke formatie voor de eerste maal de lastbrief door ds. Salomons werd uitgereikt.

Predikanten voorziening en preekbeurten

Afgevaardigden uit Drachten brachten het verzoek in dat er een oproep in de gemeenten zou uitgaan om hen die zich geroepen voelden tot het predikant zich te melden. Dit voorstel werd aanvaard. De heer K.C. Hoekstein uit Vlaardingen (was eerder werkzaam bij sanatorium Sonnevanck en op de gehouden najaarsclassis van 6 oktober 1954 met een meerderheid van stemmen toegelaten om opgeleid te worden tot dienaar des Woords met een voorlopige studietijd van drie jaar) vertrok plotseling met de noorderzon en moest als zodanig worden geschrapt. De kerkenraad van Delft ontving in het voorjaar van 1955 van de heer M.C. Kersten uit den Haag een verzoek om als predikant toegelaten te worden tot het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland. De heer Kersten was echter op dat moment nog lid van de Gereformeerde Kerk in Den Haag en voor het kerkverband geheel onbekend. Zowel ds. Salomons als ds. van Minnen beiden bleken van oordeel dat de heer Kersten niet kon worden aanvaard, aangezien hier geen principiële bezwaren tegen de Gereformeerde Kerk aan ten grondslag liggen, maar alleen het streven om predikant te worden. 

In mei 1955 schreef ds. Blankespoor vanuit Zwolle een brief aan de kerkenraad van Delft waarin hij verzocht om doordeweekse diensten in Delft te mogen vervullen. Dit schrijven werd positief beantwoord in die zin, met de mededeling dat dit in de resterende weken voor de zomervakantie niet meer mogelijk was, maar in het najaar bij de vaststelling van het rooster van spreekbeurten met zijn verzoek rekening zou worden gehouden. In augustus 1955 kon wegens vakanties van de beheerders van het gebouw waarin de diensten in Delft gehouden werden nog geen afspraak gemaakt over een vaste dag in de week waarop het gebouw beschikbaar was. Vandaar dat er nog geen rooster opgesteld kon worden voor de doordeweekse diensten in de komende wintermaanden. Evenwel werd besloten door de Delftse kerkenraad op donderdag 1 september 1955 ds. J. Blankespoor uit Zwolle uit te nodigen om in die dienst voor te gaan. (  )  

Ondertussen bevestigde ds. Van Minnen op 7 juni 1955 kandidaat Groen met een preek uit Ezechiël 2: 24b als predikant in Drachten "Ik zend u tot hen, en gij tot hen zult zeggen: Zo zegt de Heere."

Bussum en Zwolle onttrekken zich aan het kerkverband.

Een brandende kwestie die besproken moest worden was hoe om te gaan met sprekers van buiten het kerkverband die in de gemeenten willen voorgaan. Uitvoerig werd over deze zaak gesproken en alle afgevaardigden kregen de gelegenheid zich over deze zaak uit te spreken. Groot was de teleurstelling toen de gemeenten Bussum en Zwolle zich naar aanleiding van deze discussie onttrokken aan het kerkverband.  Men laat zich in deze gemeenten geheel door het gevoel leiden. 

Een deel van de mensen haakt spoedig af als het leesdienst is. De classis was van mening dat we hier niet al teveel rekening mee moeten houden. Het gaat erom wat de Heere van ons vraagt.

Een afgevaardigde uit Vlaardingen liet weten, dat men in zijn gemeente trouw onder de leesdiensten opkwam. Ook in Drachten bleek dit het geval te zijn, al was men maar met een kleine kern. Unaniem werd de houding van Bussum en Zwolle afgewezen. Toen ook ds. Blankespoor zich genoodzaakt zag hierbij afscheid te nemen van de classis van de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland, wees ds. Groen hem op de armoede van zijn argumenten, hoewel bij dit alles de broederlijke toon bewaard bleef. 

Ds. H. Groen met echtgenote
Ds. H. Groen met echtgenote

1956. Classisvergadering

Op 4 oktober 1956 werd de classisvergadering gehouden in Huizen. Aanwezig waren afgevaardigden uit Vlaardingen: de brs. A. Bakker, Wapenaar en van den Bosch, vanuit Delft de brs. A.W. Langstraat, P. Langstraat en J. Daamen, vanuit Drachten K. Jongsma en van der Gaag, vanuit Huizen de brs. Van der Wal en J. Bos, vanuit Hoofddorp D.J. Boon, de predikanten G. Salomons, J.G. van Minnen en H. Groen. Ook is er een kandidaat tot onderzoek naar roeping en genadestaat: br. A. van der Galiën. Ds. G. Salomons opende deze vergadering met het zingen van Psalm 119: 9 en ging voor in gebed. Tijdens dit gebed werd in het bijzonder ds. H. Groen opgedragen die toen dan inmiddels al ziek was. Daarna las ds. Salomons Amos 7 vers 1 tot en met 13. De aanwezigen bepaalde hij bij de verzen 4 en 5 "Wijders deed mij de Heere HEERE aldus zien; en ziet, de Heere HEERE riep uit, dat Hij wilde twisten met vuur; en het verteerde een groten afgrond, ook verteerde het een stuk lands. Toen zeide ik: Heere HEERE! houd toch op; wie zou er van Jakob blijven staan; want hij is klein!"

Ds. Van Minnen deelde mee dat hij de gemeente van Huizen ging verlaten en een beroep had aangenomen naar Delft. De afgevaardigden uit Delft gaven aan een kleine gemeente te zijn waren van harte verblijd met de komst van de predikant. De afgevaardigde uit Hoofddorp gaf aan dat alles in de gemeente wel was. In Drachten was men blij met ds. Groen die hier veel werk verrichtte. Wel werd er veel tegenkanting van de Christelijke Gereformeerde Kerk ter plaatse ervaren. In Vlaardingen had men niet te klagen over de opkomst. Bij preeklezen 'verootmoediging des harten waargenomen'. In de gemeente Huizen waren helaas wel problemen gerezen. Deze kwestie komt nu aan de orde.

'De zaak Huizen' met ouderling T. Kroon.

In het boek 'In Koninklijke dienst', deel 3 dat pas verschenen is (2019), staat iets geschreven over het leven van T. Kroon (1906-1995) op pagina 96-100. Deze bewuste heer T. Kroon, die enige tijd ouderling was in Huizen, moet niet verward worden met de Delftse oud-ouderling J. Kroon uit Schipluiden die op 21 januari 2014 overleed op 92-jarige leeftijd. In de beschrijving van de heer T. Kroon komt ook ds. Van Minnen ter sprake met diens gemeenten (pagina 98). De omschrijving 'en met enkele vrije groepen' klopt als zodanig niet, want zowel de gemeenten Huizen, Drachten, Delft en Bussum werden gevormd door leden die rechtstreeks uit de Christelijke Gereformeerde Kerken voortkwamen  en  vrijwel direct één nieuw kerkverband vormden. Alleen Vlaardingen en Hoofddorp, alsmede Zwolle (Hervormd) hadden elk een eigen achtergrond. Hoewel ds. G.J. van Vliet in de jaren twintig ouderling-scriba van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Vlaardingen was. Hij was als zodanig niet onbekend met ds. Van Minnen en ds. Salomons.

Het is jammer dat men niet de moeite genomen heeft om dit verhaal van twee kanten te belichten. Daarom volgt iets meer over deze kwestie in Huizen die vooralsnog niets met de persoon van ds. van Minnen had te maken. Dit blijkt althans niet uit de bron. Ds. van Minnen verklaarde op de classisvergadering het volgende: "Aanvankelijk ging alles goed in de gemeente van Huizen. Er werd zegen ervaren. In januari 1956 ontstond echter onenigheid tussen twee gemeenteleden die elkaar uit een zakelijke relatie ergens van beschuldigden. Enkele kerkenraadsleden raakte ook bij deze kwestie betrokken. Deze liepen toen weg. Besloten werd een nieuwe kerkenraad te kiezen. De 'oproerigen' kwamen echter terug om bezwaren tegen een nieuw gekozen broeder te uitten: br. van der Wal.  De heer T. Kroon (1906-1995) die nog maar kort geleden lid geworden was van de gemeente Huizen (hij was afkomstig uit de Hervormde Kerk maar kerkte enige tijd in allerlei vrije groepen, (zie ondermeer In Koninklijke dienst deel 3, bijdrage H. Hille, pagina 96-100), werd in de gemeente tot ouderling gekozen. Reeds in april 1956 kreeg hij toestemming van de classis in het kerkverband te proponeren onder voorbehoud te studeren. Ouderling en oefenaar Kroon werd bij de zaak in Huizen betrokken als 'bemiddelaar'. Al snel gaf Kroon aan "geen tijd meer te hebben om te studeren." Daarna ben ik (ds. van Minnen) ziek geworden en voor mijn gezondheid moest ik enige tijd naar Katwijk. (Hier woonde ondermeer familie van zijn moederszijde Pontier). Tijdens de afwezigheid van ds. Van Minnen zorgde het optreden van Kroon niet voor verbetering, maar verergerde de situatie. Kroon vertelde onder meer in de gemeente "dat men ds. Van Minnen niet meer op de preekstoel wilde zien." Kroon werd herhaaldelijk verzocht om zijn studie niet te verwaarlozen, maar gaf aan hierin geen zin meer te hebben. Beloofde daarna toch weer aan het werk te gaan. Zo heeft hij 8 keer gedraaid en uiteindelijk is hem openlijk gevraagd: wil je nu bij de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland horen ja of nee? Beloofde toen weer van alles, maar brak steeds zijn woord tegenover de kerkenraad van Huizen en ds. Van Minnen. Hierna geschorst als kerkenraadslid en als theologisch student van het kerkverband tot aan de eerstvolgende classisvergadering. Bedankte daarop prompt als lid. De rust is toen hersteld. De gemeente was door de kwestie bepaald niet gegroeid en de kerkenraad bestond nog uit 1 ouderling en 1 diaken. Deze wilden en wensten zich te scharen onder leiding van de gemeente Hoofddorp. De giften die bestemd waren voor de kerkbouw werden voor zover bekend aan alle gevers en geefsters teruggegeven.

Op 2 augustus 1956 schrijft ds. G. Salomons een brief aan alle gemeenten dat ds. Van Minnen in overleg met hem en ds. Groen "zich genoodzaakt hebben gezien de heer Kroon voorlopig zijn preekconcent te ontnemen." "U moet niet denken, dat ds. Groen en ondergetekende zich in deze zaak door ds. Van Minnen hebben laten beinvloeden, maar ons onafhankelijk oordeel is, dat de heer Kroon zich ontpopt heeft als een gemeenteverwoester en een man van twee gezichten. Mogelijk zal ds. van Minnen u later wel nader onderrichten. Dit schrijven namens ons drieën geschreven (ds. J.G. van Minnen, ds. G. Salomons en ds. H. Groen) Heilbiddend en br. groetend. Uwe u toegen. ds. G. Salomons.

Terzijde kan nog worden opgemerkt dat de verhoudingen met ds. C. den Hertog en ds. F. Bakker, predikanten van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Huizen in  de periode 1953 - 1956  met  ds. Van Minnen goed waren.

Br. A. van der Galiën.

Uit de gemeente van ds. H. Groen had zich een jonge broeder aangediend, A van der Galiën, geboren 28 februari 1935 in het Friese dorp Murmerwoude. In het Reformatorisch Dagblad van 14 november 2017 vertelde de heer A. Van der Galiën iets over de situatie waarin hij toen verkeerde: "Het ouderlijke gezin kerkte bij de christelijke gereformeerde kerk in Broeksterwoude. Het was een echt christelijke gereformeerde buurt. Dokkum was voorwerpelijk. Damwoude was veel rechtzinniger. Broeksterwoude was echt zwaar en Veenwouden was het allerzwaarst. Dat is [deels] later oud-gereformeerd geworden. Zijn ouders waren goed kerkelijk meelevend, zegt Van der Galiën. Het gezin kerkte trouw in Broeksterwoude, maar vader had moeite met de kinderdoop. En dus bleef Van der Galiën ongedoopt en kon hij ook geen belijdenis doen. "Ik was geestelijk tot inkeer gekomen onder de prediking van ds. W. Baaij. Ondertussen groeide er een dringend verlangen in mijn hart om Zijn Naam te verkondigen, maar ik liep op een doodlopende weg. Vele malen heb ik de Heere gevraagd of Hij mijn verlangen wilde wegnemen als het niet van Hem was. Totdat de Heere sprak: "Ik zal u het kromme tot recht maken." Van der Galiën zat vaak onder het gehoor van ds. H. Groen in Drachten. "Groen begreep mij en ik verstond hem." Bij ds. Groen deed Van der Galiën in 1956 openbare belijdenis. In dezelfde dienst werd hij gedoopt. 

Br. Van der Galiën werd door de gemeente van Drachten op de classisvergadering op 4 oktober 1956 in Huizen gepresenteerd. Ds. Salomons zei: "dat deze zaak goed bekeken moet worden." "Reeds drie maal hebben wij een teleurstelling ondervonden. Veronderstel dat wij ja zeggen, dan moeten wij voorwaardelijk aanvaarden en in dat geval van jaar op jaar in de classis volgen en met voorbehoud altijd de vrijheid behouden om te weigeren." Toch oordeelde de vergadering uiteindelijk over deze broeder eenstemmig niet ongunstig. Bij stemming bleken alle broeders voor toelating. Ds. Van Minnen: "Ik heb weleens meerdere en grotere woorden gehoord, maar ook groter was de weg van de teleurstelling. Wat ik nu gehoord heb, heb ik veel van mogen terugvinden in eigen roeping. Gaat stilletjes zijn weg naar Gods getuigenis, het eerste leven is aanwezig. Met hem moeten we het proberen, maar een gedegen opleiding geven." Ds. Salomons gaf aan: "verblijd te zijn, niet teveel gehoord te hebben en geen grote stappen met zevenmijlslaarzen. De vreze Gods in beginsel." Ook de broeders ouderling Bakker en Wapenaar uit Vlaardingen gaven aan: vrijmoedigheid te hebben om deze br. te aanvaarden. "Zijn geloof getuigt van kinderlijke eenvoud." Hierna brachten ook de anderen afgevaardigden hun stem uit en dit oordeel was vrijwel in dezelfde geest. De studie zou inhouden: totaal 3 jaar  dogmatiek en ethiek door ds. Salomons, exegese en symboliek door ds. Van Minnen, Nederlandse Taal en Letterkunde eveneens  ds. Van Minnen. Als studiebegeleider werd ds. Groen aangewezen. Kandidaat van Galiën werd toegesproken in hartelijke bewoordingen door ds. Van Minnen: "Wij zijn er blij om en hopen dat de Heere  je zal helpen en vooral geestelijk mag bekwamen. Bid veel om sterkte en dat de Heere ons geve, dat je eenmaal een medearbeider mag worden in Gods wijngaard."

1957. Overlijden ds. H. Groen

Op 21 januari 1957 kwam het bericht binnen van het overlijden van ds. H. Groen, na een kortstondige maar ernstige ziekte. Ds. Groen werd slechts 39 jaar. Op zijn ziekbed heeft hij veel mogen getuigen. Gemeenteleden die hem bezochten waren onder de indruk van zijn vrij- en blijmoedigheid waarmee hij sprak over zijn aanstaand sterven. Ds. Groen had veel werk in Drachten en Twijzelerheide verricht.

wordt vervolgd




Student van der Galiën besloot naar aanleiding van het overlijden van ds. Groen zijn studie helaas te beëindigen.  Hij vertelde hierover het volgende: "Het overlijden van ds. Groen was zo'n klap dat mij alle moed ontviel. Daardoor heb ik de studie moeten afbreken." (   )  Br. van der Galiën heeft later zijn studie opgepakt via de catechetenopleiding van de Nederlands Hervormde Kerk en werd voorganger in vrije gemeenten. Van der Galiën ging voor waar men hem vroeg, in Loon op Zand, Oldebroek, Urk (Elim), Numansdorp, Breukelen en Den Haag (Gaslaan). "Ik heb slechts het Woord willen verklaren in het uitzien of de Heilige Geest het zou willen toepassen en indragen in het hart. Er is maar één grond tot de zaligheid, en dat is Jezus Christus en Dien gekruisigd. Ik hoor mensen veel over Jezus praten, maar we zijn uit God gevallen en moeten dus met een Drie-enig God worden verzoend. Daarom is Christus ons dierbaar. Hij is het Die met God verzoent." (   )

Voorganger A. Van der Galiën
Voorganger A. Van der Galiën

1957. 'De zaak van Twillert'

Het werk voor ds. Salomons en ds. Van Minnen was aanzienlijk toegenomen. De gemeente van Drachten had het zwaar. Na enige tijd melde zich Klaas van Twillert afkomstig uit de Christelijke Gereformeerde Kerk van Bunschoten, alwaar hij nog door ds. K. Groen was gedoopt. Rond 1937 was er naar zijn eigen zeggen een ommekeer in zijn leven voltrokken na een sterfgeval in zijn familie. Na een persoonlijke worsteling of hij wel daadwerkelijk geroepen was werd de roeping tot het predikambt hem als ware opgelegd met de woorden uit Jesaja 58: 1 "Roep uit de keel, houd niet in, verhef uw stem als een bazuin en verkondig mijn volk hun overtreding en het huis Jacobs hun zonden." Het was toen 26 oktober 1956. Hij besloot hetgeen hij had ondervonden aan zijn predikant ds. M. Vlietstra te vertellen. Deze vroeg hem een proefpreek te houden over Jesaja 55: 1. Naar aanleiding van deze proefpreek werd besloten niet met hem verder te gaan. Van een vriend kreeg Klaas van Twillert, die evenals de vader van naamgenoot Klaas Schilder sigarenmaker van beroep was, te  horen dat hij naar ds. Van Minnen moest gaan. Hier zag hij erg tegenop. Ds. van Minnen had zich immers van de Christelijke Gereformeerde Kerken losgemaakt. Dit werd door velen gezien als een groot schandaal. Moest hij naar zo'n iemand gaan? En bovendien, zou hij hier dan wel toegelaten worden? Zijn bezoek aan ds. Van Minnen was echter boven verwachtingen. Van Twillert verklaarde daarover het volgende: "Ik heb mijn verhaal aan hem verteld en met diepe ontroering zei hij dat God zijn gebeden verhoord had. Ik was de man die hij zocht! Die middag thuis jubelde mijn ziel! Mijn vrouw en ik waren zo verblijd in God!" Ds. Van Minnen - voor wie het een gebedszaak geworden was om een nieuwe arbeider in de wijngaard uit Gods hand te ontvangen - meende dat deze br. Van Twillert het antwoord was op zijn gebed. Het paste ook wel bij zijn karakter: hij kon zomaar opeens opveren na een donkere uitzichtloze situatie  wanneer hij ergens Gods hand in meende te zien. Daarin kan een mens zich natuurlijk ook vergissen. Ds. Salomons was wederom nuchter en terughoudend. Voorgesteld werd om voorlopig te gaan studeren door zelfstudie. 

Wie ook geen gat in de lucht sprongen waren de ouders van br. Van Twillert en verdere familie. Zij trokken zijn roeping in twijfel en vonden dat hij "te graag dominee had willen worden." En dat nog wel in het kerkverband van een dominee die de Christelijke Gereformeerde Kerken had verlaten. Het was een schande voor de familie! Ook de gehele kerkelijke gemeente van Bunschoten keek hem met de nek aan. Dit deed hem en zijn vrouw erg veel pijn. Kort daarop preekte Van Twillert voor het eerst - op verzoek van ds. Van Minnen - in Vlaardingen. Na deze eerste preken werd de niet onbegaafde proponent op meerdere plekken gevraagd. Op zondag gebeurde het wel dat hij driemaal voorging. In het hoge Noorden - in Drachten en Twijzelerheide werden zijn preken niet zonder enig reserve ontvangen. Op 19 februari 1958 kwam op een kerkenraadsvergadering in Delft  ter sprake, of het niet wenselijk was of 'student' Van Twillert ook eens in Delft, op één van de vrije zondagen van ds. Van Minnen, zou kunnen preken. Dit werd echter 'door omstandigheden' vooralsnog uitgesteld. Voelde men de bui al hangen?

Naar de classis van 16 september 1958 werden vanuit Delft aangewezen als afgevaardigden: ds. Van Minnen en ouderling A. Langstraat (primi) en P. Langstraat en J.C. Hille (secundi).  Voorts waren er afgevaardigden uit de gemeenten Drachten, Hoofddorp, Vlaardingen. Tijdens deze classisvergadering werd br. K. Van Twillert geëxamineerd en op artikel 8 DKO toegelaten. (Over deze zaak is meer informatie en wordt t.z.t vervolgd)

Van Twillert nam een beroep aan naar Vlaardingen en werd hier door ds. Van Minnen bevestigd.  Bij de bevestiging op 11 december 1958 zat het kerkje in Vlaardingen vol met gemeenteleden, kerkenraden, zelfs familieleden die over hun schaduw waren heen gesprongen, en een bus vol met sigarenmakers. Ds. Van Minnen preekte  opmerkelijk genoeg over dezelfde tekst als destijds bij Kandidaat Groen, uit Ezechiël 2: 4b 'Ik zend u tot hen, en gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de Heere HEERE!'

1959. Ds. H. Visser Mzn. Tweede contact

Kerkgebouw CGG Putselaan Rotterdam
Kerkgebouw CGG Putselaan Rotterdam

In mei 1959 ontstond een tweede contact met ds. H. Visser Mzn. toen ds. Van Minnen deze een persoonlijk bezoek bracht in Rotterdam-Zuid. De kern van het besprokene werd bevestigd in een persoonlijk schrijven van ds. Van Minnen op 8 juni 1959. Hierin ging het om de kerkrechterlijke zijde van ds. Vissers uittreden en het zgn. tweeerlei geloof. Ds. Visser beantwoordde dit schrijven op 10 juni 1959 waarin hij aanvankelijk t.a.v. de tweeerlei reactie van het ene zaligmakende geloof dat zich richt hetzij op wet hetzij op evangelie een Schriftuurlijke uiteenzetting geeft, maar later hierop terugkomt als hij zegt, dat hij nog ten volle voor zijn rekening neemt wat hij neerschreef in zijn: 'Elia bij de berg Horeb' van 15 september 1946 dat als ondertitel heeft: Een Schriftaankondiging van de naderende oordelen, alsmede een praktische uiteenzetting van het goddelijk geloof der wet en het zaligmakend geloof van het evangelie. In dit schrijven stelde ds. Visser tevens enige vragen over de tucht m.b.t. echtscheiding met het oog op ds. Salomons. Op 17 juni 1959 werd dit schrijven van ds. Visser beantwoord door ds. Van Minnen waarbij uitvoerig werd stilgestaan bij de exegese van Lukas 16: 18. Merkwaardigerwijze kwam op dit schrijven geen enkele reactie.  

1960. Ds. C. Smits bezoekt ds. van Minnen in Delft.

Ds. C. Smits
Ds. C. Smits

In de zomer van 1960 zocht ds. C. Smits contact met ds. Van Minnen. Wie was ds. C. Smits? Volgens dr. P. de Vries in diens boekje 'Gezanten van Gods lof' "een prediker van het verbond van genade." "Hij stelde Jezus als volkomen Zaligmaker centraal." "Met de verbondsleer zoals die in de Christelijke Gereformeerde Kerken gangbaar was had ds. Smits moeite", aldus dr. P. de Vries. Dit komt wat generaliserend over, want ds. Smits was een leerling van ds. P.J.M. de Bruin, die hij zeer hoog achtte, en De Bruin leerde de christelijk-gereformeerde verbondsopvatting pur sang. Dit is reeds uitgebreid besproken in de levensschets van ds. Van Minnen. Dr. P. de Vries bedoelt echter de verbondsobjectivering zoals die vanaf de jaren vijftig openbaar kwam in de Christelijke Gereformeerde Kerken en waartegen ds. Van Minnen ook erg gewaarschuwd heeft. "Het stond voor hem vast", aldus dr. P. de Vries, "dat ons spreken over het verbond der genade geen waarde heeft als wij niet hebben geleerd dat wij in de weg van het gebroken werkverbond nooit meer zalig kunnen worden, om zo de waarde van het genadeverbond te leren kennen." Dit is in overeenstemming met hetgeen Prof. G. Wisse in het boekje 'Uit de verbondsschat' naar voren bracht. Ds. Smits was evenals ds. van Minnen een emotioneel mens. Hij nam ook geen blad voor zijn mond en had een hekel aan uitwendige godsdienst zonder inhoud. Wat betreft het kerkelijk standpunt waren er duidelijke verschillen. Ds. Smits was daar veel soepeler in. Hij preekte overal waar hij gevraagd werd, binnen en buiten het kerkverband. Voor ds. Van Minnen was dit tot op zekere hoogte onbestaanbaar. Ds. Smits was een boerenzoon uit de Haarlemmermeer. Ds. van Minnen was geschoold als onderwijzer. Ds. Smits bestreed misvattingen ten aanzien van het bevindelijke leven. Ds. Van Minnen heeft dat ook gedaan. Dr. P. de Vries schrijft dat ds. Smits niet voor standen in de genade de aandacht vroeg, of zij nu vermeend of werkelijk zijn, maar of het binnen of buiten is. Ds. Van Minnen kon ook heel scherp zijn, maar heeft ook oog gehad voor het beginnende geestelijke leven, echter niet zonder de oproep op te wassen in de genade om zo te komen tot de kennis van Christus. Smits had (een overeenkomst met ds. Van Minnen) een hekel aan grootdoenerij in het geestelijke leven. Wanneer iemand kon beweren dat het recht Gods hem zo lief geworden was, en dat hij nog liever onder dat recht Gods verloren ging, dan in strijd met Gods recht behouden worden, is het maar de vraag of we wel iets van het heilig recht Gods verstaan. Wat weten verder nog over ds. Smits? Hij groeide op in de Christelijke Gereformeerde Kerk in Nieuw Vennep en voelde zich verwant aan de Schotse oudvaders. Zijn kerkelijke loopbaan was tamelijk onrustig. Hij werd op 6 november 1932 door ds. P.J.M. de Bruin in het ambt bevestigd in de Christelijke Gereformeerde Kerk van Nieuwpoort. Driemaal diende hij de gemeente van Sliedrecht. De eerste maal werd hij hier door ds. J.A. Riekel bevestigd op 26 juni 1934. Op 11 juni 1942 werd hij door ds. J.P. Meijering bevestigd als predikant in Dordrecht. Op 2 september 1942 bevestigde ds. D.J. van Brummen hem in Driebergen. Tweemaal stond hij in een gemeente in Amerika. Op zondag 23 mei 1948 deelde ds. Smits aan zijn gemeente mee dat hij het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Kerken wilde verlaten. Hij werd hiervan toen weerhouden.  De onvrede van Smits over de ontwikkelingen binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken was echter niet weggenomen. Ds. Smits vroeg aan ds. Van Minnen om ds. N. de Jong predikant in Katwijk in het gesprek te betrekken. Deze predikant zou een leidende rol moeten spelen gezien de grote waardering die vele behoudend christelijk-gereformeerden voor deze predikant hebben.


De gemeente van Sliedrecht sloot zich op vrijdag 21 september 1894 aan bij het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Kerk. De vergadering waarin dit geschiedde stond onder leiding van de predikanten ds. J. Wisse Czn. en ds. J. Schotel. Ook ouderling P. Roobol van Dordrecht was aanwezig.

Hierna dienden de volgende predikanten de gemeente:

ds. J. van Drunen (21 september 1894 - 16 mei 1909)
ds. J.D. Barth (16 oktober 1910 - 30 mei 1915)
ds. J. Vreugdenhil (20 oktober 1918 - 21 augustus 1921)
ds. T.A. Bakker (16 september 1923 - 8 februari 1925)
ds. J.A. Riekel (6 december 1925 - 15 maart 1934)
ds. C. Smits (26 juni 1934 - 31 mei 1942)
ds. E. du Marchie van Voorthuysen (19 augustus 1945 - 10 februari 1952)
ds. C. Smits (6 april 1952 - 24 oktober 1954)
ds. C. Smits (16 mei 1956 - 9 juni 1969)

CGK Sliedrecht circa 1935
CGK Sliedrecht circa 1935

Bezoek van ds. Van Minnen aan ds. N. de Jong in Katwijk

Ds. N. de Jong
Ds. N. de Jong

Wie was ds. N. de Jong? Ds. de Jong werd op 31 augustus 1899 geboren. Hij kwam evenals ds. Van Minnen uit Vlaardingen en was met hem van jongs af al bevriend. Evenals Van Minnen werd hij geheel in het leven van de visserij opgevoed. Voor zijn ambtelijke loopbaan werkte ds. de Jong als typograaf bij een drukkerij. In 1922 volgde hij zijn roeping en werd aangenomen aan de theologische school in Apeldoorn. In juli werd hij als predikant bevestigd in Rijnsburg door ds. J.W. van Ree (1890-1934). Ds. De Jong was evenals van Minnen een principieel man dat met een zekere gevoeligheid gepaard ging. In 1934 vertrok ds. de Jong naar 's-Gravenhage. Hier werd hij door ds. L.H. van der Meiden bevestigd. Tijdens deze periode had hij goed contact met ds. J.A. Riekel die toen in Delft stond.

Ds. N. de Jong bracht een aansprekende prediking met veel voorbeelden uit het dagelijkse leven. Hij citeerde vaak psalmen en gezangen uit zijn hoofd en had een gemoedelijke omgang. Toch was hij ook een uiterst zakelijk man die met vaste hand ergens leiding aan kon geven.

In 1946 werd hij predikant in Middelharnis. In Middelharnis wees ds. De jong op de zeer ernstige tijd waarin we leven. Hij ziet een verslapping en slaperige houding en wees op de noodzaak van de Schriftuurlijke bevindelijke prediking. Hij zag alleen toekomst voor de Christelijke Gereformeerde kerken in het blijven bij deze prediking. Op 20 juli 1952 nam ds. de Jong afscheid van Middelharnis. Hij werd in 1952 predikant in Katwijk aan Zee. 

CGK Katwijk
CGK Katwijk

De Katwijkse gemeente is in tegenstelling van de meeste andere gemeenten pas in latere tijd toegetreden tot het verband van de Christelijke gereformeerde kerken. De eigenlijke oorzaak van de stichting van de kerk lag in de onvrede over de prediking in de plaatselijke hervormde en de gereformeerde kerk van hen, die een Schriftuurlijke-bevindelijke prediking begeerden. Om enigszins in deze behoefte te kunnen voorzien werden in voorafgaande jaren werden onder leiding van een evangelisatiecommissie regelmatig avonddiensten gehouden, waarin predikanten van diverse kerkgenootschappen, doch veelal hervormde predikanten voorgingen. In een later stadium traden hierbij op den duur meer en meer Christelijke Gereformeerde predikanten op de voorgrond. Met name ds. N. de Jong, die in de jaren 1931-1934 te Rijnsburg stond nam hierbij een belangrijke plaats in. Het voortdurend voorgaan van ds. De Jong in een vrije gemeente werd door de classis 's Gravenhage gezien als in strijd met de kerkorde en uiteindelijk verboden. Hierop kon ds. De Jong niet anders doen dan de genoemde evangelisatiecommissie voor de keus te stellen óf toe te treden tot het verband van de Christelijke Gereformeerde Kerken óf de onderlinge samenwerking te verbreken. Met instemming van een overtuigende meerderheid werd daarna besloten tot toetreding over te gaan. Hierna werd door ds. De Jong op 14 maart 1944,dus midden in de oorlogstijd de gemeente officieel geïnstitueerd. In 1947 kreeg de gemeente haar eerste predikant in ds. P. van der Bijl. De gemeente verkeerde toen in een moeilijke positie omdat gezorgd moest worden voor een passende pastorie, waarin echter op een wonderlijke wijze mocht worden voorzien. Vanwege het ontbreken van een kerkgebouw moesten de kerkdiensten worden gehouden in Casa Cara, in een zaalruimte behorend bij een restaurant, welke ruimte doorgaans de toehoorders niet of nauwelijks kon bergen. Aan deze moeilijke situatie kwam in 1950 een einde doordat een passende houten noodkerk kon worden aankocht en op een geschikte plaats worden opgericht. Na het vertrek van ds. van der Bijl in 1952 werd deze opgevolgd door ds. N. de Jong ,die de gemeente diende van 1952 tot 1964.Tijdens deze periode onderging de gemeente een aanzienlijke uitbreiding ,zodat de noodkerk niet meer voldeed. Aan deze situatie kwam een einde doordat in 1954 een geheel nieuwe kerk, de huidige Bethelkerk, kon worden gebouwd Na het vertrek van Ds de Jong werd de gemeente achtereenvolgens gediend door ds. H.C. van der Ent (van 1965-1978), ds D. Slagboom (van 1979-1990), ds. J. Veenendaal (van 1990-1995), ds K. Hoefnagel(van 1997-2011) en tot heden door ds. M.A. Kempeneers.

Bron: www.cgkkatwijk.nl

De waardering voor ds. De Jong was onder degenen die nog in de Christelijke Gereformeerde Kerken aan de waarheid wilden vasthouden erg groot. Bij een eventuele uitreding zou ds. De Jong dus zeker betrokken moeten zijn, aldus ds. Smits. Naar aanleiding van het bezoek van ds. Smits besloot ds. Van Minnen zijn jeugdvriend uit Vlaardingen, ds. N. de Jong op te zoeken. Deze ontmoeting vond plaats in juni 1960. De ontmoeting met ds. De Jong was bijzonder hartelijk. Ds. De Jong bleek het op vele punten met ds. Van Minnen en ds. Smits eens te zijn. Een breuk met de Christelijke Gereformeerde Kerken zou uiteindelijk onvermijdelijk zijn. Heel concreet werden tijdens deze gesprekken voorbereidingen getroffen. Ds. Van Minnen helderde vervolgens zijn optreden met betrekking tot de bevestiging van ds. Salomons in Bussum op en dan lijkt er niets meer in de weg te staan.


Ds. N. de Jong (1899-1980)

Hij was een zeer markant predikant in de Christelijke Gereformeerde Kerk. Hij was een uitzonderlijk prediker. Hij kon tijdens de prediking zulke indringende vragen stellen en daarbij iemand aankijken of op iemand wijzen, dat mensen metterdaad antwoord gaven. Zelf heb ik deze prediker een drietal malen gehoord. Nog altijd kan ik mij deze diensten herinneren. Wat werd Christus op een bijzondere en indringende wijze uitgestald. Van een goede bekende van hem hoorde ik een aantal jaren na zijn dood het volgende. Als emeritus-predikant bleef hij preken. In die tijd heeft hij eens een dienst geleid waarin de Heere hem wel op een heel bijzondere wijze opening gaf. Dat werd tijdens de dienst door iedereen gevoeld. In de consistorie werd het ook opgemerkt. De broeders meenden wel een verklaring te hebben. Voor dominee De Jong kwam hoe langer hoe meer het einde van de reis naar het nieuwe Jeruzalem in zicht en daarom mocht hij, nu dat steeds dichter bij kwam, zo'n vreugde in God ervaren. De Jong erkende dat hij inderdaad onder een open hemel had gepreekt, maar wees de verklaring die de broeders gaven volledig van de hand. Hij vertelde dat hij de voorafgaande dagen aan deze zondag ernstig was aangevochten. Wist de Heere wel van hem af? Was hij wel een kind en knecht van God? Deze nood had hem op de knieen gebracht. Hij had de Heere gesmeekt: "Ach Heere, als U mijn Vader bent en ik Uw kind en knecht, zou U dan nog eens in mijn hand willen knijpen?" "En broeders", zo vervolgde De Jong, "dat is vanmorgen onverwacht en onverdiend gebeurd." Hij voegde eraan toe: "Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht; Uw vrije gunst alleen wordt d' ere toegebracht."

Ds. P. de Vries, Vreugde over Gods nabijheid in: Gezinsgids 23 april 2020


Ds. C. Smits. Tweede bezoek in Delft.

In dezelfde maand kwam ds. Smits opnieuw naar Delft om poolshoogte te nemen. Het korte resume van het besprokene met ds. N. de Jong en ds. C. Smits was als volgt:

1. We vliegen als bezwaarde christelijke-gereformeerden allen uiteen [De Christelijke Gereformeerde Kerken gaan er weleens prat op dat ze als kerkverband nooit gescheurd zijn, maar men vergeet dat er door de loop der jaren een behoorlijke uitstroom is geweest van leden die van de koers van het kerkverband vervreemd raakten. Zo deelde ds. F. Mallan mee: "Er kwamen hele gezinnen uit de Christelijke Gereformeerde Kerk naar ons kerkverband over na het overlijden van ds. D. Driessen op 15 december 1961 en na het vertrek van zijn opvolger ds. P. Sneep in 1965" Israëls Wachter sluimert niet, J. Mastenbroek, pagina 236]
2. De behoudende gemeenten lopen gevaar immuun gemaakt te worden voor de Schriftuurlijk-bevindelijke prediking. Er werden hierbij voorbeelden aangehaald van gemeenten als Delft, Haarlem en Utrecht. Gemeenten die voorheen bevindelijk van karakter waren maar allen naar de voorwerpelijke richting gekanteld zijn.
3. Om tot stappen te komen niet blijven staren op 'en bloc' [allemaal te samen], want dit zou een herhaling zijn van Kuypers strategie. En bloc is wel mogelijk, maar dan met behoud van het individuele element.
4. Uitvoerig werd er bij stilgestaan dat we druk en laster onherroepelijk te verduren zullen hebben, mogen daarom niet het hoofd in de schoot leggen
5. De uitgave van een persorgaan komt ter sprake
6. Ook de opleiding van dienaren des Woords komt ter sprake
7. Ds. Van Minnens optreden m.b.t. ds. Salomons
8. De nood waarin met name de levende Kerk verkeerd moet een schreef om ware oecumene veroorzaken. Een elkaar zoeken, niet om grootheid maar om God en met elkaar.
9. Voorzichtigheid als de slangen en oprechtheid als de duiven is geboden met het oog op de valse profeten die zich ook hullen in het gewaad van Schriftuurlijk-bevindelijke prediking.

Ds. van Minnen bezoekt ds. F. Bakker in Driebergen.

Ds. F. Bakker en mevr. Bakker-Dieleman
Ds. F. Bakker en mevr. Bakker-Dieleman

Eerst vond er echter nog een persoonlijk gesprek plaats tussen ds. van Minnen en ds. F. Bakker in Driebergen. Ds. F. Bakker (1919-1965) zal voor weinigen onbekend zijn. Deze geliefde predikant is slechts acht jaar predikant geweest in de Christelijke Gereformeerde Kerk van Huizen en Driebergen. Hij verloor op jonge leeftijd zijn ouders en groeide dus op als wees. Oorspronkelijk was hij kerkelijk aangesloten bij de Gereformeerde Kerk van Yerseke. Later sloot hij zich voor enige tijd aan bij de Gereformeerde Gemeenten. Bakker werd ten tijde van ds. A. Gruppen (1886-1955) lid van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Biezelinge. Evenals Van Minnen had hij liefde voor het jeugdwerk binnen het kerkelijk leven. Hij was evenwel wat verlegen en bescheiden van aard. De begeerte tot het predikambt werd hem opgelegd. De studie in Apeldoorn schrikte hem niet af. Helaas werd hij de eerste keer afgewezen. De tweede keer mocht hij zijn studie wel beginnen. Hij kreeg les van Prof. L.H. van der Meiden in de homiletiek. Ds. Bakker had niet zo veel sprekersgaven en moest hard werken voor zijn studie. In Huizen werd hij in 1956 de opvolger van ds. C. den Hertog. Dominee Bakker bracht een ernstige bevindelijke prediking. Hij was evenals ds. Van Minnen een uitgesproken 'drie-verbonder'. Toen er helaas moeilijkheden in de gemeente van ds. Van Minnen waren ontstaan keerden sommigen weer terug naar de Christelijke Gereformeerde Kerk ook vanwege de beminnelijke ds. Bakker. Een vleselijk mens die een ander nog geen centimeter kerkelijke grond gunt begrijpt dit niet, maar er ontstond tussen beide predikanten een warme vriendschap. Ze verstonden elkaar en hadden veel gemeen. Hun vriendschap is nooit meer overgegaan. Ds. Bakker kon zich geheel in het besprokene met ds. Smits en ds. de Jong vinden en drong er bij ds. Van Minnen op aan om aanwezig te zijn op de vergadering van bezwaarde predikanten in Rotterdam.

Kerkgebouw CGK Driebergen 1922-1964
Kerkgebouw CGK Driebergen 1922-1964

Bezoek aan ds. Smits in Sliedrecht  

Op 11 juli 1960 bracht ds. Van Minnen een bezoek aan ds. Smits in Sliedrecht. Een hartelijk ontvangt volgde hier waarbij bleek dat de vrouw van ds. Smits geheel achter haar man stond en wees op nood van de jeugd. Ds. Smits concludeerde evenwel dat er bij ds. N. de Jong nog iets was wat hem weerhield. De kerkenraad in Katwijk stond geheel achter hem maar hij had een stimulans nodig. Ook de kerkenraden van ds. Smits (Sliedrecht) en ds. Bakker (Driebergen) stonden achter hun predikanten. Ds. Smits zal ds. de Jong erop wijzen dat als hij de stap doet velen zullen volgen gezien zijn leer en grondslag. Aangezien ds. de Jong nogal gezien is in de Christelijke Gereformeerde Kerk zou ds. Smits graag zien dat deze predikant bij een eventuele uittreding uit de Christelijke Gereformeerde Kerken zeker betrokken zou zijn. Ds. Van Minnen wees erop dat enige spoed geboden is gezien velen gemeenten reeds verloren gingen voor de onvervalste christelijke gereformeerde prediking. Ds. Smits is zelf bereid om spoedig uit de Christelijke Gereformeerde Kerken te treden en wil gemeenten stichten op de vele plaatsen waar hij reeds preekt buiten het kerkverband.

Schrijven aan ds. N. de Jong en ds. C. Smits. Opnieuw contact met ds. F. Bakker.

Aan ds. de Jong werd in juli 1960 een schrijven gericht door ds. Van Minnen waarin het bezoek aan ds. Smits werd bevestigd en ook nog een bezoek van ds. F. Bakker aan de pastorie in Delft nadat met deze telefonisch contact was opgenomen over de stand van zaken. Geadviseerd werd nu ten spoedigste te vergaderen opdat door uitstel het vervolgens niet komt tot een fataal afstel. Ds. Smits kreeg een schrijven met dezelfde inhoud. Inmiddels had ook de kerkenraad van Urk laten weten op het punt van uittreding te staan. De kerkenraad van Urk wachtte op een reactie van deze bewuste predikanten, om een eventuele stap gezamenlijk te kunnen doen. Maar ondanks de spanning die er in de Christelijke Gereformeerde Kerken heerste en met name in de gemeente Urk volgde toen echter een periode van zeven weken stilzwijgen.

Ds. H. Visser, derde contact

Deze stilte werd doorbroken door een telefoontje van ds. H. Visser Mzn. op dinsdag 6 september 1960 waarbij deze zichzelf uitnodigde bij ds. Van Minnen. Op woensdag 7 september 1960 kwam deze predikant naar Delft om het contact weer te herstellen. Hij nodigde ds. Van Minnen en de kerkenraad van Delft uit voor een samenspreken in Rotterdam-Zuid. Gezien de uitlatingen van ds. Visser dat Urk ds. Van Minnen bij het doen van stappen betrokken wenste te zien besloot de kerkenraad één en ander te controleren. Op diezelfde avond 9 september 1960 werd de kerkenraad van Urk opgebeld waarbij bleek dat dit gerucht over Urk op waarheid berustte.

Urk wil zich verenigen met de gemeenten van ds. H. Visser Mzn., ds. J.G. van Minnen en de bezwaarde Christelijke Gereformeerde predikanten in één nieuw kerkverband.

Eerste kerkgebouw CGK Urk
Eerste kerkgebouw CGK Urk

De geschiedenis van Urk was een gevoelige kwestie. Voordat een groot deel van deze gemeente overging naar de Christelijke Gereformeerde Gemeenten (rondom ds. H. Visser) had zich al het nodige afgespeeld. In de Wekker d.d. 21 oktober 1960 gaf ds. J.H. Velema in de Wekker daarvan een feitenrelaas. Op Urk bevond zich één van de oudste Christelijke Gereformeerde Kerken. In 1894 kwam de Christelijke Gereformeerde Kerk daar weer tot openbaring. De eerste predikant was ds. M. Boer. Een andere geliefde predikant die hier gestaan heeft was ds. W.F. Kodde. Volgens ds. Velema breidde de gemeente zich onder ds. E. du Marchie van Voorthuijzen (1937-1942) behoorlijk uit, maar niet ten goede. Er kwamen volgens hem allerlei mensen over 'met weinig kerkelijk besef'. Deze kwamen uiteindelijk ook in de kerkenraad en gingen ertoe over om ook allerlei vrije predikanten uit te nodigen. Hoe het ook zij. De gemeente stond op het punt van uittreden en wilde ds. Van Minnen hierbij betrekken. Ook wilde men toen nog niet naar de Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland maar kerkelijk samen leven met de bezwaarde Christelijke Gereformeerde Gemeenten en predikanten. Op zaterdag 10 september 1960 bracht ds. J.G. van Minnen met ouderling A.W. Langstraat uit Delft een bezoek aan de kerkenraad van Urk. Deze verklaarde zich te willen verenigen met ds. H. Visser en ds. J.G. van Minnen in één nieuw te vormen kerkverband. Ds. Van Minnen antwoordde hierop dat dit onmogelijk was gezien de onschriftuurlijke leer van ds. Visser. Geadviseerd werd contact op te nemen met de bezwaarde Christelijke Gereformeerde predikanten opdat in een bredere gemeenschappelijke vergadering de leer van ds. Visser besproken kon worden. Dit voorstel werd door de kerkenraad van Urk unaniem goedgekeurd. Besloten werd dat ds. Van Minnen voor 1 oktober 1960 aan de bezwaarde christelijke gereformeerde predikanten zal meedelen dat Urk graag deze toekomst voor de gemeente zal zien.


Brief ds. Van Minnen aan Urk

Na de ontmoeting op Urk werd een brief door ds. Van Minnen geschreven ter bevestiging aan  de opdracht van Urk om te spreken met de groep bezwaarde christelijk-gereformeerde predikanten over een mogelijke gezamenlijke uittreding. Deze brief kwam echter in verkeerde handen waardoor in het orgaan van de Classis Amsterdam van de Christelijke Gereformeerde Kerk 'Woord en daad' een artikel van ds. M.W. Nieuwenhuijze over de kwestie Urk verscheen waarin op verdacht makende wijze over ds. Van Minnen werd gesproken. Dit werd in De Wekker van 21 oktober 1960 dunnetjes overgedaan door ds. J.H. Velema. Op beide publicaties werd een schrijven door de kerkenraad van Delft opgesteld en naar de betreffende predikanten verzonden met het verzoek om een rectificatie welke echter uitbleef.

Ds. Van Minnen licht ds. C. Smits en ds. N. de Jong in over de situatie op Urk

Op maandag 12 september 1960 werd door ds. van Minnen een telefoongesprek gevoerd met ds. de Jong en ds. Smits naar aanleiding van het bezoek aan Urk waarbij werd meegedeeld dat:
1. Spoedig handelen geboden is om te komen tot de vorming van een kerkgenootschap
2. Ds. Visser zit niet stil en probeert in Urk zijn invloed te doen gelden
3. Urk wenst het liefst met de (bezwaarde) christelijke gereformeerde predikanten te verenigen


Opnieuw bezoek aan ds. C. Smits in Sliedrecht

Op 13 september 1960 werd bij een persoonlijk bezoek aan ds. Smits in Sliedrecht alles nog een keer herhaald. Ds. Smits stond (zo bleek tijdens dit bezoek) nog geheel achter een uittreding uit de Christelijke Gereformeerde Kerken.

Samenspreking met Rotterdam-Zuid  

Op vrijdagavond 16 september 1960 volgde een samenspreken met de kerkenraad van Rotterdam-Zuid waarbij ds. H. Visser voorstelde om over leven en leer te spreken. Nadat ouderling A.W. Langstraat hem op de verkeerde volgorde had gewezen werd tenslotte toch met dit voorstel ingestemd. Uitvoerig werd gesproken over het tweede huwelijk van ds. G. Salomons waarbij ds. Visser het standpunt verdedigde dat ds. Salomons niet in het ambt zou mogen staan. Na een weerwoord zegt hij wel van mening te willen veranderen.

Urk treedt uit en sluit zich aan bij ds. H. Visser.

Dinsdag 20 september 1960 belde ds. Visser weer op. Hij nodigde ds. Van Minnen uit voor een volgende vergadering op vrijdag 30 september 1960 en tevens het verzoek om op 2 oktober 1960 in Urk te preken. Ook nodigde hij ds. van Minnen en diens vrouw uit voor een informeel samenzijn. Aan de avond van dezelfde dag (20 september 1960) verscheen in de krant dat Urk uit het verband van de Christelijke Gereformeerde Kerken was getreden en zich verbonden had met de gemeenten van ds. H. Visser. Op dezelfde avond van de bekendmaking in de pers had ds. Van Minnen Urk opgebeld en aan ouderling Post gevraagd of ds. Visser het had doen voorkomen of de eenwording al een voldongen feit was. Hierop had Urk ds. Visser metterdaad bij acclamatie beroepen. Zij waren ontsteld en ontnuchterd toen zij moesten vernemen dat de situatie geheel anders was. Op 23 september 1960 volgde een telefoongesprek met Urk tussen ouderling A.W. Langstraat van Delft met ouderling Post van Urk. Het verlangen van samengaan en de teleurstellende houding over de afwijzende houding van de kerkenraad van Delft en ds. Van Minnen vanwege de leer van ds. Visser werd hierbij niet onder stoelen of banken gestoken. Op ds. Van Minnen werd een beroep gedaan om toch naar Urk te komen om te preken. Ook in de eerstvolgende weken is er nog enkele malen een telefoongesprek.

Delft zegt vergadering tot samensprekingen met Rotterdam-Zuid af

Gezien de vreemde gang van zaken besloot de kerkenraad van Delft op 24 september 1960 een brief te schrijven aan die van Rotterdam-Zuid om de te houden vergadering van 30 september 1960 te laten vervallen.

1960. Vergadering in Rotterdam

Intussen werd op 23 september 1960 een uitnodiging ontvangen van de secretaris van de vriendenkring van bezwaarde christelijke gereformeerde predikanten ontvangen, waarin ds. Van Minnen namens de voorzitter van dit college uitgenodigd werd om op maandag 26 september 1960 in het Groothandelsgebouw in Rotterdam op hun vergadering aanwezig te zijn. Tijdstip 13.30. Op die datum volgt dan eindelijk de lang verbeide vergadering van bezwaarde predikanten. Toen ds. Van Minnen op deze vergadering arriveerde bleken al de broeders reeds aanwezig te zijn en gezamelijk de maaltijd te hebben genuttigd. Spoedig bleek dat voor de eerder besproken punten met ds. C. Smits, ds. N. de Jong en ds. F. Bakker geen belangstelling meer te bestaan. Wel is men geintresseerd over de toedracht in Urk en hoe het in Delft gaat. Ds. Smits merkte op dat uittreden een persoonlijke zaak is, maar dat zij nu in de mist zitten. Ds. Van Minnen antwoordde hierop dat het dan hoog tijd werd het roer in handen te geven van de grote Kapitein. Ds. Tanis gaf aan dat Huizen als 'een mislukking' gezien moest worden. Ds. Van Minnen haalde hierop een voorbeeld als ds. H. de Cock aan. Ds. D. Slagboom wees op het zoeken naar eenheid. Hij vroeg zich sterk af of ds. Van Minnen wel had mogen uittreden. Ds. Venema sloot de vergadering waarbij deze om licht vroeg. Ds. Van Minnen wees hem na afloop op Gods Woord en de Belijdenisgeschriften die wat dit betreft voldoende licht verspreiden.

Ds. van Minnen gaf aan dat hij vanaf dit ogenblik zijn eigen koers zal aanhouden. Evenwel werd hij alsnog uitgenodigd voor een volgende vergadering.

Brief ds. G. Salomons aan ds. Van Minnen met betrekking tot ds. Visser Mzn.

In 'Ons Kerkblad' orgaan van de Christelijke Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuid verscheen ondertussen een artikel van de hand van ds. Visser over de uittreding van Urk waarbij de nadruk viel op het aantal leden en het mooie kerkgebouw. De naam van de Heere werd - zo constateerde de Delftse broeders - in het hele artikel niet genoemd. Ds. Van Minnen had inmiddels contact met ds. G. Salomons gehad over de affaire ds. Visser en Urk en ds. Salomons schreef op 13 oktober 1960 een brief aan ds. Van Minnen waarin hij de preken van ds. H. Visser (Elia bij de Horeb) beoordeelde. Allegoriseren achtte ds. Salomons een gevaarlijk werk. Ds. Visser heeft zijn studie over boord gezet en tracht een 'bevindingsvolkje' te prikkelen met overgeestelijke inlegkunde. Uit alles blijkt - ook gezien zijn voortdurend draaien - dat deze predikant er een onwaarachtige koers op na houdt, aldus ds. Salomons.

wordt vervolgd


Het is in 1959 als de plaatselijke krant van Urk Het Urkerland melding maakt van de voortgang van de bouw van een nieuwe kerk voor de Christelijke Gereformeerde Kerk. Op 25 september lezen we: "In de bouw van de Chr. Geref. Kerk begint, nu de fundering zowat klaar is, enige tekening te komen. Met de bovenbouw zal nu wel spoedig een begin worden gemaakt.' De Urkers hebben het groot aangepakt, houden ook in dit opzicht niet van half werk. Het moet een kerk worden waar men niet om heen kan, en bij die kerk een grote pastorie, waarin een predikant de ruimte zal hebben en die hem status oplevert. Daar zijn ze in geslaagd.

Uit Oude Paden 1 december 2001


1961. Ds. H. Visser Mzn. Vierde contact

Op vrijdag 14 april 1961 had ds. H. Visser Mzn. telefonisch contact opgenomen met ds. Van Minnen of het wellicht mogelijk was zaterdagmorgen om 10.00 in Delft samensprekingen te houden, waarbij wederzijds enkele kerkenraadsleden aanwezig zouden kunnen zijn. Ds. Salomons heeft deze vergadering ook bijgewoond. Het thema van het gesprek was: 'Waarom nog langer gescheiden voortleven?' Hierop werd als antwoord gesteld, dat de basis voor kerkelijk samengaan gelegd kan worden als ds. Visser op een broederlijke wijze wil komen met terzijdestelling van zijn zogenaamde 'tweeërlei geloof.'

De voorwaarde is dat bij een eventuele vereniging dit tot uitdrukking komt, dat men het hierover eens geworden is, dat er is naar Gods Woord één zaligmakend geloof dat zich richt op wet en evangelie beide.

Ook het tweede huwelijk van ds. Salomons komt ter sprake, waarbij ds. Visser verklaart dat hem deze zaak naar Gods Woord volkomen duidelijk is. Op 13 mei 1961 werd een gezamenlijke vergadering gehouden te Rotterdam tussen de gemeenten rond ds. H. Visser Mzn. en die van ds. J.G. van Minnen. Aanwezig waren de kerkenraden van Delft, Drachten, Gouderak, Hoofddorp, Rotterdam-Zuid, Urk, Vlaardingen en Werkendam. In totaal 39 ambtsdragers. Voorzitter van deze vergadering was ds. J.G. van Minnen. Ds. Visser Mzn. bleek nog steeds bereid om zijn leer van een tweeërlei geloof, waarvoor hij in 1947 geschorst was in de Christelijke Gereformeerde Kerken, ter wille van een eventuele vereniging, te herroepen. Omdat de kerkenraad van Rotterdam-Zuid (in de persoon van ouderling van Berkel) nog problemen had met het feit, dat ds. Salomons na diens tweede huwelijk door ds. Van Minnen opnieuw in het ambt bevestigd was, stelde ds. Van Minnen voor om ds. Salomons hierover een persoonlijke verklaring af te laten leggen. Deze persoonlijke verklaring van ds. Salomons vond bij alle broeders dusdanige instemming zodat er, ook wat betreft ds. Salomons, niets meer in de weg stond. Op grond daarvan namen de gemeenten Urk, Gouderak, Delft, Vlaardingen, Hoofddorp, Rotterdam-Zuid, Drachten en Werkendam het besluit met de vereniging in te stemmen onder de naam van Christelijke Gereformeerde Gemeenten. Van dit besluit werd een persbericht uitgegeven. Op 25 juni 1961 preekte ds. Van Minnen in de gemeente van Urk, waarbij ds. Visser een preekbeurt in Drachten waarnam.

Op de classisvergadering van 9 september 1961 in Rotterdam-Zuid - alwaar aan ds. G. Salomons eervol emeritaat werd verleend en ouderling J.W. Kloot uit Gouderak toestemming verleend werd om zich voor te bereiden op het predikambt naar artikel 8 D.K.O -  kwamen instructies van Delft (die vooraf op 8 augustus 1961 aan de scriba van de roepende kerk van Rotterdam-Zuid waren toegezonden) ter tafel die moesten leiden tot een meer kerkordelijk samenleven. Instructie I handelde over het optreden van voorgangers in de gemeenten en instructie II over het optreden van voorgangers buiten de gemeenten. Deze instructies werden naar het oordeel van de kerkenraad van Delft niet met veel enthousiasme ontvangen.

Op 28 september 1961 maakten de gemeenten van Drachten, Delft en Hoofddorp de gesloten vereniging met de gemeenten rond ds. Visser weer ongedaan, daar men van mening was, dat onvoldoende gehoor werd gegeven aan de kerkordelijke instructies van Delft

Wordt vervolgd

Vervolg ds. Van Twillert

De gemeente van Vlaardingen, met ds. K. van Twillert, besloot achter te blijven in het kerkverband rond ds. Visser. In 1962 werd ds. Van Twillert beroepen door de gemeente van Rotterdam-Zuid uit een tweetal met de hervormde godsdienstonderwijzer Jacob Verboom uit Kollum, vader van ds. en hoogleraar W. Verboom. Als predikant van Rotterdam-Zuid week Van Twillert af van de gereformeerde leer en bewoog zich tot het einde van zijn leven in charismatisch-evangelische kringen. Hij liet zich ondermeer inspireren door de Amerikaanse evangelist en gebedsgenezer T.L. Osborn. Dat Van Twillert zich al eerder (in 1958) interesseerde voor Amerikaanse opwekkingspredikers en een beroemde conferentie daarvan in Nederland bijwoonde zegt in dit verband niets over hoe hij toen als persoon geweest is of gepreekt heeft. Die invloed is pas later een duidelijke rol gaan spelen. Iets van zijn reformatorische verleden bleef wel hangen: "Christus moet in het middelpunt staan", zei Van Twillert later in een vraaggesprek. "Terwijl heel wat Pinkstervoorgangers van ouds de Heilige Geest een groter plaats schijnen te bieden." (  )

Reactie Urk op vertrek ds. Van Minnen

De kerkenraad van Urk reageerde ondertussen op het 'plotselinge vertrek' van de drie gemeenten teleurgesteld.  Volgens hen had ds. Van Minnen schromelijk verzuimd Urk vooraf over dit vertrek in te lichten.

wordt vervolgd

1961. Het voorstel van Drachten

De gemeente Drachten leidde als 'preek lezende gemeente' een kwijnend bestaan. Op de classis wijdde ds. Salomons er enige woorden aan. Ds. Groen is ons door de dood ontvallen. De wegen van de Heere zijn voor ons soms zo onbegrijpelijk. We hebben de neiging om te denken, dat de Heere met ons alleen maar van kracht tot kracht voortgaat. Maar de wegen van de Heere zijn hoger dan onze wegen en Zijn gedachten hoger dan onze gedachten. In oktober 1961 werd een brief ontvangen van de kerkenraad van Drachten, waarin men te kennen gaf aansluiting te zullen zoeken bij de Gereformeerde Gemeenten en tevens het voorstel om met het hele verband contact te zoeken. Ds. Van Minnen zond deze brief door aan ds. Salomons met het verzoek om advies. Met ds. Salomons werd op 24 oktober 1961 - na een voor de JV gehouden lezing te Delft - overeengekomen, dat er een door de predikanten ds. Van Minnen en ds. Salomons ondertekend schrijven zou worden verzonden aan Drachten, waarin werd meegedeeld dat er niet aan aansluiting bij de Gereformeerde Gemeenten werd gedacht. De kerkenraden van Delft en Hoofddorp stemden met dit besluit in.

1962. Zaamslag en Vlissingen

Ds. B. van den Berg
Ds. B. van den Berg

In augustus 1962 ontving de kerkenraad van Delft een schrijven vanuit Vlissingen waarin belangstelling getoond werd voor het vervullen van een preekbeurt door ds. Van Minnen. De brief was ondertekend door br. Verhage, bestuurslid van de evangelisatiecommissie aldaar. Het is niet bekend of deze afdeling in verband stond met de Christelijke Gereformeerde kerk aldaar en nog bekend was met de prediking van ds. B. van Berg. Na enige tijd kwam het tot een gesprek met deze afdeling die onder leiding stond van ene broeder de Ridder. Op 20 september 1962 brachten enkele broeders kerkenraad van Delft een bezoek aan ds. G. Salomons in Terneuzen i.v.m. het aanstaande ambtsjubileum van ds. Van Minnen. Passant werd een bezoek afgelegd bij de familie br. Stoffels-Risseeuw te Zaamslag waarbij onder gesproken werd over de stand van het kerkelijke leven en het gevoel van onbehagen dat deze broeder daarbij met zich meedroeg.

1962/1963 Contacten met de Gereformeerde Gemeenten in Hersteld Verband

Van ds. P. Overduin die in  1946 zijn vader ds. D.C. Overduin (1875-1946) als predikant van de Gereformeerde Gemeente in Hersteld verband te Rotterdam had opgevolgd, ontving ds. van Minnen een brief waarin deze verklaarde 'genezen te zijn' van zijn verlangen om eventueel naar de Christelijke Gereformeerde Kerken over te gaan. Op 21 februari 1963 werd ds. Van Minnen door de kerkenraad van Rotterdam uitgenodigd op 17 maart in de gemeente voor te gaan. Men sprak tevens de hoop uit dat het alles mag leiden tot samenbundeling van de gemeenten. Ds. Van Minnen ging tevens in Giessendam voor.

Ondertussen was op de kerkraadsvergadering van 26 november 1962 in Delft een neef van ds. P. Overduin verschenen, namelijk D. Chr. Overduin uit Sliedrecht, geboren op 23 februari 1935 te Sliedrecht. (  )  Br. Overduin had binnen de Gereformeerde Gemeenten in Hersteld Verband (drie gemeenten in Sliedrecht, Giessendam en Rotterdam die zich in 1930 hadden afgesplitst van de Gereformeerde Gemeenten) preekconsent ontvangen. Een mogelijkheid tot een eigen preekplaats was er voor hem niet, omdat beide gemeenten een eigen predikant hadden. De predikant van Sliedrecht, ds. J. Overduin, was weliswaar in 1957 met emeritaat gegaan, maar de gemeente van Sliedrecht besloot zich in 1962 - in tegenstelling tot Rotterdam - aan te sluiten bij de Christelijke Gereformeerde Kerken. In verband met de ziekte van ds. P. Overduin ging br. D. Chr. Overduin regelmatig in de diensten van de gemeente Rotterdam voor.

Ter intermezzo vond op 19 januari 1963 een gezamenlijk overleg plaats tussen de kerkenraden van Delft en Vlaardingen omdat de vroegere zustergemeente aldaar leek in te stemmen met een terugkeer naar het verband van de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Op 31 januari 1963 kwam een schrijven van scriba-diaken br. N. van Noort, dat men alles bij nader inzien liet zoals het was.

Br. Overduin, machinebankwerker van beroep, liep al geruime tijd met een roeping tot het ambt van predikant. Een teleurstellende ervaring deed hij op in de kring van gemeenten rond ds. H. Visser Mzn. Ds. Visser Mzn. zou hem na een gehouden preekvoorstel geadviseerd hebben eerst gymnasiumonderwijs te gaan volgen en vervolgens nog 3 jaar theologische lessen. Br. Overduin voelde zich hiermee op een zijspoor gezet. Nu had hij zich gewend tot ds. Van Minnen. De kerkenraad van Delft besloot na de verklaring van br. Overduin het verleende preekconsent van de Gereformeerde Gemeenten in Hersteld Verband te eerbiedigen en schreef br. Overduin, die hiertoe zelf de wens te kennen gegeven had, als lid van de gemeente Delft in. Op de classisvergadering van 10 december 1962 te Delft werd br. Overduin op eenvoudige wijze onder leiding van ds. G. Salomons onderzocht naar roeping en genadestaat. Geen van de afgevaardigden bleek na afloop bezwaren te hebben br. Overduin in het verband te aanvaarden. Kort daarop vertrok hij echter weer als lid van de gemeente. In een persoonlijke brief aan ds. Van Minnen verklaarde hij dat hij de visie op 1 Korinthe. 11,  zoals die gedeeld werd binnen de Christelijke Gereformeerde Gemeente in Nederland, zag als "een terugkeer tot de  'ongoddelijke en oudwijfse fabelen uit 1 Timotheüs 4: 7". Nadat hierover nog een gesprek volgde in aanwezigheid van de kerkenraad van Delft waarbij ds. Van Minnen br. Overduin er ernstig op wees, zo niet met Gods Woord om te gaan, ging br. Overduin heen en vond een arbeidsveld in Hilversum. Op 1 november 1966 werd hij hier door zijn oom ds. P. Overduin, tot predikant bevestigd. Ds. D. Chr. Overduin diende de gemeente van Hilversum tot zijn overlijden op 12 November 1990.

Na enkele maanden stilzwijgen liet de scriba van de Gereformeerde Gemeente in Hersteld Verband in Rotterdam, br. H.C. van Heemst, per brief d.d. 16 juli 1963 aan de kerkenraad van Delft desgevraagd weten op nader contact geen prijs meer te stellen met de motivering: "gezien de ligging van uw gemeente anders is dan de onze".

1964. Br. T. van der Tang en Zoetermeer

wordt vervolgd

1965-1966. Samensprekingen met de Oud Gereformeerde Kerk van Dordrecht met ds. B. Hennephof, Oud-Beijerland en Colijnsplaat.  

Ds. B. Hennephof
Ds. B. Hennephof

Op 11 januari 1965 lag op de kerkenraadstafel in Delft een nieuwe uitnodiging op tafel, nu van de kerkenraad van de Oud Gereformeerde Kerk van Dordrecht om aanwezig te zijn op de classisvergadering van genoemde kerk. Dit om te zien of er wellicht mogelijkheden waren tot samensprekingen. De datum van deze vergadering was gepland op 22 juni 1965 in Dordrecht. Predikant van de Oud Gereformeerde Kerk van Dordrecht was ds. Berend Hennephof,

Ds. B. Hennephof.

Voor zover van belang eerst enkele bijzonderheden uit het leven van deze predikant. Berend Hennephof werd geboren op 9 september 1896 in Kampen. Rond zijn twintigste levensjaar voltrok er in zijn leven een bekeringsproces. Hij toen onder de prediking van de oudgereformeerde ds. C. de Jonge. Hennephof kreeg werkzaamheden met het predikambt. In januari 1930 hield hij zijn eerste preek in Rouveen. In 1931 werd hij onderzocht op roeping en genadestaat op voordracht van de gemeente Kampen (de gemeente van ds. C. de Jonge). De eerste maal werd hij afgewezen, maar een tweede aanmelding leidde wel tot toestemming om als oefenaar voor te gaan binnen de Federatie van de Oud Gereformeerde Gemeenten een koepelorganisatie - in 1922 opgericht - van een aantal vrije kerkelijke gemeenten rond ds. C. de Jonge. In 1934 nam oefenaar Hennephof een beroep aan naar Scheveningen waar hij op 29 mei 1934 door ds. C. de Jonge tot predikant werd bevestigd,

Kerkverband van ds. Hennephof.

Ds. Hennephof was goed onderlegd, zakelijk ingesteld (hij voerde verschillende rechterlijke procedures tijdens zijn ambtelijke loopbaan), de initiatiefnemer van verschillende periodieken ter verbreiding van de aloude beginselen der Gereformeerde leer onder het Nederlandse volk en had ook voor de jeugd. Hij kwam echter door zijn persoon en opvattingen enigszins in een isolement te staan. Ds. Hennephof scheidde de levendmaking (waarbij de mens zich bewust wordt van zijn gescheiden staat voor God) van de wedergeboorte. Hij benadrukte sterk de rechtvaardigmaking als een bewust moment die hij vereenzelvigde met de wedergeboorte. Op 16 september 1943 raakte ds. Hennephof met zijn gemeente in Scheveningen, Dordrecht en een afdeling in Monster buiten de Federatie. Op 27 september 1945 werd hij als predikant bevestigd in Dordrecht door ds. G.J. Zwoferink uit Kampen. Hierna begon ds. Hennephof met het organiseren van een eigen kerkverband waarin zijn gemeente in Dordrecht met enkele andere gemeenten in Colijnsplaat, Scheveningen, Monster, Oud-Beijerland, Hoofddorp en Giessendam werd verenigd. Ds. Hennephof die aanvankelijk de enige predikant was binnen deze kerkelijke groepering deed tevergeefs een beroep op ds. G.J. Zwoferink van Kampen, ds. B. Toes van Kinderdijk en ouderling Potappel van Stavenisse om zich met hun gemeenten bij zijn kerkverband aan te sluiten. Aan het einde van het jaar 1953 werd ds. Hennephof ziek. Het kerkverband van ds. Hennephof raakte hierdoor in verval. In 1956 waren alleen de gemeenten Dordrecht, Colijnsplaat en Oud-Beijerland overgebleven. In deze hoedanigheid zocht deze kerkelijke groepering nu toenadering tot de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland.

De kerkenraad van Delft was bereid tot een kennismaking en lichtte de gemeente Hoofddorp hierover in. Ook in het verzoek of ds. Van Minnen diezelfde avond (22 juni 1965) in Dordrecht wilde preken zagen de Delftse broeders geen enkel bezwaar. De classisvergadering werd bijgewoond en ds. van Minnen preekte in de gemeente van ds. Hennephof in Dordrecht.

Toen de kerkenraad van Delft de notulen kregen toegestuurd van de gehouden vergadering in Dordrecht hadden zij daarop wel enige aanmerkingen. Hierin stond dat het verzoek tot samensprekingen van Delft uitging, maar het moest dus andersom zijn.

Kennismaking prediking ds. Hennephof.

Ds. Hennephof benaderde in december 1965 de kerkenraad van Delft om ter kennismaking van zijn prediking in Delft voor te gaan. In overleg met ds. J.G. Van Minnen van Hoofddorp werd de datum van deze preekbeurt bepaald op 11 januari 1966. Op deze avond ging ds. Hennephof inderdaad in Delft voor, maar de inhoud van die prediking was naar het oordeel van de kerkenraad van Delft met name t.a.v. de orde des heils en de doopsbeschouwing, dermate verwarrend en onschriftuurlijk, dat de kerkenraad alleen al op grond daarvan van mening was dat een eventuele fusie tot de onmogelijkheid moest behoren.

Afgezien van de gehouden preek van ds. Hennephof van Delft die naar het oordeel van de Delftse kerkenraad geen reden gaf om enthousiast te zijn over een mogelijke vereniging was dit nog niet de reden dat uiteindelijk ook de contacten met deze kerkelijke groepering tot een einde kwam. De auteurs H. Hille en J.M. Vermeulen schrijven in hun boek 'In de schaduw van het kerkelijke leven: "Aanleiding tot het verbreken van de contacten [namelijk tussen de kerkelijke groepering van ds. Hennephof en de gemeenten rondom ds. Van Minnen E.L.] was uiteindelijk het verlengen van preekconsent door de classis Dordrecht aan iemand die buiten de gemeenten stond, zonder dat vooraf overleg was gepleegd aan ds. Van Minnen." De werkelijke gang van zaken was echter - op basis van de kerkenraadnotulen van Delft - geheel anders:

Een beste Mercedes maar de kachel deed het niet...

In de maand januari 1966 werd contact opgenomen door de heer C. van Marion met ds. Van Minnen en gevraagd werd of hij eens kennis kon maken met de broeders kerkenraad van Delft. De kerkenraad bewilligde daarin graag, maar zouden het op prijs stellen dat de broeders uit Hoofddorp ook bij deze kennismaking aanwezig zouden zijn. De vergadering werd belegd op zaterdag 22 januari 1966. Het oordeel van de heer Marion over de opvattingen van ds. Hennephof en diens kerkenraad in Dordrecht vergeleek hij met een autorit die hij eens met zijn beste Mercedes maakte door Zweden bij een felle kou. Zijn beste wagen deed het uitstekend alleen....de kachel deed het niet. Dit bracht hij over op het geestelijk klimaat in Dordrecht. Op maandag 24 januari 1966 zou de heer Marion met ds. Hennephof contact opnemen om deze te verzoeken ook eens met diens kerkenraad nader kennis te maken. Prompt daarop volgde een schrijven van de kerkenraad van de Oud Gereformeerde Kerk te Dordrecht gedateerd eveneens 24 januari 1966 waarin zij te kennen gaven op verdere samenwerking geen prijs te stellen vanwege een vermeend onderzoek van de heer C. van Marion. De kerkenraad van Delft antwoordde hierop per brief op 26 januari 1966 aan Dordrecht waarvan een afschrift werd gezonden aan de gemeenten te Colijnsplaat, Oud-Beijerland en Hoofddorp.

De nietszeggende reactie van Oud-Beijerland kwam op 29 januari 1966 en Colijnsplaat betreurde in een schrijven op 31 januari 1966 'de droevige situatie'. Op 4 februari 1966 nodigde Delft de gemeenten uit voor een nadere bespreking. De veronderstelling was niet ongemotiveerd, dat aan de gemeenten Colijnsplaat en Oud-Beijerland door Dordrecht inmiddels een zwijggebod was opgelegd want de reactie hierop was nihil.

Wordt vervolgd

1966. Haarlem-Centrum

Vanuit Haarlem-Centrum ontving ds. van Minnen een uitnodiging voor een vergadering van bezwaarden afkomstig uit de Christelijke Gereformeerde Kerk van Haarlem-Centrum. Men geeft aan moeite te hebben met de prediking van ds. J.P. Geels (1908-1990). De Christelijke Gereformeerde Kerk van Haarlem-Centrum werd eerder gediend door predikers als ds. J. Schotel, ds. J. van der Vegt, ds. J.W. Geels (sr.), ds. W. Bijleveld, ds. Joh. Prins, ds. W.F. Laman, ds. M. Holtrop waarvan gezegd kan worden dat ze allen wel min of meer een Schriftuurlijk-bevindelijke prediking brachten.

Ds. W. Bijleveld
Ds. W. Bijleveld

Ds. W. Bijleveld, in leven predikant van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Haarlem Centrum, geb. 4 Maart 1896, overleden 18 Nov. 1938.

Gedurende zeventien jaren heeft onze ontslapen broeder met al zijn gaven en krachten het welzijn der Kerk gezocht. Hij heeft haar gediend met de volle toewijding zijner groote liefde. Hij was immer gezien in de vergaderingen van Classes en Part. en Gen, Synodes. Naar zijn adviezen werd gaarne geluisterd. In verschillende commissies was hij een werkzaam lid. Hierbij denken we inzonderheid aan zijn warme liefde voor de Theol. School, waarvan hij jarenlang curator is geweest. Hij heeft zijn krachtige schouders gezet onder de zaak der opleiding tot den dienst des Heeren. Ook de Theol. School is in rouwe over haar trouwen en vriendelijken verzorger! Trouw en ernstig in de prediking en catechisatie, was hij beminnelijk in den omgang voor oud en jong; niemand deed ooit tevergeefs een beroep op zijn raad en hulp. Zijn huis stond evenals zijn hart voor zijn Gemeente open. Na zeventien jaren is de liefde en hoogachting, waarin de Gemeente hem hield, onveranderd gebleven, zoo mogelijk nog versterkt. Het blijkt, dat de Heere hem van Haarlem moest los maken, zou hij haar ooit kunnen verlaten. Dat is geschied! De Koning der kerk riep zijn knecht van zijn post. Wij zeggen, veel te vroeg! Maar Zijn raad zal bestaan en Hij doet al Zijn welbehagen.

Uit: De Wekker 25 nov. 1938

1966. Bewaar het Pand

In april 1966 nam ds. Smits zitting in de redactie van 'Bewaar het Pand' dat inmiddels was opgericht. Zie voor een uitgebreidere weergave van deze geschiedenis: Wat wilt Gij dat ik doen zal? biografische schets ds. van Minnen.  Met de oprichting van stichting 'Bewaar het Pand' opgericht werd de hoop dat meer predikanten en gemeenten vanuit de Christelijke Gereformeerde Kerken zouden overkomen tot het kerkverband nagenoeg de bodem ingeslagen.  Een kentering in het kerkelijke leven van de Christelijke Gereformeerde Kerken kwam er met de oprichting van 'Bewaar het Pand' niet. Bij het 40-jarig jubileum moest men concluderen: "Wat betreft de prediking zijn de zorgen alleen maar groter geworden. Veel dominees gaan uit van de gedachte, dat de gelovige gearriveerd is in Christus.

Men zet in op de levensheiliging. De wedergeboorte en de waarachtige bekering zijn op de achtergrond komen te staan. De drieslag van de Heidelbergse Catechismus, ellende, verlossing en dankbaarheid komt zelden meer aan de orde.

De gemeenten hebben de Statenvertaling ingeruild voor de Nieuwe Bijbelvertaling en de psalmen moeten wijken voor gezangen en opwekkingsliederen. De predikanten wijzen de gemeenteleden op Gods beloften. Op verschillende plaatsen vinden gemeenschappelijke kerkdiensten plaats met de Nederlands Gereformeerden of de Vrijgemaakten. In deze kerken heerst het verbondsoptimisme waarbij de gelovige het heil dankzij het verbond makkelijk kan toe-eigenen. Alsof iedereen automatisch een kind van God is. Nagenoeg geen enkele vrouw komt nog met een bedekt hoofd naar de kerk." Ook op het terrein van ethische kwesties leven grote zorgen waarbij verwezen werd naar de verschillende studies van o.a. dr. B. Loonstra. Met spijt stelde ook iemand uit het middenveld, ds. J.H. Velema, vast dat de Christelijke Gereformeerde Kerken zich vanuit hun middenpositie zich naar de rand van de Gereformeerde gezindte hebben gewerkt.

1966. Kerkblad

Op 24 januari 1966 werd op - initiatief van Hoofddorp - besloten tot de uitgave van een officieel kerkblad. Dit blad zou tenminste moeten bevatten een meditatie, actuele onderwerpen met betrekking op het hedendaagse kerkelijke leven en gebeurtenissen die zich afspelen op het wereldtoneel. Dit uiteraard met een duiding vanuit Gods Woord.

1967. Zwijndrecht met ds. E. Venema

Inmiddels was de omvang van het kerkverband almaar kleiner geworden. Er waren nu nog maar twee gemeenten over: Delft en Hoofddorp met één predikant, want ds. Salomons was inmiddels met emeritaat en woonde in Terneuzen. Op een bewuste kerkenraadsvergadering in 1967 in Delft kwam het onderwerp ds. E. Venema en de Hersteld Christelijke Gereformeerde Kerk in Zwijndrecht ter sprake. Nadat met de scriba van Zwijndrecht een afspraak was gemaakt volgde er een broederlijk gesprek. Er werd een vervolg afspraak gemaakt, waar opnieuw op bijzonder broederlijke toon met elkaar werd gesproken. Toch was er een aarzeling. Het bleek dat de kerkenraad van Zwijndrecht teveel verdeeld was over de koers. Uiteindelijk kwam het hoge woord eruit bij één van de broeders uit Zwijndrecht, dat men de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland te klein vond. Na enige tijd sloot de gemeente Zwijndrecht zich aan bij het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten.

Wordt vervolgd

G. den Boer uit Driebergen

De heer G. den Boer (1917-1990) geboren in Rotterdam behoorde evenals ds. Van Minnen van oorsprong tot de Gereformeerde Gemeenten. De prediking van ds. G.H. Kersten was naar zijn eigen zeggen het middel geweest tot zijn bekering. Later kerkte de heer den Boer in de Gereformeerde Gemeente in Nederland, bij ds. D.L. Aangeenbrug. Hij was bevriend met ds. F. Bakker en kerkte regelmatig bij hem. Bij diens gemeente in Driebergen sloot hij zich echter niet aan. Enige tijd later werd hij weer lid van de Gereformeerde Gemeenten bij ds. A. Hofman in Zeist. Hij vertelde aan ds. Hofman dat hij meende geroepen te zijn tot het predikambt. Hierbij haalde hij ondermeer de tekst aan uit Jesaja 41: 15 "Ik heb u tot een scherpe dorsslede gesteld.... Ds. Hofman nam deze roeping niet over. In 1967 kwam hij in contact met ds. Van Minnen. De contacten waren onder meer ontstaan via het initiatief van de oprichting tot het Reformatorisch Dagblad. Den Boer behoorde tot de initiatiefnemers ervan. Hij was tot 1978 voorzitter van de Stichting Reformatorische Publicatie. Ds. van Minnen die een beroep naar Delft had aangenomen, bleek bereid hem als zijn opvolger in Hoofddorp te bevestigen. Op 26 november 1967 werd De Boer tot Lerend ouderling in Hoofddorp bevestigd. (  )

Over de heer de Boer vermeld ds. Salomons ook het één en ander in zijn brieven. Onder meer dat De Boer inderdaad omgang had met de familie ds. F. Bakker. Ds. Salomons meldde dat hij enig sympathie voor hem heeft als persoon, "door zijn vriendelijke optreden wint hij veel", maar ook "diens eerlijkheid gaat niet altijd met zijn vriendelijkheid gepaard." Volgens ds. Salomons had de weduwe van ds. F. Bakker gezegd "hij is niet bepaald een beginselvast man." Ds. Salomons heeft over het onderzoek van G. Den Boer naar diens roeping en genadestaat het volgende geschreven: "Soms werd hij [ds. Van Minnen] wat oplopend [vanwege de waarschuwingen van ds. Salomons om niet te overhaast te werk te gaan] en toen de heer [G.] den Boer ter vergadering te Delft verscheen, zorgde hij dat ik er niet bij kon zijn. O, alle broeders vertrouwden, dat die lieve innemende man van God geroepen was, de man beriep zich op een tekst die volgens hem klonk als een klok inzake de roeping tot het ambt? Hadden de broeders toen maar eens de Bijbel geopend en het juiste verband van die mooie tekst nagelezen, maar ik geloof dat de hele vergadering destijds met blindheid was geslagen."

wordt vervolgd

Een tijdelijk verblijf in Opheusden

Ondertussen bleven de contacten over de kerkmuren heen. Ds. Van Minnen verkeerde in deze periode enige tijd in de omgeving van Opheusden waar zijn zus onderwijzeres op een christelijke lagere school was en hij ook enkele geestelijke vrienden had. Hij vertelde daarover het volgende: "...Stil ligt het kleine station daar in de Betuwe tussen Rijn en Waal. De naderende trein breekt even de stilte. De remmen knarsen. Slechts enkele reizigers stappen uit. Ze gaan de weg op, die naar 't centrum van het dorp voert.

Treinstation Opheusden jaren 50-60
Treinstation Opheusden jaren 50-60

Er is veel veranderd. Opbouw en uitbreiding na de oorlog. Er zijn er die beweren, dat de dorpelingen ook wel wat veranderd zijn, maar niet ten goede. Velen zijn geestelijk achteruit geboerd. En zegt men, dat komt door de evacuatie in gebieden, waar men veel van 't wereldse heeft overgenomen. Gelukkig zeggen de bewoners dit niet eenparig. Er zijn er die 't beter inzien. Die de geestelijke achteruitgang van binnen uit hebben geconstateerd; mede door de vermaterialisering na de oorlog. Deze geven niet enkel de wereld en de duivel de schuld. Inmiddels is één van de reizigers 't centrum van het dorp genaderd. Dan slaat hij rechtsaf een laantje in. Een rustig fraai na-oorlogs kerkgebouw staat links van de ingang van het laantje. Aan het einde van het laantje rijst een zware dijk omhoog. Van 't laantje dat op de dijk uitloopt; op de weg aan de voet van de dijk, die weg rechts inslaande, staat een houten kerkje; vriendelijk en nodigend. 'De planken kerk' noemen ze het. ( ) Maar een prediker met een hart van Goddelijk goud heeft in die kerk van hout, die wandelaar door Gods genade rijk zijn ziel verkwikt op de moe-makende pelgrimstocht. Aan de andere zijde tegen de dijk aan staat een dorpscafétje, waar holle muziek lokt en nodigt om het holle mensenhart te vervullen. - of nog lediger te maken!? 

De wandelaar is intussen links van de weg afgeslagen naar een stevig huis, nog van voor de oorlog, omgeven door een tuin. In een prieel naast het huis zit een krasse grijsaard van ver in de tachtig. Naast hem in een invalide wagentje zijn zoon; stil en vriendelijk. Een hartelijke begroeting met een stevige handdruk volgt. Ze kennen elkander al jaren lang; die oude grijsaard en die ook zo jong niet meer zijnde predikant. Al van voor de oorlog kennen ze elkander; ook betreffende hun innerlijk geestelijke leven zijn ze geen vreemden voor elkander. Eenzaam was 't geworden voor die oude, die nog maar kort geleden zijn vrouw door de dood heeft moeten missen. Zij, met wie hij meer dan zestig jaren het huwelijkspad had betreden. Wat is het gemis van haar des te smartelijker voor hem - juist na zo lang lief en leed te hebben gedeeld. Over 't vreemdeling op aarde zijn gaat nu het gesprek. Over 't almeer z'n vreemdelingschap beleven. En over 't verre verleden. Zeker, dat de mensen van toen óók zondaren waren. Maar dat er verschil is, diep verschil ten opzichte van de openbaring der zonde in de mensen van nu. Nee, het verschil ligt niet in het: toen waren de mensen geen zondaren en nu zitten ze vol met zonden.

Neen 't gesprek loopt daarover, dat de zonde meer en meer rijp wordt. Dat we al meer toegroeien naar 'de mens der zonde.' 'De mens der zonde', de antichrist met zijn steeds groter wordende aanhang en in hem steeds meer 't volgroeien der zonde, als teken van de eindtijd, waarin we leven.

En, vervolgden wij het gesprek, 't meest beangstigende is de ingezonkenheid van zovele kinderen Gods en ook van de knechten des Heeren. Het angstige, dat vele wijze maagden met de dwaze maagden in slaap gevallen zijn. Dat er zo weinig opmerken is over de ingezonkenheid van de Kerk des Heeren. En dat bij de dienaren des Heeren 't herderschap zo weinig resulteert en alleen soms 't leraarschap op de kansel functioneert - maar hoe soms!

Dan leeft 't op bij deze nog heldere grijsaard, als hij vertelt van die predikant, van jaren her. Hoe deze een beroep naar de gemeente aanvaarde in de wetenschap door de Heere daartoe overgebogen - al werd zijn pastorie voorlopig een kamer, keuken, slaapkamer en zoldertje en niets beloofd kon worden van een paleis-pastorie. Hoe aantrekkelijk, toen hij vertelde hoe deze herder voor zijn intrede in de gemeente eens kwam preken. Toen die kleermaker aanbood de dominee een pak aan te meten, gezien dat wat hij droeg, meer groen getint was, dan zwart. Hoe kinderlijk 't getuigenis van deze herder bij 't aanvaarden en
dragen van dat nieuwe kostuum, toen hij zeide: "Als ik er nu maar niet trots op word." Hoe stemde deze broeder het toe, dat als in doorsnee de prediking meer was naar 's Heeren Woord en bevel en de tucht meer gehandhaafd werd - er zulke grote gemeenten niet zouden zijn. En dat dan de herderlijke kant van 't predikant zijn meer mogelijk zou zijn en tot z'n recht komen. Daarbij sloot het gesprek aan over 't groot te kort aan predikanten. De belofte Gods is waar: "Uwe ogen zullen uw leraars zien." Maar hoe zit 't dan met het gebed ten opzichte van deze belofte. De Heere wil er door de huize Jacobs om gebeden zijn. Wat is de oorzaak van 't stagneren van het gebed voor deze zaak? Is 't om God te doen uit de nood der ziel? Of alleen maar een koning, zoals Israël er één begeerde buiten de nood der ziel en buiten God om? En ze kregen Saul! Uit Gods linkerhand! ...De tijd was omgevlogen. Inmiddels hadden wij koffie gedronken, gepresenteerd door de vriendelijke schoondochter van de grijsaard. We gingen het huis binnen van de zoon en schoondochter met hun kinderen, bij wie onze oude broeder inwoont en liefderijk verzorgd wordt. Toen het nooit te vergeten ogenblik, dat wij daar met die grijsaard, zijn kinderen en kleinkinderen en nog enkele aanwezigen voor Gods aangezicht mochten naderen in de weg des gebeds. Hoe opende Die grote Voorbidder de hemel. Hoe mochten wij onze harten tot Hem opheffen, "Die in de hemel zit." Met al onze noden; met al onze ledigheid; met al, onze volheid door Hem; met al onze verlangens om heel dicht bij de Heere te leven. Welk een wonder van het nederdalen des Heeren in het hart, om het opwaarts te verheffen tot de eeuwige, volle Levensfontein. Wat was de terugweg vol van licht! 't Licht van de Zonne der gerechtigheid.



Dorpskerk van Opheusden
Dorpskerk van Opheusden

O Heere, hoe rijk en licht is bij alle te kort en donkerheid, 't nog op een dorp, waar er gevonden worden, die u vrezen; die wandelen in uw wegen. Ook nog onder de jonge mensen, die er amper over durven spreken. Bij dochters, die in kleding, haardracht en eenvoud en in enkel eenvoudige woorden doen vermoeden, dat de Heere ook nog in jonge mensen met Zijn Woord en Geest werkt. Hoe goed was het bij die oude grijsaard; óók in het eenvoudige huisje aan de Rijnbanse dijk; in enkele woningen aan de Dalwagense weg en in die woningen bijna buiten 't dorp bij de spoorlijn naar Kesteren. Daar waar ook banden liggen met die broeder en zijn gezin. Rijk waren die enkele dagen in dit Betuwse dorp, waar wij nog enkele maanden onderwijs hebben mogen geven op de Christelijke school aldaar. Dat was vakantie onder Gods gunst!"


In memoriam ouderling G. Barten

Op 79-jarige leeftijd is dinsdag 15 oktober 1968 de heer G. Barten, in leven wonend te Hoofddorp, de eeuwige rust ingegaan. Tientallen jaren heeft deze broeder als ouderling in de wijngaard des Heeren mogen arbeiden; het grootste deel van die tijd in de Christelijke Gereformeerde Kerk van Haarlem-Centrum. De laatste jaren van zijn leven in de gemeente te Hoofddorp. Opgevoed in de vermaning en vreze des Heeren, wandelde onze broeder, hoewel in godsdienstbetrachtingen levend, naar het goeddunken van zijn eigen hart, totdat in zijn jongelingsjaren de Heere hem te sterk werd. Hoe kon hij vertellen van de bange strijd die hij toen had te doorworstelen, hoe hij als een geheel ongelukkige in zichzelf zijn weg ging, maar ook hoe hem, na diepe zielsontdekkingen door Gods Geest de volkomen zaligheid voor zondaren in Christus ontsloten werd. En degenen die hem van nabij kenden weten dat het vooral de preken waren waarin de noodzakelijkheid, maar ook de heerlijkheid en volzaligheid van Christus' Borgwerk uitblonken die zijn hart raakten. Dat was ook zo toen zondag 15 september jl. de laatste zondag was aangebroken dat hij onder de dienst des Woords mocht opgaan. Er werd toen een predicatie gelezen n.a.v. Hooglied 5 over "De zwerftochten van de bruid van Christus". Die predicatie ging als ware door zijn ziel heen. Een ogenblik werd gedacht dat hij vanwege zielsaandoeningen uit de kerk gebracht zou moeten worden. Na de dienst vertelde hij dat hij met de zaken in die preek verhandeld 's morgens vroeg in de geest was werkzaam geweest en in de weken die nog volgden was het steeds weer de inhoud van die preek die hem spreken deed. Hoewel reeds lijdend aan gebreken van ouderdom, bracht een ernstige ziekte hem binnen enkele weken aan het eind van zijn aardse loopbaan. Zaterdag 12 oktober nog naar het ziekenhuis gebracht, vertoonden zich reeds dinsdagmorgen daarop volgend de tekenen van het naderend einde. En zie, hoewel in zijn leven zeer bezet met vrees voor de dood, mocht hij, slechts een enkel uur voor zijn sterven getuigen: "Ik heb een begeerte om ontbonden en met Christus te zijn" en: "Genade, genade alleen". De prikkel des doods was weggenomen. Geen doodstrijd heeft hij schier gekend. Thans is hij daar waar hij de wens van zijn hart verkregen heeft om God in volmaaktheid te dienen eeuwig en ongestoord. Zaterdag 19 oktober had de begrafenis onder grote belangstelling te Hoofddorp plaats. Hoewel droefheid het hart vervulde vanwege het verlies, lag evenwel op deze dag een glans van Gods goedgunstigheid. Een Koningskind werd ten grave gedragen. 'Let op de vrome en zie naar de oprechte want het einde van die man zal vrede zijn.'

Uit: Kerkelijk blad 'Open Vensters'


1968. Wegen gemeenten Delft en Hoofddorp gaan uiteen

De gemeente van Delft en Hoofddorp bleven na een kwestie die veel verdriet opleverde: (zie levensschets ds. J.G. Van Minnen: Wat wilt Gij dat ik doen zal, ) voortbestaan als zelfstandige gemeenten. In Hoofddorp bleef G. den Boer als voorganger werkzaam totdat hij vertrok naar een gemeente in Twijzel. Delft werd nog regelmatig gediend door ds. G. Salomons vanuit Terneuzen. Hij werd per auto gehaald en gebracht, maar ondernam ook zelf weleens de reis of een gedeelte daarvan per trein, tram, boot of taxi.

wordt t.z.t. vervolgd


Terneuzen, 15 december 1969

Waarde brs.

Even aandacht voor het volgende. Toen we goed en wel thuis waren gevoelde ik mij niet goed worden en moest enkele dagen naar bed. Ik denk dat ik op onze tocht door België toch kou gevat heb; ik was trouwens ijskoud geworden in de auto. Nog is het in mijn buik niet in orde, maar ik hoop toch D.V. met de kerstdagen in Delft te kunnen zijn. Maar een autotocht over België zullen we zolang het winter is maar absoluut uitstellen. Ik ben hier bij een taxibedrijf geweest. Men kan ons per taxi naar het station Kruiningen brengen, kosten ongeveer 40 gulden, plus boot-kosten en bij die al dien de taxi terug van Station Kruiningen naar veerhaven Kruiningen de boot niet haalt nog wat meer voor het wachten (...) Terwijl ik dit schrijf komt er helaas enige verbittering in mijn hart op tegen ds. Van Minnen en vraag ik: waarom wil die stijfkop nu niet buigen? Dat zou voor Delft een uitkomst zijn, voor hemzelf een winst en voor het laatste restje van mijn leven wat makkelijker maken. Niet dat ik niet gaarne preek in Delft, maar ik gevoel dat ik op mijn laatste sloffen loop. (...) Ik heb van Den Boer geen enkele reactie ontvangen op mijn brief, waarin ik hem vriendelijk en dringend aanraad zich met Delft in verbinding te stellen. Wel heb ik zijn mededelingenblad ontvangen, daarin staat vermeld dat de dankdagcollecte aldaar 625 gld. heeft opgebracht, en ook andere collecten zijn niet slecht. Door zijn vriendelijk optreden wint hij veel. Ook staat in dat mededelingenblad: zondag 7 december 10 en 4 uur ds. K. v.d. Belt van Twijzel. Donderdag 11 december de heer J. Breman, donderdag 18 december de heer A. Kot van Tholen, vrijdag de heer v.d. Kraats van Koudekerk aan de Rijn 10 uur, enz. Ook mevrouw {weduwe F.] Bakker had dit in opgemelde mededelingen blad gelezen en vond dit niet zo vreemd van de heer den Boer, want volgens haar was hij kerkelijk bepaald geen beginselvast man. Maar hoe is het nu met die dominee uit het hoge Noorden, of wordt hij kerkelijk zo'n soort scharrelaar zonder tenslotte naar de goede orde ook inzake het huis Gods een vaste keuze te doen en een bepaald standpunt in te nemen? Zie ik ben zelf ook niet zo'n hoog-kerkelijk mens; ik geloof zelf dat de Heere wonen en werken wil in kerken en kringen, waar ik mij niet thuis zou voelen; een verschil met mijn beste broeder Deijs, die wel van dat werken Gods, maar niet van dat wonen Gods in verschillende kerken weten wil? Ik denk altijd maar weer aan mijn preek als student in Amersfoort, verschillende kerken en groepen van uitgesproken rechtzinnige belijdenis hebben als eilandjes in de oceaan gezamenlijk een zelfde bodem, diep, heel diep in de zee van Gods ontferming. Maar om nu als de heer den Boer en als ds. Van der Belt te doen en overal te gaan grasduinen, ja zelfs een dominee uit een andere kerk een kind uit eigen kerk te laten dopen, dat is m.i. streng af te keuren.

Terneuzen, 7 januari 1970

Brief aan de kerkenraad Chr. Geref. Gem. in Nederland te Delft

Beste brs.

We zijn dus weer behouden thuis gekomen, maar ik was wel erg vermoeid mede van dat zevenmaal preken, al mag niet ontkend [worden] dat de vrienden te Delft mij zoveel mogelijk rust en verzorging hebben geschonken. Wat is het hier nu bitter koud, sneeuw en ijs en scherpe windstoten. Ik zet dan ook geen voet buiten

Ds. G. Salomons (wordt t.z.t. vervolgd)


1971. Overlijden ds. Van Minnen en ontwikkelingen daarna

Op 6 januari 1971 overleed ds. J.G. van Minnen in Delft. Ds. C. Smits ontving in maart 1971 een beroep van de Oud Gereformeerde Gemeente in Nederland van Giessendam en in juni 1971 nogmaals. Toen verliet hij alsnog de Christelijke Gereformeerde Kerken door dit beroep aan te nemen.  Hier is ds. Smits predikant gebleven totdat voorgaan vanwege achteruit gang van zijn verstandelijke vermogens vanaf eind jaren tachtig niet meer mogelijk was. In 1994 is hij overleden. Andersom sloot de Gereformeerde Gemeente in Hersteld Verband van Rotterdam zich, met ds. P. Overduin, juist weer bij de Christelijke Gereformeerde Kerken aan in 1980. Deze gemeente wordt sinds 2015 gediend door ds. A.J.T. Ruis. In 1972 nam ds. E. Venema vanuit Zwijndrecht het beroep naar de gemeente van Drachten aan. De gemeente die zich inmiddels bij het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten had aangesloten kwam tot bloei en er werd ook een Reformatorische basisschool gesticht. De gemeente van Hoofddorp werd in 1973 opgegeven. Leden van deze gemeente sloten zich (anderen ook bij de Gereformeerde Bond in Amstelveen) aan bij de Gereformeerde Gemeente aldaar. Tussen 1979-1982 werd deze gemeente wellicht ook niet geheel on-toevallig gediend door ds. G.A. Zijderveld, eveneens afkomstig uit de Christelijke Gereformeerde Kerken.

1971. Dr. M.J. Arntzen??

In maart 1971 had ds. Salomons een hartig woordje met de kerkenraad van Delft te schrijven. Dit nadat hij op zondagavond vernomen had, dat de innovatieve scriba van Delft, br. A. Deijs (1927-1995), een oriënteerde brief had geschreven naar dr. M.J. Arntzen. Dr. Arntzen had zijn ambt in Gereformeerde Kerken neergelegd omdat naar zijn mening in dit kerkverband "de meest centrale waarheden van het gereformeerde belijden worden aangetast". (zie: Brochure De crisis in de Gereformeerde Kerken, Amsterdam 1965) Ds. Salomons besloot dit aan te horen en te wachten tot hij weer in Terneuzen was. Dan schrijft hij een brief met een waarschuwende toon: "Als u dit schrijven vluchtig doorleest zal de verbazing bij u stijgen, maar als u herleest en misschien nog eens herleest, zal misschien de verbazing plaatst maken van begrijpen. Toen ik zondagavond br. Deijs zijn epistel gericht aan de heer Arntzen voorlas (hij is iemand die zijn ambt heeft neergelegd) groeide eigenlijk mijn ergernis. Niet dat de inhoud van dit schrijven niet keurig was opgesteld, maar de goedkeuring van de kerkenraad omtrent het zenden van dat epistel heeft mij de hele dag bezig gehouden; ik heb er met de broeders des zondag avonds met geen woord over gerept, dat betaamt niet in het bijzijn van de andere gemeenteleden; dat is revolutie. Toen de broeders mij terug brachten, was de zaak binnen ook niet rijp, dus maar weer zwijgen. Nu heb ik alles wat ik van bovengenoemde heer heb gelezen (over hem en van hem) nog eens rustig overdacht. Een gereformeerde bonder prijst hem, maar prijzen of laken van dien kant sla ik niet hoog aan. Voorgangers van de Gereformeerde kerken noemen hem een bruut een onbekookte vechtjas. Dat begrijp ik, want hij trapt ze m.i. flink op hun lange tenen. Maar broeders kerkenraad, nergens heb ik gelezen dat mijnheer Arntzen ook bewaar heeft tegen de doorsnee Gereformeerde prediking die van alle echte bevinding gespeend is. Hij zegt wel ergens dat de mens wederom geboren moet worden, dat zeggen ook alle christelijke gereformeerde dominees, maar terwijl ze de veronderstelde wedergeboorte verwerpen, aanvaarden ze wel de veronderstelde bekering. Een soort verbondsmethodisme die funest is. 

Ja, gelukkig voorgenoemde heer is wars van elke zelfs bedekte vorm van Schriftkritiek, van wereldgelijkvormigheid en wat dies meer zij. Maar hebt u ooit gehoord, dat zoals bij wijlen ds. De Cock (1834) de toegepaste theologie en christologie werd gesteld? 

Dr. M.J. Arntzen
Dr. M.J. Arntzen

"Waar lees je iets bij hem over de Schriftuurlijke bevinding der heiligen? Nergens en nergens! Moet men met zo iemand kerkelijk contact zoeken? Was dan maar in de Christelijke Gereformeerde Kerken gebleven! Dat kon en mocht en wilde Delft c.s. niet, want dan was ook Delft in die hoek terecht gekomen, waar de z.g. zware broeders zitten: die elkander toeroepen: blijf zitten waar je zit en verroer je niet. Ik weet wel, dat de nu ook zalige Van Minnen er soms als de kippen bij was om contact te zoeken met uitgetredenen uit andere kerken. Wat heb ik hem dikwerf mondeling, telefonisch en schriftelijk gewaarschuwd om toch niet zo haastig te handelen. De zaak bij deze en gene eens te laten overwinteren, maar mijn wapenbroeder meende dat Salomons te wantrouwend jegens anderen was." (..) "En zijn die tot nog toe al die haastige pogingen door de Heere verijdeld en nu nog niet geleerd? Ik schrijf dit niet uit een zekere hoogheid, alsof ik de wijsheid in pacht heb, maar ik die altijd weer moet leren, dat ik van gisteren ben en niets weet mag u toch wel ernstig waarschuwen, dien telkens ingeslagen weg eens radicaal te verlaten." (   )

1973. Ds. I.J. IJsselstein uit Schiedam

In Maart 1973 legde de scriba telefonisch contact met ds. I.J. IJsselstein, predikant van de Vrije Christelijke Gereformeerde Gemeente in Schiedam. Na een broederlijk telefoongesprek vond op 3 april 1973 een persoonlijk gesprek plaats. Op 14 mei 1973 liet ds. IJsselstein in een hartelijke brief weten, dat hij de last van Delft niet op zich kon nemen gezien zijn leeftijd. "Het doet mij leed voor kerkenraad en gemeente, maar ik kan niet anders, en spreek langs deze wens en welgemeende begeerte uit dat ons samenzijn van 3 april in een aangename herinnering in onze gedachten mag achterblijven. Desondanks blijf ik altijd bereid in bijzondere gevallen, als er bij de broeders  geen bezwaren zijn, de gemeente belangeloos zonder geldelijke vergoeding bij te staan." (  )   

wordt vervolgd

1975. Overlijden ds. Salomons en ontwikkelingen daarna

Wordt vervolgd

1975. Ds. H. van der Veen uit Saint Ambroix (Frankrijk)

Wordt vervolgd



Noten

( ) Dr. J. Zwemer (hij is oorspronkelijk afkomstig uit de Gereformeerde Gemeenten en gepromoveerd aan de VU op de bevindelijken maar staat nu zelf buiten de kring) geeft een verkeerde taxatie als hij spreekt over een richtingenstrijd in een vroeg stadium in de Christelijke Gereformeerde Kerk na 1892. Hij schrijft in zijn boek 'In conflict met de cultuur' hoofdstuk 4 'De (overig) bevindelijk gereformeerde kerken in de naoorlogse periode' onder het kopje 'Christelijke Gereformeerden en vrije gemeenten': "De theologen van het in 1869 ontstane kerkverband oriënteerde zich op de orthodoxie van voor 1650. In het deel dat in 1892 weigerde samen te smelten met de dolerenden werd die tendentie nog versterkt in reactie op de theologie van Kuyper in de Gereformeerde Kerken. (...) Tegenover de rol van de uitverkiezing, beklemtoonden de christelijke gereformeerden het 'geloof alleen', tegenover Kuypers 'veronderstelde wedergeboorte' hielden zij vast aan het persoonlijke geloof. Deze positiekeuze liet echter ruimte voor een 'zware' prediking en een vaste, in fasen ingedeelde bekeringsweg. In veel gemeenten werd een op bevindelijk zelfonderzoek gebaseerde preek op prijs gesteld, omdat velen zich in een fase van de bekeringsweg voor de bewuste wedergeboorte achtten te bevinden. Dergelijke elementen van 'Kruisgezinde' of 'Drentse' afkomst waren immers voortdurend de Christelijke Gereformeerde Kerken binnen komen druppelen - uit vrije gemeenten en uit de Gereformeerde Kerken. (...) In de eerste tijd na 1892 gaven deze liggingsverschillen geen aanleiding tot moeilijkheden. In een periode daarna traden de liggingsverschillen aan het licht aan de top van het kerkgenootschap. Waarschijnlijk was de bevindelijke richting er nog niet van doordrongen dat zij in een minderheidspositie verkeerde. (...) Na 1928 werd in de Christelijke Gereformeerde kringen de theologie van J. Jongeleen toonaangevend. Jongeleen kende het 'genadeverbond', de [voorwerpelijke! E.L.] relatie van God met alle gedoopten, een grote rol toe in het persoonlijke geloofsleven." [onderwerpelijke! relatie, kan alleen tot stand kan komen door wedergeboorte en dat ontkende ds. Jongeleen niet E.L.]
Dr. J. Zwemer beweert dat er discrepantie werd ervaren tussen de visie van ds. Jongeleen en de bevindelijke richting in de Christelijke Gereformeerde Kerk waarvan hij ds. P.J.M. de Bruin als belangrijkste vertegenwoordiger ziet. Echter Prof. P.J.M. de Bruin deelde voluit de visie van ds. Jongeleen op het genadeverbond en zelfs vanuit de Gereformeerde Gemeenten werd deze visie bijgevallen (zie pagina levensschets ds. J.G. Van Minnen). Ook ds. L.H. van der Meiden en Prof. G. Wisse vielen de visie van ds. Jongeleen bij. Ze verdedigden deze visie n.b. tegenover ds. G.H. Kersten. In deze periode (rond 1928) is het nog te vroeg (afgezien van de overgang van ds. J.D. Barth) om van richtingen te spreken in de Christelijke Gereformeerde Kerk (samensprekingen met de Gereformeerde Gemeenten waren nog gaande). Verder schrijft Zwemer: "Zij (de z.g. bevindelijken) konden erop wijzen waar Jongeleens theologie toe kon leiden (pagina 23) Dit was echter dr. C. Steenblok die dit later vanuit de Gereformeerde Gemeenten deed, maar niet de bevindelijken in de Christelijke Gereformeerde Kerk.
Verschillende visies over het doen van belijdenis (Van der Schuit) (doet men dit van de waarheid of van een persoonlijk geloof) en de visie op de kerk (slechts het instituut of staat die gelijk met de levende Kerk?) hoeft in combinatie met een Schriftuurlijk-bevindelijke prediking nog geen wezenlijk verschil op te leveren. Met name in het Noorden van ons land was het lange tijd niet ongewoon dat men pas belijdenis deed nadat men tot zekerheid van geloof was gekomen. Denk ook aan baptisten als J.C. Philpot etc.
Dr. E.G. Bosma (Hij is lid van de Gereformeerde Gemeenten en gepromoveerd op de houding van de bevindelijk-gereformeerden tegenover het nationaal-socialisme tijdens de Tweede Wereldoorlog) neemt de visie van Zwemer grotendeels over. Hij spreekt ondermeer over een rechterflank in de Christelijke Gereformeerde Kerk in de jaren twintig en dertig die zich grotendeels in Zuid-Holland en Zeeland bevond. ('Oude waarheid en nieuwe orde. Bevindelijk gereformeerden en het nationaalsocialisme 1920-1950')
[N.B. Ook in belangrijke plaatsen als Haarlem, Utrecht en Veenendaal waren christelijke gereformeerde gemeenten die vanouds gestempeld waren door de oorspronkelijke bevindelijke prediking. Ook in Friesland en Groningen waren er van die gemeenten. E.L]
Dr. C.M. van Driel komt tot de constatering dat er in de jaren twintig (afgezien van de strijd om politieke voorkeuren) nog te weinig was om van een richtingenstrijd binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk te spreken. Pas in de jaren dertig worden theologische bezwaren tegen elkaar uitgesproken. Gemeenten gaan verschillen benoemen. Van Driel haalt voorbeeld aan van de intredepreek die ds. E. du Marchie van Voorthuysen in 1937 hield. Deze preek leverde fikse kritiek op van ds. W. Meijnhout. Deze predikant sprak van een preek die 'demagogisch van karakter zou zijn en geen bediening des Woords.' De classis Amsterdam sprak op verzoek van de kerkenraad van Urk uit dat deze preek 'essentieel' christelijk-gereformeerd was. Consolidatie en crisis, De Christelijke Gereformeerde Kerk tussen 1948, pagina 23
[Du Marchie vormde een enigszins apart geval. Hij was afkomstig uit een luxueus werelds mileu. Na zijn bekering kwam hij terecht in de Christelijke Gereformeerde Kerk en werd hier predikant. Hij kwam na enige tijd onder invloed van ds. J.H. Koster van Montfoort. Specifieke accenten in zijn prediking [die niet gedeeld werden door de andere behoudende broeders] werden hierdoor bepaald. De voordracht van zijn prediking was eveneens afwijkend ten opzichte van andere behoudende broeders. E.L.]
Van Driel merkt op dat Prof. Wisse mogelijk Du Marchie van Voorthuysen min of meer de hand boven het hoofd hield omdat zijn reputatie als diens bevestiger op het spel stond. Consolidatie en crisis, De Christelijke Gereformeerde Kerk tussen 1948, pagina 23
[Na zijn uittreding ging Du Marchie van Voorhuysen rechtsstreeks naar de Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Niemand stond hier echt van te kijken. Van Minnen stichtte de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Hij distantieerde zich hiermee van de Gereformeerde Gemeenten omdat hij de verbondsvisie van ds. G.H. Kersten ook niet deelde. Deze visie was min of meer verheven tot beginsel van dit kerkverband. Binnen het klimaat van de toenmalige Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland zou ds. Van Minnen ook niet gepast hebben. Binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk werd zijn stap betreurd. Ds. C. Smits ging pas in 1971 na veel aarzelen over naar de Oud Gereformeerden Gemeenten in Nederland. Ds. Smits had het liefst gezien dat er een breder kerkverband gevormd was door de bezwaarde christelijke gereformeerden onder leiding van iemand als ds. N. de Jong die brede waardering genoot binnen en buiten de Christelijke Gereformeerde Kerk. Hiervan is echter nooit gekomen. E.L]
Dr. P. de Vries merkt op:
"Binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk was ds. Smits een buitenbeentje. Binnen de Oud Gereformeerde Gemeenten was ds. Smits een buitenbeentje. Hij genoot binnen deze kring vertrouwen, maar theologisch sprong hij eruit. Feitelijk trok hij in zijn prediking toch andere lijnen dan veelal bij oudgereformeerde predikanten het geval was." 'Gezanten van Gods lof, levensschets ds. C. Smits, pagina 2-29
Van Driel trekt een duidelijke scheidslijn bij de proclamatie van ds. J.H. Velema in 1947: Het is nu tijd om de schuilkelder uit te gaan en de christelijke gereformeerde uniform aan te trekken en in grote bescheidenheid te zeggen: Dit is christelijk gereformeerd [die schreef ds. J.H. Velema in zijn boekje Wat is christelijk gereformeerd (1947)] Bescheiden of niet, nog datzelfde jaar kiest de generale synode van 1947 ervoor de luiken naar andere kerkverbanden en naar de wereld meer open te doen. De interessesfeer verbreedt zich. De Chr. Geref. Kerk gaat een nieuwe fase in. De behoudende broeders krijgen dan steeds sterker het gevoel dat de oude waarheid in het gedrang raakt." Consolidatie en crisis, De christelijke Gereformeerde Kerk tussen 1948, pagina 23
Deze omschrijving komt het meest overeen met de werkelijkheid.
( ) Zo lag de reden dat, om enkele voorbeelden te noemen, ds. L. Boone, ds. D. van der Garde, ds. P. van der Heijden en ds. E. du Marchie van Voorthuijzen zich niet bij de Gereformeerde Gemeenten wilden aansluiten min of meer in hun reserves t.a.v. de persoon van ds. G.H. Kersten.
( ) Sike Bax [lid van de protestantse gemeente in Nijkerk en oud-redacteur van het Reformatorisch Dagblad] schreef in zijn 'Terugblik op enkele decennia Christelijke Geref. Gemeenten' op 18 februari 1984 in het Reformatorisch Dagblad: "Van ds. Van Minnen schijnt de uitspraak te zijn dat de Christelijke Gereformeerde Gemeenten (in Nederland) een gemeente van ontevredenen was met weinig kerkelijk besef."
Deze bewering is volslagen uit de lucht gegrepen en ook onwaar. Een gemeente als Delft was naar de persoonlijke mening van ds. G. Salomons en blijkens de bronnen juist heel 'zakelijk' op dit gebied, zelfs meer als een gemeente als Hoofddorp met een andere achtergrond.
( ) H. Hille schrijft in het boek 'In de schaduw van het kerkelijk leven': "Jarenlang leefde bij ds. Visser sterk de verwachting, dat ook andere bezwaarde christelijke gereformeerde predikanten zouden uittreden, zodat met hen een nieuw kerkverband gevormd zou kunnen worden" (pagina 151). (...) "Het moet een teleurstelling geweest zijn dat andere bezwaarde christelijke gereformeerde predikanten die uittraden zich niet bij zijn gemeenten aansloten. Ds. P. van der Bijl, ds. G.A. Zijderveld en ds. E. Venema gingen naar de Gereformeerde Gemeenten. Ds. W. Baaij, ds. E. du Marchie van Voorthuijzen en oefenaar L. Gebraad naar de Oud Gereformeerd Gemeenten, ds. J.G. Van Minnen vormde een apart kerkverband en oefenaar Luitjes deed met Den Helder en Monster daar eveneens poging toe."
[Dat de andere christelijke gereformeerde voorgangers zoals ds. P. van der Bijl, ds. G.A. Zijderveld, ds. E. Venema, ds. C. Smits, ds. N. de Jong en ds. J.G. van Minnen zich niet bij diens kerkverband aansloten lag heel eenvoudig aan het feit dat ze de visie van ds. H. Visser van een scheiding tussen de zondagen 2 tot 6 van zondag 7 niet deelden en daarom dachten ze er geen moment aan om tot diens kerkverband over te gaan. E.L.]
Wat betreft taxatie Zwemer prediking ds. H. Visser Mzn: Visser herriep zijn visie telkenmale. De prediking van ds. Hennephof komt later aan de orde. Diens prediking had inderdaad enige raakvlakken met de visie van ds. H. Visser Mzn. De meeste (bevindelijke) predikanten uit de Christelijke Gereformeerde Kerken destijds verwierpen echter deze visie als onschriftuurlijk.
( ) Hille schrijft: "dat op de classisvergadering in 1954 de vraag werd gesteld naar de mogelijkheid van het leggen van contact met ds. J.G. van Minnen, die in 1952 eveneens uit de Christelijke Gereformeerde Kerken was getreden. De classis had toen gemeend een afwachtende houding aan te moeten nemen." In de schaduw van het kerkelijk leven, (pagina 155).
De werkelijke gang van zaken was geheel anders. Ds. Visser was al lang en breed bij ds. Van Minnen in augustus 1952 op bezoek geweest maar het struikelblok vormde ds. G. Salomons.
( ) Zie: Wat wilt Gij dat ik doen zal. biografische schets ds. J.G. van Minnen (1900-1971)
( ) Zie: Vele wateren niet kunnen uitblussen, biografische schets ds. G. Salomons (1890-1975)
( ) Joost van Vliet werd op 22 juli 1861 te Nieuwe Tonge geboren. In later jaren woonde hij te Vlaardingen en behoorde daar tot de Vrije Gereformeerde Gemeente. In 1906 behoorde hij tot de oprichters van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Vlaardingen. Hij diende deze gemeente als oefenaar van 1908 tot 1913, en die van Boskoop van 1913 tot 1921. In 1921 onttrok hij zich en ging over naar de Gereformeerde Gemeenten. Onder leiding van ds. W. den Hengst zou verder moeten studeren voor hij in alle gemeenten mocht preken. Van Vliet had hiertegen in verband met zijn leeftijd (61 jaar) bezwaren.
( ) Federatie van Oud Gereformeerde Gemeenten, een klein kerkverband dat bestond tot 1948. Hierna opgegaan in de Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland.
( ) D.C. van Stempvoort, De gemeente van Vlaardingen leefde enige tijd samen met gemeenten in Rotterdam (ds. Van Stempvoort) en Schiedam (Ds. W. Roos) in een classicaal verband.
( ) De Wachter Sions, 23 juni 2005.
( ) Mededeling ds. G. Salomons in een preek
( ) Vanuit een hele andere kijk op de zaak zijn er uiteraard ook andere (negatief bedoelde) getuigenissen: "Bij de regenpijp links af en je stond voor een grote haldeur van een wagenmakerij." Daarboven werd gekerkt. Via een hevig krakende trap ging je naar een zolder waar ds. van Vliet iedere zondag zware preken hield over hel en verdoemenis. Hij wist zijn gemeente tot tranen toe te bewegen. Als kleine jongen keek ik wel eens hoe velen met zakdoeken en eau de cologne hun gezichten zaten te deppen." In: Historisch Vlaardingen: Zware preken en lachdagen in de Dijksteeg, 23 februari 2017.
( ) De familie Sjoer verliet na enige tijd de gemeente en sloot zich aan bij een Paauweriaans gezelschap, volgelingen van de bekende predikant J. P. Paauwe (1872-1956), die in 1914 als Nederlands Hervormd predikant was geschorst en afgezet. De prediking van ds. Paauwe was destijds het middel geweest tot bekering van zr. Sjoer. Paauwe had een eigen visie op het geloof en de orde des heils. Zijn hoorders raadde hij aan, na zijn dood niet meer naar een kerk te gaan, maar thuis preek te lezen. In Delft bleef zijn invloed lange tijd aanwezig. Een zoon, ds. N. Sjoer, predikant van de Protestantse Kerk Nederland en schrijver van een biografie over ds. Paauwe, [Een eenzame mus op het dak door L. F. Dros en N. J. P. Sjoer, 1994] deelde hierover het volgende mee: ´Mijn vader is op 28 december 1947 ouderling geworden in de Chr. Geref. kerk aan de Nieuwe Langedijk in Delft. Dat was dus bij Van Minnen, die van 1945 tot 1948 in Delft stond, in 1948 naar Huizen vertrok en de CGK in 1952 verlaten heeft. De Delftse gemeente sloot zich pas in 1954 bij de Chr. Geref. Gemeenten aan. (...) Mijn moeder Antje Sjoer-Martijnse, geboren 3 maart 1915 in Schiedam, overleden 4 maart 2005 te Ridderkerk - heeft me wel eens verteld, dat er tussen haar en Van Minnen verschil van inzicht was ontstaan op het gebied van 'de leer' [nl. m.b.t. tot de rechtvaardigmaking. Ds. Paauwe benadrukte sterk dat er van geen waarachtig geestelijk leven sprake kan zijn buiten de geloofsvereniging met Christus. Op een bepaald moment in het geestelijke leven (de afsnijding uit Adam en inplanting in Christus) werd alle nadruk gelegd. Men moest het duidelijk aan kunnen geven voor er van een daadwerkelijke rechtvaardigmaking sprake kon zijn. E.L.] (...) Ik durf niet te zeggen dat mijn vader er níét achter stond, maar anderzijds hebben we toch het sterke vermoeden dat, als mijn vader het voor het zeggen gehad zou hebben, er veel meer continuïteit in hun kerkelijk leven aanwezig geweest zou zijn en dat ze bepaald niet naar Paauwe gegaan zouden zijn. (...) Jaren geleden werd ik aangesproken door een lid van de Hervormde gemeente Bergen op Zoom. Die man was in de jaren '60 als ouderling lid geweest van de Centrale Kerkenraad van de Hervormde gemeente Delft, in dezelfde tijd waarin mijn vader dat ook was. Hij sprak met enorme waardering over mijn vader en diens inbreng, zowel op beleidsmatig vlak als inhoudelijk, wat zijn geloof betrof. Dat strookt met mijn herinnering: mijn vader deed dat graag en goed, hij was een kerkmens'.
(10) Sanatorium Sonnevanck werd opgericht in 1905 door de vereniging tot christelijk hulpbetoon aan tuberculoselijders. dominee Sikkel speelde hierin een grote rol. De gekozen locatie leuvenumse bos te Harderwijk was een logische keus. Vroeger werd gedacht dat tuberculose genezen werd door omringt te zijn met zuivere lucht.
H. Hille schrijft in 'In de schaduw van het kerkelijk leven' (pagina 189) "Bovendien bestond er irritatie over het feit, dat ds. Blankespoor in Delft wel werd verwacht voor het vervullen van zondagse diensten, maar nooit uitgenodigd werd op een door-de-weekse avond. Deze informatie klopt niet omdat ds. Blankespoor wel werd uitgenodigd, namelijk om op donderdag 1 september 1955 voor te gaan. Echter dit kon in mei 1955 nog niet direct plaats vinden.
( ) Klaas Van Twillert beschreef zijn levensverhaal in een boek. De titel spreekt van zelfoverschatting en is ongepast: 'Spelende voor Gods aangezicht'. Deze passage uit Gods Woord geldt namelijk voor Christus. Van Twillert betrekt dit op zichzelf. Hij vertelde verder het volgende: "Ik stond versteld voor het aangezicht des Heren hoe de Here God mij alles zeer duidelijk in herinnering bracht. Ik heb soms geaarzeld of ik bepaalde gebeurtenissen zou vermelden. God liet mij weten het te doen, zonder naamsvermelding. Bij het lezen zullen vraagtekens opkomen. Ik heb alles naar waarheid beleefd. Toen ik mijn laatste stukje had geschreven, kreeg ik een tweede TIA (hersenattack of beroerte) in mijn ogen, waardoor ik geen letter meer kon lezen. Ik zal daarom mijn levensverhaal, als dat verschijnt, niet kunnen lezen. Als het tot eer van God mag zijn, dan ben ik dubbel tevreden."
( ) Kanttekening bij L. Vogelaar (red.) In Koninklijke dienst, Klaas van Twillert (1919-2011) bijdrage J.P. Neven pag. 215 De omschrijving "ds. Van Minnen wilde graag gebruik maken van zijn diensten voor zijn nieuwe kerkverband de Christelijke Gereformeerde Gemeente in Nederland" doet in dit verband enigszins onhebbelijk aan.
( ) "Laat ook in de kerk vurig gebed zijn om krachtige doorwerking van de Heilige Geest" bijdrage G. Roos, in Reformatorisch Dagblad 20 mei 1988
( ) H. Hille schrijft in Predikanten en Oefenaars deel 5, blz. 207, evenals in De Hoeksteen mei 1985, blz. 91 dat ds. Van Minnen aan D. Chr Overduin aanzocht om lid te worden van diens gemeenten.
Deze informatie klopt niet. Op basis van de kerkenraadsnotulen van Delft blijkt dat het initiatief geheel van br. Overduin zelf uitging.
( ) H. Hille/J.M. Vermeulen schrijven 'In de schaduw van het kerkelijk leven' (pagina 137) "Eenzelfde teleurstellende uitkomst hadden in 1965 de contacten met ds. J.G. van Minnen van Delft. (..) Aanvankelijk leek alles heel positief. Tijdens de ziekte van ds. B. Hennephof preekte ds. Van Minnen in de gemeenten van de classis en schreef hij meditatief in het kerkblad. Het breekpunt was ditmaal niet een verschil in de leer, doch persoonlijke tegenstellingen tussen de predikanten. Aanleiding tot het verbreken van de contacten was uiteindelijk het verlenen van preekconsent door de classis Dordrecht aan iemand die buiten de gemeenten stond, zonder dat vooraf overleg was gepleegd met ds. Van Minnen."
Deze informatie klopt niet. Het breekpunt ten opzichte van ds. Hennephof was wel degelijk de leer blijkens de kerkenraadsnotulen van Delft. Op 11 januari 1966 ging ds. Hennephof in Delft voor. De inhoud van die prediking was naar het oordeel van de kerkenraad van Delft met name t.a.v. de orde des heils en de doopsbeschouwing, dermate verwarrend en onschriftuurlijk, dat de kerkenraad alleen al op grond daarvan van mening was dat een fusie tot de onmogelijkheid moest behoren. Echter hiermee was deze historie nog niet ten einde.
( ) Mogelijk wordt hier bedoeld het kerkje van de Ledeboeriaanse predikant Gerrit van der Garde (1853-1933). Deze predikant was tegen de vereniging van 1907 onder leiding van ds. G.H. Kersten en bleef zelfstandig opereren. In 1928 liet de predikant in Opheusden een houten kerkje bouwen. Nadat de predikant zijn werk in 1931 vanwege zijn gezondheid niet meer kon verrichten werd ds. W. Baaij aangezocht om de gemeenten rond ds. Van der Garde ambtelijk te ondersteunen. Zie: Predikanten en Oefenaars deel 2, bijdrage H. Florijn Gerrit van der Garde (1853-1933), pagina 58-61
( ) Marinus Johan Arntzen, Amsterdam 14 september 1912. Studeerde theologie aan de Vrije Universiteit. Werd in 1944 gereformeerd predikant te Oegstgeest-Morsch-Rijndijk. Daarna stond hij te Anna Jacobapolder (1948) en te 's-Gravendeel (1952). Hij verliet hierna de Gereformeerde Kerken en werd In 1971 Nederlands-gereformeerd predikant in Breukelen. Vier jaar later stapte hij over naar de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt en werd hij predikant in Hattem. Daar ging hij in 1979 met emeritaat. In het Reformatorisch Dagblad van 14 september 2012 zei Arntzen dat hij zich bevond tussen vrijgemaakt en bevindelijkheid. "Ik denk inderdaad dat ik daar ergens tussenin zit. Vrijgemaakten kunnen doorslaan in hun nadruk op het verbond; bevindelijkheid kan ook doorslaan. Ik heb dat niet altijd zo gezien. Er is een tijd geweest dat ik de hele gemeente zag als kinderen van God. Later ben ik gaan inzien dat het niet allemaal Israël is wat Israël heet."
( ) Brief, ds. Salomons 1 maart 1971
( ) Brief ds. I.J. IJsselstein, 14 mei 1973


Bronnen en literatuur:  

Primaire bronnen:

Notulen classis Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland
Notulen Christelijke Gereformeerde Gemeente in Nederland Delft
Correspondentie archief Christelijke Gereformeerde Gemeente in Nederland Delft
Notulen Oud (Christelijke) Gereformeerde Gemeente in Nederland Vlaardingen (voormalige gemeente ds. G.J. Van Vliet)

Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens

De Wekker, Orgaan der Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland
Acta van de Generale Synode der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland
Jaarboek Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland
Open Vensters, Maandblad Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland
Bewaar het Pand, blad ter bevordering van de oude Gereformeerde beginselen

Dr. M.J. Arntzen, De crisis in de Gereformeerde Kerken

Geraadpleegde literatuur:

Prof. J.W. Geels, Prof. P.J.M. de Bruin, Ds. G. Salomons e.a. Gedenkboek bij de herdenking van het eeuwjaar der Afscheiding (1834-1934)

Dr. C.M. van Driel, De Christelijke Gereformeerde Kerk tussen 1918 en 1945

Prof. dr. A. Baars, Docent de Bruin en de Christelijke Gereformeerde Kerken in: Oude Paden Kerkhistorisch Tijdschrift 11e jrg. dec. 2006

Ds. H. van der Ham, Ambtsbroeders, Uit het leven van ds. F.P.L.C. van Lingen (1832-1913) en Jac. Wisse (1843-1921)

Ds. H. van der Ham, Een wolk der getuigen, ds. A. van der Heijden (1865-1927), pagina 9-25

Ds. H. van der Ham, De minste der broederen, levensschets ds. N. de Jong (1899-1980) pagina 11-43
Ds. H. van der Ham, De minste der broederen, levensschets ds. F. Bakker (1919-1965) pagina 181-212
J. Mastenbroek, leven en werk van ds. J.D. Barth (1871-1942)
J. Mastenbroek, Israëls Wachter sluimert niet, herinneringen van ds. F. Mallan (1925-2010)
Ds. A. van Voorden, Wie zijn zij, en vanwaar zijn zij gekomen? Uit het gezelschapsleven in Opheusden
Dr. J. Zwemer, In conflict met de cultuur, De bevindelijk gereformeerden en de Nederlandse
samenleving in het midden van de twintigste eeuw pagina 122-130
Dr. E.G. Bosma, Oude waarheid en nieuwe orde. Bevindelijk gereformeerden en het nationaalsocialisme 1920-1950.
Dr. J.M.D. de Heer, Spiegel en spanningsbron, opinievorming in reformatorische kring over de evangelische beweging en de charismatische vernieuwing, pagina 38-104
Dr. P. de Vries, Gezanten van Gods lof, ds. C. Smits (1898-1994) pagina 9-29
H. Hille en J.M. Vermeulen, In de schaduw van het kerkelijk leven, pagina 175-197
H. Hille 'Verschenen en verdwenen', De geschiedenis van de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland, in: De Hoeksteen (1985)
S.C. Bax, Terugblik op enkele decennia Christelijke Gereformeerde Gemeenten, in: Reformatorisch Dagblad 18 februari 1984
W.B. Kranendonk, Geplant en bewaard, aspecten van de geschiedenis van de Gereformeerde Gemeente te Drachten
P.A. van Bokhoven, Geschiedenis Gereformeerde Gemeente Delft in: extra uitgave mededelingenblad ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de gemeente 21 oktober 1954-21 oktober 2004
A. Bel e.a., Predikanten en oefenaars deel 1, bijdrage A. Bel, Gerrit Jan van Vliet (1885-1954), pagina 219-221
A. Bel e.a., Predikanten en oefenaars deel 2, bijdrage H. Hille, Jacob Gerardus van Minnen (1900-1971), pagina 156-159
A. Bel e.a., Predikanten en Oefenaars deel 4, bijdrage H. Hille, Gerard Salomons (1890-1975) pagina 75-76
A. Bel e.a., Predikanten en Oefenaars deel 4, bijdrage H. Hille, Hessel Groen (1917-1957) pagina 75-76
A. Bel e.a., Predikanten en oefenaars deel 3, bijdrage H. Hille, Geen den Boer (1917-1990) pagina 33-36
A. Bel e.a., Predikanten en Oefenaars deel 5, bijdrage H. Hille, Daniel Christiaan Overduin (1935-1990) pagina 207-208
A. Bel e.a. , Predikanten en Oefenaars deel 4, bijdrage H. Hille, Jan Blankespoor (1906-1973) pagina 75-76
A. Bel e.a., Predikanten en Oefenaars deel 2, bijdrage H. Florijn Gerrit van der Garde (1853-1933) pagina 58-61
J.M. Vermeulen, De zoon van Bornia, Leven en werk van ds. E. du Marchie van Voorthuysen (1901-1986)
L. Vogelaar e.a. , In koninklijke dienst deel 1, bijdrage J.P. Neven, Klaas van Twillert (1919-2011), pagina 214-217