Christelijke Gereformeerde Kerk

tussen 1892-1946


"Het niet verenigingen in 1892 was geen stijfhoofdigheid, maar consciëntiedwang door de Heere gewerkt"

P.J.M. de Bruin



Wat hebben onze voortrekkers zich moeten behelpen. En 't waren geen wijzen en edelen, geen groten der aarde, maar over 't algemeen slechts eenvoudige handwerkslieden, die van hun dagelijks brood moesten leven. Maar er was liefde, zelfopoffering en met inspanning van alle krachten bouwde men aan de opbouw van Sion. En er was honger naar de waarheid. (..)

P.J.M. de Bruin


Om het Godsgebouw op te trekken, bedient God zich van bouwlieden. Dit zijn geen engelen. Deze eer heeft God willen geven aan zwakke, zondige mensen, die zelf genade moeten ontvangen om voor anderen van die genade te getuigen. Tot het Godsgebouw behoort ook het fundament. Hiermee wordt bedoeld de leer, die naar de Godzaligheid is. Reeds de Apostelen hebben een fundament gelegd. Na hen zijn de bouwlieden gekomen, die niets anders mogen doen, dan de gegeven waarheid ontvouwen en belichten

J.W. van Ree


Als Chr. Geref. Kerk ligt er naar het beginsel tussen haar en vele anderen een verschil in de opvatting over de subjectieve werkzaamheden des Geestes aangaande de manier van de zaliging des zondaars; maar dat dient dan ook terdege uit te komen in de prediking en in het kerkelijk en geestelijk leven. Niet goed is het als gezegd wordt: er is verschil in gebouw, voorts is er flink wat kerkisme, voor het overige is alles gelijk.  

G. Wisse


De Chr. Geref. Kerk heeft een heel andere verbondsleer [als de Gereformeerde Kerken in Nederland] en ziet daarom geen tegenstelling tussen Christusprediking en kenmerkenprediking. Kenmerkenprediking is zulk één, waarin niet alleen op Christus gewezen wordt als de verdienende oorzaak der zaligheid, maar waarin ook het werk van Christus door Zijn Woord en Geest in de harten der Zijnen in het licht wordt gesteld. (..) Zogenaamde Christusprediking, die geen onderscheid maakt, niet kenmerkend is, is geen Christusprediking. De Chr. Geref. kerk in Nederland heeft hier een heerlijke roeping en taak. 

W. Heerma 

Als Boston zegt: dat het onze "plicht" is Gods verbond aan te grijpen en men wist niet dat Boston dit zei, wel lieve mens, stel je voor dat in de Wekker b.v, eens stond: wij zijn verplicht het verbond aan te grijpen; ik kan me indenken dat er wel zouden zijn, die zeiden: ha, daar heb je alweer de arminiaanse zuurdesem; maar nu Boston het zegt....! ja wel, maar wat Boston daaronder verstaat, dat lost alles goed op. Precies, zo is 't ook met de Christelijke Gereformeerden. Men gelieve de bedoeling te verstaan. (..) Men gevoelt als Boston dit alles zo zegt, zal 't er maar op aankomen, hoe Boston dit bedoelt; merk ik daar niet op, dan kan men Boston allicht van Remonstrantse inkruipsels verdenken. Niets, geen woord hoor. Want 't blijkt duidelijk, hoe dit eisen, dit conditionele, dit legateren, enz. enz. bedoeld wordt. Kortheidshalve gezegd, net precies zoals alle Chr. Gereformeerden b.v, het bedoelen, als zij spreken van de noodzakelijkheid van geloven c.a. - Er moge al enig verschil van gevoelen zijn over de vraag, of Christus ook hoofd van het genadeverbond zij, óf de Middelaar; maar op deze hierboven genoemde punten kan het goed lezen en bestuderen van Boston verhelderend werken voor zovelen, die al dergelijke taal als 't b.v. in Chr. Geref. geschriften staat, verdacht achten.

G. Wisse


Telkens, wanneer ik van deze mensen iets lees, als Barth en Kierkegaard en nu weer Aulen, dan treft mij, hoe zij gepoogd en geworsteld hebben de echt gereformeerde theologie te grijpen, maar telkens herinneren zij mij aan de knaap, die een flinke aanloop nam, maar ten slotte vóór de sloot bleef staan, of moet ik zeggen, kopje onder ging. 

J.J. van der Schuit


Amsterdam, 28 Juni 1895

Nog altoos scheelt het veel, dat al de mannen der zuivere Gereformeerde belijdenis op onze erve weer kerkelijk verenigd zouden zijn. Van verre staat nog een kleine groep, die in haar gedachten onwillekeurig met de naam van wijlen ds. Ledeboer verbonden is. Ook een groep van vrije kerken, die wel voor een goed deel de Gereformeerde belijdenis prijs gaf, maar waaronder toch nog heel wat Gereformeerde broederen zijn. Dan een groep van oud-gereformeerden, "die wel de Belijdenis eren, maar in hun Belijdenis de artikelen over de kerk geschrapt hebben. Bij deze kwam nu onlangs het groepje Van Lingen-Wisse, dat gevaar loopt, uit schismatieke drang in het doperse te verlopen. En achter deze allen ligt dan nog een grote menigte, die in het [Hervormde] Genootschap gebonden, en onder de Reglementen beklemd zit. Goddeloze reglementen, die daarom goddeloos zijn, en moeten genaamd worden, omdat ze de leugen naast de waarheid eren, de Christusverloochening op voet van gelijkheid met de Christusprediking laten bestaan, en de losrafeling van Gods Woord dulden naast de belijdenis dat dit Woord de waarheid is. Nu ligt er natuurlijk bij al deze broederen een niet weg te nemen schuld, dat ze hun oog sluiten voor de eis van de éénheid der kerk, een deel der waarheid verdonkeren, en óf voor elke daad terugdeinzen, óf in schismatieke daad heil zoeken. Die schuld cijferen we allerminst weg. Die schuld is openbaar. En het blijft plicht en roeping om zonder te hard verwijt, in de drang der liefde, hun altoos weer die schuld voor de consciëntie te leggen. (..) Toch mogen we daarom het oog voor onze eigen schuld ten deze niet sluiten. In onze kringen is men tegenover die broederen in de verstrooiing te los, te onverschillig, te koud, te onaandoenlijk. Men zoekt ze niet genoeg, en lokt ze te spaarzaam. Ook bij onderlinge geschillen in eigen boezem rekent men te weinig met de fatale indruk, dien we naar buiten geven, dat men zeggen gaat: "Zie, dat is nu het kerkelijk leven, waartoe men ons oproept." Maar bovenal de zaak van hun wederbrenging is ons niet genoeg een zaak des gebeds. Niet genoeg een zake des gebeds om Gods ere, om hun redding, en tot onze eigen verkwikking en vertroosting. Breng al uw erfvolk weer", moest ons gestadig roepen tot de Heere onzen God in al onze saam vergaderingen en in onze private gebeden zijn. Het gebed des rechtvaardigen vermag zo veel. Wie niet bidt, neemt het niet diep en niet ernstiglijk. En ook wie niet bidt en in zijn bidden niet aanhoudt, verwacht het te veel van eigen woord en van den mens, terwijl het toch alleen verwacht moest worden van dien God Almachtig, in wiens hand de harten als waterbeken zijn.

         De Heraut, 30 juni 1895

Hoe het in 1892 begon

"Slechts vier predikanten gingen niet met de vereniging mee. Slechts vier gemeenten telde de Christelijke Gereformeerde Kerk. In Zierikzee bleef ds. Wessels met zijn gemeente getrouw, in Noordeloos stond de oude ds. Jonkman pal, in Den Haag trok ds. Wisse met een deel van de gemeente zich uit het nieuwe kerkverband terug. Ds. van Lingen te Zetten bleef Christelijk Gereformeerd, maar Z. Eerw. werkzaam aan het gymnasium aldaar, diende geen gemeente. In de vacante gemeente in Teuge bleef ouderling Schouten (vader van ds. van Schouten van Bussum) met zijn gemeente staande. Er werd toen geworsteld en gebeden. Ouderling Schouten, die niet met die vereniging mee kon gaan, had de Heere gebeden, dat toch één predikant zou blijven staan, opdat de kerk der scheiding niet geheel zonder wettige leraars zou blijven voortbestaan en dit zou hem een blijk van 's Heeren gunst wezen. En zie, in plaats van één, waren er vier dienaren des Woords. Wij waren zwak, maar in de Heere werd kracht gezocht. Wij waren zonder Theologische School, alleen Zierikzee, Noordeloos en Teuge behielden de kerkelijke goederen. Smaad en hoon was ons deel. Vroegere broeders van hetzelfde huis, die met de vereniging meegingen, noemden ons scheurmakers, kreten ons standpunt voor "duivelswerk" uit en smalend schreef de Heraut van "het kerkgenootschap van de heren van Lingen en Wisse." Daartegenover was er een opgewekt kerkelijk en geestelijk leven. Wij die van het begin af aan meegeleefd hebben, hebben toen heerlijke dagen doorleefd. Wat al liefde onder de broederen! Wat opoffering voor de waarheid. Toen ds. Wisse voor de eerste maal na uittreding uit "de Geref. Kerken" in de zaal Diligentia optrad, was er een broeder onder het gehoor die dien morgen een voetreis van vier uren had afgelegd om weer in de Christelijke Gereformeerde gemeente te kunnen opgaan. Spoedig werden op verschillende plaatsen gemeenten gesticht. Door gebrek aan leraren, werden door ouderlingen predicatiën gelezen. Maar men hoorde geen klacht over dit geregeld preeklezen. Integendeel de ervaring van 's Heeren tegenwoordigheid deed zelfs verlangend naar de Zondag uitzien en men had het goed onder die oude predicaties. Soms traden wij op in schuren en stallen, ja het is wel gebeurd dat in de plaats waar de gemeente vergaderde het pluimvee in de balken was gezeten, maar dit deerde niet. De liefde, in Psalm 133 bezongen, was aanwezig."

 P.J.M. de Bruin

Rotterdamsch Nieuwsblad 18 december 1893
Rotterdamsch Nieuwsblad 18 december 1893

Ds. H.A. Minderman 

Ds. H. A. Minderman [heeft] vele jaren onze Christelijke Gereformeerde kerk gediend, eerst in onze gemeente te Gouda, daarna in Rotterdam, waar de gemeente tijdens zijn bediening tot grote bloei kwam. Er was een nauwe band tussen hem en ds. A. van der Heijden en mij, in onze jeugdjaren. Toen ik nog student was, wandelde ik met die twee broeders buiten Gouda en waren wij in levendig gesprek over het werk van de Heere in de harten van Zijn volk en bijzonder ging het gesprek over de werkzaamheden, die wij alle drie hadden met de roeping tot het predikambt. Beide broeders spraken over hun strijd om tot het ambt te komen en in een ogenblik van levendig geloof dat de Heere hen niet zou beschamen, verzekerde ik hen, dat ik ze op Gods tijd in het ambt zou bevestigen. Dit is later door de Heere vervuld. Ik bevestigde ds. Minderman in Gouda op 1 december 1895 en ds. van der Heijden in Broek op Langendijk op 11 november 1900. Minderman was mijn eerste leerling, die ik op verzoek van de classis heb opgeleid tot het ambt. Later vertrok hij naar Grand Rapids in Amerika en van daar kwam hij in ons land bij de Gereformeerde Gemeenten. Toch bleef tot hiertoe een band tussen ons drieën, want boven het kerkelijk standpunt, dat ik altijd heb vastgehouden, is toch de geestelijke band, die een vrucht is van de wedergeboorte. Die band kan soms wat gerekt worden, maar verbroken wordt zij nooit. Mocht die band in onze dagen meer gevoeld worden tussen Gods kinderen, dan zou er ook meer genoten worden van de geestelijke eenheid in de Heere Jezus. (...) De Bijbelse leer van het genadeverbond met de kerk en haar zaad en niet alleen met de uitverkorenen, zoals altijd in de Christelijke Gereformeerde Kerk geleerd is, heeft hij altijd vast gehouden, zoals hij mij op zijn ziekbed verzekerde. (...) Van het drietal, dat in 1892 samen wandelde op de weg van Gouda naar Waddinxveen, en in het jeugdig vuur van de eerste liefde zich aan elkaar verbond, om samen te zoeken het heil van Sion en samen te strijden in de ambtelijke dienst van de Heere, ben ik nu alleen nog over. (..)

P.J.M. de Bruin

28 juli 1902
28 juli 1902
16 februari 1918
16 februari 1918

Wat is het verschil tussen Christelijk Gereformeerden en de Gereformeerde Kerken?

In het Friesch Kerkblad zal ds. van der Meulen van Reitsum nu eens vertellen wat het verschil is tussen Gereformeerden en Christelijke Gereformeerden. Dat verschil bestaat volgens hem hierin dat de eerste voorwerpelijk en de laatsten "zo op en top onderwerpelijk zijn." Hij geeft dan een uiteenzetting van de betekenis "onderwerpelijk", n.l. een kennis "op grond van eigen ervaring". Hij toont terecht aan, dat christelijke opvoeding en prediking ons met de Waarheid bekend maken, waardoor wij bekend worden met ellende, verlossing en dankbaarheid. Maar, zegt Ds. v. d. M. zeer juist: "Wanneer we niet op grond van eigen ervaring daar kennis van krijgen is alles voorwerpelijk, d. w. z. buiten onze persoon omgaand. En nu zijn die Chr. Gereformeerden zo onderwerpelijk, die willen ervaren de waarheden des heils in eigen hart, en de Gereformeerden willen geloven "omdat God gesproken heeft." De Chr. Gereformeerden "hechten te veel aan de ervaring, aan het inwendig meegemaakte", terwijl de Gereformeerden, wij, zegt Ds. v. d. M., "onze zaligheid buiten ons, dus voorwerpelijk, in de Christus der Schriften hebben te zoeken." Dat is, zegt Ds. v. d. M. de fout van vele Chr. Gereformeerden: "Zij willen geloven, niet omdat God gesproken heeft, maar omdat hun bevinding, hun ervaring, hun gevoel, kortom hun ik, hun persoon getuigen mag." En waarin bestaat nu dat geloof der Gereformeerden, dat geloven omdat God gesproken heeft?Ds. v. d. M. zal het ons zeggen: "De vergeving der zonden is één van de twaalf waarheden, die wij moeten geloven, omdat Gods Woord ons die leert. Die twaalf waarheden vinden wij in de 12 artikelen des geloofs. De vergeving der zonden is van die twaalf artikelen het tiende, de wederopstanding des vleses het elfde. Je gelooft toch aan de wederopstanding des vleses? "Ik geloof het, omdat het in de Bijbel staat." Mooi zo, dus omdat de Heere het gezegd heeft. Niet omdat je ervaring of bevinding, je hart of je gemoed het denkt. Maar kijk dan, dezelfde God der Waarheid heeft je in de uur van je doop verzekerd, en verzekert het nog, dat Hij je in Christus' bloed rein wil wassen van al je zonden. Geloof je dat ook, zonder je hart, je gemoed enz. te raadplegen, alleen omdat Hij, Die niet liegen kan, het gezegd heeft? Nu moet je zeggen: Ik geloof Heere, kom mijn ongeloof te hulp. Dan is de vergeving der zonden voorwerp van geloof. Wij nemen haar aan, grijpen haar en houden ze vast." Dat is nu het geloof der Gereformeerden, volgens Ds. v. d. M. Een geloof zonder grond, o nee, zegt Ds. v. d. M. "een geloof zonder bevinding of ervaring." Mij dunkt, er zullen nog wel veel kinderen Gods in de Geref. Kerken zijn, die uitroepen: Met zulk een voorwerpelijk geloof, ga ik voor eeuwig verloren. Dan maar liever een Chr. Geref. geloof, dat met de Catechismus, Zondag 28, belijdt, de eeuwige zaligheid te zullen smaken "nademaal ik nu het beginsel der eeuwige vreugde in mijn hart gevoel." Maar laten wij eens even luisteren naar ds. H. de Cock, de eerste afgescheiden predikant uit Ulrum. Die getrouwe, echt Gereformeerde leraar schreef eens een boekje "De verdediging van de ware Gereformeerde leer en van de ware Gereformeerden, bestreden en ten toon gesteld door Ds. Brouwer en Reddingius of de schaapskooi van Christus aangetast door twee wolven." In dat boekje zegt ds. de Cock op bladz. 13 van Ds. Brouwer: "Vooreerst zegt hij: Geroepen door het Evangelie, zoeken zij (de ware Gereformeerden) de vrijmoedigheid of de vergunning om te geloven tot zaligheid, met de kenmerken van het waar geloof en de grond hunner hoop, niet in de verklaring van God en de Zaligmaker in dat Evangelie, maar in zich zelven, in hunne gemoedsgesteldheid, in de aandoeningen en bewegingen van hun hart, enz." Leg nu deze beschuldiging van de liberale Ds. Brouwer tegen de ware Gereformeerden eens naast de beschuldiging van Ds. v. d. M. tegen de Chr. Gereformeerden. Op de beschuldiging van Ds. Brouwer, zegt Ds. de Cock: "De Heer Brouwer meent dan, dat iemand de vrijmoedigheid of de vergunning om te geloven, zich zelven maar kan en mag toe-eigenen, omdat God door Zijn Zoon in het Evangelie verklaard heeft (Ds. v. d. M. zou zeggen: omdat God gesproken heeft), dat een iegelijk die gelooft, zalig zal worden; maar hij weet of bedenkt niet, dat het geloof een gave Gods is; dat alle vlees door Gods Geest wedergeboren moet worden, of het leven niet zien zal, en dat er velen zijn, die met zulk een aangegrepen geloof, als met een leugen in hun rechterhand wandelen, met een geloof waarvan Jacobus zegt, dat het dood is, omdat het de werken niet heeft, en dezulken de kracht daarvan verloochenen." Dan vervolgt Ds. de Cock: "De gelovigen, zegt Brouwer, zoeken het in zichzelven, in hunne gemoedsgesteldheid, in de aandoeningen en bewegingen van hun hart; ook deze voorstelling is verkeerd en als van een blinde, die in het duister rondom zich tast. Zij zoeken het niet in zich zelven, want zij weten, dat in hun vlees geen goed woont, maar zij zoeken die in de bevestiging van Gods Geest, en dat is Bijbels, daar Paulus zegt, dat Gods Geest met der gelovigen geest getuigt, dat zij kinderen Gods zijn en zij geloven en weten met onze godvruchtige vaderen. Art. 14 van onze geloofsbelijdenis, dat hun alles gegeven moet worden uit de Hemel. Daarom heeft er dan ook bij hen plaats, onder hun verschillende gemoedsgesteldheden, een werkzaam wachten op Gods genade en horen zij, die zo dikwijls ingescherpte vermaning des Heeren: waakt en bidt." Tot zover Ds. de Cock, met wiens beschouwing aangaande de leer des geloofs de Christelijke Gereformeerden het geheel eens zijn. Het blijkt dus wel, dat wij Chr. Gereformeerden nog geheel dezelfde leer en beschouwing omtrent het geloof hebben als de Vader der Afscheiding en dat de Gereformeerden die volgens Ds. v. d. M. alleen "willen geloven omdat God gesproken heeft", (en hij bedoelt daarmee: in Zijn Woord gesproken heeft) een andere "waarheid" leren. Die domme schipper, die niet eens zich kon verdedigen, was toch nog niet zo dom of hij gevoelde wel, dat zulk een geloofsleer, die de zaligheid verbindt aan een voorwerpelijke aanvaarding van hetgeen God heeft gesproken in de Schrift, zonder toe-eigening door de Heilige Geest, toch de waarheid niet is. Daarom kerkte die schipper maar liever in Drachten bij de Chr. Ger. Gem. dan bij de Gereformeerden, die de leer door Ds. v. d. M. voorgesteld omhelzen. Ja, weet u, de Chr. Gereformeerden zijn zo onderwerpelijk, dat zij met Zondag I van de Catechismus belijden: "Waarom Hij mij ook door Zijn Heilige Geest des eeuwigen levens verzekert", en dus niet genoeg hebben aan dat geloof in hetgeen God gesproken heeft in Zijn Woord. Dat voorwerpelijk geloof, beredeneerd door Ds. v. d. M. leidt tot het verderfelijk "Verbondsmethodisme", dat die schipper wel niet verklaren kon, maar in het Friesch Kerkblad zo duidelijk wordt geleerd. 

P.J.M. de Bruin De Wekker, 14 oktober 1921


2 mei 1921
2 mei 1921
9 september 1922
9 september 1922
2 oktober 1922
2 oktober 1922

Dokkum

"Zondag 24 juni 1923 toen ik in Dokkum voor het eerst preekte [zag ik] in die stad in het noorden van het land een Roomse processie met allerlei vaandels en versieringen, welke naar de Bonifatius put aldaar trok, waar pastoors bij die put stonden en honderden flesjes met gewijd water verzamelden om dit water mee naar huis te nemen. Wat een arm bijgeloof, gepaard met gruwelijke ontheiliging van de dag des Heeren, waar scharen volks van alle oorden samen gestroomd die dag ontheiligden met allerlei reisgelegenheden. Had Bonifatius de heidenen gepreekt hun afgoden weg te werpen, hier zagen wij hoe het christendom kan verbasteren in allerlei vormendienst, waaraan het leven ontbreekt. Wij mochten in Dokkum het Evangelie brengen in een zaal, die geheel gevuld was en later vervangen zou worden door een sierlijke kerk en pastorie, waarin Dokkums pastor een woning zou ontvangen en waar ik ds. Oosthoek in 1928 zou bevestigen in het ambt. De laatste maal dat ik in Dokkum preekte was op 19 juni 1938 n.l. over Zefanja 1:12, Ik zal in uw midden doen overblijven een ellendig en arm volk, die zullen op den Naam des Heeren betrouwen.

Dit woord blijft waarheid alle eeuwen door. Ook in onze donkere dagen zal dit betrouwen niet worden beschaamd, want de poorten der hel zullen Mijn gemeente niet overweldigen. 

P.J.M. de Bruin


Midwolda 

De zomer van het jaar 1925 was zeer warm. Het was een synode jaar, en de breedste (niet hoogste) vergadering van onze kerk kwam toen te Groningen saam. In de warme zomer van 1925 bezocht ik vier gemeenten, waarin ik nog nooit het Woord bediend had, n.l. op 19 Juli te Midwolda, waar eenmaal de bekende Ds. Schortinghuis, de schrijver van, "het Innige christendom" stond en na zijn bekering zo dringend de mensen tot bekering riep. Zijn boek over het innige Christendom, bij de oprechte vromen zeer geliefd, mag ook in onze droeve dagen nog veel gelezen worden. Het is een protest tegen de dode rechtzinnigheid van zijn dagen, al werd hij ook bespot om de daarin voorkomende "dierbare vijf nieten", "Ik wil niet, Ik kan niet, Ik weet niet, Ik heb niet, Ik deug niet," waarbij hij er ernstig op aandringt, dat ieder die vijf nieten hij bevinding moet leren kennen. Ik was met veel genoegen in Midwolda en merkte dat de geest van Schortinghuis aldaar nog niet was uitgestorven. 

P.J.M. de Bruin

De gemeente van Midwolda werd tussen 1907-1909 gediend door ds. J.L. Jaspers. Deze predikant diende de Christelijk Gereformeerde Kerk ongeveer negen jaar. Hij overleed vrij onverwachts op 59 jarige leeftijd.
De gemeente van Midwolda werd tussen 1907-1909 gediend door ds. J.L. Jaspers. Deze predikant diende de Christelijk Gereformeerde Kerk ongeveer negen jaar. Hij overleed vrij onverwachts op 59 jarige leeftijd.

B. Oosthoek
B. Oosthoek

1928
1928
9 juli 1930
9 juli 1930

Schooldag Chr. Geref. Kerk 1930 

Heden werd te Apeldoorn in de Chr. Geref. kerk de jaarlijkse Schooldag gehouden van de Chr. Geref. Kerk in Nederland. Deze Schooldag trok enorme belangstelling, waardoor hij behoort tot eender drukst bezochte. Nadat de samenkomst op de gewone wijze was geopend, hield de rector der Theol. School, Prof. G. Wisse, een openingsrede, waaraan we de volgende hoofdgedachten ontlenen. Spreker wees er op, dat deze grote schare herinnert aan het Pinksterfeest. Immers het wezen der Kerk ligt in haar gemeenschap; een levende geestelijke gemeenschap. Een van de verlammendste denkbeelden zou zijn te menen, aldus spr., dat de uitstorting des Geestes is een gebeurtenis uit vroeger eeuwen. De Heilige Geest kwam woning maken en werkt nog. Er is zelfs een ontplooiing zijner werkzaamheden; b,v. alle reformatorische actie; ook alle doorwaaiing tot verlevendiging van het leven in Zijn Kerk. Aan die opwekking is behoefte. Want het gevaar onzer dagen is niet maar de opstand tegen God bij de wereld, maar de afzwerving van God af bij de levende Kerk. Laten we onze misstand ten dezen niet ontveinzen. Dit houdt van het bidden af. Ook is er bij de Chr. Geref. Kerk reden tot klacht. Als Chr. Geref. Kerk ligt er naar het beginsel tussen haar en vele anderen een verschil in de opvatting over de subjectieve werkzaamheden des Geestes aangaande de manier van de zaliging des zondaars; maar dat dient dan ook ter dege uitte komen in de prediking en in het kerkelijk en geestelijk leven. Niet goed is het als gezegd wordt: er is verschil in gebouw, voorts is er flink wat kerkisme, voor het overige is gelijk. Onze tijd geeft aanleiding tot coalities en pogingen tot samenwerking, die niet zonder gevaar zijn. Hoe de Chr. Geref. met anderen kan verkeren in de strijd tegen ons saam bedreigende gevaren is niet het allereerste en allerdiepste beginsel, waaruit geleefd moet worden. lets anders staat op de voorgrond; wat is eis naar eigen beginsel voor de eer van Gods Naam in de onveranderlijke wijze waarop God zijn volk zal zaligen. Wie hiervan uitgaat ziet zich een terrein van isolement aangewezen. 

Na Professor Wisse sprak ds. J. W. van Ree, van Barendregt, over: "Het Godsgebouw". In zijn inleiding herinnerde spreker aan het gevierde Pinksterfeest en deed uitkomen het verschil tussen de kerk van de ouden en de nieuwe dag. Onder het O. T. miste de kerk haar institutionaire openbaring. Staat en Kerk waren met elkaar verenigd. Met het Pinksterfeest is de kerk zelfstandig gaan optreden en ontving ze een institutioneel leven onder haar enig hoofd Jezus Christus. Van die Kerk nu worden in de H. S. schone dingen gezegd. In Efeze 2 spreekt Paulus van de Kerk als van een huisgezin en ook van een huis, dat gebouwd is op het fundament der .Apostelen en Profeten. Spreker ging na wie de bouwlieden zijn. Allereerst is God de bouwheer en wel de drie-enige God. Verder wijst Paulus er op, dat wij Gods medearbeiders zijn; Christus Zelf bouwt ook Zijn gemeente en ook de Heilige Geest maakt tempelen. De grote Bouwheer heeft een bestek gemaakt, reeds in de eeuwigheid. Om het Godsgebouw op te trekken, bedient God zich van bouwlieden. Dit zijn geen Engelen. Deze eer heeft God willen geven aan zwakke, zondige mensen, die zelf genade moeten ontvangen om voor anderen van die genade te getuigen. Tot het Godsgebouw behoort ook het fundament. Hiermee wordt bedoeld de leer, die naar de Godzaligheid is. Reeds de Apostelen hebben een fundament gelegd. Na hen zijn de bouwlieden gekomen, die niets anders mogen doen, dan de gegeven waarheid ontvouwen en belichten. Het gelegde fundament is goed, hecht en sterk.. Heeft het Godsgebouw bouwlieden en een fundament, het heeft ook een hoeksteen, Jezus, die is de uiterste hoeksteen. Christus is het grote middelpunt der Schriften. Op dit fundament, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen, wordt het gehele gebouw bekwamelijk samen gevoegd. Nog steeds is het Godsgebouw niet voltooid. Al de eeuwen door is het in aanbouw. Maar eenmaal zal het eindigen, gelijk alles in de grote Bouwheer en zal de gemeente aanheffen het loflied: Om 's Heeren huis in U gebouwd, wel saamgevoegd; wie haar beschouwt zal haar voor 's Bouwheers kunstwerk groeten. In de middagvergadering sprak Ds. H. Visser, van Leeuwarden, over: Open Vensteren. Met de behandeling van dit onderwerp, aldus spreker, betreden we in de geest een heilige plaats. Zij is de plaats des gebeds, waar menigmaal de hartslag des geestelijken levens van. 's Heeren volk teder en warm kan kloppen. Op die plaats stond Daniël, op het toppunt van eer en aanzien bekledend het hoogste staatsambt. Op hem rustte een grote verantwoordelijkheid. Toch is hij in de uitvoering van zijn levenstaak nauwgezet, plichtsgetrouw en onomkoopbaar, 't Geheim daarvan zijnde open vensteren. Daar is de grote man klein voor God. Daar vindt hij de bron, waaruit hij zijn wijsheid, kracht en bekwaamheid put. Daarin is hij ons ten voorbeeld. God heeft aan een ieder een roeping gegeven, in school, kerk, staat en maatschappij. Voor die roeping zijn de open vensteren in het levenshuis een eerste vereiste. Te noodzakelijker met het oog op de tijd, dien we beleven. Daarom de vensteren open en geboden, dat de Geest des Heeren de banier tegen de tijdgeest opheft. Voor Daniël waren de open vensteren de plaats, waar hij in staat werd gesteld in zijn levensbeginsel te volharden. Dat beginsel is de vreze des Heeren. Het openbaart zich ineen naarstig, openlijk en onafgebroken dienen van zijn God. De eer van God is hem dierbaarder dan de gunst van Darius, dan zijn leven zelfs. En de kracht der volharding in het geloof vindt hij in zijn open vensteren. Vanuit dat standpunt bezien zijn ze onmisbaar. Het zegt heel wat getrouw te zijn aan de heilige beginselen te midden van een wereld, waarin welig tiert het kwaad van vervloeiing op godsdienstig en kerkelijk terrein, van ontaarding en verwildering op zedelijk gebied, van verbastering en verwording onder de bredere lagen des volks. Daartegen helpt alleen het gebed voor open vensteren. Open tegen Jeruzalem. Dat is de geestelijke stad des Heeren. De heilige algemene Christelijke kerk belichaamd in de Chr. Geref. Kerk. Daarom is die kerk ons dierbaar, met haar Theologische school. Met de gedachte daaraan past de roep: "Open vensteren tegen Apeldoorn aan"; d.w.z. laat de school met haar professoren, curatoren en studenten een voorname plaats beslaan in uw gebed. Dan worden we, als Daniël hoe langer hoe meer voorbereid voor het hemels Jeruzalem. Dat zal ons deel zijn, als het gebed, niet verflauwt. Dan hier de voorsmaak der zaligheid en straks volmaakt in de heilige stad, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is. 

       De Standaard, 12 juni 1930

Noten

[*] Over en van G. Wisse zijn veel werken verschenen: Memoires (door hemzelf geschreven), Gerard Wisse een profetisch prediker (door Joh. de Rijke), Professor Wisse, Aspecten van zijn leven en werk & De rechte godsvrucht (voorzien van inleiding door H. van der Ham), Vrije genade & De heilsfeiten (voorzien van aantekeningen door Prof. dr. A. Baars), De drie ambten van Christus, Uit de verbondsschat, Uit het zielenleven: over geloofszekerheid, De droefheid naar God, (Praktisch gericht op geloofsleven) De wereldraadselen, God en religie, Religie en christendom, Is Jezus de Christus? (apologetisch). Een kritisch werk over Prof. G. Wisse verscheen in 2020 door dr. C.M. van Driel Een wereld op zichzelf. Van Driel brengt op een boeiende wijze veel zaken ter sprake uit de geschiedenis van de Christelijke Gereformeerde Kerken, echter brengt dit in verband met een negatieve geruchtenstroom rondom Prof. Wisse. Deze geruchten waren voor een deel al bekend. Nieuw is dat er nogal wat suggestieve verbanden worden gelegd in een poging om de ultieme waarheid boven tafel te krijgen. Uiteindelijk wordt het bewijs voor de aantijgingen niet gevonden, waardoor er dus geen verdachte, laat staan een veroordeelde is, maar wel een flinke verzameling losse veren. Van Driel had er wellicht beter aan gedaan om alleen de feiten weer te geven, het positieve van Wisse te belichten (waarvan hij naar eigen zeggen wel overtuigd is) in combinatie met eventuele schaduwzijden in het besef: wie zonder zonde is werpe de eerste steen.  

[*] Over J.W. van Ree: L.H. van der Meiden, Een voorganger herdacht (1934), In het blad Oude Paden verscheen op 1 december 2001 een artikel over J.W. van Ree door H.T. de Jong. Ds. Van Ree overleed op vrij jonge leeftijd. "Hoewel hij niet zo heel lang predikant was, liet hij toch een onvergetelijke indruk na".

22 juli 1931
22 juli 1931
Generale Synode van Rotterdam 21-24 juli 1931. Moderamen (zichtbaar): Prof. F. Lengkeek, Prof. J.J. van der Schuit, ds. L. de Bruijne. Synodeleden zichtbaar: ds. J.A. Riekel, ouderling M. Visser ('s-Gravendeel), ds. R.E. Sluiter, ds. G. Salomons, ds. L.H. van der Meiden, ouderling C. Post (Maassluis), ouderling J. Bestebreurtje (Rotterdam), ouderling J. van Dongen (Dordrecht), Ouderling B. Nederlof (Rotterdam), ds. J. Reesink.  Vooraan ouderling T. van Dolderen en ouderling G. Rijksen
Generale Synode van Rotterdam 21-24 juli 1931. Moderamen (zichtbaar): Prof. F. Lengkeek, Prof. J.J. van der Schuit, ds. L. de Bruijne. Synodeleden zichtbaar: ds. J.A. Riekel, ouderling M. Visser ('s-Gravendeel), ds. R.E. Sluiter, ds. G. Salomons, ds. L.H. van der Meiden, ouderling C. Post (Maassluis), ouderling J. Bestebreurtje (Rotterdam), ouderling J. van Dongen (Dordrecht), Ouderling B. Nederlof (Rotterdam), ds. J. Reesink. Vooraan ouderling T. van Dolderen en ouderling G. Rijksen

Comité 1834-1934

Op de synode van 1931 aan de orde de herdenking van de Afscheiding in 1834. "Die afscheiding, begonnen te Ulrum, was een werk Gods, een reformatie van de zeer verbasterde Kerk van de Hervorming, die sinds 1816 een Synodaal genootschap was geworden en de kenmerken van de ware Kerk, zoals onze Belijdenis die geeft in Art. 28 verloren had" aldus ds. P.J.M. de Bruin in De Wekker. Op 14 oktober 1914 werd er een gemeenschappelijke herdenkingsdag of samenkomst georganiseerd. Ook verscheen een jubileumuitgave waaraan verschillende predikanten hun medewerking verleenden. 

De Generale Synode van de Christelijke Gereformeerde Kerk zond in 1931 aan het kabinet en de Tweede Kamer een adres, waarin de wederinvoering van de doodstraf werd bepleit. Dit lag in de lijn van voorstellen van de SGP in de Tweede Kamer. ARP en CHU weigerden echter hun steun te verlenen. De Banier, 14 november 1931
De Generale Synode van de Christelijke Gereformeerde Kerk zond in 1931 aan het kabinet en de Tweede Kamer een adres, waarin de wederinvoering van de doodstraf werd bepleit. Dit lag in de lijn van voorstellen van de SGP in de Tweede Kamer. ARP en CHU weigerden echter hun steun te verlenen. De Banier, 14 november 1931
6 augustus 1931
6 augustus 1931
26 juni 1931
26 juni 1931
G. Salomons
G. Salomons
30 juli 1932
30 juli 1932


"De bediening des Woords en onze tijd"  

Spreker begon met te wijzen op de drukkende en zware tijd, waarin wij leven, en die zich kenmerkt op maatschappelijk gebied door algemene malaise en inzinking èn op zedelijk èn op godsdienstig terrein, door oppervlakkigheid en losbandigheid. Door verantwoordelijkheidsbesef gedrongen hebben de leidslieden des Volks en inzonderheid de dienaren des Woords zich af te vragen: wat zij doen en moeten doen voor onze tijd? In de H. Schrift is toch een innig verband te zien tussen het woord Gods en de tijd, waarin het bediend wordt, hetwelk met voorbeelden wordt toegelicht. Onze tijd staat vijandig tegenover de bediening des Woords, zoals te zien is bij het communisme en bij allen, die het atheïsme huldigen. Het gaat in die kringen niet in de eerste plaats om lotsverbetering, maar om de gedachtenis van God en Zijn Woord van de aarde weg te vagen. De mens wil zelf God zijn; objectieve levensvormen worden verworpen; de mens bepale zelf wat hij doen en laten zal. Onze tijd staat ook weifelachtig tegenover de bediening des Woords. De cultuurmensen onzer dagen komen weer tot het besef, dat de mens ook nog een ziel heeft, die niet met stof kan worden gevoed. Voor kerk en Bijbels christendom wordt echter de schouder opgehaald. In hun oog is het woord Gods verouderd en aan de kerk kleven zoveel gebreken. Daarom werpt men zich liever in de armen van het pantheïsme, occultisme, spiritisme, enz. Tenslotte staat onze tijd ook kritiserend tegenover de bediening des Woords. Op verschillende wijze wordt er gekritiseerd door de belijders der Waarheid. Afbrekende kritiek moet worden afgewezen en gelaakt, maar opbouwende kritiek, in de vreze des Heeren gemaakt, moet worden aanvaard en ter harte genomen. De bediening des Woords heeft in te werken op onze tijd, want het woord Gods is het enige medicijn voor de verloren en ontredderde wereld onzer dagen. Het Woord Gods moet verklaard en toegepast worden. Onze tijd heeft geen esthetische en retorische prediking nodig maar de al-oude boodschap van zonde en genade. Wet en Evangelie, doch dan zuiver en duidelijk gebracht. Het Woord Gods moet bediend, recht gesneden worden, d.w.z. zó dat ieder zijn deel ontvangt. Zo zal onder de zegen Gods, de bediening des Woords ook in onze tijd dienen, tot verheerlijking van Gods Naam, tot uitbreiding van Christus' Koninkrijk en tot opbouw van Sion.

De Wekker, 27 mei 1932

(Ds. H. Velema (1889-1948)

H. Velema
H. Velema
15 juli 1933
15 juli 1933
W.F. Laman
W.F. Laman
Interieur Chr. Geref. Kerk Rotterdam. In mei 1940 werd de kerk vernietigd door Duitse bommenwerpers
Interieur Chr. Geref. Kerk Rotterdam. In mei 1940 werd de kerk vernietigd door Duitse bommenwerpers

Rotterdam 1892-1932

Door de drukke dagen van het admissie-examen was het ons in die week niet mogelijk te schrijven, wat eigenlijk reeds in "de Wekker" van 16 September had moeten staan. Toch willen wij niet zwijgen en al is het dan een week later, een ogenblik in herinnering brengen de dagen van ouds, van welke de Heere in Zijn Woord zegt, dat wij ze steeds zullen gedenken. In Psalm 78 roept de Heere ons toe: "Wij zullen het niet verbergen voor hunne kinderen, voor het navolgende geslacht, vertellende de loflijkheden des Heeren, en Zijne sterkheid en Zijne wonderen, die Hij gedaan heeft."

Aan het nageslacht, en dan inzonderheid aan het opkomende geslacht in de gemeente te Rotterdam was dan ook de vorige week veel te vertellen aangaande de daden des Heeren in die gemeente door Hem gedaan.

Het was 15 september veertig jaar geleden, dat de gemeente opnieuw geïnstitueerd werd. Nee, de Christelijke Gereformeerde gemeente van Rotterdam was in 1892 niet te niet gegaan.

Vanaf het ogenblik van vereniging van beide kerkgroepen, die zich toen samen "de Gereformeerde Kerken in Nederland" noemden, was er een overblijfsel, dat niet met die vereniging medeging en hoever Rotterdam ook verwijderd lag van Den Haag, op zondag 24 Juli trok dat klein getal op naar de Residentie om ds. j. Wisse Czn., te horen preken in Diligentia, nadat hij als Chr. Geref. predikant was staande gebleven. Toch voelden die Rotterdammers, dat er in eigen woonplaats iets moest gebeuren. De Chr. Geref. kerk was in beginsel daar blijven voortbestaan, al was haar ledental klein, maar zij voelde behoefte, dat de ambten weer werden ingesteld.

Dit gebeurde dan ook spoedig en donderdagavond 15 september werden twee ouderlingen en twee diakenen in het ambt bevestigd. Ds. Wisse hoorde ik toen prediken met jeugdig vuur al was hij toen reeds in zijn vijftigste jaar en hij riep de bevestigde ambtsdragers toe: Strijdt voor de zaak des Heeren en de Heere zal met u wezen.

Die avond, door mij bijgewoond, doorleefde ik 15 sept. j.l. weer. Op één na, zijn de toen bevestigden reeds heengegaan, maar één broeder mag nog strijden voor de zaak des Heeren. Het is br. Bastiaan Nederlof, toen bevestigd als diaken, en nu reeds een groot aantal jaren ouderling, 't Is geen kleine zaak, de Heere veertig jaren in het ambt te mogen dienen en als Jakob, de hitte des daags en de koude des nachts te hebben gedragen. 't Ging soms door strijd en de gemeente werd soms heftig geschud, maar br. Nederlof bleef pal staan onder al de stormen, die over de gemeente gingen. En hoeveel werk lag soms op zijn schouders. In tijden dat de gemeente vacant was, ging hij voor in gebed en leesdienst. Voor bejaarde lieden hield hij belijdeniscatechisatie en verlichtte alzo het werk van de predikant. Ook de gemeente van Barendrecht heeft in haar vacante tijd veel van zijn hulp op catechetisch gebied ondervonden. Maar genoeg, wij willen niet de loftrompet opsteken, maar toch aan br. Nederlof toeroepen: Broeder, wij hebben samen veertig jaar gearbeid sinds 1892, daarom bied ik u in de geest de hand en druk die met liefde en hoogachting.

Wat is het groot, verwaardigd te zijn geworden mee te bouwen aan het huis onzes Gods. Hoe klein was de kudde, die staande bleef en nu zijn het drie gemeenten, die alle drie kunnen zeggen: Onze ouderling Nederlof, al dient gij nu alleen het centrum van de stad aan de Maas. De broeders van de Zwolse Synode zagen u nog kort geleden in uw kracht, al klimmen ook de jaren. Israëls God, die krachten geeft, sterke u nog vele jaren in het werk des Heeren, in het meeregeren der kerk en bovenal in het meebidden voor Sion, dat het gebed van Gods volk maar ook voortdurende reformatie door Gods Geest nodig heeft

P.J.M. de Bruin

Chr. Geref. Kerk Sliedrecht
Chr. Geref. Kerk Sliedrecht
2 juli 1934
2 juli 1934
"Wat worden hier heerlijke zaken verhandeld van het eeuwig genadeverbond, van die eeuwige Vrederaad, waarin de Christus als de tweede Adam de plaats voor een schuldig en doemwaardig volk inneemt. Op gezond Schriftuurlijke manier wordt hier bevinding en Schrift, Schrift en bevinding in harmonie met elkander gebracht. Een goed woord, dat ik in veler handen wens." Prof. J.J. van der Schuit De Wekker, 2 maart 1934
"Wat worden hier heerlijke zaken verhandeld van het eeuwig genadeverbond, van die eeuwige Vrederaad, waarin de Christus als de tweede Adam de plaats voor een schuldig en doemwaardig volk inneemt. Op gezond Schriftuurlijke manier wordt hier bevinding en Schrift, Schrift en bevinding in harmonie met elkander gebracht. Een goed woord, dat ik in veler handen wens." Prof. J.J. van der Schuit De Wekker, 2 maart 1934
19 oktober 1934
19 oktober 1934
Generale synode 4 - 6 sept. 1934 Zwolle
Generale synode 4 - 6 sept. 1934 Zwolle
27 mei 1935
27 mei 1935
26 juni 1935
26 juni 1935
25 april 1936
25 april 1936

Kleine verschillen?

"Een bijzonderheid van deze Synode was, dat wij een afgevaardigde van de Chr. Geref. Kerk in Amerika in ons midden mochten hebben, wat van af 1911 niet gebeurd was. In 1911 was het dr. Henry Beets van Grand Rapids, in 1934 dr. I. van Dellen van Denver. Ik had met hem gestudeerd aan de Theol. School in Kampen en als kandidaat was hij naar Amerika vertrokken. De synode benoemde mij om als afgevaardigde van de synode hem van het station af te halen en het was voor mij een onvergetelijk ogenblik toen ik hem, sinds 1892 niet meer gezien, in Zwolle de hand mocht drukken. Als wij een vriend, die wij in ruim veertig jaren niet gezien hebben, weer eens mogen ontmoeten, welk een ontroering heeft er dan plaats in ons gemoed en hoe worden wij dan vervuld met de gedachte aan Gods sparende goedheid, die ons zoveel jaren gedragen en gespaard heeft. Wat al herinneringen kwamen ons voor de geest, als wij dachten aan de tijd, toen wij in Kampen samen studeerden. Nu mochten wij hem aan onze Synode voorstellen als de afgevaardigde van de Chr. Geref. Kerk in Amerika en bracht ds. van Dellen de groeten en zegenbede van die Kerk aan onze Kerk over. In de toespraak, die hij hield tot onze synode, gaf hij een kort historisch overzicht van de geschiedenis der Chr. Geref. Kerk in Amerika sinds 1857. Na zijn toespraak gaf de Synode mij de eervolle opdracht om ds. van Dellen namens onze Synode toe te spreken en hem te verzoeken bij zijn terugkeer in Amerika de groeten van onze Kerk tot die Kerk over te brengen. De opdracht, welke de Synode mij gaf, hoe eervol ook, was echter niet zo gemakkelijk. De Chr. Geref. Kerk in Amerika stond in correspondentie met de "Geref. Kerken" in ons vaderland en had de leerbepalingen der Utrechtse Synode van 1905, waartegen wij vele bedenkingen hebben, helaas aangenomen. Dat er dus verschil was, door die leerbesluiten over de onderstelde wedergeboorte bij de Doop, mocht ik in mijn antwoord niet verzwijgen. Ik wees er dan ook op, dat er tussen onze Kerk en die in Amerika overeenkomst was wat de naam betreft en dat ook in de historie van beide Kerken grote overeenkomst was in worsteling en strijd, die wij beiden als Kerk gestreden hadden, hoe wij beiden in 't begin zeer klein waren, maar door de Heere waren uitgebreid, dat wij beiden mochten bezitten een Theol. School, die gering in oorsprong, door God was uitgebreid, maar dat er toch bij al die overeenstemming nog wel een weinig verschil was, daar wij de leerbesluiten van 1905 niet konden aanvaarden. Ik spreek van een weinig, niet om daarmede te zeggen dat onze leerverschillen van zoo geringe betekenis zijn, maar op verzachtende wijze, omdat ik tot een gast sprak en dus niet in debat ging treden over de leerverschillen tussen beide Kerken, maar meer over hetgeen verbindt, dan wat scheidt, als men let op de geschiedenis die beide Kerken van af de Afscheiding doorgemaakt hebben. Onze bedoeling was dus niet om daarmede te zeggen, dat de leerverschillen van geringe betekenis zijn, en daarom heeft het ons altijd gespeten, dat ds. van Dellen, in Amerika teruggekeerd, daar heeft geschreven dat ik de leerverschillen tussen ons en "de Geref. Kerken" van weinig waarde achtte. Onze Synode heeft dan ook mijn verzachtende uitdrukking wel begrepen, en daarop nooit aanmerking gemaakt, te meer, omdat men ieder woord, dat bij improvisatie wordt uitgesproken, niet op een goudschaaltje kon wegen. Toch heeft dat schrijven van ds. van Dellen de vriendschap niet kunnen verbreken en het was mij een reden tot vreugde, toen ik vernam, dat hij in 1940 met Dr. Henry Beets weer in ons land zou komen en mij dan zou bezoeken. (..) 

          P.J.M. de Bruin


De Dordtse Synode en het Supralapsarisme.

Dit is de titel van de rede, door Prof. J. J. van der Schuit, uitgesproken bij gelegenheid van de overdracht van het rectoraat aan de Theol. School op 17 September 1937

Het verblijdt mij dat deze rede in het licht is verschenen. Wel hadden wij het voorrecht haar zelf te horen, maar de inhoud is van zoveel belang, dat zij wel waardig is nog eens rustig overgelezen en overdacht te worden. Het vraagstuk toch, dat hier behandeld wordt neemt een grote plaats in in de Geref. theologie. De leer der praedestinatie is het cor. ecclesiae. en die hier afwijkt van de Heilige Schrift, komt tot zeer gevaarlijke stellingen. Daarom moet de vraag onder de ogen gezien worden, of de Schrift en onze Belijdenis Supra of Infralapsaristisch is. Vooral in de laatste tijd hebben de supralapsarischen beweerd, dat de Synode van Dordrecht zowel supra als infra was. Deze legende nu wordt door prof. v. d. Schuit grondig weerlegd en met vele bewijzen gestaafd, terwijl niet minder het gevaar van het supra in de prediking duidelijk uitkomt. De prediking is dan alleen voor de uitverkorenen.

De rede worde door vele gelezen. Hartelijk aanbevolen,

P. J. M. de Bruin

De Wekker, 8 oktober 1937

16 augustus 1937
16 augustus 1937
D.J. van Brummen (jr.)
D.J. van Brummen (jr.)
10 februari 1937
10 februari 1937
9 juni 1938
9 juni 1938

Schooldag Chr. Geref. Kerk 9 juni 1938

Na het openingswoord sprak ds. Jongeleen van Apeldoorn, over "Het Piëtisme van Wilhelmus Schortinghuis". In zijn inleiding zette spreker uiteen hoe het er op het einde der 16e en in het begin der 17e eeuw op het kerkelijk erf uitzag. Men meende verstandelijk alles te kunnen beredeneren, maar het werk Gods in de redding des Zondaars werd verdoezeld. Op de troon kwam het intellectualisme en in die weg kreeg men het uitwendig, burgerlijk Christendom. Men wist alles en men kon alles. 

In zulk een tijd trad Schortinghuis op Hij studeerde aan de Groninger Universiteit en werd in 1723 op 23-jarige leeftijd predikant te Weener in Oost-Friesland. Hij kreeg daar als ambtgenoot Dr. Klugkist, een piëtist, wiens volgelingen in het algemeen "fijnen" werden genoemd. Ds. Schortinghuis moest in de eerste tjjd van het Piëtisme niets hebben. Ds. Klugkist vermaande hem ernstig en die vermaning was middel, dat ds. Schortinghuis bekeerd werd en van dat ogenblik af werd hij een talentvol verdediger van het Piëtisme. Spreker wees er in dit verband op, dat de waarachtige bekering voor ieder mens noodzakelijk is, maar in het bijzonder voor de dienaar des Woords. Als de blinde de blinde leidt vallen beiden in de gracht. Spr. ging vervolgens na hoe Schortinghuis naar voren bracht, zoals de Heilige Schrift leert, de 'totale onmacht van de mens en hoé hij opkwam voor de beleving der waarheid. 

Hij deed dit in woord en geschrift. In 1740 gaf hij zijn hoofdwerk: "Het innige Christendom" uit, waarin hij in de 14e samenspraak handelt over de vijf nieten. Nu ontbrandde er een felle strijd en spreker legde er de nadruk op, dat Schortinghuis in die strijd het recht aan zijn zijde had. Bij de beantwoording van de vraag of Schortinghuis voor eenzijdigheid bewaard is gebleven, wees spr. er op, dat wij hier zeer voorzichtig moeten zijn, en dat al is het waar dat ds. Schortinghuis in zijn schrijven over de bewuste vijf nieten aanleiding gaf tot de mening dat in de wedergeboorte een geheel nieuwe mens geboren wordt naast de oude mens, hij dit toch weer niet zo bedoeld heeft. Spr. zag daarvan het bewijs in het feit, dat Schortinghuis op de vraag hem gesteld, of hij niet erkent, dat bij de wedergeboorte in de mens vermogens en gewilligheden gelegd worden, waardoor hij verplicht is uit kracht van dit beginsel naar de eis Gods geestelijke werkzaamheden voort te brengen, volmondig "ja" heeft geantwoord. 

Tenslotte bepaalde spreker zijn gehoor er bij, hoe het in onze tijd gesteld is. Hij meent, dat onder het Christendom de oppervlakkigheid sterk toeneemt, en dat op het werk des Geestes in de zondaar te weinig nadruk wordt gelegd. In het bijzonder wilde hij denken aan eigen kerk. Met allen nadruk wees hij er op, dat de dienaren des Woords bevindelijk moeten preken en dat daarvoor in de eerste plaats nodig is zelf geestelijk mens te zijn en tevens, dat er een gezond gebedsleven is. De Heilige Schrift moet biddende onderzocht worden. Spreker eindigde met een ernstige waarschuwing tegen eenzijdigheid.

Het slotwoord werd gesproken door ds. S v.d. Molen, van Rotterdam-C., president-curator. Spreker herinnerde aan de moeilijkheden van ambtelijke aard, ook in betrekking tot de praktijk, wees op de belangrijkheid der behandelde onderwerpen en kwalificeerde degenen, die zichzelf opwerpen tot herder als een dief en moordenaar, waarna hij tenslotte wees op de betekenis van een "bevindelijke prediking". Een prediker, die dit element legt in zijn prediking raakt niet uitgepreekt, terwijl de gemeente niet te klagen zal hebben overeen te "arme bediening".



De Standaard, 18 februari 1924
De Standaard, 18 februari 1924
J.A. Riekel
J.A. Riekel

De middagvergadering was gereserveerd voor het onderwerp van Ds. W. Heerma van Zeist: "Is kenmerken-prediking Schriftuurlijk?" Spreker merkte op, dat dit vraagstuk de praktijk van de bediening des Woords in het midden der gemeente raakt. 

Het raakt de verbondsbeschouwing. Als de Geref. Kerken leren: "Krachtens de belofte Gods in het zaad des verbonds te houden voor wedergeboren", dan leiden wij daaruit niet af dat ze zouden leren: alle gedoopten zijn wedergeboren. Wel vloeit, aldus spr., uit deze Neo-Geref. verbondsbeschouwing voort dat men de gemeente eenvoudig moet bezien en behandelen alsof ze bestaat uit ware gelovigen. Spreker wees op de consequente verdedigers van deze Neo-Geref. gemeentebeschouwing, die alle kenmerken prediking als onschriftuurlijk verwerpen. De Chr. Geref. Kerk heeft een heel andere verbondsleer en ziet daarom geen tegenstelling tussen Christusprediking en kenmerkenprediking. 

Kenmerkenprediking is zulk één, waarin niet alleen op Christus gewezen wordt als de verdienende oorzaak der zaligheid, maar waarin ook het werk van Christus door Zijn Woord en Geest in de harten der Zijnen in het licht wordt gesteld. De Heilige Schrift leert, dat er tweeërlei Kinderen des Verbonds in de gemeente zijn. Van hen die in het Verbond Gods en in Zijn gemeente begrepen zijn moeten we niet veronderstellen, maar bekennen, dat zij in Christus geheiligd zijn. Zelfs de meest consequente Neo-Geref. durft niet tegen te spreken, dat het niet al Israël is, dat Israël genoemd wordt, maar dan is het zielsmisleidend om aldus te preken alsof het wel zo was. Schrift en belijdenis geven de kenmerken van het waar geloof duidelijk aan. Sommige aanhangers van de Neo-Geref. verbondsbeschouwing voeren toch het pleit voor kenmerkenprediking, wat spreker een gelukkige inconsequentie noemt. 

Schriftuurlijke kenmerkenprediking doet de kenmerken niet strekken tot grond, maar tot aanmoediging en aanvuring des geloofs. Zogenaamde Christusprediking, die geen onderscheid maakt, niet kenmerkend is, is geen Christusprediking. De Chr. Geref. kerk in Nederland heeft hier een heerlijke roeping en taak.

De Standaard, 9 juni 1938


16 juni 1924
16 juni 1924
26 augustus 1924
26 augustus 1924
15 juli 1926
15 juli 1926
2 februari 1927
2 februari 1927

Uit de strijd heengegaan

Vrijdagmiddag 15 september [is], onze oud-strijder broeder G. IJskes, in de kerk [van Zaandam] zo algemeen bekend, in zijn rustplaats ter aarde besteld, waar hij rusten zal tot de morgenstond der opstanding. In de geest vertoef ik aldaar en zie ik voor mijn aandacht voorbij gaan zoveel, dat ik in de 46 jaren, die ik hem heb gekend, met hem heb doorleefd. Hij was de enige nog levende broeder, die onze synode van Juli 1893 heeft bijgewoond. Allen, die aanwezig waren op de Synode van 's-Gravenhage in Januari 1893 en van Juli van dat zelfde jaar waren reeds weggenomen alleen br. IJskes was nog in leven en ondergetekende, hij als afgevaardigde en ik als student om mijn kandidaatsexamen af te leggen. Wat kon hij nog met opgewektheid spreken over die synode, waarvan hij de Benjamin was, daar hij als 29-jarig diaken daarheen afgevaardigd was door den kerkenraad van Zaandam met ouderling G. van Dongen. Hij had nog nooit een meerdere vergadering noch een kerkelijk examen bijgewoond. Toen was hij de jongste strijder, nu de rustende broeder, met wie ik 46 jaren samen de hitte des daags en de koude des nachts doorleefd heb. Zelf nog diep bedroefd om het heengaan van mijn geliefde vrouw, die ik nog dagelijks zo mis, al weet ik, dat zij mij vooruit is gegaan in de zalige rust en haar straks zal wederzien, voel ik mij al weer meer vereenzaamd, waar de generatie uit de vorige eeuw al kleiner en kleiner wordt. Vele jaren was hij in de Zaandamse gemeente in ambtelijke dienst. Op 2 Juni 1918 mocht hij zijn zilveren ambtsfeest als ambtsdrager gedenken. Met mijn geliefde vrouw was ik daarbij nog tegenwoordig. De Heere troostte zijn bedroefde weduwe, die nu voor de tweede maal het weduwe kleed draagt, nadat zij onze ontslapen broeder nog ruim ruim twintig jaar tot hulpe mocht zijn. De laatste jaren van zijn leven woonde hij in Haarlem en rustte hij van zijn ambtelijk werk. Geve de Heere, de Koning der kerk, ook het komend geslacht te strijden voor het heil van Zion en bereide Hij ons voor voor de rust, die er overblijft voor Gods volk. In deze donkere dagen voor ons land en volk en kerk, mag bij dit geopend graf wel gezegd worden: "Weggeraapt voor de dag des kwaads,".

Apeldoorn De Bruin, 22 september 1939

4 juni 1943
4 juni 1943
25 september 1946
25 september 1946

Noten

[*] over D.J. van Brummen, H. van der Ham, Een wolk van getuigen, pp. 38-75

[*] over J.A. Riekel, H. van der Ham, Een wolk van getuigen, pp. 76-105

[*] Gerrit IJskes, geboren 18 mei 1864 in Zaandam, hij overleed op 12 september 1939. Van beroep was hij koopman. 

In het blad Oude Paden stond in juni 2016 een artikel van L. Vogelaar getiteld: 'Ontdekkende waarheid in Zaandam', waarin beschreven wordt de eerste poging om in Zaandam een Gereformeerde Gemeente te stichten. "Mevrouw C. Meijer-Roepert uit Rijssen vertelde: Mijn vader kon in Noord-Holland werk krijgen. Mijn ouders gingen in Zaandam eerst naar de Gereformeerde Kerk, maar daar hielden ze het niet uit. Moeder zei: We gaan maar eens een straat verder. Daar, aan de Herengracht, stond de Christelijke Gereformeerde Kerk. Ds. J.A. Riekel was er in die jaren predikant. Hij bracht een Schriftuurlijk-bevindelijke prediking. Moeder kwam thuis en zei tegen vader: Bram, als je die dominee hoort, zeg je: Dát is het. Vader aarzelde, maar ging uiteindelijk toch met haar mee. Ds. Riekel heeft me gedoopt, vertelde mevrouw Meijer."

Dan volgt in dit artikel: "Volgens de geschiedschrijving van de Zaandamse Christelijke Gereformeerde Kerk waren ds. Riekels preken vaak ongenuanceerd en gelardeerd met pittige uitspraken. Zelf uit de R.K. kerk afkomstig, moest juist deze kerk het soms erg ontgelden. Om één of andere reden kan hij het zich veroorloven de dingen te zeggen op een manier die afwijkt van de gebruikelijke wijze van spreken, maar die wel veel mensen naar de kerk trekt."

Het artikel vertelt verder: "Kort na het vertrek van ds. Riekel verliet een groepje mensen de Christelijke Gereformeerde Kerk. Een van hen was P. Meijer die meer dan 25 jaar ouderling was geweest. Het gedenkboek van die gemeente noemt alleen een conflict over het zingen in de eredienst als reden. Er zou echter nog een andere bron zijn, die diepgaander oorzaken van de scheiding die ontstond vermeld. Er werd contact opgenomen met ds. J. Vreugenhil die enige jaren daarvoor is overgestapt naar de Gereformeerde Gemeenten. Ds. Vreugdenhil is echter terughoudend. Hij schreef: "Ik ben er de man niet naar om kerkjes te stichten." Hij adviseert om contact op te nemen met de dichtstbijzijnde Gereformeerde Gemeente. Toch besluit hij de groep niet aan hun lot over te laten. Op 15 januari 1925 zou hij er voor het eerst voorgaan. Na de dienst werd uitvoerig gesproken over de moeilijkheden die gepasseerd waren. De groep bedankte op 2 februari met een gezamenlijke brief als lid van de Christelijke Gereformeerde Kerk. 

Toch had men behoefte de motieven aan de christelijke gereformeerde classis duidelijk te maken. Men schreef in een brief aan ds. W. Bijleveld op 6 april over dat volk, dat met haar geliefde oud-leraar, ds. J.A. Riekel, wel veracht wordt, maar nochtans opkomt voor de verkondiging der oude, beproefde, bevindelijke waarheid en de beleving daarvan. 

Dan volgt een opmerkelijk citaat: "De kerkenraad, inzonderheid ouderling G. IJskes, betoonde zich daartegen en verbood ds. Riekel in Zaandam te komen prediken, wijl men bang is, dat daardoor aan dien geliefden prediker en aan de waarheid, die gebracht is geworden, te veel gehecht zal worden gebleven. Men staat die waarheid tegen! Men begeert ze niet voor Zaandam! Protesten hadden niet gebaat; de toestand was onhoudbaar, daarom had de groep zich afgescheiden, en op die brief was tot heden taal noch teken vernomen, zo werd nu aan de classis gemeld."

De pogingen om een gereformeerde gemeente te stichten in Zaandam werden echter als gevolg van onderlinge onenigheid na enige tijd gestaakt. Sommigen keerden terug naar de Christelijke Gereformeerde Kerk. Het artikel vervolgt: "Ondertussen kreeg de Christelijke Gereformeerde Kerk een opvolger voor ds. Riekel: ds. H.C. Binee, die van 1907-1912 in Zaandam had gestaan, stond er van 1927-1943 opnieuw. "Mijn oudste zus en haar vriend gingen bij hem op de belijdeniscatechisatie," vertelde mevrouw Meijer-Roepert. "Ze beantwoordden de vragen voor de kerkenraad. Aan het eind van de bijeenkomst zei ds. Binee: "Nu heb ik nog één woord. Zondag doen jullie belijdenis; de week daarna verwacht ik jullie aan het Heilig Avondmaal." "Dat doe ik niet," zei mijn zus. "Mijn moeder heeft altijd gezegd dat daarvoor een Goddelijk recht nodig is." "Dan kun je geen belijdenis doen," zei de kerkenraad. Zo kwamen ze thuis. "Is die dominee nu helemaal raar geworden?" zei moeder." 

Tot zover dit artikel. Ouderling IJskes wordt in dit artikel naar voren gebracht als tegenwerker van de Schriftuurlijk-bevindelijke prediking die zo ver ging om ds. Riekel te verbieden om in Zaandam te preken. Dit gegeven komt niet overeen met hetgeen ds. P.J.M. de Bruin over deze ouderling IJskes vertelt met wie hij ruim 45 jaar kerkelijk leven heeft gedeeld. 

De genoemde ouderling P. Meijer komt in de annalen van Prof. De Bruin niet voor. 

Over ds. H.C. Binee: Geboren op 26 maart 1873 in Gouda, werd hij in 1907 door ds. J. Wisse Czn in de gemeente van Zaandam als predikant bevestigd, als opvolger van ds. M. den Boer, die datzelfde jaar vertrok naar Apeldoorn. In 1912 vertrok ds. Binee naar Groningen, welke gemeente hij vijf jaren diende. In 1917 werd hij predikant in Murmerwoude (Damwoude) waar hij tien jaar bleef. In 1927 kwam hij voor de tweede maal naar Zaandam. In 1943 ging hij hier met emeritaat. Ds. Binee overleed op zondag 25 maart 1962 in Baarn. Hij werd in Zaandam begraven door ds. W. Ruiter, de schrijver van een boekje over ds. F.P.L.C. van Lingen Een man in de schaduw'.

Herinneringen

Prof. P.J.M. de Bruin en de viering van zijn gouden ambtsjubileum

Maandag 30 Augustus 1943 ging ik dus tijdig uit Den Haag om die dag mijn gouden ambtsjubileum thuis te vieren. Een stroom van gelukwensen werden die dag mij bezorgd. Verschillende stoffelijke blijken van waardering werden mij gezonden o.a. uit Harderwijk en Veenendaal, blijken die vooral in de oorlogsjaren zeer op prijs gesteld werden. 's-middags kwam een auto vol uit Veenendaal met leden van de gemeente aldaar om mij geluk te wensen. In de avond was er een druk bezochte receptie en de bezoeken gingen de hele week nog door. Zaterdags kwam de pastor loci die met vakantie was geweest. Hij vroeg mij om zondag 6 Sept. 1943 's avonds dezelfde predicatie te doen in Apeldoorn als de zondag te voren in Den Haag, waaraan ik voldeed. Weer ging ik twee zondagen uit en 26 Sept. was ik in een gemeente, waar ik nog nimmer was geweest, n.l. in Naarden, een dochtergemeente van Bussum. Ik sprak daar in een lokaal achter de Hervormde kerk, dat geheel gevuld was en logeerde op de Turfpoortensingel, waar ik 's avonds veel bezoek kreeg. Er waren n.l. 19 personen in de kamer en ik dacht aan de tijd van de afscheiding, toen er slechts beneden de 20 personen mochten aanwezig zijn. Ik was erg levendig gesteld en na het dankgebed van Ouderling Wiegmink ging het gezelschap blij uiteen. Ik eindigde 1943 met de Kerstdagen in Naarden, waar ik Zaterdag 25 en Zondag 26 December beide dagen 2 maal het Kerstevangelie mocht uitdragen. Het nieuwe jaar 1944 begon met een reis op 1 Januari naar Utrecht, waar ik Zondag 2 Januari optrad en vandaar op 3 Jan. naar Haarlem ging, waar op 4 Jan. de gemeente haar 50-jarig voortbestaan herdacht. Ds. Laman had de leiding en daarna sprak ik, over Ps. 48: 10, en Prof. Geels, ds. J.P. Geels en ds. Henstra. Ik had n.l. op 28 dec. 1893 de kerkenraad aldaar bevestigd en dit werd 4 Jan. 1944 herdacht. Nu had Haarlem 2 grote kerkgebouwen, toen slechts een klein zaaltje, waarin ik br. Vogel als ouderling en br. J. Schotel als diaken in het ambt stelde. De volgende morgen reisde ik met Prof. Geels naar huis. Het werd nu tijd om mijn winterkwartier te betrekken, koude, vorst en sneeuw beletten mij in 1944 het eerste kwartaal op reis te gaan. Het werd 1 April, toen ik in Zaandam ging preken en op de Heerengracht bij ouderling Post mijn intrek nam, die echter door ongesteldheid bedrust moest houden. 's-avonds stond hij op en hadden wij een gezellige avond. Ook kreeg ik nog bezoek van br. Bokhorst, die reeds 84 jaar oud was en de vader van ds. Bokhorst uit Doesburg. Reeds vele jaren geleden hadden wij elkaar in Elburg ontmoet, waar hij opziener van de gemeente was. Wat was er van die vroegere tijd veel te verhalen. Vele Zaandammers kwamen nog die avond mij de hand drukken. Zondags daarna was het Pasen. Op de 9de en 10de April mocht ik het Paasevangelie te Heerde verkondigen. Vele Scheveningse br. en zusters waren aldaar ter kerke gekomen en na de kerk kwamen zij mij in mijn logies bezoeken. 's-middags vertrok ik met mooi zonnig weer naar Apeldoorn in een volle trein naar het Loo.

Apeldoorn. De Bruin.

P.S. Ik krijg nog vele verzoeken om te komen preken, waarvoor ik zeer erkentelijk ben, maar nu in 1946 ben ik wegens zwakte en ouderdom daartoe niet meer in staat.

Ik moet dus ook Woerden teleurstellen.

De Bruin.

De Wekker, 1 maart 1946