Deel 6

Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland 

In de periode 1952-1975


Wat het rapport van prof. Casalis[*] betreft, valt op dat men niet meer spreekt van het "Evangelie prediken, uitdragen of brengen", maar van het "Evangelie tonen" (manifesteer!), d.w.z. door een voorbeeld te geven op allerlei levensterrein. Lees: door mee te doen, in allerlei politieke, maatschappelijke en sociale zaken, en op al deze levensvlakken zo ver mogelijk te gaan en van andersdenkenden (lees: atheïsten) veel goeds op te steken"(!)... Dit alles wordt dus het Evangelie tonen genoemd.

Reformatorisch Dagblad, 31 mei 1976


Evenals de Hervormde Kerk in Nederland, hebben de Franse kerken deze belijdenis ook; hier dan niet de Nederlandse Geloofsbelijdenis, maar die van La Rochelle, uit dezelfde tijd van de vervolgingen, bloed en tranen daterend. Belijdenis van dezelfde inhoud, wezen en strekking. Maar...evenals in Holland, is deze belijdenis onder een stoflaag ergens in een hoek van de boekenkast terecht gekomen en wordt er helaas in vele dingen niet meer naar gehandeld. 

H. van der Veen v.d.m. 


Noten

[*] George Casalis (geboren op 4 januari 1917 in Parijs en overleden op 16 januari 1987 in Managua) was een Franse evangelisch gereformeerde predikant, verzetsstrijder, bevrijdingstheoloog en universiteitsprofessor. Hij had goede connecties met Karl Barth over wie hij ook een biografisch portret publiceerde. 

Het kerkelijk jaar 1974: Moeten kinderen ook deelnemen aan het Heilig Avondmaal?, Avondmaalsmijding, Overlijden ds. G. Salomons, Correspondentie met Henri van der Veen pasteur des Eglises Réformées de France, Reformatie in Frankrijk, Reveil., Arbeid ds. Van der Veen in Frankrijk, Brief 1 maart 1975, Brief 15 maart 1975, Brief 26 maart 1975, Brief 29 maart 1975, Brief 12 april 1975, Brief 10 mei 1975, Brief 15 mei 1975

Het kerkelijk jaar 1974: 

Moeten kinderen ook deelnemen aan het Heilig Avondmaal?

Nederlands Dagblad, 14 mei 1974
Nederlands Dagblad, 14 mei 1974

Avondmaalsmijding

Mijden hoort thuis bij haten en vlieden. Denk aan de verklaring van het eerste gebod in onze Catechismus: dat ik, zo lief als mij mijner ziele zaligheid is, alle afgoderij .... mijde en vliede, en de enige ware God recht lere kennen. In antwoord 80 wordt van de afsterving van de oude mens gezegd, dat deze o.a. is de zonden hoe langer hoe meer te haten en te vlieden. Natuurlijk willen we niet beweren, dat er nergens in ons land avondmaalsmijding gevonden wordt. Maar we menen ten stelligste te moeten tegenspreken, dat deze daar is waar slechts weinig mensen ten avondmaal gaan. Gods kinderen zijn gebonden aan Gods inzettingen en die komen tot de dis, tenzij de vrijmoedigheid daartoe ontbreekt. In gemeenten waar weinig mensen aan het Heilig Avondmaal deelnemen weet men in het algemeen nog, dat er, zoals wel gezegd wordt, een goddelijk recht moet zijn. Er moet zaligmakend geloof zijn, als gave van God, gewerkt door de Heilige Geest. Dat geloof moet versterkt worden, ook door het gebruik van het Heilig Avondmaal. Het zou een grote zegen zijn, wanneer er veel rechte avondmaalgangers zouden zijn. Het komt gelukkig regelmatig voor, dat de Heere harten neigt om te komen tot de dis. Dit geldt ook van ambtsdragers, die aanvankelijk geen vrijmoedigheid hadden om te komen, maar later met Esther zeggen: kom ik om dan kom ik om. 

G. Blom


De ene discussie heeft zich nog niet beëindigd, of een volgende dient zich al weer aan wanneer kerken eenmaal een koers hebben ingezet om zoveel tegemoet te komen aan de moderne maatschappelijk norm: niemand mag zich bij voorbaat buitengesloten voelen. Vooral de positie van het kind is in onze westerse samenleving van de eenentwintigste eeuw schijnbaar onaantastbaar geworden. Helaas geldt dit niet voor het nog ongeboren kind, voor zover men meent dat er dan nog geen sprake is van volwaardig menselijk leven.

Binnen de kerk hangt het ontstaan van dergelijke discussies samen met de verbondsvisie en gemeentebeschouwing: Als we veronderstellen dat de hele gemeente de Heere Jezus lief heeft en dit ook geldt voor de kinderen, waarom zou de laatste groep dan niet aan het avondmaal mogen? Het wordt ingewikkelder als er ook Bijbelteksten naar voren gebracht worden en de visie van reformatoren en kerkvaders van stal gehaald om de argumenten vóór te onderstrepen. Bovendien biedt het toelaten van kinderen aan het avondmaal geweldige oecumenische perspectieven met de Rooms Katholieke Kerk waar kindercommunie de gewoonste zaak van de wereld is. 

Bepaald nieuw is de discussie niet, want In de jaren zestig en zeventig was het onderwerp 'kinderen aan het Heilig Avondmaal' hot topic in de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken. Niet irrelevant is de vraag of de genoemde kerken met het invoeren van deze praktijk er ook rechtzinniger door geworden zijn? Ook in de Nederlands Gereformeerde Kerken, de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt en de Christelijke Gereformeerde Kerken gingen in de jaren zeventig al stemmen op. In de twee laatst genoemde kerken waren echter nog genoeg principiële tegengeluiden waardoor de praktijk niet kon doorbreken. Inmiddels zijn de panelen ook wat dit laatste betreft alweer  opgeschoven.  

Er zijn voorbeelden te noemen van kinderen die op zeer jonge leeftijd al een betrekking hadden op het Heilig Avondmaal. Zulke kinderen zijn te benijden boven menig volwassene die deze dingen in onverschilligheid aan zich voorbij laat gaan. Het gaat in bovengenoemde kerken echter om een algemene toelating van de kinderen van de gemeente zonder meer. De reformatorische kerk achtte het gezonder met het oog op de praktijk en op grond van de Schrift dat toelating tot het Heilig Avondmaal gebeurt wanneer men tot onderscheiding van jaren is gekomen, 

Overlijden ds. G. Salomons

Op 24 februari 1975 overleed emeritus herder en leraar ds. G. Salomons. Op zaterdag 1 maart 1975 vond op verzoek van de kerkenraad van Delft de begrafenis plaats in Terneuzen onder leiding van ds. D.J. van Vuuren, verbonden als pastor aan de Chr. Geref. Kerk van Zaamslag. Ouderling A.W. Langstraat sprak hierbij een afsluitend woord gericht tot de nabestaanden en belangstellenden. 

Zeeuwse Courant, 3 maart 1975
Zeeuwse Courant, 3 maart 1975

Correspondentie met Henri van der Veen, pasteur des Eglises Réformées de France

Naar aanleiding van het overlijden van ds. Salomons ontving de kerkenraad een brief van Henri van der Veen[*], op dat moment verbonden als predikant aan de Eglise Réformée de France in Saint Ambroix. Als gevolg hierop ontwikkelde zich een briefwisseling en zelfs vond er in november 1975 een persoonlijke ontmoeting plaats tussen de kerkenraad van Delft en deze predikant die toen vanwege familiebezoek kort in Nederland (Barneveld) verbleef. 

Als persoon maakte ds, Van der Veen naar het oordeel van de kerkenraad "een innemende indruk."  Gaandeweg werd duidelijk dat er zich hier en daar wel een aantal moeilijk overbrugbare kloven opdoemden, zodat voortzetting van de correspondentie zeker tot de mogelijkheden behoorde, maar om deze "vriendelijke kerkelijke vrijbuiter" ook in het midden van de gemeente te laten voorgaan vooralsnog een brug te ver. Toch komen er in deze correspondentie een aantal interessante passages en zienswijzen naar voren die het vermelden waard zijn. Bovendien geeft het inkijkje op het kerkelijke leven in Frankrijk direct stof tot overweging met betrekking op het kerkelijke leven in Nederland.

De Reformatie in Frankrijk

Het protestantisme is in Frankrijk sinds de herroeping van het Edict van Nantes in 1685 gemarginaliseerd en daarmee ook de bekendheid met de gereformeerde belijdenisgeschriften: de Heidelbergse Catechismus, de Dordtse Leerregels en de belijdenis van La Rochelle. [*]

De protestantse kerk in Frankrijk, het grootste land in Europa, is van meet af aan een vervolgde kerk geweest. Desondanks wist men zich na de Reformatie te organiseren en ook was er groei.[*] In 1559 kwam in Parijs de synode in het geheim bijeen. In 1568 werd een Edict uitgevaardigd waarbij alle protestantse erediensten werden verboden en alle gereformeerde predikanten bevolen werd om het land te verlaten. In 1571 kwam de synode van La Rochelle bijeen waar de Franse geloofsbelijdenis werd goedgekeurd, in grote lijnen overeenkomend met de Nederlandse Geloofsbelijdenis. (Bekend als de geloofsbelijdenis van La Rochelle).

Tijdens de Bartholomeusnacht op 24 augustus 1572 werd een aanslag gepleegd op de protestantse gemeenschap. Toen dit nieuws de Paus in Rome bereikte, liet deze het Te Deum zingen en een herinneringsmunt slaan.[*] Na vier jaar kwam de golf van gewelddadige vervolgingen ten einde. Hendrik IV liet het Edict van Nantes uitvaardigen waarmee de protestanten politieke rechten en godsdienstvrijheid werd verleend. Zelf ging hij overigens om strategische redenen over naar de Rooms Katholieke Kerk, waarbij hij volgens de overlevering zou gezegd hebben: "Parijs, is mij wel een mis waard"

Op 6 oktober 1620 werd in het Franse plaatsje Alès de Dordtse Leerregels onder ede goedgekeurd door de Nationale Synode van de Gereformeerde Kerk in Frankrijk. Het was de bedoeling, dat er op de Synode van Dordrecht (1618-1619) ook Franse afgevaardigden aanwezig zouden zijn, maar die mochten toen van de koning van Frankrijk het land niet verlaten, waardoor de zetels van de Franse afgevaardigden in Dordrecht open bleven. In de Franse Bijbels kon men de Heidelbergse Catechismus, de belijdenis van La Rochelle en de Dordtse Leerregels vinden.[*]

In 1685 werd het Edict van Nantes door Lodewijk XIV herroepen. De gereformeerde kerk in Frankrijk kreeg een ondergronds bestaan. In 1802 heeft keizer Napoleon een einde gemaakt aan deze situatie door alle religies op één lijn te stellen. Wat echter aanvankelijk een groot voordeel scheen (geen vervolgingen meer) bleek achteraf een groot nadeel: De kerk raakte haar zelfstandige presbyteriale organisatie kwijt. Iets dergelijks gebeurde ook in Nederland door toedoen van koning Willem I met de invoering van het algemeen reglement en een bestuurlijke organisatievorm. Predikanten werden ambtenaren in dienst van de overheid. De gereformeerde kerk verdween in deze periode in grote delen van Europa, in Frankrijk, Zwitserland, Duitsland, Engeland, Schotland, Nederland onder een dikke deken van bevroren orthodoxie of toenemende vrijzinnigheid.

Reveil

Als reactie op deze ontwikkeling kwam er een reveilbeweging op gang vanuit Geneve. De grote Bijbelse waarheden werden weer verkondigd. Een deel van deze reveilbeweging pleitte voor een strikte scheiding van kerk en staat en als gevolg hiervan ontstonden door heel Europa vrije gereformeerde kerken. Zo heeft er ook in Frankrijk een afscheidingsbeweging plaats gevonden.

Hier kwam bij, dat in het jaar 1848 een ​kerkelijke vergadering van Franse protestanten bijeen kwam, waar zich drie richtingen openbaarde

1. Een progressieve-vrijzinnige richting die het liefst van de belijdenis als bindende factor af wilde.

2. Een gematigd-orthodoxe stroming die wel vast wilde houden aan de belijdenis, maar niet ten koste van de eenheid. Verschillende interpretaties of waardering van de belijdenis moest men accepteren.

3. Een kleine strikt-orthodoxe minderheid waaronder Frédéric Monod, predikant in Parijs en Agénor de Gasparin die van mening waren, dat men ten alle tijde vast moet houden aan de belijdenis (omdat zij is overeenkomstig met Gods Woord), zelfs als de eenheid eronder lijdt.

Toen de kerkelijke vergadering weigerde zich onvoorwaardelijk achter de belijdenis te stellen verliet de predikant Frédéric Monod (1802-1856) samen met Agénor de Gasparin[*] de Eglise Réformée de France. 

Synode van Eglise Réformée de France

Begin mei heeft te Creil-Chantilly (Oise) de 69-ste Nationale Synode van de "Eglise Réformée de France" plaats gehad. Hoofdthema van deze Synode was: "De overbrenging van het Evangelie". (..) Uit de redevoeringen en debatten bleek helaas ook dit jaar hoe men hoe langer hoe meer dit "gaan in de wereld" verstaat. Terwijl het eerstgenoemde: de noodzakelijkheid van het komen tot God volkomen verzwegen wordt". Een sterke afglijding van de Bijbelse waarheden valt waar te nemen. Uit verscheidene rapporten bleek dat velen zich thuis schijnen te gevoelen in de vaagheden van de nieuwe theologie en dat sommigen diep verzinken in het marxistisch moeras. Op te merken valt allereerst de grote rede van ds. J. Maury, die president is van het permanente nationale Synodebestuur. Deze rede was vooral gericht op de belangrijkheid van het oecumenisme. Er waren belangrijke rapporten te behandelen: Over de Zending, rapporteur ds. J. Adnet. Over de Cathechese, rapport van mevrouw Th. Hammei. Ds. M. Leplay was de rapporteur aangaande de commissie van de Ambten. Het rapport van de Evangelisatie was van de hand van prof. dr. G. Casalis, terwijl het rapport over de theologische opleiding werd gegeven door prof. dr. M. Bouttier. Wat het rapport van prof. Casalis betreft, valt op dat men niet meer spreekt van het "Evangelie prediken, uitdragen of brengen", maar van het "Evangelie tonen" (manifesteer!), d.w.z. door een voorbeeld te geven op allerlei levensterrein. Lees: door mee te doen, in allerlei politieke, maatschappelijke en sociale zaken, en op al deze levensvlakken zo ver mogelijk te gaan en van andersdenkenden (lees: atheïsten) veel goeds op te steken"(!)... Dit alles wordt dus het Evangelie tonen genoemd. Betreffende het rapport over de theologische opleiding aan de faculteiten te Parijs-1ste cycle, en te Montpellier-2de cycle, was het kenmerkend dat prof. Bouttier, de rapporteur, uitgebreid sprak in hekelende zin over de oprichting, over het bestaan en over het doel van de vrije theologische fakulteit van Aix-en-Provence, waar (zoals bekend) schriftuurlijk en calvinistisch onderricht wordt gegeven. Deze nieuwe orthodoxe faculteit is niet erkend door de Eglise Réformée van Frankrijk (zoiets als plaats had in de jaren vóór de doleantie in Nederland ten aanzien van de Ned. Herv. Kerk en de toen juist opgerichte theologische fakulteit van de VU in Amsterdam). Prof. Bouttier plaatste de faculteit van Aix in allé opzichten in een kwaad daglicht. Na deze Synode schrijft ds. Delforge tenslotte in "Le Christianisme au XXème siècle": "Niemand van ons zal durven zeggen dat we thans (na deze Synode) tot enige meerdere duidelijkheid zijn gekomen, als na de voorgaande Synode van Martiques (mei-1975), wat betreft het grote vraagstuk van de overbrenging van het Evangelie, ("transmission de l'Evangile").

Reformatorisch Dagblad, 31 mei 1976

Gezien het lage aantal predikanten en gemeenten dat hen navolgde, was het niet mogelijk om een zelfstandig gereformeerd kerkverband in Frankrijk te stichten. Wel leidde dit tot de oprichting van de "Union des Eglises évangéliques libres de France" ("vereniging van Franse vrije evangelische kerken"). Opmerkelijk was, dat de jongere broer van Frédéric, Adolphe Monod die ook predikant was, deze stap uit de Eglise Réformée niet navolgde. Deze vertegenwoordigde eigenlijk een vierde standpunt: 'Wij zijn in ons eigen huis, niet wij hebben hier weg te gaan, en we gaan slechts weg als we hier weggejaagd worden."

In 1872 werd het aan de Franse Gereformeerde Kerk toegestaan om weer als synode bijeen te komen. Een orthodoxe meerderheid stemde voor om de oude belijdenis van La Rochelle weer te handhaven. De vrijzinnige minderheid wilde hier niet in meegaan. Toen werd er een oplossing bedacht door de Franse overheid: de belijdenis is bindend voor zover het geweten dit toeliet. De vrijzinnige richting vond hierin genoeg ruimte om te participeren binnen de Eglise Réformée, een kerk die evenals de Nederlandse Hervormde Kerk een volkskerk genoemd kon worden.[*]

Frédéric Monod (1802-1856)
Frédéric Monod (1802-1856)
Adolphe Monod (1802-1856
Adolphe Monod (1802-1856

Noten

[*]  Deze brief dateerde 1 maart 1975. In 1973 had Van der Veen een ontmoeting met een redacteur van het Reformatorisch Dagblad en vertelde toen, dat hij geboren werd in 1911 "onder de rook van Utrecht." 

[*] Dit betekende niet dat er ook sprake was van een diepgaande volksbekering. "Calvijn trof bij zijn doorreis in Geneve in 1536 geen stad aan op een voorbeeldig godsdienstig en zedelijk peil. De hervorming was wel ingevoerd maar had nog weinig wortel geschoten." W. van der Zwaag, Cesar Malan prediker van het Frans-Zwitsers reveil, p 7

[*] Oskar Thulin (red.) De reformatie in Europa, p. 80

[*] Dit feit wordt vermeld in: 'Franse editie 'Dordt' en 'La Rochelle' in aantocht', Reformatorisch Dagblad, 16 december 1987

[*] Agénor de Gasparin was een Franse politicus die om zijn overtuigingen zijn goede positie moest prijs geven en daarmee ook een groot deel van zijn aanhang verloor. Hij was aanwezig op de kerkelijke vergadering van protestanten in 1848 waar hij samen met Frédéric Monod de houding van de gematigde protestanten aan de kaak stelde. In 1850 vestigde hij zich in Zwitserland, in de buurt van Genève, en zette zich aan het schrijven en publiceren. Met de hulp van zijn vrouw richtte hij in Lausanne een opleidingsschool voor thuisverpleegkundigen op, La Source genaamd, die vandaag de dag nog steeds open is. Museeprotestant.org

[*] Dr. L. Praamsma, De kerk van alle tijden, deel 3, p. 287

Le Temple Calvisson
Le Temple Calvisson

Arbeid ds. Van der Veen in Frankrijk

Vanaf het begin van de jaren vijftig bediende ds. Van der Veen in de religieuze 'woestijn' van Frankrijk het Woord. Na een opleiding tot godsdienstonderwijzer, was hij vanaf 1949 werkzaam voor een reisorganisatie in Frankrijk. Hij leidde onder meer kerkdiensten voor vakantiegangers. Door contacten kwam hij terecht in de Eglise Evangelique Libre (Vrije Evangelische Gemeente) in Cannes aan de kust van Frankrijk. Van oorsprong waren de vrije Franse evangelische gemeenten dogmatisch en kerkelijk naar calvinistische snit ingesteld, maar geleidelijk ontwikkelde zich onderling flinke verschillen. Zo was er de invloed van charismatische pinksterbewegingen en baptistische stromingen die de kinderdoop ter discussie zetten. Na een kerkelijk examen te hebben afgelegd werd Van der Veen binnen deze vrije evangelische gemeenten predikant. Zo was hij verbonden aan een protestantse gemeente in de Franse Pyraneeën, in St. Etienne en Serres waar hij naar eigen zeggen een orthodox-bevindelijke boodschap probeerde te brengen. Min of meer gedwongen door de onzekere financiële omstandigheden ging hij later over naar de officiële Eglise Réformée de France. Hier diende hij zeven jaar de gemeente van Calvisson en vanaf circa 1969 St. Ambroix. Ds. Van der Veen vertelde: "Men moet rekenen op matig kerkbezoek; dertig kerkgangers zijn eerder een groot dan een klein aantal. Ook als je gemeente zo'n driehonderd zielen telt zie je maximaal tien procent de kerkdiensten bijwonen. Zelfs leden van de kerkenraad komen niet altijd als vanzelf opdagen. Jongeren bij de kerk houden blijkt lastig." Toch was er nog een kleine kern waarvoor ds. Van der Veen wilde blijven preken, "al komen er maar drie mensen opdagen." De kerkgebouwtjes waarin hij voorging waren in de regel verwaarloost. En als er geen kerkgebouw beschikbaar was, dan werd er gepreekt in boerenschuren, of zelfs onder de open hemel. Op 26 maart 1975 schreef hij aan de kerkenraad van Delft: "28 jaar lang heb ik niet meer in Nederland gepreekt. Daar is nooit meer van gekomen. In de eerste jaren van ons verblijf in Frankrijk, heb ik nog wel hier en daar bij de verstrooid wonende Nederlandse boeren in dit land in de moedertaal gepreekt, voor kleine bijeengekomen groepjes. Ook voor Nederlandse vakantiegroepen aan de Riviera. Maar u zult begrijpen dat ik al zeer spoedig moest wennen in het Frans te preken, en kan nu achteraf niet anders dan lof hebben voor het goede begrip en het geduld daarin, wat de kerken hier mij in deze te overwinnen zwarigheden betoond hebben. Nooit zal ik dit vergeten, en er ligt dus overal een band, en kan ik me niet anders als in aanbidding voor de Heere nederwerpen, Die mij in deze een open deur gegeven heeft. De laatste maal dat ik in het Nederlands gepreekt heb, was in 1962, voor ruim duizend Nederlandse militairen, manschappen en officieren in het militaire kamp La Courtine, in het centrum van Frankrijk liggend, waar het Nederlandse leger toen grote oefeningen had. (..) Ons leven ligt alles in 's Heeren hand, Die ons hier steeds rijkelijk gezegend heeft. Dus voor de toekomst, of voor de oude dag, geen zorgen, wetende dat ons brood en water gewis is. Vanmiddag om drie uur heb ik kerkdienst in Molières en vanavond in de kerk in Les Mages. Het is de week voor pasen, en is het hier overal een gewoonte een dienst te houden. Zo hoop ik morgen om 18.00 uur in Besseges voor te gaan en 's-avonds in Le Martinet. Ten slotte dan op Goede vrijdag eerst in de kerk te Pyremale en dan 's-avonds hier in de kerk van St. Ambroix."

Le Temple Calvisson
Le Temple Calvisson
Le Temple Besseges
Le Temple Besseges

Saint-Ambroix, 1 maart 1975


Geachte ambtsbroeders, 

Met ontsteltenis heb ik heden kennis genomen in het Reformatorisch Dagblad wat ik hier krijg, van het overlijden van uw geliefde oud-herder en leraar ds. G. Salomons. Ik doe u hierbij mijn welgemeende blijken van deelneming toekomen. Na een leven van strijd en moeite, maar ook na een langdurige ambtsbediening van veel arbeid en zegen, heeft de Heere hem afgelost van zijn aardse post en mag hij nu, door genade alleen, roemen in "Zijn volks genoegen", waarvan reeds de psalmist van de oude dag getuigt. Zeer goed heb ik ds. Salomons gekend, en tot roem van Gods genade kan ik u meedelen dat hij mij tot rijke zegen is geweest. Onder andere heeft de Heere hem in die jaren als slijk aan Zijn heilige vingeren om ook mij na veel strijd, twijfel en worsteling toe te brengen tot dat volk, dat - o wonder van genade - eenmaal zal zalig worden, hun klederen gewassen zijnde door het bloed van het Lam. Veel heb ik vroeger aan zijn prediking gehad. Toen al werd zelfs de roepstem van Boven mij bij tijden duidelijker, te midden van alle nevelen, die later opgeklaard werden, waarvan het gevolg is geworden, dat ik tot het ambt van herder en leraar gekomen ben. In de oorlogsjaren heb ik ds. Salomons eens teruggezien en ontmoet op een stations perron in het Gooi, toen hij daar uit dezelfde trein stapte als ik en ik hem als tegen het lijf liep. Ik greep zijn hand en zei: "dag ds. Salomons." Maar, mij niet meer kennende, antwoordde hij: "Ik ben niet ds. Salomons." Spontaan zei ik: "U bent en blijft voor mij ds. Salomons."  Toen hebben we daar op dat station ergens in een hoek een langdurig en diepgaand geestelijk gesprek gehad en heb ik hem in zijn hopeloosheid en strijd die hij mij vrij openbaarde, mogen bemoedigen. Hij zei o.a. "Het komt noot meer goed!", en "Het kan niet meer..." Maar 's Heeren wegen met Zijn volk en knechten zijn nu eenmaal wonderbaar! Jaren later, kort in Nederland vertoefende heb ik hem mogen beluisteren in een kerkdienst in Bussum. Hij herkende me en knikte naar me vanaf zijn kansel, hij was weer predikant, en samen hebben we na die dienst de Heere gedankt, Hem Die in arme zondaarsharten wond'ren werkt, Israël Zijn volk versterkt en Zijn dienstknechten roept en bekwaam maakt en ondersteunt, waar ds. Salomons, in zekere zin als mijn leermeester, en ik als leerjongere, beiden voor- en onderwerp, levende getuigen van waren. Deze laatste ontmoeting was meen ik in 1953, dus 22 jaar geleden. Daar ik toen reeds predikant in Zuid-Frankrijk was, heb ik nimmer meer direct contact met ds. Salomons gehad, en was hem geheel uit het oog verloren. De laatste paar jaren, heb ik echter steeds zijn Delftse predikbeurten hier gelezen, maar wist niet adres of woonplaats. En nu dit bericht. Sterke de Heere de weduwe en u allen, die hem zo lief en dierbaar waren. Moge de gedachtenis van zijn persoon en arbeid onder ons in ere blijve, en mochten we getrouw blijven in de handhaving van de leer van vrije genade, daar waar de Heere ons plaatste. Zoals u zult begrijpen ben ik predikant in de Hervormde (Gereformeerde) Kerk van Frankrijk. Met de Hervormde Kerk in Nederland te vergelijken. Ook hier zijn alle richtingen vertegenwoordigd. Mijn gemeente waar ik nu al weer 5 jaren sta, is een samenvoeging van 3 gemeenten, waar tien jaar geleden nog 3 predikanten stonden. Elk van deze gemeente heeft 2 plaatsen van samenkomst, dus 6 in totaal. Ik word bijgestaan door z.g. lerende ouderlingen, die dus in sommige kerkdiensten voorgaan. We hebben 4 kerkgebouwen en 2 kerkzaaltjes. Ik heb dus drie kerkenraden; op drie plaatsen catechisatie, enz. Dus heel veel werk, maar het is hier overal 'de volkskerk', dan weet u het wel. Er is veel, heel veel onverschilligheid en ontrouw. Maar overal heeft de Heere toch nog Zijn kinderen, en dat geeft moed en krachten. Verder liggen de toestanden hier wel wijd verschillend ten opzichte van de Hollandse toestanden, die ik uiteraard heel goed ken. Als God mij het leven spaart, is mijn datum van emeritaat 1 juli 1977, dus over ruim 2 jaar. Ondanks het feit, dat onze kinderen en kleinkinderen hier allen in Zuid Frankrijk wonen, denken mijn vrouw en ik er wel eens over om ons toch weer na die datum D.V. in Nederland te vestigen. We weten niet welke weg zich daartoe opent. Gaarne zou ik wel eens met u en met uw gemeente kennis willen maken, maar we komen slechts zelden in Nederland.  Ons leven en werk liggen hier en de reis is ver. In november j.l. ben ik nog 3 dagen er geweest, na 2 jaren. Dus dat is niet veel. In de hoop dat dit schrijven u bereikt, wens ik u en uw gemeente 's-Heeren rijke bijstand en zegen in alle dingen in ruime mate toe. Niet het minst ten opzichte van alle afval, ontrouw en kerkelijke strijd van deze donkere dagen. Dat 's-Heeren Woord en Geest u allen mogen leiden en tot troost en sterkte wezen! U vriendelijk groetend, in de naam van Hem, Die was, Die is, en Die komen zal, uw dw. 

H. van der Veen V.D.M. 

Hierop antwoordde de scriba als volgt:

Delft, 15 maart 1975


Weleerwaarde ds. Van der Veen,

Uw brief d.d. 1 maart j.l. heeft ons in goede orde bereikt. Het is voor ons in die zin een brief 'uit de hemel' dat we er de bevestiging in vonden van Gods genade aan Zijn knecht wijlen ds. Salomons bewezen. De laatste maal, dat hij in ons midden nog mocht voorgaan was op 8 februari [1975] toen hij het Woord Gods bediende over Simon Petrus. Simon, d.i. "die het oor leent"; wat heeft de man daar een last van gehad in zijn leven! Dat heeft hij nu afgelegd. Wat God er in gewerkt heeft, Petrus is voor eeuwig van Simon verlost. Maar voor ons als kleine gemeente geldt: Zeg de kinderen Israëls, dat ze voorttrekken, nu we herderloos zijn achtergebleven, achter de grote Opperherder aan. (..) Zijn weg, d.i. naar onze geloofsbelijdenis daar waar de ambten zijn ingesteld, het Woord en de sacramenten zuiver worden bediend, en de tucht wordt gehandhaafd.(..) Wij menen uit uw schrijven te moeten aflezen dat u ook een duisternis ontwaart over het kerkelijk leven van vandaag. Droevig is het verval en de verkilling die is doorgedrongen. Want rechtzinnigheid is er nog wel, maar dat is veelal dat der farizeeën en Schriftgeleerden. Het is horizontalisme of dode orthodoxie dat de klok slaat. (..) Over deze en andere dingen willen wij met u graag D.V. eens van gedachten wisselen. (..) Wat een onmogelijke opgaaf voor u en voor ons te leren, wat we lezen in Johannes 21: 21 en 22 laatste gedeelte: Heere, maar wat zal deze? Jezus zeide tot hem: Indien Ik wil, dat hij blijve, totdat Ik kome, wat gaat het u aan? Volg gij Mij!

Met broederlijke groeten

De kerkenraad ns. deze

de scriba

A. Deijs

Saint-Ambroix, 26 maart 1975


Geachte broeders,

Uw brief van 15 maart heb ik hier in goede orde en dank ontvangen. Tot op heden kon ik door drukke ambtsbezigheden nog moeilijk tijd vinden u te antwoorden. En, laat ik er nu meteen op volgen, dat het heel moeilijk is op begrijpelijke wijze te schrijven, omdat wij elkaar niet kennen, kan er spoedig misverstand ontstaan op verschillende punten. Wel moet ik u zeggen, dat de inhoud van uw schrijven mij niet losgelaten heeft. Wij weten dat de Heere in alles onze weg leidt, en weten ook dat Zijn wegen hoger liggen dan onze wegen, en Zijn gedachten soms heel anders liggen als onze gedachten. Hoe moeten we steeds weer opnieuw leren, uit Zijn hand te leven en te handelen. Maar we weten ook dat de Heere middellijk werkt en zo wordt ons handelen ingeschakeld, soms met onze goede-, soms verkeerde besluiten, of voornemens. De psalmdichter wist het wel en bad: Maak mij Uwe wegen, door Uw Woord en Geest bekend, leer mij hoe die zijn gelegen en waarheen G' Uw treden wendt, en leid mij in alle dingen in Uw waarheid. Hoe hebt u dit alles nodig (..) Gods volk en kinderen komen nooit boven de inhoud van dat psalmvers te staan. Gelukkig maar ook! Want wie zijn wij, in en van onszelf. Hoe wordt de nodige voorzichtigheid, de afhankelijkheid en de noodzakelijkheid van 's-Heeren voorlichting en bijstand ons niet menig keer in de Schriften voorgehouden. Hoe hebben wij hier in het verre Zuid-Frankrijk dit ook alles nodig, wat we in die lange jaren dat we hier mogen arbeiden in de gemeenten ook wel enigszins geleerd hebben. Hoe hard het eigenlijk nodig was dat we elkaar eens persoonlijk konden ontmoeten, wil ik u toch nu in het kort proberen op enkele punten te antwoorden. Aangaande Schrift en belijdenis ben ik ook volkomen eens met wat u schrijft. Hoe zou het anders ook kunnen, als we geleerd hebben met aandacht en ontzag te buigen voor Gods Woord en wet. De toetssteen van de kenmerken van de ware kerk ligt niet anders. Evenals de Hervormde Kerk in Nederland, hebben de Franse kerken deze belijdenis ook; hier dan niet de Nederlandse Geloofsbelijdenis, maar die van La Rochelle, uit dezelfde tijd van de vervolgingen, bloed en tranen daterend. Belijdenis van dezelfde inhoud, wezen en strekking. Maar...evenals in Holland, is deze belijdenis onder een stoflaag ergens in een hoek van de boekenkast terecht gekomen en wordt er helaas in vele dingen niet meer naar gehandeld. Dat is diep droevig, het verval waarvan u schrijft, is hier dan wel heel groot. Maar wat te doen, (waar vele Ger. Bondspredikanten ook mee zitten), des te meer hier, in de grote geestelijke woestijn van Frankrijk? Er is niets anders, en dit land is zelfs reeds lang ook door de Roomse Kerk als 'zendingsgebied' verklaard. Protestanten sinds drie eeuwen uitgemoord, tot op de Franse Revolutie, toen eerst godsdienstvrijheid werd verkregen, zijn hier nu dun gezaaid. Nog niet 1 miljoen op 54 miljoen inwoners. En dan alles, zelfs tot sekten toe meegerekend. En dan de grote ontrouw van deze nazaten van de hugenoten te bedenken, en dagelijks van nabij te ervaren, tot ons groot verdriet en soms ontmoediging. En dat alles over een land dat in oppervlakte 18 maal groter is als Nederland! Beste broeders, ik zeg u vrij uit: Wie dit alles niet kent en persoonlijk dagelijks meemaakt, kan hier absoluut niet over oordelen. Over de tucht gesproken, wat wordt daar soms vreemd mee omgesprongen in Nederland onder het mom van Schriftgetrouwheid. U weet dat wel, men snijdt maar af; men daagt elkaar maar voor de aardse rechter, zoals onlangs bijvoorbeeld nog meerdere keren in Rijssen, over kerkelijke goederen. In een dorp waar ieder kerkelijk zijns weegs gaat en wel 6, laten we zeggen "oud-gereformeerd-getinte" dominees staan, en waar men het overal bij het rechte eind denkt te hebben, tot bespotting van de wereld, en dat in deze verschrikkelijke tijd van Godsverzaking overal, waarin wij leven. De geschiedenis van de Afscheiding goed kennende (en waaruit ik zelf voortkom), moet ik zeggen dat juist het tucht misbruik zoveel nameloze kerkelijke en persoonlijke ellende heeft teweeg gebracht. Ik schrijf u eerlijk: Ik ben bang van dit alles. En waar vinden we over het aardrond de meest zuivere openbaring van het Lichaam van Christus, zoals men zegt? Zoals ik u reeds schreef in mijn eerste brief: Laten we in alles getrouw proberen te blijven, daar waar de Heere ons plaatst. Hij is de Grote hartenkenner en Nierenproever, en werkt, o wonder van genade, zijn zo vaak ontrouw volk en knechten inschakelend. En dan mag ik u zeggen, dat ondanks alles, de Heere ook nog hier Zijn volk heeft. In de zes plaatsen van samenkomst waar ik de verantwoordelijkheid voor heb (en dat over een gebied van twee stadjes en 18 dorpen), heb ik ze nog, en word ik nog gedragen op de vleugelen van hun gebed, en zijn het nog de kurken, waarop het kerkelijke leven hier drijft. Dat is voor mij steeds een wonder van hemelswege. Mijn ambtswerk is hier een zendingstaak. (..)

Beste vrienden, mochten we verwaardigd worden ons wederzijds voor de Troon van Gods genade in de voorbede te mogen brengen. En weest overtuigd van onze meest hartelijke broederlijke groeten en medeleven. Gode in alle dingen bevolen. Hopelijk tot schrijvens,

Uw H. van der Veen

Delft, 29 maart 1975


Weleerwaarde ds. v.d. Veen,

Uw brief dd. 26 maart j.l. kwam juist voor de Goede Vrijdag in ons bezit, zodat we in de gelegenheid waren, deze in een vergadering na de dienst met elkaar door te nemen. Wij betuigen onze instemming met uw opmerking, dat het inderdaad heel moeilijk is elkaars bedoelingen achter de geschreven, of zelf bij een persoonlijke ontmoeting, gesproken taal te onderkennen. Wat geldt voor de vreze des Heeren n.l. kennen en vertrouwen, geldt ook voor degenen die de Heere vrezen, dan is de onmisbare voorwaarde voor een sfeer van vertrouwen het elkaar te kennen. Wij hebben enige reserve ten aanzien van de gangbare mening, dat 'de tale Kanaäns' de harten zonder meer aaneen smeed, want de Schrift leert ons, dat we de taal kunnen gebruiken, zonder de inhoud te beleven en te betrachten. (..) De openhartige opstelling, die u inneemt, wat wij op prijs stellen, maakt het ons mogelijk op even openhartige wijze op het één en ander in te gaan. (..) Als u het met de belijdenis op grond van de Schrift eens bent, dan rijst de vraag of u het niet met ons eens moet zijn dat de Geref. Bondsmodaliteit in de Nederlandse Hervormde Kerk, nu juist een voorbeeld is hoe het niet moet, als we het instituut losmaken van de levende kerk, waarbij we ook kunnen vervallen in het andere uiterste: de opvatting van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt , die het instituut van de kerk als de enige ware kerk propageren en dus het instituut met de levende kerk volkomen vereenzelvigen. Wij zouden niet willen twijfelen aan het feit, dat u met zegen arbeidt in een situatie, waarin ons inziens nu juist een al te grote loskoppeling aanwezig is tussen het instituut van de kerk en de levende kerk. Juist zo'n situatie voert tenslotte tot conventikels en groepjes, die officieel behorend tot het instituut, dan maar wat contact zoeken met elkaar om een preek te lezen of te mediteren, hetgeen veelal ontaard in ongezond geestelijk leven. Wij menen, naar de Schrift, terug naar de inzettingen des Heeren, Woord en sacrament, ambt en tucht en dat door genade beoefend, daar woont Hijzelf, daar wordt Zijn heil verkregen en 't leven tot in eeuwigheid. Hoe komt het dat het kerkelijk leven zo verdord en versteend is? Niet in de eerste plaats omdat we zo gescheiden voortleven, maar de weigerachtige houding doorgaans om weer te handelen zoals de Heere het wil. En als dát de nood van de levende kerk wordt, dan komt ook weer bij elkaar in het instituut van de kerk, wat bij elkaar hoort. Wij hebben en zijn niets om ons te verbeelden dat wij het alleen bij het rechte eind hebben, maar ds. van der Veen, wie kan hier iets tegen in brengen als hij of zij nog wil luisteren naar hetgeen Gods Woord ons leert en de belijdenisgeschriften? De schrijver van deze brief heeft zelf bijna vijf jaar in het voormalig Nederlands Indië gewoond en geleefd tussen een volk met een geheel andere geaardheid, cultuur en historie, zodat hij zich uw problematiek wel enigszins kan voorstellen, namelijk dat we de Nederlandse situatie en de geestelijke inslag, niet zo maar kunnen projecteren op de Franse situatie, maar de uitgangspunten zijn toch hetzelfde? Namelijk, ons te houden aan de lijnen van Gods Woord. Juist deze aanpak is de grote geloofskracht van de Hervormers geweest. Al heeft Nieuw Testamentisch de tucht een andere dimensie gekregen, toch schijnt hetgeen de Schrift ons soms zo duidelijk voorhoudt, ons niets meer te zeggen te hebben, dat dan mogelijk bij moderne Schriftverdraaiers valt onder 'tijdgebonden'. Dat u terughoudend bent voor de tucht is gezien de geschetste voorbeelden (Rijssen) terecht, maar heft het misbruik het goede gebruik op?  Juist hier liggen voetangels en klemmen. Als vandaag aan de dag voorgangers gingen handelen als een Elia, of een Gideon en noem ze maar op, dan wordt dat niet in dank afgenomen. Wij zijn kennelijk te humaan... geworden op kerkelijk en geestelijk terrein om handelend op te treden waar dat werkelijk nodig is. Maar is dát liefde tot de naaste als we  maar laten voortmodderen in de zonde? Of zou het niet juist zo zijn, dat wanneer de kerk wellicht kleiner wordt door de Schriftuurlijke aanpak, van dat deel, dat zich wenst te schikken onder de inzettingen van Gods Woord weer een sprake uitgaat: de reuk van Christus!? Wij zouden onze blijdschap niet op kunnen als we onder de gunst van de Heere weer een voorganger uit Zijn hand zouden ontvangen, maar al weten we dan de weg niet, het is waar wat u schrijft, we kennen wel de wijze. Hoe dikwijls vergeten u en wij het namelijk dat we met deze dingen bezig zijn zonder de beleving in een kinderlijk geloof: Uw brood zal zeker en uw water gewis zijn! Hij geeft het Zijn beminden als in de slaap. 

Met broederlijke groeten en de wens toch eens in een persoonlijk gesprek D.V. met elkaar van gedachten te kunnen en te mogen wisselen, besluiten we dit schrijven. 

Namens de kerkenraad

de scriba 

Saint-Ambroix, 12 april 1975


Geachte br. en andere broeders van de kerkenraad van de Chr. Geref. Gemeente in Ned. te Delft

Hartelijk dank voor uw schrijven van 29 maart. Ik geloof dat we echter nu al uit onze korte ervaring moeten vaststellen, dat het moeilijk is (omdat we elkaar niet persoonlijk kennen) niet langs elkaar heen te redeneren, waardoor men elkaar moeilijk blijkt te verstaan, alhoewel we wederzijds eigenlijk hetzelfde willen zeggen. Dit is erg jammer, daar de band van vertrouwen dan niet hecht gelegd wordt, terwijl onderling vertrouwen een eerste en ik zou haast zeggen een natuurlijke zaak is. onder hen die in eenvoud en onverderfelijk de Heere hebben leren kennen, onder hen die niet naar hoge dingen staat, maar die zich bij de nederige willen voegen. Met 1 Korinthe 13 zou ik u allen willen schrijven, dat terwijl de liefde niet lichtvaardig handelt, deze liefde, waarvan de apostel schrijft, toch ook lankmoedig is, goedertieren, zich zelf niet zoekt, geen kwaad denkt, maar alle dingen hoopt, bedekt en verdraagt. Wat mij betreft gaan deze zaken toch vóór, als kenmerken, bij alle noodzakelijkheid overigens van zuivere belijdenisgeschriften, tucht enz. Voor het overige is bij ons allen alles, zoals bij Paulus en in de gemeenten, wel erg ten dele, zoals ook in Korinthe. Of het daar een soort 'hervormde volkskerk' genoemd zou moeten worden, of 'de meest zuivere openbaring van het lichaam van Christus', ik weet het niet. Er mankeerde daar in elk geval nog al het één het ander aan. Toch adresseert Paulus zijn brieven aan hen, o.a. schrijvende: "aan de gemeente Gods, die te Korinthe is, (enz.), met allen, die de naam van onze Heere Jezus Christus aanroepen in alle plaatsen, beiden hun en onze Heere! Deze houding treft me zeer, en is troostvol en beschamend. En daar dit alles toch geïnspireerd is door de Heilige Geest, och wat zullen we dan niet geneigd zijn, de hand op de mond te leggen, blind als we in onszelf zijn, tastend langs de wand onze weg, nee Gods weg, te zoeken in alle dingen, en allermeest wel wat betreft de dingen van Zijn Koninkrijk. Dit alles wens ik u in ruime mate toe, dagelijks, wekelijks, en voor de komende tijden, in het leiden van uw nu herderloze gemeente. Hoe hebben wij hier dit alles ook niet evenzeer hard nodig: "Zonder Mij kunt gij niets doen." Daar wij toch niets voor de Heere zijn, moet die diepe afhankelijkheid ons allen steeds weer, en steeds meer verbrijzelen, de eenvoud en de nederigheid zoekende, de geest van oordelen en veroordelen verre van ons te doen houden. Ik weet niet of de belijdenis van La Rochelle een Hollandse vertaling kent, maar weet wel dat de inhoud lang is. Aangaande de tucht meen ik dat vooral en steeds de sleutelen des hemelrijks in de prediking op de kansel terdege gehanteerd moeten worden, in liefde, maar in getrouwheid aan heel het Bijbels getuigenis. Tale Kanaäns of iets modernere uitdrukkingen, dat is vers twee. De mens ziet aan (en hoort aan) wat voor ogen is, God ziet het hart aan. Dat weten we, en daar blijft het bij, gelukkig maar ook. David bad: Laat me dan liever vallen in de handen van de Levende God. Bij Hem is barmhartigheid. Hoe het ook zij, laten we - wederzijds - op zo'n verre afstand van elkaar geplaatst zijnde, elkaar dragen en verdragen, kon het zijn op de vleugelen van het gebed. Onze korte correspondentie is dan toch zeker voor iets goed geweest. (..) Nu voor het moment afscheid van u nemende, doe ik u allen mijn allerbeste groeten en bede toekomen. Gode en Zijn genade in alle dingen bevolen.

Uw toegenegen,

H. van der Veen

Delft, 10 mei 1975


Weleerwaarde ds. v.d. Veen, 

Uit de laatste zinnen van uw vorige brief (dd. 12 april) menen wij te mogen afleiden, dat u onze korte correspondentie min of meer als beëindigd wilt beschouwen. Mocht dit zo zijn, dan willen we dat volledig eerbiedigen. Toch voelen we ons gedrongen nog even in te gaan op een aspect uit uw schrijven, namelijk op de vraag, wat nu de inhoud van de liefde zou moeten zijn naar 1 Korinthe 13 en wat de positie van de gemeente in Korinthe was, als we letten op de wijze waarop Paulus in de aanhef van zijn eerste brief de gemeente aanspreekt. Ons inziens is het daarbij niet de vraag of het daar een soort volkskerk genoemd zou moeten worden of de meest zuivere openbaring van het lichaam van Christus, maar ons inziens moeten we de vraag in omgekeerde volgorde stellen: Behoren wij tot een gemeente, een kerk, die de kenmerken draagt van de Nieuw Testamentische gemeenten, ook met betrekking tot de ambtelijke bediening. Het is maar al te waar, dat er nog heel wat aan mankeerde, vooral in de gemeente van Korinthe.  Maar een beroep als zodanig op de toestanden in de gemeenten van Korinthe, om daaruit de conclusie te trekken, dat een zondige kerk nu eenmaal onvermijdelijk is, is ons inziens een gevaarlijk misverstand, hetzij een verdovingsmiddel om bij een afwijken, een verval, een afval in de gemeente niet waakzaam te zijn. Het is zo, omdat wij van God afgevallen schepselen zijn, steeds weer zonden zich in de gemeente kunnen openbaren, maar leven we daar nu bij in de geest van: het is nu eenmaal zo. Juist dan is het zeer de vraag of we dan nog wel kunnen en mogen spreken van gemeente van Jezus Christus.  Als we de brieven van Paulus voornamelijk die aan Korinthe eens doorlezen, dan valt ons meteen op, namelijk dat het één doorlopende vermaning is, Israël als waarschuwend voorbeeld. Als het gaat over het lied der liefde, dan begint Paulus dit na een passage waaruit de onderlinge naijver in de gemeente blijkt. Als we dan ook zouden menen, dat het met het betrachten van de liefde de openbare zonde in de gemeente zou moeten worden bedekt of getolereerd, dan is dit in flagrante strijd met het Woord van de Heere. Een uitnemend voorbeeld van het spanningsveld tussen de beoefening van de liefde in relatie tot de tucht en gerechtigheid vinden we in Daniel 4 vers 19 en 27. De ootmoed van het lied der liefde gaat niet samen met het toelaten van de zonde, zoals dat zich overal aan het verbreiden is. Dan zullen we in de geest van nederigheid, in onszelf en rondom ons, veroordelen alles wat met het Woord en de vreze des Heeren strijdig is. Dan is het elkaar dragen en verdragen, op de vleugelen van het gebed, als het goed is één bede of de Heere Zijn hof weer doorwaaien wil om het spinrag van onze ongerechtigheid daaruit te verdrijven, de kwalijke verontreiniging van ons geestelijk milieu weer uit te zuiveren, en zo de Zon der gerechtigheid weer te doen schijnen in gezin en kerk, en dan kan het niet anders, of de invloeden daarvan zullen doorwerken in staat en maatschappij. Heeft dit in het licht van Gods Woord uw instemming, dan is er een basis aanwezig.  Mochten wij niets meer van u vernemen, dan hopen en bidden wij u vurig toe: "De opening Uwer woorden geeft licht." (Psalm 119: 30)

U groeten de broeders kerkenraad van de kleine Chr. Geref. Gem. in Ned. te Delft. 

De scriba

Saint-Ambroix, 15 mei 1975


Geachte heer Deijs, en de overige broeders van de kerkenraad der Christelijke Gereformeerde Gemeente in Nederland te Delft

Weer blijkt helaas min of meer misverstand zich voor te doen over wat ik schreef in mijn vorige brief. in dank uw schrijven van de 10de ontvangen hebbende, wil ik toch proberen één en ander te verduidelijken. Allereerst gaat het er mijnerzijds niet om, om onze correspondentie af te breken, maar als het tot een langs elkaar heen praten zou komen, of een soort van polemiek, waarbij het onderling christelijk vertrouwen in het gedrang zou komen, zou dat zeer te betreuren zijn en geen nut hebben. En dat is noch uw, noch mijn bedoeling. Verder: natuurlijk is het niet zo, dat in de naam van een soort verdraagzaamheid (liefde is er eigenlijk de uitdrukking niet voor) de openbare zonden bedekt of getolereerd moeten worden. Kenmerken van een gemeente naar Bijbelse instelling zijn wel degelijk de zuivere ambtelijke bediening van het Woord, tucht en sacramenten. Volledig onderschrijf ik dus al wat u daarover schijft. Antinomianisme wordt in de Schrift steeds duidelijk gelaakt en aan de kaak gesteld. De tegenvoeter is echter: werkheiligheid, volmaaktheidsdrijverij. Beiden uitersten moeten doorzien en geweerd (Voorbeeld van Jezus met de zondares enerzijds, met de farizeeën anderzijds). Wat ik daarmee zou willen zeggen? De tucht omvat slechts de openbare zonden in de gemeente. Noodzakelijk, maar hier is wel alles erg ten dele, en aan de buitenkant (oog van de mens). Wij zijn geen hartenkenners, gelukkig, De tucht in de prediking gaat echter verder, als het goed is, en moet de innerlijke roerselen van ons hart raken. En och, wat blijft er dan van over? "Die een vrouw aanziet, enz. heeft alrede..enz." En die tot zijn broeder zegt "raka" is alrede een doodslager. De openbare zonden betreffen meestal de tweede tafel van de wet, vaak dus in verhouding tot onze naaste. Dit ligt zo in de lijn (ook van het algemeen erkende fatsoen, volgens bepaalde normen in de samenleving: echtbreuk, diefstal, moord, laster enz.) Maar vóór de tweede tafel is er de eerste, en de legio overtredingen ten aanzien van de Heere, Die de nieren proeft, en Die jaloers is op Zijn eer, och waar blijft een mens dan? U spreekt terecht van opgeblazenheid en hoogmoed die wel de eerste zonde zijn te dien aanzien. En waar blijft dan de zelfkennis ten aanzien van alle geboden Gods? Let wel: met u handhaaf ik dus de noodzaak van de tucht in de gemeente, toch weten we dat een zichtbare geïnstitueerde gemeente, nooit hier beneden een zondeloze gemeente zal kunnen zijn. Alles blijft ten dele en zéér ten dele, alhoewel de opzieners hebben te waken op Sions muren en moeten snoeien en kappen, maar met ootmoed en met beving. Steeds dus door prediking en gesprek, als het niet anders kan dan door tucht, maar dit laatste met diepe droefheid en mededogen. Ook wat de prediking betreft, kunt u mij, als zeer eenvoudig modest prediker zijnde, meer rangschikken onder hen die geloven dat de meeste van Gods kinderen op 'evangelische wijze' tot Hem worden gebracht. Ik wil met die uitdrukking zeggen, als het mag gebeuren, door de niet meer te weerstane liefde Gods klein geworden en tot stilstand gekomen. O wonder van genade! En aldus geleid te worden, en dat zij, die door de donder van de Sinai tot Hem komen, wat ook voorkomt, meestal tot de weinige gevallen behoren. Grote woorden en hoge beschouwingen raken niet vaak de ziel, en kom ik (ouder wordende) hoe langer hoe meer van terug. Maar als de Heilige Geest er in mee mag komen, och wat kan een begenadige ziel week worden en vermurmd worden en wegvloeien als water op de velden, onder de goedheid en de bemoeiingen van de Heere, juist ook op die wijze in de prediking. Een onderscheidende prediking waarbij men als een apotheker te werk probeert te gaan, om als het kon te mogen behouden. Daar gaat warmte van uit. Ditzelfde geldt m.i. ten aanzien van het schuchter wijfelend toevluchtnemend geloof, hetwelk toch zo dikwijls voorkomt. En ik geloof zelfs, dat zij, die kunnen zeggen met de apostel: "Wij dan gerechtvaardigd zijnde door het geloof" enz. daar eigenlijk niet boven uitkomen, en maar goed ook. Dan wordt en blijft het toch altijd een eeuwig verwonderen, en is alle roem of eigenwaan volkomen uitgeschakeld. En worden we ruim voor een ander, en nauw voor onszelf. (..)