Terug

Brief aan de kerkenraad van de Christelijke Gereformeerde Kerk Urk (1960), Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland in de periode 1952-1975, Brief uit Friesland (1946), Synode van 1947, Eenheid op basis van de gereformeerde belijdenis?, Tussen de vuren: een nieuwe generatie treedt aan, Ds. P. Westerloo op de Schooldag van 1947, Ds. J.G. van Minnen op de Schooldag van 1947, Terugblik Prof van der Schuit op de Schooldag van 1947, Terugblik op het kerkelijk jaar 1947 (ds. J.C. Maris), Woelderink als het juiste midden? Enigheid des Geloofs, Om het eeuwig welbehagen: ds. M. Baan op de Schooldag van 1949, Signalen van achteruitgang? Een levend geloof als eis, Mevr. W.J. Zwiep uit Zeist spreekt over belijdenis doen en avondmaal (1935) Wat is een waar geloof? (De Wekker, 28 maart 1905), Eerste fase gesprekken vrijgemaakten (1947-1951), Gesprekken met de vriendenkring ds. M. Baan (Dordrecht), ds. H. van Leeuwen (Delft), ds. C. Smits (Driebergen) en ds. N. de Jong (Middelharnis), De moeilijkheden binnen de classis Amsterdam (1950-1952), Karaktereigenschappen, Huizen 27 juli 1952, Liturgische gewoonten, Reacties op uittreden van ds. Van Minnen, Een kleine exodus, Vlaardingen en Hoofddorp, Gerrit Jan van Vliet, Hendrik Visser Mzn. en Rotterdam-Zuid, Overeenstemming Huizen, Bussum, Vlaardingen en Hoofddorp, Synode Chr. Geref. Kerk 1953, Kanselboodschap (Prof. G. Wisse), Hessel Groen, Zwolle, Mijdrecht (ds. R. Kok) naar Chr. Geref. Kerk Drachten, Veenwouden, Jetse Hamstra, Delft (Chr. Geref. Gem), Delft (Geref. Gem), Het kerkelijk jaar 1954: Mariajaar (Reacties J.H. Velema, J.C. Maris, S. van der Molen, L.H. van der Meiden), Brief ds. Van Minnen aan Delft 17 mei 1954

Terug

Overlijden ds. G.J. van Vliet, Classis 6 oktober 1954, Berend van den Berg (1878-1955), M.C. Kersten uit Den Haag, ds. H. Groen bevestigd in Drachten, Brandende kwesties, Twijzelerheide, Classis 6 oktober 1955, T. Kroon uit Huizen, Brief ds. Salomons 7 mei 1956, Brief ds. Van Minnen 11 juli 1956, Preekconsent T. Kroon ingetrokken, Ds. Van Minnen neemt afscheid van Huizen, Brief ds. van Minnen 30 augustus 1956, Brief ds. Van Minnen 22 september 1956, Veenendaal (ds. R. Kok) naar Chr. Geref. Kerk, Classis 4 oktober 1956, A. van der Galiën, Vaste scriba classis A.W. Langstraat (Delft), Welstand van de gemeenten, Bevestiging ds. Van Minnen in Delft, Herinnering H. Hille, Overlijden ds. H. Groen, Classis 10 april 1957, Classis 2 oktober 1957, Westzaan (ds. R. Kok) naar Chr. Geref. Kerk, Klaas van Twillert uit Bunschoten, Brief Chr. Geref. Kerk Dordrecht aan zusterkerken

Terug

 Een classis-contracta, Tweede contact ds. H. Visser Mzn. Besprekingen CGK met vrijgemaakten hervat, Synode Chr. Geref. Kerken 1959, Ds. C. Smits bezoekt ds. Van Minnen in Delft, Bezoek ds. N. de Jong in Katwijk, Gesprekspunten, Bezoek ds. F. Bakker in Driebergen, Bezoek ds. C. Smits in Sliedrecht, Urk, Pier de Groot (1876-1959), Derde contact ds. H. Visser Mzn. Geschiedenis Urk, Bezoek aan Urk, Brief aan Urk, Geschonden briefgeheim, Opnieuw contact met ds. C. Smits en ds. N. de Jong, Gesprek met ds. H. Visser en Rotterdam-Zuid, Urk treedt uit de CGK, Classisvergadering 21 september 1960,Vergadering van bezwaarde christelijke gereformeerde predikanten in Rotterdam, Vierde contact ds. H. Visser Mzn. Classisvergadering 13 mei 1961 in Rotterdam, Akkoord tot fusie onder voorbehoud, Classisvergadering 9 september 1961, Conclusie Delft Drachten en Hoofddorp, Ingezonden stukken inzake ds. Salomons en ds. Blankespoor, Ongedaan maken fusie, Redenen voor ongedaan maken fusie, Voorstel van Drachten, Delft en Hoofddorp samen verder, Advies van ds. Salomons, Ger. Gem. (H.V) Sliedrecht naar CGK, Synode CGK 1962, Vlissingen, Invloed vrouw in de gemeente (1962), Contacten met Ger. Gem. (H.V.) Rotterdam-Kralingen (Ds. P. Overduin en D. Chr. Overduin), Vergadering Sliedrecht, Vertrek br. D. Overduin en einde contact Ger. Gem. (H.V)

Terug

Het kerkelijk jaar 1964: Wat is het verschil tussen Christelijk Gereformeerden en de Geref. Kerken? Wat is er veranderd in de afgelopen vijftien jaar? (Okke Jager), Goud zilver en brons: Een visie op de Nadere Reformatie (1964), Ds. F. Bakker (1919-1965), Uitnodiging Oud Gereformeerde Kerk Dordrecht, Zwijndrecht met ds. E. Venema verlaat CGK, 1ste bespreking 22 juni 1965, Kerkelijke weg ds. Hennephof, Bewustwording rechtvaardigmaking niet hetzelfde als moment van wedergeboorte, Artikel 28 en 29 NGB (de 3 kenmerken van de ware kerk), Belijdenis en avondmaal, 2de bespreking 19 oktober 1965, Orde des heils, Verbondsgedachte, Heilshistorisch en exemplarisch, Statenvertaling of een Nieuwe Vertaling, Landelijk Comité behoud der Statenvertaling, Ds. Van Minnen neemt afscheid van Delft

Deel 5

Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland

in de periode 1952-1975

Ds. B. Hennephof in Delft, Br. C. van Marion, Dordrecht annuleert derde gezamenlijke classis-vergadering, Haarlem-Centrum, Brief ds. Salomons 17 februari 1966, Brief ds. Salomons 21 april 1966,Bewaar het Pand, Uitgave Firma Pieters Oostburg (1966): De Geestelijke pelgrim door Lambrecht Myseras (een 2-tal waarderingen), Brief ds. Salomons 4 juli 1966 Vervolgactiviteiten Landelijk comité voor behoud Statenvertaling, De zondag in het geding?,Brief ds. Salomons 12 december 1966, Brief ds. Salomons 12 januari 1967, Waar wilt u heen professor I? (De vrouw op de kansel - en in de ambtsbank?!), Mirjam, Brief ds. Salomons 18 April 1967, Initiatief samensprekingen Christelijke Gereformeerde Kerk i. H.V. Zwijndrecht met ds. E. Venema, Brief Delft aan Zwijndrecht 29 april 1967, Antwoord Zwijndrecht 6 mei 1967, Brief Delft aan Zwijndrecht 18 mei 1967, Brief A. Deijs aan ds. Salomons 5 juni 1967, Brief Zwijndrecht aan Delft 10 juli 1967, Brief Delft aan Zwijndrecht 18 augustus 1967, Brief ds. Salomons 22 augustus 1967, 2de bespreking met Zwijndrecht 31 augustus 1967, Ds. Van Minnen terug in Delft, Schrijven ds. Salomons 19 oktober 1967, Uit de Haagse hof geplukt, Waar wilt u heen professor? II (Hoe lezen we Genesis 2 en 3?), Bezwaren tegen opvattingen van Prof. dr. B.J. Oosterhoff (Instructie Driebergen op Classis Utrecht), Bezwaren tegen opvattingen Prof. Oosterhoff afgewezen (Particuliere Synode van het Oosten), Toen kwamen de geschriften van Woelderink (Prof. J.J. Oosterhoff in De Wekker), De beloften van het evangelie: Wedergeboorte en bekering (ds. J. Veenendaal in Bewaar het Pand), Waarom een Reformatorisch Dagblad en hoe?, Ouderling G. Barten (Haarlem-Centrum/Hoofddorp), Arnhem met ds. J.C. van Ravenswaay, Moeilijkheden in Delft en Hoofddorp, Gebeurtenissen rondom schorsing en afzetting ds. Van Minnen, Schrijven van ds. Salomons, opnieuw een schrijven van ds. Salomons, Bezoek kerkenraad Delft aan ds. Salomons, Brief ds. van Minnen aan kerkenraad Delft 10 augustus 1968, Brief kerkenraad Delft aan ds. Van Minnen 13 augustus 1968, Een laatste ingrijpend besluit, Brief kerkenraad Delft aan ds. Van Minnen 12 april 1969,Brief Delft aan ds. Van Ravenswaay, Arnhem met ds. Van Ravenswaay naar Geref. Gem. Brief ds. Salomons 15 december 1969, Zwijndrecht naar Gereformeerde Gemeenten, Verzoek ds. Van Minnen om hereniging, Overlijden ds. Van Minnen, Dr. Arntzen? een waarschuwing van ds. Salomons, Antwoord br. A. Deijs 6 maart 1971, Initiatief Alphen aan den Rijn (Ouderling Joh. van der Lee), Brief ds. Salomons 4 maart 1971, Brief ds. Salomons 12 april 1971, Brief ds. Salomons 21 april 1971,
Ambtsdragers vergadering CGK, Brief ds. Salomons 11 mei 1971, Brief ds. Salomons 19 mei 1971, Brief ds. Salomons 29 juni 1971, Brief ds. Salomons 29 juli 1971, Brief ds. Salomons 7 september 1971, Ds. C. Smits naar Oud Gereformeerde Gemeente Giessendam, Brief aan curatoren en hoogleraren CGK (ds. P. Sneep), Ds. E. Venema naar Drachten, Ds. I.J. IJsselstein van de Vrije Christelijke Gereformeerde Gemeente van Schiedam, Referaat ouderling J. Veenendaal (Driebergen)



"De kerk heeft, als pilaar en vastigheid der waarheid, die waarheid ook binnen haar erf hoog te houden en als 't moet, tegen eigen broeders en zusters te verdedigen. Jammer is het echter, dat mede vanwege de hitte van de strijd haar aandacht ontgaan is het vraagstuk der algemene verwording rondom de kerkmuren."

G. Salomons


"Tijdgebonden wil zeggen, dat één of andere Schriftuitspraak alleen maar geldt voor een bepaalde situatie in de tijd, waarin de Bijbelschrijvers leefden. U zou de schaduwachtige wetten van Oud-Israël tijdgebonden kunnen noemen, maar dan toch zo, dat de grondslag van de ceremoniële wet der offeranden enz, zijn grondslag vindt, in de eerste tafel der tien geboden, en de burgerlijke wetten haar grondslag vinden in de tweede tafel der tien geboden, en die geboden zijn altijd durend. In 1 Korinthe 7 zegt Paulus, dat het beter is ongehuwd te blijven, want dat de ongetrouwde de Heere zoekt te behagen, en de getrouwde vrouw de man zoekt te behagen. Dit zou men wel tijdgebonden kunnen noemen, om de reden dat Paulus dit schrijft met het oog op de komende vervolgingen; dan zou het gehuwde leven wel eens een zware beproeving kunnen veroorzaken om getrouw te blijven. Maar vandaag aan de dag is dat woord 'tijdgebonden' een echt modewoord geworden van vele hedendaagse theologen, om aan de betekenis van het sabbatsgebod te knagen en om te kunnen verdedigen, zogenaamd met de Schrift in de hand, dat het zelfs de roeping der kerk is, om de vrouw in de kerk tot de ambtelijke bediening toe te laten. Zo stelen die theologische vossen de rechte betekenis van de uitspraken van Gods Woord weg en wat houdt men dan over van het eeuwig blijvende Woord van God? De kaft, beste lezers, niets anders." 

G. Salomons


"Een van de methoden om de Bijbel proberen krachteloos te maken is wel bijzonder deze: de Bijbel alleen benaderen en te onderzoeken op wetenschappelijke wijze en dan pas te geloven. Zo gaat het al in de gezinnen, op scholen, in de kerk, bij de opleiding tot dienaar des Woords. Daarbij spreekt hoe langer hoe meer de wetenschap het laatste woord. Kon ik een karikatuurtekening weergeven, dan tekende ik een geleerde, bijzonder een theoloog. Hoe!? Zie hem met zijn hoofd (orgaan voor wetenschappelijk onderzoek) de aardkorst trachten te doorboren, om bijvoorbeeld de ouderdom van de aarde te leren kennen. Om te onderzoeken b.v. waar de olie in het water van de Kison vandaan kwam. Dat water dat Elia om- en op het altaar goot bij de eindfase van de strijd of Baäl dan wel Jehovah God is. (...) Ja de aardkorst trachten te doorboren - of de aarde wel bijna zesduizend jaar oud is enz. (...) Dat op de kop staan, om met zijn hoofd de schepping te doorboren; of de Bijbel ten opzichte van de schepping wel juist is - met zulk een methode beschadigt de mens juist zijn hersenen. De hersenen die gevoed moeten worden van Boven. Geef mij verstand met Goddelijk licht bestraald. En doe mij geloven Uw Woord. Hebr. 11: 3. "Door het geloof verstaan wij dat de wereld door het Woord Gods is toebereid, alzo dat de dingen die men ziet, niet geworden zijn uit dingen, die gezien worden." 

J.G. van Minnen


"Ja, gelukkig voorgenoemde heer is wars van elke zelfs bedekte vorm van Schriftkritiek, van wereldgelijkvormigheid en wat dies meer zij. Maar hebt u ooit gehoord, dat zoals bij wijlen ds. De Cock (1834) de toegepaste theologie en christologie werd gesteld?" 

G. Salomons


Kerkgebouw van Delft
Kerkgebouw van Delft

Ds. B. Hennephof in Delft

Na een tweetal besprekingen met de kerkelijke groepering rondom ds. Hennephof die in goede harmonie waren verlopen, kwam er in januari 1966 op teleurstellende wijze abrupt een einde aan de contacten.[*] Van het moment dat ds. Hennephof zou voorgaan in de gemeenten van Delft en Hoofddorp was (mogelijk in verband met diens gezondheidstoestand) echter nog niet gekomen. Van de kerkenraad van Dordrecht ontving de kerkenraad van Delft op 20 december 1965 een schrijven waarin zij meedeelden de eerstvolgende gezamenlijke classisvergadering van 27 januari 1966 uit te willen stellen, gezien het feit dat ds. Hennephof nog niet was voorgegaan in de gemeenten Delft en Hoofddorp. 

Op 5 januari 1966 benaderde ds. Hennephof Delft om een afspraak te maken ter kennismaking van zijn prediking. In overleg met ds. Van Minnen werd die datum bepaald op 11 januari 1966. Deze preekbeurt vond als zodanig ook op die datum plaats. Echter, na het aanhoren van de prediking van ds. Hennephof kwam de kerkenraad van Delft tot de conclusie: "dat de inhoud daarvan met name ten aanzien van de orde des heils en de doopsbeschouwing, die terloops aan de orde werd gesteld, dermate verwarrend en onschriftuurlijk was, dat alleen al op grond daarvan een fusie tot de onmogelijkheden moest behoren." Dit zou echter - in goede orde - op de eerst volgende gezamenlijke classisvergadering aan de orde worden gesteld. 

Dordrecht annuleert derde gezamenlijke classis-vergadering

Op 8 januari 1966 had de kerkenraad van Delft een schrijven naar Dordrecht gezonden met daarin de vraag waarop de uitgestelde classis van 27 januari 1966 zou plaatsvinden. Hierop stelde Dordrecht 17 februari 1966 voor. Als roepende gemeente lichtte Delft op 20 januari 1966 de gemeenten van Hoofddorp, Colijnsplaat en Oud-Beijerland over deze datum in.

Br. C. van Marion

Ter intermezzo ontving de kerkenraad van Delft op zaterdag 22 januari 1966 br. C. van Marion[*] naar aanleiding van diens verzoek tot een persoonlijke kennismaking. Voor dit kennismakingsbezoek werd ook de kerkenraad van Hoofddorp uitgenodigd. Van belang voor de afloop van het contact met de kerkelijke groepering rondom ds. Hennephof was het oordeel van deze br. Van Marion over de opvattingen van ds. Hennephof en de kerkenraad van Dordrecht. Hij vergleek dit met een autorit in Zweden per Mercedes tijdens een felle koude. "Zijn beste wagen deed het uitstekend, maar de kachel werkte niet." Op maandag 24 januari 1966 zou br. Van Marion contact opnemen met ds. Hennephof om deze eveneens te verzoeken tot een persoonlijke kennismaking. Echter, tot grote verbazing van de Delftse broeders volgde vrijwel direct - eveneens op 24 januari 1966 - een schrijven van de kerkenraad van de Oud Gereformeerde Kerk van Dordrecht, waarin zij te kennen gaven: "op verdere samenspreking geen prijs te stellen." omdat Delft "onchristelijk gehandeld" zou hebben "ten aanzien van het contact met br. C. van Marion en hem te onderzoeken." Wanneer Delft zich tegen deze plotselinge aantijging van Dordrecht meent te moeten verweren "aangezien uw argumenten van alle waarheid ontbloot zijn" onderstreept Dordrecht per kerende post nogmaals in een schrijven op 28 januari 1966 "dat zij niet [meer] wenst te komen tot een fusie."[*]

Haarlem-Centrum

In 1966 ontving ds. van Minnen een uitnodiging voor een vergadering van bezwaarden afkomstig uit de Christelijke Gereformeerde Kerk van Haarlem-Centrum. Men gaf aan moeite te hebben met de prediking van ds. J.P. Geels (1908-1990). De Christelijke Gereformeerde Kerk van Haarlem-Centrum werd eerder gediend door predikers als ds. J. Schotel, ds. J. van der Vegt, ds. J.W. Geels (sr.), ds. W. Bijleveld, ds. Joh. Prins, ds. W.F. Laman, ds. M. Holtrop waarvan gezegd kon worden dat ze allen een Schriftuurlijk-bevindelijke prediking brachten.[*] De bezwaarde leden uit Haarlem-Centrum sloten zich aan bij de gemeente Hoofddorp. Op 24 januari 1966 werd op - initiatief van de gemeente Hoofddorp - besloten tot de uitgave van een officieel kerkblad. Dit blad zou tenminste moeten bevatten een meditatie, actuele onderwerpen met betrekking op het hedendaagse kerkelijke leven en gebeurtenissen die zich afspelen op het wereldtoneel. Dit uiteraard met een duiding vanuit Gods Woord.


J. Schotel
J. Schotel
W. Bijleveld
W. Bijleveld

Noten

[*]  H. Hille & J.M. Vermeulen schrijven (In de schaduw van het kerkelijk leven, p. 137: "Aanvankelijk leek alles heel positief. Tijdens een ziekte van ds. Hennephof preekte ds. Van Minnen in de gemeenten van de classis en schreef meditaties in het kerkblad. Het breekpunt was ditmaal niet een verschil in de leer, doch persoonlijke tegenstellingen tussen de predikanten." Er was echter wel een verschil in opvatting over het punt van de rechtvaardigmaking, maar tijdens de classisvergadering leverde dit geen vroegtijdige verwijdering op. Er kon in goede harmonie over gesproken worden. Persoonlijke tegenstellingen tussen de predikanten waren niet in het geding. 

[*] H. Hille en J.M. Vermeulen schrijven ten onrechte op dezelfde pagina: "Aanleiding tot het verbreken van de contacten was uiteindelijk het verlenen van preekconsent door de classis Dordrecht aan iemand die buiten de gemeenten stond, zonder dat vooraf overleg was gepleegd met ds. Van Minnen. 


Terneuzen, 17 februari 1966

Aan de kerkenraad der Chr. Geref. Gemeente in Nederland te Delft.

Eerwaarde broeders,

In verband met uw verzoek, gedaan na de intredepreek van ds. Van Minnen in Hoofddorp bericht ik u het volgende. Mijn plan is D.V. met de a.s. paasdagen zondag en des maandagsmorgens voor uw gemeente het Woord te bedienen. Aangezien ik niet zo goed alleen durf te reizen, is mijn vrouw van plan om mee te komen, als u dat schikt. Gaarne zag ik dat u mij des zaterdagmiddags zo tegen vier of vijf uur per auto van Terneuzen kwam halen. Wij kunnen dan als alles goed gaat wel des namiddags op tweede paasdag met trein en boot weer naar huis reizen; het werk zit er dan op en als we thuiskomen kan ik direct wel wat gaan rusten. Ik hoop niet, dat ik een doopsbediening moet houden, aangezien ik dan vanwege het lange formulier zo lang aan een stuk moet staan. Op het ogenblik ben ik door des Heeren goedheid redelijk wel, wat ik ondertussen ook hoop van u en de uwen. Meteen verzoek ik u maar, mij niet al te lang op antwoord te laten wachten, want dan moet ik mij uiteraard wat voorbereiden voor de prediking en dat voorbereiden gaat op de ouden dag tamelijk langzaam. Ontvang tenslotte de hartelijke br. groeten en weest, ook in uw ambt de Heere bevolen.  

Uw oude vr. en br. Ds. G. Salomons 

P.S. Met ds. Van Minnen heb ik omtrent opgemelde zaak al enige ruggenspraak gehouden. 


       Hierop antwoordde de Delftse kerkenraad het volgende: 

Den Hoorn, 24 februari 1966 


Weleerwaarde ds. Salomons, 

Uw brief van 17 februari hebben wij in goede orde ontvangen. Wij zijn aangenaam verrast met uw positieve reactie op ons destijds gedaan verzoek aan U om zo mogelijk eens in Delft het Woord te bedienen. Als u D.V. met de paasdagen voorgaat, betekent dat een verlichting voor ds. v. Minnen, die toch zeker nog wel wat met u in leeftijd verschilt, maar toch ook al behoort tot de "Dreesmannen." (..) U in uw preekarbeid 's Heeren zegen toewensend en mede de hartelijke groeten ook aan uw vrouw. 

Namens de kerkenraad, 

de scriba 

A. Deijs. 

Terneuzen, 21 april 1966 


Aan de kerkenraad der Chr. Geref. Gemeente in Nederland gevestigd te Delft.

Eerwaarde broeders,

Heel gaarne wil ik aan uw verzoek voldoen om de a.s. Hemelvaartsdag-morgen in uw midden 't Woord te bedienen. U behoeft mij dan niet Woensdags daarvoor met de auto te laten halen, mijn plan is D.V. met bus, boot en trein te komen; mijn vrouw komt dit keer niet mee, maar wil wel gaarne met de a.s. pinksterdagen meekomen als dat u schikt. Na de dienst ga ik dan weer terug op Hemelvaartsdag met de trein van 14.14, dus kwart over twee uit Delft. Mijn trein van Woensdagmiddag komt te Delft aan 19.23 dus 23 minuten over zeven des avonds. Als u ds. Van Minnen nog voor dien tijd spreekt, wilt u hem dan even vragen of ik de opgave van Kruiningen-Yerseke, nl. vertrek vandaar 17.39 juist heb. Ik doe het nog maar met een spoorboekje, daterend van mei 1963 tot mei 1964. Hij zal wel het spoorboekje van 65-66 hebben. Mocht ik mij vergissen, dan verneem ik dat nog wel van u? Gaarne zag ik, dat men mij wel van het station Delft naar 't huis van br. Piet Langstraten per auto bracht. Ontvang inmiddels de hartelijke br. groet, 

van uw vr. en br. 

Ds. G. Salomons  

Bewaar het Pand

In april 1966 nam ds. Smits zitting in de redactie van 'Bewaar het Pand' dat toen inmiddels officieel was opgericht. Met de oprichting van stichting 'Bewaar het Pand' werd de hoop dat meer predikanten en gemeenten vanuit de Christelijke Gereformeerde Kerken zouden overkomen tot het kerkverband verder de bodem ingeslagen. 

Op 25 mei 1966 schreef ds. Van Minnen het volgende: 

"Waarom gaan we niet gauw linea recta terug naar de Vaderlandse Volkskerk, waarvan de geestelijke vader dr. Hoedemaker is. De kerk van de modaliteiten. Voor ieder een afdeling met loket en bureau waar hij terecht kan. Daar heeft een ieder zijn eigen blad tot de Bonders toe. Op de synode zitten laatstgenoemden met Godloochenaars, tuchtverwerpers, en ontheiligers der sacramenten. Ze schrijven een woordje in hun lijfblad, maar ze doen niets. Precies, ze worden ook met rust gelaten. (..) "Ik weet het, zo valt tijdelijk of voor immer op aarde de scheiding. Toch haal ik geen woord terug. (..) Als ik mij vergis, geve God mij dan bekeerd te worden van die dwalingen of omgekeerd u. (..) U nog even toegenegen als voorheen.. Alleen kan en mag ik de gang van zaken niet goedkeuren."[*]


Uitgave Firma Pieters Oostburg (1966): 

De Geestelijke pelgrim door Lambrecht Myseras (een 2-tal waarderingen) 

Het Hooglied van Salomo, door Jacobus Revius, Geestelijke liederen, door Johannes Groenewegen, en De geestelijke pelgrim, door Lambrecht Myseras, zijn enige uitgaven van fa. Pieters te Oostburg.

Het eerste werkje bevat een poëtische bewerking van het Hooglied door de bekende dichter-predikant Revius (1586- 1658). De verzen zijn gezet in de spelling van onze tijd, maar de grootse dichtkunst en de prachtige stijl van Revius komen er niet minder goed door uit. Het geheel bestaat uit acht zangen, op bekende melodieën gedicht. Inleiding en bewerking is van Marinus Nijsse. (..) Het tweede boekje bevat een keur uit de bekende Lofzangen Israëls van Groenewegen. Zo het bekende: Zoete banden die mij binden aan des Heeren lieve volk, en: Fontein van algenoegzaamheden, O Jezus, bron van zaligheden, enz. De mens niets en Jezus alles is het thema van de liederen. (..) Het laatste geschrift is een bewerking van het omstreeks 1720 door Myseras, een eenvoudig gemeentelid te Middelburg in die tijd, geschreven boekje over "Der vromen ondervinding op de weg naar de hemel". Het bestaat uit 20 hoofdstukken in vraag en antwoord en wil leiding geven aan het geestelijke leven. Met de opmerking van ds. Zijderveld in een "Ten Geleide", dat dit op Bijbelse en reformatorische wijze geschiedt, kan ik het niet helemaal eens zijn. Het leven des geloofs komt er niet voldoende in uit. Bij de reformatoren is geloven door het geloof leven uit Christus, die in "het gewaad der Schrift" (Calvijn) tot ons komt. Bij Myseras is geloven geloven in eigen wedergeboorte. Vgl. de uitspraak op bl. 20: "Ik heb vromen gekend, die meer dan twintig jaar reeds wedergeboren waren en altijd in de duisternis hebben gezeten, eer zij tot het licht kwamen om hun wedergeboorte te zien en te geloven". Het gezegde, dat duisternis en ongeloof de ziel niet uit de hemel houden (bl. 25), kan men in het verband misschien wel goed uitleggen, maar zo zeiden de reformatoren het niet. In het hoofdstuk over het geloof worden goede dingen gezegd, maar als gezegd wordt dat iemand komt tot het geloof door het inzicht, dat zijn bidden en toevlucht nemen tot God geloven is (bl. 32), dan kweekt dat een geloof in eigen bekering buiten Christus om. Teveel worden in het boekje twijfel en ongeloof in bescherming genomen. Het komt er maar op aan dat men wedergeboren is. Op de wedergeboorte wordt alle nadruk gelegd en zij wordt te weinig gezien als de vernieuwing door de Heilige Geest tot het geloof in Christus. Vgl. ook de uitspraak: "Als iemand tot de geloofsverzekering en het licht komt, ziet hij dat hij al lang genade, de wedergeboorte en het geloof ontvangen heeft" (bl. 33). cat. Zondag 7 zegt het anders. Zo is ook de taal van de catechismus over de rechtvaardigmaking een andere dan in dit geschrift. Er wordt gezegd, dat allen die tot licht en tot het vertrouwen en toeëigenend geloof zijn gekomen, verplicht zijn om hun broeders en zusters in de genade die nog in het donker leven op te wekken om ook tot het licht en de verzekering van het geloof te komen (bl. 73 v.), maar hoe ze dit moeten doen wordt niet duidelijk. Wat gezegd wordt over het "overgaan in het verbond der genade" is niet in overeenstemming met de taal en de geschriften van onze reformatorische vaderen. Er is sprake van geloof zonder het gelovige aannemen van de Heere Jezus (bl. 69). Ik kan dit allemaal wel begrijpen, maar meen dat Schrift en belijdenis een andere taal doen horen. Er staat natuurlijk veel goeds in dit boekje, maar met de geestelijke leiding kan ik het toch niet altijd eens zijn. Ik schreef laatst over Comrie. Bij hem hoor ik toch nog weer een ander geluid. 

B.J. Oosterhoff (in: De Wekker, 1966) 


DE GEESTELIJKE PELGRIM door Lambrecht Myseras. 

Dit is de herdruk van een werkje, dat voor het eerst het licht zag omstreeks het jaar 1720 en dat reeds in 1738 in 12e druk verscheen. Het heette toen: Der vromen ondervinding op de weg naar de hemei. Myseras heeft ook nog andere werkjes geschreven, die alle een goede naam hebben.

In de nieuwe uitgave schrijft Ds. G. A. Zijderveld te Middelburg een ten geleide. Hij vermeldt daarin, dat het werk in het tegenwoordig Nederlands is herschreven. Myseras, zo lezen we verder in een voorwoord, was geen geleerde, maar een eenvoudig lidmaat van de kerk te Middelburg. Mogelijk is hij ouderling geweest. Hij schreef als een ongestudeerde, gelijk hij onder en met de vromen gewoon was dagelijks te spreken.

Het blijkt echter duideiijk uit het boek, dat hij van God geleerd was. Hij heeft met kennis van zaken geschreven. Hij schrijft zeif aan het einde: Mijn vrienden, mijn hart wordt ontroerd, als ik aan de tijd denk, dat ik op dezelfde valse gronden het huis van mijn zaligheid bouwde. Ik zou voor eeuwig onder Gods toorn als een zelfbedrieger zijn gevallen, als ik toen was gestorven. Maar God heeft Zich over mij ontfermd. Even verder lezen we: De Heere heeft Zich over mij, onwaardige, ontfermd, naar Zijn grote barmhartigheid.

Het is een kostelijk werkje, dat geschreven is in vragen en antwoorden. Het getuigt van veel geestelijke wijsheid. Myseras noemt ook zijn tijd al een geesteloze. Hij schrijft o.a. blz. 131: Velen steunen op een ingebeeld geloof. Zij denken en zeggen: "Ik geloof in de Heere Jezus, Hij is mijn Zaligmaker". Ze zijn echter nooit door Gods Geest wedergeboren. En de wedergeboorte is noodzakelijk tot zaligheid. Duizenden mensen rusten in onze dagen op valse gronden en zinken bij hun dood in de afgrond. Het is de begeerte van de schrijver, dat de ontfermende, drieënige, zalige, aigenoegzame God Zich ontferme over hen, die zich bedriegen. Hij wenst zijn geliefde broeders en zusters in de genade toe, dat de aigenoegzame God de Vader, Die hen heeft verkoren, hen onderstéune en vertrooste, dat de Zoon Gods, de Middelaar, die dierbare Heere Jezus, hen fundere en bevestige in het geloof en dat de Heilige Geest hen verlichte en heilige.

Het werk handelt over de overtuiging van de zondaar, de wedergeboorte, het zaligmakend geloof, de rechtvaardigmaking, de heiligmaking, de verbondssluiting tussen God en de wedergeborene, de leiding van de Heilige Geest enz. Het vermeldt vele bewijsplaatsen uit Gods Woord. Wij hadden graag gezien, dat ook was aangegeven, waar deze bewijsplaatsen te vinden zijn.

Het is een werkje van ruim 130 bladzijden. Het is keurig verzorgd en leest gemakkelijk door de duidelijke letter. Wij kunnen dit werkje van harte aanbevelen. Wellicht kan de uitgever overwegen om ook de andere werkjes van Myseras op gelijke wijze weer in het licht te geven. Dit is goede iectuur, die wij in veler handen wensen.

G. Blom (in: Bewaar het Pand,1966)


Noten

[*] ds. J. Schotel, ds. J. van der Vegt, ds. J.W. Geels (sr.), Wijtze Bijleveld (zie Gerard Salomons biografische schets deel 1), Joh. Prins, Willem Frederik Laman (zie Gerard Salomons biografische schets deel 3)

Marten Holtrop werd geboren op 5 augustus 1896 in Noordwijk (Gemeente Marum). Hij was afkomstig uit een eenvoudig gezin. De gemeente van Ulrum was zijn eerste gemeente waar hij door ds. H. Biesma van Groningen werd bevestigd met een preek uit Ezechiël 36: 1-10. In 1926 nam hij een beroep aan naar Franeker waar hij bevestigd werd door ds. H. Visser van Leeuwarden. De prediking van ds. Holtrop werd gewaardeerd en was samenbindend. In deze periode maakte hij een ernstige ziekte door. In 1933 werd hij predikant in Hilversum en tenslotte nam hij een beroep aan naar Haarlem. In beide gemeenten vond zijn prediking een goede ingang.  

[*] 'Een werkelijk gevoerde correspondentie', in Mededelingenblad der Christelijke Gereformeerde Gemeente te Hoofddorp, september 1966. De vergelijking die hier gemaakt wordt tussen de situatie van de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk met Bewaar het Pand in de Christelijke Gereformeerde Kerken ging niet helemaal op, hoewel de ontwikkelingen binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken nadien wel snel gegaan zijn. Dit citaat maakt wel duidelijk dat ds. Van Minnen zich in de oprichting van Bewaar het Pand (d.i. blijven opereren binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken ondanks het verval) niet kon vinden. In hetzelfde schrijven geeft hij expliciet aan (nog steeds) niet in het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Kerken te willen terugkeren. Dit laatste zou hem "nog niet zo lang geleden" wel zijn voorgesteld. 


Terneuzen, 4 juli 1966

Waarde br. 

Zoals u weet heb ik de vorige week u geschreven, dat ik tegen het uitspreken van een voorbereidingspreek wel wat opzag en daarom maar 24 juli wenste te komen. Een dag daarna heb ik aan uw adres een briefkaartje verzonden met de mededeling dat ik er geen bezwaar meer tegen heb om een voorbereidingspreek te houden en daarom D.V. 10 juli voor uw gemeente hoop voor te gaan. Nu heb ik nog niets daaromtrent vernomen, zodat ik nu eigenlijk een beetje in het onzekere ben. Bericht u mij a.u.b. nog even per omgaande, hoe of wat? Ik vind dus 10 juli best en als dat soms nu niet mocht schikken wil ik het wel verzetten tot D.V. 24 juli. Vanmorgen was ds. P. Sneep van Zaamslag bij mij, die a.s. zaterdag met zijn wagen naar Scheveningen gaat, omdat hij daar zondags moet preken; hij stelde mij voor, dat mijn vrouw en ik met hem zouden reizen, dan zal hij ons afzetten, waar we wezen moeten, dat is toch P. Langstraat Oranje Nassauplein 30 Den Hoorn? Ds. Sneep is schijnbaar in Delft wel goed bekend, dus vindt dat adres wel. Dus krijg ik zekerheidshalve nog wel enig bericht van u? 

Hartelijke gr. v. huis tot huis. 

Uwe toegenegen Ds. G. Salomons. 

P.S. Als ds. Sneep ons brengt denken we zo ongeveer 9 uur des zaterdagavond in Delft te zijn


Vervolg activiteiten Landelijk comité voor behoud Statenvertaling 

Besloten werd tot uitgave van de brochure 'Statenvertaling contra nieuwe vertaling' door de heer A. Bergsma, ouderling van de Christelijke Gereformeerde Kerk Rotterdam-West, voorzien van een voorwoord door ds. M. Baan. De secretaris ir. L.R.T. Oskam (lid van de Christelijke Gereformeerde Kerk Dordrecht-Centrum) schreef een begeleidend schrijven. In veel kerkbladen werd positief op deze brochure gereageerd. Ook binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk stemde velen er mee in. Prof. dr. J.J. Oosterhoff reageerde in De Wekker echter nogal kritisch.

Bovendien werd in het kerkblad van de classis Apeldoorn van de Christelijke Gereformeerde Kerken van 2 september 1966 onder de titel 'Veluwse Vlinders' de eerst gehouden toogdag in Barneveld op 20 augustus 1966 op de korrel genomen en openlijk getwijfeld aan de integriteit van de bestuursleden. Het gezelschap werd genoemd: "een bonte verzameling van geestelijke lieden, woord- en eedbrekers." In een christelijk-gereformeerd studentenblad werd geschreven, dat men bang was "dat er onder ons (binnen de Chr. Geref. Kerk) nogal wat predikanten zijn, meer dan ons lief is, die zich met dit slag lieden inlaten."

Trouw, 10 augustus 1966
Trouw, 10 augustus 1966

"Ik merk uit uw schrijven, dat u de betogingen van sommigen inzake de m.i. gegronde bezwaren tegen de Nieuwe Vertaling nu niet met zo'n groot genoegen geluisterd hebt, nu dat zou ik ook niet gedaan hebben. Ik heb ds. van der Poel en Mieras e.a. wel meermalen horen preken, en dan verliet ik de kerk, zeg maar met gemengde gevoelens. Er wordt van die zijde door sommigen wel wat al te veel geschetterd met grote woorden en afkeurende gezegden, die ook geen kant nog wal raken, maar opgemelde sprekers doen zelfs met hun beste bedoelingen m.i. niet veel goed aan de zaak. Verder moeten we maar denken: ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is en het gehoor moet proberen met onderscheidingsgave te luisteren, zowel naar de voorstanders als naar de tegenstanders van de Nieuwe Vertaling. Of het gehoor, dat in die kerk aanwezig was, dat kon opbrengen weet ik niet."

           G. Salomons

Op 29 december 1966 overleed dr. C. Steenblok. In diens plaats kwam, namens de Gereformeerde Gemeenten in Nederland, ds. F. Mallan. Verder traden vanuit de Gereformeerde Gemeenten toe de predikanten C. Harinck en J. van Haaren. De Gereformeerde Gemeenten als geheel stonden aanvankelijk nogal aarzelend tegenover de Stichting. 

18 augustus 1967
18 augustus 1967

De zondag in het geding?

De laatste tijd is deze zaak (dat het sabbatsgebod gegrond ligt in Genesis 2: 2 en 3) weer onderwerp van discussie geworden. Men ontkent dit of men trekt het in twijfel. Men zegt: dit staat niet in Gen. 2. Maar ook hierbij geldt het: hoe leest u? De kroniekschrijver van het "Gereformeerde Weekblad" brengt in het nr. van 23 juli 1966 van dit blad ter sprake één van de artikelen van de hand van ds. J. H. Velema over "De zondag in het geding". Deze artikelen bevatten behartigenswaardige dingen. Ds. Velema bedoelt met ernst de noodzakelijke heiliging van de dag des Heeren voor te staan. Jammer is echter dat al te zeer de zondag wordt losgemaakt van het vierde gebod. We zijn het daarom geheel eens met de kroniekschrijver van het "Gereformeerd Weekblad" wanneer hij opmerkt: "Ik wil niet tegenspreken, dat sabbat en zondag niet met elkaar gelijk gesteld kunnen worden, maar wanneer men elk verband tussen deze twee verbreekt, waar komt men dan uit? En toch gebeurt dit in onze tijd maar al te vaak". Dan citeert de kroniekschrijver één en ander uit een artikel van Ds. Velema. In dit artikel geeft ds. Velema een samenvatting over de meningen in de Chr. Ger. Kerken, hoe er in onze kerkelijke kring gedacht wordt over de zondag. Daarbij belicht hij drie elementen uit de artikelen van prof. Kremer, welke ruim 4 jaar geleden in de "Wekker" zijn geschreven. Het eerste element, zo schrijft Ds. Velema, is de gedachte, dat er met de komst van Christus een geheel nieuwe orde van zaken is aangebroken. De allesomvattende betekenis van het nieuwe verbond werkte zodanig door, dat men los kwam van de Joodse sabbat, en overging op de viering van de dag der Opstanding van Jezus Christus als de bijzonder geheiligde dag des Heeren. "Nergens in het N.T. valt echter aan te wijzen, dat men het vieren van de eerste dag zag tegen de achtergrond van het vierde gebod. Men leefde uit de geheel nieuwe orde, waarin alles nieuw was geworden. Wie toch vast wilde houden aan de ordeningen van het oude verbond, wordt ernstig vermaand dit niet te doen". Dan wijst Ds. Velema op een opmerking van Prof. Dr. Oosterhoff in zijn artikel "Hermeneutiek van de wet" in het jaarboek van 1965. De professor zegt dat er niets op wijst - gegeven Ex. 34:21 - dat de twee daar genoemde feesten tijdelijk zijn en de sabbat eeuwig is. De sabbat onder Israël is een verdwijnende en voorbijgaande vorm. Het lijkt prof. Oosterhoff dan ook onjuist om van de sabbat als een scheppingsordinantie te spreken. "Gen. 2: 3 behoeft in het geheel niet te betekenen, dat de sabbat bij de schepping is ingesteld, of dat ze in alle eeuwen door alle volken moet onderhouden worden". Een rechtlijnig beroep op de oudtestamentische sabbatsteksten - b.v. Jes. 58 - met betrekking op onze zondag is dus misplaatst". De kroniekschrijver van het "Gereformeerd Weekblad" merkt hierbij op: "Ik kan me toch in deze opvattingen niet vinden, daar dan immers het vierde gebod van de Wet des Heeren geen zin meer heeft voor ons. Dat kunnen we dan beter schrappen wanneer de wet voorgelezen wordt in de kerkdiensten". 

We zijn dit met de kroniekschrijver eens, die zich dan ook beter kan vinden in hetgeen CALVIJN opmerkt bij Genesis 2: 3 (...)

          Ds. H. van Leeuwen, Bewaar het Pand 27 oktober 1966


De professor zegt dat er niets op wijst - gegeven Ex. 34:21 - dat de twee daar genoemde feesten tijdelijk zijn en de sabbat eeuwig is. De sabbat onder Israël is een verdwijnende en voorbijgaande vorm. Het lijkt prof. Oosterhoff dan ook onjuist om van de sabbat als een scheppingsordinantie te spreken.


Trouw, 10 augustus 1966
Trouw, 10 augustus 1966

Terneuzen, 12 december 1966 

Aan de kerkenraad der Chr. Geref. Gemeenten in Nederland, gevestigd te Delft. 

Eerwaarde broeders, 

Mijn voornemen is, in verband met uw verzoek D.V. de eerste kerstdag 25 december e.k. uw gemeente te dienen. De Tweede kerstdag-morgen durf ik het nog niet aan, in verband met eventuele mist, die meestal in namiddag en avond het ergste is. Ik denk dan ook des morgens, Tweede Kerstdag met de trein van 9.18 vertrek Delft weer naar huis te gaan. Ik moet dan vanwege de beperkte dienstregeling des bussen naar Terneuzen wel een uurtje te Perkpolder vertoeven, maar kan daarom toch nog 13.25 in Terneuzen zijn. Ik kom dan bij welzijn en als de dienst geregeld verloopt des 's-zaterdagavonds wat eerder aan te Delft dan gewoonlijk, nl. 18:17. Alweer deze vervroeging vanwege de bootdiensten alhier.

Ook is 't mijn voornemen D.V. oud en nieuwjaar in uw midden te zijn. Zaterdag 31 december namiddag hoop ik dan aan te komen met de trein, die 16.17 te Delft aankomt. Dan kan ik te Delft eerst nog wat op dreef komen eer dat ik preken moet. Des maandagsmorgens is de gewone tijd weer vertrek Delft 8.45. 

Ik weet niet of er de Tweede Kerstdag des morgens nog bij u z.g. leesdienst is, maar in verband met de mogelijkheid daarvan bericht ik u even, dat ik eerste kerstnamiddag denk te spreken over de engelenzang en zondags daarop op de nieuwjaarsdag-middag over Simeon, vanzelfsprekend des morgens een z.g. nieuwjaarspreek. Ik bericht u dit om te voorkomen, dat er bij de mogelijke dienst op de Tweede Kerstdagmorgen een zelfde stof gelezen wordt als een der stoffen, die ik wens te bespreken. Zo dicht op elkander dezelfde stoffen zult u ook wel niet wenselijk vinden. 

Mochten weg en weder of ziekte-verhindering voorkomen, enz. enz. dan hoop ik u wel tijdig telefonisch daarvan bericht te geven. Met het kerstfeest komt mijn vrouw niet mee, misschien wel met oud en nieuwjaar. 

Met vr. br. gr. en heilbede, 

Uw. Dnr. Ds. G. Salomons 

P.S. Van zelfsprekend hoop ik ook 1ste kersdag-morgen te preken.  



Terneuzen, 12 januari 1967


Waarde br. 

Even een lettertje. Des maandags morgens zijn we weer behouden thuis gekomen. Ik was wel erg vermoeid; het waren ook drie preekbeurten en vlak daarvoor twee met de eerste kerstdag. Gelukkig ben ik weer aardig uitgerust en hoop D.V. zondag 29 januari wederom bij uw gemeente voor te gaan. Ik meen, tenminste dat het de 29ste januari is. Ik heb ondertussen eens geïnformeerd naar een reisgelegenheid over België. De reis over België duurt 35 minuten langer, omrede ik van af Terneuzen met verschillende busdiensten naar Antwerpen moet. Dikwerf overstappen in Zaamslag, in Hulst bij de grens en dan weer per bus naar Antwerpen. Ik heb geïnformeerd bij de bevoegde instanties en die verzekerde mij, dat ik voor België een geldig paspoort moet hebben. Dat heb ik niet en gezien de omslachtige reis denk ik ook er geen aan te schaffen. Trouwens ga ik over Antwerpen met een pas, dan heb ik als de bussen op tijd zijn en dat zijn ze nog wel eens niet, maar een kwartiertje om daar een kaartje te nemen, enz. enz. Dat is m.i. voor een oud man een te zware opgaaf. Mijn plan is echter weer de gewone route te volgen, nl. bus, boot, bus, trein. De ergste mistperiode is meestal zo om en nabij de kerstdagen en dat is gelukkig meegevallen. Aan het eind van januari hebben we hier meestal niet zo veel last van de mist, al blijft de ontboezeming van Genestet waar: "O, land van mest en mist"[*] Maar zo is het niet alleen in Zeeuws Vlaanderen, ons waterrijke landje heeft schier overal veel last van mistbanken. Nu is mijn plan niet zo laat te komen; ik dacht van hier te vertrekken, vroeg op de middag en wel om 13.55 uit Terneuzen en ben dan D.V. zaterdagavonds 17.17 te Delft. Ik behoef dan in Rozendaal ook niet over te stappen. Ik vertrouw, dat mijn wat vroege komst voor de familie Langstraat niet hinderlijk is. Mijn vrouw zal in deze wintermaanden niet meekomen. Men moet voor het "zwakkere vat" wel enige consideratie hebben nietwaar? Ontvang inmiddels met uw vrouw en de kinderen mijn vriendelijke groeten en tevens die van mijn graag thuisblijvende wederhelft. 

Uw vr. en br. 

Ds. G. Salomons


Noten

[*] Regel uit een gedicht van P.A. de Genestet

Waar wilt u heen professor? I

De vrouw op de kansel - en in de ambtsbank?!

In juni 1966 nam de Generale Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk het besluit om voor de vrouw het predikambt open te stellen. Vanuit de Gereformeerde Bond kwam bezwaar vanuit de overtuiging dat dit besluit in strijd was met wat de Schrift zegt. In het voorjaar van 1967 wijdde Prof. dr. B.J. Oosterhoff naar aanleiding van deze gebeurtenissen enige artikelen aan het onderwerp. Hierbij deed hij een aantal opmerkelijke uitspraken zoals: 

"We zullen eerst meer licht over de gegevens van de Schrift moeten hebben. Maar wij zijn niet klaar met de opmerking dat de Schrift zegt dat de vrouwen moeten zwijgen. De Schrift zegt ook andere dingen. En welke draagwijdte hebben de woorden van Paulus? Er zijn vrouwen en meisjes die dolgraag willen bezig zijn in de dienst van de Heere en in de verkondiging van Zijn evangelie. Is daar geen plaats voor? Al kennen wij de vrouw in het ambt niet, hier zou toch meer ruimte voor moeten zijn. Niet alleen buiten ons land, maar ook in ons land." (..) "Ik kan mij moeilijk de vrouw in het ambt voorstellen. Ik ben er ook nog niet van overtuigd dat de Schrift dit leert. Maar uiteindelijk zal de Schrift zelf en zij alleen moeten beslissen. Haar gezag moet prevaleren." 


In Nieuwe Haagse Courant van 29 mei 1968 stond te lezen onder de kop "Vrouwen toegelaten tot Schotse kansels" Rev. Eric J. Alexander protesteerde tegen de gang van zaken en zei:  "De Bijbel laat wel een gelijkheid zien tussen mannen en vrouwen, maar dat is een gelijkheid van staat, niet van taak."  Op zijn opmerkingen werd in het geheel niet gereageerd. "


Ds. van Minnen reageerde hierop als volgt: "Nee, de orthodoxe groeperingen in de "Vaderlandse of Volkskerk"; idem die in de verschillende afgescheiden kerken vanaf 1834 - nee, die zeggen niet zo maar ja, of zo maar nee, als het gaat over de vrouw op de kansel of in de ambtsbank. Hun leiders doen het "voorzichtig" om de vrouw toch in het (bijzondere) ambt te krijgen. Eerst er wat over schrijven en praten. Nee, niet als een donderslag uit een heldere hemel. Nee, zo ver is 't nog niet. Heel timede wordt nog geschreven in orthodoxe sfeer. Je moet de slapende kindertjes der kerk niet wakker laten schrikken. Maar de bij-luchtjes, als men nog goede geestelijk-functionerende reukorganen heeft, zijn toch wel waar te nemen. Maar de slapende en slaperige leden van de kerk (en hoevelen slapen er) geeft men dan een lichte injectie om wat positief te reageren over de vrouw op de kansel en in de ambtsbank. (...) Zachtjesaan er gewoon aan raken. Dan valt het niet meer op als tegenstelling. Dat is de inleiding; 't preludium, dat zo Bijbels schijnt en Bijbelse conclusies doet verwachten. En al zegt dr. Oosterhoff dit niet voluit en letterlijk met zijn vraagtekens en ideeën vol vaagheid, is hij bezig de kerk in te leiden voor de ontvangst van de vrouw in het bijzondere ambt. Echter is 't een ondergraven "van de dingen, die onder ons volkomen zekerheid hebben" (Lukas 1: 1).  "Veel ten opzichte van ook van deze zaak staat in het vraagteken: "Is het ook dat God gezegd heeft?" (..) "De argumentatie voor de vrouw in het ambt zijn zo slap en verwarrend als maar mogelijk is en tevens misleidend. Men onderscheidt niet maar vereenzelvigt "de moeder in Israël", dus de profetes in het hernieuwde ambt der gelovigen - met de vrouw in het bijzondere ambt."


"De Nieuwe Haagse Courant van 7 maart 1968 vermeldt: Gereformeerde Synode stelt ambten voor de vrouw. Synode praeses ds. P. Visser hield na afloop een korte toespraak, waarin hij zijn blijdschap uitsprak, dat na moeizaam overleg dit praktisch eenstemmig besluit genomen kon worden. Wat maakt God het toch moeilijk, dat er een moeizaam overleg moet plaats vinden over wat zo duidelijk in Gods Woord staat. Dit moeizame komt hier uit voort: dat men het licht van Gods Woord tracht uit te blussen. Het is of Jules de Corte in zijn levensliedje daarop antwoord met het: "Ik zou wel eens willen weten, waarom zijn de mensen zo moe. Misschien door het jachten en jagen; of ook wel door hun tienduizend vragen." En eindigt met: "En daarom zijn de mensen zo moe."[*]

J.G. van Minnen


Op de vraag van Oosterhoff of eventueel ook in de politiek een vrouwelijke minister moet worden uitgesloten antwoordde ds. Van Minnen, dat dit volgens hem het geval was:

"Vast en zeker is ons antwoord. Nergens vind ik zulks in de Bijbel; noch in het OT noch in het NT. Of men moet Izebel en dergelijke bedoelen, die zichzelf als beulen voor de kerk hebben benoemd." "Waar vinden wij in het Nieuwe Testament een vrouw in het bijzondere ambt?! Van Mattheus tot en met de Openbaringen van Johannes, niemand! Geen Maria, de moeder van Christus, geen Maria Magdalena, geen Dorcas die goederen voor de armen maakte. Helpen, dienen, tot steun en licht zijn voor Gods kinderen en zo veel anderen dingen, die ze deden. Maar in het ambt der gelovigen - en niet in het bijzondere ambt. Nogmaals, niet de vrouw wordt geroepen te regeren; noch in de Kerk, noch in de staat. Met die zogenaamde vragen of de vrouw al dan niet moet regeren zitten we midden in de emancipatiegeest, die over menige vrouw is gekomen uit de geest van de afgrond. Ze willen niet meer de plaats innemen, door God bestemd in Zijn Woord; dat is de emancipatiegeest!" "En de man die dan misschien zegt: Juist, weg met die vrouwen, bedenke dat God de vrouw in het paradijs niet geschapen heeft als een vloermatje om zijn vuile voeten daaraan af te vegen, en ook niet na de val daartoe bestemd heeft. (..) 


"Welk een geschenk van God: moeders en vrouwen en meisjes met Goddelijk Geestes licht bestraald; in gezinnen en onder elkander! Hoe is men thans bezig Gods toorn nog meer uit te lokken, door het tarten van de God aller genade op een zogenaamde vrome wijze. Het zij buiten de Bijbel of met de Bijbel, die men laat zeggen, wat een dwaas wil, dat hij zeggen zal. Jonge dochters, moeders, vrouwen, als u de Heere mag vrezen, wat kan de Heere u dan, zonder dat u het zelf weet, in Zijn Koninkrijk ten zegen gebruiken. Noem mij achterlijk en niet bij de tijd of niet-eigentijds. Het is mij en ook meerderen onvergetelijk en bijzonder tot rijke zegen geweest onder moeders verkeerd te hebben, onder moeders met de vreze Gods begiftigd. Daar ging zo veel van uit! Eenvoudigen van geest! Dogmatisch zouden zij het niet hebben kunnen uiteenzetten; het verschil tussen het bijzondere ambt en dat der gelovigen. Maar dat laatste werd soms zo rijk in de praktijk gebracht."

J.G. van Minnen


Men leze maar eens goed het huwelijksformulier; niet eigentijds alleen voor de Reformatietijd, maar ook voor de twintigste eeuw. Waarom?! Daarom! Omdat het naar Gods Woord is." (..) "En dan vraagt dr. Oosterhoff in De Wekker van 10 maart 1967: Is er ook geen positie voor de vrouw in de gemeente denkbaar waarbij het bezwaar van Paulus wegvalt? Die vraag te stellen is reeds twijfel stellen aan wat in de eerste plaats de Heilige Geest betuigt." (..) "Vergeet dan niet: Woord en Geest zijn onafscheidelijk aan elkaar verbonden. Anders laten wij het Woord zeggen: wat onze verdorven geest wil." (..) "Misschien maakt iemand de opmerking, dat zo de vrouw van het kerkelijk vlak wordt weggeveegd. Het tegendeel antwoorden wij u." (..) "Eens Boven zullen al Gods kinderen (mannen en vrouwen) in het bijzondere ambt staan. Anders dan op de aarde eens, waar alleen mannen in het bijzondere ambt stonden; en onvolkomen nog, al was het bevoegd. Dan volmaakt; en toch niet monotoon zullen mannen en vrouwen daar zijn: Profeten, priesters en koningen. Daar dan niet over anderen gesteld, opdat zondaren bekeerd zullen worden. Geen profetische bediening tot bekering, geen priesterlijke-diaconale hulp tot leniging van de nood; geen koninklijke regering in de zin van noodzakelijke en tot behoud uitoefende tucht der liefde en koninklijk strijden tegen alle zonden. Dan eeuwig profeet in 't jubilerend God groot maken. Eeuwig priesterlijk zich geven in liefde aan die grote God van liefde in Christus Jezus. Eeuwig Koningskinderen aan de troon van God, blinkend in schoonheid van de genade Gods. Hoofd, hart en hand eeuwig harmoniërend, gloriërend, tot eer van God en van het Lam, door het eeuwig vol blijven en met de Heilige Geest. Dit al, zonder verstarring, zonder uitgeput te raken, zonder in te zinken, of verduisterende mistwaden om zich of in zich." "Boven de starren daar blijft het eens lichten."[*]


"De lezer moet weten dat de oude Grieken van huis uit, niet veel op hadden met de vrouw, eigenlijk beschouwden de meesten haar als een minderwaardig wezen. Ze was nu eenmaal een noodzakelijk kwaad, goed om kinderen te baren en die op te voeden en verder een slavin van de man. Dat was ook in strijd met Gods wet, zowel wat de wet der natuur als de zedenwet betreft. God heeft de vrouw aan de man gegeven als zijn levenspartner, een hulpe als tegenover hem, zegt Genesis 1. Maar tegelijk gebonden aan de man, waarbij de man het hoofd is van zijn gezin, maar ook over zijn vrouw. Door de val van de mens is de vrouw echter gedegradeerd, heeft eigenlijk geen persoonlijkheid meer waar de man mee rekenen moet. Dus echt naar oud Griekse voorstelling. Christus bracht daarin radicale verandering, want in Christus is de vrouw verlost van die slaafse banden, dus vrijgemaakt en zo heeft de verlossing van Christus ze weer op haar scheppingsplaats gesteld. Nu is die vrijheid een kostelijk goed, maar het wordt makkelijk misbruikt. En dat misbruik schijnt in Korinthe, mede onder invloed van de romeinse geest, die de vrouw los van de man acht (het tegenovergestelde dus van de Griekse geest) geleidelijk aan de overhand gekregen te hebben. Deze romeinse denkbeelden omtrent de zelfstandigheid van de vrouw, geïmporteerd in de kerk van Korinthe, werden als valse loten geënt op de christelijke stam, die de ware vrijheid van de vrouw predikt door Christus, maar waren in de grond van de zaak onvruchtbare, on-Bijbelse loten.  Dat is de z.g. emancipatie van de vrouw. Wat wil die emancipatie? Zij is het streven om de vrouw met haar man op 1 lijn te stellen. En die gelijkstelling moet nu ook uitkomen in alles wat het leven van de vrouw betreft, van binnen en van buiten.(..) Heel deze emancipatie is het streven van de los-van-God beweging, waarbij de mens de maatstaf van goed en kwaad niet in de wet Gods vindt, maar in zichzelf. Deze gelijkstelling van man en vrouw gaat dus in tegen de ordinantiën Gods. Lees maar eens aandachtig Genesis 2, Efeze 5: 22, Colossenzen 3: 19 en 1 Petrus 3: 1. De vrouwen in Korinthe wilden dit wel graag, en trouwens welke flinke vrouw ligt daar niet ietwat heen? Dr. B. Wielenga zegt in zijn verklaring van het huwelijksformulier: De man is de koning in zijn gezin, de vrouw de koningin. Nu heeft de man vanwege het feit van de zonde de neiging om een tiran te zijn en de vrouw wil de grens overschrijden en koning zijn. Daarom prijst o.m. Petrus de vrouw, die van een stille en zachtmoedige geest is, dus die haar plaats tegenover de man, naar Bijbels voorbeeld weet in te nemen."

G. Salomons

Dr. B. Wielenga
Dr. B. Wielenga

Noten

[*] De Wekker 17 februari 1967 - 10 maart 1967

[*] "Ik zou wel eens willen weten" liedje uit 1957 van Jules de Corte dat ging over de zin van het leven en werd bezongen vanuit een christelijke levensovertuiging. 

[*] Letterlijk: "Boven de starren, daar zal het eens lichten", gezang van Jan de Liefde (1814-1869). Het vervolg luidt: "daar wordt uw hopend verlangen voldaan. Daar zal het lijden des harten eens zwichten, daar zal de vreugde voor eeuwig bestaan. Boven de starren verdwijnt eens het duister. Daar ziet gij alles ontraadseld, onthuld. Wat gij verwacht van Gods eeuwigen luister, wordt daar eens heerlijk en blijvend vervuld. Boven de starren daar waaien de palmen hemelse geuren den lijdenden aan. Eng'len begroeten met juichende psalmen doodmoede pelgrims aan 't einde der baan."

[*] Reeds in 2001 besloot de kerkenraad van de Christelijke Gereformeerde Kerk (een samenwerkingsgemeente met de plaatselijke Nederlands Gereformeerde Kerk) in Lelystad vrouwen toe te laten tot de ambten. Daar werd jaren geen uitvoering aan gegeven om de band met het landelijk verband niet te schaden. Sinds 2022 heeft men een vrouwelijke ouderling en een diaken. Eerder werden ook in andere samenwerkingsgemeenten vrouwelijke ambtsdragers toegelaten. In IJmuiden besloot men in juni 2019 als eerste om ook vrouwen tot de ambten toe te laten. Andere gemeenten volgden, zoals in Arnhem, Nieuwegein, Hilversum, Deventer en Rotterdam. Ook in de Christelijke Gereformeerde Kerk van Zwolle zijn al jaren geleden vrouwen op leidinggevende en pastorale posities aangesteld. Op zondag 15 mei 2022 werden ook hier tegen het landelijk synodebesluit van 2022 in vier vrouwelijke ambtsdragers bevestigd. 

Voorstanders van de vrouw in het ambt spreken van een z.g. 'culturele kwestie' In de Bijbel komt slavernij voor als een 'cultureel gegeven.' Zo ook de 'ondergeschikte' positie van de vrouw. Beiden schijnt Paulus te accepteren. Slavernij wordt echter in onze maatschappij over het algemeen afgewezen. En in onze maatschappij hebben vrouwen een andere positie, namelijk meer 'gelijkwaardig' aan de man. Vrouwen in het ambt moet dus vanuit onze culturele context mogelijk zijn. Het raak niet de kern van het geloof aldus de voorstanders. Tegenstanders van de vrouw in het ambt zijn van mening dat er los van de culturele opvattingen een scheppingsorde door God is gegeven, waarbij man en vrouw wel gelijkwaardig zijn maar elk een eigen plaats en taak hebben. 

[*] Van de hand van dr. B. Wielenga verscheen o.a. het huwelijk als inzetting Gods (1936). Bekend is ook zijn boek: "De Bijbel als een boek van schoonheid." (1925)

Mirjam


Mirjam, meisje, bloeiend kind
dat zich aan je broertje bindt.
Aan de brede Nijl jij staat;
't spiedend oog langs d' oever gaat.


Zo gevat en bij de hand
in het onderdrukkers land -
't kistje aan je toevertrouwd
steeds maar in de gaten houdt.


Zo door Godes hand geleid
werd je broertje toen bevrijd.
En de Nijl werd niet zijn graf;
geen krokodil kwam op hem af.


Hij kwam in 't koninklijk paleis
en tot Egyptisch onderwijs
Mirjam, niet verlegen kind,
gebruikt door Goddelijk bewind.


O Mirjam aan de Roze Zee,
hoe juichten Isrels docht' ren mee -
toen uit hun hart, als Gods altaren
uw lied kwam op gespannen snaren!


Hoe groot waart gij, geheel toen vrij
van ijverzucht; alleen maar blij, dat gij
als profetesse jub'len mag, dat
God gebaand had 't wonderpad.


Wee Mirjam in het twistgeding
Met Mozes - 't u om hoogheid ging
en dong naar 't speciale ambt;
hoe hebt gij tegen God gekampt!


Hoe griefde u 't meerd' re deel,
dat Mozes viel van God ten deel.
'k Ben toch aan u gelijk: een profetes.
Zo las zij Mozes fel de les.


Als zij naar 't ambt, 't bijzondere zo staat;
zegt God haar duid'lijk waar 't om gaat:
dat 't ambt haar broers, ver boven 't hare staat,
en deze opstand haar niet straf' loos laat.


God sprak geen woord meer; deed een daad:
van toorn-rood asgrauw werd haar gelaat.
Hoewel 't gebed haar broers melaatsheid van haar slaat;
haar leven stil en zonder glans sinds henen gaat.


Ach Mirjam d' oude zijt gij sinds niet meer;
uw kracht is heen, uw gave keert niet weer.
Geen glans vertoont uw doodsbericht;
als gij te Kades sterft, vlamt daar geen helder licht.


Uw ziel juicht thans voor Godes' troon.
Straks in der dagen dag zingt gij op hoge toon,
bij harp en cimbelspel uw grote God ter eer;
en nooit geen opstand over 't ambt keert weer.

J.G. van Minnen

Terneuzen, 18 April 1967


Aan de kerkenraad der Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland, gevestigd te Delft. 

Eerwaarde broeders, 

Wat waren wij blij verrast, toen wij op mijn verjaardag namens uw raad ons thuisbezorgd werd zo'n prachtige artistieke plantenbak met zulke mooie bloemen erin. Eerlijk gezegd, dat hadden we helemaal niet verwacht en het deed mij en mijn vrouw bijzonder goed. Ook heeft uw schriftelijke felicitatie ons aangenaam getroffen. Wij zeggen u voor beide attenties onze hartelijke dank, en moge de Heere de goede wensen maar in Zijn gunst aan ons vervullen. Alhoewel het verbeurde gunsten zullen zijn, toch mogen wij op de belofte pleiten, waarin Hij zegt, dat ze ons om des bloeds van Chrisi wille zullen geworden. Ja, mijn voornemen is weer D.V. a.s. zaterdag tegen 18.17 dus ruim kwart over zes des namiddags in Delft aan te komen. Mijn vrouw wilde wel weer graag meekomen, zonder tegenbericht rekenen wij er maar op, dat dit de familie Langstraat wel schikt. Nogmaals onze hartelijke dank en D.V. a.s. zaterdag tot ziens, 

Met vriendelijke groeten, Ds. G. Salomons en echtgenote. 

Initiatief Delft contact Christelijke Gereformeerde Kerk in Hersteld Verband Zwijndrecht met ds. E. Venema.

In 1967 kwam in Delft het onderwerp ds. E. Venema en de Christelijke Gereformeerde Kerk in Hersteld Verband van Zwijndrecht ter sprake. Ds. Van Minnen was weer in contact gekomen met ds. Venema door het werk voor de Gereformeerde Bijbelstichting. Of men geen poging moest doen om tot deze broeders van hetzelfde huis toenadering te zoeken. Op 29 april 1967 werd door Delft een brief aan de kerkenraad van Zwijndrecht verzonden.  

Delft, 29 april 1967


Aan de kerkenraad der Chr. Geref. Gem. in H.V.

p/a scriba de heer A Vree, Burgemeester Doornplein 6c, Zwijndrecht

Weleerwaarde en eerwaarde broeders,

De beiden kerkenraden der Chr. Geref. Gem. in Ned. van Delft en Hoofddorp zijn op 19 april j.l. in vergadering bijeen geweest. Ter vergadering kwam o.a. ter sprake de verdeeldheid op het kerkelijke erf enerzijds en het valse eenheidsstreven anderzijds. Zeker zult u het met ons eens zijn, dat zowel het een als het ander op grond van Gods Woord te veroordelen is. Broeders, geldt het reeds voor het persoonlijk geestelijk leven, dat de hand tot de voet niet kan zeggen: "Ik heb u niet van node," hoeveel temeer is dit van toepassing op het meer in kerkelijk verband leven met elkaar. Gezien het grote verval klemt dit te meer. Aangezien we vernemen, dat u ook het Chr. Geref. beginsel naar Schrift en belijdenis wenst te handhaven en uit te dragen, is er naar onze mening een goede basis aanwezig om een samenspreking te houden teneinde zo mogelijk in de toekomst met elkaar op te trekken. Om dat doel te bereiken, stellen we ons voor u in de loop van de maand mei op een door u te bepalen avond bezoek te brengen. Wij hopen, dat het voor u en voor ons een zaak des gebeds moge zijn. Intussen zien wij met belangstelling uw bevestigend bericht tegemoet.

Met broederlijke groeten en Gode bevolen,

Namens de kerkenraden van voorgenoemde gemeenten [Delft en Hoofddorp]

Praeses ds. J.G. van Minnen

scriba A. Langstraat

Hierop werd door Zwijndrecht het volgende geantwoord: 

Zwijndrecht, 6 mei 1967


Aan de Chr. Ger. Gem. in Ned.

p/a den Weled. Heer A. Langstraat, Woudselaan 5, Den Hoorn (Post Delft)

Weleerw. en Eerw. broeders,

Uw brief d.d. 29 april hebben wij ontvangen. In antwoord hierop delen wij u mede dat wij bereid zijn om u te ontvangen. Als datum menen wij dat dinsdag 23 mei e.k. goed zou uitkomen. Het is onze bedoeling om u in de kerkenraadskamer van ons kerkgebouw aan de Brug. Jansenlaan te Zwijndrecht te ontmoeten D.V. Gaarne vernemen wij nog van u of deze datum u schikt en uit hoeveel personen uw deputaatschap zal bestaan.

Met wederkerige broedergroeten en heilbede

Namens de kerkenraad der Chr. Geref. Kerk H.V. te Zwijndrecht

De scriba,

A. Vree, Doornplein 6c, Zwijndrecht 


          Hierop werd op 18 mei 1967 door Delft het volgende geantwoord: 

Weleerwaarde en eerwaarde broeders, 

Wij danken u hartelijk voor uw vriendelijke uitnodiging d.d. 6 mei j.l. en uw nadere telefonische mededeling, dat de vergadering niet op dinsdag 23 mei a.s. maar op maandag 22 mei a.s. zal plaats hebben. Wij hopen half acht bij u aanwezig te kunnen zijn. Onze deputaatschappen zullen bestaan uit in totaal 8 personen. 

Met broedergroeten en zo de Heere wil tot maandag a.s. 

Namens de kerkenraden van voorgenoemde gemeenten [Delft en Hoofddorp]. 

De scriba van Delft

Op de afgesproken datum van maandag 22 mei 1967 volgde er in Zwijndrecht een broederlijk gesprek. Afgesproken werd dat als men de volgende keer bij elkaar zou komen, de oproep vanuit Zwijndrecht zou komen.


Den Hoorn, 5 juni 1967


Weleerwaarde ds. Salomons, 

Wij zijn maar zo vrij geweest af te kondigen, dat u D.V. a.s. zondag weer voor de gemeente hoopt voor te gaan. Gedachtig aan het gezegde: "Geen bericht, goed bericht" hebben wij aangenomen, dat u de reis naar Delft weer zult aanvaarden. Verder was u belangstellend naar de ontmoeting te Zwijndrecht. Wel in vertrouwelijke sfeer hebben wij met de broeders vergaderd en al zou er niets van komen, dan blijft toch die herinnering achter. 't Zou overigens niet te verbazen zijn, dat men terugschrikt voor stappen, waaraan naar de mens gesproken een verlies in aantal verbonden is. De Heere moet ons van veel verlossen in het leven, waaronder ook de getallenziekte (dat kunnen we zelfs ook hebben als het over een klein getal gaat). Laten we eerlijk zijn; 't valt zo moeilijk onvoorwaardelijk te volgen. Concreet kunnen we nog niets zeggen. Afgesproken werd, dat het initiatief tot verder contact van de broeders te Zwijndrecht zou uitgaan. Groeten van de bekenden uit Delft en ook aan uw vrouw en ook v.h.t.h. 

Uw A. Deijs 


         Op 10 juli 1967 ontving de kerkenraad van Delft het volgende schrijven vanuit Zwijndrecht: 

Weleerwaarde en eerwaarde broeders, 

Op onze laatst gehouden kerkenraadsvergadering d.d. 7 juli is besloten om aan onze belofte te voldoen, om u te zijner tijd met een tegenbezoek te vereren. Wij hebben gedacht en stellen u derhalve voor dit te doen in de loop van de maand augustus. Gaarne vergaderen wij dan in Delft, hetgeen ons dan een verre reis bespaart, ook in verband met de terugkeer naar onze woonplaats. Voor verdere bemoeiingen zeggen wij u bij voorbaat beleefd dank en teken met h. br. groeten 

Namens de kerkenraad der Chr. Geref. Kerk (H.V.) te Zwijndrecht. 

A. Vree


         Hierop schreef Delft aan Zwijndrecht op 18 augustus 1967 het volgende terug: 

Weleerwaarde en eerwaarde broeders, 

Uw brief van 10 juli hebben wij in goede orde ontvangen. Het antwoord daarop heeft wat langer op zich laten wachten door bezwaren rond vergadergelegenheid en de datum van 31 augustus. Inmiddels hebben wij hiervoor een oplossing gevonden. Wij nodigen uw raad dan ook uit op 31 augustus a.s. aanwezig te willen zijn in "Ons Gebouw" Koornmarkt 75 te Delft. Aanvangstijd van de vergadering: acht uur. Ontvangt u inmiddels de hartelijke groeten en D.V. tot ziens op donderdag 31 augustus a.s. 

Namens bovengenoemde gemeenten [Delft en Hoofddorp] 

De scriba 

oud. A. Deijs 

Terneuzen, 22 augustus 1967


Aan de kerkenraad van de Christelijke Gereformeerde Gemeente in Nederland, gevestigd te Delft. 

Eerwaarde broeders, 

Tot mijn spijt moet ik u berichten, dat ik zondag 3 september e.k. niet kan voorgaan in uw gemeente. Wat is er aan de hand? Enkele dagen geleden dronk ik des avonds bij de broodmaaltijd rustig een kopje thee. Bij de laatste slok verslikte ik me, kreeg het erg benauwd en viel pardoes van de stoel op de grond. Mijn hoofd tegen de kachel aan, met mijn borst tegen het vloerkleed op. Eerst erg versuft en moe, en daarna hevige pijn. De dokter kwam na een dag en constateerde een flinke kneuzing van mijn ribben. Nu zou de doorlopende pijn nog wel gaan en zo'n gekneusde rip geneest van zelf wel weer. Maar.... ik sukkel eigenlijk onophoudelijk reeds jarenlang met bronchitis, vandaar een dag en nacht onophoudelijke hoest, en dat staat volgens dr. v.d. Griek de genezing heel erg in de weg. Bij het hoesten heb ik heel erg last van pijn en een soort stikkensgevoel. Als ik geen last van de bronchiën had zou de rib wel met een week of vijf genezen zijn, volgens de dokter, maar nu moet ik afwachten hoe het loopt. Veel spreken mag ik niet, zelfs niet in huis, dat wekt de hoest op, en bij een beetje winderig weer mag ik ook niet buiten komen. Wat is de mens? Ik was die dag juist bezig aan mijn morgenpreek voor Delft en nu dit pijnlijk ongeval. Er overkomt ons niets bij geval, maar dat zoiets ook uit Gods Vaderlijke hand ons overkomt, ja, waarde brs...dat weet ik opperbest, maar het is op heden, helaas geen wetenschap van een levend geloof. Met mijn vrouw gaat het ook niet zo schitterend. Als de morfine-poeder is uitgewerkt, slaap ik 's-nacht niets meer, heb hevige pijnen en de vrouw heeft dan veel werk met me, nu eens zo verleggen en dan weer zo. Toch is het een voorrecht, dat ik nog een hulpe als tegenover me heb. Ik hoop, dat de fusiepogingen met Zwijndrecht tot een goed resultaat zullen leiden en dan in Gods gunst. Groet alle wederhelften van de kerkenraadsleden, inzonderheid de vrouw van Piet Langstraat, waar we meest logeren, en ook de anderen. Weest zelf in uw persoonlijk, huiselijk en ambtelijk leven de Heere bevolen. 

Van uwe toegenen. 

Ds. G. Salomons en echtgenote 


"Ons Gebouw" Koornmarkt 75 in Delft waar besprekingen tussen Delft, Hoofddorp en Zwijndrecht plaatsvonden
"Ons Gebouw" Koornmarkt 75 in Delft waar besprekingen tussen Delft, Hoofddorp en Zwijndrecht plaatsvonden

Bespreking met Zwijndrecht 31 augustus 1967

Tijdens deze vergadering werd opnieuw op bijzonder broederlijke toon met elkaar gesproken. Toch was er een aarzeling. Het bleek dat de kerkenraad van Zwijndrecht teveel verdeeld was over de koers. Uiteindelijk kwam het hoge woord eruit bij één van de broeders uit Zwijndrecht, dat men de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland te klein vond. Ouderling A.W. Langstraat wees deze broeder er toen op, dat de Heere in Zijn Woord zegt: "Waar twee of drie in Mijn Naam vergaderd zijn, daar ben Ik in het midden." 

Ds. Van Minnen terug in Delft

Op 29 september 1967 kwam de kerkenraad van Delft bijeen met het besluit opnieuw een beroep uit te brengen op ds. Van Minnen. 

4 oktober 1967
4 oktober 1967


Uit de Haagse hof geplukt 

"Alexandra" schrijft in "Uit de Haagse hof geplukt" (Nieuwe Haagse Courant 1967) over vrijheid. Het kledingvoorschrift voor de doopplechtigheid waarbij Prins Willem Alexander ten doop gehouden werd luidde als volgt: Heren in jacquet of donker kostuum, dames in middagjapon met hoed en handschoenen. "Alexandra" vindt dit terecht geen hoge eis voor de genoden. Ze meent, dat het "verbazingwekkend" is, dat er nog velen waren, die er uitzagen of ze even van een zonneterrasje waren weggelopen. "Ik heb zitten beven" zegt ze "want elk ogenblik verwachte ik een stille wenk aan de dames, dat ze beter vertrekken konden. Wat niet gebeurde. Dan verschijnt er een kamerlid in lichte regenjas."(..) "Waar het mij om gaat is of we werkelijk alle vormen moeten afschaffen en het vrijheid blijheid huldigen, of is er een grens?" "Naar mijn smaak (Alexandra) is die grens er, wanneer er een koninklijke plechtigheid is en de koninklijke familie degene is, die de normen stelt. Dan heeft men aan die normen te voldoen. Wie dat onzin vindt moet wegblijven." Op grond van Gods Woord van harte mee eens, maar hoe is het gesteld met die vormen en nomen die God, de hoogste Koning stelt in Zijn Woord? Of bewijst de praktijk niet veelal, dat we dat ook "onzin" vinden?! 

Open Vensters, September 1967 

Op 21 oktober 1967 maakte ds. Van Minnen bekend dat hij het beroep naar Delft had aangenomen. Op dinsdag 12 december 1967 vond de bevestiging plaats door ds. G. Salomons. Op verzoek van de predikant waren er geen officiële uitnodigingen verstuurd. De kerkenraad van Delft had voor f 49.000,- een huis gekocht aan de Hof van Delftlaan nr. 30 waarin zowel de predikant met zijn echtgenote, evenals een dochter en een schoonzoon hun intrek namen.

25 oktober 1967
25 oktober 1967

Terneuzen, 19 oktober 1967

(..) "Ik zal u eerlijk zeggen, dat ik ook ds. Van Minnen heb geschreven dat hij te Delft onvervangbaar is en dat hij daarmee moet rekenen in verband met wel of niet aannemen van een beroep. En hoe reageerde ds. Van Minnen? "Hartelijk dank voor uw brief, juist op tijd en van een goede verhelderende inhoud. Dat kooltje was geen geleuter." (Ik had geschreven, dat mijn schrijven misschien geleuter was, maar dat tussen een ashoop toch ook wel eens een brandbaar stukje brandstof kon zitten). Daarop antwoordde ds. Van Minnen: "en nu kwam uw brief en ik heb uitgeroepen: dank U Heere, 't lichtte zo op als de zon in haar volle kracht in mijn ziel. Dat kooltje was geen geleuter, maar is over gekomen als een vlam des Heeren." Van mijn kant geen overdrijving jegens ds. Van Minnen, want u zult het ongetwijfeld wel met mij eens zijn, dat bij aldien ds. Van Minnen in Hoofddorp blijft en de heer den Boer komt na een tweejarige, zeker degelijke opleiding van ds. Van Minnen in Delft, dat hij dan toch niet komt tot aan de schouders van ds. Van Minnen? Zonder iets kwaads te zeggen van Hoofddorp, zonder de mogelijke gaven van de a.s. v.d.m. broeder den Boer in twijfel te trekken acht ik de heer den Boer heel geschikt voor het minder zakenkundige Hoofddorp en ds. Van Minnen (zolang wij geen andere voorgangers hebben) te Delft onvervangbaar. Als ik een vergelijking mag maken tussen Hoofddorp en Delft dan zou ik het Woord van Paulus aanhalen uit Handelingen 17: 10 waar staat dat men te Berea edeler was dan te Thessalonica, omdat men te Berea (Delft) dagelijks de Schriften onderzocht, of deze dingen (door Paulus gepredikt) alzo waren. Maar daarom eist de voorbereiding voor de preek te Delft te houden wellicht iets gedegener voorbereiding dan de voorbereiding voor een preek te Hoofddorp. Tenminste zo heb ik het altijd aangevoeld; daarom mijn schroom soms om te Delft voor te gaan, al wil ik niet verhelen, dat het op de kansel te Delft nogal meeviel. U vraagt: Wordt u met die genegenheid voor Delft weleens lastig gevallen? Mijn antwoord is: van binnen wel, maar van buiten...niet!.

G. Salomons

Waar wilt u heen professor? II 

Hoe moeten we Genesis 2 en 3 verstaan?

Op een predikantenvergadering van de christelijke gereformeerde kerken sprak Prof. dr. Oosterhoff over de vraag: Hoe moeten we Genesis 2 en 3 verstaan? Hij maakte daarbij opmerkingen die de gemoederen in beweging bracht.

Zo sprak hij uit dat de Gereformeerde Kerken destijds dr. Geelkerken ten onrechte hebben veroordeeld, alhoewel naar zijn mening de laatste fout was omdat hij vanuit de wetenschap tot zijn bepaalde exegese kwam en niet uit de Schrift zelf.  Volgens Oosterhoff eist het gezag van de Schrift dat we ons door de Schrift laten gezeggen wanneer we een verklaring zoeken van Genesis 2 en 3. 

"We moeten de Schrift leren verstaan zoals ze verstaan wil worden. En we mogen een ander geen gezag opleggen dan dat van de Heilige Schrift, ook bij exegese van het woord der Schrift." 

Wat dat laatste betreft was een ieder het wel met Oosterhoff eens uiteraard.

Oosterhoff stelde vragen: 
"Hoe stemmen de resultaten van de moderne natuurwetenschap overeen met de Heilige Schrift? Wat bedoelt de Schrift inzake het ontstaan van de mens? De Schrift geeft geen natuurwetenschappelijke uiteenzetting van het ontstaan van de mens en diens verdere geschiedenis. Maar wat dan wel?"

Oosterhoff stelde vast: "Met kracht moet worden gehandhaafd, dat de natuurwetenschap nimmer over de Schrift mag heersen. Niet de natuurwetenschap, maar de Schrift zelf maakt uit wat ze bedoelt. Geen wetenschap, of dat nu de filosofie of de natuurwetenschap is, kan ons de bedoeling van de Schrift duidelijk maken. De Schrift is haar eigen uitlegster. Anders doen we aan het openbaringskarakter van de Schrift tekort. We brengen de Schrift in een dienstknechtgestalte en dat mag nooit. Dit afgezien van het feit, dat de resultaten van de natuurwetenschap niet die vastheid bezitten, dat ze norm voor het verstaan van de Schrift zouden kunnen zijn. We moeten ook geen poging doen om bijbel en natuurwetenschap met elkaar in overeenstemming te brengen. Vanuit de wetenschap kunnen natuurlijk wel vragen opgeworpen worden die ons tot een nadere bezinning op de Schrift brengen. We moeten steeds weer ootmoedig luisteren naar de Schrift en horen wat de Geest tot de gemeenten zegt."

Oosterhoff vervolgde: 
"Waar we in onze tijd ook meer oog voor hebben gekregen dan onze vaderen vroeger, is de menselijke factor in het totstandkoming van de Schrift De inspiratie heeft niet zo mechanisch plaats gehad als men vroeger dacht. We zien ook veel meer verbanden tussen de Schrift en de oud-oosterse wereld, waarin de Schrift ontstaan is. Wij kunnen veel beter dan onze vaderen aanvoelen het karakter van het oude oosten. Dat was in elk opzicht anders dan onze westerse wereld. En de Bijbel is een oosters boek. Dat wisten we al, maar dat zal in het verstaan van de Schrift nog veel meer moeten worden verdisconteerd." "Steeds meer zal tot ons moeten doordringen, dat we de Bijbel wel eens te veel vanuit ons westers denken hebben benaderd en in onze westerse denkvormen hebben ingeperst. Wie dat ziet, heeft behoefte om opnieuw naar de Schrift te luisteren."

Maar dan komt Oosterhoff tot de kern van zijn betoog: Hij ziet allerlei symbolische trekken in het geschiedverhaal van Genesis 2 en 3 en komt tot de uitspraak: "Heel de hoofdstukken bieden een symbolische weergave van de werkelijkheid. Het is niet symbool en werkelijkheid, alsof die twee tegenstellingen zouden zijn. Maar de werkelijkheid wordt op symbolische wijze verhaald." "Het gaat in Genesis 2 en 3 om de werkelijkheid, zoals die in Romeinen 5 aan de orde komt en in zondag 3 en 4 van de Catechismus wordt omschreven. De mens is goed en naar Gods evenbeeld geschapen. Maar de mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen door het ingeven des duivels en door moedwillige ongehoorzaamheid van deze gaven beroofd. Daarbij moeten we bedenken, dat de eerste mens niet alleen stond. Er is een corporatieve eenheid van Adam en al zijn nakomelingen. Het totaliteitsbesef van de oosterling heeft dit zelfs dieper doorvoeld dan wij analytisch aangelegde westerlingen dat kunnen."Maar deze geweldige werkelijkheid wordt ons in symbolische trekken, die ons aan profeten en dichters doen denken, weergegeven. De vraag naar de grens tussen symbool en werkelijkheid is typisch westers. Wij proberen symbool en werkelijkheid uit elkaar te halen. Daaruit moet misschien ook voor een deel de strijd in de westerse kerk over Doop en Avondmaal worden verklaard. De oosterling heeft met het symbolisch verstaan van de werkelijkheid veel minder moeite."


"Geen absoluut ja, noch absoluut neen. Zweven! En nog slapper is een synode, die dat slikt en een brochure daarover van dr. Oosterhoff vraagt en aanvaardt; in plaats van te vragen een duidelijk ja of neen t.o.v. die symbolische werkelijkheid van Genesis 2 en 3. Straks zal iemand voor het gerecht nog gevraagd worden (al blijkt zijn daad zonneklaar), als deze geen duidelijk neen of ja zegt t.o.v. de daad waarover hij beschuldigd wordt: schrijft u maar een brochure... 't Is een en al handige politiek! Nog slimmer: 't Is een en al diplomatiek; nog gevaarlijker dan politiek. Daar is de wereld vol van en de kerk speelt 't zelfde spel. Handig wordt er eerst over geschreven en gesproken; steeds weer en steeds meer, en dan maar doorduwen. Volhouden met of het net echt naar Gods Woord is. En bij het arm zijn aan de bediening van de Heilige Geest (die in al de waarheid leidt) komt men door deze methode onder de leugengeest."

              J.G. van Minnen


Ds. J.H. Velema die bij het betoog van Oosterhoff aanwezig was rapporteerde: 
"Met spannende aandacht werd naar dit referaat geluisterd. Het nam veel meer tijd in beslag dan op de agenda gepland was. Het werd in hoog en snel tempo uitgesproken, zodat men op bepaalde punten de referent niet meer kon bijhouden. Toch begreep iedere aanwezige de bedoeling van het gehouden referaat. (...) "Prof. Oosterhoff wilde leiding geven aan de vragen en problemen op dit gebied. We kunnen de vragen, die ons hier gesteld worden èn door de natuurwetenschap èn door onze middelbare schooljeugd niet uit de weg gaan. Het getuigde van moed dat de referent dit ook niet gedaan heeft. Hem werd dan ook dank betuigd dat hij zijn gehoor in dit referaat niet in de mist had gelaten."
"De twee saillante punten uit zijn betoog waren:  Genesis 2 en 3 tekent ons de werkelijkheid in symbolische taal; en Assen heeft geen rekening gehouden met het bijzonder karakter van Genesis 2 en 3; dr. Geelkerken is destijds ten onrechte veroordeeld."

Na afloop van zijn betoog kreeg Oosterhoff de nodige vragen voorgeschoteld, zoals: 

"Wat heeft het voor zin te vechten voor de feiten, als de werkelijkheid in symbolen wordt uitgedrukt? Zijn er in de Bijbel aanwijzingen dat we Genesis 2 en 3 zo mogen opvatten als de referent deed? Waar ligt de grens tussen deze en andere hoofdstukken van Genesis en de rest van de Bijbel?"

B.J. Oosterhoff
B.J. Oosterhoff

Bezwaren tegen opvattingen van Prof. dr. Oosterhoff (Instructie Driebergen op classis Utrecht)

Binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken bleven bezwaren leven tegen opvattingen van prof. dr. B. J. Oosterhoff. De gemeente van Driebergen bracht later een instructie in op de classis Utrecht gehouden op 17 februari 1977 "m.b.t. het gevoelen van prof. dr. B. J. Oosterhoff, in zijn boek: 'Hoe lezen wij Genesis 2 en 3', alsmede zijn artikelenserie in 'De Wekker' over Adam en onze Gereformeerde Belijdenis." Driebergen had hierbij de bedoeling een kerkelijke uitspraak te vragen. Reeds eerder was de zaak ter sprake gekomen op de classis van het noorden, maar toen hadden de vragenstellers genoegen genomen met de uitspraak van de curatoren. De wettigheid van deze instructie werd door de vergadering vastgesteld.  De classis Utrecht nam de instructie van Driebergen over. Inhoudelijk leidde de instructie wel tot discussie van voor- en tegenargumenten. Bij velen overheerste de indruk van een bezwaarschrift tegen prof. dr. Oosterhoff. 

Driebergen wenste de toelichting bij de instructie niet terug te trekken. Zij zou graag zien dat de synode zou uitspreken of het gevoelen van prof. dr. B. J. Oosterhoff, neergelegd in het boek "Hoe lezen wij Genesis 2 en 3?" en enkele Wekkerartikelen nu al of niet overeenstemt met Schrift en belijdenis. 


Bezwaren tegen Prof. dr. Oosterhoff afgewezen (PS)

De instructie met de uitvoerige schriftelijke toelichting van Driebergen die ter vergadering kwam op de Particuliere Synode van het Oosten op 19 april 1977 gaf al direct "grote moeite." Men vatte de instructie op als een bezwaarschrift tegen Prof. Oosterhoff. Bovendien zou de toelichting bij de instructie wel "veel poneren maar niets argumenteren of bewijzen." 

Het verslag van de Particuliere Synode van het Oosten in De Wekker van 13 mei 1977 luidde als volgt: 

"De vergadering kan zich gelukkig prijzen haar beide curatoren, als zodanig doorkneed in deze materie, in haar midden te hebben. Uit hun mond mogen we vernemen dat het curatorium tot de conclusie is gekomen dat bedoeld gevoelen (Van Oosterhoff) niét in strijd is met Schrift en belijdenis, wat nog niet wil zeggen dat men het deelt. Er is een theologisch maar geen confessioneel verschil. Laten we oppassen dat we niet gaan vechten tegen een karikatuur. Na schorsing van de vergadering voor onderling beraad delen de Utrechtse afgevaardigden mee de toelichting te laten vervallen. De instructie kan nu als instructie behandeld worden. Wat zij beoogt wordt echter in strijd geacht met de taak van de generale synode en gezien als een verlaten van de goede weg van de kerk der Reformatie. Na enkele "historische" opmerkingen ter verdediging van de instructie die historisch toch niet blijken te kloppen wordt de instructie tenslotte verworpen. Over de behandeling van diverse appél schrijvens vanuit de classis Utrecht tegen de inmiddels verworpen instructie kunnen we kort zijn: de synode was er ook gauw mee klaar. (..)"


"De opstelling van Prof. Oosterhoff vervult ons met diepe zorg. Zijn uitlatingen t.a.v. Genesis 1, 2, 3, zijn beschouwing over het boek Hooglied, het boek Ruth, de Psalmen enz. doen ons onszelf afvragen: waar wilt u heen, professor?" Hij noemt Buskes een diep gelovig, evangelisch getuigend, fel protesterend mens. "Altijd ontmoet je in Buskes een warm christen, een bewogen mens, zelf gegrepen door de machtige boodschap van het evangelie." (Zie zijn boekbespreking: "Het humanisme van God."). Dr. G. de Ru, voormalig praeses van de Herv. Synode, beschaamt onze hoogleraar als hij zegt dat "Gods humanisme" van Buskes een on-Bijbelse gedachte is. Laat ons met ernst toezien op deze ontwikkeling en zonodig langs kerkelijke weg stappen ondernemen."

G. Blom 


"Een nog jonge predikant zit met het probleem wat hij nu in de prediking en catechese leren mag. Een in de dienst der kerken reeds wat vergrijsde collega wijst hem het rechte spoor: alles wat je tot nu toe leerde als je maar christelijk gereformeerd blijft. Op heldere wijze gaat curator ds. Brons op de onder ons levende vragen in. We worden er een stuk wijzer van. T.a.v. de kwestie erfschuld-erfsmet waarschuwt hij tegen een onjuiste weergave van dr. Oosterhoffs standpunt. Er is geen sprake van dat hij op enigerlei wijze afbreuk doet aan de totale verdorvenheid van de mens en het schuldkarakter van de zonde." (..)

"De praeses spreekt een kort slotwoord waarin hij erop wijst dat we geen groep of ligging dienen te vertegenwoordigen maar het geheel van de kerk in het oog moeten houden, leest 1 Thess. 5:12 - 24 en 28, ontvangt bij monde van de assessor de dank van de vergadering voor zijn uitnemende leiding en gaat dan voor in dank- en smeekgebed. Daarna sluit hij de vergadering, waarvan u middels dit verslag hopelijk enigermate een indruk hebt gekregen die niet al te slecht is. Een buitenstaander moge soms denken: is dat nou allemaal familie van elkaar? Ik kan u zeggen: er waren in Amersfoort inderdaad broeders bijeen!" 

Ds. G. Bijkerk (van Enschede)

Uit: Verslag vergadering Part. Synode v.h. Oosten 19 april 1977

 (De Wekker, 13 mei 1977)



Toen kwamen de geschriften van Woelderink

"Ik denk dat de naam van dr. Woelderink in onze tijd velen weinig of niets meer zegt. Dat was in de eerste jaren na de laatste wereldoorlog anders. Door ons jongere predikanten in die tijd werden de geschriften van Woelderink gretig gelezen en ze hebben niet nagelaten invloed uit te oefenen. Woelderink benadrukte in zijn geschriften vooral de plaats en de betekenis van het geloof in het geestelijke en bevindelijke leven. Velen van ons waren groot geworden in een tijd, waarin dikwijls de wedergeboorte in de prediking centraal stond. De vraag of men wederomgeboren is werd herhaaldelijk gesteld. Hoe kan men dat weten? Wel, aan de vruchten of de kenmerken van de wedergeboorte. Dat bracht weer met zich mee dat de kenmerken van het nieuwe leven werden gepreekt, waaraan men dan voldoen moest om de vraag of men wederomgeboren is te kunnen beantwoorden. De vraag hoe men er aan komt bleef vaak in het duister. Het is de Heilige Geest, die dat nieuwe leven werkt en om dat werk van de Geest moet veel gebeden worden. Zo werd men op het gebed teruggeworpen. Maar de beloften bleven in de schaduw. Eigenlijk begonnen die pas te functioneren wanneer men wist wedergeboren te zijn. Gewaarschuwd werd voor een onrechtmatig beroep op de beloften en een gestolen Christus. Een mens kan niets aannemen. Het moet hem gegeven worden. Wel werd bij de doop van een kind het oude doopsformulier gelezen en de beloften aan het voorhoofd van het kind betekend en verzegeld, maar de beloften waren hoogstens pleitgrond. Dat God in de beloften iets doet en dat Hij niet pas iets doet op ons pleiten of bidden, kwam te weinig uit de verf. Bij dat alles werd de functie van het geloof niet duidelijk. Ik herinner mij nog heel goed dat ik zelf in mijn jonge jaren veel heb lopen nadenken over de vraag wat het geloof nu eigenlijk is. Het bleef dikwijls een vraag. De verhouding van geloof en beloften werd te weinig belicht, ondanks zondag 7 en 23 van de catechismus. Dit centraal stellen van de wedergeboorte is wel begrijpelijk. Het voortbestaan van de oude christelijke gereformeerde kerk in ons kerkelijk leven werd na 1892 vooral gemotiveerd vanuit de valse wedergeboorteleer van dr. A. Kuyper. Hij leerde de veronderstelde wedergeboorte met al de gevaren daarvan. De doop had plaats op grond van veronderstelde wedergeboorte en dat werkte valse gerustheid, triomfalisme en een christendom zonder waarachtige bekering en vernieuwing in de hand. Men ging "met een ingebeelde hemel" verloren. Met de veronderstelde wedergeboorte werd "een geslacht van nieuwe Nicodemussen" gekweekt, dat van werkelijke wedergeboorte geen verstand had. Daartegenover werd dan gesteld wat de ware wedergeboorte is en wat er gekend moet worden om werkelijk wedergeboren te zijn. Dat was alles zeer begrijpelijk. Maar de functie van het geloof kwam te weinig uit. Benadrukt werd dat een mens eerst wedergeboren moet zijn om te kunnen geloven. Maar geloven dreigde zo meer een geloof in eigen wedergeboorte dan in de beloften van het evangelie te worden. Het laatste werd min of meer als oppervlakkig beschouwd. Dat in onze belijdenis wedergeboorte vrucht van het geloof wordt genoemd (N.G.B. art. 24) paste slecht in het systeem. Bovendien legt de Schrift telkens de nadruk op het geloof. Alsmaar weer het geloof. Vandaar dat bij ons jongeren almeer de vraag opkwam naar de betekenis van het geloof. Wat is het geloof? Hoe functioneert het geloof? Wat is de plaats van het geloof in de prediking? Ik kan niet ontkennen dat ook bij prof. v.d. Schuit op zijn colleges deze dingen aan de orde kwamen. Hij wees op het verschil in onze belijdenis tussen "schenking" en "deelachtigmaking". De eerste geschiedt in de belofte van het evangelie, de tweede door het geloof in de belofte. Dit werkte bij ons al zeer verhelderend."

"Toen kwamen de geschriften van Woelderink. Zij hadden eigenlijk heel deze materie tot onderwerp. Hij ontmoette als gereformeerde-bondspredikant in de gemeenten die hij diende dezelfde dingen. De wedergeboorte, niet het geloof werd centraal gesteld. Woelderink bracht ons met zijn studie weer bij Calvijn, die juist het geloof en de betekenis van de beloften van het evangelie zo centraal stelt. De werken van Woelderink zijn toen door velen van ons gelezen en besproken en zij gaven antwoord op vragen die bij velen van ons jongere predikanten leefden. De werken van Woelderink zijn niet zonder invloed gebleven. We lazen Calvijn weer. In de prediking werd het geloof centraal gesteld. Ik weet niet in hoeverre Woelderink invloed heeft uitgeoefend op Veenhof en later op onze ds. Kok, die brak met de gereformeerde gemeenten. Maar bij hen ging het eigenlijk om dezelfde dingen.[*] Men zei wel dat door de jongere predikanten de wedergeboorte niet meer gepreekt werd. Maar dat was niet waar. Wel kreeg de wedergeboorte een andere plaats. (..)

Prof. dr. B.J. Oosterhoff, 'Dr. J.G. Woelderink' De Wekker 4 april 1975



De beloften van het evangelie: Wedergeboorte en bekering 

Woelderink pleit voor de onvoorwaardelijkheid van Gods beloften. (..) Zelfs H. Bavinck schreef dat "het Verbond der Genade in zijn bediening door Christus deze eisende, voorwaardelijke vorm aan(neemt) om de mens te erkennen in zijn redelijke en zedelijke natuur, om ook als gevallene hem nog te behandelen als naar Gods Beeld geschapen, om ook op dit hoogste terrein, waar het gaat om de eeuwige zaligheid en het eeuwig verderf, hem verantwoordelijk en onontschuldigbaar te stellen." Deze gedachtengang is geheel in overeenstemming met de Belijdenis van de Kerk. Naar onze D. L. 11, 5 komt de belofte van het evangelie dat is de belofte des Verbonds steeds tot ons in voorwaardelijke vorm, want het appèl op onze verantwoordelijkheid behoort tot de wezensbepalende elementen van het Verbond. Zo was het in het paradijs reeds. En alle volgende fasen van de Verbondsgeschiedenis door. Het handhaven van bekering en geloof als door God gestelde voorwaarden in het Verbond heeft niets te maken met remonstrantisme of verfijnd remonstrantisme, want deze handhaving betekent geenszins het inbouwen van menselijke prestatie als wezenlijk element in de leer van de verkrijging van het heil des Heeren, maar wil accentueren dat het Gods souvereine wil is, dat Hij het heil langs deze weg wil werken. Een weg door Hem Zelf aangewezen en door Hem Zelf gelegd en die alleen door de wederbarende werking van Woord en Geest wordt betreden. In de belofte van het Verbond komt niet een God naar ons toe, die van onze toestemming afhankelijk is en zou zijn voor de verwerkelijking van Zijn genade, maar wel een God, Die zo souverein is, dat Hij Zijn Raad en Zijn werk op onoverwinnelijke wijze uitvoert, terwijl Hij de mens verantwoordelijk stelt. Nu moeten echter deze voorwaardelijke beloften niet worden gepreekt in wettische zin, maar in evangelische zin. Wij moeten er voor waken, dat wij de eis der bekering en des geloofs niet naar voren brengen als een voorwaarde ten leven op een werkverbondsachtige manier. Maar het geschiede zo zoals dr. Love het uitdrukt in een van zijn werken om als door dien eis heen door middel van de klem des geloofs te bewegen middelijkerwijs tot de daad van geloven. De Heere heeft er een heilig recht op dat wij geloven. (..) Wedergeboorte en bekering moeten wij zien als verwerkelijking van Gods beloften. Het heil wordt de zondaar geschonken in wederbarende genade. De Heilige Geest is Gods Kerk geschonken als onderpand. Hij is uitgestort en wordt ook ervaren. Het is de Heilige Geest, Die ons de belofte toe-eigent en het geloof schenkt om de belofte aan te nemen als een kracht Gods tot zaligheid. De vervulling van Gods belofte is nooit volledige vervulling, het blijft altijd profetie van het meerdere aan deze zijde van het graf. De belofte is tot ondersteuning van het geloof, ja zelfs de laatste grond van het geloof als alles ons ontvalt. De kracht van de belofte kan niet ervaren worden, evenwel de waarheid van de belofte blijft bestaan.(..) 

 Ds. J. Veenendaal, 'Belofte en bevinding in de prediking' (Bewaar het Pand, 3 oktober 1985)

Noten

[*] N.b. Binnen 'Bewaar het Pand' (waartoe ds. R. Kok behoorde) stond men kritisch tegenover de opvattingen van Woelderink. Zie o.a. artikelen ds. G. Blom 'Boeken van J.G. Woelderink', in: Bewaar Pand 26 november 1981-11 februari 1982. 

Waarom een Reformatorisch Dagblad en hoe? 

Naar mate de jaren zestig vorderde werd de behoefte aan een eigen dagblad voor de reformatorische gezindte steeds indringender gevoeld. De bestaande dagbladen voldeden "vanwege de eenzijdige voorlichting op kerkelijk en theologisch gebied" niet. In 1966 verschenen er "opruiende, leugenachtige en godslasterlijke publicaties" met betrekking op de in Elspeet gesignaleerde poliogevallen. Ook een dagblad als Trouw dat nog wel als 'christelijk' te boek stond huilde mee met de wolven in het bos. Daarnaast was in de bestaande dagbladen veel te vinden over sport, toneel, films etc. Daarom kwam de 'Stichting Reformatorische Publicatie', dat bestond uit leden van kerkformaties vanuit de hele reformatorische gezindte, met het initiatief om "een beslist reformatorisch nieuwsblad" te doen verschijnen.

H.C. van der Ent
H.C. van der Ent

Na onderzoek bleek dat dit initiatief haalbaar moest zijn, desnoods met een verschijningsfrequentie van drie maal per week. Wat betreft de inhoud streefde het bestuur naar een dagblad met daarin actuele berichtgeving van het voornaamste wereldnieuws, landelijk en regionaal nieuws, parlementair nieuws, land- en tuinbouw berichten, beurs- en marktberichten naast uitgebreid kerkelijk nieuws. Via artikelen en commentaren diende reformatorische voorlichting gegeven worden. Verder moest het blad fungeren als spreekbuis van landelijke organisaties, verenigingen en instellingen die op dezelfde grondslag stonden en voldoende aandacht besteden aan de jeugd.

In mei 1968 was deze stichting in Driebergen al enige tijd actief om te komen tot de verschijning van een 'Reformatorisch Dagblad'. Velen gaven zich spontaan op als abonnee of schonken een gift. Toen de verschijning echter op zich liet wachten kreeg het bestuur te maken met vragen: of het nog lang duurde eer de zo begeerde krant er zou komen. Het werk werd gestagneerd, niet door interne moeilijkheden, maar door moeilijkheden van buitenaf. 

Een tweede comité zette zich in beweging, toen de eerst genoemde stichting als geruime tijd bezig was, om een soortgelijk doel te bereiken, hoewel dan meer in de vorm van een wekelijks opinieblad. Besprekingen tussen beide initiatiefnemers stranden op principiële verschillen. 

Ouderling G. Barten (Haarlem-Centrum/Hoofddorp)

Op 79-jarige leeftijd is dinsdag 15 oktober 1968 de heer G. Barten, in leven wonend te Hoofddorp, de eeuwige rust ingegaan. Tientallen jaren heeft deze broeder als ouderling in de wijngaard des Heeren mogen arbeiden; het grootste deel van die tijd in de Christelijke Gereformeerde Kerk van Haarlem-Centrum. De laatste jaren van zijn leven in de gemeente te Hoofddorp. Opgevoed in de vermaning en vreze des Heeren, wandelde onze broeder, hoewel in godsdienstbetrachtingen levend, naar het goeddunken van zijn eigen hart, totdat in zijn jongelingsjaren de Heere hem te sterk werd. Hoe kon hij vertellen van de bange strijd die hij toen had te doorworstelen, hoe hij als een geheel ongelukkige in zichzelf zijn weg ging, maar ook hoe hem, na diepe zielsontdekkingen door Gods Geest de volkomen zaligheid voor zondaren in Christus ontsloten werd. En degenen die hem van nabij kenden weten dat het vooral de preken waren waarin de noodzakelijkheid, maar ook de heerlijkheid en volzaligheid van Christus' Borgwerk uitblonken die zijn hart raakten. Dat was ook zo toen zondag 15 september jl. de laatste zondag was aangebroken dat hij onder de dienst des Woords mocht opgaan. Er werd toen een predicatie gelezen n.a.v. Hooglied 5 over "De zwerftochten van de bruid van Christus". Die predicatie ging als ware door zijn ziel heen. Een ogenblik werd gedacht dat hij vanwege zielsaandoeningen uit de kerk gebracht zou moeten worden. Na de dienst vertelde hij dat hij met de zaken in die preek verhandeld 's morgens vroeg in de geest was werkzaam geweest en in de weken die nog volgden was het steeds weer de inhoud van die preek die hem spreken deed. Hoewel reeds lijdend aan gebreken van ouderdom, bracht een ernstige ziekte hem binnen enkele weken aan het eind van zijn aardse loopbaan. Zaterdag 12 oktober nog naar het ziekenhuis gebracht, vertoonden zich reeds dinsdagmorgen daarop volgend de tekenen van het naderend einde. En zie, hoewel in zijn leven zeer bezet met vrees voor de dood, mocht hij, slechts een enkel uur voor zijn sterven getuigen: "Ik heb een begeerte om ontbonden en met Christus te zijn" en: "Genade, genade alleen". De prikkel des doods was weggenomen. Geen doodstrijd heeft hij schier gekend. Thans is hij daar waar hij de wens van zijn hart verkregen heeft om God in volmaaktheid te dienen eeuwig en ongestoord. Zaterdag 19 oktober had de begrafenis onder grote belangstelling te Hoofddorp plaats. Hoewel droefheid het hart vervulde vanwege het verlies, lag evenwel op deze dag een glans van Gods goedgunstigheid. Een Koningskind werd ten grave gedragen. 'Let op de vrome en zie naar de oprechte want het einde van die man zal vrede zijn.'

            G. den Boer in: Kerkelijk blad 'Open Vensters'

Kerkenraad van de Christelijke Gereformeerde Kerk Haarlem-Centrum (1944) met ds. W.F. Laman. Zittend uiterst rechts is ouderling G. Barten
Kerkenraad van de Christelijke Gereformeerde Kerk Haarlem-Centrum (1944) met ds. W.F. Laman. Zittend uiterst rechts is ouderling G. Barten
Ds. van Ravenswaaij met echtgenote
Ds. van Ravenswaaij met echtgenote

Arnhem met ds. J.C. van Ravenswaay 

In 1969 rezen binnen de classis Apeldoorn van de Christelijke Gereformeerde Kerken problemen rondom ds. J.C. van Ravenswaay en diens gemeente in Arnhem.[*] Een deel van de gemeente (een groep van 50 leden) kon zich niet in zijn prediking vinden en ook niet - zo bleek - in die van diens voorganger ds. H. van Leeuwen. Deze predikanten behoorden volgens hen tot "de zware richting." De groep wilde een afzonderlijke gemeente in Arnhem stichten binnen het verband van de Christelijke Gereformeerde Kerken. Merkwaardig genoeg bleek de classis Apeldoorn bereid om medewerking te verlenen. Onder leiding van de kerkenraad van Doesburg zou een tweede predikantsplaats in Arnhem gesticht worden onder de naam Arnhem-Zuid. 

De kerkenraad van ds. Van Ravenswaay protesteerde tegen de gang van zaken. Dit was volgens hen tegen de kerkorde. Een classis kan niet een gemeente stichten in een plaats waar al een gemeente is van het zelfde kerkverband. Dat kan alleen de moedergemeente zelf doen. Ds. van Ravenswaay vond het onverdraaglijk, dat de classis elke zondag naast hem een tweede predikant in Arnhem laat preken. Hij liet de classis weten "dat hij geen onderscheid kent tussen 'zware' en 'lichte' prediking, alleen tussen Schriftuurlijke en onschriftuurlijke."[*] 

Op 12 maart 1969 schreef ds. H. van Leeuwen als oud-predikant van Arnhem een brief aan de classis Apeldoorn:

"Naar aanleiding van de Wekker-publicatie inzake mijn vroegere gemeente Arnhem verzocht ik de Wekker-redactie opname van de door mij gevoelde bezwaren. Ik deed dit m.i. met recht, omreden door de vijf broeders, die de tweede spreekplaats, of eerlijker gezegd, een tweede gemeente wensten, bij hun motivering ook werd betrokken mijn Arnhemse ambtsperiode (1955-1962) blijkens mijn nadere informatie. Mijn verzoek werd afgewezen met de verwijzing, dat de classis het adres voor mijn bezwaren is. Dus richt ik mij tot u, in vertrouwen, dat u mijn schrijven niet voor kennisneming zult aannemen, maar het wil beschouwen en behandelen als mijn diepgevoelde bezwaar en tevens ernstige, welmenende waarschuwing. Het feit van Arnhems splitsing heeft mij zeer ontsteld en bedroefd, een gemeente, die volgens ons kerkelijk jaarboek 363 zielen telt. Gezien deze droeve splitsing rezen benauwende vragen bij mij op, hoe zodanige gang en zodanig besluit in ons kerkelijk leven mogelijk is. Destijds bleek in Haarlems gemeente zulk een splitsing niet mogelijk te zijn. Nu in Arnhem kon dat wel! Is het geestelijk verantwoord, dat Arnhem attestaties diende in te zenden bij onze kerk te Doesburg, omreden de bezwaarde broeders zich in de prediking van Ds. Van Ravenswaay niet konden vinden en die nu toch kunnen kerken in een Christelijke Gereformeerde kerkgemeenschap, momenteel zelfs in een zaal aan de Velperweg, geen kwartier van onze gevestigde plaatselijke kerk aan de Groen van Prinstererlaan af, zij het dan bedoeld als tijdelijk in verband met huurmoeilijkheden in "Arnhem-Zuid". U zult opmerken, dat de kerkenraad van Arnhem toch beloofde niet te zullen tegenwerken bij de formering van een tweede spreekplaats. Maar was dit voor uw classis dan een gegrond motief voor haar besluit? Zou tegenwerking ten deze een kerkenraad waardig zijn? We menen van niet naar Spreuken 20: 22.[*] Daartegenover heeft toch de kerkenraad zich duidelijk uitgesproken (en zulks ook naar de Schrift) tot zulk een handelwijze zijn medewerking niet te kunnen verlenen, d.i. zijn goedkeuring eraan geven, zijn bewilliging. Moest dit niet hét gegronde motief voor de classis zijn geweest om tot splitsing niet over te gaan? Voorts: was het verzoek tot splitsing gegrond op verdere geestelijke motieven, naar Schrift en belijdenis? Is het Gereformeerde kerkrecht volledig gehandhaafd en opgevolgd? Wij vragen ons nogmaals in diepe ernst af: kan dit alles zo maar in onze Christelijke Gereformeerde Kerken plaats hebben? Deze vragen beklemmen ons des te meer, omdat we zulke ernstige tijden beleven en zo uiterst moeilijke voor onze jeugd, gezien de grote vervlakking op godsdienstig en kerkelijk terrein. Ja, de vrees is niet ongegrond, dat binnen de tijd van één generatie de geestelijke onderscheiding niet meer wordt gekend. Wordt veelal niet de echte, Bijbelse mystiek gebrandmerkt als "ouderwets", "ziekelijk" verschijnsel? En daarbij de al meer veld winnende Bijbelkritiek op het kerkelijk erf, op de scholen en in de gezinnen. Dan ook de schrikbarende ondermijning en vertreding van het door God Zelf gegeven gezag, waarvan de gevolgen bijzonder op zedelijk gebied niet te overzien zijn. Moest niet nóg ernstiger en met een bewogen hart vanaf kansels en katheders worden gewezen op deze dingen en worden gewaarschuwd, ja, worden opgewekt om terug te keren "tot de Wet en tot de getuigenis", tot een vragen naar de "oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin, zo zult gij rust vinden voor uw ziel", Jer. 6 : 16? O merken we het op, wat Christus sprak tot Zijn discipelen: "Hetgeen Ik u zeg, dat zeg Ik u allen: waakt!" Uw vergadering de leiding en het licht van de Heilige Geest van harte toebiddend, verblijft met hartelijke groeten en heilbede uw oud-medelid uwer classis en broeder"

Ds. H. van Leeuwen



"Velen willen het zo voorstellen, dat het slechts een verschil is van nuance, dat de één het wat moderner en de ander wat ouderwetser zegt, maar dat men het in het wezen der zaak met elkaar eens is. Zulke opmerkingen zijn ook gemaakt naar aanleiding van de brief van de kerkenraad van Alphen aan den Rijn. Dan vragen we ons wel eens af: ziet men het verschil niet of wil men het niet zien? Buitenstaanders - en daaronder zijn er wel die objectief genoeg in hun oordeel zijn - denken er anders over. Zij constateren verschillen. Laten wij er dan niet blind voor zijn. Het gaat om belangrijke zaken. Wanneer we als kerken, als plaatselijke gemeente, als persoon niet zien en niet erkennen wat er aan scheelt zal er nooit inkeer en verandering ten goede kunnen komen."

G. Blom


G. Blom
G. Blom

De kerkenraad van Arnhem besloot naar aanleiding van deze kwestie uit het verband van de Christelijke Gereformeerde Kerken te treden. Ds. Van Ravenswaay deelde aan de gemeente mee dat zeven kerkenraadsleden voor de uittreding hadden gestemd en 2 tegen. In zijn verklaring uitte hij bezwaren tegen de prediking zoals die naar zijn mening in de Christelijke Gereformeerde Kerken steeds meer ingang vond. "Het stuk der ellende komt daarin op de achtergrond." De kerkenraad is ook verontrust over de opvattingen van prof. dr. B. J. Oosterhoff inzake Genesis. Ook heeft men bezwaren dat de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken de nieuwe Bijbelvertaling, de nieuwe psalmberijming en het vrouwenkiesrecht heeft toegestaan.

Ondertussen werd de schuld van de scheuring merkwaardig genoeg in de schoenen van de kerkenraad van Arnhem en ds. Van Ravenswaaij geschoven: "Het is een droeve en beschamende zaak dat een kerkenraad op een dergelijke onverantwoordelijke wijze, in strijd met kerkelijke beloften, het kerkverband gaat verbreken."[*] 


H. van Leeuwen
H. van Leeuwen

Noten

[*] Ds. Van Ravenswaay werd in 1939 aangenomen als theologisch student aan de Theologische School in Apeldoorn. In 1945 werd hij predikant in Zaamslag. Hierna stond hij in Scheveningen. In 1966 kwam hij in Arnhem.  

[*] Gereformeerd Weekblad, 12 april 1969

[*] "Zeg niet: Ik zal het kwaad vergelden; wacht op den HEERE, en Hij zal u verlossen."

[*] De Wekker, 4 april 1969

Moeilijkheden in Delft en Hoofddorp

In het voorjaar van 1968 begonnen moeilijkheden tussen ds. Van Minnen en de kerkenraad van Delft een dusdanige omvang te nemen dat dit uiteindelijk zou leiden tot een definitieve breuk. Het is niet te zeggen welk een pijn en verdriet dit voor beide partijen opgeleverd heeft.[*]  

Op 15 juni 1968 ontving de kerkenraad een brief van een zoon van ds. Van Minnen waarin deze bedankte als lid van de gemeente.[*] De problemen rondom deze zoon dateerde reeds uit het najaar van 1966. Deze zoon had kritiek op de prediking, óók op die van zijn vader. De problemen met de zoon van ds. Van Minnen vormde de directe aanleiding tot de moeilijkheden die er rond de predikant waren opgerezen. Ds. van Minnen uitte vanaf dit moment verschillende aantijgingen aan het adres van de kerkenraad die echter "ongegrond" bleken te zijn en te berusten op "onjuiste informatie."

Gebeurtenissen rondom schorsing en afzetting ds. Van Minnen

Een jaar zonder aangrijpende moeilijkheden was voorbijgegaan tot najaar van 1967. Ds. van Minnen was weer predikant in Delft. Hij liet weten "niets meer te hebben tegen de kerkenraad." Toen hij een besluit van de kerkenraad ten opzichte van enkele catechisanten, die al geruime tijd voor ongeregeldheden hadden gezorgd, vrijwel direct negeerde riep dit vragen op. De kerkenraad wees de predikant ook op de moeilijkheden rondom zijn zoon. Ds. Van Minnen bleek echter niet voor rede vatbaar en reageerde boos. Ouderling A.W. Langstraat vroeg de predikant of deze handelde vanuit "overspannenheid." Ds. Van Minnen beaamde dit. Ouderling A.W. Langstraat stelde toen voor: "Nu geen woord meer over deze zaak, maar laten we het aangezicht van de Heere zoeken." Na dit gebed staken de broeders hun hand uit naar ds. Van Minnen en zeiden: "Is het nu weer goed dominee?" Dit werd met een volmondig "ja" beantwoord. Hierna werd de vraag gesteld: "Vertrouwt u nu de broeders kerkenraad"? Hierop werd opnieuw bevestigend gereageerd, en de dominee liet er direct ook op volgen: "En ik zal a.s. maandag direct herstellen wat ik verzuimd heb!" De dominee vertrok en de broeders waren blij dat deze zaak was opgelost. Helaas bleek dit niet het geval. De predikant bleef steeds terugvallen in een patroon van verwijten maken aan het adres van de kerkenraad. Ten einde raad vroeg de kerkenraad van Delft in april 1968 om een dubbele kerkenraadsvergadering te beleggen met Hoofddorp. Deze kerkenraadsvergadering kwam er vooralsnog niet, maar wel bracht ouderling G. den Boer uit Hoofddorp op 2 mei 1968 een bezoek aan ouderling A.W. Langstraat waarbij naar voren kwam "dat het optreden van ds. Van Minnen in de periode 1965-1967 ook in Hoofddorp voor de nodige spanningen had gezorgd." Na dit gesprek met br. Den Boer dat in goede harmonie en met wederzijds begrip plaats gevonden had, vond een tweede ontmoeting plaats, nu in bijzijn van ds. Van Minnen. Ouderling Langstraat wees de dominee er tijdens dit gesprek op "in alle gemoedelijkheid" dat deze "op zijn studeerkamer bad voor het heil van de gemeente, op de kansel in getrouwheid Gods Woord predikte, maar dit werk onder de kansel weer afbrak door het doen van 'ongegronde aantijgingen' aan het adres van de kerkenraad. Opnieuw bleek ds. Van Minnen niet voor rede vatbaar.  Omdat ds. Van Minnen bleef weigeren om het gesprek aan te gaan, stelde de kerkenraad van Delft opnieuw voor om de kerkenraad van Hoofddorp in te schakelen. Hier wilde ds. Van Minnen echter niet van weten. Op 8 mei 1968 stuurde de kerkenraad een bloemstuk ter gelegenheid van zijn verjaardag. Een gesprek in de pastorie werd echter de broeders geweigerd. In juni 1968 gaf ds. Van Minnen aan "dat hij er weer aan toe was een kerkenraadsvergadering bij te wonen." Ouderling A.W. Langstraat die intussen na een ernstig ziekbed was hersteld kon hieraan ook weer deelnemen. Op de vraag van de broeders "of er geen zaken uit de weg geruimd moesten worden" reageerde ds. Van Minnen ontwijkend. De volgende zondagavond deelde ds. Van Minnen de broeders van Delft onverwachts mee "dat br. G. den Boer op 16 of 23 juni een stichtelijk woord zou spreken in Hoofddorp." Op de vraag van de broeders kerkenraad of dit de weg was en of er niet eerst zaken uitgesproken moesten worden in het bijzijn van alle broeders inclusief de predikant reageerde ds. Van Minnen opnieuw afwijzend. Over al hetgeen gebeurd was wilde hij geen schuld belijden maar alleen "zand erover". Bij enig aandringen werd hij furieus. Besloten werd daarom op 21 juni 1968 om de dominee "voorlopig tot 1 oktober 1968 van alle ambtelijke werkzaamheden te ontheffen" (dit in de vorm van een stille voorlopige schorsing) Deze maatregel was bedoeld om de dominee rust te verschaffen. Omdat de kerkenraad twijfelde aan de kerkrechtelijke juiste procedure werd een officiële mededeling ingehouden. Op zondag 23 juni 1968 kreeg de kerkenraad het bericht dat de dominee "vanwege medische redenen niet kon voorgaan." Dit bericht kondigde de kerkenraad aan de gemeente af. Op zaterdag 22 juni erkende br. G. den Boer uit Hoofddorp "dat de kerkenraad daadwerkelijk redenen had tot schorsing van ds. Van Minnen." Op 25 juni was er opnieuw contact met br. G. den Boer uit Hoofddorp die beloofd had het gesprek met ds. Van Minnen aan te gaan. Br. Den Boer had dit gesprek inderdaad gevoerd maar kwam nu terug om zijn eerdere mening van 22 juni en weigerde alle medewerking aan een eventuele schorsing van ds. Van Minnen. Op 27 juni 1968 ontving de kerkenraad het volgende schrijven van ds. Van Minnen: "Waarde broeders, Hierbij deel ik u mede, dat ik na ernstig overleg besloten heb op uw verzoek in te gaan en verder over alles wat gepasseerd is te zwijgen. Biddend, dat God ons de krachten geve om weer in vrede met elkander te kunnen verkeren en de gemeente te dienen, teken ik met br. groeten. Ds. J.G. van Minnen." 

Op zondag 30 juni 1968 las de gemeente Delft een preek en ging ds. Van Minnen in Hoofddorp voor. Op 1 juli 1968 verscheen ds. Van Minnen onverwachts op de kerkenraadsvergadering in Delft, nam direct het woord, haalde een papiertje uit zijn zak,  en merkte op: "zoals de broeders weten..." De broeders wisten echter van de  betreffende zaak die naar voren gebracht werd niets af...Het incident illustreerde een ''oplopend eigenwijs en ontactisch optreden'' van ds. Van Minnen dat zich nauwelijks nog liet corrigeren. De kerkenraad vroeg nu bij monde van br. A.W. Langstraat of niet eerst het schrijven van de predikant van 27 juni 1968 behandeld moest worden met daarin de woorden "op uw verzoek" en "over alles wat gepasseerd is te zwijgen" De kerkenraad stelde unaniem de vraag: "Wat bedoelt u met dit schrijven dominee?" Opnieuw bleek dat een gesprek over al hetgeen in de afgelopen periode plaats gevonden had niet mogelijk was en de predikant vertrok in onstuimige stemming weer even snel als hij gekomen was.  De kerkenraad besloot nu de maatregel om ds. Van Minnen "te ontheffen voor drie maanden van alle ambtelijke werkzaamheden" daadwerkelijk ten uitvoer te brengen. Mocht echter blijken dat er eerder wezenlijke verbeteringen zouden optreden in de situatie dan zou de maatregel per direct opgeheven worden. Hiervan werd in een brief gedateerd op 2 juli 1968 officieel mededeling gedaan aan ds. Van Minnen en de kerkenraad van Hoofddorp. 

Aan de gemeente werd op 7 juli 1968 mededeling gedaan van de schorsing van ds. Van Minnen "nadat geen poging onbeproefd was gelaten om de dominee weer tot andere gedachten en daden te brengen." De volgende dag belegde de kerkenraad een vergadering waarbij alle belijdende leden, zowel broeders als zusters, welkom waren. De kerkenraad gaf toen volledige openheid van zaken waarbij de gemeente in een diepe verslagenheid terecht kwam. 

Op 9 juli 1968 werd een schrijven van ouderling G. den Boer ontvangen waarin werd meegedeeld, dat de kerkenraad van Hoofddorp de kerkrechterlijkheid en de wettigheid van de schorsing van ds. Van Minnen ontkennen wil. 

Schrijven van ds. Salomons

Ook ds. Salomons twijfelde aanvankelijk of de kerkenraad van Delft het wel bij het rechte eind had om ds. Van Minnen te schorsen. Na een bezoek van twee kerkenraadsleden uit Hoofddorp in het gezelschap van ds. Van Minnen schreef ds. Salomons op 18 juli 1968 aan Delft"Zijn uw gronden wel Bijbels en naar onze D.K.O?" "Zijn de zo bedachtzame broeders van Delft hier ook bedachtzaam?" "Schorsing van een dienaar des Woords mag alleen als zo'n V.D.M. grove, openbare zonden doet, waardoor hij ook bij degenen die buiten zijn totaal zijn achting moest verspelen. Met de beste wil van mijn hart en verstand kan ik in de gebreken van ds. Van Minnen zo iets niet vinden, op zijn hoogst onvoorzichtigheid in de kring der gemeente, een wellicht niet bedaard, tactisch optreden, maar durft de kerkenraad van Delft zijn leraar dat als schorsingswaardige zonden aan te rekenen? Kom beste broeders dat kunt u niet menen, daar ken ik u te goed voor?" 

Dat ds. Van Minnen bij zijn aantreden een verzoek vanuit de kerkenraad t.a.v. enkele 'onwelwillenden' op catechisatie niet nagekomen was achtte ds. Salomons "heel verstandig." "Denk aan het verleden van ds. Van Minnen die eens een zeer gewaardeerd schoolonderwijzer was, menige bestudeerde dominee kan daar soms niet tegenaan. (..) Ds. van Minnen is begonnen met onderwijs geven, zonder te spreken over wat voor zijn tijd geschied is, dus wat voorbij is. M.i. heel verstandig van uw voorganger, want wil men de jeugd wegstoten, verwijderen van de catechisatie althans kopschuw maken voor het godsdienstonderwijs, dan moet men oude koeien uit de sloot halen, flinke reprimandes geven. enz. En dat is niet de taak van een catecheet. Maar ds. van Minnen had toch beloofd aan het verlangen van de kerkenraad te voldoen? Helaas ja, al kon hij er later bij de leerlingen niet toe komen. Hier schuilt dus een fout bij ds. Van Minnen. Misschien, heel misschien had ik op uw verzoek dat wel gedaan, maar zeker had ik de bittere pillen in suiker gewikkeld, zodat het bittere niet zo gevoeld werd, maar later bij ernstig nadenken er toch wel enige schaamte bij de lieve? jeugd ontstond. Nu is ds. Van Minnen geen pillendraaier, houdt niet van versuikerde medicijnen, maar ondergetekende is dat wel en heeft daar menig conflict door voorkomen. Ds. van Minnen is dus fout geweest? M.i. toch niet, al meent u soms van wel." 

Ds. van Minnen zou tegen gemeenteleden gezegd hebben dat één van de broeders ouderling onbekwaam was om godsdienstonderwijs te geven. "Foei ds. Van Minnen! Daarover moet de dominee door de kerkenraad met ernst vermaand worden (..) in het besef dat wie in woorden niet struikelt een volmaakt man is." "Dat hebt u zeker gedaan (..) en wat deed ds. Van Minnen? Lachte hij om uw vermaan? Ging hij toen als een briesende leeuw tekeer, die naar geen rede wilde luisteren? Nee! hij verloochende zichzelf, bekende zijn fouten, ja erkende zelfs, dat hij voor honderd procent verkeerd was."(..) "U weet, alweer net zo goed als ik, dat geen enkele kerkenraad het recht heeft een V.D.M. te schorsen zonder medeweten, en bewilliging van een naburige kerkenraad. Zo kan het althans in onze kleine kerkformatie. (..) Als het op zo'n schorsingsvergadering twee tegen twee ging, had de partij die voor schorsing is geen recht om daarmee voort te gaan want alleen de meerderheid van stemmen kan leiden tot zo'n ernstige daad van schorsing. Dan had de ene partij zich om Christus wil moeten conformeren met de partij die tegen de schorsing is. Bij staken der stemmen is het op de plaats, rust! Het spreekt vanzelf, dat dergelijke overwegingen u niet geleid hebben tot een m.i. niet kerkordelijke handeling. Maar wat dan..?? Waarde broeders voelt u niet in uw consciëntie, dat u eigenlijk in opgemelde zaak buiten de schreef is gegaan? U helder verstand moet mij toch volkomen gelijk geven. Tot zover de inhoud van de preek, nu komt de z.g. toepassing. Ik stem toe de inhoud van de preek is gelijk een dosis bittere pillen; ik heb ze ditmaal niet in suiker gewikkeld, omrede ik weet, dat de kloeke mannen van Delft niet houden van versuikerde medicijnen. Ik denk maar aan het spreekwoord: bitter in de mond maakt het hart gezond. Maar laat nu ieder kerkenraadslid voor zichzelf eens nagaan, wat dit alles, wat zich in Delft afspeelt uitwerken zal, indien er geen ware, broederlijke overeenstemming wordt bereikt. Voor ds. Van Minnen die zich in deze zaak de minste heeft betoond en voor zover ik kan oordelen niet verder in verootmoediging kan gaan en mag gaan een ontzaggelijke teleurstelling, dat hij niet meer te boven komt (..) Welaan, zoekt dan toch nog in samenspreking met de kerkenraad van Hoofddorp naar een minnelijke schikking, omdat het geschil door des Heeren goedheid mag worden weggenomen. (..) "Draagt elkanders lasten, dat zijn ook elkaars gebreken en vervult alzo de wet van Christus. Mijn lichamelijk gestel laat vooral de laatste weken niet toe, dat ik ga reizen, hetzij per trein, hetzij per auto, anders zou ik naar u toevliegen, u allen om Christus wil omarmen en dringen, ja smeken in de Naam des Heeren: Laat toch geen wortel van bitterheid onder ulieden opschieten en laat de bede van Psalm 122: 6v.v. krachtig opklimmen naar boven, in uw kerkelijk leven vervuld worden en uw ziel verruimen. Zie hier de raad en wens van een oud man, die bedroefd en verontrust is, om der bijeenkomsten wil. Met vr. gr. G. Salomons  


Nu schrijf ik dit niet van een zekere hoogte, alsof ik beter ben dan ds. Van Minnen. Want ik heb helaas een zekere tijd beleefd, dat ik ook zo onevenwichtig was, al nam die onevenwichtigheid andere vormen aan, maar dat kwam omdat ik de zonde aan de hand hield en niet wilde buigen onder God. Zo zitten er heel wat patiënten in een sanatorium; ikzelf ben daar ook geweest en ik geloof, dat het mij ten zegen is geweest.

G. Salomons


Opnieuw een schrijven van ds. Salomons

Op 24 juli 1968 schreef ds. Salomons aan de kerkenraad van Delft: "Laat mij beginnen met volmondig te erkennen dat een oud en wijs man, zoals u hem tenminste noemt, betaamt had, eerst nadere inlichting bij u in te winnen, voor aleer hij een oordeel velde. Daarin ben ik voor 100 procent fout geweest. Kunt u zich echter niet indenken, dat ik bijzonder met ds. Van Minnen te doen heb, die al zoveel ellende op kerkelijk gebied heeft meegemaakt, bij zijn vertrek in Hoofddorp en nu weer in Delft? Ziet, beste broeders, er kan dan in bijkomstige dingen wel eens verschil van inzicht zijn tussen ds. Van Minnen en mij, maar in al die jaren, dat wij elkander kennen heb ik hem nooit op enige onwaarheid betrapt. Ik acht hem veeleer een Nathaniël, in wien geen bedrog is. Het [had] mij meer bevredigd, als u dan geschreven had, waarom ds. Van Minnen eigenlijk geschorst is. Heel de gemeente van Delft weet dat nu, maar, die tot nog toe voor ds. Van Minnen meent te moeten opnemen, behoeft dat niet te weten! In opgemelde ernstige situatie is dat m.i. eenzijdig en onbroederlijk. Met hoge en grote woorden komen wij inzake gewenste verzoening geen stap verder. Zolang ik niets positiefs inzake de beschuldiging jegens ds. Van Minnen van u verneem, meen ik dat de grond waarop ik mijn advies bouw volledig in overeenstemming is met Gods Woord, namelijk dat wij vergevingsgezind moeten zijn jegens elkander, inzonderheid bij broeders onderling. Ook ds. Van Minnen heeft evenals ik tegen u gezegd, broeders ik ben voor honderd procent fout geweest. Reeds de sterke band, die u zegt aan ds. Van Minnen te hebben moeten u nopen deze schuldbekentenis van uw herder en leraar voor waar en bondig te houden. Ja, ja, dat is pas grond om op te staan, dat is naar het Woord van God: elkanders lasten te dragen. Met u verlang ik zeer naar een oplossing van het geschil te Delft, niet alleen voor ds. Van Minnen, maar ook voor de kerkenraad te Delft. Als de waarheid in liefde betracht wordt, al verschillen dan misschien de inzichten en methoden om het gewenste doel te bereiken, gebiedt de Heere daarover zijn zegen. Ik twijfel daar niet aan, aangezien ik mij verzekerd houd, dat de kerkenraad van Delft alles wil doen om de zaak in het reine te brengen. Mocht de kerkenraad van Delft het met de hoofdinhoud van dit schrijven niet eens zijn, och beste broeders, dan wil een oud man, die zelfs van deze correspondentie slapeloze nachten bekomt het overgeven aan Dien, die rechtvaardigt oordeelt, en gaarne vergeeft. Uw bedroefde en verontruste medebroeder in de bediening. 

Ds. Salomons 

Bezoek kerkenraad Delft aan ds. Salomons 

Op 27 juli 1968 bracht de voltallige kerkenraad van Delft een bezoek aan ds. Salomons in Terneuzen om hem over de gehele toedracht en alle gebeurtenissen in te lichten. Zijn reactie was die van ontsteltenis. Ds. Salomons zei de broeders van Delft toe, dat hij ds. Van Minnen zou proberen "tot verootmoediging te bewegen." 

Aan de kerkenraad van Hoofddorp werd op 6 augustus 1968 een brief geschreven waarin zij vermaand werden vanwege het feit dat zij ds. Van Minnen ondanks de schorsing toch lieten voorgaan. Deze brief werd doorgezonden naar ds. Salomons. Op 8 augustus 1968 liet ds. Salomons in een schrijven aan Delft weten dat hij het standpunt van de kerkenraad van Delft ten aanzien van de schorsing van ds. van Minnen deelde. "Dinsdag na uw bezoek heb ik ds. Van Minnen een zakelijk relaas van onze brede en rustige besprekingen gezonden, waarin ik meedeelde, dat de kerkenraad van Delft blijft op het standpunt, dat de schorsing, zelfs door één kerkenraad uitgesproken wettig is, omrede u op uw eerste verzoek aan Hoofddorp geen antwoord hebt ontvangen, voorts dat de kerkenraad van Delft acht, dat woorden, houding en optreden van ds. Van Minnen schorsingswaardig zijn. Daarom heb ik er ook op gewezen, dat als ds. Van Minnen volmondig schuld erkent voor de kerkenraad, zonder de restrictie er bij te voegen, dat ook de kerkenraad schuldig is, de schorsing meteen opgeheven kan worden. Ik heb ds. Van Minnen de dringende raad gegeven aan dit verlangen van de kerkenraad zo spoedig mogelijk te voldoen, ook om erger te voorkomen. Ik heb hem aangeraden zich met de kerkenraad van Delft persoonlijk in contact te stellen, te vergaderen niet in woningen van ouderlingen en diakenen en ook niet in eigen woning, want m.i. is het beter de emoties van de vrouwkens er buiten te houden, aangezien dit de zaken wel eens moeilijker kon maken dan beter. (..) Ik heb hem aangeraden, het gesprek te voeren in de consistorie van Hoofddorp, al of niet in bijzijn van de ouderlingen van Hoofddorp. (..) "Dat ik op die vergadering vanzelfsprekend geen voorzitter zal kunnen zijn, maar met toestemming van beide kerkenraden wel mijn mening en advies kan en wil geven. Ik heb in mijn schrijven aan ds. Van Minnen beklemtoond, dat de kerkenraad van Delft niet het onheil, maar wel het heil van ds. Van Minnen en de gemeente van Delft op het oog heeft, en er ook op gewezen dat dit heil indirect ook Hoofddorp aangaat. Op dit schrijven van ds. Van Minnen heb ik nog niets vernomen, weet dus ook niet of hij zich met u in verbinding gesteld heeft. (..) Enkele dagen nadat ik ds. Van Minnen heb geschreven heb ik ook de kerkenraad van Hoofddorp ongeveer eenzelfde schrijven doen toekomen. (..) Ik ben dan wel niet zo emotioneel aangelegd als ds. Van Minnen, maar ik wil u wel verzekeren, dat ik toch van al deze dingen zeer nerveus ben geworden. Ook heb ik ds. Van Minnen niet kwetsend geschreven, noch vanuit de hoogte, alsof ik het er beter af zou brengen, maar veeleer als een vriend en broeder, die eigen gebreken enigermate kennend (wie kent zich volkomen?) mede bedroefd ben om der bijeenkomsten wil. Naar mijn inzicht was het niet goed van de kerkenraad van Hoofddorp om ds. van Minnen het woord te laten bedienen, maar ik vat het wel: Hoofddorp acht de schorsing geheel onwettig, daarom gaat Hoofddorp zijn gang maar. Alweer jammer, jammer. (..) Ik geloof met u, dat als er vergaderd zou worden met beide kerkenraden, nu niet meer de schorsing discutabel te stellen, want dan vrees ik dat het alles mis loopt. Als Hoofddorp daarover nu zwijgt en gezamenlijk pogingen worden aangewend om in de geest van waarheid en liefde de nu nog onverkwikkelijke zaak tot een goed einde te brengen de twee kleine kerkjes tot ere van des Heeren Naam gezamenlijk kunnen blijven optrekken onder de Banier des Heeren. Heilbiddend, 

Ds. G. Salomons. 


Brief Ds. Van Minnen aan de kerkenraad van Delft 

Op 10 augustus 1968 schreef ds. Van Minnen het volgende aan de kerkenraad van Delft: 

"Eerwaarde broeders, Na kennisname van de inhoud van uw schrijven d.d. 6 augustus j.l. aan de kerkenraad van Hoofddorp, moest ik helaas de gedachte [dat het in uw bedoeling lag de schorsing op te heffen] loslaten. Indien uw bezoek om andere reden is dan om over een onvoorwaardelijke opheffing van de schorsing te spreken, verzoek ik u uw mededelingen schriftelijk te willen doen, daar elk gesprek over deze zaak mij lichamelijk en geestelijk onmogelijk is. 

Met br. groeten, 

Ds. J.G. van Minnen.

Brief kerkenraad Delft aan Ds. Van Minnen 

De kerkenraad constateerde echter dat ds. Van Minnen het gesprek met ds. Salomons, de kerkenraad van Hoofddorp en met individuele gemeenteleden in Delft niet uit de weg ging, "zolang zij ds. van Minnen in het gelijk stellen", maar wel het gesprek met de kerkenraad van Delft. Op 13 augustus 1968 schreef de kerkenraad het volgende aan ds. Van Minnen: "Wij zien er onverminderd naar uit met de gemeente, dat de Heere u de genade geve, dat u onvoorwaardelijk uw schuld belijdt en dat uw instelling tegenover de kerkenraad hierdoor weer wordt zoals de Heere eist en zoals deze naar de aard der liefde behoort te zijn."

Een laatste ingrijpend besluit

Nadat de kerkenraad geconfronteerd werd met geruchten dat ds. Van Minnen ondanks de schorsing het voorgaan in Hoofddorp voortzette werd contact opgenomen door de broeders van Delft met Hoofddorp waarbij bleek dat men inderdaad van plan was de preekbeurt van zondag 25 augustus 1967 van ds. Van Minnen te laten doorgaan. Nogmaals werd gewezen op "de ernst van de situatie" en de overwegingen tot dit ingrijpende besluit kenbaar gemaakt. Toen de kerkenraad van Hoofddorp die van Delft in haar overwegingen bleef negeren besloot het laatst genoemde college de gemeente van Hoofddorp per aangetekend schrijven op 19 augustus 1968 mee te delen: "U op dit moment af te voeren uit het verband van de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Deze uiterste maatregel sluit de mogelijkheid uiteraard niet uit, dat na inkeer, wederkeer zou kunnen volgen en daartoe geve de Heere u de genade." 

Op 30 augustus 1968 moest de kerkenraad na een tragisch proces van 8 maanden overgaan tot een andere uiterste maatregel, namelijk het afzetten van ds. van Minnen als predikant. Dit na een laatste tevergeefse poging van de kerkenraad onder drie getuigen, leden van de gemeente, om met ds. Van Minnen in gesprek te komen. In een brief d.d. 30 augustus zet de kerkenraad uiteen wat hen heeft bewogen tot deze gewichtige stap. "Naar Gods Woord en de DKO is er echter ten alle tijde nog een weg terug (zie art. 80 DKO). De kerkenraad wil en begeert niets anders dan dat u deze weg terug moogt vinden en betreden. Wat er ook gepasseerd moge zijn, willen we onder beding van genade daartoe, steeds maar uit blijven zien, naar die stap door u. Gode en Zijn genade u hartelijk aanbevelend." 

De Delftse broeders zijn na dit alles "diep verslagen", maar "ten volle overtuigd over "de ter rechtertijd genomen maatregelen." [*]

Brief kerkenraad van Delft aan Ds. Van Minnen 12 april 1969

Op 12 april 1969 schreef de kerkenraad van Delft het volgende aan ds. Van Minnen: Weleerwaarde ds. Van Minnen, De titulatuur in de aanhef van ons schrijven vertolkt de wens en de begeerte van de kerkenraad u op Gods tijd en wijze weer in het ambt te mogen herstellen. We mogen dat echter niet doen op de door u gedachte wijze, want dat is tegen het Woord des Heeren en daarom ook tegen de wens van de kerkenraad en gemeente en tenslotte ook tegen de DKO. Onverminderd blijft de poort naar de rechte weg geopend. Mocht de begeerte bij u herleven, die weg weer te gaan, dan weet u, dat u niet tevergeefs aanklopt aan de deur der gemeente waarvan u zo lange tijd herder en leraar was. In afwachting van dat bericht tekent met broederlijke groeten en heilbede. 


Noten

[*] Deze verdrietige kwestie lag complexer als de RD-redacteur Sike Bax in het Reformatorisch Dagblad van 18 februari 1984 in zijn 'Terugblik op enkele decennia Christelijke Geref. Gemeenten' schreef: "Later kwam ds. J. G. van Minnen naar Hoofddorp om daarna naar Delft te vertrekken. Daar werd hij echter afgezet waarbij het overigens niet om leer of leven ging maar waar, achteraf gezien, gewoon de karakters botsten." 

[*]  In het najaar van 1963 ontving de kerkenraad bericht dat een dochter van ds. Van Minnen als dooplid van Delft zonder medeweten van haar vader en de kerkenraad van Delft belijdenis des geloofs had afgelegd in de Christelijke Gereformeerde Kerk van Amersfoort. De kerkenraad van de Chr. Geref. Kerk van Amersfoort had dit belijdenis doen geaccepteerd zonder doopsbewijs. De kerkenraad van Delft richtte een schrijven aan de betreffende kerkenraad in Amersfoort, waarin gewezen werd op het onjuiste handelen van dit college in deze zaak. 

De kerkenraad van Delft zag zich ten einde raad genoodzaakt na een proces van 8 maanden om de predikant uit zijn ambt te ontheffen op grond van het vijfde en negende gebod. Het proces is voor zover dit beoordeeld kan worden zorgvuldig verlopen en in samenspraak met ds. G. Salomons. Voor zover papier kan spreken is er tussen de regels door ook liefde en respect te bespeuren vanuit de kerkenraad richting de (oud) herder en leraar. Toelichting op het besluit kerkenraad zie brief aan ds. Van Minnen d.d. 30 augustus 1968

Artikel 79 en artikel 80 van de kerkorde spreken over "grove zonden" die met schorsing behoren gestraft te worden. In deze lijst van grove zonden komt echter de zonde tegen het vijfde en negende gebod in al haar uitweidingen niet expliciet voor. Prof. J. Hovius wijst er in De Wekker van 8 januari 1971 op, dat in de artikelen van het Convent van Wezel (1568), "welke artikelen wij in zekere zin kunnen zien als een ontwerpkerkorde, een lijst voorkomt van zonden, die wel geduld worden, maar toch onderhevig zijn aan bestraffing en censuur." Hierbij wordt ook genoemd de zonden van de tong. Zo wordt gezegd "dat zij die zich aan die zonden schuldig maken een broederlijke vermaning en zachte kastijding moeten ontvangen. Indien hij deze, nadat ze twee of driemaal herhaald is, veracht zal hebben, zo zal de zaak voor de vergadering der classen of de vierschaar der synode gebracht worden en daar zal besloten worden wat tot voordeel en nut der kerk zal wezen" omdat "de ambtsdragers, inzonderheid de dienaren des Woords, in alles een voorbeeld moeten zijn." 

Brief Delft aan ds. Van Ravenswaay

Omdat de kerkenraad van Arnhem op voorhand nog geen voornemen had, om zich bij een ander kerkverband aan te sluiten schreef de scriba van Delft op 17 mei 1969 een kort briefje naar ds. Van Ravenswaay: "Wij hebben kennis genomen van het feit en de gronden waarop u gebroken hebt met de Chr. Geref. Kerken en het besluit van uw kerkenraad uw bestaan als autonome gemeente voort te zetten onder de naam van Chr. Geref. Gemeente. Waar we als gemeente, naar eis van het Woord des Heeren, eenheid wensen te zoeken, waar dit op grond van Schrift en belijdenis mogelijk is, zouden we gaarne nader met u in contact komen om gezamenlijk te onderzoeken of er een mogelijkheid is tot samenbundeling onder gemeenten."

Spoedig bleek echter dat ds. van Ravenswaay inmiddels al contact had met het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten. Op donderdag 23 mei 1969 werd een spoedvergadering belegd door de classis Barneveld. Op deze vergadering werden predikant en gemeente tot dit kerkverband toegelaten. 

Arnhem met ds. Van Ravenswaay naar Geref. Gem.

"Door ds. van Ravenswaay en de kerkenraad, van de Chr. Geref. Gemeente te Arnhem is een verzoek gedaan aan de classis Barneveld tot opname in de Geref. Gemeenten. De classis Barneveld kwam in verband met dit verzoek bijeen in een spoedvergadering op donderdag 23 mei, terwijl als adviseurs waren uitgenodigd de voorzitter van het curatorium en de docenten van de Theologische School, ook deputaten art 49 van de P.S. Oost waren aanwezig. Door ds. van Ravenswaay werd namens zijn kerkenraad het verzoek om aansluiting bij de Geref. Gemeenten nader toegelicht. Nadat ds. van Ravenswaay persoonlijk een kort verslag gegeven had van genadestaat en roeping tot het predikambt, en na het advies van deputaten en adviseurs gehoord te hebben, besloot de classis aan het verzoek te voldoen. Daar bij de losmaking van de Chr. Geref. Gemeente te Arnhem van de Chr. Ger. Kerken een gedeelte van de gemeente niet meegegaan was, bepaalde de classis Barneveld dat een broederlijke verdeling moet plaats vinden van de kerkelijke goederen. Tevens dat naar een eenwording gezocht moet worden van de reeds bestaande Geref. Gemeente te Arnhem en de overgekomen Chr. Ger. Gemeente. Door de classis werd daartoe een commissie benoemd met een tweetal adviseurs buiten de classis om bovengenoemde zaken met de beide kerkenraden te Arnhem te regelen."[*] 

De Gereformeerde Gemeente en de Gereformeerde Gemeenten in Nederland mochten zich in de jaren zeventig verheugen in sterke groei. De aanwas was voor een deel te verklaren door overgangen vanuit de Christelijke Gereformeerde Kerken. Hoewel het een feit is dat het tot een scheuring binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken op grote schaal nooit gekomen is, moet men er wel mee rekenen  dat de kerken geleidelijk door de loop der jaren een groot deel van haar leden verloren hebben aan kerkverbanden ter rechterzijde, waaronder de (Oud) Gereformeerde Gemeenten (in Nederland): een z.g. 'stille scheuring' heeft dus wel degelijk plaats gevonden. De beweging rond ds. R. Kok en Overduin (vanouds behorend tot de groep Bewaar het Pand) die een omgekeerde beweging maakten vormde hierop een uitzondering.
De Gereformeerde Gemeente en de Gereformeerde Gemeenten in Nederland mochten zich in de jaren zeventig verheugen in sterke groei. De aanwas was voor een deel te verklaren door overgangen vanuit de Christelijke Gereformeerde Kerken. Hoewel het een feit is dat het tot een scheuring binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken op grote schaal nooit gekomen is, moet men er wel mee rekenen dat de kerken geleidelijk door de loop der jaren een groot deel van haar leden verloren hebben aan kerkverbanden ter rechterzijde, waaronder de (Oud) Gereformeerde Gemeenten (in Nederland): een z.g. 'stille scheuring' heeft dus wel degelijk plaats gevonden. De beweging rond ds. R. Kok en Overduin (vanouds behorend tot de groep Bewaar het Pand) die een omgekeerde beweging maakten vormde hierop een uitzondering.

Noten

[*] Brief kerkenraad Delft aan ds. J.C. van Ravenswaay, 17 mei 1969

[*] De Saambinder, 29 mei 1969


Terneuzen, 15 december 1969


Waarde broeder, 

Even aandacht voor het volgende. Toen we goed en wel thuis waren gevoelde ik mij niet goed worden en moest enkele dagen naar bed. Ik denk dat ik op onze tocht door België toch kou gevat heb; ik was trouwens ijskoud geworden in de auto. Nog is het in mijn buik niet in orde, maar ik hoop toch D.V. met de kerstdagen in Delft te kunnen zijn. Maar een autotocht over België zullen we zolang het winter is maar absoluut uitstellen. Ik ben hier bij een taxibedrijf geweest. Men kan ons per taxi naar het station Kruiningen brengen, kosten ongeveer 40 gulden, plus boot-kosten en bij die al dien de taxi terug van Station Kruiningen naar veerhaven Kruiningen de boot niet haalt nog wat meer voor het wachten (...) Terwijl ik dit schrijf komt er helaas enige verbittering in mijn hart op tegen ds. Van Minnen en vraag ik: waarom wil die stijfkop nu niet buigen? Dat zou voor Delft een uitkomst zijn, voor hemzelf een winst en voor het laatste restje van mijn leven wat makkelijker maken. Niet dat ik niet gaarne preek in Delft, maar ik gevoel dat ik op mijn laatste sloffen loop. (...) Ik heb van Den Boer geen enkele reactie ontvangen op mijn brief, waarin ik hem vriendelijk en dringend aanraad zich met Delft in verbinding te stellen. Wel heb ik zijn mededelingenblad ontvangen, daarin staat vermeld dat de dankdagcollecte aldaar 625 gld. heeft opgebracht, en ook andere collecten zijn niet slecht. Door zijn vriendelijk optreden wint hij veel. Ook staat in dat mededelingenblad: zondag 7 december 10 en 4 uur ds. K. v.d. Belt van Twijzel. Donderdag 11 december de heer J. Breman, donderdag 18 december de heer A. Kot van Tholen, vrijdag de heer v.d. Kraats van Koudekerk aan de Rijn 10 uur, enz. Ook mevrouw [weduwe F.] Bakker had dit in opgemelde mededelingen blad gelezen en vond dit niet zo vreemd van de heer den Boer, want volgens haar was hij kerkelijk bepaald geen beginselvast man. Maar hoe is het nu met die dominee uit het hoge Noorden, of wordt hij kerkelijk zo'n soort scharrelaar zonder tenslotte naar de goede orde ook inzake het huis Gods een vaste keuze te doen en een bepaald standpunt in te nemen? Zie ik ben zelf ook niet zo'n hoog-kerkelijk mens; ik geloof zelfs dat de Heere wonen en werken wil in kerken en kringen, waar ik mij niet thuis zou voelen; een verschil met mijn beste broeder Deijs, die wel van dat werken Gods, maar niet van dat wonen Gods in verschillende kerken weten wil? Ik denk altijd maar weer aan mijn preek als student in Amersfoort, verschillende kerken en groepen van uitgesproken rechtzinnige belijdenis hebben als eilandjes in de oceaan gezamenlijk een zelfde bodem, diep, heel diep in de zee van Gods ontferming. Maar om nu als de heer den Boer en als ds. Van den Belt te doen en overal te gaan grasduinen, ja zelfs een dominee uit een andere kerk een kind uit eigen kerk te laten dopen, dat is m.i. streng af te keuren. (..) 

G. Salomons


Zwijndrecht en ds. E. Venema naar Gereformeerde Gemeenten

Op 11 mei 1970 ging de classis Dordrecht van de Gereformeerde Gemeenten akkoord met de opname van de Christelijke Gereformeerde Kerk in Hersteld Verband. Bij de overkomst telde de gemeente 368 leden en 451 doopleden. Op 13 november 1970 werd ook een reformatorische school in het leven geroepen, genoemd naar Abraham Hellenbroek die van 1691 tot 1694 in Zwijndrecht gestaan heeft.[*] 

Verzoek ds. Van Minnen om hereniging 

Op advies van ds. Salomons schreef ds. Van Minnen op 7 september 1970 aan de kerkenraad van Delft een brief, waarin hij de wens uitte om in de gunst van de Heere tot eenheid te komen.  

Initiatief CGK Alphen aan den Rijn

In december 1970 sprak ouderling Van der Lee (Chr. Geref. Kerk Alphen aan den Rijn)[*] zijn verontrusting uit over de ontwikkelingen binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken. De kerkenraad nam die verontrusting over en trad in contact met andere kerkenraden. Tevens werd een instructie gezonden naar de voorjaarsclassis van 1971.

Overlijden ds. Van Minnen

Intussen bleef ds. Salomons in contact met de kerkenraad van Delft met betrekking op de gebeurtenissen rondom ds. Van Minnen. Voortdurend was er de hoop dat hereniging zou plaats vinden. "Alhoewel ik geen huilebalk ben en tranen liever inslik dan dat ik ze zien laat, toch mogen we ons broederlijk gevoel niet wegduwen in deze zaak, die zo hoogst ernstig is."[*] "Ik wens van harte, dat psalm 122: 3 (berijmd) waar ook ter wereld de kerk van Christus zich openbaart beleefd mag worden, en dat we in waarheid en liefde elkaar vinden mogen.[*] 

De hereniging is helaas nooit een feit geworden. Toen de kerkenraad op 24 februari 1971 bijeen kwam lag het bericht op tafel van het overlijden van ds. Van Minnen op 6 januari 1971. Op verzoek van de familie leidde ds. M.W. Nieuwenhuijze predikant van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Delft de begrafenis. Op het graf sprak ds. E. Venema van Zwijndrecht namens de Gereformeerde Bijbelstichting.[*] 

Dr. M.J. Arntzen? Een waarschuwing van ds. Salomons

In maart 1971 had ds. Salomons een hartig woordje te wisselen met de kerkenraad van Delft. Dit nadat hij op zondagavond vernomen had, dat de scriba van Delft, br. A. Deijs, een oriënteerde brief had geschreven aan dr. M.J. Arntzen. Dr. Arntzen had zijn ambt neergelegd in de Gereformeerde Kerken in Nederland omdat naar zijn mening in dit kerkverband "de meest centrale waarheden van het gereformeerde belijden werden aangetast".[*] 

M.J. Arntzen
M.J. Arntzen

[Dr. H. Bavinck] was een geleerde met ruime opvattingen, maar als het erop aan kwam, kon hij ook zeer beslist spreken. Bavinck geeft onomwonden toe, dat er moeilijkheden zijn en blijven, wanneer wij de Bijbel geheel als Gods Woord aanvaarden. Maar dan wijst hij op de nietigheid van de mens en haalt met instemming Pascals woord aan: Verneder u, onmachtige rede, zwijg, domme natuur (nature imbécile), luister naar God." 

M.J. Arntzen in: De crisis in de Geref. Kerken


Ds. Salomons besloot het aan te horen en te wachten tot hij weer in Terneuzen was. Toen schreef hij een brief naar Delft met daarin een waarschuwende toon: "Als u dit schrijven vluchtig doorleest zal de verbazing bij u stijgen, maar als u herleest en misschien nog eens herleest, zal misschien de verbazing plaatst maken van begrijpen. Toen ik zondagavond br. Deijs zijn epistel gericht aan de heer Arntzen voorlas (hij is iemand die zijn ambt heeft neergelegd) groeide eigenlijk mijn ergernis. Niet dat de inhoud van dit schrijven niet keurig was opgesteld, maar de goedkeuring van de kerkenraad omtrent het zenden van dat epistel heeft mij de hele dag bezig gehouden; ik heb er met de broeders des zondag avonds met geen woord over gerept, dat betaamt niet in het bijzijn van de andere gemeenteleden; dat is revolutie. Toen de broeders mij terug brachten, was de zaak binnen ook niet rijp, dus maar weer zwijgen. Nu heb ik alles wat ik van bovengenoemde heer heb gelezen (over hem en van hem) nog eens rustig overdacht. Een gereformeerde bonder prijst hem, maar prijzen of laken van dien kant sla ik niet hoog aan. Voorgangers van de Gereformeerde kerken noemen hem een bruut, een onbekookte vechtjas. Dat begrijp ik, want hij trapt ze m.i. flink op hun lange tenen. Maar broeders kerkenraad, nergens heb ik gelezen dat mijnheer Arntzen ook bewaar heeft tegen de doorsnee Gereformeerde prediking die van alle echte bevinding gespeend is. Hij zegt wel ergens dat de mens wederom geboren moet worden, dat zeggen ook alle christelijke gereformeerde dominees, maar terwijl ze de veronderstelde wedergeboorte verwerpen, aanvaarden ze wel de veronderstelde bekering. Een soort verbondsmethodisme die funest is." (..) "Ja, gelukkig voorgenoemde heer is wars van elke zelfs bedekte vorm van Schriftkritiek, van wereldgelijkvormigheid en wat dies meer zij. Maar hebt u ooit gehoord, dat zoals bij wijlen ds. De Cock (1834) de toegepaste theologie en christologie werd gesteld?" [*] Waar lees je iets bij hem over de Schriftuurlijke bevinding der heiligen? Nergens en nergens! Moet men met zo iemand kerkelijk contact zoeken? Was dan maar in de Christelijke Gereformeerde Kerken gebleven! Dat kon en mocht en wilde Delft c.s. niet, (..)" "Ik weet wel, dat de nu ook zalige Van Minnen er soms als de kippen bij was om contact te zoeken met uitgetredenen uit andere kerken. Wat heb ik hem dikwerf mondeling, telefonisch en schriftelijk gewaarschuwd om toch niet zo haastig te handelen. De zaak bij deze en gene eens te laten overwinteren, maar mijn wapenbroeder meende dat Salomons te wantrouwend jegens anderen was." (..) "En zijn die tot nog toe al die haastige pogingen door de Heere verijdeld en nu nog niet geleerd? Ik schrijf dit niet uit een zekere hoogheid, alsof ik de wijsheid in pacht heb, maar ik die altijd weer moet leren, dat ik van gisteren ben en niets weet mag u toch wel ernstig waarschuwen, dien telkens ingeslagen weg eens radicaal te verlaten." (..)[*]

Antwoord br. A. Deijs 6 maart 1971

Op 6 maart 1971 schreef br. Deijs een brief terug aan ds. Salomons waarin hij aangaf dat ds. Salomons zijn conclusie van een "kerkelijke toenadering tot dr. Arntzen" door Delft te vroeg getrokken had. "Overigens hebben wij inmiddels van dr. Arntzen een weinigzeggend kort briefje terug ontvangen." (..) "Dominee, het kerkelijk leven van vandaag is ontmoedigend, meer dan ooit, maar... hoe is het te begrijpen, dat u en wij in de hoek terecht zouden komen van ongeloof, opstandigheid" (..) "Dan weet ds, Salomons heus wel wat er heden ten dage te koop is in de kerkelijke wereld. Dan onderwijst hij de jeugd nog met vrucht en sticht hij de gemeente van groot tot klein waarachtig nog wel. Laat u door de duivel toch geen minderwaardigheidscomplex aanpraten, dominee. Als de Heere een gevallen Petrus kon en wilde gebruiken om de N.T. kerk mede te grondvesten, dat kan hij zeker ds. Salomons met alle buik- en ouderdomsklachten en kwalen nog gebruiken om schouder aan schouder met de broeders kerkenraad het goede voor de gemeente te zoeken en het kerkelijk erf af te speuren of er nog Elia's zijn, die taken zouden kunnen en mogen overnemen om de muren van Jeruzalem te bouwen. Niets liever wensen we dan dat u daarin meedenkt en adviseert, zeker wanneer u straks, zo de Heere wil, in ons midden bent. Overdenkt u alles wat u bezighoudt nog eens in dat licht en geve de Heere u zo weer levensmoed en gebed om gezant te mogen zijn, zolang God het geeft." 

Noten

[*] C.R. van den Berg, Eben-Haezer, d' Oude dagen overdacht, enkele kerkhistorische notities over de Christelijke Gereformeerde Kerk (1918-1965) de Christelijke Gereformeerde Kerk in Hersteld Verband (1965-1970), de Gereformeerde Gemeente (1970-2018) (Uitgave 2018) 

[*] Johannes van der Lee werd op jonge leeftijd geraakt door een preek van ds. P.J.M. de Bruin in Rijnsaterwoude. Deze preekte toen over de woorden uit Ezechiël 20:37: En ik zal u onder de roede doen doorgaan en Ik zal u brengen onder de band des verbonds. Sinds 1923 diende hij aanvankelijk als diaken en daarna vele jaren als ouderling in Alphen aan den Rijn. Hij werd later ook bekend als de administrateur van het blad 'Bewaar het Pand.' Op 19 november 1990 overleed hij in de leeftijd van 90 jaar. 

[*] Brief ds. G. Salomons aan de kerkenraad van Delft, 23 september 1970

[*] Brief G. ds. Salomons aan de kerkenraad van Delft, 4 januari 1971. 

[*] Diverse publicaties spreken over een vermeende poging van ds. Van Minnen om terug te keren naar de Christelijke Gereformeerde Kerk. Tot op heden wordt dit gegeven door geen enkele schriftelijke primaire bron ondersteund. Over deze kwestie meer in laatste deel biografische schets Jacob Gerardus Van Minnen (1900-1971)  

[*] In 1965 verscheen de brochure van dr. M.J. Arntzen 'De crisis in de Gereformeerde Kerken'. Deze brochure ging in op het gezag van de Heilige Schrift, het gezag van de belijdenisgeschriften, de uitverkiezing en de tweeërlei bestemming van de mens. 

[*] Brief ds. G. Salomons aan de kerkenraad van Delft maart 1971

Terneuzen, 4 maart 1971


Waarde brs,

Volgens afspraak hoop ik D.V. 21 maart te Delft wederom een paar preekjes uit te spreken; aangezien we in de lijdensweken zijn en het gevaar kan bestaan, dat er tweemaal over een dezelfde stof zou gelezen en gepreekt worden, haast ik mij u mee te delen dat ik des morgens denk te preken over: 'het kruis van Christus en Simon van Cyrene.' Volgens afspraak hoop ik dan des zondagsavonds een z.g. 'bidstond voor gewas en arbeid' te leiden. Wat kan een mens gemakkelijk in zijn eigen zwaard vallen. Destijds had ik te Hoofddorp nog al wat aanmerkingen op de steeds toenemende gewoonte om de biddag te verkorten tot een biduur. En dat men het zelfs durfde te bestaan, dat biduur maar naar de zondag te verplaatsen, dat vond ik wel zulk een veroordeling van de gewoonten onzer godvruchtige vaderen, dat het de spuigaten uitliep. Nu gaan we dat ook doen en ik stem zelfs met het voorstel van uw kerkenraad volkomen in. Wat zullen die Hoofddorpers, als ze dat vernemen het hoofd schudden en zeggen: wat is die Salomons toch de oppervlakkige kant opgegaan; had je dat ooit van hem gedacht? Maar ze weten ook niet, dat de lichamelijk omstandigheden van mij daartoe noodzaken nietwaar? Trouwens, wie ons oordeelt is de Heere, afgelopen.(..)

G. Salomons

Terneuzen, 12 april 1971 


Waarde br. Deijs 

Even een klein berichtje! Volgens mijn waarneming gaat het nog niet zo best met mij; de dokter zegt, dat ik wel wat vooruit ga, maar als goed gaat het nog wel weken zal duren eer dat het met mijn hart in orde is. Soms heb ik hevige hartkrampen en ik ben de hele dag uiterst vermoeid. Lezen en luisteren naar de radio geeft direct een vreemd gevoel in mijn borst. Broer Lodewijk en de gezusters Langstraat en Hofman hebben mij zeer meelevende brieven geschreven; hoe gaarne zou ik ze eens terug schrijven, helaas het kan nog niet. 

Het zielenleven gaat op en neer, maar ik heb toch zielsverkwikkende werkzaamheden gehad met het lijden en sterven van den Heere Jezus, bedroefd, dat ik Hem met mijn goddeloos bestaan al die lijdenspijn heb aangedaan, maar dat Hij dat voor mij heeft willen dragen als voldoenende en verzoenende Borg is mij tot een wonderlijke stille verheuging geweest. 

Hoe gaarne zou ik nog willen preken in Delft, maar ik wens dit alles neer te leggen in des Heeren hand. De Heere is groot en goed voor een slecht en nietig mens; dat is het onbegrijpelijke en het zalige te midden van moeite en verdriet. 

Ontvang met de broeders kerkenraad de hartelijke groeten, groet uw vrouw, ja heel de gemeente van mij en weest allen Gode bevolen. 

Ik eindig, maar met de wens: gedenk mij en mijn vrouw in de gebeden voor Zijn troon. 

Ds. G. Salomons en echtgenote.

Terneuzen, 21 april 1971 


Waarde br. Deijs,

Slechts een enkel lettertje. Hartelijk dank voor de goede wensen, die u namens de kerkenraad aan ons gezonden hebt en ook voor de prachtige bak met mooie bloemen. Van verschillende Delftenaren heb ik per ansicht hartelijke gelukwensen ontvangen en van Jan Langstraat een innemende brief. Jammer dat zijn vrouw weer in het ziekenhuis moest worden opgenomen; wat zou ik ze graag een briefje schrijven, maar helaas, de krachten ontbreken mij. 

Wat ben ik verleden week diep bedroefd geweest, ziende op de doornen, die ik door mij verdorven bestaan in de kroon van Christus gestoken heb, maar wat werd ik toch weer zeer vertroost, toen ik geloven mocht, dat Hij die doornenkroon wilde dragen om mij in de liefde en gemeenschap Gods te doen delen. Weg is dat nog niet, maar het wordt wel wat overschaduwd door mijn lichamelijk gestel. 

Nu is daarbij gekomen een soort oogontsteking, ik die de hele dag kleine zwarte vlekjes, die net als kleine vogeltjes razend snel voor mijn oog zweven, kan het daglicht niet verdragen en zal op advies van een oud doktersboek maar een stuk bruin of groen papier voor mijn ogen binden. Wat het is weet ik niet, maar onze dokter is net met vakantie gegaan, dat ik hem niet kan raadplegen. 

U zult kunnen begrijpen dat ik thans de moed niet heb om zelfs aan verhuizen te denken. Opgemelde zaak is ook voor mijn ziel erg duister en m.i. is het zoals Rutherford zegt niet geraden in het duister een stap te doen. Maar hoe het zij, komen of niet komen, de Heere is goed en groot en dat voor een nietig en slecht mens. Hoe is het mogelijk!!!??? Ik eindig maar spoedig, want alles vermoeit mij. De Heere zij met u allen, inzonderheid ook met uw vrouw, voor wie de Heere gaarne wil zijn een Helper en Doorhelper.  O zeg ze maar, dat God toch zo oneindig goed is, voor elk die hem aanroept in de nood. 

Ook beterschap toegewenst aan Arie Langstraat en aan de vrouw van Jan. Als je hem spreekt bedank hem dan namens ons voor zijn hartelijk briefje. 

Allen de Heere bevolen, 

Van ds. G. Salomons

en echtgenote 

Ambtsdragersvergadering CGK

In mei 1971 werd een ambtdragers vergadering belegd om over het onbehagen dat in de kerken leeft te spreken. Daaruit bleek dat het thema breed in de kerken leefde. De kerkenraad van Alphen aan den Rijn achtte het nodig om met gelijkgezinde kerkenraden verder overleg te voeren. 

Voormalig kerkgebouw Alphen aan  den Rijn
Voormalig kerkgebouw Alphen aan den Rijn

Terneuzen, 11 mei 1971 


Aan de kerkenraad der Chr. Geref. Gemeente in Nederland, te Delft

Eerwaarde broeders, 

Eindelijk een paar woordjes uit Terneuzen. Het is voor mij pijnlijk u te moeten berichten, dat u voor ons de pastorie maar niet open moet houden. Ik twijfel niet of dit bericht is voor u en de gemeente teleurstellend. Alhoewel die hartontsteking zich wat minder aandient, blijf ik toch maar grenzeloos vermoeid, heb reeds des morgens dikke voeten en benen, kan maar heel kort staan; ik moet vanwege de diabetes telkens wat lopen, maar vanwege de verkalking is dat een ware kwelling. Met mijn ogen wil het niet erg, maar ik heb ook weer heel veel suiker in de urine, ondanks het streng dieet en het geregeld slikken van de pillen. Volgens de dokter is elke inspanning funest en volgens hem is een verhuizing naar Delft enz..zeker funest. Toch wil ik mij gaarne houden aan onze eerste afspraak toen de kerkenraad op een zekere zaterdagmiddag mij meedeelde wijlen ds. Van Minnen had moet afzetten en ik beloofde dat ik in noodgevallen zou helpen, bijv. met de sacramentsbediening, al is er op het ogenblik nog geen kijken op.  De lamp der hope brandt op het ogenblik niet erg helder, en ik ben zeer bezorgd over de toekomst van de kleine gemeente te Delft. Of dat nu ongeloof is of niet, werkelijk broeders, ik weet het niet meer. Ik begin zo langzamerhand te verstaan, dat ik weet, dat ik niets weet. Moge de Heere ons allen doen uitzien naar Zijn heil en voor ons zelf en voor de gemeente te Delft. En nu begin ik ook het kerkelijk terrein af te zoeken naar een mogelijk opvolger van wijlen ds. Van Minnen; ik denk dan aan ds. Zwijnenburg uit Gouderak;[*] in de Banier staat hij telkens onder de rubriek 'overige samenkomsten'. Of hij bij één of andere kerkgemeenschap is aangesloten weet ik niet; ik ken hem niet, maar heb wel eens gehoord, dat hij eerst christelijk gereformeerd is geweest, later godsdienstonderwijzer in de Hervormde Kerk is geweest en nu apart staat. Men zegt, dat hij een klein lichamelijk gebrek heeft, maar erg goed kan preken. Voor Den Boer in Hoofddorp is hij nooit opgetreden. Zou dat wat voor Delft kunnen zijn? En nu doe ik eigenlijk hetzelfde, wat ik overijling u eens verweet, dat de kerkenraad niet zo overal moest heen blikken, om maar een ds. te krijgen. Doe ik daar goed aan? Ook dat weet ik niet meer, maar de bange vrees omtrent het voortbestaan van onze enig overgebleven gemeente nl. van Delft drijft mij daarheen. 

Als een vermoeide typist eindig ik maar met de br. gr. aan allen, die Jeruzalem beminnen als het hoogst hunner blijdschap. 

Uwe dienstw. ds. G. Salomons en echtgenote


Noten

[*] Hendrik Johannes Cornelis Hermanus Zwijnenburg, geboren op 4 juli 1910 in Utrecht, behoorde oorspronkelijk tot de Christelijke Gereformeerde Kerk en had destijds goede contacten met ds. A.M. Berkhoff predikant in Amsterdam-West. Hij werkte als ambtenaar voor sociale zaken bij de gemeente Utrecht. In 1927 meldde Zwijnenburg zich bij het curatorium maar werd afgewezen. Na deze afwijzing verkeerde hij voor een korte periode in de kring van de Federatie van Oud Gereformeerde Gemeenten rondom ds. C. de Jonge. In 1933 hield hij zonder kerkelijk mandaat in zijn woonplaats Utrecht een preek naar aanleiding van Zacharia 12: 10a "Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten de Geest der genade en der gebeden." Op 27 september 1944 werd hij na een studie tot godsdienstonderwijzer toegelaten door het classicaal bestuur van Utrecht en kreeg preekbevoegdheid binnen de Nederlandse Hervormde Kerk. In 1954 kreeg hij een vaste standplaats in Hilversum. In 1962 verkeerde Zwijnenburg  weer in afgescheiden kringen en werd lerend ouderling bij de Christelijke Gereformeerde Gemeente van Gouderak. In 1963 werd hij hier door ds. H. Visser Mzn. als predikant bevestigd. In 1977 kreeg Zwijnenbrug bekendheid als voorzitter van de Landelijke stichting tot handhaving van de Staatkundig Gereformeerde beginselen. Deze stichting, die tot heden het blad In het Spoor uitgeeft, had bezwaren tegen de koers van de SGP en inhoudelijke stukken in het blad De Banier na het wegvallen van ds. Kersten, ds. Zandt en Ir. van Dis. Het beleid dat gevoerd moest worden was: wat eist Gods gebod, met verwerping van het veelvuldig gehanteerde uitgangspunt: Wat is haalbaar?" In april 1977 schreef ds. Zwijnenburg in het blad In het Spoor het volgende: "Mijn Geest zal niet altoos twisten met de mens. Wij vrezen, dat wij in deze tijd leven. De verharding is ontstellend groot. De verblinding gaat door. Onze overheid, die wij om Gods wil behoren te eerbiedigen gaat ons volk voor in de aanmoediging van allerlei goddeloosheid. De handen van de regering druipen van het bloed van ongeboren kinderen. De zedeloosheid wordt op een schrikbarende wijze bevorderd. Bloedschuld raakt aan bloedschuld. De Heere heeft een twist met de inwoners des lands. Is het niet nodig er van te getuigen? Is het niet nodig, dat in 's lands vergaderzalen dat aloude getuigenis wordt gehoord en beklemtoond? (..) En nu tenslotte. Omdat er geen trouw, noch weldadigheid, noch kennis Gods in het land is. Er was in Hosea's dagen ontrouw aan de instellingen des Heeren. De tempeldienst was in verval. Zo is er ook in onze tijd een angstwekkende ontrouw aan de beginselen onzer vaderen. Men zoekt die beginselen in te passen in het raam van onze tijd. Mocht er nog eens komen een terugkeer tot de oude paden, om te vragen, waar toch de goede weg zij. (..) De kennis Gods gaat in ons vaderland ontbreken. Niet alleen de bevindelijke, maar zelfs ook de historische kennis. Er groeit een geslacht op zonder God. Och, dat de Heere in het midden der oordelen ons nog mocht gedenken." 

Terneuzen, 19 mei 1971 


Aan de kerkenraad der Chr. Ger. Gemeente in Nederland te Delft, 

Eerwaarde broeders, 

Even kort een briefje, maar niet met opwekkende inhoud. j.l. zondag gevoelde ik mij, ondanks de waarschuwingen van mevr. Bakker [weduwe ds. F. Bakker was verpleegster] zo goed, dat ik des middags een paar stofjes nakeek voor de a.s. pinksterdagen. Helaas des avonds was het al mis. Maandagmorgen betrekkelijk vroeg was de dokter (opgebeld door mevr. Bakker) weer bij ons. Hij constateerde met teleurstelling in zijn stem, dat ik er ook een ader-onsteking in beide benen bij heb gekregen. Toch vroeg ik hem of ik dan zeg maar een morgenbeurt in Delft zou kunnen voorgaan; korte dienst, meteen het kind van br. en zst. Deijs dopen. De dokter adviseerde mij zeer nadrukkelijk, dat dit gezien mij gestel onmogelijk kon. Trouwens ik heb nu zo'n aanhoudende pijn in mijn onderbenen, sommige aderen, volgens mevr. Bakker staan op  open staan, dat zelfs vijf minuten staan hevige pijnen veroorzaakt. Wat is het toch jammer en ik had al weer moed, dat het zou kunnen. Ik had het al prachtig uitgedacht, maar helaas!! Toch zegt mevr. Bakker, als het met die benen weer in orde komt en u hebt wat minder suiker, dan zult u, naar ook zij hoopt, het misschien later nog wel eens kunnen. Ik moet meer anti-suikertabletten slikken, met mijn benen in de hoogte zitten en de z.g. hart-tabletten nog geruime tijd innemen. 

Eerwaarde broeders. Een brief vol klachten, maar wat klage een levend mens, een ieder klage vanwege zijn zonde en zonden! Daar weer te komen is mij nu een onmogelijkheid, maar mij daar te brengen is mijn gedurige bede. De Heere moge het te Delft, ook met de pinksterdagen zo goed maken, dat de gemeente het gemis van een dominee niet voelt. Ontvang, ook van mijn vrouw, met de gemeente de hartelijke groeten en weest in alle omstandigheden de Heere bevolen. 

Uwe toeg. 

Ds. G. Salomons en echtgenote 

P.S. Ik had met de pinksterdagen willen komen, als de Heere dan maar komt, Hij heeft ons eigenlijk geen van allen nodig. 

Terneuzen, 2 juni 1971


Waarde br. Deijs

Even een paar woordjes. Wat jammer, dat uw vrouw, zo pas na haar bevalling misschien wel geopereerd moet worden of al is geopereerd. Ook zij ondervindt, dat volgens ons huwelijksformulier de gehuwden velerlei kruis en druk wacht, maar ik bid en hoop voor haar, dat ze ook mag ondervinden, dat de Heere soms het meest nabij is, als wij Hem het minst durven verwachten.  Dat er in de kleine gemeente maar een gedurig gebed voor haar worde opgezonden; en dat zij weer volkomen herstellen mag en de Heere daarvan de eer mag geven. En is haar taak onnoemelijk zwaar, de Heere hoort ook naar de stille verzuchting, die wij zo maar onder ons werk opzenden naar Boven. 

U schrijft over de vele zieken in de gemeente. Ja in een kleine kring valt dat dadelijk op en geeft wel wat te denken. U denkt daarbij aan 1 Korinthe 11: 30. Wat was het geval? De Korintiërs behandelden brood en wijn bij het avondmaal als gewone spijze, ze beschouwden ze eigenlijk niet als het lichaam van Christus en daarom waren de oordelen Gods gekomen, wat uitkwam in ziekte en sterfte en in slapen (natuurlijk slapen), misschien wel onder de prediking. Van de geestelijke staat van deze mensen zegt Paulus niets, heel goed mogelijk dat ze in beginsel de Heere vreesden, maar eigenlijk onderschatten van het avondmaal was de oorzaak van de ellende. Daarom wekt Paulus ze op tot bekering. Nu geloof ik niet, dat u 1 Korinthe 11: 30 kunt en moogt toepassen op de gemeente van Delft. Ik tenminste heb onder ulieden geen spoor daarvan zelfs waargenomen. Wel beproeft de Heere in de zieken die er zijn uw gemeente, maar laat ons de beproeving Gods niet zelf en te haastig inzake Gods bedoeling de toepassing maken. 

Ook moeten we niet denken als zelfs het bestaande instituut der gemeente zou verdwijnen, daarmee Gods kerk als organisme weg zou zijn.  Het lichaam van Christus wordt niet begrensd door het instituut. Toen wijlen ds. v.d. Schuit jong was heeft hij mij deze voorstelling kwalijk genomen, maar op zijn ouden dag is hij dezelfde gedachte gaan voeden. 

En bij aldien het in de toekomst kwam de gebeuren (wat God verhoede) dat de kleine gemeente zich niet meer kon handhaven, ja dan is iedere gelovige geroepen naar artikel 28 Gel. Bel. zich daar te voegen, waar niet de volmaakte, maar dan toch een Godvrezende openbaring van het lichaam van Christus wordt gevonden. 

Ik vind het zelf ook heel ontmoedigend, dat ik niet naar Delft kan komen, maar wat zoudt u eigenlijk hebben aan een oud man, die nu vol lichamelijke gebreken zit en zich met de dag zieker gevoelt? Als de kerkenraad kan, doe dan vooral de groeten aan de zieken in de gemeente en zeg, dat wij allen tezamen maar niets zijn, maar dat de Heere voor zulke schuldige nietsnutten toch alles wil zijn. 

Ik zelf ben er lichamelijk niet best aan toe, misschien wel slecht, maar het zou toch heel slecht van mij zijn als ik daarom harde gedachten van de Heere zou koesteren. Daartegen te worstelen is wel mijn gedurige verzuchting. Beste br. en zst., groet de kerkenraadsleden en alle anderen en weest beiden met uw gezin de Heere bevolen, van

Uw toegen. 

Ds. G. Salomons.  

Terneuzen, 29 juni 1971 


Beste vrienden, 

Wij ontvingen uw mededeling van de geboorte van uw eerste kind. Van de kerkenraad hadden wij vernomen, dat er wel enige moeite was inzake de komende bevalling was en deswege waren wij wel een beetje in spanning hoe het zou aflopen. Gelukkig heeft de Heere alles welgemaakt, nietwaar? De Heere geve u beiden maar een ootmoedig hart om Hem van harte te erkennen voor Zijn weldadigheden. Hij bekwame u om ook uw spruitje bij het opkweken, naar lichaam en ziel zo op te voeden, als Hij dat in Zijn Woord van ons verlangt. Hij doe het voorspoedig opgroeien en legge het beginsel des nieuwen levens in dat jonge hartje tot eer van Zijn Naam. O, ja, wij mogen pleiten op Zijn verbond, waarin Hij gezegd heeft: Ik ben uw God en uw zaads God. Moge de jonge moeder de krachten weer terug krijgen die ze verloren heeft, opdat ze weer spoedig haar normale taak mag verrichten. En als er soms weer op één of ander gebied donkere wolken drijven, dan verlene Hij u beiden de genade om moeiten en verdriet in Zijn hand te geven, want Hij is groot van goedertierenheid voor schuldigen en onwaardigen. Weest dus van harte geluk gewenst en feliciteer van ons ook uw beider ouders, die zich toch met u beiden verheugen mogen in welstand en zegen voor uw gezin. (..) 

Wilt u mij op de hoogte houden van ulieder welstand dan kan ik daarmee rekening houden inzake de datum van onze overkomst naar Delft. Te komen wonen in Delft, dat is er helaas niet meer bij, maar als ik zo nu en dan in Delft mag voorgaan, dan acht ik dit voor mijzelf genade en ere. 

Dus van harte geluk gewenst en Gode bevolen voor uw toegenegen. 

Ds. G. Salomons en echtgenote 

Terneuzen, 28 juli 1971


Aan de kerkenraad der Chr. Geref. Gemeente in Nederland, te Delft

Eerwaarde broeders, 

Het was mij een verruiming des harten te vernemen, dat het met uw medebroeder Arie Langstraat tamelijk meevalt, zodat er uitzicht is op herstel. Hij kan toch maar node gemist worden. Het bericht dat zijn broer Jan Langstraat een hersenbloeding heeft gehad ontstelde ons zeer, al vertrouwen wij, zonder enige reserve, dat hij bij het sterven een goede ruil zou doen. De Heere moge echter deze verzuchting verhoren, om hem nog niet in de middagstond van het leven weg te nemen, al was het in de eerste plaats voor zijn vrouw en kinderen, voor wie het toch een zeer smartelijk verlies zou zijn. Gaarne vernam ik hoe het met beide broeders in het ziekenhuis gaat, desnoods doet u het per telefoon bij de familie Dees [Terneuzen] roepen ze mij dan wel, alhoewel de familie ook nog al eens uit huis is.

Mijn plan is D.V. 8 augustus in de gemeente voor te gaan en één uwer zal mij dan wel komen halen, nietwaar? Ontvang inmiddels de h. gr. en heilbede en God de Heere ontferme zich over het kleine kuddeke te Delft.

Uwe toegen. 

Ds. G. Salomons 

Terneuzen, 11 augustus 1971


Waarde broeder,

Gisteren was ds. Van Vuuren bij mij.[*] Van hem vernam ik het volgende: die bewuste broer van ds. Vlietstra is na zijn afwijzing in de Christelijke Gereformeerde Kerken dominee geworden in de Hervormde Kerk en staat in Doornspijk. Ds. Van Vuuren die zelf ook in Doornspijk gewoond heeft kent hem heel goed, heeft veel achting voor hem, is zelfs bepaald bevriend met hem en vindt dat hij zeer degelijk preekt.[*]

Dus bezitten we onze kerkelijke ziel maar in lijdzaamheid??

D.V. hoop ik 29 augustus wederom voor te gaan te Delft. Ik ontvang zeker nog wel bij tijds enige mededeling van u, hoe laat men ons komt halen. U kunt mij nu ook per telefoon rechtstreeks thuis bereiken. Het nummer is: 5972.

Met vr. gr. ook aan uw vrouw,

Ds. G. Salomons.  

Noten

[*] Na het vertrek van ds. P. Sneep naar Alphen aan den Rijn werd de vacature in Zaamslag op 1 april 1971 opgevuld door kandidaat D.J. van Vuuren uit Doornspijk. Hij werd hier bevestigd door zijn oud-predikant ds. J. van Doorn 

[*] Albert Vlietstra werd op 7 november 1932 in Hoogeveen geboren. Hij studeerde theologie aan de Theologische Hogeschool te Kampen (Oudestraat), de Theologische Hogeschool te Apeldoorn en de Rijksuniversiteit te Utrecht. In 1965 werd kandidaat Vlietstra tot predikant bevestigd in de gemeente Waarder. Deze gemeente verwisselde hij in 1969 voor de gemeente Doornspijk. Hiervandaan vertrok hij in 1985 naar Voorburg. Tot zijn emeritaat, in 1997, heeft hij deze gemeente gediend. Ds. Vlietstra overleed in maart 2000

Terneuzen, 7 september 1971


Waarde br. 

Ons plan is D.V. zondag 19 september e.k. wederom in Delft te zijn. Ik verneem nog wel even van u, hoe laat wij gehaald zullen worden? Ik maak onze excuses voor het volgende: Des maandagmorgens had ik uit de grote tas in het kleine tasje van mijn vrouw een paar reepjes chocolade gedaan om die onderweg met u te delen. Ik vroeg nog op de terugreis aan mijn vrouw of ze die chocolade even uit haar tasje wilde halen; ik kreeg daarop geen bepaald antwoord, maar thuis gekomen beweerde zij, dat er niets van het gevraagde in haar tasje zat; ik keek het na en ja hoor  er zaten twee repen in. . Ze wist daar gewoonweg niet meer van, dus 't was geen opzet van haar om niet in haar tasje te kijken en ik beschuldigde onderweg mij zelf er van, dat ik ze misschien toch niet in haar tasje gedaan had, maar dat bleek wel zo te zijn. Het herinneringsvermogen van mijn vrouw wordt er niet beter op, zodat het mij wel wat zelfverloochening kost, om daar zeg maar gemoedelijk over heen te stappen. Ik heb eigenlijk medelijden met de stakkerd, maar ik ben soms toch jaloers op haar als we zo saampjes praten over onze verhouding tot de Heere, want dan vertelt ze soms zulke treffende dingen vanwege haar levende hope op de Heere, dat ik mij daarover zeer verheug. Maar geijkte termen en gezegden kent ze niet, m.i. meer een plus dan een min. Ook is ze soms een beetje mensenschuw, maar daarom ben ik blij, dat we nog wel eens bezoek krijgen van deze of gene en dat helpt haar toch wel eens over haar schuchterheid heen. 

Ds. Van Vuuren behandelt eerdaags de bekende haarkwestie der vrouwen, zegt zelf dat dit in Korinthe wees op de emancipatiezucht der vrouwen om de mannen even gelijk te zijn, maar verder......? Destijds heb ik in Open Vensters een paar artikeltjes daarover geschreven; ik heb ze zelf niet meer. Ik bewaarde nooit iets van wat ik destijds veelvuldig in De Wekker schreef[*], ook niet die zeven catechismuspreekjes uit de Levensbron[*], maar hier bezit mevr. Bakker ze wel. Maar weet u nu kans om die artikeltjes over 1 Korinthe 11 uit Open Vensters voor mij te bemachtigen? Dan wil ik ze ds. Van Vuuren eens laten lezen en kunnen we "zonder haarkloverij" wellicht een nuttig gesprek daarover hebben. Ik hoop dat Arie Langstraat wederom zo herstelt, dat hij met u en Piet Langstraat en eerlang ook ouderling [J.] Kroon [Schipluiden] de gemeente kan voorgaan. Als u mij schrijft bericht mij dan ook eens hoe het nu met Jan Langstraat gaat, enz, enz, 

Ontvang tenslotte met uw vrouw (een blijde moeder van kinderen) de hartelijke groeten van 

Uw toegen. 

Ds. G. Salomons 

en echtgenote 

Noten

[*] De artikelen die ds. Salomons gepubliceerd heeft in De Wekker zijn te raadplegen op www.digibron.nl   

[*] Uit de Levensbron (1931), zondag 32 tot 38 

Ds. C. Smits naar Oud Gereformeerde Gemeente Giessendam

Op 15 september 1971 werd ds. C. Smits, inmiddels 72 jaar oud, bevestigd door ds. Joh. van der Poel als predikant van de Oud Gereformeerde Gemeente in Giessendam nadat hij een beroep naar deze gemeente had aanvaard vanuit Clifton. 

Ds. Van der Poel schreef naar aanleiding van deze gelegenheid in een brief aan ds. W.C. Lamain: "Ik heb broeder Smits bevestigd. Och man, wat een winst heeft daar eerst de duivel mee gedaan; ik heb die man wel tien nachten liggen bevestigen, en het liep steeds weer mis en vast; ik kon er maar niet doorkomen en ook niet mee ophouden. Wat ben ik geslingerd. Dan zag ik zo hoog op tegen die man die zoveel jaren geleerd heeft, dat ik er toch over ging denken om de kwalen van mijn lichaam maar als een fort te gebruiken, dat mijn lichaam het niet kon doen. En toch was de ondergrond van die ellende niets dan hoogmoed, ik kon er niet doorzien, en stranden met zulk een gelegenheid dat kon toch ook niet. Vriend, mijn ziel werd er zo moe van, als die mannen aan de beek Besor. Toen behaagde het de Heere om broeder Smits, zonder dat hij er wat van voelde, te onthoofden en liet mij zien dat wij beiden onder het gezag van Gods Woord stonden. Ik zei: dank u Heere. Toen kreeg ik hem net zo arm als ik zelf was en schoot er voor beiden een hout over dat niet kan verrotten. (..)" "Er werd nog over gesproken om de bevestiging en de intrede in de Herv. Kerk te houden. Ik durfde er mijn toestemming niet aan te geven. Ach, zeiden ze in mijn hart: vriend, voor de avonddienst zal dat wel nodig wezen, maar voor de middagdienst is dat heel niet nodig. Broeder Smits was er ook niet voor. (..) 15 september was de bepaalde datum in Gods raad, dat die afgebrokkelde gemeente van Giessendam een leraar uit een ander deel van de wereld zou mogen ontvangen. De tegenstanders hebben het niet kunnen tegenhouden, en die er voor waren konden zijn hart niet neigen om tot zo'n stervend hoopje over te komen. Maar God, Die nederige vertroost, heeft ons, Oud Ger. Gemeente[n] in Nederland, verblijd met de komst van Titus"[*] 


Chr. Geref. Noordeloos ontevreden over "Tijdsein"

De kerkenraad van de Chr. Geref. Kerk te Noordeloos heeft ernstige bedenkingen geuit tegen het Chr. Geref. ,,jeugdblad "Tijdsein", de wijze waarop de bondsdagen worden gehouden en tegen de schetsen over Bijbelse begrippen die aan de verenigingen worden toegezonden.

De classis Utrecht, waar een desbetreffende instructie van Noordeloos ter tafel kwam, heeft besloten, de bezwaren die geleid hebben tot de instructie van Noordeloos, nader te onderzoeken, deze te bespreken met jeugddeputaten en het bondsbestuur en nader te rapporteren op de najaarsclassis. De kerkeraad van Chr. Geref. Noordeloos vroeg nl. de instructie verder te zenden naar de Part. Synode en de Generale Synode.

Reformatorisch Dagblad, 16 mei 1972


Brief aan curatoren en hoogleraren CGK

Op 15 april 1972 werden afgevaardigden genodigd uit Barendrecht, Dordrecht-Centrum, Katwijk aan Zee, Nieuwkoop, Rotterdam-West, Sliedrecht-Centrum, Urk en Meerkerk. Tijdens deze vergadering werd zorgen geuit over prediking, liturgische vernieuwing, ontwikkelingen in het jeugdwerk, theologische opleiding en toenadering tot de Vrijgemaakte Kerken. Er werd besloten een getuigenis op te stellen. Dit getuigenis werd door de kerkenraad van Alphen aan den Rijn verspreid in november 1972. In die zelfde periode werd er door een twintigtal predikanten een schrijven opgesteld, gericht aan curatoren en hoogleraren van de Theologische Hogeschool.[*]

Het schrijven van de kerkenraad van Alphen aan den Rijn met predikant ds. P. Sneep bevatte de volgende punten:

1. De prediking Die was vroeger in onze kerken wat de hoofdzaak was gelijk. De Schrift werd op een eenvoudige wijze verklaard en toegepast op het persoonlijke leven. De noodzakelijkheid van de wedergeboorte en van de werking van Gods Geest om deel te krijgen aan Christus en Zijn weldaden maakten een wezenlijk deel uit van de verkondiging van Gods Woord. De leiding die de Heere met Zijn volk houdt kwam naar voren. Ernstig werd gewaarschuwd voor zelfbedrog. De welmenende roepstem tot bekering werd niet gemist. Het valt niet te loochenen dat er heden een vervlakking in de beleving geconstateerd wordt. Het lijkt alsof het voldoende is, dat we door geboorte onder de verbondsbedeling zijn opgenomen en dat we zonder innerlijke vernieuwende werking van de Heilige Geest de weldaden des verbonds ons kunnen toe-eigenen en deelachtig worden. Het accent valt meer op het geloven dan op de geloofsbeleving, gewerkt door Gods Geest.

2. De opleiding van dienaren des Woords Onze school moet een kweekplaats zijn van dienaren des Woords die de kerk des Heeren kunnen dienen met spijzen, waarmee de Heere Zijn Kerk verkwikt. Wetenschappelijke vorming is een geboden zaak, maar bijzonder is heden noodzakelijk de geestelijke vorming. De weerslag daarvan moet bemerkt worden in de prediking. Wanneer dit ontbreekt gaat onze kerk op retour.

3. De contacten met andere kerken Het heeft er veel van weg dat velen niet meer zien of willen zien hoe groot het verschil is tussen de Vrijgemaakte kerken en het beginsel van onze kerken. De toenadering tot de vrijgemaakten kunnen wij niet anders zien als een groot gevaar. Deze toenadering zien wij als gevolg van de veranderende inzichten bij velen, waardoor de prediking in eigen kerken anders werd en men naar de vrijgemaakte toegroeide. Dit leidt tot allerlei verdeeldheid in ons kerkelijk leven.

4. De leiding aan de jeugd De noodzakelijkheid van de wedergeboorte wordt niet ontkend, maar de noodzaak ervan komt door een andere benadering op de achtergrond. De jeugd wordt zo opgebouwd op een verkeerd fundament.

5. De veranderende levensopenbaring De waarheid van Gods Woord legt geen beslag meer, zoals vroeger. In de kerk verschijnt men niet meer met geboden eerbied. Het onderscheid met de wereld valt weg.

6. Overige zaken die het kerkelijk leven in ongunstige zin beïnvloeden Vrijgeven van de nieuwe Bijbelvertaling, het actief vrouwen kiesrecht, nieuwe formulieren en een nieuwe psalmberijming. De kerken groeien hoe langer en meer uiteen en de splijtzam werkt in de gemeenten door. 

Ds. E. Venema naar Ger. Gem. Drachten

In het najaar van 1972 bracht de kerkenraad van de (inmiddels) Gereformeerde Gemeente van Drachten een beroep uit op ds. E. Venema van Zwijndrecht die dit beroep op 30 november 1972 aannam. 

Ds. I.J. IJsselstein van de Vrije Christelijke Gereformeerde Gemeente Schiedam

Op grond van enige informatie over de persoon van ds. I.J. IJsselstein,  verbonden aan de Vrije Christelijke Gereformeerde Gemeente in Schiedam, besloot de kerkenraad aan deze predikant een brief te schrijven om zo mogelijk contacten te leggen. Dit gebeurde op 24 maart 1973 toen de scriba van Delft telefonisch contact opnam met ds. I.J. IJsselstein. Op dinsdag 3 april volgde een gesprek waarbij de voltallige kerkenraad ontvangen werd in de pastorie in Schiedam. Hierbij was ook een ouderling van deze gemeente aanwezig. 

Op 14 mei 1973 liet ds. IJsselstein weten, dat hij de last van Delft niet op zich kon nemen gezien zijn leeftijd. "Het doet mij leed voor kerkenraad en gemeente, maar ik kan niet anders, en spreek langs deze wens en welgemeende begeerte uit dat ons samenzijn van 3 april in een aangename herinnering in onze gedachten mag achterblijven. Desondanks blijf ik altijd bereid in bijzondere gevallen, als er bij de broeders geen bezwaren zijn, de gemeente belangeloos zonder geldelijke vergoeding bij te staan." [*] 

Referaat ouderling J. Veenendaal uit Driebergen

In 1973 hield ouderling J. Veenendaal uit Driebergen een referaat voor een conferentie van ambtsdragers in de classis Utrecht. Ds. G. Blom[*] wijdde er in het blad Bewaar het Pand enige artikelen aan. Hij schreef het volgende: "Referent (de heer Veenendaal) trekt de conclusie, dat de zuivere bediening en prediking des Woords een hoogst ernstige zaak is. Het wezen van de prediking wordt echter voor alle dingen bepaald door de Heilige Schrift zelf. (..) God heeft het Evangelie verordend tot een zaad der wedergeboorte en spijze der ziel (Dordtse Leerregels)." "De waarheid Gods moet ons in de ingewanden ingezonken zijn, zo zei eens Calvijn. Om het verband tussen het voorwerpelijk aangebrachte heil en de onderwerpelijke toepassing uit te drukken spreken we dus van voorwerpelijk-onderwerpelijke prediking. Er behoort tussen deze twee woorden een harmonische samenhang te zijn. Niet los naast elkaar maar samenstemmend verbonden zijn de woorden gebruikt. Wie beide elementen loslaat, het voorwerpelijke en onderwerpelijke losmaakt, geraakt tot twee te mijden uitersten." (..) "Het is dus niet genoeg als de prediker zijn tekst ontvouwd heeft, hij moet met die ontvouwing doordringen tot het wezen der geestelijke zaken. Hellenbroek wijst op de Schriftuurlijke noodzaak, Christus te verkondigen als Middelaar van verdienste, maar zeer zeker ook als de Middelaar van toepassing. Daar is geen scheiding tussen voorwerpelijk en onderwerpelijk, daar is geen scheiding tussen Christus als Middelaar van verdienste en van toepassing, daar is geen scheiding tussen de prediking als explicatio (verklaring) en applicatio (toepassing)." (..) "In zijn dagen schreef Prof. Bavinck reeds: "Maar er is een belangrijk element dat ons heden ten dage veelszins ontbreekt; de geestelijke ziele kennis wordt gemist. Het is alsof wij niet meer weten wat zonde en genade, wat schuld en vergeving, wat wedergeboorte en bekering is. In theorie misschien nog wel, maar niet meer in de ontzaggelijke realiteit van het leven", aldus prof. Bavinck. "Waar de bevindelijke kennis van de enige waarachtige God en Jezus Christus, Dien Hij gezonden heeft niet meer wordt gepredikt, vervreemdt de gemeente van de verborgenheid des Heeren (Ps. 25 : 4), en zien we daar, waar eerst een bloeiende gemeente was, met het wegsterven van de bevindelijke prediking, de kerk gaat inzinken. Daar is dan ook geen geestelijke onderscheidende kennis en aanvaardt men in de kerk als gelovigen wie dat niet zijn." (..) "Men gaat uit van het zijn in Christus, om dan verder, al weet men van de toepassing des heils niets af, met een beredeneerd geloof zichzelf te helpen. Men begint aan te nemen, (want geloven is het niet,) een gekende, een kind van God te zijn en nu past men zelf de verbondszegeningen toe, vreemd aan het werk van de Heilige Geest. Dan is het natuurlijk geen vraag: hoe ga ik [zaligmakend] over in het genadeverbond, hoe heb ik macht ontvangen, een kind van God genaamd te worden? In het genadeverbond is de gouden keten van de orde des heils vastgelegd: roeping en wedergeboorte, geloof en bekering, rechtvaardigmaking en heiligmaking en heerlijkmaking. Al deze verbondsweldaden worden we alleen deelachtig door de toepassing van de Heilige Geest." (..) "Als men er van uitgaat, dat het met de gemeente in orde is en steigert wanneer in de prediking doorklinkt dat elk persoonlijk moet worden bekeerd en wanneer men niet alleen veronderstelde wedergeboorte maar ook verondersteld geloof afwijst, dan staat het stoplicht op rood. Ja terdege, want aan dit dodelijk gevaar gaan onze kerken, zo God het niet verhoedt, ten gronde."[*]


In de toelichting in het referaat "Kerkelijke verhoudingen en perspectieven" gehouden op de ouderlingenconferentie op 18 nov. 1972 merkt ds. Velema op: "Het is namelijk mijn mening dat in onze Chr. Geref. Kerken, die de veronderstelde wedergeboorte de voordeur hebben uitgewezen, een verondersteld geloof door de achterdeur wordt binnengehaald". "Daarmee bedoelen we", aldus ds. Velema, "dat we in deze fase van onze geschiedenis er teveel van uitgaan, dat de gemeente gelooft. Het is in onze kringen te horen, de vragen met betrekking tot de toe-eigening des heils zijn achterhaald; deze vragen hebben hun tijd gehad. Het gaat nu om andere dingen. Dat zou betekenen dat we een streep halen door onze bestaansreden als kerk, dat er tweespalt groeit en vroeg of laat tot uitbarsting komt in het kerkelijk leven en dat we onze aantrekkingskracht als kerken bezig zijn te verliezen."[*]

Bewaar het Pand, 9 augustus 1973


Noten

[*] Ds. Joh. Van der Poel, Bijeen vergaard Bundel preken, meditaties en twee brieven aan ds. W.C. Lamain en 1250 spreuken, betreffende diverse voorvallen uit het geestelijke leven (Veenendaal, 1990) pp. 66-68

[*] Wij gedenken uw weldadigheid, een eeuw Christelijke Gereformeerde Kerk Alphen aan den Rijn, Alphen aan den Rijn (2004) pp. 101-111

[*] Ds. G. Blom werd in 1950 in Meerkerk door ds. P. de Groot in het ambt bevestigd met een preek over Ezechiël 3: 17: "Mensenkind. Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israëls; zo zult gij het Woord uit Mijn mond horen en hen van Mijnentwege waarschuwen." De dag daarop deed ds. Blom intrede met een preek naar aanleiding van de woorden uit 2 Kronieken 20:12: "Want in ons is geen kracht tegen deze grote menigte, die tegen ons komt en wij weten niet wat wij zullen doen, maar onze ogen zijn op U." Ds. Blom zou in Meerkerk predikant blijven tot zijn overlijden in 1992. Behalve dat hij veel werk verrichtte als hoofdredacteur voor het blad Bewaar het Pand deed hij ook ambtelijk werk in Vianen en Culemborg. Ook leidde hij jaarlijkse ontmoetingsdagen in Sliedrecht en Kampen. 

[*] 'Schriftuurlijk-bevindelijk', Bewaar het Pand, 3 mei 1973 - 9 augustus 1973

[*] Ds. I. J. IJsselstein was sinds 25 juni 1959 predikant van de Vrije Christelijke Gereformeerde Gemeente van Schiedam. In 1978 nam hij afscheid

[*] De bekende uitspraak dat de Christelijke Gereformeerde Kerken in 1892 de veronderstelde wedergeboorte aan de voordeur hebben afgewezen maar door de achterdeur bezig zijn binnen te halen werd eerder gebruikt (in waarschuwende zin) door Prof. P.J.M. de Bruin en Prof. G. Wisse. In 1972 kwam ds. Velema tot de conclusie "dat in onze Chr. Geref. Kerken, die de veronderstelde wedergeboorte de voordeur hebben uitgewezen, een verondersteld geloof door de achterdeur wordt binnengehaald". Opmerkelijk in dit verband dat Prof. dr. W. van 't Spijker in 1982 schreef dat deze uitspraak gedaan wordt "uit onkunde" en "de zaak versimpeld." (En toch niet verteerd, p. 129) 

Vervolg

Het kerkelijk jaar 1974: Moeten kinderen ook deelnemen aan het Heilig Avondmaal?, Avondmaalsmijding, Overlijden ds. G. Salomons, Correspondentie met Henri van der Veen pasteur des Eglises Réformées de France, Reformatie in Frankrijk, Reveil, Arbeid ds. Van der Veen in Frankrijk, Brief 1 maart 1975, Brief 15 maart 1975, Brief 26 maart 1975, Brief 29 maart 1975, Brief 12 april 1975, Brief 10 mei 1975, Brief 15 mei 1975