Terug

Brief aan de kerkenraad van de Christelijke Gereformeerde Kerk Urk (1960), Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland in de periode 1952-1975 (inleiding), Brief uit Friesland (1946), Synode van 1947, Tussen de vuren: een nieuwe generatie treedt aan (ds. J.H. Velema), ds. P. Westerloo en ds. J.G. van Minnen op de Schooldag van 1947, Terugblik Prof van der Schuit op de schooldag van 1947, Terugblik op het jaar 1947 (ds. J.C. Maris), Woelderink als het juiste midden? Enigheid des Geloofs, Om het eeuwig welbehagen: ds. M. Baan op de Schooldag van 1949, Signalen van achteruitgang?: Gesprekken met de vriendenkring ds. M. Baan (Dordrecht), ds. H. van Leeuwen (Delft), ds. C. Smits (Driebergen) en ds. N. de Jong (Middelharnis), Eerste fase gesprekken 'vrijgemaakten', de moeilijkheden binnen de classis Amsterdam, karaktereigenschappen, Huizen 29 juli 1952, Liturgische gewoonten, Reacties op uittreden van ds. Van Minnen, Een kleine exodus, Vlaardingen en Hoofddorp, Gerrit Jan van Vliet, Hendrik Visser Mzn. en Rotterdam-Zuid, Overeenstemming Huizen, Bussum, Vlaardingen en Hoofddorp, Synode CGK 1953, Kanselboodschap (Prof. G. Wisse), Hessel Groen, Zwolle, Veenwouden en Twijzelerheide, Jetse Hamstra, Drachten, Delft

Terug

Overlijden ds. G.J. van Vliet, K. Chr. Hoekstein uit Rijswijk, verzoek de heer M.C. Kersten uit Den Haag, ds. H. Groen bevestigd in Drachten, Brandende kwesties, classis 6 oktober 1955, de heer T. Kroon uit Huizen, ds. Van Minnen neemt afscheid van Huizen, classis 4 oktober 1956, A. van der Galiën, Gemeente ds. R. Kok zoekt aansluiting bij Chr. Geref. Kerk, Bevestiging ds. van Minnen in Delft, Herinnering H. Hille, Overlijden ds. H. Groen, classis 10 april 1957, classis 2 oktober 1957, Westzaan (ds. R. Kok) naar CGK, Klaas van Twillert

Terug

Classis contracta, tweede contact ds. H. Visser Mzn. Besprekingen 'vrijgemaakten' hervat, synode CGK 1959, Ds. C. Smits bezoekt ds. Van Minnen in Delft, Bezoek ds. N. de Jong in Katwijk, Bezoek ds. F. Bakker in Driebergen, Synode CGK 1959, Bezoek aan ds. C. Smits in Sliedrecht, Urk, derde contact ds. H. Visser Mzn., vervolg geschiedenis Urk, Brief aan Urk, Opnieuw contact met ds. C. Smits en ds. N. de Jong, Vergadering van bezwaarde christelijke gereformeerde predikanten in Rotterdam, Vierde contact ds. H. Visser Mzn. Gezamenlijke classis-vergadering 13 mei 1961 in Rotterdam, akkoord tot fusie, Classis-vergadering 9 september 1961, Terugkeer ds. J. Blankespoor?, Ongedaan maken fusie, Redenen voor ongedaan maken fusie, Voorstel van Drachten, Delft en Hoofddorp samen verder, synode CGK 1962, Vlissingen, de invloed van de vrouw in de gemeente, Contacten met de Ger. Gem. in H. V. en D. Chr. Overduin (1963), Vergadering in Sliedrecht, Vertrek br. Overduin en einde contact Ger. Gem. in H.V. ds. F. Bakker (1919-1965)

Terug

Uitnodiging uit Dordrecht, 1ste bespreking 22 juni 1965, kerkelijke weg ds. Hennephof, verdere punten van bespreking, 2de bespreking 19 oktober 1965, orde des heils, verbondsgedachte, heilshistorisch en exemplarisch

Deel 5

Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland

in de periode 1952-1975

Ds. Van Minnen neemt afscheid van Delft,  Ds. B. Hennephof (1965-1966) in Delft, Dordrecht annuleert derde gezamenlijke classis-vergadering, Haarlem-Centrum, Bewaar het Pand, Sabbatsgebod, Statenvertaling of een nieuwe vertaling, Landelijk comité voor behoud van de Statenvertaling, Wat wil prof. Oosterhoff zeggen? (Genesis 2 symbolische taal?) Christelijke Gereformeerde Kerk in Hersteld Verband van Zwijndrecht (Ds. E. Venema), Uit de Haagse hof geplukt, Wat wil prof. Oosterhoff zeggen? (Vrouw op de kansel - en in de ambtsbank), Bezwaren tegen Prof. dr. B.J. Oosterhoff (Classis Utrecht), Bezwaren tegen Prof. Oosterhoff afgewezen (Particuliere Synode van het Oosten)
Waarom een Reformatorisch Dagblad en hoe?, Ouderling G. Barten (Haarlem-Centrum/Hoofddorp), Arnhem met ds. J.C. van Ravenswaay, Initiatief uit Alphen aan den Rijn (Ouderling Joh. van der Lee), Referaat ouderling J. Veenendaal (Driebergen) 


"Tijdgebonden wil zeggen, dat één of andere Schriftuitspraak alleen maar geldt voor een bepaalde situatie in de tijd, waarin de Bijbelschrijvers leefden. U zou de schaduwachtige wetten van Oud-Israël tijdgebonden kunnen noemen, maar dan toch zo, dat de grondslag van de ceremoniële wet der offeranden enz, zijn grondslag vindt, in de eerste tafel der tien geboden, en de burgerlijke wetten haar grondslag vinden in de tweede tafel der tien geboden, en die geboden zijn altijd durend. In 1 Korinthe 7 zegt Paulus, dat het beter is ongehuwd te blijven, want dat de ongetrouwde de Heere zoekt te behagen, en de getrouwde vrouw de man zoekt te behagen. Dit zou men wel tijdgebonden kunnen noemen, om de reden dat Paulus dit schrijft met het oog op de komende vervolgingen; dan zou het gehuwde leven wel eens een zware beproeving kunnen veroorzaken om getrouw te blijven. Maar vandaag aan de dag is dat woord 'tijdgebonden' een echt modewoord geworden van vele hedendaagse theologen, om aan de betekenis van het sabbatsgebod te knagen en om te kunnen verdedigen, zogenaamd met de Schrift in de hand, dat het zelfs de roeping der kerk is, om de vrouw in de kerk tot de ambtelijke bediening toe te laten. Zo stelen die theologische vossen de rechte betekenis van de uitspraken van Gods Woord weg en wat houdt men dan over van het eeuwig blijvende Woord van God? De kaft, beste lezers, niets anders." 

G. Salomons


"Een van de methoden om de Bijbel proberen krachteloos te maken is wel bijzonder deze: de Bijbel alleen benaderen en te onderzoeken op wetenschappelijke wijze en dan pas te geloven. Zo gaat het al in de gezinnen, op scholen, in de kerk, bij de opleiding tot dienaar des Woords. Daarbij spreekt hoe langer hoe meer de wetenschap het laatste woord. Kon ik een karikatuurtekening weergeven, dan tekende ik een geleerde, bijzonder een theoloog. Hoe!? Zie hem met zijn hoofd (orgaan voor wetenschappelijk onderzoek) de aardkorst trachten te doorboren, om bijvoorbeeld de ouderdom van de aarde te leren kennen. Om te onderzoeken b.v. waar de olie in het water van de Kison vandaan kwam. Dat water dat Elia om- en op het altaar goot bij de eindfase van de strijd of Baal dan wel Jehovah God is. (...) Ja de aardkorst trachten te doorboren - of de aarde wel bijna zesduizend jaar oud is enz. (...) Dat op de kop staan, om met zijn hoofd de schepping te doorboren; of de Bijbel ten opzichte van de schepping wel juist is - met zulk een methode beschadigt de mens juist zijn hersenen. De hersenen die gevoed moeten worden van Boven. Geef mij verstand met Goddelijk licht bestraald. En doe mij geloven Uw Woord. Hebr. 11: 3. "Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het Woord Gods is toebereid, alzo dat de dingen die men niet ziet, niet geworden zijn uit de dingen, die gezien worden." 

J.G. van Minnen

Ds. Van Minnen neemt afscheid van Delft

Ds. J.G. van Minnen nam in 1965 afscheid van Delft met een preek naar aanleiding van 1 Korinthe 15: 58. In dit tekstwoord roept de apostel Paulus de gemeente op: om standvastig te zijn, te allen tijde overvloedig in het werk des Heeren te arbeiden, wetende dat die arbeid niet te vergeefs is.  

Prediking van ds. Hennephof in Delft

Na een tweetal besprekingen met de kerkelijke groepering rondom ds. Hennephof die in goede harmonie waren verlopen, kwam er in januari 1966 op teleurstellende wijze een abrupt einde aan de contacten.[*] Opvallend was wel dat ds. B. Hennephof zich tijdens de besprekingen nogal op de achtergrond gehouden had en van het moment dat hij zou voorgaan in de gemeenten van Delft en Hoofddorp was (mogelijk in verband met diens gezondheidstoestand) ook nog niet gekomen. Van de kerkenraad van Dordrecht ontving de kerkenraad van Delft op 20 december 1965 een schrijven waarin zij meedeelden de eerstvolgende gezamenlijke classisvergadering van 27 januari 1966 uit te willen stellen, gezien het feit dat ds. Hennephof nog niet was voorgegaan in de gemeenten Delft en Hoofddorp. Diezelfde maand benaderde ds. Hennephof de scriba van Delft om alsnog een afspraak te maken ter kennismaking van zijn prediking. In overleg met ds. Van Minnen werd die datum bepaald op 11 januari 1966. Deze preekbeurt vond als zodanig ook op die datum plaats. Echter, na het aanhoren van de prediking van ds. Hennephof kwam de kerkenraad van Delft tot de conclusie: "dat de inhoud daarvan met name ten aanzien van de orde des heils en de doopsbeschouwing, die terloops aan de orde werd gesteld, dermate verwarrend en onschriftuurlijk was, dat alleen al op grond daarvan een fusie tot de onmogelijkheden moest behoren." Dit zou echter - in goede orde - op de eerst volgende gezamenlijke classisvergadering aan de orde worden gesteld. 

Dordrecht annuleert derde gezamenlijke classis-vergadering

Op 8 januari 1966 had de kerkenraad van Delft een schrijven naar Dordrecht gezonden met daarin de vraag waarop de uitgestelde classis van 27 januari 1966 zou plaatsvinden. Hierop stelde Dordrecht 17 februari 1966 voor. Als roepende gemeente lichtte Delft op 20 januari 1966 de gemeenten van Hoofddorp, Colijnsplaat en Oud-Beijerland over deze datum in.

Ter intermezzo ontving de kerkenraad van Delft op zaterdag 22 januari 1966 br. C. van Marion[*] naar aanleiding van diens verzoek tot een persoonlijke kennismaking. Voor dit kennismakingsbezoek werd ook de kerkenraad van Hoofddorp uitgenodigd. Van belang voor de afloop van het contact met de kerkelijke groepering rondom ds. Hennephof was het oordeel van deze br. Van Marion over de opvattingen van ds. Hennephof en de kerkenraad van Dordrecht. Hij vergleek dit met een autorit in Zweden per Mercedes tijdens een felle koude. "Zijn beste wagen deed het uitstekend maar de kachel werkte niet." Op maandag 24 januari 1966 zou br. Van Marion contact opnemen met ds. Hennephof om deze eveneens te verzoeken tot een persoonlijke kennismaking. Echter, tot grote verbazing van de Delftse broeders volgde vrijwel direct - eveneens op 24 januari 1966 - een schrijven van de kerkenraad van de Oud Gereformeerde Kerk van Dordrecht, waarin zij te kennen gaven: "op verdere samenspreking geen prijs te stellen." omdat Delft "onchristelijk gehandeld" zou hebben "ten aanzien van het contact met br. C. van Marion en hem te onderzoeken." Wanneer Delft zich tegen deze plotselinge aantijging van Dordrecht meent te moeten verweren "aangezien uw argumenten van alle waarheid ontbloot zijn" onderstreept Dordrecht per kerende post nogmaals in een schrijven op 28 januari 1966 "dat zij niet [meer] wenst te komen tot een fusie."[*]


Noten

[*]  H. Hille & J.M. Vermeulen schrijven (In de schaduw van het kerkelijk leven, p. 137: "Aanvankelijk leek alles heel positief. Tijdens een ziekte van ds. Hennephof preekte ds. Van Minnen in de gemeenten van de classis en schreef meditaties in het kerkblad. Het preekpunt was ditmaal niet een verschil in de leer, doch persoonlijke tegenstellingen tussen de predikanten." Er was echter wel een verschil in opvatting over het punt van de rechtvaardigmaking maar tijdens de classisvergadering leverde dit geen vroegtijdige verwijdering op. Er kon in goede harmonie over gesproken worden. Persoonlijke tegenstellingen tussen de predikanten waren niet in het geding. 

[*] H. Hille en J.M. Vermeulen schrijven ten onrechte op dezelfde pagina: "Aanleiding tot het verbreken van de contacten was uiteindelijk het verlenen van preekconsent door de classis Dordrecht aan iemand die buiten de gemeenten stond, zonder dat vooraf overleg was gepleegd met ds. Van Minnen. 

Haarlem-Centrum

In 1966 ontving ds. van Minnen een uitnodiging voor een vergadering van bezwaarden afkomstig uit de Christelijke Gereformeerde Kerk van Haarlem-Centrum. Men gaf aan moeite te hebben met de prediking van ds. J.P. Geels (1908-1990). De Christelijke Gereformeerde Kerk van Haarlem-Centrum werd eerder gediend door predikers als ds. J. Schotel, ds. J. van der Vegt, ds. J.W. Geels (sr.), ds. W. Bijleveld, ds. Joh. Prins, ds. W.F. Laman, ds. M. Holtrop waarvan gezegd kon worden dat ze allen een Schriftuurlijk-bevindelijke prediking brachten. De bezwaarde leden uit Haarlem-Centrum sloten zich aan bij de gemeente Hoofddorp. Op 24 januari 1966 werd op - initiatief van de gemeente Hoofddorp - besloten tot de uitgave van een officieel kerkblad. Dit blad zou tenminste moeten bevatten een meditatie, actuele onderwerpen met betrekking op het hedendaagse kerkelijke leven en gebeurtenissen die zich afspelen op het wereldtoneel. Dit uiteraard met een duiding vanuit Gods Woord.

Ds. J. Schotel
Ds. J. Schotel
Ds. W. Bijleveld
Ds. W. Bijleveld

Bewaar het Pand

In april 1966 nam ds. Smits zitting in de redactie van 'Bewaar het Pand' dat toen inmiddels was opgericht. Met de oprichting van stichting 'Bewaar het Pand' opgericht werd de hoop dat meer predikanten en gemeenten vanuit de Christelijke Gereformeerde Kerken zouden overkomen tot het kerkverband nagenoeg de bodem ingeslagen. 

Op 25 mei 1966 schreef ds. Van Minnen het volgende: 

"Waarom gaan we niet gauw linea recta terug naar de Vaderlandse Volkskerk, waarvan de geestelijke vader dr. Hoedemaker is. De kerk van de modaliteiten. Voor ieder een afdeling met loket en bureau waar hij terecht kan. Daar heeft een ieder zijn eigen blad tot de Bonders toe. Op de synode zitten laatstgenoemden met Godloochenaars, tuchtverwerpers, en ontheiligers der sacramenten. Ze schrijven een woordje in hun lijfblad, maar ze doen niets. Precies, ze worden ook met rust gelaten. (..) "Ik weet het, zo valt tijdelijk of voor immer op aarde de scheiding. Toch haal ik geen woord terug. (..) Als ik mij vergis, geve God mij dan bekeerd te worden van die dwalingen of omgekeerd u. (..) U nog even toegenegen als voorheen.. Alleen kan en mag ik de gang van zaken niet goedkeuren."[*]

Sabbatsgebod


De laatste tijd is deze zaak (dat het sabbatsgebod gegrond ligt in Genesis 2 : 2 en 3) weer onderwerp van discussie geworden.  Men ontkent dit of men trekt het in twijfel. Men zegt: dit staat niet in Gen. 2. Maar ook hierbij geldt het: hoe leest u? De kroniekschrijver van het "Gereformeerde Weekblad" brengt in het nr. van 23 juli 1966 van dit blad ter sprake één van de artikelen van de hand van Ds. J. H. Velema over "De zondag in het geding". Deze artikelen bevatten behartigenswaardige dingen. Ds. Velema bedoelt met ernst de noodzakelijke heiliging van de dag des Heeren voor te staan. Jammer is echter dat al te zeer de zondag wordt losgemaakt van het vierde gebod. We zijn het daarom geheel eens met de kroniekschrijver van het "Gereformeerd Weekblad" wanneer hij opmerkt: "Ik wil niet tegenspreken, dat sabbat en zondag niet met elkaar gelijk gesteld kunnen worden, maar wanneer men elk verband tussen deze twee verbreekt, waar komt men dan uit? En toch gebeurt dit in onze tijd maar al te vaak". Dan citeert de kroniekschrijver één en ander uit een artikel van Ds. Velema. In dit artikel geeft Ds. Velema een samenvatting over de meningen in de Chr. Ger. Kerken, hoe er in onze kerkelijke kring gedacht wordt over de zondag. Daarbij belicht hij drie elementen uit de artikelen van prof. Kremer, welke ruim 4 jaar geleden in de "Wekker" zijn geschreven. Het eerste element, zo schrijft Ds. Velema, is de gedachte, dat er met de komst van Christus een geheel nieuwe orde van zaken is aangebroken. De allesomvattende betekenis van het nieuwe verbond werkte zodanig door, dat men los kwam van de Joodse sabbat, en overging op de viering van de dag der Opstanding van Jezus Christus als de bijzonder geheiligde dag des Heeren. "Nergens in het N.T. valt echter aan te wijzen, dat men het vieren van de eerste dag zag tegen de achtergrond van het vierde gebod. Men leefde uit de geheel nieuwe orde, waarin alles nieuw was geworden. Wie toch vast wilde houden aan de ordeningen van het oude verbond, wordt ernstig vermaand dit niet te doen". 

Dan wijst Ds. Velema op een opmerking van Prof. Dr. Oosterhoff in zijn artikel "Hermeneutiek van de wet" in het jaarboek van 1965. De professor zegt dat er niets op wijst - gegeven Ex. 34:21 - dat de twee daar genoemde feesten tijdelijk zijn en de sabbat eeuwig is. De sabbat onder Israël is een verdwijnende en voorbijgaande vorm. Het lijkt prof. Oosterhoff dan ook onjuist om van de sabbat als een scheppingsordonnantie te spreken. "Gen. 2: 3 behoeft in het geheel niet te betekenen, dat de sabbat bij de schepping is ingesteld, of dat ze in alle eeuwen door alle volken moet onderhouden worden". Een rechtlijnig beroep op de oudtestamentische sabbatsteksten - b.v. Jes. 58 - met betrekking op onze zondag is dus misplaatst". De kroniekschrijver van het "Gereformeerd Weekblad" merkt hierbij op: "Ik kan me toch in deze opvattingen niet vinden, daar dan immers het vierde gebod van de Wet des Heeren geen zin meer heeft voor ons. Dat kunnen we dan beter schrappen wanneer de wet voorgelezen wordt in de kerkdiensten". We zijn dit met de kroniekschrijver eens, die zich dan ook beter kan vinden in hetgeen CALVIJN opmerkt bij Genesis 2: 3 (...)

Ds. H. van Leeuwen, 27 oktober 1966

Noten

[*] 'Een werkelijk gevoerde correspondentie', in Mededelingenblad der Christelijke Gereformeerde Gemeente te Hoofddorp, september 1966. De vergelijking die hier gemaakt wordt tussen de situatie van de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk met Bewaar het Pand in de Christelijke Gereformeerde Kerken ging niet helemaal op, hoewel de ontwikkelingen binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken nadien wel snel gegaan zijn. Dit citaat maakt duidelijk dat ds. Van Minnen zich in de oprichting van Bewaar het Pand (dus blijven opereren binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken) niet kon vinden. In hetzelfde schrijven geeft hij expliciet aan nog steeds niet in het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Kerken te willen terugkeren. Dit laatste zou hem "nog niet zo lang geleden" wel zijn voorgesteld. 

Statenvertaling of een nieuwe vertaling

In de jaren vijftig en zestig begonnen vragen rondom de wel of niet wenselijkheid van een nieuwe vertaling van de Bijbel met het oog op de kerkelijke gemeenten voor verwarring te zorgen. De vragen rondom dit onderwerp kwamen niet uit de lucht vallen. Dit thema kwam binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk al in een vroeg stadium op tafel. In 1911 raakte ds. F.P.L.C. van Lingen op persoonlijke titel betrokken bij het initiatief van de heren P. Veen, D. van Krevelen, L.W. Bakhuizen van den Brink voor een nieuwe vertaling van de Bijbel. De initiatiefnemers stelden vast, "dat de Statenvertaling in menig opzicht is verouderd, wat zinsbouw en woordkeus betreft, dat rekening gehouden moet worden met de stand van de wetenschap aangaande de grondtekst." Bovendien zag men het belang in dat de Bijbelvertaling, die in onze tijd zal voldoen, zo duidelijk mogelijk, rechtstreeks spreekt tot de lezer, weliswaar in de geest van de gewijde schrijvers. De opzet was: "zo getrouw mogelijk aan de grondtekst, in de taal van onze tijd." 

Een begin werd gemaakt met de vertaling van het Nieuwe Testament, waarvan de leiding in handen was van dr. A. van Veldhuizen hoogleraar vanwege de Nederlandse Hervormde Kerk aan de Universiteit van Groningen, terwijl medewerking werd verleend door de heren dr. F.W. Grosheide, predikant bij de Gereformeerde Kerk in Schipluiden, F.P.L.C. van Lingen, oud-docent aan de Theologische School Apeldoorn, dr. J.W. Pont, hoogleraar vanwege de Hersteld Evangelische Lutherse Kerk aan de Universiteit van Amsterdam, dr. C.H. Rijn hoogleraar in de godgeleerdheid aan de universiteit in Groningen en dr. J. de Zwaan, buitengewoon hoogleraar aan de universiteit in Leiden. 

Ds. H. Janssen van Leiden schreef in De Wekker: "Dit bericht kan en mag niet anders dan met blijdschap door ons worden begroet. leder, die een weinig van de grondtalen van de Heilige Schrift afweet, is het bekend dat onze in vele opzichten uitnemende Statenvertaling niet overal de grondtekst getrouw teruggeeft en op vele plaatsen zelfs duister en onverstaanbaar is. Dr. Noordzij heeft enige jaren geleden dit ten opzichte van het Oude Testament afdoende aangetoond. Onze Statenvertaling is nu bijkans 300 jaren oud en gedurende deze lange periode hebben zowel de archeologische en linguïstische onderzoekingen niet stil gestaan. Ook onze taal heeft zich in dat tijdvak ontwikkeld (..) Wat wij behoeven is een nieuwe vertaling der Heilige Schrift, die vervaardigd wordt door bekwame mannen, die op de hoogte van de hedendaagse wetenschap staan en onvoorwaardelijk vast houden aan het gereformeerde beginsel: de Heilige Schrift is Gods Woord. Dit laatste klemt te meer, omdat de modernen hun nieuwe Bijbelvertaling hebben. Nog een paar afleveringen en het standaardwerk, de vertaling der Heilige Schrift, begonnen door Kuenen e. a. en thans voleindigd door prof. Oort, is voltooid. Dat werk, waaraan schatten van geld en wetenschap zijn ten koste gelegd, staat daar als een waardig monument van de moderne theologie. Maar dat monument roept om zijn antipode, dat is een zelfde vertaling, maar dan van uit het tegenover gestelde standpunt ondernomen. Dat werk komt nu en daarover verblijden wij ons." (..) Het plan zelf heeft onze volle sympathie, maar met den opzet kunnen wij het niet geheel eens zijn. 't Is nu zoo geheel een particuliere onderneming en de vertalers tijgen aan den arbeid zonder enig mandaat. Dat lijkt ons niet juist, want daardoor krijgen nu ook een particuliere vertaling en deze zal niet gemakkelijk door enige kerk in ons Vaderland worden geautoriseerd en ingevoerd. (..) De kerk of kerken in ons Vaderland hadden deze zaak moeten behandelen en gemeenschappelijk moeten ondernemen. Dat had gekund en kon misschien nog wanneer de commissie die zich thans gevormd heeft met de verschillende kerken in ons Vaderland in overleg trad. Dan kon misschien nog verkregen worden, wat thans ontbreekt, want de vertaling der Heilige Schrift is allereerst een zaak van de kerk en niet van particulieren. Haar zijn de woorden Gods toevertrouwd, zij is de plaats en vastigheid der waarheid en daarom is aan haar de taak zorg te dragen voor de vertaling der Heilige Schrift."[*]

In 1929 gaf ds. G. Salomons in De Wekker aan dat hij de vraag naar een nieuwe vertaling van de Bijbel legitiem vond. Maar op welke wijze moest een dergelijk groot en verantwoordelijk werk dit tot stand komen? "Men heeft omtrent de al of niet noodzakelijkheid van uitbreiding van de belijdenis gezegd en geschreven, dat een belijdenis niet moet gemaakt, maar geboren worden. In nog veel strenger zin, mag dit wel van een nieuwe, door de kerk gegeven of gesanctioneerde Bijbelvertaling gezegd worden. Zulk een nieuwe vertaling moet geboren worden. Hij moet een kind zijn van bange weeën, voortgebracht uit de godvruchtige moederschoot van Jezus' kerkbruid. Anders zal zulk een vertaling, als de kerk er haar kerkelijk zegel op drukt, wel verwarring, maar geen verheldering, wel tweedracht maar geen eendracht te weeg brengen. Eigenlijk pleit het dus niet voor ons, dat een nieuwe kerkelijke Bijbeluitgave met nieuwe vertaling m.i. nog niet wel mogelijk is. Het spreekt van onze zonde en ellendigheid. Onze geesteloosheid, onze verachtering in de genade, onze kleur- en fleurloosheid, onze enghartigheid en verdeeldheid." [*] 

Prof. Van der Meiden, de opvolger van Prof. P.J.M. de Bruin, verleende uiteindelijk zijn medewerking aan de nieuwe vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap voor het Oude Testament. 

Ds. F.P.L.C. van Lingen
Ds. F.P.L.C. van Lingen
Ds. G. Salomons
Ds. G. Salomons
Prof. L.H. van der Meiden
Prof. L.H. van der Meiden


Noten

[*] De Wekker, 26 april 1912

[*] De Wekker, 8 november 1929 - 27 december 1929

Landelijk comité voor behoud van de Statenvertaling 

In januari 1963 hield de winkelier H. Kooistra (lid van de Chr. Geref. Kerk) voor de SGP-kiesvereniging een inleiding "Over en tegen de Nieuwe Vertaling". Hij zette zijn bezwaren ten aanzien van de Nieuwe Bijbelvertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap uiteen en sprak zijn bezorgdheid uit over de toekomst van de Statenvertaling. Hierop werd een commissie benoemd bestaande uit de heren: S. van der Wal uit Valom, H. Kooistra uit Wouterswoude, J.W. de Vries uit Dantumawoude, Tj. Zijlstra uit Wouterswoude en B.J. de Jager uit Wouterswoude. Dit vijftal noemde zich aanvankelijk: 'Landelijk comité van de Statenvertaling en veroordeling van de Nieuwe Vertaling.'  Het comité bracht de zaak op landelijk niveau onder de aandacht waarop zo'n drieduizend adhesiebetuigingen werden ontvangen. Na enige tijd kon het comité worden uitgebreid met de heren A. Bergsma (Rotterdam-West), W. Chardon (Driebergen) en G. Stuivenberg (Baarn). Ook verschillende predikanten gaven hun steun: ds. M. Baan, ds. E. van Marchie van Voorthuysen, ds. J. van Prooijen, ds. A. W. Verhoef, dr. C. Steenblok, ds. J.G. van Minnen, en ds. E. Venema. Besloten werd tot uitgave van de brochure Statenvertaling contra nieuwe vertaling door de heer A. Bergsma, ouderling van de Christelijke Gereformeerde Kerk Rotterdam-West, voorzien van een voorwoord door ds. M. Baan. De secretaris ir. L.R.T. Oskam (lid van de Christelijke Gereformeerde Kerk Dordrecht-Centrum) schreef een begeleidend schrijven. 

In veel kerkbladen werd positief op deze brochure gereageerd. Ook binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk stemde velen er mee in. Prof. dr. J.J. Oosterhoff reageerde in De Wekker echter nogal kritisch. Bovendien werd in het kerkblad van de classis Apeldoorn van de Christelijke Gereformeerde Kerken van 2 september 1966 onder de titel 'Veluwse Vlinders' de eerst gehouden toogdag in Barneveld op 20 augustus 1966 op de korrel genomen en openlijk getwijfeld aan de integriteit van de bestuursleden. Het gezelschap werd genoemd: "een bonte verzameling van geestelijke lieden, woord- en eedbrekers." In een christelijk-gereformeerd studentenblad werd geschreven: "dat men bang was dat er onder ons (binnen de Chr. Geref. Kerk) nogal wat predikanten zijn, meer dan ons lief is, die zich met dit slag lieden inlaten."


"Ik merk uit uw schrijven, dat u de betogingen van sommigen inzake de m.i. gegronde bezwaren tegen de Nieuwe Vertaling nu niet met zo'n groot genoegen geluisterd hebt, nu dat zou ik ook niet gedaan hebben. Ik heb ds. van der Poel en Mieras e.a. wel meermalen horen preken, en dan verliet ik de kerk, zeg maar met gemengde gevoelens. Er wordt van die zijde door sommigen wel wat al te veel geschetterd met grote woorden en afkeurende gezegden, die ook geen kant nog wal raken, maar opgemelde sprekers doen zelfs met hun beste bedoelingen m.i. niet veel goed aan de zaak. Verder moeten we maar denken: ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is en het gehoor moet proberen met onderscheidingsgave te luisteren, zowel naar de voorstanders als naar de tegenstanders van de Nieuwe Vertaling. Of het gehoor, dat in die kerk aanwezig was, dat kon opbrengen weet ik niet."
G. Salomons

Op 29 december 1966 overleed dr. C. Steenblok. In diens plaats kwam, namens de Gereformeerde Gemeenten in Nederland, ds. F. Mallan. Verder traden vanuit de Gereformeerde Gemeenten toe de predikanten C. Harinck en J. van Haaren. De Gereformeerde Gemeenten als geheel stonden aanvankelijk nogal aarzelend tegenover de Stichting. 

Trouw 10 augustus 1966
Trouw 10 augustus 1966
Trouw 11 augustus 1967
Trouw 11 augustus 1967

Wat wil prof. Oosterhoff zeggen? 

De vrouw op de kansel - en in de ambtsbank!?

In juni 1966 nam de Generale Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk het besluit om voor de vrouw het predikambt open te stellen. Vanuit de Gereformeerde Bond kwam bezwaar vanuit de overtuiging dat dit besluit in strijd was met wat de Schrift zegt. In het voorjaar van 1967 wijdde Prof. dr. B.J. Oosterhoff naar aanleiding van deze gebeurtenissen enige artikelen aan het onderwerp. Hierbij deed hij een aantal opmerkelijke uitspraken zoals: "We zullen eerst meer licht over de gegevens van de Schrift moeten hebben. Maar wij zijn niet klaar met de opmerking dat de Schrift zegt dat de vrouwen moeten zwijgen. De Schrift zegt ook andere dingen. En welke draagwijdte hebben de woorden van Paulus? Er zijn vrouwen en meisjes die dolgraag willen bezig zijn in de dienst van de Heere en in de verkondiging van Zijn evangelie. Is daar geen plaats voor? Al kennen wij de vrouw in het ambt niet, hier zou toch meer ruimte voor moeten zijn. Niet alleen buiten ons land, maar ook in ons land." (..) "Ik kan mij moeilijk de vrouw in het ambt voorstellen. Ik ben er ook nog niet van overtuigd dat de Schrift dit leert. Maar uiteindelijk zal de Schrift zelf en zij alleen moeten beslissen. Haar gezag moet prevaleren." 


In Nieuwe Haagse Courant van 29 mei 1968 stond te lezen onder de kop "Vrouwen toegelaten tot Schotse kansels" Rev. Eric J. Alexander protesteerde tegen de gang van zaken en zei:  "De Bijbel laat wel een gelijkheid zien tussen mannen en vrouwen, maar dat is een gelijkheid van staat, niet van taak."  Op zijn opmerkingen werd in het geheel niet gereageerd. "


Ds. van Minnen reageerde hierop als volgt: "Nee, de orthodoxe groeperingen in de "Vaderlandse of Volkskerk"; idem die in de verschillende afgescheiden kerken vanaf 1834 - nee, die zeggen niet zo maar ja, of zo maar nee, als het gaat over de vrouw op de kansel of in de ambtsbank. Hun leiders doen het "voorzichtig" om de vrouw toch in het (bijzondere) ambt te krijgen. Eerst er wat over schrijven en praten. Nee, niet als een donderslag uit een heldere hemel. Nee, zo ver is 't nog niet. Heel timede wordt nog geschreven in orthodoxe sfeer. Je moet de slapende kindertjes der kerk niet wakker laten schrikken. Maar de bij-luchtjes, als men nog goede geestelijk-functionerende reukorganen heeft, zijn toch wel waar te nemen. Maar de slapende en slaperige leden van de kerk (en hoevelen slapen er) geeft men dan een lichte injectie om wat positief te reageren over de vrouw op de kansel en in de ambtsbank. (...) Zachtjesaan er gewoon aan raken. Dan valt het niet meer op als tegenstelling. Dat is de inleiding; 't preludium, dat zo Bijbels schijnt en Bijbelse conclusies doet verwachten. En al zegt dr. Oosterhoff dit niet voluit en letterlijk met zijn vraagtekens en ideeën vol vaagheid, is hij bezig de kerk in te leiden voor de ontvangst van de vrouw in het bijzondere ambt. Echter is 't een ondergraven "van de dingen, die onder ons volkomen zekerheid hebben" (Lukas 1: 1).  "Veel ten opzichte van ook van deze zaak staat in het vraagteken: "Is het ook dat God gezegd heeft?"

"De Nieuwe Haagse Courant van 7 maart 1968 vermeldt: Gereformeerde Synode stelt ambten voor de vrouw. Synode praeses ds. P. Visser hield na afloop een korte toespraak, waarin hij zijn blijdschap uitsprak, dat na moeizaam overleg dit praktisch eenstemmig besluit genomen kon worden. Wat maakt God het toch moeilijk, dat er een moeizaam overleg moet plaats vinden over wat zo duidelijk in Gods Woord staat. Dit moeizame komt hier uit voort: dat men het licht van Gods Woord tracht uit te blussen. Het is of Jules de Corte in zijn levensliedje daarop antwoord met het: "Ik zou wel eens willen weten, waarom zijn de mensen zo moe. Misschien door het jachten en jagen; of ook wel door hun tienduizend vragen." En eindigt met: "En daarom zijn de mensen zo moe."[*]

J.G. van Minnen


"Welk een geschenk van God: moeders en vrouwen en meisjes met Goddelijk Geestes licht bestraald; in gezinnen en onder elkander! Hoe is men thans bezig Gods toorn nog meer uit te lokken, door het tarten van de God aller genade op een zogenaamde vrome wijze. Het zij buiten de Bijbel of met de Bijbel, die men laat zeggen, wat een dwaas wil, dat hij zeggen zal. Jonge dochters, moeders, vrouwen, als u de Heere mag vrezen, wat kan de Heere u dan, zonder dat u het zelf weet, in Zijn Koninkrijk ten zegen gebruiken. Noem mij achterlijk en niet bij de tijd of niet-eigentijds. Het is mij en ook meerderen onvergetelijk en bijzonder tot rijke zegen geweest onder moeders verkeerd te hebben, onder moeders met de vreze Gods begiftigd. Daar ging zo veel van uit! Eenvoudigen van geest! Dogmatisch zouden zij het niet hebben kunnen uiteenzetten; het verschil tussen het bijzondere ambt en dat der gelovigen. Maar dat laatste werd soms zo rijk in de praktijk gebracht."

J.G. van Minnen


"De argumentatie voor de vrouw in het ambt zijn zo slap en verwarrend als maar mogelijk is en tevens misleidend. Men onderscheidt niet maar vereenzelvigt "de moeder in Israël", dus de profetes in het hernieuwde ambt der gelovigen - met de vrouw in het bijzondere ambt."

Op de vraag van Oosterhoff of eventueel ook in de politiek een vrouwelijke minister moet worden uitgesloten antwoord ds. Van Minnen dat dit volgens hem het geval is: "Vast en zeker is ons antwoord. Nergens vind ik zulks in de Bijbel; noch in het OT noch in het NT. Of men moet Izebel en dergelijke bedoelen, die zichzelf als beulen voor de kerk hebben benoemd."

"Waar vinden wij in het Nieuwe Testament een vrouw in het bijzondere ambt?! Van Mattheus tot en met de Openbaringen van Johannes, niemand! Geen Maria, de moeder van Christus, geen Maria Magdalena, geen Dorcas die goederen voor de armen maakte. Helpen, dienen, tot steun en licht zijn voor Gods kinderen en zo veel anderen dingen, die ze deden. Maar in het ambt der gelovigen - en niet in het bijzondere ambt. Nogmaals, niet de vrouw wordt geroepen te regeren; noch in de Kerk, noch in de staat. Met die zogenaamde vragen of de vrouw al dan niet moet regeren zitten we midden in de emancipatiegeest, die over menige vrouw is gekomen uit de geest van de afgrond. Ze willen niet meer de plaats innemen, door God bestemd in Zijn Woord; dat is de emancipatiegeest!"

"En de man die dan misschien zegt: Juist, weg met die vrouwen, bedenke dat God de vrouw in het paradijs niet geschapen heeft als een vloermatje om zijn vuile voeten daaraan af te vegen, en ook niet na de val daartoe bestemd heeft. Men leze maar eens goed het huwelijksformulier; niet eigentijds alleen voor de Reformatietijd, maar ook voor de twintigste eeuw. Waarom?! Daarom! Omdat het naar Gods Woord is." 

"En dan vraagt dr. Oosterhoff in De Wekker van 10 maart 1967: Is er ook geen positie voor de vrouw in de gemeente denkbaar waarbij het bezwaar van Paulus wegvalt? Die vraag te stellen is reeds twijfel stellen aan wat in de eerste plaats de Heilige Geest betuigt." (..) "Vergeet dan niet: Woord en Geest zijn onafscheidelijk aan elkaar verbonden. Anders laten wij het Woord zeggen: wat onze verdorven geest wil." 

"Misschien maakt iemand de opmerking, dat zo de vrouw van het kerkelijk vlak wordt weggeveegd. Het tegendeel antwoorden wij u."


"Eens Boven zullen al Gods kinderen (mannen en vrouwen) in het bijzondere ambt staan. Anders dan op de aarde eens, waar alleen mannen in het bijzondere ambt stonden; en onvolkomen nog, al was het bevoegd. Dan volmaakt; en toch niet monotoon zullen mannen en vrouwen daar zijn: Profeten, priesters en koningen. Daar dan niet over anderen gesteld, opdat zondaren bekeerd zullen worden. Geen profetische bediening tot bekering, geen priesterlijke-diaconale hulp tot leniging van de nood; geen koninklijke regering in de zin van noodzakelijke en tot behoud uitoefende tucht der liefde en koninklijk strijden tegen alle zonden. Dan eeuwig profeet in 't jubilerend God groot maken. Eeuwig priesterlijk zich geven in liefde aan die grote God van liefde in Christus Jezus. Eeuwig Koningskinderen aan de troon van God, blinkend in schoonheid van de genade Gods. Hoofd, hart en hand eeuwig harmoniërend, gloliërend, tot eer van God en van het Lam, door het eeuwig vol blijven en met de Heilige Geest. Dit al, zonder verstarring, zonder uitgeput te raken, zonder in te zinken, of verduisterende mistwaden om zich of in zich." "Boven de starren daar blijft het eens lichten."[*] 

J.G. van Minnen


Noten

[*] De Wekker 17 februari 1967 - 10 maart 1967

[*] "Ik zou wel eens willen weten" liedje uit 1957 van Jules de Corte dat ging over de zin van het leven en werd bezongen vanuit een christelijke levensovertuiging. 

[*] Letterlijk: "Boven de sterren, daar zal het eens lichten", gezang van Jan de Liefde (1814-1869). Het vervolg luidt: "daar wordt uw hopend verlangen voldaan. Daar zal het lijden des harten eens zwichten, daar zal de vreugde voor eeuwig bestaan. Boven de sterren verdwijnt eens het duister. Daar ziet gij alles ontraadseld, onthuld. Wat gij verwacht van Gods eeuwigen luister, wordt daar eens heerlijk en blijvend vervuld. Boven de sterren daar waaien de palmen hemelse geuren den lijdenden aan. Eng'len begroeten met juichende psalmen doodmoede pelgrims aan 't einde der baan."

Uit de Haagse hof geplukt 

"Alexandra" schrijft in "Uit de Haagse hof geplukt" (Nieuwe Haagse Courant 1967) over vrijheid. Het kledingvoorschrift voor de doopplechtigheid waarbij Prins Willem Alexander ten doop gehouden werd luidde als volgt: Heren in jacquet of donker kostuum, dames in middagjapon met hoed en handschoenen. "Alexandra" vindt dit terecht geen hoge eis voor de genoden. Ze meent, dat het "verbazingwekkend" is, dat er nog velen waren, die er uitzagen of ze even van een zonneterrasje waren weggelopen. "Ik heb zitten beven" zegt ze "want elk ogenblik verwachte ik een stille wenk aan de dames, dat ze beter vertrekken konden. Wat niet gebeurde. Dan verschijnt er een kamerlid in lichte regenjas." "Waar het mij om gaat is of we werkelijk alle vormen moeten afschaffen en het vrijheid blijheid huldigen, of is er een grens?" "Naar mijn smaak (Alexandra) is die grens er, wanneer er een koninklijke plechtigheid is en de koninklijke familie degene is, die de normen stelt. Dan heeft men aan die normen te voldoen. Wie dat onzin vindt moet wegblijven." Op grond van Gods Woord van harte mee eens, maar hoe is het gesteld met die vormen en nomen die God, de hoogste Koning stelt in Zijn Woord? Of bewijst de praktijk niet veelal, dat we dat ook "onzin" vinden?! 

Open Vensters, september 1967 

Christelijke Gereformeerde Kerk in Hersteld Verband Zwijndrecht (ds. E. Venema)

In februari 1965 verbrak ds. E. Venema met een groot deel van zijn gemeente de band met de Christelijke Gereformeerde Kerken. In zijn verklaring liet hij blijken bezwaren te hebben tegen de ontwikkeling binnen kerken en de verschuivingen, die zich voordoen alsook tegen besluiten van de Generale Synode. 

De redactie van De Wekker keerde de zaak om en schreef: "Terecht is er in een dagblad op gewezen dat er geen bezwaren van Zwijndrecht waren tegen de Chr. Geref. Kerken, maar bezwaren tegen ds. Venema en de kerkenraad van Zwijndrecht. Dat zijn de nuchtere feiten. Tegen deze achtergrond valt er een bedenkelijk licht op deze daad, die als scheurmakerij moet worden getypeerd. Geen enkele ambtsdrager mag op deze willekeurige, individualistische wijze het kerkverband verbreken.[*]"

Enigszins wrang in dit verband was het feit, dat de zondag nadat ds. Venema was uitgetreden was 300 kerkgangers bijeen kwamen die binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken wilden blijven. In deze dienst ging voor...ds. C. Smits van Sliedrecht. De zondag daarop werden door ds. M.S. Roos van 's-Gravenzande de nieuwe ambtsdragers bevestigd. 

Noten

[*] De Wekker, 19 februari 1965

Wat wil prof. Oosterhoff zeggen?

Genesis 2 en 3 symbolisch verstaan!?

Op een predikantenvergadering van de christelijke gereformeerde kerken sprak Prof. dr. Oosterhoff over de vraag: Hoe moeten we Genesis 2 en 3 verstaan? Hij maakte daarbij opmerkingen die de gemoederen in beweging bracht,

Zo sprak hij uit dat de Gereformeerde Kerken destijds dr. Geelkerken ten onrechte hebben veroordeeld, alhoewel naar zijn mening de laatste fout was omdat hij vanuit de wetenschap tot zijn bepaalde exegese kwam en niet uit de Schrift zelf.  Volgens Oosterhoff eist het gezag van de Schrift dat we ons door de Schrift laten gezeggen wanneer we een verklaring zoeken van Genesis 2 en 3. "We moeten de Schrift leren verstaan zoals ze verstaan wil worden. En we mogen een ander geen gezag opleggen dan dat van de Heilige Schrift, ook bij exegese van het woord der Schrift." Wat dat laatste betreft was een ieder het wel met Prof. Oosterhoff eens uiteraard.

Prof. Oosterhoff stelde vragen: "Hoe stemmen de resultaten van de moderne natuurwetenschap overeen met de Heilige Schrift? Wat bedoelt de Schrift inzake het ontstaan van de mens? De Schrift geeft geen natuurwetenschappelijke uiteenzetting van het ontstaan van de mens en diens verdere geschiedenis. Maar wat dan wel?"

Oosterhoff stelde vast: "Met kracht moet worden gehandhaafd, dat de natuurwetenschap nimmer over de Schrift mag heersen. Niet de natuurwetenschap, maar de Schrift zelf maakt uit wat ze bedoelt. Geen wetenschap, of dat nu de filosofie of de natuurwetenschap is, kan ons de bedoeling van de Schrift duidelijk maken. De Schrift is haar eigen uitlegster. Anders doen we aan het openbaringskarakter van de Schrift tekort. We brengen de Schrift in een dienstknechtgestalte en dat mag nooit. Dit afgezien van het feit, dat de resultaten van de natuurwetenschap niet die vastheid bezitten, dat ze norm voor het verstaan van de Schrift zouden kunnen zijn. We moeten ook geen poging doen om bijbel en natuurwetenschap met elkaar in overeenstemming te brengen. Vanuit de wetenschap kunnen natuurlijk wel vragen opgeworpen worden die ons tot een nadere bezinning op de Schrift brengen. We moeten steeds weer ootmoedig luisteren naar de Schrift en horen wat de Geest tot de gemeenten zegt."

Oosterhoff vervolgde: "Waar we in onze tijd ook meer oog voor hebben gekregen dan onze vaderen vroeger, is de menselijke factor in het totstandkoming van de Schrift De inspiratie heeft niet zo mechanisch plaats gehad als men vroeger dacht. We zien ook veel meer verbanden tussen de Schrift en de oud-oosterse wereld, waarin de Schrift ontstaan is. Wij kunnen veel beter dan onze vaderen aanvoelen het karakter van het oude oosten. Dat was in elk opzicht anders dan onze westerse wereld. En de Bijbel is een oosters boek. Dat wisten we al, maar dat zal in het verstaan van de Schrift nog veel meer moeten worden verdisconteerd."

"Steeds meer zal tot ons moeten doordringen, dat we de Bijbel wel eens te veel vanuit ons westers denken hebben benaderd en in onze westerse denkvormen hebben ingeperst. Wie dat ziet, heeft behoefte om opnieuw naar de Schrift te luisteren." 

Maar dan komt Oosterhoff tot de kern van zijn betoog: Hij ziet allerlei symbolische trekken in het geschiedverhaal van Genesis 2 en 3 en komt tot de uitspraak: "Heel de hoofdstukken bieden een symbolische weergave van de werkelijkheid. Het is niet symbool en werkelijkheid, alsof die twee tegenstellingen zouden zijn. Maar de werkelijkheid wordt op symbolische wijze verhaald." "Het gaat in Genesis 2 en 3 om de werkelijkheid, zoals die in Romeinen 5 aan de orde komt en in zondag 3 en 4 van de Catechismus wordt omschreven. De mens is goed en naar Gods evenbeeld geschapen. Maar de mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen door het ingeven des duivels en door moedwillige ongehoorzaamheid van deze gaven beroofd. Daarbij moeten we bedenken, dat de eerste mens niet alleen stond. Er is een corporatieve eenheid van Adam en al zijn nakomelingen. Het totaliteitsbesef van de oosterling heeft dit zelfs dieper doorvoeld dan wij analytisch aangelegde westerlingen dat kunnen."


"Geen absoluut ja, noch absoluut neen. Zweven! En nog slapper is een synode, die dat slikt en een brochure daarover van dr. Oosterhoff vraagt en aanvaardt; in plaats van te vragen een duidelijk ja of neen t.o.v. die symbolische werkelijkheid van Genesis 2 en 3. Straks zal iemand voor het gerecht nog gevraagd worden (al blijkt zijn daad zonneklaar), als deze geen duidelijk neen of ja zegt t.o.v. de daad waarover hij beschuldigd wordt: schrijft u maar een brochure... 't Is een en al handige politiek! Nog slimmer: 't Is een en al diplomatiek; nog gevaarlijker dan politiek. Daar is de wereld vol van en de kerk speelt 't zelfde spel. Handig wordt er eerst over geschreven en gesproken; steeds weer en steeds meer, en dan maar doorduwen. Volhouden met of het net echt naar Gods Woord is. En bij het arm zijn aan de bediening van de Heilige Geest (die in al de waarheid leidt) komt men door deze methode onder de leugengeest."

J.G. van Minnen


"Maar deze geweldige werkelijkheid wordt ons in symbolische trekken, die ons aan profeten en dichters doen denken, weergegeven. De vraag naar de grens tussen symbool en werkelijkheid is typisch westers. Wij proberen symbool en werkelijkheid uit elkaar te halen. Daaruit moet misschien ook voor een deel de strijd in de westerse kerk over Doop en Avondmaal worden verklaard. De oosterling heeft met het symbolisch verstaan van de werkelijkheid veel minder moeite."

Ds. J.H. Velema die bij het betoog van Oosterhoff aanwezig was rapporteerde: "Met spannende aandacht werd naar dit referaat geluisterd. Het nam veel meer tijd in beslag dan op de agenda gepland was. Het werd in hoog en snel tempo uitgesproken, zodat men op bepaalde punten de referent niet meer kon bijhouden. Toch begreep iedere aanwezige de bedoeling van het gehouden referaat. (...) "Prof. Oosterhoff wilde leiding geven aan de vragen en problemen op dit gebied. We kunnen de vragen, die ons hier gesteld worden èn door de natuurwetenschap èn door onze middelbare schooljeugd niet uit de weg gaan. Het getuigde van moed dat de referent dit ook niet gedaan heeft. Hem werd dan ook dank betuigd dat hij zijn gehoor in dit referaat niet in de mist had gelaten."

"De twee saillante punten uit zijn betoog waren:  Genesis 2 en 3 tekent ons de werkelijkheid in symbolische taal; en Assen heeft geen rekening gehouden met het bijzonder karakter van Genesis 2 en 3; dr. Geelkerken is destijds ten onrechte veroordeeld."


Na afloop van zijn betoog kreeg Oosterhoff de nodige vragen voorgeschoteld, zoals: "Wat heeft het voor zin te vechten voor de feiten, als de werkelijkheid in symbolen wordt uitgedrukt? Zijn er in de Bijbel aanwijzingen dat we Genesis 2 en 3 zo mogen opvatten als de referent deed? Waar ligt de grens tussen deze en andere hoofdstukken van Genesis en de rest van de Bijbel?"

Prof. dr. B.J. Oosterhoff
Prof. dr. B.J. Oosterhoff

Bezwaren tegen opvattingen van Prof. dr. Oosterhoff (Instructie Driebergen op classis Utrecht)

Binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken bleven bezwaren leven tegen de opvattingen van prof. dr. B. J. Oosterhoff. De gemeente van Driebergen bracht later een instructie in op de classis Utrecht gehouden op 17 februari 1977 "m.b.t. het gevoelen van prof. dr. B. J. Oosterhoff, in zijn boek: 'Hoe lezen wij Genesis 2 en 3', alsmede zijn artikelenserie in 'de Wekker' over Adam en onze Gereformeerde Belijdenis." Driebergen had hierbij de bedoeling een kerkelijke uitspraak te vragen. Reeds eerder was de zaak ter sprake gekomen op de classis van het noorden, maar toen hadden de vragenstellers genoegen genomen met de uitspraak van curatoren. De wettigheid van deze instructie werd door de vergadering vastgesteld.  De classis Utrecht nam de instructie van Driebergen over. Inhoudelijk leidde de instructie wel tot discussie van voor- en tegenargumenten. Bij velen overheerste de indruk van een bezwaarschrift tegen prof. dr. Oosterhoff. Driebergen wenste de toelichting bij de instructie niet terug te trekken. Zij zou graag zien dat de synode zou uitspreken of het gevoelen van prof. dr. B. J. Oosterhoff, neergelegd in het boek "Hoe lezen wij Genesis 2 en 3?" en enkele Wekkerartikelen nu al of niet overeenstemt met Schrift en belijdenis. 


Bezwaren tegen Prof. dr. Oosterhoff afgewezen (PS)

De instructie met de uitvoerige schriftelijke toelichting van Driebergen die ter vergadering kwam op de Particuliere Synode van 19 april 1977 "gaf de synode al direct grote moeite." Zij gaf nl. aan dat de instructie het karakter van een bezwaarschrift had. Bovendien zou de toelichting wel "veel poneren maar niets argumenteren of bewijzen." 

Het verslag van de Particuliere Synode van het Oosten in de Wekker van 13 mei 1977 luidt nu verder als volgt: "De vergadering kan zich gelukkig prijzen haar beide curatoren, als zodanig doorkneed in deze materie, in haar midden te hebben. Uit hun mond mogen we vernemen dat het curatorium tot de conclusie is gekomen dat bedoeld gevoelen (Van Oosterhoff) niét in strijd is met Schrift en belijdenis, wat nog niet wil zeggen dat men het deelt. Er is een theologisch maar geen confessioneel verschil. Laten we oppassen dat we niet gaan vechten tegen een karikatuur. Na schorsing van de vergadering voor onderling beraad delen de Utrechtse afgevaardigden mee de toelichting te laten vervallen. De instructie kan nu als instructie behandeld worden. Wat zij beoogt wordt echter in strijd geacht met de taak van de generale synode en gezien als een verlaten van de goede weg van de kerk der Reformatie. Na enkele "historische" opmerkingen ter verdediging van de instructie die historisch toch niet blijken te kloppen wordt de instructie tenslotte verworpen. Over de behandeling van diverse appél schrijvens vanuit de classis Utrecht tegen de inmiddels verworpen instructie kunnen we kort zijn: de synode was er ook gauw mee klaar. (..)"

"Een nog jonge predikant zit met het probleem wat hij nu in de prediking en catechese leren mag. Een in de dienst der kerken reeds wat vergrijsde collega wijst hem het rechte spoor: alles wat je tot nu toe leerde als je maar christelijk gereformeerd blijft. Op heldere wijze gaat curator ds. Brons op de onder ons levende vragen in. We worden er een stuk wijzer van. T.a.v. de kwestie erfschuld-erfsmet waarschuwt hij tegen een onjuiste weergave van dr. Oosterhoffs standpunt. Er is geen sprake van dat hij op enigerlei wijze afbreuk doet aan de totale verdorvenheid van de mens en het schuldkarakter van de zonde." (..)

"De praeses spreekt een kort slotwoord waarin hij erop wijst dat we geen groep of ligging dienen te vertegenwoordigen maar het geheel van de kerk in het oog moeten houden, leest 1 Thess. 5:12 - 24 en 28, ontvangt bij monde van de assessor de dank van de vergadering voor zijn uitnemende leiding en gaat dan voor in dank- en smeekgebed. Daarna sluit hij de vergadering, waarvan u middels dit verslag hopelijk enigermate een indruk hebt gekregen die niet al te slecht is. Een buitenstaander moge soms denken: is dat nou allemaal familie van elkaar? Ik kan u zeggen: er waren in Amersfoort inderdaad broeders bijeen!"

Ds. G. Bijkerk (van Enschede)

Uit: Verslag vergadering Part. Synode v.h. Oosten 19 april 1977 (De Wekker, 13 mei 1977)



"De opstelling van Prof. Oosterhoff vervult ons met diepe zorg. Zijn uitlatingen t.a.v. Genesis 1, 2, 3, zijn beschouwing over het boek Hooglied, het boek Ruth, de Psalmen enz. doen ons onszelf afvragen: waar wilt u heen, professor?" Hij noemt Buskes een diep gelovig, evangelisch getuigend, fel protesterend mens. "Altijd ontmoet je in Buskes een warm christen, een bewogen mens, zelf gegrepen door de machtige boodschap van het evangelie." (Zie zijn boekbespreking: "Het humanisme van God."). Dr. G. de Ru, voormalig praeses van de Herv. Synode, beschaamt onze hoogleraar als hij zegt dat "Gods humanisme" van Buskes een on-Bijbelse gedachte is. Laat ons met ernst toezien op deze ontwikkeling en zonodig langs kerkelijke weg stappen ondernemen. 

G. Blom 


Waarom een Reformatorisch Dagblad en hoe? 

Naar mate de jaren zestig vorderde werd de behoefte aan een eigen dagblad voor de reformatorische gezindte steeds indringender gevoeld. De bestaande dagbladen voldeden "vanwege de eenzijdige voorlichting op kerkelijk en theologisch gebied" niet. In 1966 verschenen er "opruiende, leugenachtige en godslasterlijke publicaties" met betrekking op de in Elspeet gesignaleerde poliogevallen. Ook een dagblad als Trouw dat nog wel als 'christelijk' te boek stond zong mee met de wolven in het bos. Daarnaast was in de bestaande dagbladen veel te vinden over sport, toneel, films etc. Daarom kwam de Stichting Reformatorische Publicatie, dat bestond uit leden van kerkformaties uit de hele reformatorische gezindte, met het initiatief om "een beslist reformatorisch nieuwsblad" te doen verschijnen. Na onderzoek bleek dat dit initiatief haalbaar moest zijn, desnoods met een verschijningsfrequentie van drie maal per week. Wat betreft de inhoud streefde het bestuur naar een dagblad met daarin actuele berichtgeving van het voornaamste wereldnieuws, landelijk en regionaal nieuws, parlementair nieuws, land- en tuinbouw berichten, beurs- en marktberichten naast uitgebreid kerkelijk nieuws. Via artikelen en commentaren diende reformatorische voorlichting gegeven worden. Verder moest het blad fungeren als spreekbuis van landelijke organisaties, verenigingen en instellingen die op dezelfde grondslag stonden en aandacht hebben voor de jeugd.

Onder het initiatief stonden namen van predikanten uit de onderscheiden kerkgenootschappen: ds. C. den Boer, (Herv. Zeist), ds. G. Blom (Chr. Geref. Kerk Meerkerk), ds. G. Bouw (Chr. Geref. Kerk Scheveningen). ds. G. van de Breevaart (Oud Geref. Hendrik ido Ambacht), ds. J. de Bres (Herv. Waalwijk), ds. G.J. Buijs (Chr. Geref. Kerk Vlaardingen), ds. J. Catsburg (Herv. St. Maartensdijk), ds. H.C. v.d. Ent (Chr. Geref. Kerk Katwijk aan zee, ds. J. van Haaren (Geref. Gem. Amersfoort), ds. D. Hakkenberg (Geref. Gem. Dordrecht), ds. B. Haverkamp (Herv. Nijkerkerveen), ds. W. Heerma (Chr. Geref. Kerk Enschede), ds. P. Honkoop, (Geref. Gem. Kampen), ds. A. Hoogerland (Geref. Gem. Werkendam), ds. N. de Jong, (Chr. Geref. Kerk Driebergen), ds. S. de Jong (Herv. Houten), ds. J. Karens (Geref. Gem. Nieuwerkerk), ds. A. Kok (Geref. Gem. Poortvliet), ds. E. du Marchie van Voorthuysen (Oud Geref. Urk), ds. J.G. van Minnen (Chr. Geref. Gem. Delft), ds. J. van der Poel (Oud Geref. Ede), ds. J. van Prooijen (Oud Geref. Grafhorst), dhr. A. de Redelijkheid (Herv. Ouderkerk aan den IJsel), ds. J. van Rootselaar (Herv. Barneveld), ds. D. Slagboom (Chr. Geref. Kerk Dordrecht), ds. C. Smits (Chr. Geref. Kerk Sliedrecht), ds. G. Veldjesgraaf (Herv. Wouterswoude), Ds. A.W. Verhoef (Geref. Gem. Barneveld), ds. J.P. Verkade (Herv. Nieuwe Tonge)

In mei 1968 was de Stichting Reformatorische Publicatie (Driebergen) al enige tijd actief om te komen tot de verschijning van een Reformatorisch Dagblad. Velen gaven zich bij voorbaat op als abonnee of schonken een gift. Toen de verschijning echter uitbleef kreeg het bestuur te maken met vragen: of het nog lang duurde eer de zo begeerde krant er zou komen. Het werk werd gestagneerd, niet door interne moeilijkheden, maar door moeilijkheden van buitenaf. 

Een tweede comité zette zich in beweging, toen de eerst genoemde Stichting als geruime tijd bezig was, om een soortgelijk doel te bereiken, hoewel dan meer in de vorm van een wekelijks verschijnend opinieblad. Besprekingen tussen beide initiatiefnemers stranden op principiële verschillen. 

Ouderling G. Barten (Haarlem-Centrum/Hoofddorp)

Op 79-jarige leeftijd is dinsdag 15 oktober 1968 de heer G. Barten, in leven wonend te Hoofddorp, de eeuwige rust ingegaan. Tientallen jaren heeft deze broeder als ouderling in de wijngaard des Heeren mogen arbeiden; het grootste deel van die tijd in de Christelijke Gereformeerde Kerk van Haarlem-Centrum. De laatste jaren van zijn leven in de gemeente te Hoofddorp. Opgevoed in de vermaning en vreze des Heeren, wandelde onze broeder, hoewel in godsdienstbetrachtingen levend, naar het goeddunken van zijn eigen hart, totdat in zijn jongelingsjaren de Heere hem te sterk werd. Hoe kon hij vertellen van de bange strijd die hij toen had te doorworstelen, hoe hij als een geheel ongelukkige in zichzelf zijn weg ging, maar ook hoe hem, na diepe zielsontdekkingen door Gods Geest de volkomen zaligheid voor zondaren in Christus ontsloten werd. En degenen die hem van nabij kenden weten dat het vooral de preken waren waarin de noodzakelijkheid, maar ook de heerlijkheid en volzaligheid van Christus' Borgwerk uitblonken die zijn hart raakten. Dat was ook zo toen zondag 15 september jl. de laatste zondag was aangebroken dat hij onder de dienst des Woords mocht opgaan. Er werd toen een predicatie gelezen n.a.v. Hooglied 5 over "De zwerftochten van de bruid van Christus". Die predicatie ging als ware door zijn ziel heen. Een ogenblik werd gedacht dat hij vanwege zielsaandoeningen uit de kerk gebracht zou moeten worden. Na de dienst vertelde hij dat hij met de zaken in die preek verhandeld 's morgens vroeg in de geest was werkzaam geweest en in de weken die nog volgden was het steeds weer de inhoud van die preek die hem spreken deed. Hoewel reeds lijdend aan gebreken van ouderdom, bracht een ernstige ziekte hem binnen enkele weken aan het eind van zijn aardse loopbaan. Zaterdag 12 oktober nog naar het ziekenhuis gebracht, vertoonden zich reeds dinsdagmorgen daarop volgend de tekenen van het naderend einde. En zie, hoewel in zijn leven zeer bezet met vrees voor de dood, mocht hij, slechts een enkel uur voor zijn sterven getuigen: "Ik heb een begeerte om ontbonden en met Christus te zijn" en: "Genade, genade alleen". De prikkel des doods was weggenomen. Geen doodstrijd heeft hij schier gekend. Thans is hij daar waar hij de wens van zijn hart verkregen heeft om God in volmaaktheid te dienen eeuwig en ongestoord. Zaterdag 19 oktober had de begrafenis onder grote belangstelling te Hoofddorp plaats. Hoewel droefheid het hart vervulde vanwege het verlies, lag evenwel op deze dag een glans van Gods goedgunstigheid. Een Koningskind werd ten grave gedragen. 'Let op de vrome en zie naar de oprechte want het einde van die man zal vrede zijn.'

G. den Boer in: Kerkelijk blad 'Open Vensters'

Arnhem met ds. J.C. van Ravenswaay 

In 1969 rezen binnen de classis Apeldoorn problemen rondom ds. J.C. van Ravenswaay en diens gemeente in Arnhem.[*] Een deel van de gemeente (een groep van 50 leden) kon zich niet in zijn prediking vinden en ook niet - zo bleek - in die van diens voorganger ds. H. van Leeuwen. Deze predikanten behoorden volgens hen tot "de zware richting." De groep wilde een afzonderlijke gemeente in Arnhem stichten binnen het verband van de Christelijke Gereformeerde Kerken. Merkwaardig genoeg bleek de classis Apeldoorn bereid om medewerking te verlenen. Onder leiding van de kerkenraad van Doesburg zou een tweede predikantsplaats in Arnhem gesticht worden onder de naam Arnhem-Zuid. 

De kerkenraad van ds. Van Ravenswaay protesteerde tegen de gang van zaken. Dit was volgens hen tegen de kerkorde. Een classis kan niet een gemeente stichten in een plaats waar al een gemeente is van het zelfde kerkverband. Dat kan alleen de moedergemeente zelf doen. Ds. van Ravenswaay vond het onverdraaglijk, dat de classis elke zondag naast hem een tweede predikant in Arnhem laat preken. Hij liet de classis weten "dat hij geen onderscheid kent tussen 'zware' en 'lichte' prediking, alleen tussen Schriftuurlijke en onschriftuurlijke."[*] 

Op 12 maart 1969 schreef ds. H. van Leeuwen als oud-predikant van Arnhem een brief aan de classis Apeldoorn: 

"Naar aanleiding van de Wekker-publicatie inzake mijn vroegere gemeente Arnhem verzocht ik de Wekker-redactie opname van de door mij gevoelde bezwaren. Ik deed dit m.i. met recht, omreden door de vijf broeders, die de tweede spreekplaats, of eerlijker gezegd, een tweede gemeente wensten, bij hun motivering ook werd betrokken mijn Arnhemse ambtsperiode (1955-1962) blijkens mijn nadere informatie. Mijn verzoek werd afgewezen met de verwijzing, dat de classis het adres voor mijn bezwaren is. Dus richt ik mij tot u, in vertrouwen, dat u mijn schrijven niet voor kennisneming zult aannemen, maar het wil beschouwen en behandelen als mijn diepgevoelde bezwaar en tevens ernstige, welmenende waarschuwing. Het feit van Arnhems splitsing heeft mij zeer ontsteld en bedroefd, een gemeente, die volgens ons kerkelijk jaarboek 363 zielen telt. Gezien deze droeve splitsing rezen benauwende vragen bij mij op, hoe zodanige gang en zodanig besluit in ons kerkelijk leven mogelijk is. Destijds bleek in Haarlems gemeente zulk een splitsing niet mogelijk te zijn. Nu in Arnhem kon dat wel! Is het geestelijk verantwoord, dat Arnhem attestaties diende in te zenden bij onze kerk te Doesburg, omreden de bezwaarde broeders zich in de prediking van Ds. Van Ravenswaay niet konden vinden en die nu toch kunnen kerken in een Christelijke Gereformeerde kerkgemeenschap, momenteel zelfs in een zaal aan de Velperweg, geen kwartier van onze gevestigde plaatselijke kerk aan de Groen van Prinstererlaan af, zij het dan bedoeld als tijdelijk in verband met huurmoeilijkheden in "Arnhem-Zuid". U zult opmerken, dat de kerkenraad van Arnhem toch beloofde niet te zullen tegenwerken bij de formering van een tweede spreekplaats. Maar was dit voor uw classis dan een gegrond motief voor haar besluit? Zou tegenwerking ten deze een kerkenraad waardig zijn? We menen van niet naar Spreuken 20: 22.[*] Daartegenover heeft toch de kerkenraad zich duidelijk uitgesproken (en zulks ook naar de Schrift) tot zulk een handelwijze zijn medewerking niet te kunnen verlenen, d.i. zijn goedkeuring eraan geven, zijn bewilliging. Moest dit niet hét gegronde motief voor de classis zijn geweest om tot splitsing niet over te gaan? Voorts: was het verzoek tot splitsing gegrond op verdere geestelijke motieven, naar Schrift en belijdenis? Is het Gereformeerde kerkrecht volledig gehandhaafd en opgevolgd? Wij vragen ons nogmaals in diepe ernst af: kan dit alles zo maar in onze Christelijke Gereformeerde Kerken plaats hebben? Deze vragen beklemmen ons des te meer, omdat we zulke ernstige tijden beleven en zo uiterst moeilijke voor onze jeugd, gezien de grote vervlakking op godsdienstig en kerkelijk terrein. Ja, de vrees is niet ongegrond, dat binnen de tijd van één generatie de geestelijke onderscheiding niet meer wordt gekend. Wordt veelal niet de echte, Bijbelse mystiek gebrandmerkt als "ouderwets", "ziekelijk" verschijnsel? En daarbij de al meer veld winnende Bijbelkritiek op het kerkelijk erf, op de scholen en in de gezinnen. Dan ook de schrikbarende ondermijning en vertreding van het door God Zelf gegeven gezag, waarvan de gevolgen bijzonder op zedelijk gebied niet te overzien zijn. Moest niet nóg ernstiger en met een bewogen hart vanaf kansels en katheders worden gewezen op deze dingen en worden gewaarschuwd, ja, worden opgewekt om terug te keren "tot de Wet en tot de getuigenis", tot een vragen naar de "oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin, zo zult gij rust vinden voor uw ziel", Jer. 6 : 16? O merken we het op, wat Christus sprak tot Zijn discipelen: "Hetgeen Ik u zeg, dat zeg Ik u allen: waakt!"

Uw vergadering de leiding en het licht van de Heilige Geest van harte toebiddend, verblijft met hartelijke groeten en heilbede,

  uw oud-medelid uwer classis en broeder" 

           Ds. H. van Leeuwen


De kerkenraad van Arnhem besloot naar aanleiding van deze kwestie uit het verband van de Christelijke Gereformeerde Kerken te treden. Ds. Van Ravenswaay deelde aan de gemeente mee dat zeven kerkenraadsleden voor de uittreding hadden gestemd en 2 tegen. In zijn verklaring uitte hij bezwaren tegen de prediking zoals die naar zijn mening in de Christelijke Gereformeerde Kerken steeds meer ingang vond. "Het stuk der ellende komt daarin op de achtergrond." De kerkenraad is ook verontrust over de opvattingen van prof. dr. B. J. Oosterhoff inzake Genesis. Ook heeft men bezwaren dat de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken de nieuwe Bijbelvertaling, de nieuwe psalmberijming en het vrouwenkiesrecht heeft toegestaan.

Ondertussen werd de schuld van de scheuring in de schoenen van de kerkenraad van Arnhem en ds. Van Ravenswaaij geschoven: "Het is een droeve en beschamende zaak dat een kerkenraad op een dergelijke onverantwoordelijke wijze, in strijd met kerkelijke beloften, het kerkverband gaat verbreken."[*] 

Brief Delft aan ds. Van Ravenswaay

Omdat de kerkenraad  van Arnhem op voorhand geen voornemen had, om zich bij een ander kerkverband aan te sluiten schreef de scriba van Delft op 17 mei 1969 een brief aan ds. Van Ravenswaay: 

"Wij hebben kennis genomen van het feit en de gronden waarop u gebroken hebt met de Chr. Geref. Kerken en het besluit van uw kerkenraad uw bestaan als autonome gemeente voort te zetten onder de naam van Chr. Geref. Gemeente. Waar we als gemeente, naar eis van het Woord des Heeren, eenheid wensen te zoeken, waar dit op grond van Schrift en belijdenis mogelijk is, zouden we gaarne nader met u in contact komen om gezamenlijk te onderzoeken of er een mogelijkheid is tot samenbundeling onder gemeenten."

Spoedig bleek echter dat ds. van Ravenswaay inmiddels al contact had met het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten. Op donderdag 23 mei werd een spoedvergadering belegd door de classis Barneveld. Op deze vergadering werden predikant en gemeente tot dit kerkverband toegelaten. 



"Door ds. van Ravenswaay en de kerkenraad, van de Chr. Geref. Gemeente te Arnhem is een verzoek gedaan aan de classis Barneveld tot opname in de Geref. Gemeenten. De classis Barneveld kwam in verband met dit verzoek bijeen in een spoedvergadering op donderdag 23 mei, terwijl als adviseurs waren uitgenodigd de voorzitter van het curatorium en de docenten van de Theologische School, ook deputaten art 49 van de P.S. Oost waren aanwezig. Door ds. van Ravenswaay werd namens zijn kerkenraad het verzoek om aansluiting bij de Geref. Gemeenten nader toegelicht. Nadat ds. van Ravenswaay persoonlijk een kort verslag gegeven had van genadestaat en roeping tot het predikambt, en na het advies van deputaten en adviseurs gehoord te hebben, besloot de classis aan het verzoek te voldoen.

Daar bij de losmaking van de Chr. Geref. Gemeente te Arnhem van de Chr. Ger. Kerken een gedeelte van de gemeente niet meegegaan was, bepaalde de classis Barneveld dat een broederlijke verdeling moet plaats vinden van de kerkelijke goederen. Tevens dat naar een eenwording gezocht moet worden van de reeds bestaande Geref. Gemeente te Arnhem en de overgekomen Chr. Ger. Gemeente. Door de classis werd daartoe een kommissie benoemd met een tweetal adviseurs buiten de classis om bovengenoemde zaken met de beide kerkenraden te Arnhem te regelen."[*] 


Noten

[*] Ds. Van Ravenswaay werd in 1945 predikant in Zaamslag. Hierna stond hij in Scheveningen. In 1966 kwam hij in Arnhem.  

[*] Gereformeerd Weekblad, 12 april 1969

[*] "Zeg niet: Ik zal het kwaad vergelden; wacht op den HEERE, en Hij zal u verlossen."

[*] De Wekker, 4 april 1969

[*] Brief kerkenraad Delft aan ds. J.C. van Ravenswaay, 17 mei 1969

[*] De Saambinder, 29 mei 1969

Voormalig kerkgebouw Alphen aan  den Rijn
Voormalig kerkgebouw Alphen aan den Rijn

Initiatief uit Alphen aan den Rijn

In december 1970 sprak ouderling Van der Lee (Chr. Geref. Kerk Alphen aan den Rijn)[*] zijn verontrusting uit over de ontwikkelingen binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken. De kerkenraad nam die verontrusting over en trad in contact met andere kerkenraden. Tevens werd een instructie gezonden naar de voorjaarsclassis van 1971.

In mei 1971 werd een ambtdragersvergadering belegd om over het onbehagen dat in de kerken leeft te spreken. Daaruit bleek dat het thema breed in de kerken leefde. De kerkenraad van Alphen aan den Rijn achtte het nodig om met gelijkgezinde kerkenraden verder overleg te voeren.

Op 15 april 1972 werden afgevaardigden genodigd uit Barendrecht, Dordrecht-Centrum, Katwijk aan Zee, Nieuwkoop, Rotterdam-West, Sliedrecht-Centrum, Urk en Meerkerk. Tijdens deze vergadering werd zorgen geuit over prediking, liturgische vernieuwing, ontwikkelingen in het jeugdwerk, theologische opleiding en toenadering tot de Vrijgemaakte Kerken. Er werd besloten een getuigenis op te stellen. Dit getuigenis werd door de kerkenraad van Alphen aan den Rijn verspreid in november 1972. In die zelfde periode werd er door een twintigtal predikanten een schrijven opgesteld, gericht aan curatoren en hoogleraren van de Theologische Hogeschool.[*]

Referaat ouderling J. Veenendaal (Driebergen) 

In 1973 hield ouderling J. Veenendaal uit Driebergen een referaat voor een conferentie van ambtsdragers in de classis Utrecht. Ds. G. Blom [*] wijdde er in het blad Bewaar het Pand enige artikelen aan. Hij schreef het volgende: 

"Referent (de heer Veenendaal) trekt conclusie, dat de zuivere bediening en prediking des Woords een hoogst ernstige zaak is. Het wezen van de prediking wordt echter voor alle dingen bepaald door de Heilige Schrift zelf. (..) God heeft het Evangelie verordend tot een zaad der wedergeboorte en spijze der ziel (Dordtse Leerregels)." 

"De waarheid Gods moet ons in de ingewanden ingezonken zijn, zo zei eens Calvijn. Om het verband tussen het voorwerpelijk aangebrachte heil en de onderwerpelijke toepassing uit te drukken spreken we dus van voorwerpelijk-onderwerpelijke prediking. Er behoort tussen deze twee woorden een harmonische samenhang te zijn. Niet los naast elkaar maar samenstemmend verbonden zijn de woorden gebruikt. Wie beide elementen loslaat, het voorwerpelijke en onderwerpelijke losmaakt, geraakt tot twee te mijden uitersten." (..) 

"Het is dus niet genoeg als de prediker zijn tekst ontvouwd heeft, hij moet met die ontvouwing doordringen tot het wezen der geestelijke zaken. Hellenbroek wijst op de Schriftuurlijke noodzaak, Christus te verkondigen als Middelaar van verdienste, maar zeer zeker ook als de Middelaar van toepassing. Daar is geen scheiding tussen voorwerpelijk en onderwerpelijk, daar is geen scheiding tussen Christus als Middelaar van verdienste en van toepassing, daar is geen scheiding tussen de prediking als explicatio (verklaring) en applicatio (toepassing)." (..)

"In zijn dagen schreef Prof. Bavinck reeds: "Maar er is een belangrijk element dat ons heden ten dage veelszins ontbreekt; de geestelijke ziele kennis wordt gemist. Het is alsof wij niet meer weten wat zonde en genade, wat schuld en vergeving, wat wedergeboorte en bekering is. In theorie misschien nog wel, maar niet meer in de ontzaggelijke realiteit van het leven", aldus prof. Bavinck. "Waar de bevindelijke kennis van de enige waarachtige God en Jezus Christus, Dien Hij gezonden heeft niet meer wordt gepredikt, vervreemdt de gemeente van de verborgenheid des Heeren (Ps. 25 : 4), en zien we daar, waar eerst een bloeiende gemeente was, met het wegsterven van de bevindelijke prediking, de kerk gaat inzinken. Daar is dan ook geen geestelijke onderscheidende kennis en aanvaardt men in de kerk als gelovigen wie dat niet zijn." (..) 

"Velen willen het zo voorstellen, dat het slechts een verschil is van nuance, dat de een het wat moderner en de ander wat ouderwetser zegt, maar dat men het in het wezen der zaak met elkaar eens is. Zulke opmerkingen zijn ook gemaakt naar aanleiding van de brief van de kerkenraad van Alphen aan den Rijn. Dan vragen we ons wel eens af: ziet men het verschil niet of wil men het niet zien? Buitenstaanders - en daaronder zijn er wel die objectief genoeg in hun oordeel zijn - denken er anders over. Zij constateren verschillen. Laten wij er dan niet blind voor zijn. Het gaat om belangrijke zaken. Wanneer we als kerken, als plaatselijke gemeente, als persoon niet zien en niet erkennen wat er aan scheelt zal er nooit inkeer en verandering ten goede kunnen komen."

G. Blom


Ds. G. Blom
Ds. G. Blom

"Men gaat uit van het zijn in Christus, om dan verder, al weet men van de toepassing des heils niets af, met een beredeneerd geloof zichzelf te helpen. Men begint aan te nemen, (want geloven is het niet,) een gekende, een kind van God te zijn en nu past men zelf de verbondszegeningen toe, vreemd aan het werk van de Heilige Geest. Dan is het natuurlijk geen vraag: hoe ga ik over in het genadeverbond, hoe heb ik macht ontvangen, een kind van God genaamd te worden? In het genadeverbond is de gouden keten van de orde des heils vastgelegd: roeping en wedergeboorte, geloof en bekering, rechtvaardigmaking en heiligmaking en heerlijkmaking. Al deze verbondsweldaden worden we alleen deelachtig door de toepassing van de Heilige Geest." (..) "Als men er van uitgaat, dat het met de gemeente in orde is en steigert wanneer in de prediking doorklinkt dat elk persoonlijk moet worden bekeerd en wanneer men niet alleen veronderstelde wedergeboorte maar ook verondersteld geloof afwijst, dan staat het stoplicht op rood. Ja terdege, want aan dit dodelijk gevaar gaan onze kerken, zo God het niet verhoedt, ten gronde."[*]  



In de toelichting in het referaat "Kerkelijke verhoudingen en perspectieven" van ds. J. H. Velema, gehouden op de ouderlingenconferentie op 18 nov. 1972 merkt ds. Velema op: "Het is namelijk mijn mening dat in onze Chr. Geref. Kerken, die de veronderstelde wedergeboorte de voordeur hebben uitgewezen, een verondersteld geloof door de achterdeur wordt binnengehaald". "Daarmee bedoelen we", aldus ds. Velema, "dat we in deze fase van onze geschiedenis er teveel van uitgaan, dat de gemeente gelooft. Het is in onze kringen te horen, de vragen met betrekking tot de toe-eigening des heils zijn achterhaald; deze vragen hebben hun tijd gehad. Het gaat nu om andere dingen. Dat zou betekenen dat we een streep halen door onze bestaansreden als kerk, dat er tweespalt groeit en vroeg of laat tot uitbarsting komt in het kerkelijk leven en dat we onze aantrekkingskracht als kerken bezig zijn te verliezen." 

Bewaar het Pand, 9 augustus 1973

Noten

[*] Johannes van der Lee werd op jonge leeftijd geraakt door een preek van ds. P.J.M. de Bruin in Rijnsaterwoude. Deze preekte toen over de woorden uit Ezechiël 20:37: En ik zal u onder de roede doen doorgaan en Ik zal u brengen onder de band des verbonds. Sinds 1923 diende hij aanvankelijk als diaken en daarna vele jaren als ouderling in Alphen aan den Rijn. Hij werd later ook bekend als de administrateur van het blad 'Bewaar het Pand.' Op 19 november 1990 overleed hij in de leeftijd van 90 jaar. 

[*] Wij gedenken uw weldadigheid, een eeuw Christelijke Gereformeerde Kerk Alphen aan den Rijn: Alphen aan den Rijn (2004) pp. 101-111

[*] Ds. G. Blom werd in 1950 door ds. P. de Groot in het ambt bevestigd in Meerkerk met een preek over Ezechiël 3: 17: "Mensenkind. Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israëls; zo zult gij het Woord uit Mijn mond horen en hen van Mijnentwege waarschuwen." De dag daarop deed ds. Blom intrede met de woorden uit 2 Kronieken 20:12: "Want in ons is geen kracht tegen deze grote menigte, die tegen ons komt en wij weten niet wat wij zullen doen, maar onze ogen zijn op U."Ds. Blom zou in Meerkerk predikant blijven tot overlijden in 1992. Behalve hij veel werk verrichtte als hoofdredacteur voor het blad Bewaar het Pand deed hij ook ambtelijk werk in Vianen en Culemborg. Ook leidde hij jaarlijkse ontmoetingsdagen in Sliedrecht en Kampen. 

[*] Schriftuurlijk-bevindelijk, Bewaar het Pand, 3 mei 1973 - 9 augustus 1973