Deel 3

Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland

In de periode 1952-1975

Tweede contact ds. H. Visser Mzn. (1959)

In mei 1959 ontstond opnieuw contact met ds. H. Visser Mzn. toen ds. Van Minnen hem een bezoek bracht. De kern van het besprokene werd bevestigd in een persoonlijk schrijven van ds. Van Minnen op 8 juni 1959. Ds. Visser antwoordde per kerende post op 10 juni waarin hij aanvankelijk instemde met het geschrevene, maar kort daarop weer terug kwam, waarbij hij aangaf dat hij nog ten volle voor zijn rekening nam wat hij neerschrijf in zijn preek 'Elia bij de Horeb' van 15 september 1946. Deze preek had als ondertitel 'een Schriftaankondiging van de naderende oordelen, alsmede een praktische uiteenzetting van het goddelijk geloof der wet en het zaligmakend geloof des evangelies.' In zijn laatste schrijven stelde hij opnieuw enige vragen over de positie van ds. Salomons. Ds. Van Minnen beantwoorde dit schrijven uitvoerig maar nu volgde geen enkele reactie.

Ds. C. Smits bezoekt ds. van Minnen in Delft (1960)

In de zomer van 1960 zocht ds. C. Smits contact met ds. Van Minnen.  Op zondag 23 mei 1948 deelde hij reeds aan zijn gemeente mee dat hij het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Kerken wilde verlaten, maar werd hiervan toen op het allerlaatste moment weerhouden. De onvrede van Smits over de ontwikkelingen binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken was echter niet weggenomen. Ds. Smits vroeg tijdens zijn bezoek aan ds. Van Minnen om ds. N. de Jong die sinds 1952 verbonden was aan de gemeente van Katwijk in het gesprek te betrekken. Deze predikant zou een leidende rol moeten spelen gezien de grote waardering die vele behoudend christelijk-gereformeerden voor deze predikant hebben. Ds. N. de Jong had een gemoedelijke omgang maar was ook een uiterst zakelijk man die met vaste hand ergens leiding aan kon geven. Bij een eventuele uitreding uit de Christelijke Gereformeerde Kerk zou ds. De Jong dus zeker betrokken moeten zijn, aldus ds. Smits.

Bezoek aan ds. N. de Jong in Katwijk

Naar aanleiding van het bezoek van ds. Smits besloot ds. Van Minnen ds. N. de Jong op te zoeken. Deze ontmoeting vond plaats in juni 1960. De ontmoeting met ds. De Jong was bijzonder hartelijk. Ds. De Jong bleek het op vele punten met ds. Van Minnen en ds. Smits eens te zijn. Een breuk met de Christelijke Gereformeerde Kerken zou uiteindelijk onvermijdelijk zijn. Heel concreet werden tijdens deze gesprekken voorbereidingen getroffen. Ds. Van Minnen helderde vervolgens zijn optreden met betrekking tot de bevestiging van ds. Salomons in Bussum op en dan lijkt er niets meer in de weg te staan.

Nog dezelfde maand kwam ds. Smits opnieuw naar Delft om poolshoogte te nemen. Het korte resume van het besprokene met ds. N. de Jong en ds. C. Smits was als volgt:

1. We vliegen als bezwaarde christelijke-gereformeerden allen uiteen.
2. De behoudende gemeenten lopen gevaar immuun gemaakt te worden voor de Schriftuurlijk-bevindelijke prediking.
3. Om tot stappen te komen niet blijven staren op 'en bloc' [allemaal te samen]. En bloc is wel mogelijk, maar dan met behoud van het individuele element.
4. Vanwege druk en laster niet het hoofd in de schoot leggen.
5. De uitgave van een persorgaan.
6. De opleiding van dienaren des Woords.
7. De herbevestiging van ds. Salomons door ds. van Minnen.
8. De nood waarin met name de levende Kerk verkeert moet een schreeuw om ware oecumene veroorzaken. Niet om grootheid maar om God en elkaar.
9. Voorzichtigheid als de slangen en oprechtheid als de duiven is geboden.

Bezoek aan ds. F. Bakker in Driebergen

Hierna vond nog een persoonlijk gesprek plaats tussen ds. van Minnen en ds. F. Bakker (1919-1965) in Driebergen. Deze geliefde predikant is acht jaar predikant geweest in de Christelijke Gereformeerde Kerk van Huizen en Driebergen. Oorspronkelijk was hij kerkelijk aangesloten bij de Gereformeerde Kerk van Yerseke. Later sloot hij zich aan bij de Gereformeerde Gemeenten. Bakker werd ten tijde van ds. A. Gruppen (1886-1955) lid van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Biezelinge.  De begeerte tot het predikambt werd hem opgelegd. Hij was verlegen en bescheiden van aard maar de studie in Apeldoorn schrikte hem niet af. Helaas werd hij de eerste keer afgewezen. De tweede keer mocht hij zijn studie wel beginnen. Ds. Bakker had niet zo veel sprekersgaven en moest hard werken voor zijn studie. In 1956 werd hij de opvolger van ds. C. den Hertog in Huizen. Tussen ds. van Minnen en ds. Bakker ontstond een warme vriendschap. Ds. Bakker kon zich in het besprokene met ds. Smits en ds. De Jong vinden en drong er bij ds. Van Minnen op aan om aanwezig te zijn op de a.s. vergadering van bezwaarde predikanten in Rotterdam.

Bezoek aan ds. C. Smits in Sliedrecht

Op 11 juli 1960 bracht ds. Van Minnen een bezoek aan ds. Smits in Sliedrecht. Een hartelijk ontvangst volgde hier.  De vrouw van ds. Smits stond geheel achter haar man en wees op nood van de jeugd. Ds. Smits concludeerde evenwel dat er bij ds. N. de Jong iets was wat hem weerhield. De kerkenraad in Katwijk stond geheel achter hem maar hij had een stimulans nodig. Ds. Smits zou ds. De Jong er nogmaals op wijzen dat als hij de stap deed velen zullen volgen gezien zijn leer en grondslag. Ds. Smits was zelf bereid om spoedig uit de Christelijke Gereformeerde Kerken te treden en gemeenten te stichten op de vele plaatsen waar hij reeds preekt buiten het kerkverband.

Aan ds. De Jong werd door ds. Van Minnen een schrijven gericht waarin het bezoek aan ds. Smits werd bevestigd en ook het bezoek van ds. F. Bakker aan de pastorie in Delft nadat met deze telefonisch contact was opgenomen over de stand van zaken. Geadviseerd werd nu ten spoedigste te vergaderen opdat door uitstel het niet kwam tot een fataal afstel. Ds. Smits kreeg een brief met dezelfde inhoud.

Urk

Inmiddels had ook de kerkenraad van Urk laten weten op het punt van uittreding te staan. De kerkenraad van Urk wachtte op een reactie van de betreffende predikanten om een eventuele stap gezamenlijk te kunnen doen. Maar ondanks de spanning die er heerste en met name in de gemeente Urk volgde toen een periode van zeven weken stilzwijgen.


In diens optreden bleek dat ds. H. Visser Mzn. anders van zin was als diens collega ds. J.G. van Minnen. Dit bleek vooral uit zijn tweesporenbeleid om enerzijds een nieuw kerkverband te vormen en anderzijds proberen weer tot de Christelijke Gereformeerde Kerken terug te keren.

"Gezien wat de Christelijke Gereformeerde Kerk nu is, daar terugkerend, geloof ik niet dat je daar vrede zult hebben. Als je tenminste de prediking, sacramenten en tucht wilt uitoefenen naar Gods Woord. Als je dit werkelijk nog zou proberen naar echt christelijk gereformeerd beginsel (het Bijbelse) zoals eertijds nog bij ds. Schotel, Van der Vegt (oude) en Van Brummen dan sta je spoedig weer naast deze kerk, die dit alles losgelaten heeft, hoewel ze luidt predikt de pretentie van Calvijns leer enz. te hebben (Kremer). Gezien alles wat je hoort en leest, vind ik van het waarachtig Chr. Geref. [beginsel] naar Bijbels-reformatorische geest niets terug."

J.G. van Minnen (1959) [*]

[*] Deze opmerking in een brief van ds. J.G. van Minnen aan ds. H. Visser Mzn. over de situatie van de CGK rond 1959 is wel wat algemeen gesteld. Er waren destijds toch nog wel andere geluiden (Van der Meiden), maar deze passage maakt wel duidelijk dat Van Minnen zich niet kon vinden in de nieuwere stroming binnen de Chr. Geref. Kerk. Velema schreef later: "Wij voelden tijdens de studie in Apeldoorn al aan dat wij niet op dezelfde lijn zaten." Er kwam een tweedeling tussen de studenten. Volgens Van Driel zou deze tweedeling bevorderd zijn door Prof. G. Wisse. Hij stelt het voor alsof de 'rechtse studenten' door Wisse bewust ontzien en bevoordeeld werden. Bij deze voorstelling van zaken kunnen op zijn minst vragen worden gesteld.

Ds. Hendrik Visser Meliszn geboren op 23 januari 1911 in Strijen studeerde omstreeks dezelfde periode als ds. Van Minnen in Apeldoorn. Op 7 november 1937 was hij door Prof. P.J.M. de Bruin in Bunschoten als predikant bevestigd. Deze gemeente diende hij tot 1940. Hij werd toen predikant in Middelharnis. In 1945 nam hij een beroep naar Rotterdam-Zuid aan. Er rezen hier bezwaren tegen zijn prediking: hij zou allegoriseren en zijn opvattingen ten aanzien van een 'tweeërlei geloof'. Ds. Visser zou stellen dat hetgeen geleerd wordt door een aan zichzelf ontdekte zondaar in de zondagen 2 tot 6 van de Heidelbergse Catechismus behoorde tot de noodzakelijke (maar niet zaligmakende) voorbereiding, oftewel het goddelijk geloof der wet. Slechts het 'geloof van het evangelie', behoorde volgens ds. H. Visser tot het zaligmakend geloof, het geloof dat met Christus verenigt. Ds. Van Minnen wees deze gedachte als 'onschriftuurlijk' af. Volgens hem was er sprake van één zaligmakend geloof dat zich richt op wet en evangelie beide. Dit was in lijn met de algemene opvatting binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk over dit onderwerp.

Derde contact met ds. H. Visser Mzn.

De stilte werd doorbroken door een telefoontje van ds. H. Visser Mzn. op dinsdag 6 september 1960 waarbij deze zichzelf uitnodigde bij ds. Van Minnen. Op woensdag 7 september 1960 kwam deze predikant naar Delft om het contact weer te herstellen. Hij nodigde ds. Van Minnen en de kerkenraad van Delft uit voor een samenspreken in Rotterdam-Zuid. Gezien de uitlatingen van ds. Visser 'dat Urk ds. Van Minnen bij het doen van stappen betrokken wenste te zien' besloot de kerkenraad één en ander te controleren. Op diezelfde avond 9 september 1960 werd de kerkenraad van Urk opgebeld waarbij bleek dat dit gerucht over Urk op waarheid berustte.

Vervolg geschiedenis Urk

De geschiedenis van Urk was een gevoelige kwestie. Voordat een groot deel van deze gemeente overging naar de Christelijke Gereformeerde Gemeenten (rondom ds. H. Visser) had zich al het nodige afgespeeld. In de Wekker d.d. 21 oktober 1960 gaf ds. J.H. Velema in de Wekker daarvan een feitenrelaas. Op Urk bevond zich één van de oudste Christelijke Gereformeerde Kerken. In 1894 was de Christelijke Gereformeerde Kerk daar weer tot openbaring gekomen. De eerste predikant was ds. M. Boer. Een andere geliefde predikant die hier gestaan heeft was ds. W.F. Kodde. Volgens ds. Velema breidde de gemeente zich ten tijde van ds. E. du Marchie van Voorthuysen (1937-1942) behoorlijk uit, maar niet ten goede. Volgens Velema kwamen er allerlei mensen over met nauwelijks kerkelijk besef. Deze kwamen tenslotte ook in de kerkenraad en gingen ertoe over om allerlei vrije predikanten uit te nodigen. Hoe dit verder zij, in 1960 stond de gemeente op het punt van uittreden en men wilde ds. Van Minnen erbij betrekken om gezamenlijk met de bezwaarde christelijk-gereformeerde  predikanten een nieuw kerkverband te vormen. Op zaterdag 10 september 1960 brachten ds. J.G. van Minnen met ouderling A.W. Langstraat uit Delft een bezoek aan de kerkenraad van Urk. De kerkenraad verklaarde zich te willen verenigen met ds. H. Visser en ds. J.G. van Minnen. Ds. Van Minnen antwoordde hierop dat dit onmogelijk was gezien de leer van ds. Visser die volgens hem onschriftuurlijk was. Geadviseerd werd door Urk om contact op te nemen met de bezwaarde Christelijke Gereformeerde predikanten zodat in een bredere gemeenschappelijke vergadering de leer van ds. Visser nader besproken kon worden. Dit voorstel werd door de kerkenraad van Urk unaniem goedgekeurd. Besloten werd dat ds. Van Minnen voor 1 oktober 1960 aan de bezwaarde christelijke gereformeerde predikanten zal meedelen dat Urk graag deze toekomst voor de gemeente zou zien.

Na de ontmoeting met de kerkenraad op Urk werd een brief door ds. Van Minnen geschreven ter bevestiging van de opdracht van Urk om te spreken met de groep bezwaarde christelijk-gereformeerde predikanten over een mogelijke gezamenlijke uittreding. Deze bewuste brief kwam echter in verkeerde handen waardoor in het orgaan van de Classis Amsterdam van de Christelijke Gereformeerde Kerk 'Woord en daad' een artikel van ds. M.W. Nieuwenhuijze over de kwestie Urk verscheen. Dit werd in De Wekker van 21 oktober 1960 nog eens overgedaan door ds. J.H. Velema. Op beide publicaties werd een schrijven door de kerkenraad van Delft opgesteld en naar de betreffende predikanten verzonden met het verzoek om een rectificatie van enkele suggestieve onjuistheden in deze artikelen welke echter uitbleef.

Opnieuw contact met ds. N. de Jong en ds. C. Smits

Op maandag 12 september 1960 werd door ds. van Minnen een telefoongesprek gevoerd met ds. De Jong en ds. Smits naar aanleiding van het bezoek aan Urk waarbij werd meegedeeld dat:
1. Spoedig handelen geboden is om te komen tot de vorming van een kerkgenootschap
2. Ds. Visser zit niet stil en probeert in Urk zijn invloed te doen gelden
3. Urk wenst zich het liefst met de (bezwaarde) christelijke gereformeerde predikanten te verenigen

Op 13 september 1960 werd bij een persoonlijk bezoek aan ds. Smits in Sliedrecht alles nog een keer doorgesproken. Ds. Smits stond (zo bleek tijdens dit bezoek) nog geheel achter een uittreding uit de Christelijke Gereformeerde Kerken.

Op vrijdagavond 16 september 1960 volgde opnieuw een samenspreken met de kerkenraad van Rotterdam-Zuid waarbij ds. H. Visser Mzn. voorstelde om over leven en leer te spreken. Nadat ouderling A.W. Langstraat hem op de verkeerde volgorde had gewezen werd tenslotte toch met dit voorstel ingestemd. Uitvoerig werd gesproken over het tweede huwelijk van ds. G. Salomons waarbij ds. Visser het standpunt verdedigde dat ds. Salomons niet in het ambt zou mogen staan. Na een weerwoord gaf hij aan wel van mening te willen veranderen.

Dinsdag 20 september 1960 nam ds. Visser telefonisch contact op en nodigde ds. Van Minnen uit voor een volgende vergadering op vrijdag 30 september 1960 en tevens met het verzoek om op 2 oktober 1960 in Urk te preken. Ook nodigde hij ds. Van Minnen en diens vrouw uit voor een informeel samenzijn. Aan de avond van dezelfde dag (20 september 1960) verscheen in de krant dat Urk uit het verband van de Christelijke Gereformeerde Kerken was getreden en zich verbonden had met de gemeenten van ds. H. Visser. Op dezelfde avond van de bekendmaking in de pers belde ds. Van Minnen met de kerkenraad van Urk en vroeg hierbij aan ouderling Post of ds. Visser het had doen voorkomen of de eenwording al een voldongen feit was. Hierop had Urk ds. Visser metterdaad bij acclamatie beroepen. De Urkers waren ontsteld en ontnuchterd toen zij moesten vernemen dat de situatie anders was. Op 23 september 1960 volgde een telefoongesprek met Urk tussen ouderling A.W. Langstraat van Delft met ouderling Post van Urk. Het verlangen van samengaan en de teleurstellende houding over de afwijzende houding van de kerkenraad van Delft en ds. Van Minnen vanwege de leer van ds. Visser werd hierbij niet onder stoelen of banken gestoken. Op ds. Van Minnen werd een beroep gedaan om toch naar Urk te komen om te komen preken. Ook in de eerstvolgende weken was er nog enkele malen een telefoongesprek.

Gezien de vreemde gang van zaken besloot de kerkenraad van Delft op 24 september 1960 een brief te schrijven aan die van Rotterdam-Zuid om de te houden vergadering van 30 september 1960 te laten vervallen.

Vergadering bezwaarde christelijk-gereformeerde predikanten in Rotterdam

Intussen werd op 23 september 1960 een uitnodiging ontvangen van de secretaris van de vriendenkring van bezwaarde christelijke gereformeerde predikanten, waarin ds. Van Minnen namens de voorzitter van dit college uitgenodigd werd om op maandag 26 september 1960 in het Groothandelsgebouw in Rotterdam op hun vergadering aanwezig te zijn. Het tijdstip was 13.30. Op die datum volgde dan eindelijk de lang verwachte vergadering van bezwaarde christelijk-gereformeerde predikanten. Toen ds. Van Minnen op deze vergadering arriveerde bleken al de broeders reeds aanwezig te zijn en gezamenlijk een maaltijd te hebben genuttigd. Aanwezig tijdens deze vergadering waren: ds. N. de Jong (1899-1980), ds. C. Smits (1898-1994), ds. J.G. van Minnen (1900-1971), ds. M.C. Tanis (1929), ds. F. Bakker (1919-1965), ds. D. Slagboom (1926-1997), ds. G. Blom (1905-1992), ds. E. Venema (1922-2003), ds. H. van Leeuwen (1906-1988) en ds. H.C. van der Ent (1918-1997). Voor de eerder besproken punten met ds. C. Smits, ds. N. de Jong en ds. F. Bakker bleek nauwelijks nog belangstelling te bestaan. Wel was men geïnteresseerd over de toedracht in Urk en hoe het ging in Delft. Ds. Smits merkte op "nu in de mist te zitten." Ds. Van Minnen antwoordde hierop dat het dan hoog tijd werd het roer in handen te geven van de grote Kapitein. Ds. Tanis gaf aan dat Huizen als "een mislukking" beschouwd moest worden. Ds. Van Minnen haalde hierop het voorbeeld van ds. H. de Cock aan. Ds. D. Slagboom wees op het zoeken naar eenheid. Hij vroeg zich af of ds. Van Minnen wel had mogen uittreden. Ds. Venema sloot de vergadering waarbij hij om licht vroeg. Ds. Van Minnen wees hem na afloop op Gods Woord en de Belijdenisgeschriften die wat dit betreft voldoende licht verspreiden. Na afloop gaf ds. van Minnen aan dat hij vanaf dit ogenblik zijn eigen koers zou aanhouden. Evenwel werd hij alsnog uitgenodigd voor een volgende vergadering.

Chr Geref Gemeente Rotterdam-Zuid
Chr Geref Gemeente Rotterdam-Zuid

Vierde contact met ds. H. Visser Mzn.

Op vrijdag 14 april 1961 had ds. H. Visser Mzn. telefonisch contact opgenomen met ds. Van Minnen of het wellicht mogelijk was zaterdagmorgen om 10.00 in Delft samensprekingen te houden, waarbij wederzijds enkele kerkenraadsleden aanwezig zouden kunnen zijn. Ds. Salomons heeft deze vergadering ook bijgewoond. Het thema van het gesprek was: 'Waarom nog langer gescheiden voortleven?' Hierop werd als antwoord gesteld, dat de basis voor kerkelijk samengaan gelegd kan worden als ds. Visser op een broederlijke wijze wil komen met terzijdestelling van zijn zogenaamde 'tweeërlei geloof.' De voorwaarde is dat bij een eventuele vereniging dit tot uitdrukking komt, dat men het hierover eens geworden is, dat er is naar Gods Woord één zaligmakend geloof dat zich richt op wet en evangelie beide.

Ook het tweede huwelijk van ds. Salomons kwam opnieuw ter sprake, waarbij ds. Visser verklaarde dat hem deze zaak naar Gods Woord volkomen duidelijk was. Op 13 mei 1961 werd een gezamenlijke vergadering gehouden te Rotterdam tussen de gemeenten rond ds. H. Visser Mzn. en die van ds. J.G. van Minnen. Aanwezig waren de kerkenraden van Delft, Drachten, Gouderak, Hoofddorp, Rotterdam-Zuid, Urk, Vlaardingen en Werkendam. Voorzitter van deze vergadering was ds. J.G. van Minnen. Ds. Visser Mzn. bleek nog steeds bereid om zijn leer van een tweeërlei geloof, waarvoor hij in 1947 geschorst was in de Christelijke Gereformeerde Kerken, ter wille van een eventuele vereniging, te herroepen. Omdat de kerkenraad van Rotterdam-Zuid (in de persoon van ouderling van Berkel) nog steeds problemen had met het feit, dat ds. Salomons na diens tweede huwelijk door ds. Van Minnen opnieuw in het ambt bevestigd was, stelde ds. Van Minnen voor om ds. Salomons hierover een persoonlijke verklaring af te laten leggen. Deze persoonlijke verklaring van ds. Salomons vond bij alle broeders dusdanige instemming zodat er, ook wat betreft ds. Salomons, niets meer in de weg stond.[*]

Nadat ds. Visser opnieuw zijn opvattingen omtrent het 'Goddelijk geloof der wet en het zaligmakend geloof van het evangelie' herroepen had (1) (men kwam tot de gemeenschappelijke formulering "dat de er een waarachtig geloof dat zich richt op Wet en Evangelie beide"), er afspraken gemaakt waren met betrekking tot handhaving van de kerkorde (2) (algemene instemming met de ingebrachte instructies door de kerkenraad van Delft met betrekking tot het voorgaan in gemeenten of groepen buiten het kerkverband alsmede het voorgaan van voorgangers van buiten het kerkverband in de gemeenten) de herbevestiging van ds. G. Salomons met algemene instemming als wettig was erkend (3) (de geoorloofdheid van een tweede huwelijk nadat het eerste huwelijk wettig is ontbonden) vond er op 13 mei 1961 tijdens een vergadering te Rotterdam in het gebouw 'Pretoria' in aanwezigheid van 39 ambtsdragers waarvan 5 predikanten (t.w. H. Visser (Mzn)., J.G. van Minnen, H. Van Kooten, G. Salomons, K. van Twillert), 19 ouderlingen en 15 diakenen die samen 8 gemeenten vertegenwoordigden t.w. Urk, Gouderak, Delft, Vlaardingen, Hoofddorp, Rotterdam-Zuid, Drachten en Werkendam een vereniging plaats tussen beide groeperingen. onder de naam van Christelijke Gereformeerde Gemeenten. Van dit besluit werd een persbericht uitgegeven. Op 25 juni 1961 preekte ds. Van Minnen in de gemeente van Urk, waarbij ds. Visser een preekbeurt in Drachten waarnam.

Fusie met ds. H. Visser Mzn. ongedaan gemaakt

Op de classisvergadering van 9 september 1961 in Rotterdam-Zuid - werd aan ds. G. Salomons wegens gezondheidsredenen eervol emeritaat werd verleend terwijl aan ouderling J.W. Kloot uit Gouderak toestemming verleend werd om zich voor te bereiden op het predikambt naar artikel 8 DKO. Ter tafel kwamen instructies van Delft (die vooraf op 8 augustus 1961 aan de scriba van de roepende kerk van Rotterdam-Zuid waren toegezonden) die moesten leiden tot een meer kerkordelijk samenleven. Instructie I handelde over het optreden van voorgangers in de gemeenten en instructie II over het optreden van voorgangers buiten de gemeenten. Deze instructies werden naar het oordeel van de kerkenraad van Delft niet met veel enthousiasme ontvangen. Spoedig bleek dat de noodzakelijke chemie tussen beide kerkgroeperingen ontbrak. Op 28 september 1961 maakten de gemeenten van Drachten, Delft en Hoofddorp alsmede de predikanten J.G. van Minnen en G. Salomons de gesloten vereniging met de gemeenten rond ds. H. Visser Mzn. ongedaan. De kerkenraad van Urk reageerde op het vertrek van de drie gemeenten teleurgesteld. De gemeente van Vlaardingen, besloot met haar predikant achter te blijven in het kerkverband rond ds. Visser. In 1962 werd ds. Van Twillert beroepen door de gemeente van Rotterdam-Zuid uit een tweetal met de hervormde godsdienstonderwijzer Jacob Verboom uit Kollum. Dit beroep nam hij aan en werd als predikant bevestigd in Rotterdam door ds. H. Visser.

Drachten stelt voor aansluiting te zoeken bij het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten

De gemeente Drachten had na het overlijden van ds. H. Groen een kwijnend bestaan gekregen. In oktober 1961 werd een brief ontvangen van de kerkenraad van Drachten, waarin men aangaf als gemeente aansluiting te zullen zoeken bij het kerkverband Gereformeerde Gemeenten en tevens  met het voorstel om dit gezamenlijk te doen. Ds. Van Minnen zond deze brief door aan ds. Salomons. Met ds. Salomons werd op 24 oktober 1961 overeengekomen, dat er een door de predikanten ds. Van Minnen en ds. Salomons ondertekend schrijven zou worden verzonden aan Drachten, waarin werd meegedeeld dat er niet aan aansluiting bij de Gereformeerde Gemeenten werd gedacht. De kerkenraden van Delft en Hoofddorp stemden met dit besluit in.

{*] Op de classisvergadering van 31 oktober 1958 waarbij alleen afgevaardigden uit Delft en Hoofddorp aanwezig waren met een mandaat van Drachten en Vlaardingen kwam het probleem aan de orde in verband met het voorgaan van de heer K. van Twillert. Twijzelerheide heeft bericht dat geen van de predikanten nog aldaar mocht voorgaan zolang er geen schuld is beleden door ds. Salomons inzake zijn schrijven aan Wed. Groen, lidmate van de gemeente Drachten.  Ds. Salomons leest de brief voor

Museumstraat Dordrecht met links kerkgebouw Oud Gereformeerde Kerk
Museumstraat Dordrecht met links kerkgebouw Oud Gereformeerde Kerk

Vlissingen

In augustus 1962 werd een schrijven vanuit Vlissingen ontvangen waarin belangstelling getoond werd voor het vervullen van een preekbeurt door ds. Van Minnen. De brief was ondertekend door br. Verhage, bestuurslid van de evangelisatiecommissie aldaar. Na enige tijd kwam het tot een gesprek met deze afdeling die onder leiding stond van ene br. de Ridder. Op 20 september 1962 brachten de broeders kerkenraad van Delft een bezoek aan ds. G. Salomons in Terneuzen i.v.m. het ambtsjubileum van ds. Van Minnen. Passant werd nog een bezoek afgelegd bij de familie Stoffels-Risseeuw uit Zaamslag.

Gereformeerde Gemeenten in Hersteld Verband

Van ds. P. Overduin [*] die in 1946 zijn vader ds. D.C. Overduin (1875-1946) als predikant van de Gereformeerde Gemeente in Hersteld verband te Rotterdam was opgevolgd, ontving ds. van Minnen een brief waarin deze verklaarde 'genezen te zijn' van zijn verlangen om eventueel naar de Christelijke Gereformeerde Kerken over te gaan. Op 21 februari 1963 werd ds. Van Minnen door de kerkenraad van Rotterdam uitgenodigd op 17 maart in de gemeente voor te gaan. Men sprak de hoop uit dat het alles mocht leiden tot samenbundeling van de gemeenten. Ds. Van Minnen ging ook in Giessendam voor. Intussen was op de kerkenraadsvergadering van 26 november 1962 in Delft  een neef van ds. P. Overduin, D. Chr. Overduin uit Sliedrecht, geboren op 23 februari 1935 in Sliedrecht verschenen. Br. Overduin had binnen de Gereformeerde Gemeenten in Hersteld Verband preekconsent ontvangen. Een mogelijkheid tot een eigen preekplaats was er voor hem niet, omdat beide gemeenten een eigen predikant hadden. De predikant van Sliedrecht, ds. J. Overduin, was weliswaar in 1957 met emeritaat gegaan, maar de gemeente van Sliedrecht besloot zich in 1962 - in tegenstelling tot Rotterdam - aan te sluiten bij de Christelijke Gereformeerde Kerken. In verband met de ziekte van ds. P. Overduin ging br. D. Chr. Overduin regelmatig in de diensten van de gemeente Rotterdam voor.  Op 19 januari 1963 vond ter intermezzo nog een gezamenlijk overleg plaats tussen de kerkenraden van Delft en Vlaardingen omdat de vroegere zustergemeente aldaar leek in te stemmen met een terugkeer naar het verband van de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Op 31 januari 1963 kwam echter een schrijven van scriba-diaken br. N. van Noort, dat men alles bij nader inzien liet zoals het was. De scriba van de Gereformeerde Gemeente in Hersteld Verband in Rotterdam, br. H.C. van Heemst, liet per brief d.d. 16 juli 1963 aan de kerkenraad van Delft desgevraagd weten op nader contact geen prijs meer te stellen met demotivering: "gezien de ligging van uw gemeente anders is dan de onze".

Oud Gereformeerde Kerk Dordrecht

Op 11 januari 1965 lag op de kerkenraadstafel in Delft opnieuw een uitnodiging op tafel, nu van de kerkenraad van de Oud Gereformeerde Kerk van Dordrecht om aanwezig te zijn op de classisvergadering van genoemde kerk. Dit om te zien of er wellicht mogelijkheden waren tot samensprekingen. De datum van deze vergadering was gepland op 22 juni 1965 in Dordrecht. Predikant van de Oud Gereformeerde Kerk van Dordrecht was ds. Berend Hennephof. Op 16 september 1943 was Hennephof met zijn gemeente in Scheveningen, Dordrecht en een afdeling in Monster buiten de Federatie van Oud Gereformeerde Gemeenten. Op 27 september 1945 werd bevestigd in Dordrecht door ds. G.J. Zwoferink uit Kampen. Hierna begon ds. Hennephof met het organiseren van een eigen kerkverband waarin zijn gemeente in Dordrecht met enkele andere gemeenten in Colijnsplaat, Scheveningen, Monster, Oud-Beijerland, Hoofddorp en Giessendam werd verenigd. Aan het einde van het jaar 1953 werd ds. Hennephof ziek. Het kerkverband van ds. Hennephof raakte hierdoor in verval. In 1956 waren alleen de gemeenten Dordrecht, Colijnsplaat en Oud-Beijerland overgebleven. In deze hoedanigheid zocht de kerkelijke groepering nu toenadering tot de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland. De kerkenraad van Delft was bereid tot een kennismaking en lichtte de gemeente Hoofddorp hierover in. Ook in het verzoek of ds. Van Minnen diezelfde avond (22 juni 1965) in Dordrecht wilde preken zagen de Delftse broeders geen enkel bezwaar. De classisvergadering dinsdag 19 oktober 1965 werd bijgewoond en ds. van Minnen preekte in de gemeente van ds. Hennephof in Dordrecht.

[*] Pieter Overduin werd op 4 februari 1915 in Nieuw-Beijerland geboren. Zijn vader was Daniel Christiaan Overduin (1875-1946) die in 1930 als predikant van Rotterdam samen met zijn broer Johannes Overduin buiten het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten kwamen te staan. Zij namen drie gemeenten mee en vormden samen de Gereformeerde Gemeenten in Hersteld Verband. Pieter Overduin volgde een opleiding tot onderwijzer en was hierna werkzaam in Rotterdam, Delft en Sliedrecht. Toen zijn vader in 1946 stierf werd de toen 32-jarige Pieter Overduin als predikant van de Gereformeerde Gemeente in Hersteld Verband bevestigd door zijn oom. Ruim 33 jaar diende ds. Overduin deze gemeente. In 1978 werd ds. Overduin ziek en bezon de gemeente zich op de toekomst. In 1980 werd besloten tot aansluiting bij de Christelijke Gereformeerde Kerken.

[*] Br. D. Chr. Overduin, machinebankwerker van beroep, liep al geruime tijd met een roeping tot het ambt van predikant. Een teleurstellende ervaring deed hij op in de kring van gemeenten rond ds. H. Visser Mzn. Ds. Visser Mzn. zou hem na een gehouden preekvoorstel geadviseerd hebben eerst gymnasiumonderwijs te gaan volgen en vervolgens nog 3 jaar theologische lessen. Br. Overduin voelde zich hiermee op een zijspoor gezet. Nu had hij zich gewend tot ds. Van Minnen. De kerkenraad van Delft besloot na de verklaring van br. Overduin het verleende preekconsent van de Gereformeerde Gemeenten in Hersteld Verband te eerbiedigen en schreef br. Overduin, die hiertoe zelf de wens te kennen gegeven had, als lid van de gemeente Delft in. Op de classisvergadering van 10 december 1962 te Delft werd br. Overduin op eenvoudige wijze onder leiding van ds. G. Salomons onderzocht naar roeping en genadestaat. Geen van de afgevaardigden bleek na afloop bezwaren te hebben br. Overduin in het verband te aanvaarden. Kort daarop onttrok hij zich echter weer als lid van de gemeente. In een persoonlijke brief aan ds. Van Minnen verklaarde hij dat hij de visie op 1 Korinthe 11, zoals die gedeeld werd binnen de Christelijke Gereformeerde Gemeente in Nederland, zag als "een terugkeer tot de 'ongoddelijke en oudwijfse fabelen uit 1 Timotheüs 4: 7". Nadat hierover nog in goede harmonie een gesprek volgde in aanwezigheid van de kerkenraad van Delft ging br. Overduin heen en vond een arbeidsveld in Hilversum. Op 1 november 1966 werd hij hier door zijn oom ds. P. Overduin, tot predikant bevestigd. Ds. D. Chr. Overduin diende de gemeente van Hilversum tot zijn overlijden op 12 november 1990.