Deel 3

Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland

In de periode 1952-1975

Classis contracta, Tweede contact ds. H. Visser Mzn. Besprekingen 'vrijgemaakten' hervat, Synode Chr. Geref. Kerken 
1959, Ds. C. Smits bezoekt ds. Van Minnen in Delft, Bezoek ds. N. de Jong in Katwijk, Bezoek ds. F. Bakker in Driebergen, Bezoek ds. C. Smits in Sliedrecht, Urk, Pier de Groot (1876-1959), Derde contact ds. H. Visser Mzn., Vervolg geschiedenis Urk, Brief aan Urk, Opnieuw contact met ds. C. Smits en ds. N. de Jong, Classis 21 september 1960
Vergadering van bezwaarde christelijke gereformeerde predikanten in Rotterdam, Vierde contact ds. H. Visser Mzn.  Classis 13 mei 1961 in Rotterdam, Akkoord tot fusie, Classis 9 september 1961, 
Terugkeer ds. J. Blankespoor?, Ongedaan maken fusie, Redenen voor ongedaan maken fusie, Voorstel van Drachten, Delft en Hoofddorp samen verder, Ger. Gem. in H.V Sliedrecht naar Chr. Geref. Kerken, Synode Chr. Geref. Kerken 1962, Vlissingen, De invloed van de vrouw in de gemeente (1962),  Contacten met Ger. Gem. in H. V. Rotterdam-Kralingen (Ds. P. Overduin en D. Chr. Overduin), Vergadering Sliedrecht, Vertrek br. D. Overduin en einde contact Ger. Gem. in H.V., Ds. F. Bakker (1919-1965) 

"Drie stukken zijn er nodig, om getroost te kunnen leven en sterven. Hoe worden deze dingen geleerd, in de praktijk, van het geestelijke leven? Er zijn er die menen dat deze drie stukken, achtereenvolgens, zoals de catechismus het aangeeft, systematisch geleerd moeten worden. Eerst moet u uw ellende kennen, dat kan soms jaren duren, en dan leert je het stuk van de verlossing beleven, dan krijgt je zogezegd een Borg, en daarna gaan we pas de dankbaarheid beoefenen. Als we de Heere in waarheid dienen, lijkt dit net echt, omdat we voelen dat we zondaren zijn en voor Hem niet kunnen bestaan, en zijn we geneigd dit toe te stemmen, dat het zo goed voorgesteld wordt. Maar niets is minder waar dan dat. Als we het zo voorstellen komen we vanzelf tot het zogenaamd Goddelijk geloof der wet en het zaligmakend geloof van het evangelie. Met andere woorden: als ik waarlijk ontdekt wordt aan mijn zonden, dus leer wie ik voor God ben van zondag 3 tot en met 5, dan kan ik nog verloren gaan. En dat is een absoluut onschriftuurlijke dwaling die riekt naar Remonstrantisme. We hebben geestelijk de klok horen luiden maar weten niet waar de klepel hangt. Het zijn drie stukken, of zaken, die onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn. We kunnen het beter zo uitdrukken: in elkaar gestrengeld zijn. Als ik een schakel mis van deze drie, kan ik geen echte troost hebben, en niet zalig worden."

A.W. Langstraat

Chr. Geref. Kerk Katwijk
Chr. Geref. Kerk Katwijk

Classis contracta

Op 13 januari 1959 werd in Delft een classis contracta [*] belegd in aanwezigheid van ds. K. van Twillert en ouderling A. Bakker van Vlaardingen, ds. J.G. van Minnen met ouderling A.W. Langstraat van Delft, terwijl de gemeenten Hoofddorp en Drachten een schriftelijk mandaat gaven 'te handelen overeenkomstig Gods Woord en de D.K.O betreffende de zaak van ds. T. Wakker voorganger van een vrije hervormde gemeente in IJsselmuiden.' Ds. Wakker had ds. Van Minnen schriftelijk en mondeling te kennen gegeven over te willen komen naar de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Ds. Van Minnen had ds. Wakker allereerst geadviseerd de grondslagen van zijn gemeente grondig te veranderen, gezien die grondslagen bestonden uit acht dwaze onkerkrechterlijke en  onschriftuurlijke artikelen en als grondslag te kiezen de Heilige Schrift, de Drie Formulieren van Enigheid en de D.K.O. Voor het overige had hij hem geantwoord, dat het verzoek om toegelaten te worden tot het verband een zaak van de classis is. Echter voordat deze zaak op de classis behandeld kon worden verscheen er in de pers dat ds. Wakker overgekomen was naar de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Na onderzoek bleek dat dit bericht kwam van het ANP en na nog verder onderzoek bleek dat ds. Wakker dit bericht zijdelings zelf had laten lanceren. Gezien dat over ds. Wakker over het algemeen niet zo gunstig geoordeeld werd en zijn voorbarige bericht overgekomen te zijn, had de kerkenraad van Delft een classis contracta aangevraagd in verband met de voorbarige persberichten en uit verplichting de naam van de gemeenten niet onnodig in opspraak te brengen. Besloten werd door alle aanwezigen deze predikant niet te accepteren. Dit niet slechts vanwege zijn voorbarige berichtgeving en kerkelijk leven waarin nog eens justitie te hulp geroepen moest worden, maar vooral op grond van zijn brochure De bekering van een Urker visser, zijn roeping tot leraar, zijn uittreden uit de Hervormde Kerk. In deze brochure kwamen naar het oordeel van de classis vooral rond zijn roeping tot predikant, zoveel "onschriftuurlijke en visionaire dingen" voor, dat het voor de classis een zaak was die direct kon en moest worden afgewezen. Van dit besluit werd ds. Wakker schriftelijk mededeling gedaan.

Vervolgens lag nog een verzoek op tafel van ds. T. Cabaret, voorganger van een bijeenkomst zonder kerkenraad, zich noemende Oud Hervormde Gemeente, om in het verband van de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland te worden opgenomen. Dit verzoek werd door twee bestuursleden van genoemde bijeenkomst naar voren gebracht met een uitgebreid schrijven over de belevenissen van genoemde predikant, hoe deze uit het verband van de Gereformeerde Gemeenten werd gezet, huns inziens ten onrechte. Naar aanleiding van een onderzoek dat verricht werd door ds. Salomons en ds. Van Minnen kon de classis ook op dit verzoek niet ingaan om het vervolgens op een volledige classis te presenteren.  

Tweede contact ds. H. Visser Mzn. 

In mei 1959 ontstond opnieuw contact met ds. H. Visser Mzn. (Rotterdam-Zuid) toen ds. Van Minnen hem een bezoek bracht. De kern van het besprokene werd bevestigd in een persoonlijk schrijven van ds. Van Minnen op 8 juni 1959. Ds. Visser antwoordde per kerende post op 10 juni waarin hij aanvankelijk instemde met het geschrevene, maar kort daarop weer terug kwam, waarbij hij aangaf dat hij nog ten volle voor zijn rekening nam wat hij neerschrijf in zijn preek Elia bij de Horeb van 15 september 1946. Deze preek had als ondertitel 'een Schriftaankondiging van de naderende oordelen, alsmede een praktische uiteenzetting van het goddelijk geloof der wet en het zaligmakend geloof des evangelies.' In zijn laatste schrijven stelde hij opnieuw enige vragen over de positie van ds. Salomons. Ds. Van Minnen beantwoorde dit schrijven uitvoerig maar nu volgde geen enkele reactie.


In diens optreden bleek dat ds. H. Visser Mzn. anders van aard en zin was als diens collega ds. J.G. van Minnen. Dit bleek vooral uit zijn tweesporenbeleid om enerzijds een nieuw kerkverband te vormen en anderzijds proberen weer tot de Christelijke Gereformeerde Kerken terug te keren. In 1959 schreef ds. Van Minnen het volgende aan ds. Visser: 

"Gezien wat de Christelijke Gereformeerde Kerk nu is, daar terugkerend, geloof ik niet dat je daar vrede zult hebben. Als je tenminste de prediking, sacramenten en tucht wilt uitoefenen naar Gods Woord. Als je dit werkelijk nog zou proberen naar echt christelijk gereformeerd beginsel (het Bijbelse) zoals eertijds nog bij ds. Schotel, Van der Vegt (oude) en Van Brummen dan sta je spoedig weer naast deze kerk, die dit alles losgelaten heeft, hoewel ze luidt predikt de pretentie van Calvijns leer enz. te hebben (Kremer). Gezien alles wat je hoort en leest, vind ik van het waarachtig Chr. Geref. [beginsel] naar Bijbels-reformatorische geest niets terug."

J.G. van Minnen (1959) [*]



Besprekingen 'vrijgemaakten' hervat 

Vrijdag 12 juni 1959 hebben Deputaten "voor eenheid onder de Geref. Belijders", benoemd door de Generale Synode der Chr. Geref. Kerken van 1956 en die "voor de samenspreking met de Chr. Geref. deputaten", benoemd door de Generale Synode van de Geref. Kerken in Nederland, gehouden te Bunschoten-Spakenburg 1958/59, elkaar ontmoet te Utrecht. De vergadering werd gepresideerd door de waarnemend voorzitter van Chr. Geref. Deputaten, Prof. W. Kremer. Bij de begroeting van elkander sprak Prof. W. Kremer er zijn vreugde over uit, dat de in 1951 afgebroken samensprekingen nu werden hervat. De voorzitter der Geref. Deputaten, ds. J. van Bruggen, betuigde hiermede instemming, en wees op de overweging der synode van Bunschoten-Spakenburg, dat samenspreking geen doorgang mag geven aan een verkeerde oecumenistische geest. Hij sprak hierbij uit, dat begeerd werd een samenspreking, die uiting van de erkenning van het gebod des Heeren, dat hen, die één geloof belijden, roept elkander aan te nemen. De Chr. Geref. Deputaten wensten eveneens een samenspreking in bedoelde zin. 



Synode CGK 1959

De generale synode van de Chr. Gereformeerde Kerken heeft zich te Rotterdam bezig gehouden met de kwestie van de nieuwe vertaling van de bijbel van het Nederlands Bijbel Genootschap. De particuliere synode van het zuiden had een instructie ingediend, die inhield, dat zolang de nieuwe vertaling niet op haar betrouwbaarheid en bruikbaarheid was onderzocht zij niet mag worden gebruikt in de eredienst, ook niet naast de Statenvertaling. Tijdens de bespreking keerden ds M. Baan uit Dordrecht en ds H. C. van der Ent uit Rotterdam-West zich tegen de Nieuwe Vertaling. Prof. dr. B. J. Oosterhoff uit Apeldoorn zette daartegenover uiteen dat de Nieuwe Vertaling van de bijbel vaak veel juister is dan de Statenvertaling. Men moet als men bezwaren inbrengt, aldus spreker, die op de Heilige Schrift gronden. Een onderzoek van jaren heeft spreker doen concluderen dat in de nieuwe vertaling niet één tekst is te vinden die met het woord van God in strijd zou zijn. De emeritus-hoogleraar prof. L. H. van der Meiden uit Den Haag, die deel heeft uitgemaakt van de vertalingscommissie van het NBG, wees er op, dat de Nieuwe Vertaling zo zuiver mogelijk weergeeft wat de Heilige Geest aan de kerk schonk. Hij adviseerde tot aanvaarding van de voorstellen der commissie. De rapporteur, ds. J. H. Velema uit Apeldoorn gaf toe dat de commissie met een compromisvoorstel gekomen was. Verschillende ingebrachte bezwaren wees hij echter van de hand. De commissie had haar voorstel enigszins gewijzigd en de synode heeft tenslotte besloten in dit stadium geen beslissing te nemen over het al of niet vrijlaten van de Nieuwe Vertaling in de eredienst, maar te blijven bij het besluit van de synode van 1857, die de Statenvertaling invoerde. Aan de kerken zal worden verzocht tegen de Nieuwe Vertaling bestaande bezwaren uiterlijk februari 1961 in te zenden.



Pier de Groot (1876-1959)

Op 11 augustus 1959 overleed in Meerkerk ds. Pier de Groot. Hij werd op 10 september 1876 in Dokkum geboren. In 1907 werd hij predikant in Noordeloos. Veel werk heeft hij hierna vanaf 1913 in Rotterdam verricht. In 1928 werd hij predikant in Amersfoort, in 1933 vertrok hij naar Gorinchem en vandaar in 1937 naar Meerkerk.
Op 11 augustus 1959 overleed in Meerkerk ds. Pier de Groot. Hij werd op 10 september 1876 in Dokkum geboren. In 1907 werd hij predikant in Noordeloos. Veel werk heeft hij hierna vanaf 1913 in Rotterdam verricht. In 1928 werd hij predikant in Amersfoort, in 1933 vertrok hij naar Gorinchem en vandaar in 1937 naar Meerkerk.

Ds. C. Smits bezoekt ds. van Minnen in Delft 

In de zomer van 1960 zocht ds. C. Smits, predikant van de Christelijke Gereformeerde Kerk in Sliedrecht contact met ds. Van Minnen.  Op zondag 23 mei 1948 deelde hij reeds aan zijn gemeente mee dat hij de Christelijke Gereformeerde Kerken wilde verlaten, maar werd hiervan op het allerlaatste moment weerhouden. De onvrede van Smits over de ontwikkelingen binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken was echter niet weggenomen. Ds. Smits vroeg tijdens zijn bezoek aan ds. Van Minnen om ds. N. de Jong, sinds 1952 verbonden aan de gemeente van Katwijk, in het gesprek te betrekken. Deze predikant zou een leidende rol moeten spelen gezien de grote waardering die vele behoudend christelijk-gereformeerden voor hem hebben. Ds. N. de Jong had een gemoedelijke omgang maar was ook een uiterst zakelijk man die met vaste hand ergens leiding aan kon geven. Bij een eventuele uitreding uit de Christelijke Gereformeerde Kerk zou ds. De Jong dus zeker betrokken moeten zijn, aldus ds. Smits.

Bezoek aan ds. N. de Jong in Katwijk

Naar aanleiding van het bezoek van ds. Smits besloot ds. Van Minnen ds. N. de Jong op te zoeken. Deze ontmoeting vond plaats in juni 1960. De ontmoeting met ds. De Jong was bijzonder hartelijk. Ds. De Jong bleek het op vele punten met ds. Van Minnen en ds. Smits eens te zijn. Een breuk met de Christelijke Gereformeerde Kerken zou uiteindelijk onvermijdelijk zijn. Heel concreet werden tijdens deze gesprekken voorbereidingen getroffen. Ds. Van Minnen helderde vervolgens zijn optreden met betrekking tot de bevestiging van ds. Salomons in Bussum op en dan lijkt er niets meer in de weg te staan.

Ds. C. Smits en ds. N, de Jong
Ds. C. Smits en ds. N, de Jong

Nog dezelfde maand kwam ds. Smits opnieuw naar Delft om poolshoogte te nemen. Het korte resume van het besprokene met ds. N. de Jong en ds. C. Smits was als volgt:

1. We vliegen als bezwaarde christelijke-gereformeerden allen uiteen.

2. De behoudende gemeenten lopen gevaar immuun gemaakt te worden voor de Schriftuurlijk-bevindelijke prediking (voorbeeld genoemd van Haarlem-Centrum). 

3. Om tot stappen te komen niet blijven staren op 'en bloc' [allemaal te samen]. En bloc is wel mogelijk, maar dan met behoud van het individuele element.

4. Vanwege druk en laster niet het hoofd in de schoot leggen.

5. De uitgave van een persorgaan.

6. De opleiding van dienaren des Woords.

7. De herbevestiging van ds. Salomons door ds. van Minnen.

8. De nood waarin met name de levende Kerk verkeert moet een schreeuw om ware oecumene veroorzaken. Niet om grootheid maar om God en elkaar.

9. Voorzichtigheid als de slangen en oprechtheid als de duiven is geboden.


Bezoek aan ds. F. Bakker in Driebergen

Hierna vond nog een persoonlijk gesprek plaats tussen ds. van Minnen en ds. F. Bakker (1919-1965) in Driebergen. Deze geliefde predikant is acht jaar predikant geweest in de Christelijke Gereformeerde Kerk van Huizen en Driebergen. Oorspronkelijk was hij kerkelijk aangesloten bij de Gereformeerde Kerk van Yerseke. Later sloot hij zich aan bij de Gereformeerde Gemeenten. Bakker werd ten tijde van ds. A. Gruppen (1886-1955) lid van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Biezelinge.  De begeerte tot het predikambt werd hem opgelegd. Hij was verlegen en bescheiden van aard maar de studie in Apeldoorn schrikte hem niet af. Helaas werd hij de eerste keer afgewezen. De tweede keer mocht hij zijn studie wel beginnen. Ds. Bakker had niet zo veel sprekersgaven en moest hard werken voor zijn studie. In 1956 werd hij de opvolger van ds. C. den Hertog in Huizen. Tussen ds. van Minnen en ds. Bakker ontstond een warme vriendschap. Ds. Bakker kon zich in het besprokene met ds. Smits en ds. De Jong vinden en drong er bij ds. Van Minnen op aan om aanwezig te zijn op de a.s. vergadering van bezwaarde predikanten in Rotterdam.


Ds. F. Bakker
Ds. F. Bakker

Bezoek aan ds. C. Smits in Sliedrecht

Op 11 juli 1960 bracht ds. Van Minnen een bezoek aan ds. Smits in Sliedrecht. Een hartelijk ontvangst volgde hier.  De vrouw van ds. Smits stond geheel achter haar man en wees op nood van de jeugd. Ds. Smits concludeerde evenwel dat er bij ds. N. de Jong iets was wat hem weerhield. De kerkenraad in Katwijk stond geheel achter hem maar hij had een stimulans nodig. Ds. Smits zou ds. De Jong er nogmaals op wijzen dat als hij de stap deed velen zullen volgen gezien zijn leer en grondslag. Ds. Smits was zelf bereid om spoedig uit de Christelijke Gereformeerde Kerken te treden en gemeenten te stichten op de vele plaatsen waar hij reeds preekte buiten het kerkverband.

Aan ds. De Jong werd door ds. Van Minnen een schrijven gericht waarin het bezoek aan ds. Smits werd bevestigd en ook het bezoek van ds. F. Bakker aan de pastorie in Delft nadat met deze telefonisch contact was opgenomen over de stand van zaken. Geadviseerd werd nu ten spoedigste te vergaderen opdat door uitstel het niet kwam tot een fataal afstel. Ds. Smits kreeg een brief met dezelfde inhoud.

Urk

Inmiddels had ook de kerkenraad van Urk laten weten op het punt van uittreding te staan. De kerkenraad van Urk wachtte op een reactie van de betreffende predikanten om een eventuele stap gezamenlijk te kunnen doen. Maar ondanks de spanning die er heerste en met name in de gemeente Urk volgde toen een periode van zeven weken stilzwijgen.

Noten

[*] Classis contracta is letterlijk een vergadering van twee naburige kerken, tussen een gewone classisvergadering in, bedoeld om dringende zaken af te handelen.

[*] Deze opmerking in een brief van ds. J.G. van Minnen aan ds. H. Visser Mzn. over de situatie in de CGK rond 1959 is wel wat algemeen gesteld. Er waren destijds toch nog wel andere geluiden (Van der Meiden), maar deze passage maakt wel duidelijk dat Van Minnen zich niet kon vinden in de nieuwere stroming binnen de Chr. Geref. Kerk. Velema schreef later: "Wij voelden tijdens de studie in Apeldoorn al aan dat wij niet op dezelfde lijn zaten." Hij noemde de namen van H. Visser Mzn, J.G. van Minnen en E. du Marchie Voorthuysen die veel met elkaar optrokken in hun Apeldoornse periode en zichzelf met W. Ruiter en J.C. Maris in het andere groepje. Later hebben allen wel een eigen ontwikkeling doorgemaakt waardoor de werkelijkheid wellicht iets minder zwart wit is. Velema typeerde zijn eigen positie als: "Voor de lichten te zwaar en voor de zwaren te licht!"  Volgens C..M. Van Driel er een tweedeling tussen de studenten bevorderd zijn door Prof. G. Wisse. Dr. C.M. van Driel, Een wereld op zichzelf, Prof. Gerard Wisse (1873-1957) (Heerenveen: 2020). Hij stelt het daarbij zo voor alsof het eerst genoemde groepje studenten door Wisse bewust ontzien en bevoordeeld werden. Bij deze voorstelling van zaken kunnen op zijn minst vragen worden gesteld. Willem Kremer had reeds een lange staat van dienst binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk. In 1919 werd hij aangenomen aan de theologische school, samen met J. Drenth. In 1926 werd hij beroepbaar gesteld als kandidaat en nam een beroep aan naar Kornhorn. In 1954 werd Kremer benoemd als hoogleraar, en volgens T. Brienen zou hij als zodanig een voortrekkende rol hebben gehad van een 'Calvijn-reveil'. Kremer was hoogleraar tot 1969. Dr. T. Brienen, De Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland (Kampen: 2002) In 2019 verscheen een heruitgave van het verzameld van Prof. W. Kremer "Priesterlijke prediking' verzorgd door ds. J. Westerink en D.H.J. Folkers. 

[*] Ds. Hendrik Visser Meliszn geboren op 23 januari 1911 in Strijen studeerde omstreeks dezelfde periode als ds. Van Minnen in Apeldoorn. Op 7 november 1937 was hij door Prof. P.J.M. de Bruin in Bunschoten als predikant bevestigd. Deze gemeente diende hij tot 1940. Hij werd toen predikant in Middelharnis. In 1945 nam hij een beroep naar Rotterdam-Zuid aan. Er rezen hier bezwaren tegen zijn prediking: hij zou allegoriseren en zijn opvattingen ten aanzien van een 'tweeërlei geloof'. Ds. Visser zou stellen dat hetgeen geleerd wordt door een aan zichzelf ontdekte zondaar in de zondagen 2 tot 6 van de Heidelbergse Catechismus behoorde tot de noodzakelijke (maar niet zaligmakende) voorbereiding, oftewel het goddelijk geloof der wet. Slechts het 'geloof van het evangelie', behoorde volgens ds. H. Visser tot het zaligmakend geloof, het geloof dat met Christus verenigt. Ds. Van Minnen wees deze gedachte als 'onschriftuurlijk' af. Volgens hem was er sprake van één zaligmakend geloof dat zich richt op wet en evangelie beide. Dit was in lijn met de algemene opvatting binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk over dit onderwerp.

Christelijke Gereformeerde Kerk Sliedrecht
Christelijke Gereformeerde Kerk Sliedrecht

Derde contact met ds. H. Visser Mzn.

De stilte werd doorbroken door een telefoontje van ds. H. Visser Mzn. op dinsdag 6 september 1960 waarbij deze zichzelf uitnodigde bij ds. Van Minnen. Op woensdag 7 september 1960 kwam deze predikant naar Delft om het contact weer te herstellen. Hij nodigde ds. Van Minnen en de kerkenraad van Delft uit voor een samenspreken in Rotterdam-Zuid. Gezien de uitlatingen van ds. Visser 'dat Urk ds. Van Minnen bij het doen van stappen betrokken wenste te zien' besloot de kerkenraad één en ander te controleren. Op diezelfde avond 9 september 1960 werd de kerkenraad van Urk opgebeld waarbij bleek dat dit gerucht over Urk op waarheid berustte.

Vervolg geschiedenis Urk

De geschiedenis van Urk was een gevoelige kwestie. Voordat een groot deel van deze gemeente overging naar de Christelijke Gereformeerde Gemeenten (rondom ds. H. Visser Mzn.) had zich al het nodige afgespeeld. In de Wekker d.d. 21 oktober 1960 gaf ds. J.H. Velema daarop een toelichting. Op Urk bevond zich één van de oudste Christelijke Gereformeerde Kerken. In 1894 was de Christelijke Gereformeerde Kerk daar weer tot openbaring gekomen. De eerste predikant was ds. M. Boer. Een andere geliefde predikant die hier gestaan heeft was ds. W.F. Kodde. Volgens ds. Velema breidde de gemeente zich ten tijde van ds. E. du Marchie van Voorthuysen (1937-1942) behoorlijk uit, maar niet ten goede. Volgens Velema kwamen er allerlei mensen over met nauwelijks kerkelijk besef. Deze kwamen tenslotte ook in de kerkenraad en gingen ertoe over om allerlei vrije predikanten uit te nodigen. 

Hoe dit verder zij, in 1960 stond de gemeente op het punt van uittreden en men wilde ds. Van Minnen erbij betrekken om gezamenlijk met de bezwaarde christelijk-gereformeerde  predikanten een nieuw kerkverband te vormen. 

Op zaterdag 10 september 1960 brachten ds. J.G. van Minnen met ouderling A.W. Langstraat uit Delft een bezoek aan de kerkenraad van Urk.[*] De kerkenraad verklaarde zich te willen verenigen met ds. H. Visser Mzn. én ds. J.G. van Minnen. Ds. Van Minnen antwoordde hierop dat dit onmogelijk was gezien de leer van ds. Visser die volgens hem onschriftuurlijk was. 

Geadviseerd werd door Urk om contact op te nemen met de bezwaarde Christelijke Gereformeerde predikanten zodat in een bredere gemeenschappelijke vergadering de leer van ds. Visser nader besproken kon worden. Dit voorstel werd door de kerkenraad van Urk unaniem goedgekeurd. Besloten werd dat ds. Van Minnen voor 1 oktober 1960 aan de bezwaarde christelijke gereformeerde predikanten zal meedelen dat Urk graag deze toekomst voor de gemeente zou zien.

Brief aan Urk

Na de ontmoeting met de kerkenraad op Urk werd een brief door ds. Van Minnen geschreven ter bevestiging van de opdracht van Urk om te spreken met de groep bezwaarde christelijk-gereformeerde predikanten over een mogelijke gezamenlijke uittreding. Deze bewuste brief kwam echter in verkeerde handen waardoor in het orgaan van de Classis Amsterdam van de Christelijke Gereformeerde Kerk 'Woord en daad' een artikel van ds. M.W. Nieuwenhuijze over de kwestie Urk verscheen. Dit werd in De Wekker van 21 oktober 1960 nog eens overgedaan door ds. J.H. Velema. Op beide publicaties werd een schrijven door de kerkenraad van Delft opgesteld en naar de betreffende predikanten verzonden met het verzoek om een rectificatie van enkele suggestieve onjuistheden in deze artikelen t.a.v. ds. Van Minnen, welke echter uitbleef.

Opnieuw contact ds. N. de Jong en ds. C. Smits

Op maandag 12 september 1960 werd door ds. van Minnen een telefoongesprek gevoerd met ds. De Jong en ds. Smits naar aanleiding van het bezoek aan Urk waarbij werd meegedeeld dat:
1. Spoedig handelen geboden is om te komen tot de vorming van een kerkgenootschap
2. Ds. Visser zit niet stil en probeert in Urk zijn invloed te doen gelden
3. Urk wenst zich het liefst met de (bezwaarde) christelijk- gereformeerde predikanten te verenigen

Op 13 september 1960 werd bij een persoonlijk bezoek aan ds. Smits in Sliedrecht alles nog een keer doorgesproken. Ds. Smits stond (zo bleek tijdens dit bezoek) nog geheel achter een uittreding uit de Christelijke Gereformeerde Kerken.

Op vrijdagavond 16 september 1960 volgde opnieuw een samenspreken met de kerkenraad van Rotterdam-Zuid waarbij ds. H. Visser Mzn. voorstelde om over leven en leer te spreken. Nadat ouderling A.W. Langstraat hem op de verkeerde volgorde had gewezen werd tenslotte toch met dit voorstel ingestemd. Uitvoerig werd gesproken over het tweede huwelijk van ds. G. Salomons waarbij ds. Visser het standpunt verdedigde dat ds. Salomons niet in het ambt zou mogen staan. Na een weerwoord gaf hij aan wel van mening te willen veranderen.

Twee 'Urker' predikanten: ds. M. Boer en ds. W.F. Kodde
Twee 'Urker' predikanten: ds. M. Boer en ds. W.F. Kodde

Dinsdag 20 september 1960 nam ds. Visser telefonisch contact op en nodigde ds. Van Minnen uit voor een volgende vergadering op vrijdag 30 september 1960 en tevens met het verzoek om op 2 oktober 1960 in Urk te preken. Ook nodigde hij ds. Van Minnen en diens vrouw uit voor een informeel samenzijn. Aan de avond van dezelfde dag (20 september 1960) verscheen in de krant dat Urk uit het verband van de Christelijke Gereformeerde Kerken was getreden en zich verbonden had met de gemeenten van ds. H. Visser Mzn. Op dezelfde avond van de bekendmaking in de pers belde ds. Van Minnen met de kerkenraad van Urk en vroeg hierbij aan ouderling Post of ds. Visser het had doen voorkomen of de eenwording al een voldongen feit was. Hierop had Urk ds. Visser metterdaad bij acclamatie beroepen. De Urkers waren ontsteld en ontnuchterd toen zij moesten vernemen dat de situatie anders was.

Op 23 september 1960 volgde een telefoongesprek met Urk tussen ouderling A.W. Langstraat van Delft met ouderling Post van Urk. Het verlangen van samengaan en de teleurstellende houding over de afwijzende houding van de kerkenraad van Delft en ds. Van Minnen vanwege de leer van ds. Visser werd hierbij niet onder stoelen of banken gestoken. Op ds. Van Minnen werd een beroep gedaan om toch naar Urk te komen om te komen preken. Ook in de eerstvolgende weken was er nog enkele malen een telefoongesprek.

Gezien de vreemde gang van zaken besloot de kerkenraad van Delft op 24 september 1960 een brief te schrijven aan die van Rotterdam-Zuid om de te houden vergadering van 30 september 1960 te laten vervallen.

Ds. M.W. Nieuwenhuijze
Ds. M.W. Nieuwenhuijze

Classis 21 september 1960

Op de classisvergadering in aanwezigheid van ds. K. van Twillert en ouderling G. Wapenaar (Vlaardingen) van 21 september 1960 in Delft werden de vacaturebeurten geregeld waar bij die van Drachten enige toelichting volgde. Het kwam aan de orde dat elke gemeente in de grond van de zaak autonoom is en niet verplicht kan worden zich een predikant te laten opdringen. Uit een rondgang wat betreft de welstand van de gemeenten bleek dat het goed ging. In Drachten was er weer een kleine toename in het aantal hoorders. In Vlaardingen ging het iets beter. Tijdens die zelfde classisvergadering werden aan de pastor van Vlaardingen (ds. Van Twillert) enkele nuttige adviezen gegeven aangaande de prediking. Dit gesprek verliep zeer hartelijk en broederlijk waar het ging om het beste voor pastor en gemeente. 

Noten

[*] Dit was het eerste contact met de kerkenraad van Urk sinds de scheuring in 1952. Van een geregeld contact tussen ds. Van Minnen met Urk zoals ds. Velema in De Wekker van 21 oktober 1960 schreef was geen sprake. Het mandaat om contact te zoeken met de bezwaarde christelijke-gereformeerde predikanten kwam vanuit Urk. 

Groothandelsgebouw Rotterdam
Groothandelsgebouw Rotterdam

Vergadering bezwaarde christelijke gereformeerde predikanten in Rotterdam

Intussen werd op 23 september 1960 een uitnodiging ontvangen van de secretaris van de vriendenkring van bezwaarde christelijk-gereformeerde predikanten, waarin ds. Van Minnen namens de voorzitter van dit college uitgenodigd werd om op maandag 26 september 1960 in het Groothandelsgebouw in Rotterdam op hun vergadering aanwezig te zijn. Het tijdstip was 13.30. Op die datum volgde de lang verwachte vergadering van bezwaarde christelijk-gereformeerde predikanten. Toen ds. Van Minnen arriveerde bleken de andere broeders reeds aanwezig te zijn en gezamenlijk de maaltijd te hebben genuttigd. Aanwezig waren: ds. N. de Jong (1899-1980), ds. C. Smits (1898-1994), ds. M.C. Tanis (1929), ds. F. Bakker (1919-1965), ds. D. Slagboom (1926-1997), ds. G. Blom (1905-1992), ds. E. Venema (1922-2003), ds. H. van Leeuwen (1906-1988) en ds. H.C. van der Ent (1918-1997). Voor de eerder besproken punten met ds. C. Smits, ds. N. de Jong en ds. F. Bakker bleek nauwelijks nog belangstelling te bestaan. Wel was men geïnteresseerd over de toedracht in Urk en hoe het ging in Delft. Ds. Smits merkte op "nu in de mist te zitten." Ds. Van Minnen antwoordde hierop dat het dan hoog tijd werd het roer in handen te geven van de grote Kapitein. Ds. Tanis gaf aan dat Huizen als "een mislukking" beschouwd moest worden. Ds. Van Minnen haalde hierop het voorbeeld van ds. H. de Cock aan. Ds. D. Slagboom wees op het zoeken naar eenheid. Hij vroeg zich af of ds. Van Minnen wel had mogen uittreden. Ds. Venema sloot de vergadering waarbij hij om licht vroeg. Ds. Van Minnen wees hem na afloop op Gods Woord en de Belijdenisgeschriften die wat dit betreft voldoende licht verspreiden. Na afloop gaf ds. van Minnen aan dat hij vanaf dit ogenblik zijn eigen koers zou aanhouden. Evenwel werd hij alsnog uitgenodigd voor een volgende vergadering.


Ds. D. Slagboom en ds. M.C. Tanis. Maarten Tanis groeide op in een hervormd gezin in Rotterdam. In juni 1944 werd ds. W. F. Laman predikant van de christelijke gereformeerde kerk te Rotterdam-West. "Zijn prediking en catechese heeft de Heere willen zegenen en mede daardoor is mijn weg verlegd naar de Christelijke Gereformeerde Kerken." In 1946 werd Tanis, zeventien jaar oud, geroepen tot het ambt.
Ds. D. Slagboom en ds. M.C. Tanis. Maarten Tanis groeide op in een hervormd gezin in Rotterdam. In juni 1944 werd ds. W. F. Laman predikant van de christelijke gereformeerde kerk te Rotterdam-West. "Zijn prediking en catechese heeft de Heere willen zegenen en mede daardoor is mijn weg verlegd naar de Christelijke Gereformeerde Kerken." In 1946 werd Tanis, zeventien jaar oud, geroepen tot het ambt.

Op 29 maart 1961 overleed Gerrit Willem Alberts, geboren op 30 januari 1886 in Voorst. Hij was predikant in Zutphen (1923-1929) 

Vierde contact ds. H. Visser Mzn.

Op vrijdag 14 april 1961 had ds. H. Visser Mzn. telefonisch contact opgenomen met ds. Van Minnen of het wellicht mogelijk was zaterdagmorgen om 10.00 in Delft samensprekingen te houden, waarbij wederzijds enkele kerkenraadsleden aanwezig zouden kunnen zijn. Ds. Salomons heeft deze vergadering ook bijgewoond. Het thema van het gesprek was: Waarom nog langer gescheiden voortleven? Hierop werd als antwoord gesteld, dat de basis voor kerkelijk samengaan gelegd kan worden als ds. Visser op een broederlijke wijze wil komen met terzijdestelling van zijn zogenaamde 'tweeërlei geloof.' De voorwaarde is dat bij een eventuele vereniging dit tot uitdrukking komt, dat men het hierover eens geworden is, dat er is naar Gods Woord één zaligmakend geloof dat zich richt op wet en evangelie beide. Ds. Visser bleek bereid om zijn leer van een tweeërlei geloof, waarvoor hij in 1947 geschorst was in de Christelijke Gereformeerde Kerken, ter wille van een eventuele vereniging, (openlijk) te herroepen. Ook het tweede huwelijk van ds. Salomons kwam opnieuw ter sprake, waarbij ds. Visser verklaarde dat hem deze zaak naar Gods Woord nu volkomen duidelijk was. 

Gezamenlijke classis-vergadering 13 mei 1961 in Rotterdam

Als gevolg hiervan werd op 13 mei 1961 een gezamenlijke vergadering gehouden in gebouw Pretoria te Rotterdam. Deze vergadering werd geopend door ds. H. Visser Mzn met lezing van Handelingen 1: 1-14 waarna hij een kort openingswoord sprak naar aanleiding van het samenzijn van de discipelen tussen hemelvaart en Pinksteren. Zij waren verschillend in karakters, maar zij waren allen ambtsdrager. In het bidden en smeken waren zij één. Volgens de presentielijst waren aanwezig 39 ambtsdragers waarvan 5 predikanten, 19 ouderlingen en 15 diakenen, t.w. de kerkenraden van Delft met 1 predikant, 3 ouderlingen en 2 diakenen,  Gouderak met 3 ouderlingen en 2 diakenen, Hoofddorp met 1 predikant, 2 ouderlingen en 1 diaken, Rotterdam-Zuid met 4 ouderlingen en 4 diakenen, Urk met 1 predikant, 4 ouderlingen en 5 diakenen, Vlaardingen met 1 predikant, 1 ouderling en 1 diaken, Werkendam met 1 predikant en 2 ouderlingen. Ds. Salomons deelde mee machtiging te hebben ontvangen van de kerkenraad van Drachten als consulent te mogen handelen alles overeenkomstig met Gods Woord en de D.K.O. Het tijdelijk moderamen werd samengesteld uit ds. J.G. van Minnen (voorzitter), ds. Visser (tweede voorzitter), ouderling J. van Berkel (1ste scriba), ouderling A.W. Langstraat (2de scriba), diaken De Boon quaestor.   

De voorzitter begon met de opmerking dat om te kunnen, te willen en te mogen verenigen moet de grondslag liggen in de Heilige Schrift, daarnaast de Drie Formulieren van Enigheid en de D.K.O. Wat het vroegere verschil in de leer betrof kon de voorzitter melden dat dit tijdens een bespreking in Delft tot een voor beide partijen bevredigende oplossing geleid heeft. Ds. Visser voegde als tweede voorzitter hieraan toe, dat hij zich kon vinden in de formulering wat het zaligmakend geloof betreft, dit het zich richt op wet en evangelie beide. Wat betreft de D.K.O. werd deze in gebruik genomen zoals in 1954 door de Christelijke Gereformeerde Kerken aanvaard met wat kleine correcties.  Ook over het reizen met eigen vervoersmiddelen op de dag des Heeren werd overeenstemming bereikt. Een ander belangrijk punt was de geoorloofdheid van een tweede huwelijk van beide partijen nadat het eerste huwelijk wettig was ontbonden. De afgevaardigden Werkendam vragen naar opheldering over deze kwestie. De persoonlijke verklaring van ds. Salomons vond bij alle broeders dusdanige instemming zodat er, ook wat betreft ds. Salomons, niets meer in de weg stond. 

Nieuwsblad van het Noorden, 1 maart 1961
Nieuwsblad van het Noorden, 1 maart 1961

Akkoord tot fusie

Nadat ds. Visser zijn opvattingen omtrent het 'Goddelijk geloof der wet en het zaligmakend geloof van het evangelie' herroepen had (men kwam tot de gemeenschappelijke formulering "dat het waarachtig zaligmakend geloof zich richt op Wet en Evangelie beide"), en de herbevestiging van ds. G. Salomons met algemene instemming als wettig was erkend (de geoorloofdheid van een tweede huwelijk nadat het eerste huwelijk wettig is ontbonden) vond tijdens de vergadering in Rotterdam een vereniging plaats tussen beide kerkelijke groeperingen onder de naam van Christelijke Gereformeerde Gemeenten. Deze vereniging werd bevestigd door een unaniem opstaan van alle aanwezige 39 ambtsdragers waarvan 5 predikanten t.w. H. Visser Mzn., J.G. van Minnen, H. Van Kooten, G. Salomons, K. van Twillert), 19 ouderlingen en 15 diakenen die samen 8 gemeenten vertegenwoordigden t.w. Urk (700 leden), Gouderak (100 leden), Delft (100 leden), Vlaardingen (70 leden), Hoofddorp (60 leden), Rotterdam-Zuid (500 leden), Drachten (30 leden) en Werkendam (300 leden). Van het besluit werd een persbericht opgesteld waarin alle aanwezigen zich konden vinden. De kerkenraden zouden de vereniging ter approbatie aan de gemeenten voorleggen. Het kerkverband stelde zich op de oude grondslag van 1517, 1618/1619 en 1834. Na dit plechtige ogenblik deelde ds. G. Salomons van Hoofddorp mee met emeritaat te willen gaan in verband met zijn achteruitgaande gezondheid. De volgende classisvergadering werd vastgesteld op 9 september 1961 aanvang 10.00 waarbij elke gemeente 3 afgevaardigden zou zenden. Als roepende gemeente werd Rotterdam-Zuid aangewezen. Op de vraag van ouderling Bakker van Rotterdam werd de kerkenraden de vrijheid gegeven om alle predikanten binnen het kerkverband uit te nodigen om een preekbeurt te vervullen. Urk zou zorgen dat de vereniging publiekelijk en bij de overheid bekend gemaakt werd. Als laatste punt werd aangenomen dat men zich van partijpolitiek vanaf de kansel zou onthouden, waaruit zou kunnen blijken voor ARP, CHU of SGP te zijn of iets dergelijks. Op 25 juni 1961 preekte ds. Van Minnen in de gemeente van Urk, terwijl ds. Visser een preekbeurt in Drachten waarnam.

Chr. Geref. Gemeente Werkendam
Chr. Geref. Gemeente Werkendam

Classisvergadering 9 september 1961

Op de classisvergadering van 9 september 1961 in Rotterdam-Zuid vroeg ouderling Post (Urk) zich af waarom in het verschenen persbericht met betrekking op de vereniging behalve 1517, 1618-1619, 1834 het jaartal 1892 niet genoemd was. 

Ds Salomons werd als predikant van Hoofddorp op de meest eervolle wijze emeritaat verleend.

Ter tafel kwamen een 2-tal instructies die opgesteld waren door de kerkenraad van Delft die moesten leiden tot meer  kerkordelijk samenleven. Instructie I handelde over het optreden van voorgangers van buiten het kerkverband in de gemeenten en instructie II over het optreden van voorgangers binnen het kerkverband buiten de gemeenten. Deze instructies werden naar het oordeel van de kerkenraad van Delft niet met veel enthousiasme ontvangen. Met vijf stemmen tegen werden de instructies overgenomen "behoudens enkele gevallen die genegen zijn toe te treden." 

Ds. Van Minnen confronteerde tijdens deze vergadering de voorzitter ds. H. Visser Mzn. met een schrijven van zijn hand waarvan de inhoud in flagrante strijd zou zijn met zijn eerdere herroeping van het tweeërlei geloof. Dit riep bij hem de nodige vragen op

Tijdens deze vergadering bleek ook dat ouderling J. van Berkel (Rotterdam-Zuid) nog steeds problemen had met de positie van ds. Salomons. 

Terugkeer ds. J. Blankespoor? 

Op 19 september 1961 schreef ds. Visser vanuit Urk een brief aan ds. Van Minnen dat ds. J. Blankespoor bij hem op bezoek was geweest. "Het is er door dat hij zich met zijn gemeente bij ons wenst aan te sluiten." "Wanneer er geen bezwaren zijn bij Delft, Drachten en Hoofddorp tot toetreding, dan behoeft er voor deze zaak m.i. geen extra classis gehouden worden. En om de zaak uit te stellen tot de voorjaarsclassis vind ik ook niet gewenst. Ik zal mij dan in verbinding stellen met de gemeenten Rotterdam, Werkendam, Gouderak en Vlaardingen, en mochten er geen bezwaren zijn, laat men dan aan Urk het mandaat verlenen deze zaak met ds. Blankespoor en zijn gemeente af te wikkelen."

Hierop werd in samenspraak met de kerkenraad van Delft het volgende geantwoord:

Weleerwaarde ds. Visser,

Uw schrijven van 19 september j.l. betreffende ds. Blankespoor en zijn gemeente hebben wij op de kerkenraad doorgesproken. Wij zijn het met u eens dat antipathieën op het kerkelijke erf geen rol mogen spelen, maar u zult het met ons eens moeten zijn, dat afgezien er met ds. Blankespoor in het verband van de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland is gebeurd, toetreden van gemeenten en of predikanten door de brede vergadering i.c. de classis zal moeten worden behandeld. In dit verband vestigen wij uw aandacht, wellicht ten overvloede op artikel 4-3 B van de DKO. Met heilbede, namens de kerkenraad [van Delft].


Fusie ongedaan gemaakt

Op 20 september 1961 werden door de kerkenraad van Delft de gemeenten van Drachten, Vlaardingen en Hoofddorp benaderd om de gesloten fusie ongedaan te maken. Hierop volgde dat de predikanten J.G. van Minnen en G. Salomons met de gemeenten Delft, Drachten en Hoofddorp op 28 september 1961 de gesloten vereniging met de gemeenten rond ds. H. Visser Mzn. ongedaan maakten. De kerkenraad van Urk reageerde op het vertrek van de drie gemeenten teleurgesteld. De gemeente van Vlaardingen, besloot met haar predikant achter te blijven in het kerkverband rond ds. Visser. In 1962 werd ds. Van Twillert beroepen door de gemeente van Rotterdam-Zuid uit een tweetal met de hervormde godsdienstonderwijzer Jacob Verboom uit Kollum. Dit beroep nam hij aan en werd hier bevestigd door ds. H. Visser.[*] 



Redenen voor het ongedaan maken van de fusie

Er was vooral onbehagen over het optreden van ds. H. Visser Mzn. en de draaiende houding tegenover ds. Salomons.  Wanneer ds. Visser in zijn kerkbode ds. van Minnen hierover meent te kunnen aanvallen dient deze hem middels een uitgebreide verantwoording van repliek: "Men heeft mij naar de waarheid gevraagd voor wat in dit artikel [van ds. H. visser Mzn.] staat. Wij wensen de waarheid getuigenis te  geven"  "Uit alles is helaas gebleken, dat uw methode van doen tijdens de classis Rotterdam, rondom 1947 nog niet veranderd is. We hadden het gehoopt, we wilden het aanvaarden, dat u werkelijk te dien aangaande veranderd waart, te weten in uw leer en leven op het kerkelijke erf." "Gezien alles hadden we neen moeten zeggen op het aanbod van de fusie. Wij hebben het afgebroken, na het onwaarachtige gedoe tijdens de informatieve besprekingen, toen ds. Visser zich met de gemeente van Urk verenigde, zonder er iets van te zeggen. Dit gebeurde op 24 september 1960." "Ons schrijven is geen terugname van onze bezwaren tegen de  Chr. Geref. Kerk. Maar om de onwaarheden te weerspreken, ook al zou dat de zaak van de Chr. Geref. Kerk te Urk ten goede komen, of in een helderder licht komen te staan. Ridderlijk zou het zijn als ook t.o.v. de publicaties over ds. Van Minnen in de Wekker en het classicale blad van de classis Amsterdam zou gerectificeerd worden.  Maar al zou men het niet doen, hoop ik en wens ik door God en de Heilige Geest der waarheid, de waarheid te dienen. Uiteindelijk gaat het niet om mensenkinderen (Ezechiël) die dominee zijn, maar om Gods eer en heerlijkheid in Zijn Kerk uit alle geslachten, talen en tongen en natiën.  Dat ieder levend lidmaat van die GROTE KERK de vrede Gods moge ervaren."[*]

Voorstel Drachten 

In oktober 1961 werd een brief ontvangen van de kerkenraad van Drachten, waarin men aangaf als gemeente aansluiting te zullen zoeken bij het kerkverband Gereformeerde Gemeenten en tevens met het voorstel om dit gezamenlijk te doen. Ds. Van Minnen zond deze brief door aan ds. Salomons. Met ds. Salomons werd op 24 oktober 1961 overeengekomen, dat er een door de predikanten ds. Van Minnen en ds. Salomons ondertekend schrijven zou worden verzonden aan Drachten, waarin werd meegedeeld dat er niet aan aansluiting bij de Gereformeerde Gemeenten werd gedacht. De kerkenraden van Delft en Hoofddorp stemden met dit besluit in.

Delft en Hoofddorp samen verder

Op 20 oktober 1961 stelde de  kerkenraad van Delft bestaande uit A.W. Langstraat, P. Langstraat, A. Deijs (ouderling) en J.C. Kieboom en J.C. Hille (diaken) met die van Hoofddorp bestaande uit D.J. Boot, K. den Breejen (ouderling) en Verbeek (diaken) een verklaring op dat per heden tot penningmeester van de emeritus- en de opleidingskas br. A. Deijs in Delft was benoemd in plaats van br. A. Th. de Boer te Drachten. Beide kerkenraden spraken tenslotte hun erkentelijk uit jegens br. de Boer "voor het accurate en trouwe beheer der kassen." Na deze formele handelingen kwam een einde aan de kerkelijke band met de gemeente Drachten in het hoge Noorden. [*] 


Ger. Gem in H.V. Sliedrecht naar CGK

Op de te Dordrecht gehouden classicale vergadering van de Chr. geref. kerken werd de Geref. Gem. in Hersteld verband Sliedrecht toegelaten tot het verband van de Chr. Geref. kerken. In Sliedrecht zijn dus thans twee Chr. Geref. Kerken t.w. de kerk aan de Dijk en de kerk in de Middeldiepstraat. De voorganger van de Chr. Geref. Kerk (centrum) ds. C. Smits zal als consulent van de Chr. geref. kerk aan de Middeldiepstraat optreden.

Trouw, 3 februari 1962


Synode CGK 1962

Op de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken van 1962 kwam na enige jaren radiostilte opnieuw de vraag van de verhouding van deze kerk ten opzichte van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt ter sprake. Dit naar aanleiding van het besluit van de vrijgemaakte synode van 1958 in Bunschoten-Spakenburg om opnieuw deputaten te benoemen om samen te spreken met Chr. geref. deputaten. De Chr. Geref. synode van 1962 sprak uit dat het roeping is, te staan naar eenheid. Deputaten kregen opdracht in overleg met gereformeerde deputaten wegen te zoeken die tot wegneming van de geconstateerde verschillen kunnen leiden. 

Vooralsnog werd staande gehouden "dat er verschillen gebleken zijn met name op het punt van de toe-eigening des heils, en met betrekking tot de hantering van het gereformeerd belijden omtrent de kerk." 

Echter een half jaar na deze synode kwam het bericht dat men elkaar in Eindhoven toch had kunnen vinden. "Door eenstemmigheid in de gezonde leer, besloot men tot kanselruil en het openstellen van de avondmaalstafel voor elkanders leden." Tegen dit besluit wordt protest aangetekend door behoudende kerkenraden zoals in Alphen aan den Rijn.  Zij wijzen op het verschil in prediking tussen beide kerken.

De vrijgemaakten deden echter een dringend appèl op de Chr. Geref. synode om uit te spreken dat het verschil m.b.t. de toe-eigening des heils gelegen is binnen het raam van de belijdenis. Zij waren niet overtuigd van het feit dat het om een wezenlijk verschil zou gaan wat de belijdenis aangaat. 


Vlissingen

In augustus 1962 werd een schrijven uit Vlissingen ontvangen waarin belangstelling getoond werd voor het vervullen van een preekbeurt door ds. Van Minnen. Na enige tijd kwam het tot een gesprek met deze afdeling die onder leiding stond van ene br. de Ridder. Op 20 september 1962 brachten de broeders kerkenraad van Delft tevens een bezoek aan ds. G. Salomons in Terneuzen terwijl passant nog een bezoek werd afgelegd bij de familie Stoffels-Risseeuw uit Zaamslag waarbij deze br. zijn onbehagen kenbaar maakte over de ontwikkelingen in het kerkelijke leven.


'Invloed der vrouw in de gemeente' (1962)

Op 23 oktober 1962 sprak ds. Van Minnen in Delft voor de zusterkring 'Dienende Liefde' over het onderwerp "De invloed der vrouw in de gemeente." In 1967 werden in de Hervormde Kerk alle ambten voor vrouwen opengesteld. Het jaar daarop volgde de Gereformeerde Kerken. Langzaam maar zeker volgde ook de eerste pro-geluiden binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken. De synode van Hilversum 1968-1969 besloot het kiesrecht van de vrouw in de gemeente aan de vrijheid van de plaatselijke gemeenten over te laten. [*]




Noten

[*] Als predikant in Rotterdam-Zuid week ds. K. van Twillert af van de gereformeerde leer. Zo verwierp hij de kinderdoop en ging over naar de evangelische gemeenten. Aan het begin van de jaren vijftig kreeg de evangelische beweging een krachtig impuls onder leiding van Amerikaanse opwekkingspredikers zoals Billy Graham. Deze sprak voor bijeenkomsten waar tienduizenden mensen op af kwamen. De evangelische beweging keerde zich tegen de gezapigheid binnen de kerken en hadden ook scherpe maatschappij kritiek. In hun opvattingen waren ze orthodox-arminiaans. een persoonlijke geloofskeuze stond centraal. In 1958 bezocht de Amerikaanse evangelist en gebedsgenezer T.L. Osborn ons land en trok een gehoor van tienduizenden op het Malieveld. Door deze laatste stroming raakte van Twillert sterk beïnvloed.  

[*] De overweging speelde hierbij een rol dat ds. J. Blankespoor destijds zonder geldige reden (ds. H. Groen van Drachten had hem hier op aangesproken) het kerkverband had verlaten en hier nooit meer op teruggekomen was. Dit zou dus eerst op een classisvergadering ophelderend besproken moeten worden. Ds. H. Visser diende de gemeente van Urk tot 1966 en verliet toen plotseling op een zondagavond zijn gemeente om weer over te gaan naar de Christelijke Gereformeerde Kerk. Volgens een bericht in het Gereformeerd Gezinsblad van 4 augustus 1967 zou hem het verlof zijn verleend voor te gaan in de Chr. Geref. Kerken. De gemeente Urk volgde ds. Visser Mzn. niet maar bracht een beroep uit op ds. E. du Marchie van Voorthuysen. Deze gaf aan wel het beroep te willen aannemen maar op voorwaarde dat de gemeente zich aansloot bij de Oud Gereformeerde Gemeente in Nederland. Trouw, 11 mei 1966

[*] In april 1968 werd de gemeente Rotterdam-Zuid met haar toenmalige predikant ds. H. van Kooten opgenomen in het verband van de Gereformeerde Gemeenten. Ouderling J. van Berkel ging niet mee en legde hierop zijn ambt neer. C. Demper, Een haven in een havenstad, Honderd jaar Gereformeerde Gemeente Rotterdam-Zuid (1894-1994), Houten 1995 (p. 158) 

[*] In februari 1962 werd de gemeente van Drachten opgenomen in het verband van de Gereformeerde Gemeenten na een positieve uitslag van het onderzoek dat de classis instelde naar de samenstelling en 'ligging' van de gemeente. Volgens het herdenkingsboek van Drachten lag aan het initiatief van het contact zoeken met de Gereformeerde Gemeenten een advies van ds. G. Salomons ten grondslag (W.B. Kranendonk, Gepland en bewaard, aspecten van de geschiedenis van de Gereformeerde Gemeente van Drachten, Houten 2005  (p. 76) Uit de officiële gegevens blijkt echter dat het meer om een initiatief van Drachten zelf gegaan zou zijn omdat sommige regelmatige bezoekers van de diensten zich reeds aan de Gereformeerde Gemeenten verbonden wisten. Ds. van Minnen trok zich het vertrek van Drachten erg aan blijkens een persoonlijk schrijven aan deze gemeente. In 1969 nam de gemeente het beroepingswerk ter hand. In 1972 nam ds E. Venema uit Zwijndrecht (aldaar met een groot deel van zijn gemeente uit de Christelijke Gereformeerde Kerken getreden het beroep naar de gemeente aan. De gemeente telde toen 110 leden en doopleden. Ds. Venema stond in Drachten tot 1981. De gemeente telde toen ongeveer 300 leden en doopleden.) 

[*] Begin jaren 80 verscheen een brochure 'Vrouwen in de dienst' van een groep christelijk gereformeerde theologen die beweerden dat zolang de Christelijke Gereformeerde Kerken de vrouw niet in het ambt toelaten, deze kerken blijven leven in een 'onevangelische situatie'. Prof. W. van 't Spijker sprak zich er negatief over uit. In zijn ogen was de invoering van vrouwelijke ambtsdragers onaanvaardbaar, omdat dat in strijd is met wat de Schrift leert over het ambt in de kerk. Al snel bleek echter dat er inmiddels meerdere predikanten waren die er anders over dachten.

Het kerkzaaltje boven de wagenmakerij aan de Dijksteeg in Vlaardingen werd in 1968 gesloopt
Het kerkzaaltje boven de wagenmakerij aan de Dijksteeg in Vlaardingen werd in 1968 gesloopt

Contact met Ger. Gem. in H. V. Rotterdam-Kralingen (Ds. P. Overduin en D. Chr. Overduin)

Op 19 januari 1963 vond een gezamenlijk overleg plaats tussen de kerkenraden van Delft en Vlaardingen omdat de vroegere zustergemeente aldaar leek in te stemmen met een terugkeer naar het verband van de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Deze kortstondige toenadering [op 31 januari 1963 kwam een schrijven "dat men alles bij nader inzien liet zoals het was"] [*] vond vrijwel gelijktijdig plaats toen contacten ontstonden met  een neef van ds. P. Overduin.  Daniel Christiaan Overduin Jzn. woonachtig in Sliedrecht, geboren op 23 februari 1935, verscheen op de kerkenraadsvergadering van 26 november 1962 in Delft en had binnen de Gereformeerde Gemeenten in Hersteld Verband preekconsent ontvangen. Een mogelijkheid tot een eigen preekplaats was er voor hem niet, omdat beide gemeenten een eigen predikant hadden. In verband met de ziekte van ds. P. Overduin was hij wel regelmatig in diens gemeente in Rotterdam-Kralingen voor gegaan. De predikant van Sliedrecht, ds. J. Overduin, was weliswaar in 1957 met emeritaat gegaan, maar de gemeente van Sliedrecht besloot in 1962 zich aan te sluiten bij de Christelijke Gereformeerde Kerken. Deze gemeente had hier in 1950 al contact over gezocht maar tot opname kwam het pas 12 jaar later. De gemeente die op de classisvergadering van 25 januari 1962 werd toegelaten tot het verband van de Christelijke Gereformeerde Kerken werd vanaf dat moment aangeduid als Christelijke Gereformeerde Kerk Middeldiepstraat.

Overduin, machinebankwerker van beroep, was inmiddels lid geworden van de Christelijke Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuid (ds. Visser Mzn.) waar hij  om toelating tot het predikambt verzocht. Hier werd hij echter naar zijn gevoel door een gebrek aan vooropleiding op een zijspoor gezet.  Nu had hij zich gewend tot ds. Van Minnen.

De kerkenraad van Delft schreef br. Overduin, die hiertoe zelf de wens te kennen gegeven had, in november 1962 als lid van de gemeente Delft in. Op de classisvergadering van 10 december 1962 in Delft werd br. Overduin op eenvoudige wijze onder leiding van ds. G. Salomons onderzocht naar roeping en genadestaat. Geen van de afgevaardigden bleek na afloop bezwaren te hebben br. Overduin in het verband te aanvaarden

Op 4 januari 1963 werd middels een persbericht officieel bekendgemaakt: dat de heer D. Chr. Overduin van Sliedrecht met een preekconsent hem verstrekt door de Gereformeerde Gemeente in Hersteld Verband overgekomen was naar de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland om voor dit kerkverband verder opgeleid te worden tot de bediening des Woords en der sacramenten.  

D. Chr. Overduin
D. Chr. Overduin

Op 21 februari 1963 werd ds. Van Minnen door de kerkenraad van de Gereformeerde Gemeente in Hersteld Verband in Rotterdam uitgenodigd om op 17 maart in de gemeente voor te gaan. Men sprak de hoop uit "dat het alles mocht leiden tot samenbundeling van de gemeenten." Van de predikant van deze gemeente, ds. P. Overduin [*] die in 1946 zijn vader ds. D.C. Overduin (1875-1946) als predikant was opgevolgd, ontving ds. van Minnen gelijktijdig een brief, waarin deze verklaarde "genezen te zijn van zijn verlangen om naar de Christelijke Gereformeerde Kerken over te gaan." Ds. Van Minnen ging tijdens de ziekte van ds. P. Overduin zowel in Rotterdam als in Giessendam voor. Met ds. Van Minnen werd afgesproken dat wanneer ds. Overduin zou zijn hersteld er verdere besprekingen gevoerd zouden worden, omdat ds. P. Overduin zelf graag persoonlijk tegenwoordig zou zijn op een dergelijke vergadering.


Vergadering Sliedrecht

Op 1 maart 1963 werd in Sliedrecht door bezwaarde christelijk-gereformeerde predikanten en ambtsdragers een vergadering gehouden waarop besloten werd "een blad uit te brengen om daardoor te trachten de eenheid te bevorderen, opdat geen onverantwoordelijke stappen zouden worden gedaan, wat tot afbreuk zou kunnen leiden van het kerkelijke leven." 


Vertrek br. Overduin en einde contact Ger. Gem. in H.V.

Op 23 maart 1963 verklaarde br. D. Overduin in een brief persoonlijk gericht aan ds. Van Minnen, dat hij de visie op 1 Korinthe 11, zoals die gedeeld werd binnen de Christelijke Gereformeerde Gemeente in Nederland, zag als "een terugkeer tot de ongoddelijke en oudwijfse fabelen uit 1 Timotheüs 4: 7". Over de inhoud van deze brief volgde in aanwezigheid van de kerkenraad van Delft op 20 juli 1963 een gesprek waarin br. Overduin erkende dat hij in zijn schrijven over de schreef gegaan was. Met een waarschuwing van ds. Van Minnen "dat het een karaktertrek is van de Overduinen hun spotlust te laten botvieren" ging br. Overduin heen in tweestrijd, want hij wilde erkennen dat hij door predikanten, kerkenraad en gemeenteleden -voor zover hij hiermee in aanraking geweest was-, tot nu toe altijd "eerlijk en met liefde" was behandeld. Voor de waarschuwing van ds. Van Minnen en verdere raadgevingen betuigde Overduin zijn spontane dankbaarheid. [*]

Op 2 juli 1963 schreef Delft  aan de scriba van de Gereformeerde Gemeente in Hersteld Verband in Rotterdam een brief waarin zij herinnerd werden aan het feit dat zij in februari 1963 contact hadden gezocht met de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland waarbij de wens werd uitgesproken: "onder de zegen des Heeren te mogen komen tot samenbundeling van de gemeenten." "Aangezien wij vernamen, dat ds. Overduin  inmiddels in uw midden is teruggekeerd en wij van u nog niets vernomen hebben, hebben wij gemeend u de hand te moeten toesteken, teneinde het uitgestelde contact te hervatten."

Hierop werd door Delft op 16 juli 1963 een schrijven ontvangen van de scriba van Rotterdam-Kralingen "op nader contact geen prijs meer te stellen" met als motivering: "gezien de ligging van uw gemeente anders is dan de onze". In 1978 werd ds. Overduin opnieuw ziek en bezon de gemeente zich op de toekomst. In 1980 werd alsnog besloten tot aansluiting bij de Christelijke Gereformeerde Kerken.

In september 1963 lag een brief op tafel van br. D. Chr. Overduin waarin deze definitief bedankte als lid van de gemeente Delft. Deze brief was gematigder van toon maar de strekking was hetzelfde. Br. Overduin verwees nu onder andere naar Colossenzen 2: 20-23 om zijn gedachten hierover te onderbouwen.[*] In 1966 vond Overduin een arbeidsveld in Hilversum. Op 1 november 1966 werd hij hier door zijn oom ds. P. Overduin, tot predikant bevestigd. [*]

Noten

[*] De Vlaardingse Christelijke Gereformeerde Gemeente besloot later toelating te verzoeken bij het verband van de Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland, hetgeen werd toegestaan.

[*] Pieter Overduin werd op 4 februari 1915 in Nieuw-Beijerland geboren. Zijn vader was Daniel Christiaan Overduin (1875-1946) die in 1930 als predikant van Rotterdam samen met zijn broer Johannes Overduin buiten het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten kwamen te staan. Zij namen drie gemeenten mee en vormden samen de Gereformeerde Gemeenten in Hersteld Verband. Pieter Overduin volgde een opleiding tot onderwijzer en was hierna werkzaam in Rotterdam, Delft en Sliedrecht. Toen zijn vader in 1946 stierf werd de toen 32-jarige Pieter Overduin als predikant van de Gereformeerde Gemeente in Hersteld Verband bevestigd door zijn oom. Ruim 33 jaar diende ds. Overduin deze gemeente.

[*] H. Hille & J.M. Vermeulen schrijven ten onrechte (In de schaduw van het kerkelijk leven, p 192): "De uitoefening van de tucht en de haardracht van meisjes en vrouwen (een gevoelig punt voor ds. Van Minnen) deed de wegen van Overduin en de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland uiteengaan. " Deze kwestie begon met een brief van Overduin waarin hij de uitleg van 1 Korinthe 11 zoals algemeen gedeeld binnen het kerkverband op de korrel nam en waarvan hij later tijdens overleg met de kerkenraad erkende hiermee over de schreef gegaan te zijn. In september 1963 bedankte hij uit eigen beweging en verzocht deze kwestie verder niet in de openbaarheid prijs te geven, omdat het vanzelf spreekt  dat daar weer misvattingen t.a.v. deze zaak ontstaan of zelfs scheve voorstellingen van gemaakt worden. De kerkenraden van Delft en Hoofddorp werden van deze zaak goed op de hoogte gehouden.

[*] De kerkenraad stelde hierop een schrijven op waarin zij aangaven dat zij vonden dat br. Overduin in zijn argumentatie inconsequent was gezien eerdere uitspraken tijdens de vergadering met ds. Salomons en bovendien een ernstige zaak dat br. Overduin de normen die afgeleid kunnen worden uit 1 Korinthe 11 meende te niet te kunnen doen met een verwijzing naar Colossenzen 2: 20-23.  

{*}  Ds. D. Chr. Overduin diende de gemeente van Hilversum tot zijn overlijden op 12 november 1990.

Ds. F. Bakker (1919-1965)

Op zaterdag 2 januari 1965 overleed ds. Frans Bakker, geboren op 9 maart 1919 in Wolphaartsdijk. Hij werd in 1956 predikant in Huizen. Vanaf 1959 stond hij in Driebergen. Na een periode van ziekte nam hij afscheid van zijn gemeente met een meditatie uit 2 Korinthe 4: 7. Ds. L.S. den Boer schreef in het kerkelijk jaarboek: "Een bezoek bij deze eenvoudige christen was een bevrijdend genot. En hoe velen, uit allerlei kerken, hebben hem bezocht. Voor ieder had hij een vriendelijk woord en een bemoediging. Die kinderlijke eenvoud was het sieraad van deze prediker."

Hoofddorp, 14 december 1965


Waarde broeder Langstraat, 


Vervolg

Uitnodiging Dordrecht, 1ste bespreking 22 juni 1965, kerkelijke weg ds. Hennephof, verdere punten van bespreking, 2de bespreking 19 oktober 1965, orde des heils, verbondsgedachte, heilshistorisch en exemplarisch