Brief van Guido de Brès


Mijn lieve moeder,

Ik bid u, wees goedsmoeds te midden uwer droefheid, en draag deze beproeving, u van God gezonden, met geduld en met blijdschap, wetende dat het het welbehagen Gods is, hetwelk men in gene dele mag weerstaan, al ware het ook, dat men hiertoe de macht had. Leef het overige uwer dagen in de vreze Gods, blijf mijner gedachtig, als ook dat ik mijn God gediend heb tot in de dood. Ik blijf u steeds, voor zolang als u in deze wereld nog zult leven, mijn arme vrouw en mijn kindertjes aanbevelen, die hun vader in hun vroegste jeugd verliezen, en ik bid de Heere, mijn God, uit de grond van mijn hart, dat het Hem behage, hun van hun kindsheid af Zijn Heilige Geest te schenken, en hen in Zijn vreze te doen wandelen gedurende heel hun leven. Ik vraag Hem zonder ophouden om die zegen, dat Hij zich de man mijner arme weduwe betone, dat Hij haar zegene en haar genadig zij tot in eeuwigheid. Ik ben verheugd te vernemen, dat zij zich met haar kinderen naar Sedan begeven heeft, hetgeen mij enige rust en verademing schenkt; en hoewel zij van u en van mijn broeders verwijderd zijn, zo bid ik u allen haar nimmer te vergeten, maar zowel voor haar als voor mijn arme kleinen te zorgen.

Vaarwel, mijn moeder, mijn lieve moeder, vaarwel. De Heere vertrooste u in uw bezoeking.

19 mei 1567. 

Door uw zoon die u op het hartelijkst liefheeft:

Guido de Brès.

Gevangen om Jezus Christus de Zone Gods.