Brief van Guido de Brès

19 mei 1567,

Mijn waarde en veelgeliefde moeder!

Als ik bij mijzelf naga, hoe hard en ondragelijk mijn gevangenneming u valt, vanwege de grote, moederlijke toegenegenheid die gij altijd voor mij hebt gehad, zo kan het niet anders, of mijn hart wordt doorboord van smart en wordt ik inwendig dienaangaande grotenlijks beroerd. Voorzeker kan ik nu wel bij ondervinding zeggen, dat de scheiding van een moeder en van haar zoon zeer zwaar valt. Maar wat? Als ik beschouw dat de scheiding nog onvergelijkelijk zwaarder valt wanneer de mens afstand moet doen van zijn God en de eeuwige gelukzaligheid vaarwel zeggen, dan voel ik mij enigermate versterkt en verlicht in mijn verdriet, om te zien op mijn roeping en op de zaak van de Zone Gods, welke ik moet handhaven voor de mensen. Het is mij, alsof ik Jezus Christus, mijn Meester mij met luide stem hoor toespreken en tot mij zeggen: "Al wie zijn vader en moeder liever zal hebben dan Mij, is niet waardig tot Mijn volk te behoren." Dan zegt Hij mij: "Voorwaar zeg ik u, daar is niemand die verlaten heeft zijn huis, of ouders, of broeders, of kinderen, om het Koninkrijk Gods, die hier niet veel meer zal ontvangen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven."

Voorwaar, schone woorden! om mij van alles te doen afzien en mijn hart van vreugde te doen opspringen in mijn binnenste, als ik aan de onveranderlijkheid en de waarheid denk van Hem, Die mij zo toespreekt. Ik zeg dan met vrijmoedigheid met Paulus: "Ik acht alle dingen drek te zijn, en reken die schade in vergelijking met de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere." Gij ook, mijn veelgeliefde, verhef u boven uw smarten door de beschouwing van het welbehagen Gods, Die op deze wijze over mijn persoon wil beschikken, teneinde Zich in mij, broos en ellendig vat, te verheerlijken.

Breng u in gedachten, hoe het Gode behaagd heeft mij tot Zijn dienst  te roepen tegen alle menselijke hoop in. Hoe, toen gij mij nog onder uw hart omdroegt, gij door de stad Bergen een zekere Italiaanse Jezuïet, die in de straten predikte, naliep; toen zeide gij, biddende tot God: "Mijn God! waarom hebt Gij mij niet zulk een kind gegeven? En mocht het kind, dat ik in mijn schoot draag, Uw Woord prediken?" Gij zeidet dit en God verhoorde; zelfs ten bewijs, dat Hij rijk is in barmhartigheid, en dat Hij alle dingen overvloedig kan schenken boven hetgeen wij van Hem zouden durven vragen, heeft Hij u meer gegeven, dan dat Gij van Hem vraagdet. Gij toch vraagdet, dat het kind, dat gij in uw schoot droegt, zijn mocht als die Jezuïet, en God heeft het de Heere Jezus toegeheiligd en bewaard om door die nieuwe sekte, die men Jezuïeten noemt, niet verleid te worden.


Mij dan alzo een ware navolger van Jezus, de Zone Gods, gemaakt hebbende, zo heeft Hij mij tot de heilige bediening geroepen, niet om de leer der mensen, maar om het zuivere en eenvoudige Woord van Jezus en Zijn apostelen te verkondigen. En dit heb ik tot op dit ogenblik gedaan, in een goede consciëntie, geenzins mijn eigen roem, noch mijn bijzonder voordeel beogende, maar alleen de zaligheid der mensen.


Getuige zij hiervan de ijver Gods, die mij bezield heeft en die van veel kruis, droefenissen en arbeid is vergezeld gegaan, niet slechts gedurende enige weinige dagen, maar vele jaren lang. Al deze dingen moet gij u herinneren tot uw troost en om u zalig te achten, daarin, dat God u de eer heeft bewezen één van Zijn dienaren, welke Hij met de kroon en de glorie eens martelaars begiftigt, gedragen, gezoogd en opgevoed te hebben. Laat het u dan niet hard vallen indien Mijn God mij nu als een offerande van welriekende reuk tot Zich wil ontvangen, en door mijn dood het volk bevestigen hetwelk Hij uitverkoren heeft.

Wat mij betreft, ik ben verblijd, en ik bid u er u met mij over te verblijden, wetende dat dit tot mijn beste welzijn en mij ter zaligheid zal meewerken. Ik onderwerp mij aan al hetgeen Hem behagen zal met mij te doen, wetende dat Hij niets wil doen wat niet rechtvaardig en billijk is. Hij is mijn God! Hij is mijn Vader! Wien het noch aan de wil, noch aan de macht ontbreekt om mij te verlossen, indien Hij het goed vond; hieromtrent berust ik in alles in Hem. Vindt Hij het goed om mij uit dit ellendige, zo gebrekkige en moeitevolle leven tot Zich te nemen, zo is het in de bloei mijns levens dat ik het zal verlaten, na veel gearbeid en gezaaid te hebben in de Kerk van Zijn Zoon, zelfs na mij reeds met eigen ogen de vrucht op mijn arbeid en werkzaamheden te hebben doen zien. Want het heeft Hem behaagd mij dienst te zegenen en grotelijks vruchtbaar te maken, zodat de Kerk er nog vele jaren na mijn dood de gevolgen van zal ondervinden. Het is dan recht, dat ik tevreden en dankbaar ben datgene gezien te hebben, wat mijn God mij gegeven heeft om te zien. Daar is nog veel goed zaad, wat ik gezaaid heb, dat nu onder de grond bedolven is; doch wanneer het zal bevochtigd zijn met mijn bloed, zal het opgroeien en openbaar worden door het welbehagen Gods. En nu, wat zou ik te begeren hebben, anders dan de wil van mijn God geschiedde en ik mij bereidde om in de heerlijkheid en onverderfelijkheid des hemels de vrucht in te oogsten die ik op de aarde met zoveel tranen gezaaid heb? En voorwaar is het mijn hoop dat het grote volk, dat ik door het Evangelie voor mijn Heere Jezus gewonnen heb, mijn roem en mijn kroon zal zijn ten laatsten dage.


Ik ga dan heen en bewandel de nauwe en moeilijke weg, die ten leven leidt, ik ga heen door de weg die al de profeten en apostelen zijn doorgegaan, ja zelfs de eigen Zone Gods, onze Heere Jezus Christus, en zovele duizenden martelaren, die hun bloed gestort hebben voor de getuigenis des Evangelies. Deze is de weg van welke Christus gesproken heeft, zeggende: "Gaat in door de enge poort; want Ik zeg u dat velen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen."


Dit is het smalle pad, waarvan Ezra spreekt, "hetwelk niet breder is dan een voetstap, en onder hetwelk een diep water en een groot vuur is, dat hen die struikelen en vallen verslindt." Echter loopt dit pad uit op de stad die vol is van allerlei goederen, waardoor het zalige leven verstaan wordt, waar de kinderen Gods aan niets gebrek zullen hebben? Wat nuttigheid zou het me geven met de wereld de brede en wijde weg te bewandelen om eindelijk neer te storten in de verwoesting en in het eeuwige verderf? Ik weet wel, dat, indien ik mijn lieve Heere Jezus wilde verloochen en in de wereld tot de besmettingen van dit leven terugkeren, de wereld mij omhelzen zou en mijn persoon in achting zou houden. Maar God verhoedde het, dat ik mijn Zaligmaker zou verloochenen, om Afgoden in Zijn plaats te stellen, en onheilige dingen in plaats van Zijn dierbaar bloed. Reeds twintig jaren lang heb ik Hem gediend, en nimmer heeft Hij mij in enig ding aan hulp laten ontbreken, maar Hij heeft mij altijd een liefde betoond, die alle verstand te boven gaat. Behalve deze grote weldaad heeft Hij Zich overgegeven in de schandelijke kruisdood om mij het eeuwige leven te geven. En wat! zou ik dan de levende verlaten om mijn toevlucht te nemen tot de doden? Zou ik de hemel laten om de aarde te kiezen, de eeuwige dingen voor de tijdelijke? Zou ik het ware leven voor de tijdelijke dood verlaten? Dat het Hem die alleen mijn Kracht en mijn Rots is, behagen moge mij daarvoor te bewaren, en Zich in de nood mijn borg, mijn schild, mijn verdediger en de kracht van mijn leven in mijn geringheid en zwakte te betonen. Ik kan met Petrus zeggen, toen Christus hem vroeg, nadat vele Zijner discipelen Hem verlaten hadden en tegen Hem opgestaan waren: "En gij", zegt Hij, "wilt ook gijlieden niet henen gaan gelijk de anderen?" Petrus antwoordde: "Heere, tot wien zouden wij gaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens." De Heere mijn God zal men niet tot zo er laten komen dat ik, even als de wereld dit doet, de Springader des levendigen waters verlaat, om gebroken bakken uit te houwen en te graven, die geen water houden, gelijk God hierover met recht klaagt aangaande Zijn volk Israëls door de profeet Jeremia. Ik geloof nu dat ik geen zoon der dienstbaarheid ben om ter verderfenis te gaan, maar een zoon des geloofs om mijn ziel te behouden. Wat mij betreft zo zeg ik vrijmoedig met Mozes, dat "ik liever verkies met het volk Gods kwalijk gehandeld te worden, dan voor enen tijd de genieting van het tegenwoordige te hebben, achtende de versmaadheid Christi meerderen rijkdom te zijn dan alle de schatten der wereld; want ik zie op de vergelding des loons; en ik hoop dat in de ure des noods de kracht des geloofs niet ijdel in mij zal zijn.

En reeds overwin ik door dit geloof de wereld en al mijn vijanden, gelijk de Apostel mij leert en aantoont dat de gelovigen van het Oude Verbond, hetzelfde geloof bezittende, overwinnaars zijn geweest in hunne beproevingen; zeggende, dat "enigen wreed gefolterd zijn geworden, de aangebodene verlossing niet aannemende, opdat zij een betere opstanding verkrijgen zouden; en de anderen hebben bespottingen en geselen geproefd en ook banden en gevangenis; zij zijn gestenigd geworden, zij zijn in stukken gezaagd; zij zijn verzocht geworden; zij zijn door de scherpte van het zwaard ter dood gebracht; zij hebben ginds en weder gewandeld gekleed in schaapsvellen en in geitenvellen, welker de wereld niet waardig was. Dolende in woestijnen, op bergen, in spelonken en holen der aarde. Al die heilige personen hebben stervende de wereld overwonnen door het geloof, hoewel zij van de mensen geacht werden overwonnen en uitgeroeid te zijn." (Hebr. 11: 35) Wat zou ik dan nu zeggen, wanneer mijn God mij zo groot een wolk der getuigen en dappere strijders voor ogen stelt? Voorzeker, zoveel in mijn vermogen is, werp ik de last der zonde die mij omringt verre van mij, ten einde lustiger te zijn in de worstelingen loop ik in lijdzaamheid de strijd tegemoet die mij voorgesteld is, ziende op Jezus, 16de Oversten Leidsman en Voleindiger des geloofs; dewelke, toen Hem de eer en het kruis werden voorgesteld, het kruis heeft gekozen en hetzelve de voorkeur gegeven, verachtende de schande en is gezeten aan de rechterhand des troons Gods. En ik denk en herdenk aan Dezen, die zodanig een tegenspreken van de zondarentegen Hem verdragen heeft, opdat ik niet verflauwen en bezwijken zou in mijn ziel. Ik overweeg dat ik nog niet tot de bloede toe heb tegengestaan tegen de zonde. Het moet de dienstknecht genoeg zijn", zegt Jezus Christus, "dat hij wordt gelijk zijn meester, want de dienstknecht is niet meerder dan zijn Heer," Ik heb oorzaak tot grote blijdschap wanneer ik zie dat mijn Meester Jezus Christus mij de eer aandoet om mij met Hem aan zijn tafel te doen aanzitten, mij Zijn eigen brood tot spijze gevende, en mij uit Zijn beker doende drinken. Is dat een geringe zaak zodanig een Heer na te volgen? "Hij door Wiens machtwoord de hemel en de aarde geschapen zijn! Hij in Wiens tegenwoordigheid de engelen en de aartsengelen hun aangezichten bedekken en beven!" En ik, een ellendige aardworm, omringd van zwakheid en gebrek, het behaagt Hem mij Zijn vriend en niet Zijn dienstknecht te noemen. O welk een eer! Zelfs aanzijn engelen bewijst Hij die eer niet van hen te verwaardigen om voor Zijn Naam te lijden. En wie ben ik om zodanig een eer van mijn God te ontvangen? Voorzeker als ik deze dingen overweeg wordt ik opgetrokken tot in de hemel. En als of dit alles nog maar weinig ware, zo vertroost Hij mij onophoudelijk in mijnveelvuldige strijd. Jezus Christus mijn Meester is hier gevangen met mij. Ik zie Hem, om, zo te spreken, besloten en benauwd in mijn ijzers en boeien. Ik zie Hem met de ogen van mijn geest ingesloten in mijn eng en duister hol, gelijk Hij mij in het Woord Zijner waarheid beloofd heeft om alle de dagen met mij te zijn tot de einde toe. Hij zegt dat wanneer een Zijner minste discipelen gevangen is, Hij zelf het dan is, zeggende: "Ik was in de gevangenis en gij hebt mij bezocht. "Hij zeide tot Saulus: "Saul, Saul, wat vervolgt gij mij?" en echter vervolgde hij niet dan de arme gelovigen; maar Christus zegt, dat Hij het was die door Saulus werd aangevallen. Hij heeft gezegd door Zijn Profeet Zacharia: "Die u aanraakt, raakt mijn oogappel aan", wat is er kostelijker, nader en beter bewaard dan het oog? En echter hoor ik hier mijn Heere zeggen, dat het kwade en de droefenissen die men mij aandoet de appel van Zijn oog bereiken. O, welk enen Meester en welk een Heere heeft mijn God mij niet doen vinden ! Zal men veel meesters vinden die op zulk een wijze van hunne dienstknechten spreken? Ik geloof het niet. Hij is hier bij mij met een overgrote menigte engelen, mij vertroostende en mij versterkende, en doende dat zo liefelijke geluid der woorden Zijns monds mij in de oren klinken, tot mij zeggend: "Die overwint, Ik zal hem geven te eten van de boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is." En wederom: "Ik weet uw verdrukking en uw armoede; doch gij zijt rijk. Gij wordt gelasterd van degenen die zeggen dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar zijn een synagoge des Satans. En vreest geen der dingen die gij lijden zult; ziet, de duivel zal enige van ulieden in de gevangenis werpen."


Dan zegt Hij tot mij: "Zijt getrouw tot de dood, en ik zal u geven de kroon des levens." O welk een vertroosting! Mijn hart huppelt en springt op van vreugde in mijn binnenste, als die woorden in mijn oren weergalmen. Het is geen leugenaar of bedrieger die zo spreekt; maar het is de Zoon van God, de mond zonder bedrog, de onfeilbare Waarheid.


Op zodanige wijze dan nu vertroost en versterkt zijnde, strijd ik in mijn banden, mij duizendvoudig welgelukzalig achtende deel en gemeenschap te hebben aan het lijden en aan de beproevingen Christi, wel wetende dat ik niet lijd ten gevolge van aan iemand nadeel of onrecht te hebben aangedaan. Ik heb voor zo veel in mij geweest is, gearbeid aan de bevordering der zaligheid van allen, ik heb aan allen vrede verkondigd. En ik lijd om geen andere reden dan omdat ik Jezus Christus gepredikt heb, gekruisigd tot behoudenis der mensen. En ten getuige hiervan beroep ik mij op de consciëntie van hen die mij hier geketend houden als enen kwaaddoener. Het is dan op goeden grond dat ik mij verblijde om Christus, om de waarheid, om de gerechtigheid te lijden, wetende dat, zo als Petrus zegt, "de Geest der heerlijkheid Christi op mij rust." Ik ben tevreden, ik ben met goederen vervuld ; ik heb aan niets gebrek, zo langde Heere mij vervult met zijn goederen. Wat zal ik dan zeggen, daar mijn God mij het koninkrijk van Zijnen Zoon heeft doen zien bloeiende in het land mijner geboorte, en Hij mij nu in de rust roept? Voorzeker zeg ik van ganser harte met Simeon, Jezus Christus als nieuwgeboren in mijn armen omhelzende: "Laat nu, o Schepper, Uw dienstknecht henen gaan in vrede, naar Uw woord. Ik ben blijde dit sterfelijke leven te verlaten, om in te gaan in de rust van mijn God." Zo dan, mijn lieve moeder, daar gij mij in dezen wel bereid en vrolijk ziet, weestevreden en verheug u met mij over de eer welke God u bewijst, daar Hij u een zoongegeven heeft die Zijn Woord verkondigde en dat terwijl gij er een van Hem vroeg, die niet dan de leer der mensen zou gepredikt hebben. En daar het kruis en de vervolgingen gewoonlijk het Woord van God vergezellen, zo ben ook ik dezelve deelachtig geworden. Laat u dan dit in genen dele bevreemden, want hetzij ik hetzij wie wil, "allen die godzaliglijk willen" leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden", gelijk Paulus het aan allen betuigt. Wees dan weltevreden, God heeft u al uw kinderen getrouwd doen zien, en ook hun geslacht hebt gij gezien. Tot in gezegende ouderdom zijt gij gespaard geworden, en volgens de loop der natuur kunt gij niet lang meer na mij leven. Ik ga u voor en gij zult mij volgen wanneer gij aan het einde uwer dagen zult gekomen zijn. Wij moeten bij het lijden dezes tegenwoordigen levens niet blijven stilstaan, om bij de beschouwing daarvan ons over te geven aan de verwondering; dat alles werkt niets uit dan tranen uit de ogen te persen, en de mensen te bevreemden. Maar wij moeten bedenken dat alles haastiglijk zal voorbijgaan, terwijl de vreugde daarna volgende duurzaam en eeuwig zal zijn; de vervolgers zullen niets anders doen dan de toorn Gods over zich te verzamelen, die aan het einde hen overvallen en verwoesten zal.


Ziet gij niet hoe het een geslacht gaat, en het andere deszelfs plaats inneemt? en zo gaat alles vluchtig voorbij als de wind en de rook, zonder dat iets van duur zij. Deze sterft heden en gene morgen; de een op deze wijze, de andere op gene. Daar is niemand gelukkig te midden der onrust en der onbestendigheid dezer eeuw, dan alleen zij die gebouwd zijn op het vaste fundament, hetwelk is Jezus Christus.


Haal u het voorbeeld dier deugdzame moeder voor ogen, van welke in het tweede boek der Makkabeeën gesproken wordt, die hare zeven zonen op een en dezelfde dag zag martelen, ja zelfs enen zeer wrede dood sterven, wordende hun de tong afgesneden, het hoofd gevild, de armen en benen afgehouwen, en zij daarna in een koperen ketel te vuur gezet. Toen zij nu dit erbarmelijke schouwspel zag, vertoonde zij een waarlijk mannelijk gemoed, vertroostende en bemoedigende haar eigen  kinderen in het ondergaan van de dood om de wet van God; en daar de jongste hunner als wankelende was door de beloften van de dwingeland, moedigde zij hem aan om met standvastigheid te lijden en in het voetspoor zijner broeders te wandelen, hemzeggende dat hij zijn lichaam en zijn leven gaarne moest overgeven voor de wet van God. Ook herinner ik mij in de geschiedenissen der Kerk gelezen te hebben, dat ten tijde der grote vervolgingen, die weleer plaats hadden, de arme Christenen zich buiten enige steden verzameld hadden om het Woord van God te horen. Er was toen een zeker gouverneur, die uitgezonden werd om al die arme gelovigen ter dood te gaanbrengen. Daar nu deze gouverneur voorttrekkende was ten einde de bozen hem opgedragen last ten uitvoer te gaan brengen, kwam het gerucht daarvan een goede, gelovige, waarlijk Christelijke vrouw ter oren, die zich haastte naar de gemelde vergadering toe te lopen, haar kindje in de armen nemende. Toen zij nu tot de bende van de dwingeland genaderd was, wierp zij zich in haar midden ten einde zich een doortocht door dezelve te banen. Gemelde gouverneur haar dus ziende lopen, liet haar roepen en vroeg haar waar zij zo haastig heen liep. Zij antwoordde hem terstond dat zij zich naar de vergadering der Christenen begaf. Toen zeide hij tot haar: "Hebt gij het bevel en de last niet vernomen die mij gegeven is om alles ter dood te brengen?" Zij antwoordde: "Ik weet het, en het is daarom dat ik zo haastig loop, ten einde ik zo gelukkig kon zijn om met de overigen te lijden." Toen vroeg hij haar: "En wat wilt gij met dat kleine kind doen? "Ik draag het met mij", zeide zij, "opdat het met de anderen de martelaarskroon deelachtig worde." De dwingeland, diep getroffen over de woorden dezer vrouw keerde tot zijn meester terug zonder zijn onderneming ten uitvoer gebracht te hebben. Ziedaar waarlijk een hart op een wonderlijke wijze door de ijver der liefde Gods ontvlamd. Het is een hart waardig om aan alle vrouwen ten voorbeeld voorgesteld te worden. Ik herinner mij nog een andere moeder en haren zoon ten tijde toen Romanus gemarteld werd; men wilde dat deze enige beelden zou aanbidden, doch hij zeide met luider stem en op een verstaanbare wijze midden op de marktplaats, dat hij maar één God aanbad in de Naam van Zijn Zoon Jezus Christus, en dat deze leer zo zeker en zo waar was, dat indien men een kindeken van zeven jaren tot hem bracht, hetwelk nog niet bevooroordeeld was door enigen bijzondere indruk, en hij het aangaande deze dingen ondervroeg, hetzelve er hem op zou antwoorden. Men nam dan een kindeke van ongeveer zeven jaren oud, hetwelk voor het volk gebracht zijnde, ondervroeg Romanus het, zeggende: Luister eens, mijn zoon, moet men vele goden aanbidden of slechts een Enige in de Naam van Jezus Christus? Het kind antwoordde hem: "Onder ons kleine kinderen kennen wij maar één God." Toen liet de dwingeland de moeder gevangen nemen en het kleine kind in de tegenwoordigheid van zijn moeder met roeden van een scheuren. Het kind vroeg aan zijn moeder te drinken, die hetzelve ten antwoord gaf: "Helaas, mijn kind, ik heb niets om u te drinken te geven, maar ga, mijn zoon, drink uit de martelaarskelk met de kleine kinderen die Herodes deed doden !" Daarna werd het kind onthoofd. Zulke voorbeelden zijn ons nagelaten als zo vele spiegels in welke wij de overwinningen van God in de zwakheid der Zijnen zien, opdat wij allen, met één harten één wil, Hem offeranden des danks en des lofs offeren, en men zijn overwinningen aan onze broederen en aan onze zusters vertelle; en wij zullen Hem een nieuw gezang zingen, hetwelk over de gehele aarde weergalmende, alle creaturen, ja zelfs de engelen zal aansporen, om Zijn heilige Naam in eeuwigheid te verheerlijken. Het zij zo!!

Vaarwel, mijn moeder, vaarwel, mijn lieve moeder. De Heere vertrooste u in uw bezoeking




Mijne lieve moeder,

Ik bid u, wees goedsmoeds te midden uwer droefheid, en draag deze beproeving, u van God gezonden, met geduld en met blijdschap, wetende dat het het welbehagen Gods is, hetwelk men in gene dele mag weerstaan, al ware het ook, dat men hiertoe de macht had. Leef het overige uwer dagen in de vreze Gods, blijf mijner gedachtig, als ook dat ik mijn God gediend heb tot in de dood. Ik blijf u steeds, voor zolang als u in deze wereld nog zult leven, mijn arme vrouw en mijn kindertjes aanbevelen, die hun vader in hun vroegste jeugd verliezen, en ik bid de Heere, mijn God, uit de grond van mijn hart, dat het Hem behage, hun van hun kindsheid af Zijn Heilige Geest te schenken, en hen in Zijn vreze te doen wandelen gedurende heel hun leven. Ik vraag Hem zonder ophouden om die zegen, dat Hij zich de man mijner arme weduwe betone, dat Hij haar zegene en haar genadig zij tot in eeuwigheid. Ik ben verheugd te vernemen, dat zij zich met haar kinderen naar Sedan begeven heeft, hetgeen mij enige rust en verademing schenkt; en hoewel zij van u en van mijn broeders verwijderd zijn, zo bid ik u allen haar nimmer te vergeten, maar zowel voor haar als voor mijn arme kleinen te zorgen.

Vaarwel, mijn moeder, mijn lieve moeder, vaarwel.

De Heere vertrooste u in uw bezoeking.

19 mei 1567. 

Door uw zoon die u op het hartelijkst liefheeft:

Guido de Brès.

Gevangen om Jezus Christus de Zone Gods.