Johannes Bogerman (1576-1637)


Het was in september jl. 300 jaar geleden, dat de eerste druk van de Statenbijbel aan de Staten Generaal werd aangeboden. Wat was de taak zwaar, welke op de schouders van de vertalers gelegd was; ook verkeerden zij in 1635 in groot levensgevaar (in Leiden stierven 20000 mensen aan de pest) maar de vertalers zijn door God  bewaard en voor hun taak bekwaamd. Eén van de vertalers was Johannes Bogerman, de voorzitter van de Dordtse Synode. Zelf heeft hij het plechtig ogenblik van de aanbieding van de eerste druk van de bijbel niet meer mogen beleven, want zaterdag 11 september werd hij door de Heere afgelost van zijn post. Hij stierf op 61-jarige leeftijd; met hem stierf zijn familienaam uit; want hij liet geen kinderen en zijn enige broeder geen zonen na. Maar deze man spreekt door zijn strijden voor de Naam des Heeren nog steeds nadat hij reeds lang gestorven is.

Johannes Bogerman behoorde tot een geslacht, dat in de kindse jaren met hun ouders nog moest vluchten voor het Spaans geweld en Rooms bedrog. Hun ouders hadden de brandstapels nog zien roken en velen van hun hadden er zelf het leven op gelaten. De vader van Johannes was in 't begin van de geuzentijd nog Rooms priester te Kollum, maar omhelsde al spoedig met zijn gehele hart de protestantse leer. Toen moest hij het land verlaten om elders een veilig onderkomen te vinden. Met galg en rad in 't vooruitzicht zwierf hij her en derwaarts rond, totdat Graaf Willem Lodewijk als Stadhouder van Friesland de gereformeerde religie ging beschermen en predikanten zocht, die deze religie waren toegedaan.

Toen keerde vader Bogerman terug en werd predikant in Bolsward. Verschillende gemeenten heeft Bogerman gediend: Kampen, Steenwijk, Appingedam en Hasselt. De zoon van Bogerman, de man, waarover deze artikelen zullen handelen, werd geboren omstreeks het jaar 1576 te Uplewart in Oost-Friesland en kreeg dus dezelfde naam, die zijn vader droeg. In Bolsward kreeg hij uitstekend onderwijs, zodat hij goed voorbereid, met vrucht de lessen in Franeker kon volgen. Hij schijnt te Franeker vooral bekendheid en roem onder de studenten te hebben weggedragen, vanwege zijn grondige kennis van de Hebreeuwse taal. Later is hem die kennis als vertaler van de Bijbel zeer goed van pas gekomen; de meeste bijbelboeken van het Oude Testament zijn dan ook door hem vertaald.

Met de financiële hulp van de Staten van Friesland werd Bogerman in de gelegenheid gesteld de gereformeerde hogescholen van Duitsland en Zwitserland te bezoeken, zelfs die van Frankrijk en Engeland heeft hij bezocht. Het volgen van de lessen te Geneve was wel het hoogtepunt in zijn studenten-loop-baan. Theodorus Beza, de vriend van Calvijn en de beste vertegenwoordiger van diens theologische inzichten stond nog aan het hoofd van de hogeschool aldaar, toen Bogerman haar in 1567 bezocht.

Het was voor de gereformeerde theologen van de grootste betekenis, de man wiens leven uit het hervormingstijdvak dagtekende nog te horen doceren. Hij was al een grijsaard van ongeveer tachtig jaar, maar toch nog krachtig, die van schipperen en plooien met de calvinistische beginselen niet weten wilde en daarbij op zijn oude dag nog een wegslepende welsprekendheid bezat, waarmee hij zijn studenten ongemeen wist te boeien. Borgermans opvoeding en studieloopbaan kenmerkten zich wel door de goedgunstigheid des Heeren. Zijn vader kon hem uit eigen ervaring de grote gebeurtenissen uit het begin van de strijd tegen Spanje vertellen, hem deelgenoot maken van de gevoelens, die hij in zich omdroeg, toen bij hem voor 't eerst het licht van de hervorming opging.

Deze dingen wist de Heere toe te passen, te heiligen aan het jeugdig gemoed van de kleine Johannes en de wetenschap met een erfdeel werd hem in de weg van de goddelijke voorzienigheid geschonken, verdiept en verrijkt aan de meest vermaarde hogescholen van het aloude calvinisme.

Na zijn theologische studiën als student voltooid te hebben deed hij als jong predikant intree in de Vaderlandse kerk te Sneek. Hier vertaalde hij een werk van Beza. Van Sneek vertrok Bogerman naar Enkhuizen. Te Enkhuizen ontdekte hij echter, dat de z.g. ruimere gevoelens van Wiggerts die ondertussen zo ongereformeerd mogelijk waren, reeds op het kerkelijk erf hun intrede gedaan hadden. Opgemelde mijnheer Wiggertsz was een voorloper van Ariminus.

De synode van Edam in 1598 heeft deze invloedrijke man afgezet, maar daarmee zijn dwalingen niet de kerkendeur kunnen wijzen. Te Sneek reeds, maar vooral te Enkhuizen leren wij Bogerman kennen als een man, die getrouw pal staande voor de gereformeerde waarheid, zonder een zweem van weifeling streed tegen al wat arminiaans dacht en sprak.

Ook ontdekte hij in zijn omgeving, dat de z.g. ruimere leer van Wiggertz. geen nauwer en godzaliger levenswandel te weeg bracht, zoals later de Arminianen meenden te moeten beweren, maar veeleer het tegendeel. Juist de zorgeloosheid en zonden van goddeloosheid van de burgers te Hoorn, waar die arminiaans-gezinde prediker stond, ontroerde het godvruchtig gemoed van een man als Bogerman.

Van Enkhuizen ging de kerkelijke tocht naar Frieslands hoofdstad, Leeuwarden. Ook Bogerman toonde een echte Fries te zijn. Overgrote lof zwaait hij zijn geliefd Friesland toe, als hij ergens beweert, niet te kunnen geloven, dat er enig andere landstreek is, die met Friesland kan vergeleken worden. Er wordt wel eens beweerd, dat de mensen in het koude Noorden, wat koel en strak zijn, ook in hun godsdienstig, geestelijk leven, maar dat kon van Bogerman en van zijn gemeenteleden toch niet gezegd worden. Uit zijn preken, welke hij daar over de geschiedenis van Davids val en opstanding gehouden heeft, blijkt duidelijk, dat hij veeleer een warm aanvoelend, gemoedelijk man is geweest, dan een koude, stugge, harde "Bozerman", zoals de remonstranten hem later zo graag uittekenden. En dat zijn strenge verkiezingsleer hem niet heeft verleid om een zeker antinomisme de hand te reiken.

Nee, hij kweekte geen dor dogmatisme, waarbij formalisme schering en inslag was, zoals onze vaderen van zekere zijde altijd weer werd en wordt verweten, maar wel een streng-rechtzinnig maar gemoedelijk calvinisme, en durfde in velen van zijn preken zelfs de heiligmaking op de voorgrond te plaatsen tegen de zelfkant van zijn gemeente (zelfkant in overdrachtelijke zin: groepen mensen die het met de normen van Gods Woord niet al te nauw nemen).

Het gevaar, dat de kerk des Heeren, ook toen, nog altijd van de kant van Rome dreigde stond hem helder voor de geest en hij betreurde het zeer, dat de overheid niet krachtiger maatregelen nam tegen de invloed van het in ons land nog al te krachtige Rome. Dat hij, evenals velen uit zijn tijd, soms wat al te veel verwachtte van plakkaten en verboden, laat zich denken. Dat Bogermans waarschuwing juist op tijd kwam is zeker, als we weten, dat met 't sluiten van het twaalfjarig bestand de roomse 'zendelingen' weer in vrij groot aantal over de Nederlandse grenzen trokken. Zelfs zijn tegenstanders moeten erkennen, dat zijn verweer tegen Rome en de Jezuïeten inzonderheid, getuigt van een meer dan alledaagse kennis van zaken.

Had Bogerman in hoofdzaak tegen de vijanden buiten de kerk gestreden, de tijd brak spoedig aan, dat hij zijn aandacht meer, dan voorheen te Enkhuizen tegen Wiggertz, tegen de vijanden in de kerk moest richten. De openlijke strijd tegen Arminius en zijn aanhangers nam een aanvang. Al jaren lang broeide er iets aan de kerkelijke hemel, donkere onweerskoppen dreven aan en 't dreigend gerommel van de donder werd gehoord. Dat deze strijd tegen de Arminianen niet eerder uitbrak in de gehele kerk, maar eerst lange tijd binnen de grenzen van de universiteit in Leiden beperkt bleef, lag ten dele aan Gomarus, die hoe fel ook in zijn aanval, eerst heel, heel lang draalde voordat hij openlijk zich in de strijd wierp. Als ik nog eens gelegenheid krijg in de Wekker, hoop ik de lezers eens mede te delen, hoe die z.g. onverdraagzame Gomarus de bewijzen heeft geleverd, dat hij eerder den strijd schuwde dan dien zocht. Bogerman was echter niet te Leiden aan de academie, maar te Leeuwarden in de pastorie, Bogerman was echter wel op de z.g. voorbereidende vergadering, waar gesproken en werd over de houding van de  kerk tegenover het veldwinnend arminianisme.

Arminius, Uitenbogaert e.a. waren er voor, dat terwille van de zwakken (dat zouden dan de arminianen zijn) de belijdenis behoorde "herlezen en overwogen" worden. Bogerman c.s. stonden echter op het gezonde schriftuurlijke en zuiver kerkrechtelijke standpunt, dat zij, die het met de belijdenis niet eens zijn, hun gevoelen dan uit Gods Woord moeten bevestigen. Dat mogen zij doen op een bijeen te roepen synode, maar de reeds erkende confessie te herzien, zou hetzelfde zijn als iemand een dief te noemen, voordat er enige beschuldiging van diefstal tegen hem is ingebracht.

Ook drongen zij aan op een grote synode, waar eerst noch de Staten, noch de Arminianen voor te vinden waren. Armijn kon wel op zijn vingers natellen wat er met hem en de zijnen gebeuren ging als de door Gomarus aanbevolen weg werd ingeslagen. Ook moest Bogerman niets hebben van dat z.g. beroep op Gods Woord, waarbij apriori de op Gods Woord gegronde en alzoo erkende belijdenis werd uitgeschakeld.

In het felst van den strijd tussen remonstranten en contra-remonstrant en, tussen van Oldebarneveldt en Prins Maurits kwam Bogerman op verzoek van Prins Maurits uit Leeuwarden naar den Haag. Hier in den Haag leerde hij de kerkelijke strijd van nabij kennen, maar niet minder de politieke strijd, die daarmee parallel liep. Hoezeer is hem dat ten goede gekomen, toen hij geroepen werd als voorzitter van de beroemde Dordtse Synode te fungeeren.

Dat Bogerman volkomen berekend wasvoor de verantwoordelijke taak, welke hem als voorzitter werd toevertrouwd, durfden zelfs zijn tegenstanders niet te ontkennen. Hij bezat de nodige tact om een zo grote vergadering te leiden en de geesten te beheersen, was soepel als het ging over de houding, die men moest aannemen tegenover medestanders, die in bijzaken de dingen iets anders benadrukten en tegelijkertijd beslist in zijn optreden tegenover hen, die wezenlijk van de belijdenis afweken. Een zeker schrijver zegt: "indrukwekkend was zijn verschijning, zoals hij de 42-jarige, den voorzittersstoel innam. Zijn hoog en ongerimpeld voorhoofd, kwijnende, heldere oogen, welgevormden neus en prachtige baard, waren in volkomen harmonie met den deftigen ernst, welke verspreid lag over zijn gelaat, dat de sporen droeg van een voortdurend lichamelijk lijden."

Bogerman leed aan een nierkwaal, en ook tijdens de zittingen der Synode had hij veel last van zijn kwaal. Toch was de Heere zo goed voor Hem, dat hij op één na alle zittingen heeft kunnen bijwonen. Wanneer Bogerman, na de plechtige opening van de Synode op 13 november 1618 zijn ogen heeft laten gaan over de rij mannen, die met hem afgevaardigd waren, dan bestonden er voor hem wel redenen om den Heere te danken voor het voorrecht, dat hem vergund werd onder hen plaats te nemen en over hen de voorzittershamer te mogen hanteeren. Was hij zelf wijsgeerig en theologisch alleszins een bekwaam man, dat kon van de meeste zijner medestanders toch ook gezegd worden.

Niet alleen, dat de bloem der theologische wereld uit het buitenland aanwezig was, maar ook uit de eigen natie en kerk waren de meesten zeer kundige en Godvrezende mannen. Velen onder hen kon Bogerman zelfs tot zijn persoonlijke en intieme vrienden rekenen. De kennis van hem en zijn vrienden was zelfs zo groot, dat de buitenlandse theologen er verbaasd over stonden. En geen wonder; deze waren geoefend in de tienjarige strijd tegen het opkomend remonstrantisme en de fel zich roerende wederdopers, en voorts mag niet vergeten worden, dat de regeringen van de zeven provinciën geen geld te goed achten voor de Godgeleerde studiën der theologen.

De remonstranten hebben wel beweerd, dat het Bogerman eigenlijk niet paste de voorzitters zetel te beklimmen, omrede hij van meet af zo vooringenomen was tegen hen, maar daar staat tegenover, dat hij uit een provincie kwam, nl. Friesland, waar de kerkelijke verdeeldheid nog maar weinig was doorgedrongen.

Dat Bogerman goed op de hoogte was met de huidige situatie, behoeft hem toch niet als een euvel te worden aangeduid. Waren zijn vijanden velen, zijn lichaamskrachten zwak, hing van zijn leiding voor een goed deel af het al of niet slagen van de synode, kon hij er zeker op rekenen, dat men hem de minste misstap als voorzitter met haat en nijd in rekening zou weten te brengen, en bracht zijn geheiligde zelfkennis hem een groot gevoel van onbekwaamheid bij, toch bezat deze ootmoedige man een steun, die hem niet verlaten zou, een schild, waarop de pijlen van de laster zouden afstuiten, een bron van kracht, welke hij onophoudelijk mocht aanboren, nl. zijn God en Zender, Jezus Christus, de Koning der hevig aangevochten kerk op aarde.

De vaste overtuiging, dat hij streed voor de waarheid, het onwankelbaar vertrouwen, dat Jezus Christus als De Waarheid ook in Neêrlands kerk de waarheid aan het licht zou brengen, gaf hem moed en kracht, met vaste hand de leiding te houden tijdens sommige zelfs zeer rumoerige zittingen van de synode. Dat vertrouwen sprak hij uit in het gebed, waarmede hij de zesde zitting opende, toen zijn eigenlijke werkzaamheden als voorzitter aanvingen. Ieder, die dit gebed leest, zal moeten toestemmen, dat het geen woorden waren, slechts met de lippen gesproken, maar dat zij opwelden uit een hart, dat zich zelf aan de zaak des Heeren gewijd had en van de Heere verwachtte, dat Hij Zijn eigen zaak zou richten.

Dat Bogermans taak als voorzitter van de synode geen gemakkelijke was zou hij al heel spoedig ondervinden, toen de zaak  van de remonstranten ter tafel kwam. De remonstranten begonnen al met te laat op de synode te komen, gingen verder met door hun woordvoerder lange redevoeringen te houden, die niet van dubbelzinnigheden en verdeeldheid zaaiingen vrij waren en hielden stok en stijf vol, dat ze niet als gedagvaarden wilden beschouwd maar als welwillende broeders, die lankmoedig moesten aangehoord. Bogerman wees hen er herhaalde malen op, dat de synode geen dispuut-collega was. geen conferentie, waar ieder zo zijn meening eens kan ten beste geven, maar een kerkelijke vergadering, die verwachtte, dat de remonstranten hun bezwaren tegen de bestaande leer zouden verklaren en verdedigen om daarna gedwee het oordeel der synode af te wachten. Dus alhoewel de synode reeds wettige zitting had, wilden de remonstranten deze wettigheid nog eerst betwisten; dus alhoewel de synode de remonstranten als gedaagden beschouwde, wilden de remonstranten zich als gelijkwaardige conferentie-gangers aangemerkt zien en als men dan niet tot overeenstemming kon komen, dan moest de hoge overheid uitspraak doen. Ieder onzer kan zich indenken, dat met name de voorzitter zich door deze altijd volgehouden drijverij van de remonstranten wel wat geprikkeld gevoelde. Bogerman heeft alles gedaan om de remonstranten hun ongelijk aan te toonen, maar de  vrijpostige Episcopius gaf geen krimp. Zelfs een van de toehoorders, een vriend der remonstranten gaf zijn verbazing te kennen over de brutaliteit, waarmede de gedaagden, tegen de voorzitter fulmineerden (tierden), als gelijken tegen gelijken spraken. Heel de synode stond echter aan de zijde van Bogerman, toen hij de remonstranten verweet misbruik maken van geduld, het gebruik van dubbelzinnige uitdrukkingen, bedriegelijke houding van Episcopius omtrent het handschrift zijner redevoering en 't neerhalen van de wettigheid en waardigheid van de  synode. In de authentieke akten van de synode staat zelfs opgetekend, dat, zo de president Bogerman ergens in had gedwaald, hij veeleer te grote lankmoedigheid en zachtheid dan te grote strengheid had betoond. De remonstranten daarentegen vonden het optreden van Bogerman zeer schoolmeesterachtig, n.l. toen hij de gedaagden afzonderlijk over de leergeschillen ging ondervragen, alsof ze kleine jongens waren.

Trouwens Bogerman moest wel zo handelen, aangezien de remonstranten beslist weigerden een duidelijke schriftelijke verklaring van hun gevoelens te geven. De kostelijke uren en dagen gingen voorbij en men schoot maar niets op. Dan schenen de remonstranten weer toe te zullen geven aan de eis van de synode en dan weer, bang als ze waren, dat ze de synode als hun rechter zouden erkennen, trokken ze de vooruitgeschoven voet terug en bleven bij hun eens bepaalde houding volharden. En of Bogerman hen al waarschuwde, dat als ze bleven staan op hun standpunt, dat de synode dan zonder hen, uit hun geschriften hen zou oordeelen en veroordeelen, de remonstranten bleven bij hun dubbelzinnige manier van disputeeren en onverkwikkelijke houding jegens de synode.

Tenslotte werd dit geharrewar ook Bogerman te machtig, fier verhief hij zich van zijn voorzitterszetel, en voegde hen onder meer toe: "met leugen zijt gij begonnen, zoals een der uitheemse afgevaardigden openlijk kon zeggen, met leugen en bedrog zijt gij geëindigd: met deze lof moeten wij u laten gaan. God, die de harten doorziet, ziet ook uw listen en de oprechtheid der synode. Zij heeft lange tijd op uwe gehoorzaamheid gewacht en God gebeden, dat gij anders zoudt handelen; maar uw daden waren vol listen, bedrog en misleiding......Geen geestelijke wapenen der synode ontbreken, waarmede zij u zal kunnen straffen. Eerlang zal een rechtvaardige censuur tegen u uitgeoefend worden, en zij twijfelt niet, of de billijkheid van die censuur zal voor de geheele christenheid duidelijk zijn. Gaat! Gaat!

Toen Bogerman deze laatste woorden in het latijn uitsprak, maakte hij met platte hand het gebaar van afwering en wegzending, zijn ogen schoten vuur, zijn stem, die onder 't spreken steeds forser werd klonk nu bulderend door de ruime vergaderzaal. Dit was het resultaat, dat de synode, na zes weken het uiterste geduld met de remonstranten gehad te hebben, bereikt had. Gaat, gaat! Dat was het boze woord, waardoor Bogerman zich de haat en verachting van de remonstranten van toen en thans op de schouders heeft geladen. Die innemende remonstranten en die kwade "Bozerman" toch!

Vanzelf komt de vraag bij ons op, hoe moet het nageslacht nu over die daad van wegzending van de remonstranten van Bogerman oordeelen?

Als de acta vermelden, dat in Bogermans houding niets te berispen valt moeten we altijd bedenken, dat die acta zijn opgesteld door zijn gelijkgezinden. En als de remonstranten "ach en wee" of "ha, ha" over hem roepen, leggen hun oordeelvellingen voor ons geen gewicht in de schaal zijner zonden.

Wel moeten we eerlijk erkennen, dat Bogerman 't woord van wegzending uitsprak zonder de stem der synode officieel vernomen te hebben. Hij kon toch nog niet weten, toen hij die woorden uitsprak of de synode bij een te houden stemming reeds een finale breuk wenste met de gedaagden. We zouden kunnen zeggen Bogerman handelde niet geheel correct, niet hij, maar de synode had handelend moeten optreden, al zou dat natuurlijk gebeurd zijn bij monde van de voorzitter. Als echter sommigen beweren, dat hij in 't wezen der zaak ook niet de getrouwe tolk van de synode geweest is, dan betwijfel ik dat zeggen zeer. Alle binnenlandse afgevaardigden en de meeste buitenlandse hebben het tenslotte voor de daad van Bogerman opgenomen, 't was hun werkelijk geen onweerslag bij heldere hemel. De hemel was bedekt met donkere wolken, het kraakte en dreunde langs de synode-hemel, al mag niet verzwegen, dat mannen als Trigland e.a., ter synode deze onweerslag vreselijk vonden. Trigland zei, dat ze hem nog ontroerde, zo dikwerf hij er aan dacht. Getuigt dat nu tegen Bogerman? M.i. niet. Dat wil alleen maar zeggen, dat de synode en ook Bogerman persoonlijk er zeer veel leed om droegen, dat ze tenslotte zo moesten handelen met de remonstranten.

Het spreekt van zelf, dat Bogermans taal geen taal was door het koele verstand overlegd; het is ook te verstaan, dat Bogerman niet zacht gestemd kon zijn tegen de remonstranten, wier dwaalgevoelen hij verschrikkelijk vond. Trouwens de houding van de gedaagden wordt momenteel zelfs door hun nakomelingen niet meer in bescherming genomen. Dat voortdurend beledigen van de inlandse leden en lonken naar de buitenlanders om die aan hun kant te krijgen, dat probeeren met 't bestaande geschilpunt over infra en supra een wig in de vaste formatie van de synode te brengen, dat al maar listig rekken van de discusieën en ook hun eigen hartstochtelijke houding, die ze soms niet konden verbergen was ongetwijfeld niet geschikt om het smeulende vuur bij Bogerman te doven, maar was veeleer gelijk aan een brandende lont in het kruithuis. Wat vooral niet fair van de remonstranten en vele van hun  latere geestverwanten is, is wel dit, dat zij tenslotte Bogerman de zondebok hebben gemaakt. "Nee, de synode was wel tegen hen, maar zou als er eens ware gestemd geworden vóór hun wegzending nog wel een waardiger houding hebben aangenomen, maar die Bozerman, die was de schuld van al het onrecht, dat er gepleegd is te Dordrecht."

Leidende mannen worden krachtens hun leidende positie ook veelal lijdende mannen. Dus al ontkennen we nooit, dat Bogerman, geprikkeld door het obstructie voeren van de gedaagden tenslotte meer door drift dan door verstand geleid werd, al zullen we dit ogenblik van Bogermans zwakheid niet in bescherming nemen, toch is Bogerman door zijn gedrag tegenover de remonstranten, niet zedelijk gerezen, neen, maar ook niet zedelijk gedaald voor ons.

Dit fors optreden van Bogerman, heeft van achteren bezien de synode ook geen schade gedaan. Was er een z.g. vrij dispuut tussen beide partijen ontstaan, zoals de remonstranten wilden, dan hadden, de onderhandelingen zeker de duur van de Trojaanschen oorlog gekregen. Trouwens de synode had nog wel meer te doen dan de remonstranten aan te hooren, er moesten besluiten genomen worden in verband met een zeer groot gewichtig werk en wel de Bijbelvertaling.

Er moesten bijbelvertalers worden aangewezen en benoemd; er moesten richtlijnen voor het vertalen gegeven worden, en de door de remonstranten geprikkelde Bogerman zou naar 't voorzienig bestel des Heeren als de rechte man op de rechte plaats aan dat machtig werk der vertaling een zeer groot aandeel krijgen. Bij zijn aandeel in het opstellen van de z.g. Dordtse leerregels is zijn werk voor onze Statenbijbel zeker van de grootste betekenis geweest.

Bogermans verdere werkzaamheden op de Dordtse Synode, zijn houding tegenover het gematigd supralapsarisme van Gomarus, zijn leiding inzake de zaak Maccovius, welke voor 99 procent van de zijde van diens tegenstanders een lasterzaakje was, zijn aandeel aan het opstellen van de vijf artikelen tegen de remonstranten, al deze dingen ga ik nu stilzwijgend voorbij. Heel gaarne zou ik er breedvoerig over schrijven, maar dan wordt deze artikelenreeks te lang.

Het moet op sommige vergaderingen der synode nog wel eens heftig toegegaan zijn en de remonstranten zouden zich verkneuterd hebben, als de onderlinge geschillen tot openlijke scheuringen hadden geleid. Och, onze vaders durfden de dingen te noemen bij hun ware naam, ook al bracht dit wel eens wrijving en conflict te weeg. God de Heere heeft echter in zijn voorzienig bestel over de kerk gewaakt, zodat Bogerman al is het misschien met enige overdrijving toch niet in pertinente strijd met de waarheid aan het einde van de synode aan een van zijn engelse vrienden kon schrijven: ik ben van mening, dat er ter nauwernood ooit zo rustige, vreedzame en eendrachtige synode gehouden is, welke uit zoveel leden bestond. Ja, het is er verre van af, dat die wolk van twist, nu onlangs tussen enkele personen gerezen, de glans der goede orde en der verwonderlijke eendracht enigszins verdonkert. Nauwelijks was zij opgekomen, of zij verdween door het beleid van mijn bestuur, en de allerliefste kalmte is haar opgevolgd",

Ik wil u nu graag vertellen van Bogermans werkzaamheden na de Dordtse Synode. Bogerman behoorde tot een van de aan de provincie Utrecht geleende predikanten om daar de afgezette remonstrantsche predikanten te vervangen en stond de weinige contra-remonstrantsche voorgangers daar met wijze raad ter zijde. Leeuwarden, Amsterdam en den Haag streden om beurten om toch in het bezit te komen van de wijzen en geleerde Bogerman.

Het was niemand minder dan Prins Maurits, die ziek te bed liggend een onderhoud met Bogerman wenste. Verschillende malen heeft Bogerman de Prins bezocht en heeft niet nagelaten de Stadhouder de ernst  van de eeuwigheid onder het oog te brengen.

Uitvoerig geeft Van der Tuuk de gesprekken, gevoerd tussen Maurits en Bogerman weer en ook haalt hij uit het boekje van Bogermans hand aan, hoe deze aan de wereld heeft willen tonen, het vroom en christelijk sterven van de prins, die, zoals hij zich uitdrukt, God heeft lief gehad tot het einde toe en dien Hij bij het leven gemaakt heeft tot een voorbeeld van heldhaftige militaire dapperheid en bij de dood tot een spiegel van zaligmakende genade en tot een voorbeeld van boetvaardigheid en godzaligheid. Wij hopen, dat Bogerman zich in zijn oordeel over prins Maurits niet vergist heeft. We lenen altijd nog liever in deze zaak aan Bogerman het oor dan aan de lastermond van de remonstranten, die beweerden, dat Maurits zelfs tot op zijn sterfbed gefolterd werd vanwege zijn ontwaakt geweten, dat hem luide aanklaagde, omdat hij Van Oldenbarneveldt had laten onthoofden. De afdwalingen in Maurits particuliere leven hinderden de remonstranten niet, maar dat wat hij hun geestverwant Van Oldenbarneveldt had aangedaan, dat was het ergste.

Heeft Bogerman de eer gehad Prins Maurits in zijn laatste uren bij te staan en de genade ontvangen om den Prins getrouw te wijzen op Hem, Wiens genade jegens zondaren onuitputtelijk is, de remonstranten smaalden: betwistbaar voorrecht! Busken Huet zal 't wel goed gezien hebben, als hij van de uitlating van de remonstranten jegens Bogermans taak, zegt, dat onder deze ironie enige theologische afgunst liep en, zo Maurits te elfder ure zich gewend had tot een leraar van de remonstranten, de geroepene dit vleiend zou gevonden hebben. En wie weet, hoe vroom de Prins dan ware gestorven! Zeker had hij dan alles weer goedgemaakt, wat hij tegenover Van Oldenbarneveldt en de remonstranten had verkorven. Maar een man, die op de Dordtse synode "zooveel water had vuyl gemaeckt" aan het sterfbed van die hooggeplaatste "moordenaar" en die zelfs nog godzalig "verklaert", dat was hun een bron van ergernis, soortgelijke over de oudsten zoon kwam, toen deze hoorde van de thuiskomst van de verloren maar weder gevonden broeder. In het najaar van 1625 vertrok Bogerman naar Leiden om zijn arbeid als bijbelvertaler aan te vangen.

Hij en Baudartius en Bucerus waren met de meeste stemmen gekozen tot vertalers van het Oude Testament. Men verrichtte de arbeid opzettelijk in een stad, waar alle wetenschappelijke hulpmiddelen bij de hand waren. Men nam nauwkeurig kennis van de beste vertalingen van het Oude Testament, onder meer, die van St. Aldegonde, en Wernerus Helmichius en vooral van Calvijn. Maar bovenal las men de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst. Ongetwijfeld was Bogerman de beste vertaler, wat blijkt uit zijn vertaling van het boek Genesis, wat door hem alleen is verricht en welk boek in menig opzicht uitmunt, wat namelijk zijn vertaling betreft boven de boeken van de kleine profeten die zeer waarschijnlijk door een van de anderen vertaald zijn.

Taal en stijl van de vertaling tonen duidelijk aan, dat de geleerde Marnix van St. Aldegonde grote invloed op Bogerman gehad heeft. Heeft Bogerman waarschijnlijk het grootste deel van het Oude Testament vertaald, dat wil natuurlijk niet zeggen, dat de andere vertalers maar matigjes zouden gewerkt hebben. De oude Baudartius verklaarde tenminste, dat hij zijn leven lang niet zo geblokt had, als hij nu op zijn oude dag moest doen. Bogermans zwakke gezondheid stond hem gedurig in den weg, hij klaagt dan ook, dat hij vanwege zijn nierlijden zeer lang werk gehad heeft over het boek Job. Misschien vindt de minder juiste vertaling daarin mede haar oorzaak. Trouwens, wij moeten nooit vergeten, dat de vertalers niet die hulpmiddelen ten dienste stonden, die na drie eeuwen de geleerden van onze tijd ten dienste staan.

Toch blijkt uit het geheel, dat Bogerman de kunst verstond om scherp te luisteren naar wat de tekst zegt. Dezelfde Geest, die de bijbelschrijvers in bijzondere zin geleid heeft in al de waarheid, woonde ook in Bogermans hart en door dien Geest was hij zo congeniaal met den tekst, dien hij moest vertalen, dat alhoewel zijn werk mensenwerk blijft, aanklevend menselijke gebreken, het nochtans een werk is te achten van de allergrootste betekenis.

Dus niet alleen de z.g. wetenschappelijke kwaliteiten van Bogerman en de anderen, maar vooral het getuigenis van de Heilige Geest in hun hart, waardoor ze de God van het Oude Testament kenden en liefhadden heeft een stempel op hun vertaling gedrukt, zodat zelfs nu, nu het wetenschappelijk apparaat zoveel beter is dan voorheen toch moet getuigd van hun werk: "dit is van de Heere geschied en het is een wonder in onze ogen." Mede door Bogermans arbeid verscheen de Statenvertaling als een monument, dat de eeuwen zou verduren. Zij zou aan geslacht na geslacht de verrassende gelegenheid geven te ontmoeten den eeuwigen God, sprekende in de Nederlandse taal. Zie "De Statenvertaling 1637-1937, blz. 45, Prof. Dr. D. Nauta.

Ruim tien jaar heeft Bogerman als vertaler te Leiden vertoefd. Als een afgeleefd man keerde hij naar Friesland terug. Langdurige ziekten en overgroote werkzaamheden hadden zijn krachten uitgeput. Toch aanvaarde hij in 1636 nog het hoogleraarschap te Franeker. Hij werd zelfs nog gedoctoreerd. Vooral in zijn laatste levensjaren verscheen er nog menige wolk aan zijn hemel, die 't stralend licht der vreugde een weinig verduisterde.

Hij en Baudartius hadden een kostelijke voorrede geschreven, namens de kerke Gods in Nederland, welke voorrede bestemd was om in de uitgave van onzen Statenbijbel een plaats te vinden. De kerken waren er mee ingenomen, maar de heeren van den Statenbijbel dachten er anders over. De Staten-Generaal voelde zich en eiste de eer van het grote werk voor zichzelf op als zijnde "t hooft en de beschermheeren van Gods kerk in deze landen".

Dat speet Bogerman zeer, die in de Statenvertaling een werk zag niet allereerst van de Staten-Generaal maar van de kerk en haar dienaren; een werk van de kerk voor de kerk. Ook heeft Bogerman de plechtige aanbieding van den Statenbijbel aan de Staten-Generaal niet mogen beleven; deze overdracht geschiedde zes dagen na zijn dood. Maar al deze teleurstellingen is Bogerman voorgoed te boven gekomen, toen de Heere deze getrouwen dienstknecht opnam in zijn eeuwige heerlijkheid. Bogerman stierf op 11 Sept. 1637. Met hem verloor de Kerk der Nederlanden een groot man, die zijn leven gegeven heeft voor de zaak des Heeren.

Zeker, hij heeft ook zijn fouten en gebreken gehad, hij was immers een mens van gelijke beweging als wij verdorven schepselen. Maar toch steekt hij boven zeer velen uit en zijn naam moet onder ons in dankbare herinnering blijven, terwijl naar die Bijbel, die Bogerman mede vertaald heeft, zoals een woord van wijlen Prof. Bavinck eens luidde, ons Nederlandse volk geoordeeld zal worden.

Het grafschrift van Bogerman luidt: een zeer welsprekend kerkredenaar, een zeer geleerd theoloog, een verstandig man, zeer verdienstelijk jegens de kerk en de Nederlandsche Republiek in de moeilijkste tijden en daarom zeer bemind bij de vaders des vaderlands.

Artikelenreeks Ds. G. Salomons in de Wekker (1938)