Augustinus

(...) We leven snel. Wat is een dag? Een week? Een jaar? Niet meer dan een handbreed is de tijd, en als een schaduw vliegen we henen; we brengen onze jaren door als een gedachte. Zijn de dagen, de maanden, de jaren dan korter van duur dan vroeger? Het komt ons wel eens zo voor. Toch is dit natuurlijk niet zo. Alleen het dagelijkse leven is voller aan bezigheden; het leven legt op geheel onze persoonlijkheid beslag. De wereld jacht voort, zonder ophouden. De volmaking van de  techniek heeft het verkeer vergemakkelijkt, de arbeid vereenvoudigd. Men doet nu in een uur, waarvoor men vroeger dagen nodig had. Niemand kan zich aan dien maalstroom onttrekken. Immer gaat het leven voort, met toenemende snelheid, totdat de mens onverwacht aan het einde staat. Hij zou de gevleugelde tijd wel willen vastleggen. Maar, tevergeefs. Het is dan ook een verklaarbaar verschijnsel, dat men van het verleden nog wil vasthouden, wat zo sterk tot ons spreekt. Het heden is te filmachtig, de toekomst gesluierd, en daarom wordt het verleden opgeroepen, opdat het ons toespreke.

Als nimmer te voren zien we dan ook gedenkdagen aangegrepen om iemand te huldigen voor hetgeen hij deed. Men heeft dergelijke gedenkdagen wel eens afgekeurd, als zouden ze te veel staan in het teken van mensvergoding. En zeker, dat is een kwaad, waaraan een ieder, niet het minst om zichzelf, laboreert. Toch doen we wel, niet alle gedenken in dat bedenkelijke licht van schepselverheerlijking te bezien. Het zou van grote ondankbaarheid getuigen, wanneer we vergaten de mensen, mannen en vrouwen, door wie God grote dingen heeft gedaan. Dan mag de geschiedenis wel dienen als een heldere spiegel, om daarin de beeltenis van grootse figuren te ontdekken, die in de gouden omlijsting van de herinnering ons het Koninkrijk Gods aangaan. Het is een bonte mengeling van groten, die op verschillend terrein zich onsterfelijken roem verwierven. Natuurlijk ligt het op de weg van ons kerkelijk orgaan zich bij voorkeur bezig te houden met de herdenking van die mannen, die op het gebied van kerk en theologie, als met goud staan vermeld in de geschiedenis van het Koninkrijk Gods. In de breede rij van mannen, aan wie de kerk van Christus grote verplichtingen heeft, behoort ook Augustinus, met wien de kerk zich sinds eeuwen heeft bezig gehouden. Dat ons orgaan speciaal nu hem voor het oog der herinnering oproept, houdt verband met de omstandigheid, dat de 28en Augustus de sterfdag van Augustinus herdacht wordt. Het zal op die datum 1500 jaren geleden zijn, dat deze getrouwe getuige de kroon des levens uit de handen van Christus ontving. Het was tijdens het beleg van Hippo- Regius door de Vandalen, in 430, dat deze beroemde kerkvader de 28en Augustus de strijdende kerk met de triumferende in de hemel verwisselde.

Ook zijn eeuw was een eeuw van strijd voor de kerk des Heeren. Had zij in dezen tijd min of meer rust gekregen van de aanvallen van vijanden buiten haar, het gevaar, dat haar thans bedreigde, 'kwam vanuit de kerk zelve. Allerlei vijanden stelden zich tegen de kerk, trachtten haar van haar vastigheid en sieraad te berooven, en steeds grooter werd de verderfelijke invloed van donatisme en pelagianisme, waarop we later terug komen, toen de Heere Zich een instrument bereid had, waarvan Hij Zich in deze bange tijden bediende. Augustinus, de goed-geharnaste kampvechter, trad als verdediger der bedreigde waarheid op, met zooveel kracht en bezieling, dat de vijand moest wijken. God had hem tot deze taak verkoren, maar ook voorbereid. Evenals een Paulus, die van 's moeders schoot tot het heerlijke werk des evangelie's was afgezonderd, en wiens leven, in vorming en opleiding, daarheen werd geleid. Of, neemt een Luther, die zoowel uitwendig als inwendig was toegerust tot de grootsche taak, waardoor zijn naam onafscheidelijk aan de Hervorming is verbonden. Zoo is ook Augustinus, het door God uitverkoren vat, van een onvergankelijke beteekenis voor de kerk des Heeren in zijn tijd, maar ook voor de eeuwen, welke volgden. Roomschen en Protestanten huldigen in hem den man, door wien Godi krachtige dagen heeft verricht.

Terecht zegt dan ook Dr. K. Kaajan, "dat zonder Augustinus Luther, Zwingli en Calvijn niet zijn te verklaren". Hij leverde de bouwstof der dogmatiek, zooals die in latere eeuwen is ontwikkeld. Zelfs een Cartesius ontleent aan de theologie van Augustinus zijn uitgangspunt, al heeft hij met de ontwikkeling zijner ideeën met dezen kerkvader niets gemeen. Niet minder dan een Cartesius stonden een Leibnitz en Schopenhauer sympathiek tegenover hem. Niet minder dan 93 werken zagen van zijne hand het licht. Zijn schriftelijke nalatenschap kenmerkt zich door rijkdom van gedachten en schoonheid van vorm. Al zijn geschriften dragen een klassiek karakter. Ze verraden den man van wetenschappelijke ontwikkeling en verfijnden geest. Alles tintelt van leven en kracht. Op velerlei gebied bewoog zich zijn machtige geest, zoowel op theologisch als wijsgeerig, op exegetisch als homiletisch gebied; de ethiek vond in hem een krachtig beoefenaar, niet minder de polemiek en de apologetiek. Zijn werk "De Stad Gods", waarin hij de leer der waarheid ontwikkelt, wordt als een der schoonste conceptie's van het menschelijk denken geroemd. Met zijn preeken en talrijke brieven, welke hij schreef, staat hij in zijn schriftelijken arbeid boven al de kerkvaders. Maar het schoonst onder zijn letterkundige schatten, is toch zeker wel zijn "Confessiones", waarmede hij zich een onsterfelijken naam in geheel de Christelijke wereld verwierf. Over deze "Belijdenissen" ligt een waas van hemelsche en onvergankelijke schoonheid. Ontroerend, tot tranen toe, is de taal, waarmede hij zijn ziel uitgiet voor 's Heeren aangezicht. Het is als een heiligdom, waarin hij een saamspraak met God houdt. Een boek, waarvan de onschatbare waarde gekend wordt bij biddende lezing. Augustinus voert de ziel mede tot God op, en doet van verre zien de heerlijkheid van het hemelsch paradijs waarin de verloste menschheid de reinste genietingen zal smaken, en het zondelooze leven zal stellen in den volmaakten dienst van God.

Wie kent, om een enkel voorbeeld te noemen, niet 't woord van Augustinus, waarmede hij het diepe levensgeheim ontsluiert: "Het hart des menschen is tot God geschapen en het kan geen rust vinden, tenzij het rust vindt aan zijn Vaderhart"? Dit was voor hem meer dan een woord; de kracht hiervan was door zijn ziel heengegaan als louterend en bezielend hemelvuur. Hoe bekend is niet zijn woord, en hoe vaak werd het nagebeden zonder te weten, dat het van Augustinus was: "Geef, o Heere, wat Gij gebiedt en gebiedt wat Gij wilt"? Het leven en de arbeid van dezen rechtvaardige, wiens gedachtenis tot zegen is geweest, heeft recht op een dankbare herinnering. Bovendien spreekt hij nog, nadat hij gestorven is.