Boekbespreking Lezen en laten lezen

Hoe lezen we de Bijbel?


Dr. P. de Vries

Hoe lezen we de Bijbel? Wanneer versta je de Bijbel op de juiste wijze? Dat zijn belangrijke vragen. Vragen, die de eeuwen door zijn gesteld. In onze tijd zijn de vragen naar de betekenis en relevantie van het Bijbelse getuigenis onder andere verbonden met de problematiek van de verhouding van geloof en wetenschap. Ook de wijze waarop de Bijbel over de verhouding van man en vrouw spreekt en over huwelijk en seksualiteit kan worden genoemd.

Arnold Huijgen die als hoogleraar systematische theologie aan de Theologische Universiteit van Apeldoorn is verbonden, laat ons in zijn studie Lezen en laten lezen delen in de vrucht van een bezinning van meerdere jaren op deze thematiek. Bij het lezen ervan heb ik uitroeptekens geplaatst maar ook vraagtekens. Uiteindelijk hebben de vraagtekens de overhand. Ik wil met de uitroeptekens beginnen.

De auteur benadrukt dat de Bijbel of de Schrift geen boek is als andere boeken. God spreekt namelijk in en door de Schrift tot ons. De theopneustie van de Schrift is niet een activiteit die wij tot het verleden mogen beperken. Omdat de Schrift door Gods Geest is ingegeven, kunnen we haar nooit losmaken van God Zelf. Wie de Schrift leest zoals zij is bedoeld, moet zich door God Zelf laten lezen. God zoekt in en door de Schrift communicatie met mensen.

Uitvoerig komt Luther ter sprake. Huijgen wijst erop dat Luther gebed, meditatie en aanvechting nodig acht om de Schrift te verstaan. Het opvallende van Luther is vooral de betekenis die hij toekent aan aanvechting. Dat Luther de aanvechting allereerst in de politieke omstandigheden van zijn dagen lokaliseert en niet in zijn hart, zeg ik Huijgen niet na. Het een was voor Luther nauw met het andere verbonden. Wat de auteur schrijft, kan eerder als een typering voor Calvijn dan voor Luther gelden.

De auteur gaat uitvoerig in op het karakter van de Bijbelse geschiedschrijving en de historiciteit van de daarin vermelde gebeurtenissen met een toespitsing op de opstanding. Terecht stelt hij dat de opstanding niet minder, maar meer is dan historisch. Dat de Bijbelschrijvers minder en anders in historie geïnteresseerd waren, is ten dele juist. We moeten namelijk wel constateren dat de schrijvers van het Nieuwe Testament (en trouwens ook de Joodse geschiedschrijver Josephus) geen enkele twijfel hadden bij de feitelijkheid van historische gebeurtenissen die in het Oude Testament worden vermeld. Of het nu om de zondvloed, de uittocht of Jona in de vis ging. Dat is in de kerk tot aan de Verlichting zo gebleven. Daarom vind ik de kritiek van Huijgen op de Chicago Statement on Inerrancy niet erg billijk. Hij leest deze verklaring wel erg onwelwillend. Het moet de auteur worden toegegeven dat in deze verklaring vooral op de historische betrouwbaarheid van de Schrift wordt ingezoomd. Maar eigenlijk wil men toch niet meer zeggen dan dat wij ook na de Verlichting ook hier het zelfgetuigenis van de Schrift moeten blijven honoreren. Dat Luther en Calvijn geen stress hadden, dat er fouten in de Bijbel staan, is wel erg kort door de bocht. Beter is te zeggen dat zij er heel ongecompliceerd vanuit gaan dat dit niet het geval is. Boeken als Judith en Tobith laten hun niet-canonieke karakter volgens Luther zien in het feit dat zij historisch niet betrouwbaar zijn.

Het voorbeeld dat Huijgen gebruikt namelijk dat Calvijn stelt dat in Mat. 27:9 de naam Jeremia een fout is, is juist geen bewijs voor wat hij beweert. Calvijn gebruikt hier namelijk het woord 'obrepserit' (ingeslopen). Kennelijk denkt hij aan een overschrijvingsfout. Ik ga nu niet in op de vraag of deze suggestie van Calvijn juist is. Echter, duidelijk is dat ook Calvijn de houding heeft dat de Schrift geen echte tegenstrijdigheden bevat.

Met Huijgen ben ik van gedachte dat de aandacht voor het oplossen van schijnbare tegenstrijdigheden van de eigenlijke bedoeling van een Bijbelgedeelte kan afleiden. Hij wijst op de verschillende manieren waarop de genezing bij Jericho door Mattheüs, Marcus en Lukas wordt verhaald. Inderdaad mag bij de uitleg van deze geschiedenis door de ene evangelist niet centraal staan hoe zijn representatie zich tot die van de andere twee verhoudt. Echter, dan nog blijft de vraag of wij te maken hebben met geschiedschrijving of met historiserende fictie. Wie van het eerste uitgaat, zal als hem naar een oplossing wordt gevraagd toch een harmoniserende verklaring zoeken. Augustinus zegt in zijn boek De consensu evangelistarum dat niemand wil dat de evangelisten elkaar tegenspreken, behalve mensen die liever geloven dat het evangelie liegt. Ook Calvijn komt hier met een harmoniserende oplossing. De afwijzende houding van Huijgen ten opzichte van harmonisatie is daarom wel kort door de bocht. Als het gaat om de inhoud van de Bijbelse boodschap wil Huijgen terecht Gods interactie met mensen volledig recht doen. Voor Huijgen betekent dit dat wij niet op klassieke wijze over Gods onveranderlijkheid en almacht kunnen spreken. God is voor hem onveranderlijk in Zijn kwetsbaarheid voor menselijke afwijzing. Echter, waar blijft zo de voluit Bijbelse notie dat God alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil. God lijkt op te gaan in Zijn relatie tot mensen en niet werkelijk boven de geschiedenis te staan. Over Gods almacht kunnen we volgens Huijgen alleen spreken in het kader van het feit dat de Vader Zich geïdentificeerd heeft met de gekruisigde Zoon. Ongetwijfeld blijkt Gods macht in de kruisdood en de opstanding van Christus, maar wie ze daartoe beperkt, verlaat het spoor van de klassieke theologie.

Mijn grootste bezwaar tegen wat Huijgen in zijn publicatie naar voren brengt, heb ik nog niet genoemd. Dat is dat niet duidelijk wordt dat de Schrift, juist omdat zij de stem van God is, een vaste inhoud heeft. Ook al zal ons zicht op die inhoud in dit leven altijd ten dele zijn. Huijgen wil niet weten van de Schrift als fundament en criterium van kennis over God. Hij meent dat men de Schrift alleen vanuit eigen leven en eigen culturele gevoeligheid kan lezen. Echter, ons leven en onze culturele gevoeligheid mogen nooit een zelfstandige factor zijn. Zij moeten door de vaste inhoud van de Schrift worden vernieuwd en er steeds meer door worden gestempeld.

Veelzeggend, maar ook merkwaardig is in dit kader de opmerking van de auteur dat het bij de vragen of vrouwen ambtsdrager in de christelijke gemeente mogen zijn, of homoseksuele relaties zijn toegestaan en bij die van de evolutie om problemen gaat waar de Bijbelschrijvers geen weet van hadden. Tot op zekere hoogte geldt dit voor evolutie. Echter, het Bijbelse getuigenis van de schepping en zondeval was wel wezenlijk anders dan verklaringen over de oorsprong van de werkelijkheid en van de zonde die buiten Israël en buiten de vroegste christelijke kerk klonken. Een verklaring van de oorsprong van de mens en van de werkelijkheid die geen recht doet aan het feit dat er aan het begin van de geschiedenis een historisch paradijs was met een eerste mensenpaar dat door eigen schuld uit het paradijs is verdreven en van wie heel de mensheid afstamt, moet dan ook van de hand worden gewezen.

Heel nadrukkelijk stelt de Schrift dat ouderlingen/opzieners en diakenen mannen zijn. Het is waar dat onder Israël geen openlijke homoseksuele relaties voorkwamen en wel eenvoudig, omdat alle vormen van homoseksualiteit werden afgewezen. Echter, in de Grieks-Romeinse wereld waarbinnen de christelijke kerk haar intrede deed, kwamen alle vormen van homoseksueel gedrag voor die wij nu in onze samenleving zien. Van volstrekte promiscuïteit tot stabiele homoseksuele relaties die beëindigd werden bij de dood van een van de partners. Met de opmerking die Huijgen maakt, onttrekt hij feitelijke bepaalde levensgebieden aan het gezag van de levende God. Bij de genoemde zaken is de vraag of wij naar de Schrift als de stem van God willen luisteren of dat wij de Schrift zien als de eerste menselijke reflectie op de stem van God.

Terecht fundeert Huijgen het gezag van de Schrift in haar autopistie. Als hij ook het innerlijke getuigenis van Gods Geest als fundament van haar gezag noemt is dat misverstandwekkend. Dat getuigenis is de diepste reden waarom een christen het gezag van de Schrift aanvaard. Echter, de Schrift heeft gezag ook voor wie haar niet aanvaardt. Huijgen spreekt alleen over de inhoud van de Schrift in relatie tot de mens die gelooft. Hij schrijft: 'Wij blijken zondaren te zijn. Maar God laat het daar niet bij. Hij oordeelt ook dat wij gerechtvaardigd zijn om Christus' wil.'

Deze wijze van spreken doet geen recht aan de boodschap van de twee wegen die wij zowel in het Oude als het Nieuwe Testament vinden. Ieder mens ligt in Adam onder Gods oordeel. Pas als wij door een levend geloof Christus zijn ingeplant, geldt dat wij in Christus rechtvaardig voor God zijn. Een zaak die altijd verbonden is met vernieuwing van het leven. De boodschap van de twee wegen en de oproep om over te gaan van de duisternis in het koninkrijk van de Zoon van Gods liefde ben ik in Lezen en laten lezen nergens tegengekomen.

Schrijvend over het toekomende oordeel laat de auteur ook na te vermelden dat dit oordeel ook scheiding met zich meebrengt. De ernst van de eeuwigheid en de noodzaak om voorbereid te zijn op de ontmoeting met Christus bij Zijn wederkomst worden nergens aan de orde gesteld. Wel lees ik dat wij het Oude Testament in zijn gerichtheid op deze wereld ernstig moeten nemen, maar niet het Nieuwe Testament in zijn gerichtheid op de eeuwigheid.

Miskotte
Miskotte
Bonhoeffer
Bonhoeffer
Van der Meiden
Van der Meiden

Ik ga besluiten. Met uitzondering van Luther zijn de theologen naar wie Huijgen met instemming verwijst, vrijwel zonder uitzondering theologen die behoorden bij (Miskotte, Noordmans, Jan Wit) of bepalend waren voor (Bonhoeffer) de brede middenstroom in de Hervormde Kerk. Nu zeg ik niet dat wij van deze mannen niets kunnen leren, maar iets anders is om juist hen als gids te zien. Dan ga je andere wegen dan Boer, Tukker en Vroegindeweij en naar mij dunkt ook andere wegen dan Van der Schuit, Van der Meiden en Kremer. Ook van al deze mannen gold dat zij slechts ten dele kenden, maar als wij de kerk nodig hebben om de Schrift in haar rijkdom te verstaan, zijn dit namen die ik graag noem.

Huijgen heeft noch de gereformeerde gezindte noch de kerken waartoe hij behoort een dienst bewezen met zijn jongste publicatie. Waar het gedachtegoed dat hij heeft ontvouwt ingang vindt zal het geestelijke klimaat steeds meer het karakter krijgen van de breed-orthodoxe middenstroom in de PKN. Grote delen van de gereformeerde gezindte zijn al die kant opgegaan. Het zou verdrietig zijn als de gehele gereformeerde gezindte die kleur zou krijgen.

Ik hoop vurig dat de auteur terugkomt op inzichten die hij heeft ontvouwt. Feitelijk reikt hij zelf de oplossing aan. Zonder enige reserve luisteren naar de Schrift als de stem van de levende God. Daarin wordt ons ontvouwd hoe schuldige zondaren met God worden verzoend en wedergeboren door Gods Geest. De Schrift is onze reisgids op weg naar de rechterstoel van Christus. Zij leert ons op aarde een pelgrim te zijn en zo ook een rentmeester. Zij wijst ons Christus als volkomen Zaligmaker en geeft ons ook de vruchten die kenmerkend zijn voor het toebehoren aan Hem.

Naar aanleiding van: het boek van Prof. Arnold Huijgen, hoogleraar systematische theologie in Apeldoorn 'Lezen en laten lezen. Gelovig omgaan met de Bijbel (Utrecht: Kok Boekencentrum, 2019),

Bron:  Kerkblad Hersteld Hervormde Kerk, 18 juli 2019, 15e jaargang nr. 26; www.drpdevries.com

 



Een nieuwe manier om de Bijbel te lezen

ds. C. Sonnevelt

Dr. Huijgen wil anders omgaan met de Bijbel dan in onze traditie is gebeurd. De waarheid is immers niet 'een boek', maar 'een persoon', Christus (pagina 63). We moeten van de Bijbel geen 'papieren paus' maken. Vandaar zijn moeite met de uitdrukking 'De Bijbel is het Woord van God'. Op die stelling ('een versteende uitdrukking') zou veel af te dingen zijn (pagina 25). Ik vind deze manier van spreken misleidend. Waarom maakt Huijgen tegenstellingen waar ze niet zijn? Mogen we bij de waarheid alleen denken aan het Woord dat Vlees geworden is, en niet aan het Woord dat Schrift geworden is? Het lastige is dat Huijgen dit niet helemaal ontkent; hij geeft het even later weer toe en roept er zelfs Karl Barth voor te hulp. Barth geloofde echter niet in de verbale inspiratie van de Bijbel. Zodoende roept Huijgen voortdurend twijfel op. Juist door zijn waarheidsbegrip en zijn nadruk op het geloof als interactie tussen God en mens nadert hij het 'relationele waarheidsbegrip'. Volgens die opvatting zou de Bijbelse waarheid niet bestaan los van de mens. Het is deze gedachte die rond 1980 door de Gereformeerde Kerken is omhelsd (denk aan het rapport "God met ons") en die daar grote schade heeft aangericht. (…)  

Bron: De Saambinder, kerkelijk weekblad van de Gereformeerde Gemeenten, 21 november 2019, jaargang 98 nr. 8.


Lezen en laten lezen

G.R. van Leeuwen

"Christelijk Nederland zindert van vragen rond de uitleg van de Bijbel. Vaak draait het rond de uitleg van de Bijbel. Vaak draait het daarbij om een paar hete hangijzers, zoals de visie op homoseksualiteit of schepping en evolutie. Het lezen van de Bijbel gaat echter om zoveel en vaak om wat anders." Zo begint dr. A. Huijgen, hoogleraar dogmatiek aan de theologische universiteit Apeldoorn (TUA) van de Christelijke Gereformeerde Kerken, zijn nieuwe boek 'Lezen en laten lezen'. In dit boek wil Huijgen ons leren hoe we de Bijbel moeten lezen en hoe de Bijbel ons leest. Hij verzet zich daarbij tegen het rationalisme, waarbij alles verstandelijk wordt beredeneerd. Daarbij deelt hij ook een tik uit aan de creationisten, die willen bewijzen dat de aarde geschapen is. Hij wijst op de zelfgetuigenis van de Schrift. De waarheid van de Schrift is niet gebaseerd op een menselijke redenering, maar de Schrift heeft haar geloofwaardigheid van zichzelf. Huijgen zegt daarover mooie dingen.

Maar uiteindelijk wordt duidelijk dat de Bijbel in de visie van deze hoogleraar wel waar is, maar dat niet alle geschiedenissen ook echt gebeurd hoeven te zijn. Dat plaatst zijn opmerkingen richting de creationisten ineens in een ander licht. Dat geldt ook zijn relativerende opmerkingen over de Nederlandse Geloofsbelijdenis en het Chicago Statement over de onfeilbaarheid van de Schrift. Dan komt de aap uit de mouw. En die aap is al heel oud.

De term 'woord van God' is volgens Huijgen een versteende uitdrukking. Als iets geschreven staat, kunnen we het verkeerd begrijpen. We moeten dus bij het lezen van de Bijbel luisterend, afgestemd raken op Gods stem. Het luisteren is belangrijker dan het lezen, aldus Huijgen, waarbij hij zich beroept op de Bijbel zelf: Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods. (Romeinen 10: 17) Het gaat er dus niet zozeer om wat er precies staat, maar we moeten luisteren naar wat het ons te zeggen heeft. Daarbij moeten we ervoor oppassen de Bijbel niet af te meten aan wat wij denken wat de waarheid is. Als je alleen door een historisch-feitelijke lens kijkt, dan lijkt er nogal eens iets niet te kloppen. Denk aan de sprekende slang in het paradijs, de stilstaande zon bij Gibeon en Jona in het binnenste van de vis. Dan is echter onze blik te beperkt. "Er is hoe dan ook veel waar, wat niet echt gebeurd is." Er zijn naast die historische juistheid ook andere soorten waarheden, en die kunnen soms belangrijker zijn dan historische waarheden. Denk bijvoorbeeld aan: Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al zijn wegen zijn gericht. God is waarheid en geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij (Deuteronomium 32: 4). Hier blijkt het bij waarheid vooral om betrouwbaarheid te gaan. Alle paden des HEEREN zijn goedertierenheid en waarheid, degenen die Zijn verbond en zijn getuigenissen bewaren (Psalm 25: 10). Volgens Huijgen gaat het in deze tekst om de levenssfeer van trouw en goedheid van de levende God, een weg waarop je geleid kunt worden. Waarheid is niet minder, maar juist meer dan historische werkelijkheid. Mensen kunnen ook waar zijn, en het komt aan op 'waarheid in de binnenste' (Psalm 51: 8). En dat is natuurlijk zo.

Maar waar het nu om gaat is dat Huijgen een ander waarheidsbegrip hanteert. Het gaat om de verkondiging van de waarheid  en minder om objectieve, feitelijke informatie. Volgens Huijgen is niet alles in de Bijbel even belangrijk; hij noemt dat "reliëf in de Bijbel". Als iemand dan ook iets in de Bijbel leest waarvan hij niet kan geloven dat het echt gebeurd is, dan geeft het rust als je weet dat niet alles wat je leest evenveel gewicht heeft. Dat zorgt ervoor dat je je niet over alle vraagstukken druk hoeft te maken. De moderne Schriftkritiek is dan niet meer nodig, je hoeft alleen anders te lezen. Dan hoef je ook niet meer zo in te zitten over allerlei culturele vraagstukken in de Bijbel, zoals over kleding, haardracht en hoofddeksels. Door Huijgens nadruk op het geloof als middel waarin de mens met God in gesprek gaat, roept hij de gedachte op een relationeel waarheidsbegrip voor te staan. De waarheid wordt dan afhankelijk gemaakt van de uitleg van de mens. Dan is alles waar, wat die mens voor waar aanneemt.

Herbronnen

Prof. Huijgen schrijft in zijn boek op een eenvoudige wijze mooie zinnen over je laten lezen in gebed, meditatie en aanvechting. Dat is aantrekkelijk. Hij geeft echter aan de onder ons bekende uitdrukkingen wel een andere invulling. Hij ziet zijn boek als een herbronnen van de bevindelijke traditie. Die term horen we tegenwoordig vaker. We moeten terug naar de kerkvaders, zoals Augustinus. Die geschriften van de kerkvaders worden dan gelezen door onze eigentijdse bril. Men is daar dan helemaal enthousiast over, maar het vreemde is dat er dan alles mee door kan. Het leven wordt er een stuk gemakkelijker op. Men leest de kerkvaders wel - meestal hapsnap, hier een weinig, daar een weinig, maar men leeft niet als die kerkvaders.

Hedendaagse kwesties

De aanleiding van het boek waren de kwesties die in onze kerken momenteel 'op scherp worden gezet'. Prof Huijgen stipt deze onderwerpen, zoals vrouwelijke ambtsdragers, homoseksualiteit, en schepping en evolutie slechts even aan in zijn boek. Bij de boekpresentatie werd hij hierop bevraagd, maar hij liet zich niet verleiden hierop in te gaan. Dat kon hij niet in enkele zinnen doen, zo zei hij. Maar na lezing van dit boek is wel duidelijk hoe deze hoogleraar in deze kwesties staat. Het moet allemaal kunnen, je hoeft alleen maar 'te lezen en je laten lezen'. Als dit het nieuwe gelovige omgaan met de Bijbel is, zal de vervlakking nog sneller toenemen dan dat het nu al gaat.

Nederlandse Geloofsbelijdenis

Er zou nog veel te schrijven zijn, de gedachten erachter en de consequenties ervan. We laten het echter bij artikel 5 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: Waarvan de Heilige Schrift haar aanzien en gezag heeft: 'Al deze boeken alleen ontvangen wij voor heilig en canoniek, om ons geloof daarnaar te regelen, daarop te gronden en daarmee te bevestigen. En wij geloven zonder enige twijfel al wat daarin begrepen is; en dat niet zozeer, omdat de kerk ze aanneemt en voor zodanig houdt; maar in het bijzonder, omdat de Heilige Geest ons getuigenis geeft in onze harten dat zij van God zijn; en omdat zij ook het bewijs daarvan bij zichzelf hebben; aangezien de blinden zelf tasten kunnen dat de dingen die daarin voorzegd zijn, geschieden.'

Bron: De Wachter Sions, weekblad Gereformeerde Gemeenten in Nederland, 12 december 2019, 67e jaargang nr. 15.




Evolutietheorie en Schriftgezag: de theologen gingen voorop, de kerk volgde

Maarten Stolk, Reformatorisch Dagblad 8 december 2011

LEIDEN - In de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN) was de evolutietheorie decennia­lang onverenigbaar met een letterlijke lezing van het scheppingsverhaal. Dat ver­anderde in de jaren zestig, toen theologen de resultaten van de natuurwetenschap in hun denkbeelden gingen integreren en vraagtekens zetten bij het gezag van de Schrift. De theologen gingen voorop, de kerk volgde.

Historicus en cardioloog dr. Hittjo Kruyswijk promoveerde donderdag in Leiden op de studie "Baas in eigen Boek? Evolutie en Schriftgezag bij de Gereformeerde Kerken in Nederland (1881-1981)". Hij onderzocht de manier waarop de GKN -in 2004 opgegaan in de Protestantse Kerk in Nederland- omgingen met Darwins evolutietheorie en de gevolgen daarvan voor de omgang met de Bijbel.

Volgens Abraham Kuyper, die in 1892 aan de wieg van de GKN stond, moesten Bijbelteksten letter­lijk worden gelezen. Dat gold ook voor de eerste hoofdstukken van het Bijbelboek Genesis, die over schepping en zondeval gaan.

Kuyper hield in 1881 een rede over "De hedendaagsche schriftcritiek in haar bedenkelijke strekking voor de gemeente des levenden Gods". Hij benadrukte dat de mens alleen zeker in het leven kan staan bij de gratie van een absoluut en onbetwijfelbaar gezag van de Heilige Schrift. Dus niet: het Woord van God is in de Schrift te vinden, maar de Schrift is Gods Woord.

Kuyper
Kuyper
Geelkerken
Geelkerken

De synode van Assen (1926) zette ds. J. G. Geelkerken af omdat hij het spreken van de slang en de zondeval in Genesis 3 niet letterlijk wilde lezen. Volgens Kruyswijk verleenden de GKN in deze periode prioriteit aan "eenmaal dogmatisch ingenomen geloofsstandpunten, zonder nadere argumentatie", boven "een wetenschappelijk ver­antwoorde, afgewogen exegese van de tekst."

De gereformeerde bioloog J. Lever (1922-2010) en diens boek "Creatie en Evolutie" (1956) speelden een belangrijke rol in de "grote omslag" in het denken van gereformeerden over evolutie. Kruyswijk laat zien dat dit boek aanvankelijk tot veel afwijzende reacties leidde. Zo stuitten Levers ideeën over de ouderdom van de aarde, zijn niet-letterlijke opvatting van de begrippen "dag" (geen dag van 24 uur) en "aarde" (niet hetzelfde als de planeet aarde), de transformatie van de soorten en het ontstaan van de mens uit het dierenrijk op veel weerstand.

Lever trok met spreekbeurten het land door om te proberen de gereformeerden te overtuigen van de noodzaak van een nieuw beeld van het ontstaan van de natuur en de mens. "Hij maakte de evolutietheorie accep­tabel door een loskoppeling van de domeinen van geloof en wetenschap, waarbij tussen die beide geen hiërarchische verhouding meer bestond."

Theologen integreerden de resultaten van de natuurweten­schap in hun denkbeelden. Vooral theologen als Tj. Baarda, J. L. Koole, C. Augustijn en H. M. Kuitert kenden in hun werk stapsgewijs steeds meer gewicht toe aan de bijdrage van mensen aan het tot stand komen van de tekst van de Bijbel. Volgens Kruyswijk werd daarmee de historische kritiek toegelaten tot de gereformeerde theologie.

De kerk volgde op haar beurt de nieuwe theologische inzichten. De gevolgen bleven niet uit, aldus de promovendus. "Er ontstond een pluriformiteit van opvattingen binnen veel ruimere grenzen dan in de gereformeerde theologie tevoren gebruikelijk was geweest. Daarmee kwam de functie van het eerder zo zorgvuldig bewaakte centrale leergezag op losse schroeven te staan. Wetenschappelijke theorieën als de evolutietheorie vielen niet langer onder de ban van gezaghebbende theologische uitspraken, al betekende dat niet onmiddellijk dat zij nu ook tot het geestelijk eigendom van de gereformeerden gingen horen."

Het officiële begin van deze ontwikkeling ziet Kruyswijk in de herziening van de besluiten van de synode van Assen (1926). De gereformeerde synode sprak in 1967 uit dat de beperkingen die aan de uitleg van het paradijs­verhaal waren verbonden, niet langer golden. Daarmee liet de kerkvergadering meerdere interpretaties van Genesis toe.

Een volgende stap was het synoderapport "Geen ander fundament" (1970/1971). Daarin bevestigde de kerk weliswaar het historische karakter van de heilsgeschiedenis en veroordeelde ze de opvattingen van Kuitert, maar tot een afzetting uit het ambt van predikant kwam het niet. De oude uniformiteit van het leergezag werd verlaten en de pluriformiteit deed haar intrede. "Er gold een algemene regel, maar ten aanzien van een met name genoemde afwijkende mening was men tolerant."

Honderd jaar na de rede van Kuyper, in 1981, liet de synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland het rapport "God met ons" verschijnen. Naar individuele theologen werd niet verwezen, maar hun denkbeelden werden in feite overgenomen, aldus Kruyswijk. "De tekst van de Bijbel moest, gechargeerd uitgedrukt, niet meer worden gezien als een goddelijk dictaat, maar als een weerslag van ervaringen van de Bijbelschrijvers van hun relatie met God." Het ging om de vraag welke boodschap de Bijbelverhalen overbrengen. "Het aanvaarden van de evolutietheorie vormde vanaf dat moment ook formeel geen probleem meer."